Mijn hersenspinsels en gedachtekronkels

Van Eurabië tot de Ondergang van het Avondland Deel 1

Over Oud en Nieuw extreemrechts, Europa, Amerika, Rusland, het Midden-Oosten, rechtspopulisme en islamisme, Avondland- en Eindtijdromantiek en of het al dan niet met fascisme te maken heeft

Onlangs (eind februari 2018) bracht Geert Wilders een bezoek aan Rusland, met het doel om de banden aan te halen en een tegenwicht te bieden aan ‘de anti-Rusland-stemming’, die er in Nederland zou heersen na de MH17 crash van 2014. De reacties op dit bezoek varieerden van instemmend op GeenStijl, tot afkeurend door de nabestaanden van de MH17 ramp. Beiden overigens weinig verrassend.

Geert Wilders is niet de enige rechtspopulistische leider die warme betrekkingen onderhoudt met Putins Rusland. Marine Le Pen ging Wilders voor en ook Filip Dewinter laat zich voorstaan op zijn goede relatie met Putin. Hij bezocht zelfs de Russische troepen in Syrië, in Aleppo (zie hier zijn verslag). Overigens niet de eerste keer. Dewinter bracht al aan het begin van de opstand een vriendschapsbezoek aan Assad. Hij mocht het zelfs komen vertellen in Pauw (uitzending 7 april 2015, zie hier). Net als de Amerikaan David Duke, de vroegere Grand Wizzard van de Ku Klux Klan, een groot bewonderaar van Assad, zie hier en ook op zijn eigen site, waar hij het over het ‘Joodse IS’ heeft dat door Assad wordt verslagen. Zoiets kun je natuurlijk van de KKK verwachten, alleen lijkt deze beweging zich weer flink te roeren, nu Trump president is geworden. Trump laat zich gelaten en onweersproken door hen bewonderen (zie hier). En hoe zit het met die andere rechtextremistische Trump-bewonderaar Richard Spencer (berucht van zijn toch wel erg infantiele Hail Trump speech, met verwijzing naar de “Lügenpresse”)? Ook een operettefiguur, net als de voorman van de KKK, maar wel met connecties in invloedrijke Russische kringen. Zo haalde hij de Rus Alexander Dugin naar de VS , ogenschijnlijk een obscure en megalomane rechtsextremist met visioenen over een Groot Euraziatisch wereldrijk (zie oa hier), maar toch een belangrijk ideoloog van Putins partij. Zie dit gesprek met Dugin in Eenvandaag, uitgezonden op 11-3-2017  en hier een zeer uitgebreid interview in de nieuwe serie Onbehagen, van Bas Heijne (2018, HUMAN, volledige interview op de site, 89 minuten).

Zeer onlangs (7 april 2018)  bezocht  Dugin Amsterdam, waar hij in de Westerkerk een onderonsje had met oa Thierry Baudet (zie  hier) en journalist (?, of is het meer activist?) Wierd Duk (zie hier). De Wierd Duk, bekend van AD en Telegraaf en van diverse talkshowoptredens, waarin hij eurosceptische en anti-migratie standpunten combineert met een grote bewondering voor Putins Rusland, een combinatie die de laatste tijd vaker voorkomt. Google maar de combinatie “Duk” en “‘politieke aardverschuiving”. Of “Duk” en “MH17”. Hij kwam ook met de opmerkelijke stelling: “Rusland is geen dictatuur, want als je je niet met de politiek bemoeit heb daar een prima leven”. Een uitspraak waar nogal wat rumoer over ontstond (beluister hier Duk in discussie met Hubert Smeets).

Wat beweegt deze voorlieden van de “Patriottische Revolutie” (in de woorden van de inmiddels nogal omstreden, zo niet afgegleden journalist Joost Niemöller– aan hem, een nog iets ruigere versie van Wierd Duk, zal later nog uitgebreid aandacht worden besteed- google hem zeker in combinatie met “MH17”) om toenadering tot Rusland te zoeken? En waarom zoekt Rusland het gezelschap van uitgerekend deze lieden, die in eigen land meestal nogal omstreden zijn? En, over met lijntjes met Rusland gesproken, wat is de betekenis van dat er in Amerika, waar deze stroming betrekkelijk marginaal leek te zijn, er nu een president is gekozen, die zeker als rechtspopulistisch kan worden omschreven, maar waar uit zijn entourage ook nog verschillende lijntjes lopen naar de duistere ‘Alt-Right beweging’?

Allereerst wil met dit drieluik vooral het veld verkennen van wat je zou kunnen omschrijven als hedendaags extreemrechts, rechtspopulisme, of, zo je wilt, ‘de Patriottische Revolutie’. Het wordt geen uitputtende inventaris, ik wil hier een paar zaken langslopen en uitlichten, die mijns inziens sterk met elkaar in verband staan, in elkaar overlopen, soms tegenover elkaar lijken te staan maar aan elkaar hun bestaansrecht ontlenen. Het wordt een geen lineair betoog, maar een grillige wandeling. Hopelijk zal er aan het eind toch het een en ander duidelijk worden en kunnen er mogelijk enkele conclusies getrokken worden.

Aan de orde zal komen: de Eurabië-theorie van Bat Ye’or (waarop Wilders zich vaak beroept); het verhaal van de Groot Mufti van Jeruzalem en zijn collaboratie met Nazi-Duitsland, waarop veel pro-Israëlactivisten en anti-islamideologen zich baseren als ‘de islam’ fascistisch wordt genoemd en zelfs om deze ‘Palestijn’ en ‘moslim’ de schuld voor de Holocaust in de schoenen te schuiven; op welke  manier is het Europese fascisme daadwerkelijk van invloed is geweest in het Midden Oosten; de bronnen van het moslimfundamentalisme en van IS (en of IS wel tot het moslimfundamentalisme gerekend kan worden), het moderne apocalyptische gedachtegoed van IS in vergelijking met andere apocalyptische ideeën, die niet islamitisch van oorsprong zijn en ook weer een bloei doormaken; een andere opleving van het ondergangsdenken, maar dan de herwaardering voor Oswald Spenglers Ondergang van het Avondland binnen de conservatieve en rechtspopulistische beweging in Europa en ook Nederland. Ook de ontwikkelingen in Amerika, en dan vooral de Altright beweging zullen aan de orde komen, net als het manifest van de Noorse terrorist Anders Breivik.  En tenslotte dat het denken in ‘rasverschillen’, maar ook sekseverschillen in bepaalde kringen weer helemaal terug is.

In het onderstaande zullen deze thema’s passeren en een aantal lijntjes worden langslopen. Er zal bekeken worden of er dwarsverbanden te leggen zijn. Of juist niet. Differentiëren waar dat nodig is.

Om met misschien het heetste hangijzer te beginnen: Geert Wilders zelf heeft zich er altijd tegen verzet om tot ‘traditioneel extreemrechts’, of beter fascistisch geïnspireerd extreemrechts gerekend te worden. In de ogen van Wilders (en Martin Bosma) is Links eerder fascistisch (‘Nationaal Socialistisch’ zie je wel!), of de Islam (‘Verbied de Koran, het islamitische Mein Kampf ‘). Al werken zij tegenwoordig wel samen met partners in Europa bij wie dat soms een tikkeltje genuanceerder ligt (van de Italiaanse neofascisten, tot Front National en Vlaams Belang/voorheen Vlaams Blok).

Wat mij betreft is het verzet van Wilders en geestverwanten tegen het predicaat ‘fascisme’ maar ten dele terecht. Overigens hoor je nooit een van de aanhangers of de ‘antidemoniseerders’ het belangrijkste (en meest principiële) verschil tussen rechtspopulisten als Wilders, maar ook Fortuyn, met het twintigste-eeuwse fascisme, zoals dat van Hitler, Mussert, Mussolini of Franco uitleggen, behalve dat het heel erg is en absoluut verwerpelijk om Fortuyn, of Wilders, met een fascist als bijvoorbeeld Mussert te vergelijken. Om hen ter wilde te zijn- ik help graag een beetje- hieronder het meest belangrijke kenmerk van het fascisme, zoals het zich in de afgelopen honderd jaar heeft gemanifesteerd (echt nog nooit gehoord van iemand die verontwaardigd was over hoe Fortuyn of Wilders al dan niet gedemoniseerd werd):

Het historische fascisme (van bijvoorbeeld Mussert, maar ook Mussolini, Hitler, Franco) streefde naar afschaffing van de parlementaire democratie. Dus geen verkiezingen meer, maar een Leider, die intuïtief de Volkswil zou belichamen. En verder geen rechtsstaat meer, geen persvrijheid en al helemaal geen vrijheid van meningsuiting. Naast het bijbehorende nationalisme en eventueel racisme, of antisemitisme (bij sommige vormen van het fascisme, dus lang niet bij alle), is het voornaamste kenmerk dat de fascistische staat altijd hiërarchisch, dictatoriaal en dus niet democratisch was/is.

Zie hier. Het lijkt me duidelijk dat de rechtspopulist Wilders geen regelrechte fascist is in de traditionele zin (idem Fortuyn), Ook het bijbehorende militarisme, de vestiging van een totalitaire politiestaat en de verheerlijking van geweld zijn niet echt uitgesproken kenmerken van beide rechtspopulistische politici. Orban in Hongarije is in de Europese context misschien het enige echte grensgeval. Misschien ook een paar van de post-communistische dictators van voormalige Sovjet Republieken, die het staatssocialisme hebben ingeruild voor nationalisme. En wellicht het regime van bijvoorbeeld Bashar al-Assad (daar loopt zelfs een direct lijntje naar het historische fascisme, kom ik later op terug) Maar verder is dit wel een heel wezenlijk verschil met het 20e eeuwse fascisme. Dat niet overigens niet persé antisemitisch of zelfs racistisch was, dat was vooral de Duitse variant, het Nazisme. Het historische fascisme is overigens wel altijd radicaalnationalistisch en uitsluitend voor de ‘eigen groep’. Zoals ‘onze eigen’ NSB, in de jaren dertig, voordat (aanvankelijk meer door Rost van Tonningen dan door Mussert) de invloed van het Duitse Nationaal Socialisme sterker werd ten koste van de oorspronkelijke koers, die zich meer op het fascisme van Mussolini richtte. De NSB is wel altijd (en vooral) een partij geweest die weliswaar de parlementaire democratie wilde gebruiken om aan de macht te komen, maar deze meteen wilde afschaffen en vervangen door een autoritaire staat, met een Leider (lees: ‘Führer’, ‘Duce’) aan het hoofd.

Het is wel aardig dat ik dit niet onbelangrijke detail (dus het afschaffen van de democratie en de vestiging van een totalitaire staat) nog nooit heb mogen vernemen van aanhangers die diep gekrenkt waren als Wilders of Fortuyn door tegenstanders in de fascistische hoek werden geplaatst. Want het bovenstaande, het ‘Leidend Beginsel’, in het jargon van de NSB, is wel een wezenlijk kenmerk van het fascisme en zeker niet van toepassing op Wilders of Fortuyn, hoezeer hun beider partijen georganiseerd waren of zijn, rond de voorman/leider. Inclusief het gegeven dat het woord van de voorman in feite het politieke programma is. Maar dat is eerder ingegeven door populisme dan fascisme (het fascisme is dan ook zeker populistisch, maar niet al het populisme is fascistisch of fascistoïde). De vervanging van de democratie door een autoritair stelsel met een absoluut leider is toch wel voorbehouden aan het fascisme en kan moeilijk de recente Nederlandse rechtspopulisten worden verweten.

Ondanks dit principiële verschil met het historische fascisme, wil dit nog niet zeggen dat Wilders en de PVV geen plaats innemen binnen de hedendaagse extreemrechtse constellatie. Dat is wel degelijk het geval. Alleen is radicaal rechtse discours rond de millenniumwissel sterk verschoven. Om een belangrijk voorbeeld te noemen. Voorheen werd extreemrechts geassocieerd met antisemitisme, uiteraard vanwege het dwepen met het Derde Rijk en het ontkennen van de Holocaust. Holocaust negationisme en neo-nazisme/neofascisme gingen en gaan in regel hand in hand. Als we ons op de Nederlandse context richten dan zien wij dat Fortuyn het breekpunt is geweest tussen oud en nieuw extreemrechts. De partij van Janmaat kwam nog voort uit de echt neonazistische Nederlandse Volks Unie van Joop Glimmerveen en Janmaat heeft (sporadisch) nog contacten onderhouden met de Weduwe Rost van Tonningen.

Dat was bij Fortuyn heel anders. Fortuyn moest niets hebben van antisemitisme, was uitgesproken voor homorechten (Filip Dewinter heeft nog een keer verklaard dat hij dat van Fortuyn ‘betreurde’, letterlijk: “Kijk, Fortuyn was natuurlijk een verschrikkelijke nicht-dat vinden wij hier wat minder- maar sommige van zijn ideeën…”, zoiets was het in mijn herinnering, niet meer terug te vinden in een uitzending van EenVandaag) en heeft zichzelf altijd verre gehouden van bestaande extreemrechtse clubs. Bij sommige van zijn navolgers in de LPF lag dat weleens anders, zoals de warme contacten tussen Hilbrand Nawijn en Filip Dewinter, maar dat staat uiteraard los van Fortuyn zelf, die daar heel duidelijk over was. Fortuyn moest niets hebben van bijvoorbeeld Le Pen, maar wel weer van Berlusconi- ik denk dat hij (in sommige opzichten) meer in die hoek te plaatsen was.

Verdonk is achteraf misschien een soort tussenstation geweest (tussen Fortuyn en Wilders dan), hoewel zij qua ideeën eigenlijk niets voorstelde, itt haar tegenspeelster Ayaan Hirsi Ali,  die zich later nestelde in de neoconservatieve circuits die een tijd lang Wilders zouden steunen, al is zij daar weer vanaf gestapt, maar de ideologische loopbaan van Hirsi Ali kent nu eenmaal een grillig verloop.

Wilders en recenter zeker ook Baudet met zijn Forum voor Democratie manifesteren zich veel nadrukkelijker in het extreemrechtse circuit dan hun rechtspopulistische voorgangers vanaf Fortuyn, zoals hierna uitgebreid aan de orde zal komen.

Eurabië

Gedurende ongeveer de afgelopen vijftien jaar zijn er twee samenzweringstheorieën die telkens opduiken in het narratief van het nieuwe (post 9/11) rechtse anti-islam activisme, of het nu hier bij Geert Wilders is, of in de VS bij Pamela Geller, bij de in 2013 overleden emeritus hoogleraar Arabisch en islamkunde Hans Jansen, andere soms meer academische dan wel activistische auteurs als Andrew Bostom, Lars Hedegaard, Robert Spencer, Ibn Warraq, Daniel Pipes, Douglas Murray, of (in Nederland) ghostwriters Barry Oostheim en E.J. Bron, tot en  met de Noorse blogger Fjordman en in het manifest van de Noorse massamoordenaar Anders Breivik.

Het gaat hier om: 1. het begrip Eurabië (het Europese continent zou steeds meer geïnfiltreerd zijn door Arabische en islamitische krachten en hun welwillende handlangers) en 2.  De historische figuur Hajj Amin al-Hussayni, de vroegere Groot Mufti van Jeruzalem die zo’n invloed op Hitler zou hebben gehad dat hij de ware initiator van de Europese Holocaust was.

Beide verhalen duiken nog altijd zeer regelmatig op, al is de Eurabië theorie in PVV kring wat naar de achtergrond geraakt, sinds Wilders minder gesteund lijkt te worden uit Amerika en zich meer is gaan richten op ‘traditioneel extreemrechts’ in Europa (sinds hij de samenwerking heeft gezocht met Le Pen, de Winter en andere vertegenwoordigers van ‘oud-extreemrechts’). Er lijkt zelfs sprake van een koersverlegging. Tot voor kort zetten Wilders en de PVV zich juist af tegen Neonazi’s, waren zij fel pro-Israël- eigenlijk de koers van anti-islamitisch activistisch rechts in de VS en de rechterkant van het Israëlische politieke spectrum- maar tegenwoordig worden er zelfs zaken gedaan met partijen die een lange geschiedenis hebben op het gebied van Holocaust-negationisme. Alhoewel, tegenwoordig heeft zelfs de premier van Israël Bibi Netanyahu daar minder problemen mee- met zijn omhelzing van de theorie van de Groot Mufti sluit hij zich in feite aan bij Holocaustontkenners als David Irving (op dit blog in een ander verband uitgebreid besproken, zie hier), die ook de theorie van de Goot Mufti erbij heeft gehaald om de Nazi’s een alibi te verschaffen.

Maar eerst Eurabië, de samenzweringstheorie van de anti-islam activsite en schrijfster Bat Ye’or. Hans Jansen was zo’n beetje haar belangrijkste ambassadeur in Nederland en heeft ook Geert Wilders bij haar geïntroduceerd (een eerdere poging van Jansen om haar aan Ayaan Hirsi Ali te koppelen mislukte jammerlijk- beide dames vlogen elkaar meteen in de haren, zoals we zouden kunnen opmaken uit Jansens verslag, zie hier ). Wilders verwijst veel naar de Eurabië-theorie, bijvoorbeeld ook in zijn verklaring die hij tijdens zijn proces hield (zie hier).

Wie is de bedenker van de Eurabië-theorie? Bat Ye’or (in het Hebreeuws ‘Dochter van de Nijl’) is het pseudoniem van Giselle Littman-Orebi, een in 1933, in Egypte geboren schrijfster en activiste van Joodse afkomst. In 1955 ontvluchtte zij, vanwege de oorlog met Israël, zoals zoveel Egyptische joden haar geboorteland en kwam terecht in Engeland. In 1960 verhuisde zij naar Zwitserland. Met haar man, voormalig VN medewerker en later vooral pro-Israël/anti-islam activist David Littman (overleden 2012), vestigde zij zich in Lausanne, waar zij nog altijd woont en werkt.

Bat Ye’or werd bekend van het begrip ‘Dhimmitude’, een thema waaraan zij twee boeken wijdde, The Dhimmi: Jews & Christians Under Islam (1985) en The Decline of Eastern Christianity: From Jihad to Dhimmitude (1996). Hoewel de term ‘Dhimmitude’ meestal met mevrouw Litmann in verband wordt gebracht, werd deze term ook in 1982 gebezigd door Bashir Gemayel, de Libanese Christelijke Falangistische leider en vroegere president (vermoord in 1982). Naar alle waarschijnlijkheid heeft zij dit begrip aan Gemayel ontleend.

‘Dhimmitude’ is afgeleid van ‘Dhimmi’, een begrip dat in de islam staat voor de ‘andere gelovigen van het Boek’, dus de Joden en de Christenen. Binnen de traditionele islam hebben de Joden en Christenen door de eeuwen heen een soort status aparte gehad. Omdat zij ook een Abrahamitische godsdienst aanhingen werden zij getolereerd/gedoogd, mits zij extra belastingen betaalden. Door de eeuwen heen zijn er grote verschillen geweest, ook per staat, regime. Maar van de Khaliefen tot de sultans, dit is min of meer de status van deze minderheden geweest.

Bat Ye’or betoogt, vaak niet ten onrechte, dat de status van joden en christenen vaak niet zo rooskleurig is geweest. Zij waren vaak chantabel en afhankelijk van de grillen van de islamitische meerderheid en er werd vaak misbruik van die macht gemaakt, tot verschillende gruwelijke georganiseerde pogroms aan toe.

Met ‘Dhimmitude’ bedoelt Bat Ye’or de nederige attitude van joden en christenen naar de eisen van de moslims, vroeger en nu. Zij stelt dat de westerse wereld veel te slap is naar de wereld van de islam, naar de islamitische landen en naar de migrantengemeenschappen in de westerse wereld. In het denken van Bat Ye’or hebben de ‘politiek correcte elites’ en opiniemakers zich al min of meer overgegeven aan de moslims en lijden zij daarmee aan Dhimmi-gedrag, of ‘Dhimmitude’, zoals zij dit ‘ziektebeeld’ (zij ziet ‘Dhimmitude’ als een vorm van decadentie of cultureel verval van het westen) diagnosticeert.

In het denken van Bat Ye’or is Europa verweekt geraakt en weerloos tegen het agressieve imperialisme van de islamitische wereld. Dit imperialisme is klassiek imperialisme, bijv. dmv militaire verovering en onderwerping, maar zou sluipenderwijs gaan, een soort verovering zijn onderop. Doordat er steeds meer migranten uit de islamitische wereld de verschillende Europese landen bevolken, zouden zij langzaam maar zeker de westerse cultuur ondermijnen en die zelfs vervangen door de cultuur van hun landen van herkomst. Zij zouden hierbij dankbaar worden geholpen door politiek correcte fellow-travellers. Eigenlijk zijn in haar optiek Israël (dat de permanente islamitische terreurdreiging het hoofd moet bieden) en een neoconservatief Amerika (dat nog niet is aangetast door het decadente cultuurrelativisme) de enige machten die de afgelopen decennia dit proces enigszins hebben kunnen tegenhouden.

Zie hier het denken van Bat Ye’or, zoals ze dat vooral uiteen heeft gezet in haar bekendste werk Eurabia; the Euro-Arab Axis, uit 2005, in het Nederlands verschenen als Eurabië, de geheime banden tussen Europa en de islamitische wereld (Meulenhoff, 2007), met een voorwoord van Hans Jansen (voorwoord hier te downloaden).

De centrale these van Eurabië komt, zo simpel mogelijk samengevat, op het volgende neer: de Europese Unie zou een serie van geheime vriendschapsverdragen met de Arabische Liga hebben gesloten, geïnitieerd door Charles de Gaulle, bedoeld als tegenwicht naar de Amerikaanse (en Israëlische) invloed. In ruil voor goedkope olie zou Europa zichzelf openstellen als missiegebied voor de islam en onbeperkt migranten toelaten. En Europa zou verder een ‘Israël-kritische’ koers varen.

Ik denk dat er veel bezwaren zijn in te brengen tegen Bat Ye’ors Eurabië. Dat is ten eerste dat het wel heel erg veel knip en plakwerk is. Dat er ergens een vriendschappelijke top wordt gehouden, waarna plechtig wordt verklaard dat er dialoog moet worden aangegaan tussen de landen van beide kanten van de Middellandse Zee wil nog niet zeggen dat zoiets daadwerkelijke politieke betekenis heeft. Er gebeuren wel meer symbolische flauwekul dingen. Onze monarch deelt geregeld een of andere ridderorde uit aan een buitenlands staatshoofd, of ontvangt er een soortgelijk huldeblijk uit de handen van een bevriende collega, of president, ed. Meestal zijn dat niets meer dan symbolische gestes. En zelfs als het meer inhoud heeft, dan nog kun je je afvragen hoe doorslaggevend dat is voor de totale buitenlandse politiek van de verschillende Europese landen.

Alleen, dat wil nog niet zeggen dat deze ‘topontmoetingen’, verdragen, etc. de politieke verhoudingen ingrijpend hebben beïnvloed, vooral ten nadele van Israël. Dat is, ook vanuit Europa, bijna net zo eenzijdig geweest als vanuit de VS. In die zin blaast Bat Ye’or kleine dingen op tot immense proporties, waar zij veel lawaai over maakt (oa, want volgens mij vertelt zij ook veel onzin). Zo’n verhaal kun je natuurlijk optuigen met heel veel voetnoten, maar heeft het ook werkelijke substantie? Zie hier een aspect van de methode Bat Ye’or.

En dan, ten tweede, de conclusies die zij aan dit alles verbindt. Alsof er een systematisch geheim plan bestaat in de Arabische wereld of bij de Organisatie voor Islamitische Landen om op slinkse wijze Europa over te nemen. Er is veel aan de hand in en met de Arabische wereld, maar ondanks alle retoriek uit de tijd van het Pan Arabisme is het nog nooit gelukt om een vuist te maken. Op alle niveaus bestaat er zo’n beetje onenigheid en diepe verdeeldheid. Europa, zowel toen als nu, is daar nog een schijntje bij. Dus een megalomaan project als ‘Eurabië’ lijkt me om die reden al een luchtkasteel. Er is wel veel mis, maar dat nou net weer niet. Niet omdat sommige mensen dat niet zouden willen, maar omdat het onmogelijk is om te realiseren. En het zijn in het algemeen nogal zwakke staten, die nog maar vrij recent tot stand zijn gekomen. Zelfs al is de intentie er (en ik denk niet een dat die breed gedragen zou worden), dan nog lopen de belangen van die landen zo uiteen, dat een Eurabië project niet realistisch is.

Nog een derde punt. Het is natuurlijk zeker zo dat Europa de banden met diverse foute regimes daar in de regio heeft aangehaald ivm olie. Maar, en dat negeert Bat Ye’or, dat geldt misschien in nog veel sterkere mate voor de VS. Plus dat de VS ook nog allerlei strategische belangen hebben en hadden (gedurende de koude Oorlog). Als er nou een mogendheid is geweest die heeft gedeald met radicale of foute moslimextremisten, is het de VS wel, zie het Afghanistan verhaal. Ayman al-Zawahiri werd in Egypte vrijgelaten om daar te gaan vechten. Bovendien, dat is bijna iedereen vergeten (heeft niets met de islamisten te maken, maar wel met Irak), in 1963 steunden de VS oa Saddam Hussein en de toen nog marginale Ba’thpartij in hun coup tegen de pro-Russische generaal Abd al-Karim Qassem. Nu heeft Frankrijk daar ook nog rare dingen gedaan, maar dat is toch iets anders dan de Eurabië-theorie. Maar het idee dat Europa een soort anti-Israëlische politiek zou hebben gevoerd, in het voordeel van de ‘Eurabische elementen’ die daar baat bij zouden hebben gehad, op z’n zachtst gezegd is dat nogal een vertekende (zoniet zwaar vervormde) versie van de geschiedenis.

Andere zaken hebben veel meer de boventoon gevoed, zoals de Koude Oorlog, of de Amerikaanse steun aan Israël. Daartegenover natuurlijk de Russische steun aan het Syrië van de Assads, die voortduurt tot op de dag van vandaag. Die dingen zijn veel belangrijker geweest dan die sinistere Eurabische netwerken, waar Bat Ye’or het over heeft. Dat was mijn derde belangrijkste bezwaar. In serieuze wetenschappelijke kringen wordt Bat Ye’ors Eurabië meestal gezien als brandhout en ik denk terecht.

In de islamkritische, neoconservatieve of rechtspopulistische subcultuur heeft het werk van Bat Ye’or een enorme cultstatus. Het begrip Eurabië heeft in die kringen een hoge vlucht genomen. Het speelt ook een cruciale rol in het manifest van Anders Breivik.

Het idee van een politiek-correcte elite, die andere belangen zou dienen dan die van ‘het volk’ en bereid is om de belangen van het volk op te offeren (de EU!) en om het uit te leveren aan barbaarse krachten uit den vreemde (de moslims!), het is de rode draad in het gedachtegoed van Geert Wilders. Maar ook bij Baudet vinden we precies dit concept terug. En, in ieder geval hetzelfde patroon, maar ingevuld met iets andere begrippen, bij Trump

Lees zeker Eildert Mulder, Eurabië ligt aan de Middellandse Zee (10-9-2011), uit zijn serie uit Trouw, later verschenen in Anders Breivik is niet alleen

Bat Ye’or talks with Pamela Geller

Geert Wilders tijdens zijn proces: Overal in Europa gaan de lichten uit

Ian Buruma, Eurabia, Truth or Paranoia?

Modern Holocaust Revisionisme

En dan het verhaal dat Haj Amin al-Husayni, de Groot Mufti van Jeruzalem (1897-1974), de belangrijkste inspirator/initiator zou zijn geweest voor de Holocaust. Jansen, Bosma en Wilders sluiten zich hiermee aan bij een trend die al wat langer gaande is. Wie verschillende zg Hasbara sites al een tijdje volgt (pro-Israëlische propaganda-sites, die vaak gesteund worden door het Israelische ministerie van ‘Voorlichting/Publieke Diplomatie’, oftewel ‘Hasbara’) moet bekend zijn met dit verhaal.

Het is waar dat Haj Amin al-Husayni, nadat hij was vertrokken uit Palestina, in contact kwam met de Nazi’s, waarmee hij op verschillende manieren samenwerkte. Eerst in Bagdad, gedurende de coup van de pro-Nazistische officieren van de Gouden Vierhoek, olv generaal Rashid Ali. De coup vam de Gouden Vierhoek was overigens een belangrijke inspiratiebron voor de oprichters van de Ba’thpartij Michel Aflaq en Salah al-Din Bittar. Een van de lagere officieren die bij deze coup was betrokken, was een zekere Khairallah Tulfah, die in die tijd sterke Nazi-sympathieën ontwikkelde en een obscuur manifest schreef ‘De drie dingen die God nooit geschapen mocht hebben; Joden, Perzen en vliegen’. Khairallah Tulfah zou zeker vergeten zijn (na zijn gevangenisstraf en oneervolle ontslag uit het leger, werd hij onderwijzer in Tikrit), als hij niet de oom en vooral de voogd zou zijn geweest van de toen jonge Saddam Hussein, op wie hij een beslissende invloed had. Overigens resoneert een echo hiervan nog door in het gedachtegoed van IS, dat misschien veel minder orthodox islamitisch is en veel meer geworteld is in deze vorm van Arabisch nationalisme. Dit zal later aan de orde komen.

De coup van de Gouden Vierhoek in Bagdad mislukte en al-Husayni vluchtte naar Berlijn. Daar maakte Hitler hem tot hoofd van een SS divisie, bestaande uit voornamelijk Bosnische moslims, die gruwelijke oorlogsmisdaden hebben begaan.

Na de oorlog wist de Mufti de Neurenberger processen, waar hij terecht had moeten staan, te ontkomen en vluchtte hij naar het Midden-Oosten. In 1974 overleed hij in Libanon.

Het staat niet ter discussie dat de Mufti een bijzonder kwalijke rol heeft gespeeld, dat hij een oorlogsmisdadiger was, etc. Alleen, itt wat veel pro-Israël en anti-islamactivisten en hun meelopers beweren, de Mufti is niet degene geweest die met het idee van de Holocaust is gekomen. Dat was namelijk Hitler zelf. Hij heeft het idee van gifgas voor Joden al geopperd in Mein Kampf. Bovendien was al ruim voor de Wanseee Konferenz (en de ontmoeting met de Groot Mufti) al een begin gemaakt met de fysieke vernietiging van de Europese Joden. Er bestonden zelfs al gaskamers, zoals in Belzec, en ook Babi Yar had al plaatsgevonden. Hitler had toen al zelf talloze toespraken gehouden waarin hij opriep tot de vernietiging en totale uitroeiing van de joden, ook met gifgas.

Maar net als de inmiddels allang afgeschreven Holocaustontkenners David Irving, Robert Faurisson en Ernst Zündel (in een ander verband eerder op dit blog behandeld), kunnen ook de nieuwe Holocaustrevisionisten met een eigenlijk anti-islamitische agenda moeilijk geloven dat de Nazi’s en niet iemand anders, zoals bijvoorbeeld de eeuwige moslims, verantwoordelijk zijn voor de massale vernietiging van de Europese Joden.  Hitler had dat natuurlijk nooit zelf niet kunnen bedenken; hij moet haast wel zijn ingefluisterd door een niet-Arische en eigenlijk Semitische Arabier… Ook Hitler, die trouwens links was volgens Martin Bosma, is kennelijk slachtoffer van demonisering.

Er is overigens geen serieuze historicus van het Derde Rijk die de Groot Mufti zo’n cruciale rol toedicht. Allan Bullock, Sebastian Haffner, Joachim Fest, Ian Kershaw geen van hen heeft het bij mijn weten zelfs over de Groot Mufti (althans, volgens mij wordt hij zelfs door geen van hen genoemd, maar dat zou ik misschien nog een keer moeten nazoeken). Maar het verhaal van de Groot Mufti (als bedenker van de Holocaust), duikt eigenlijk alleen op in ranzig propaganda-materiaal, of in Nederland bij auteurs/opiniemakers als Carel Brendel en Hans Jansen. Of Martin Bosma. De op dit blog uitgebreid behandelde pro-Israel activiste Ratna Pelle is ook niet zuinig in haar gebruik van het verschijnsel Groot Mufti.

Er zijn ook serieuze auteurs over het Midden-Oosten (zoals Charles Tripp, Robert Fisk of Hanna Batatu) die uitgebreid over de Mufti hebben geschreven. Ook zeer kritisch en zonder zijn collaboratie met Hitler te verdoezelen. Maar geen van hen maakt de Mufti tot de bedenker of inspirator van de Holocaust. De Mufti was zonder twijfel een Nazi-collaborateur, een Nazi-oorlogsmisdadiger, maar geen hoofdrolspeler, laat staan een sleutelfiguur. Zijn invloed is zeker betekenisvol geweest in het Midden Oosten (zoals op de Ba’thpartij en vooral Saddam Hussein), maar niet op het verloop van de Tweede Wereldoorlog in Europa of op de Holocaust.

http://www.volkskrant.nl/buitenland/merkel-tegen-netanyahu-holocaust-is-wel-onze-verantwoordelijkheid~a4168563/

De Partij van de Liefde

“Het nieuwe fascisme draagt een baard”, zei oorlogscorrespondent Arnold Karskens in de talkshow van Pauw, op 22 september 2014., nav de wandaden van Islamitische Staat (zie hier). Heeft hij gelijk en is IS een manifestatie van ‘fascisme’? Wat mij betreft heeft Karskens maar een beetje gelijk, zij het indirect en op een iets andere manier dan hij wellicht zelf bedoelde.

Hoewel het hiervoor besproken verhaal van de Groot Mufti misschien wel het bekendste is (vooral omdat het zo gespind is door de Israël Lobby en door westerse anti-islamactivisten, zo erg dat het gezonken cultuurgoed is geworden, dat het inmiddels zelfs op GeenStijl rondwaart), is dit zeker niet het enige en al helemaal niet de belangrijkste link tussen het Europese fascisme en politieke bewegingen/stromingen in het Midden Oosten. Want hoe zit het met de oorsprong van het regime van Assad? Want juist de Baathpartij (zowel de Syrische van Assad als de Iraakse van Saddam Hussein) kent een min of meer op het fascisme geïnspireerde oorsprong.

De Ba’thpartij werd opgericht door Michel Aflaq, een Christelijke Syriër. Aflaq werd in 1910 in Damascus geboren in een Syrische Grieks Orthodoxe familie. Hij groeide op in de jaren dat Syrië een Frans mandaatgebied was, een resultaat van de opdeling van het Osmaanse Rijk na de Eerste Wereldoorlog, een gegeven dat zijn politieke vorming sterk zou beïnvloeden. In de jaren dertig studeerde hij geschiedenis aan de Sorbonne Universiteit in Parijs.

Aanvankelijk was Aflaq Marxist, maar in de loop van de jaren dertig raakte hij sterk beïnvloed door de Duitse denkers van de romantiek (vooral Gottfried Herder) en in toenemende mate het fascisme van Mussolini in Italië. Terug in Damascus, waar hij docent werd op een Franse eliteschool, begon hij zijn carrière als politiek denker/activist/agitator. Hij werd actief in de revolutionaire ondergrondse van het Arabisch nationalisme. Begin jaren veertig richtte hij samen met de soenniet Salah Eddine al-Bitar en de Shiiet Zaki Arsuzi de Pan Arabische Ba’th Partij op, voluit al-Hizb al Ba’th al-Arabi al-Ishtiraki (حزب البعث العربي الاشتراكي), ‘de Socialistische Partij van de Arabische Herrijzenis’. Ba’th, “herrijzenis” of “wedergeboorte” stond tegenover het Europese Imperialisme. De Ba’thpartij was natuurlijk een reactie op de nasleep van de Eerste Wereldoorlog, die voor de Arabieren, ondanks dat zij aan de geallieerde zijde hadden meegevochten tegen het Osmaanse Rijk, bijzonder nadelig was uitgevallen. De Arabieren kregen geen onafhankelijk aaneengesloten gebied, onder het gezag van Koning Faisal, maar het gebied werd verdeeld in een Frans en een Brits mandaat (het geheime Sykes-Picot akkoord van 1916, in 1920 geïmplementeerd). Syrië en Libanon gingen naar Frankrijk, Palestina, Trans Jordanië en Irak naar Engeland. Aan de geforceerde en kunstmatige grenzen van deze staten hebben sindsdien een heleboel conflicten ten grondslag gelegen, eigenlijk tot op de dag van vandaag. De recente vorming van Islamitische Staat, dwars door de grenzen van Syrië en Irak werd mede gemotiveerd als een rechtzetting van dit onrechtmatige en opgelegde verdrag.

Het was onder meer deze verdeling van de Arabieren waar Aflaq en de Ba’thpartij tegen ageerde. Er moest een Pan-Arabische Eenheid komen, los van de door de imperialisten opgelegde landgrenzen. De drie zaken waar de Ba’thpartij tegen ageerde waren: Imperialisme, Zionisme (de vorming van een Joodse Staat in Palestina), en ‘de Arabische Reactie’, waarmee de conservatieve monarchieën werden bedoeld, die in de ogen van de Ba’th een belemmering vormden voor de vooruitgang en de Arabische wederopstanding. De slogan van de partij was “Eenheid, Vrijheid, Socialisme”. Eenheid bedoeld als eenheid van alle Arabieren, die een Natie vormden en zich moesten ontdoen van de koloniale grenzen. Vrijheid bedoeld als vrij van imperialistische overheersing en Socialisme als saamhorigheid, sociale rechtvaardigheid en emancipatie (overigens nadrukkelijk niet Marxistisch). Op het eerste gezicht begrijpelijke of gerechtvaardigde eisen, zeker in het licht van die tijd. De Ba’thpartij was trouwens seculier en profileerde zich vooral als een partij voor Arabieren, ongeacht de religieuze afkomst/overtuiging. Het Pan-Arabisme stond, in de oorspronkelijke ideologie althans, centraal (onder respectievelijk Saddam en Assad zouden regionalisme, nationalisme en vooral tribalisme steeds meer de boventoon voeren, maar dat was niet de oorspronkelijke koers van Aflaq)

Maar Aflaqs ideeën bevatten ook andere elementen, die niet direct zijn terug te voeren op een Arabische, Islamitische of regionale traditie, maar die duidelijk geworteld zijn in het Europese politieke denken van de jaren twintig en dertig, vooral het fascisme. In Fi Sabil al Ba’th (“The Path to Resurrection”), uit 1941, het belangrijkste geschrift van de Ba’thpartij, klinkt regelmatig de roep om een sterke leider, die de partij en de samenleving voortdurend bij de les houdt en in een permanente staat van strijd stort:  “The Leader, in times of weakness of the ‘Idea’ and its constriction, is not one to substitute numbers for the ‘Idea’, but to translate. numbers into the ‘Idea’; he is not the ingatherer but the unifier. In other words he is the master of the singular ‘Idea’, from which he separates and casts aside all those who contradict it.”

Aflaqs formulering van nationalisme doet net zo fascistoïde aan: “Nationalism is love before anything else. He who loves doesn’t ask for reasons. And if he were to ask, he would not find them. He who cannot love except for a clear reason, has already had this love wither away in himself and die (…) In this struggle we retain our love for all. When we are cruel to others, we know that our cruelty is in order to bring them back to their true selves, of which they are ignorant. Their potential will, which has not been clarified yet, is with us, even when their swords are drawn against us”.

Nationalisme als onvoorwaardelijke liefde. Een irrationele overgave aan de Natie en haar Leider, in een systeem waarin foltering en andere wreedheden gezien worden als loutering, therapie zelfs en het individu geofferd kan worden voor een hoger ideaal, dat slechts door de Leider kan worden vastgesteld. Fascistischer kan bijna niet. Zie voor meer over de ideologie van Aflaq en hoe deze zich verhield tot de werkelijke politiek van zowel Assad als Saddam Hussein (vooral de laatste), Bloed en Bodem van de Ba’ath, van arabist Leo Kwarten uit de NRC (3-5-2003). Er is trouwens recent een Nederlandse politicus opgestaan die zijn partij, net als Aflaq, ook ‘de Partij van de Liefde’ noemde en in het verlengde daarvan zeker nationalisme (of patriottisme) beschouwt als een vorm van liefde. Ik neem aan dat het op toeval berust, tenminste niet dat er in dit Nederlandse partijtje het Ba’thistische gedachtegoed leeft. Maar opmerkelijk is het wel, Dit partijtje (waarvan enkele lieden zich wel lovend over Assad hebben uitgelaten), komt later nog uitgebreid aan de orde. Terug naar Aflaq en de Ba’thpartij.

Uiteindelijk vonden in zowel Syrië en Irak in 1963 staatsgrepen plaats die in beide landen de partij aan de macht hielpen. In Irak trouwens voor korte duur, omdat het leger ingreep en de Ba’thi’s weer aan de kant zette. In 1968 wist de Iraakse tak van de Ba’thpartij weer aan de macht te komen en ditmaal deze te behouden, tot de val van Saddam Hussein na de Amerikaanse invasie van 2003. Maar hoe dan ook, Aflaqs notie van de “Republiek der Liefde” culmineerde uiteindelijk in het Irak van Saddam Husseun en het Syrië van Hafez al-Assad en zijn zoon Bashar, al is de uiteindelijke invloed van Aflaq groter geweest op het Iraakse dan op het Syrische regime. Met de machtsgreep van Hafez al-Assad in 1970 volgde namelijk een grote zuivering in de Syrische Ba’thpartij, in het jargon van het Assad-regime aangeduid als de ‘correctieve revolutie’. Assad verving de partijleiding door veelal Alevietische clan en streekgenoten. Aflaq werd uit zijn eigen Syrische Ba’thpartij gezet en vertrok, na een lange omzwerving, oa via Frankrijk en Brazilië, uiteindelijk naar Irak, waar hij later door Saddam Hussein op een voetstuk werd geplaatst, tot zijn dood in 1989. Hoewel hij op het eind van zijn leven niets meer dan een symbolisch figuur was geworden, in feite onder huisarrest leefde en voor officiële gelegenheden door Saddam Hoessein op een podium werd gezet, werd hij na zijn dood door het regime geëerd, middels een groot grafmonument en enkele bronzen standbeelden, van hetzelfde soort waarvan er vele honderden van Saddam zijn vervaardigd.

Beide Ba’thistische regimes verwijderden zich elk op hun eigen manier van de oorspronkelijke ideologie. Het belangrijkste was de ambivalente relatie met het Pan-Arabisme, de Arabische eenheid, een van de belangrijkste peilers van het oorspronkelijke Ba’thisme, al bleef het Iraakse Ba’thregime, in woord althans, het idee van de Arabische eenheid het sterkst uitdragen. Maar in de praktijk vielen beide regimes terug op hun tribalistische aanhang, die in Syrië en Irak sterk van elkaar verschilde, waardoor beide regimes zelfs gezworen vijanden van elkaar werden.

Saddams dictatuur kende een mafia-achtige structuur, waarbij zijn stamverwanten de sleutelposities bekleedden. Dat was in zijn geval de tribalistische bevolking van de zg Sunnitische driehoek, van iets ten noorden van Bagdad (bijv. Falujah) tot ongeveer Mosul (waar veel van de latere aanhang van IS afkomstig was). Het regime dat de oude Assad vormgaf had eenzelfde soort tribalistische, of mafia-achtige structuur, alleen werden de sleutelposities bemand door de Alawieten van het platteland van Latakia. Ter verduidelijking, de Alawieten maken deel uit van de Shiietische tak van de islam, het is alleen binnen het Shiïsme een andere richting dan bijvoorbeeld het Twaalver-Shiisme, dat wordt aangehangen door het Mullah bewind in Iran en waartoe de meerderheid van de Shiieten kan worden gerekend, dus de Shiietische populatie van Iran, de zuidelijke helft van Irak en de meeste Shiieten in Libanon. Zie hier ongeveer het schisma tussen de Iraakse en de Syrische Ba’thisten. Hoewel er ideologisch en politiek organisatorisch grote overeenkomsten waren (beiden totalitaire politiestaten, leunend op zowel een combinatie van tribale loyaliteiten, als georganiseerd wantrouwen, door een netwerk van geheime diensten), namen zij binnen het krachtenveld van de Arabische wereld vaak tegengestelde posities in. De Iraakse Ba’th neigde meer naar het Sunnitische kamp, terwijl het Syrische regime meer aansluiting zocht in de Shiietische wereld. Zo sterk zelfs dat in de Irak/Iran oorlog het Syrië van Assad de zijde van Iran koos, als enig Arabisch land. De motieven hiervoor zijn niet zozeer religieus (het seculiere Assad regime verschilde sterk van het revolutionaire islamistische regime van Ayatollah Khomeiny, net zoals Saddams seculiere regime in veel opzichten verschilde van het Wahabitische Saudische koninkrijk), maar wel tribalistisch.   Zie hier ook de verklaring waarom het seculiere regime van Hafez al-Assad (en tegenwoordig dat van zijn zoon Bashar) de belangrijkste steunpilaar was van de shiietische fundamentalistische Hezbollah (al is tegenwoordig Hezbollah misschien wel de belangrijkste steunpilaar van het regime van Assad, dat inmiddels sterk in de verdrukking is gekomen). Eenzelfde soort relatie is het voormalige Iraakse Ba’thbewind aangegaan met verschillende sunnitische terreurbewegingen. In zo’n sterke mate zelfs dat de leiding van IS bijna als een soort ondergrondse voorzetting kan worden gezien van het oude Iraakse regime. Daarover later meer.

De conclusie is dat Arnold Karskens enigszins gelijk had toen hij nav IS stelde “Het nieuwe fascisme draagt een baard”. Zeker geen gelijk in de zin van dat ‘islam’ en ‘fascisme’ aan elkaar verwant zouden zijn (zoals oa Geert Wilders en Martin Bosma ons graag willen doen geloven), maar wel dat de ‘baarden’ van IS (in ieder geval de leiding) een soort voortzetting zijn van een fascistische beweging in het Midden Oosten.

Maar dat geldt misschien nog wel meer voor het Assad-regime, dat door verschillende westerse ‘islam-kritische conservatieven’, ‘verlichtingsfundamentalisten’, of hoe nieuw rechts zich tegenwoordig omschrijft, vaak wordt afgeschilderd als een baken tegen het islamo-fascistische gevaar. Het verband met het oude Europese fascisme is soms zelfs heel direct. Gevluchte Nazi-oorlogsmisdadigers als Walther Rauff ( die later naar Zuid Amerika vertrok en tot zijn dood ook adviseur was van de DINA, de beruchte geheime dienst van de Chileense dicator Augusto Pinochet) en vooral Alois Brunner (de rechterhand van Eichmann), die na 1945 ontkwamen naar het Midden Oosten, vonden hun nieuwe Heimat in het Syrië van Havez al-Assad. Zij speelden zelfs een rol in het opzetten van Assads geheime diensten en het orgsaniseren van het Syrische gevangeniswezen. De werkelijke erfgenamen van het Europese fascisme in het Midden Oosten zijn wellicht eerder bij zowel de Syrische als de Iraakse Ba’thpartij te vinden, dan bij de politieke islam, of de islamisten.

Over de laatsten in het volgende deel meer.

wordt zeer binnenkort vervolgd

Video-verslag Amsterdam Gay-pride 2012

Posted in 'Islamdebat', homo-emancipatie/'homo-kwesties', rechts populisme in Nederland by Floris Schreve on 25 augustus 2012

Een impressie van het Amsterdam GayPride weekend en een overdenking van de huidige stand van zaken van het debat over homoseksualiteit in Nederland (video-post)

Mijn allereerste videopost op dit blog. En dan meteen een hele uitgebreide. Ik zal bij deze beloven dat ik er geen gewoonte van ga maken (misschien is dit wel de enige keer). Ik heb deze camera nog niet zo lang en de filmkunst nog lang niet onder de knie (misschien gebeurt dat wel nooit). Bij voorbaat excuses! Ook voor dat ik een vooraf geschreven script opdreun. Dat doe ik nooit als ik ergens een lezing geef, of anderszins een verhaal in het openbaar moet houden. Maar met de camera heb ik gewoon vrijwel geen ervaring, dus dat dwong me enigszins om een voorgekookt sjabloon op te dreunen (al dan niet hakkelend, bij het onprofessionele gewiebel van mijn camrecorder). Nogmaals excuses! Maar ik wilde me toch een keer aan dit experiment wagen.

Ik heb een uitgebreid verslag gemaakt van het afgelopen gaypride weekend in Amsterdam (2-5 augustus 2012). Ik heb dit omlijst met een korte inleiding op de geschiedenis van de homo-emancipatie in Nederland en de oorsprong van het fenomeen Gaypride (de Stonewallrellen in New York). Verder bevat deze post een verslag van de Tears of Pride Walk, gehouden op donderdag 2 augustus en natuurlijk een uitgebreid verslag van de dag van de Canal Parade, op zaterdag 4 augustus, van de parade zelf en een aantal omringende festiviteiten. Ik heb de Canal Parade bekeken samen met de mensen van Secret Garden, een organisatie voor homo’s en lesbo’s afkomstig uit de Islamitische wereld en met Iran LGBT Nederland, ergens op de kade langs de Oude Schans. Verder heb ik een uitgebreide wandeling door de stad gemaakt en het nodige vastgelegd en becommentarieerd. Daarbij gaat het vooral om de opmerkelijke, leuke en soms ludieke kanten van het gebeuren.

Naast een verslag van de Pride is het ook een overview van de Amsterdamse homoscene zoals ik die nu meer dan tien jaar ken en waar ik, tot op zekere hoogte, ook deel van ben gaan uitmaken- als de barmannen en de portiers van  verschillende uitgaansgelegenheden je beginnen te kennen kun je dat wel zeggen, met het risico dat je op een gegeven moment zelfs tot een meubelstuk verwordt (of dat voor mij opgaat laat ik aan anderen). Hoewel, er is niet zoiets als een homoscene. Zoals ik ook in deze bijdrage probeer te laten zien, zijn er talloze subculturen (waarvan ik met sommige wel wat heb, met andere helemaal niets). Op mijn manier heb ik er ook een beetje een ‘voorlichtingsfilm’ van gemaakt, al heeft het verder geen pretenties. Het issue veilige seks en HIV preventie laat ik wel aan de orde komen, omdat ik vind dat dit nog altijd verteld moet worden.

In het tweede gedeelte heb ik het vooral over mijn grootste zorg van dit moment. Ik heb het daar al vaker over op dit blog gehad. Het gaat om hoe de inmiddels alweer drie verschillende rechts populistische bewegingen van de afgelopen tien jaar hebben geprobeerd het homo-emancipatie issue te kapen, om zich tegen de moslims in Nederland af te zetten, van Pim Fortuyn, via Rita Verdonk, tot en met de PVV van Geert Wilders. Zelf heb ik me daar zeer aan geërgerd (zie ook eerdere bijdragen op dit blog, zoals hier, hier, of hier) en vind ik ook dat dit misschien wel het grootste gevaar is voor de homo-emancipatiebeweging. Wat mij betreft kan dit de intergriteit van de homo-beweging aantasten (al is dat gelukkig nog niet gebeurd, want de liefdesverklaring is tot nu toe vooral van een kant gekomen, al schenen veel homo’s toentertijd wel vooral Rita Verdonk erg enig te vinden) en ten tweede zal dit, naar mijn mening althans, vooral de emancipatie van de homoseksuelen in islamitische kring belemmeren. Want ook daar zijn mensen, zij het niet altijd even openbaar, bezig om homoseksualiteit bespreekbaar te maken.  Ik licht dit punt in het tweede gedeelte van mijn film nader toe, hoewel de emancipatie-discussie in islamitische kring een belangrijke rode draad is in het totale verslag.

Hieronder mijn film, opgeknipt in 11 delen van youtube (duur totaal ong. 72 minuten). Daaronder volgen nog enkele links, die relevant zijn voor wat er in deze ‘film’ (het blijft een amateuristisch en schots en scheef in elkaar geknutseld rommeltje, ik kan me niet genoeg indekken 😉 ) aan de orde komt.

 

officiële site Amsterdam gaypride: http://www.weareproud.nl/

sites mbt homoseksualiteit, van emancipatie, belangenorganisaties tot ongecompliceerd uitgaan, die mijn sympathie/instemming/ voorkeur hebben

Ikzelf filmend gesnapt door de camera van ‘Fotograaf Erik’, op donderdag 2 augustus 2012 bij de Westerkerk (zie http://partyhotshots.nl/2012/08/tears-of-pride-walk/ )

Hieronder nog een aantal foto’s (snapshots) uit het door mij gefilmde materiaal (klik op de foto’s voor vergrote weergave):

                                                                                                                   

twee bovenstaande foto’s http://www.clubrapido.com/videos/

bovenstaande foto door Erik (http://partyhotshots.nl/2012/08/tears-of-pride-walk/ )

Floris Schreve,

Amsterdam, augutus 2012

regenboog boven Amsterdam, augustus 2012

Canal-Parade 2011 (Prinsengracht)

Foto’s Floris Schreve (tenzij anders aangegeven)

Meedeinen op het ‘gezonde volksgevoel’ van ‘Henk en Ingrid’; hoe islamofoob extreemrechts sluipenderwijs mainstream is geworden

Over opportunisten, fellow-travellers, alarmisten, complotdenkers, Eurabië-adepten, propagandisten en onze minister president

Opportunisten zijn er van alle tijden en alle culturen en bestaan in vele gedaanten en soorten. En hoe ogenschijnlijk vuil en lelijk ook, politiek bedrijven in een pluralistisch systeem kan bijna niet zonder een bepaalde mate van opportunisme. Een wetsvoorstel van GroenLinks of D66 wordt soms door de PVV gesteund en omgekeerd gebeurt ook weleens hetzelfde. Fleur Agema van de PVV kan – qua zorgbeleid – vaak goed zaken doen met de SP en vice versa. Al staan deze partijen nog zo tegenover elkaar in principiële kwesties, in de dagelijkse praktijk gaat men vooral pragmatisch te werk.

Al van een iets andere orde is de huidige ‘gedoogconstructie’, van VVD en CDA met de PVV. Dat een liberale partij (tenminste, ik dacht dat de VVD zichzelf zo ziet) op die manier samenwerkt met een uitgesproken onliberale nationalistische partij die willens en wetens bepaalde bevolkingsgroepen discrimineert (van ‘kopvoddentax’ tot anonieme ‘kliklijnen voor Oost-Europeanen’, weliswaar een oud –Hollandse traditie- zie ons nationale dossier 40-45, maar wat mij betreft buiten de beschaafde orde) vind ik, qua pragmatisme, over de grens. Dan verkwansel je echt je principes en ben je wat mij betreft geen liberale partij meer. Terecht dat Joris Voorhoeve zijn lidmaatschap van de VVD opzegde en zich heeft aangesloten bij D66. Er zijn nog een paar andere VVDers geweest, die zich tegen deze samenwerking hebben uitgesproken als Frans Weisglas en Pieter Winsemius, maar waren er maar meer echte liberalen in de VVD. Voor het CDA geldt wat mij betreft hetzelfde, maar daar was gelukkig wel veel oppositie- en terecht! Al heeft die oppositie het helaas niet gered tegenover de Verhagens en de Bleekers van die partij.

Windvaan van links naar rechts

Het grote ‘zoals de wind waait, waait mijn jasje spel’ is natuurlijk niet slechts voorbehouden aan politici. Het komt ook voor bij opiniemakers en journalisten. Ik wil hier een klein gevalletje aanhalen, niet omdat het zo uitzonderlijk is, maar omdat ik het toevallig goed gedocumenteerd heb. En wellicht is het aardig om het op dit blog nog een keertje terug te halen. Dat is van journalist Joost Niemöller, vroeger van de Groene Amsterdammer, later HP/De Tijd (waarvan hij ook alweer ‘vervreemd’ schijnt te zijn, zie hier) en sinds de laatste jaren van vooral rechtse anti-islamsites, zoals Het Vrije Volk, de Dagelijkse Standaard en nog een paar van dat soort blogs.

In HP De Tijd van 2-4-2004 schreef hij het voor dat moment nogal modieuze artikel ‘Monddood’, over niet-politiek correcte opiniemakers, die door ‘de linkse kerk’ monddood zouden worden gemaakt.

Zo schreef hij onder meer: ‘Een van hen was Gerry van der List, die in 1998 een storm van kritiek over zich heen had gekregen toen deze zich in zijn column in de Volkskrant had geërgerd aan exhibitionistische uitwassen van de Gay Games. Van der List trok zich terug uit het publieke debat en werd redacteur bij Elsevier’.

Het aardige is nu om te zien wat Joost Niemöller toentertijd zelf schreef over deze zaak in de Groene Amsterdammer, temeer omdat hij het in HP in 2004 zo opnam voor al die arme rechtse opiniemakers, die, in Niemöllers woorden, een ‘feitelijk spreekverbod’ was opgelegd door de ‘smaakbepalende linkse elite’. Zie hier trouwens de oorspronkelijke column van van de List uit de Volkskrant.

Vijf citaten van Niemöller uit zijn ‘Gerry en de gays’ (de Groene, nr. 35, 1998): ‘Saaie Gerry houdt gewoon niet van feestjes. Zelfs niet van de VVD-feestjes. Zo verklaarde hij ooit in een interview niet uit de voeten te kunnen met de gezelligheid van de bierpomp en het spreekwoordelijke dixielandorkestje op de partijbijeenkomsten. En dus houdt hij al helemaal niet van echt uitbundige feestjes. Met blote benen en uitbundige mensen enzo. Gatver. Zie je hoe die d’r bij loopt? Kijk nou, die kerels staan gewoon te tongzoenen!? (…) Zijn stukje eindigt in een gewaagde vergelijking met ‘de kinderporno uit Zandvoort’, en als uitsmijter komt dan nog de fascistische (oeps, dat ligt tegenwoordig heel gevoelig bij Niemöllers huidige medestanders, FS) slotzin: ‘Opgeruimd staat netjes.’ (…) Gerry van der List komt uit een katholiek gezin in de Alblasserwaard. Een beetje onhandig lijkt me, tussen al die hervormden of gereformeerden of hoe heet het daar. Maar Gerry draagt zijn Alblasserwaardse identiteit (geen gay-boot te bekennen) met trots uit (…) Over Pim Fortuyn is Gerry van der List afwisselend instemmend en plagerig; hij vindt dat gescheld op de islamisering van Holland terecht, maar minder terecht natuurlijk dat vieze gay-gedoe en dan zo open en bloot. (…) Het CDA-denken van Gerry over blote billen van mannen komt nog het meest overeen met wat de gewone man en vrouw onder de allochtonen vindt. Als er op gays werd gescholden in Amsterdam tijdens de spelen, dan was het door Marokkanen (gehoord op een station: ‘Gays weg uit Amsterdam’) of door Surinaamse huisvrouwen op de markt die vonden dat ‘die mensen’ maar eens een beetje normaal moesten doen’. En zo gaat het maar door.

Gerry van der List reageerde op dit artikel in de Groene (nr. 36, 1998), middels een ingezonden brief, als volgt: ‘Het deed mij vanzelfsprekend deugd dat De Groene deze week een heel artikel (‘Gerry en de gays’ van Joost Niemöller) wijdt aan mijn denkbeelden. Wel bevreemdde het mij dat ik getypeerd werd als ‘het orakel van de Alblasserwaard’ (omslag), ‘een katholiek uit de Alblasserwaard’ (inhoudsopgave) en als iemand die zijn ‘Alblasserwaardse identiteit’ met trots uitdraagt. Ik kom namelijk niet uit de Alblasserwaard’. Joost Niemöller schreef onder meer in zijn naschrift: ‘Dat was erg dom van mij. Mijn excuses aan alle inwoners van de Alblasserwaard’. Dat vond ook toen niet erg sportief van Niemöller (ik was het overigens toen wel met hem eens en vond het zelfs een leuk artikel, waar ik vooral erg om moest lachen), dus daarom heb ik deze passage onthouden en schoot hij me weer te binnen toen ik kennis nam van Niemöllers ‘draai’ in HP/deTijd .

Overigens was Gerry toentertijd nogal in nopjes met Niemöllers aanval. In 1999 liet hij een bloemlezing van zijn columns bundelen met de pakkende, in Niemöllers woorden ‘fascistische’ titel Opgeruimd staat netjes; burgerlijke bespiegelingen. Ik heb zo’n vermoeden dat hier inderdaad meer sprake is van kleinburgerlijkheid dan van fascisme. Van het niveau ‘zoenende mannen, getver’ ;)Of om met de lullo’s van Jiskefet te spreken: ‘Gatverdamme van Binsbergen, dat is vies man!’

Ondertussen houdt de inmiddels 180 graden gedraaide Niemöller zich vooral bezig met de modieuze activiteit ‘islam-bashen’. Zie vooral Het Vrije Volk of de extreem rechtse website Faith Freedom International (maar niet voor iedereen), een orgaan dat zichzelf aanprijst met de ronkende tekst: ‘Faith Freedom International is de stem van de waarheid. We hebben slechts één doel : de haat stoppen, de leugens van Islam blootleggen en het moslimexpansionisme aan banden leggen’ (het tegenovergestelde van ‘Faith Freedom’ dus). Ook heeft hij een nieuwe missie ontdekt: Pedo jagen! En dan bedoel ik niet dat hij zich in een concrete gevallen voor slachtoffers inzet, of dat hij desnoods een paar bisschoppelijke beerputten licht, nee, Niemöller houdt zich vooral bezig met het bij voorbaat verdacht maken van mannen die werkzaam zijn in de zorg voor kinderen. Hij bepleit zelfs een beroepsverbod ( hier en hier). Wat een timing weer. En ook zo ontzettend dapper. Joost Niemöller, gevoelig voor de tijdsgeest is hij wel. Misschien zelfs iets té gevoelig. Zie hier het werk van een onuitstaanbare rasopportunist. Wellicht een wat stevige kwalificatie van mijn kant, maar als je eerst Gerry van der List fascistoïde uitingen toedicht (vast ‘ironisch’ bedoeld) met zijn overigens misplaatste maar vooral onhandige ‘opgeruimd staat netjes’, om tien jaar later regelmatig voor een site te schrijven waarop oa jubelend staat vermeld ‘Het knieschot-voorstel van Wilders gaat eindelijk worden toegepast’ (zie hier, wat volgens mij onzin is, dit terzijde) ben je het stadium ‘voortschrijdend inzicht’ ruimschoots voorbij en ben je naar mijn bescheiden mening een opportunistische draaikont.

Dit alles gezegd hebbend wil ik nog een ding toevoegen. Wat mij betreft heeft Joost Niemöller (hoe conformistisch naar de mode van dat moment ik zijn opinies ook vind) op een buitengewoon eerlijke manier gereflecteerd op de moordpartij van Anders Breivik in Oslo. Daarbij is hij ook kritisch bij zichzelf en bij zijn medestanders te rade gegaan. Zie hier zijn overdenking. Daarvoor alle waardering, al vind ik het eigenlijk niet meer dan vanzelfsprekend.

Hoeiboei-geloei

Ook bepaalde blogs doen niets liever dan meedeinen op de golven van de gemoedstoestand des volks. Zie vooral de groepsblog Hoeiboei, opgezet door Annelies van der Veer, maar waar vooral veel stukken te vinden zijn van opiniemakers die op dat moment erg in de mode zijn (ook arabist Hans Jansen gebruikt Hoeboei geregeld als uitlaatklep, zoals inmiddels wel algemeen bekend zal zijn sinds het Wildersproces). Een leuk detail. Wie op dit moment deze site opent ziet in de rechterbovenhoek een banner waar het romandebuut wordt aangeprezen van niemand minder dan de door Joost Niemöller zo verguisde Gerry van der List, Altijd November (zie hier de Hoeboei –recensie, die overigens lovend is). Van der List heeft zijn debuut opgedragen aan…Henk en Ingrid! Juist… dan moet het haast wel een meesterwerk zijn, dat kan niet anders. Wel ernstig dat je zelfs als schrijver je zo gedienstig opstelt aan de grote blonde roerganger. In het Midden Oosten proberen de intelligentsia en de culturele sector zich juist aan dit soort opgelegde patronagesystemen te ontworstelen, maar onze locale Hoeiboei literatoren onderwerpen zich kennelijk vrijwillig aan zulks lakeiendom. Zou de romancier Gerry het verder ook eens zijn met Wilders opvattingen over kunst en cultuur (linkse hobby)? Het zou me niets verbazen. Het was me sowieso al opgevallen hoezeer de esthetiek van bijvoorbeeld de aanhang van Pim sterk overeenkwam met die van de Iraakse Ba’thpartij (en van verschillende andere dictaturen in het Midden Oosten). Een blik op de bronzen standbeelden van hun beider voorgangers is genoeg. Ideologisch zijn er natuurlijk grote verschillen (begrijp me niet verkeerd, al zijn beiden wel uitgesproken nationalistisch- misschien een ideetje om het verzamelde werk van Michel Aflaq een keertje te vergelijken met dat van Pim, nu het ook in de mode is om de Koran met Mein Kampf (!) te vergelijken?), maar de vorm waarin zowel de Ba’thi’s als de Fortuynisten zich visueel uiten vertoont verbluffende stilistische overeenkomsten. Beiden heel erg DDR, om het maar zo te formuleren, maar ja, kunst is ook een ‘linkse hobby’, dus misschien is het daarom wel zo, dat wanneer de Nederlandse Archie Bunkers zich dan toch aan ‘kunst’ moeten bezondigen, de keuze voor een stalinistische vormgeving voor de hand ligt (ik vermoed dat de Henk en Ingrids van de PVV de DDR kunst veel meer kunnen waarderen, dan die ‘decadente abstracte kunst uit het Westen’, zoals daar in het vroegere Oostblok over werd gedacht). Ironisch was verder, dat in precies hetzelfde weekend dat alle standbeelden van Saddam omver werden getrokken (tweede weekend van april 2003), ook het beeld van Pim per ongeluk werd onthoofd onder een viaduct, toen Zijn Discipelen (over opportunisten gesproken!) het in een aanhangwagen over de snelweg vervoerden.

Wat me nog wel een probleem lijkt is wanneer Henk en Ingrid Geert Wilders willen eren met een bronzen standbeeld. Want wat doe je met dat kapsel? Je kunt het negeren, maar dan herkent niemand Wilders (dat kapsel is nou juist de blikvanger). Maar als je het gaat patineren, wordt het zo idioot dat je dat als serieuze aanhanger simpelweg niet kunt maken. Dat verdient nog een aardige brainstormsessie om daar een intelligente artistieke oplossing voor te vinden. Het zou me niets verbazen als daar inmiddels al over is nagedacht. Dan maar geen beeld, zal de conclusie wel zijn geweest. Misschien is als huldeblijk een streekroman over Henk en Ingrid inderdaad een beter idee.

Verder weet ik ook zeker dat Henk en Ingrid diep in hun hart homo’s net zo ‘getver’ vinden als Gerry, al zien zij ook wel in dat ‘de homo’s’ een ideaal strijdmiddel tegen ‘de moslims’ zijn (‘want wij hebben wel Verlichting en hullie niet’) . Maar eerlijk is eerlijk, itt Joost Niemöller is Gerry wel consequent gebleven. Misschien zijn het nu wel dikke vriendjes geworden, je weet maar nooit. In ieder geval ben ik nu wel verplicht aan mezelf om die roman over Henk en Ingrid te gaan lezen (als het me lukt). Ben heel benieuwd hoe van der List zijn personages tegen zoenende mannen laat aankijken. Rooie oortjes ;)

Het is overigens niet eens de eerste keer dat Henk en Ingrid opduiken in sneue fictie, met een duidelijke onderliggende partijpolitieke boodschap (hoop niet dat het een nieuw literair genre gaat worden en dat er op een gegeven moment een hele reeks Henk en Ingridromannetjes verschijnt- ‘de mensen in het land kunnen zich er zo goed mee identificeren’). In De Onzichtbare Ayatollah (van Praag, 2010), met bijdragen van Hans Jansen , Nahed Selim en Carel Brendel, is van de laatste ook een vrij triest fictief verhaal opgenomen, over hoe mooi het zou zijn als ‘de islamisering’ een halt zou worden toegeroepen. ‘Hoogtepunt’ uit dat verhaal is de sloop van de Es Salam Moskee in Rotterdam, waarbij Henk en Ingrid samen met een inmiddels ontislamiseerde Ali en Fatima staan te juichen, alsof het de intocht van de Canadezen betrof in mei 1945. Ik heb dit stukje mierzoete propagandakitsch met plaatsvervangende schaamte gelezen. Vieze missionarissenlectuur vond ik het (begrijp me niet verkeerd, misschien moet ik ervan maken ‘vieze zendelingenlectuur’). Van wat zou het heerlijk zijn als die wilden eindelijk eens inzien dat onze God de beste is.

Terug naar Hoeboei zelf. De trend is sinds alweer een tijdje dat de islam of moslims door het ‘verlichte’ deel der Natie op de korrel worden genomen. En daar doet Hoeiboei graag aan mee. Soms gaat het wel heel ver, zoals onlangs in een column van Annelies van der Veer (die ook in Metro verschijnt), over het toneelstuk Wilders ontmoet Breivik van Theodor Holman, waarin zij oa het volgende te melden heeft:

‘Het gedachtegoed van Breivik zou je kort kunnen samenvatten met de stelling dat het cultuurrelativisme (alle culturen zijn gelijkwaardig) de oorzaak is van de huidige politieke correctheid waarin we verkeren. Daardoor is een open debat nauwelijks meer mogelijk.

Wie zich níet met dit gedachtegoed verwant voelt, zou zich eigenlijk na moeten laten kijken want inderdaad, niet alle culturen zijn gelijkwaardig. Een cultuur waarbij de schaamlippen en de clitoris van meisjes worden weggesneden, is niet gelijkwaardig aan de westerse cultuur. Of een cultuur waar de sharia, het islamitisch recht, de norm is, die is beslist ongelijkwaardig aan de onze. Vooral voor vrouwen, homo’s en andersdenkenden ziet het er dan niet best uit. Als je volkomen terecht niets van dat cultuurrelativisme moet hebben dan deel je het gedachtegoed van Breivik (of Breivik deelt jouw gedachtegoed) maar dan ben je nog geen moordenaar natuurlijk, net zo min als Geert Wilders dat is. Het wil overigens evenmin zeggen dat er niet meer Breiviks rondlopen bij wie de stoppen bijna al zijn doorgeslagen.

En dat komt allemaal door dat doorgeschoten cultuurrelativisme, het multiculturalisme, dat helaas gemeengoed is geworden in Nederland, in het ganse Westen beter gezegd. Het is de oorzaak dat de democratie onder druk is komen te staan maar daar mag het niet over gaan. Niet echt. ‘t Is een typisch moderne welvaartsziekte. Alle ziekteverschijnselen zijn er, talloze ontstekingshaarden (onderwijs, journalistiek, de kunsten, cabaret) en er zijn weinigen die de diagnose durven stellen terwijl je een heleboel ‘specialisten’ hebt die het probleem aanmerken als betrof het een patiënt met onverklaarbare klachten’ (http://www.metronieuws.nl/columns/knuppel-in-het-hoenderhok/SrZlcv!UKRV76XnQNgTc/ )

Dit is vrij representatief voor wat voor het geluid dat doorgaans op Hoeiboei klinkt. Wat moet je ervan zeggen? Ik geloof niet dat er iemand het had moeten wagen om in 2002 zo begripvol over Volkert van der G. te schrijven, dan was het land te klein geweest. Bovendien is het ook een redenering van niks. ‘Ben je tegen onverdoofd slachten? Dan deel je het gedachtegoed van van der G.’ Ik wil hier best verklaren dat ik zowel tegen onverdoofd slachten ben als tegen het besnijden van meisjes, maar dat maakt mij nog geen medestander van zowel Volkert van der G. als Anders B. Misschien denkt Annelies dat haar lezers zo dom zijn (waarschijnlijk flink wat PVV stemmers), maar kom met iets beters! En met alle afschuw voor wat van der G. gedaan heeft, hij beperkte zich tot het elimineren van zijn opponent, richtte geen bloedbad onder kinderen aan. Nog interessanter is dat toentertijd de aanhangers van Fortuyn mede de schuld legden bij zijn ‘linkse tegenstanders’, die Fortuyn zouden hebben gedemoniseerd. Het omgekeerde is in het geval van Breivik veel minder gebeurd (in Nederland althans) naar de islambashers, die misschien een voedingsbodem zouden hebben gecreëerd voor Breivik (terwijl Breivik zich op veel van hun geschriften beriep, wat ook een belangrijk verschil met Volkert van der G. was, die nergens heeft verklaard dat hij zich had laten inspireren door Melkert, Dijkstal, de Graaf, of Rosemöller). Geen misverstand, ik zeg dus niet dat degenen op wie Breivik zich beriep enige verantwoordelijkheid hebben voor zijn daden. Dat zou ik nog steeds onterecht vinden, tenzij er hard bewijs voor zou bestaan en dat is er niet. Maar wat als de Hoeiboeiers zelf zo begripvol zijn naar kinder- en massamoordenaar Breivik? Zelfs ‘Wie zich níet met dit gedachtegoed verwant voelt, zou zich eigenlijk na moeten laten kijken’, aldus Annelies van der Veer. Daar staat mijn verstand eerlijk gezegd een beetje bij stil. Want dit lijkt meer op begrip kweken dan op verklaren (wat altijd moet gebeuren, of het nu om Bin Laden, Volkert van der G, Ulrike Meinhoff, Mohammed Atta of Breivik gaat). Typisch Hoeiboei. Bij Volkert van der G. noemen we het ‘demoniseren van Pim’, bij Breivik noemen we het ‘stoutmoedig de knuppel in het hoenderhok gooien’. De wereld beschouwd door een ideologische mist, wellicht net zo erg als bepaalde dogmatische linkse organen dertig jaar geleden. Ook hier dringt zich de vergelijking met DDR sympathisanten op (tussendoor, ik vind dat ook Rita Verdonk wel een interessante ontwikkeling heeft doorgemaakt, van PSP naar populistisch rechts), of met degenen die best een beetje begrip hadden voor de acties van Ulrike Meinhoff. Alleen staan de daden van Breivik, zowel ‘kwalitatief’ als ‘kwantitatief’ niet in verhouding to die van de RAF, die zich in regel beperkte tot aanslagen op hoge functionarissen van de Bondsrepubliek, in plaats van op een groep kinderen. Ik kan eerlijk gezegd weinig respect opbrengen voor dit soort fellowtravellers-geneuzel, maar ja, ik heb het idee dat de Hoeiboeiers net zo fanatiek , net zo dogmatisch en vooral net zo ideologisch verblind zijn als vroeger drammerig oud links. Als je terecht verontwaardigd bent over Volkert van der G. of Mohammed B., maar Breivik ergens wel een beetje begrijpt, ben je wat mij betreft echt heel erg diep gezonken. Want hoe weerzinwekkend de daden van Volkert en Mohammed B ook waren, zij hebben geen groep kinderen afgeslacht. Dat maakt Breivik erger, misschien vergelijkbaar met de Tjetjeense terroristen die een bloedbad aanrichtten op die school in Beslan. Maar hoewel beide misdaden even erg zijn, vind ik het (als ik het moet ‘begrijpen’) nog net een beetje enger dat iemand in het welvarende en vreedzame Noorwegen zoiets doet dan in de Kaukasus, waar het Russische leger niet onderdoet aan de wreedheid van sommige Tjetjenen.

Wat de column van Annelies van der Veer helemaal bizar maakt is als je die afzet tegen haar column van kort na de de aanslagen , ‘Het is een ideeënstrijd stupids!’ (Metro, 2011-08-02, ) Daarin zegt zij oa: ‘Van geen enkele kant is er begrip voor Anders B.’s daad. Niemand draagt verzachtende omstandigheden aan voor de megalomane moordenaar. Nog niet. Het is natuurlijk volkomen terecht dat er geen begrip of sympathie is voor Anders B., maar ook dat is wel eens anders geweest. Denk aan de moordenaars van Pim Fortuyn en Theo van Gogh. Hoe snel klonk toen niet “het mag niet, maar…”

Pardon??? Fellowtravellers zijn flexibele mensen, laten we het daar maar op houden. ‘Nog niet’ zijn de enige twee woorden in bovenstaande passage die een grond van waarheid bevatten. Want een paar maanden later, als de slachtoffers begraven zijn, begint haar dweepzucht toch weer op te spelen. Zelfs zo erg, dat wie het niet eens is met Breiviks ideeën ‘zichzelf zou moeten laten nakijken’. Dat is volgens mij net zoiets als, of zelfs iets sterker dan het door Annelies gehekelde ‘het mag niet, maar…’ Als je in staat bent om binnen een paar maanden zo’n ommezwaai te maken, heb je de ‘Joost Niemöllertrofee voor opportunisme’ met stip gewonnen. En voor een vergelijking met de reacties na de moord op Fortuyn en die na de aanslag van Breivik, zie deze reportage van Nieuwsuur, een paar dagen na de aanslagen. Een nuttige opfrisser lijkt me, ook voor Annelies van der Veer. Zinvol commentaar overigens van Bart Jan Spruyt.

Overigens kan het altijd erger. Zie bijvoorbeeld de column van Afshin Ellian in Elsevier, van zondag 24 juli 2011,  nav de aanslagen van Breivik. Hij beweert daarin oa het volgende:

‘Anders Breivik wilde de islam bestrijden, maar hijzelf werd gegrepen door de gedachtewereld van de politieke islam. Ook zij voeren geen debatten en polemieken met tegenstanders. Ook zij zijn gewetenloos. En daarom is hij een exponent van een psychopathische vorm van zelf-islamisering’.

Tja…’Zelfislamisering’ dus. Hoe pathetisch kun je zijn? Misschien is het Ellian ontgaan, maar Breivik haalde juist zijn inspiratie uit diverse islamkritische geschriften, veelal uit neoconservatieve hoek, precies waar Ellians eigen sympathie ligt. Ik zeg daarmee dus niet dat de verenigde neoconservatieven en islamcritici collectief verantwoordelijk zijn, of zelfs schuld aan de aanslagen hebben, maar om Breiviks daden op het conto van islam te schrijven is natuurlijk wel een beetje verknipt.

Een soortgelijke reactie kwam op de website Het Vrije Woord, van de Fortuynistische jongerenorganisatie. Alleen werd daar ‘het socialisme’ als de grote boosdoener aangewezen, terwijl ik dacht dat Breivik juist een groep tieners van de Sociaal Democratische jongerenorganisatie had afgeslacht. En dan nog steeds zeuren over de demonisering van Pim. Maar goed, als zelfs rechtsfilosoof Afshin Ellian niet verder komt dan dit niveau, wat kun je dan verwachten van de volgens mij niet al te snuggere jonge Fortuynisten? ‘Hullie hebben Pim gedemoniseerd, dus nu mogen wij ook’. Ik heb niet het idee dat zich hier de grootste denkers van het rechtspopulistische smaldeel hebben verzameld. Op het Vrije Woord staan wel meer idiote dingen. De homofobie is er vaak ook niet van de lucht, en dat allemaal uit naam van Pim. Zie daarover dit eerdere blogitem.

Het bovenstaande is wat mij betreft ook enigszins van toepassing op het toneelstuk van Theodor Holman (gezien de leesvoorstelling van zondagavond 25 maart 2012 in de Balie, Amsterdam). Een goed geschreven en soms zelfs geestige dialoog over het ‘dilemma’ of je je doelstellingen in geval van een ernstige crisis langs democratische weg moet proberen te realiseren (Wilders) of dat je in het uiterste geval geweld mag gebruiken (Breivik). Van de figuur Wilders was overigens een net iets te reflecterend en vooral een te welsprekend personage gemaakt-de echte is meer van ‘in de knietjes schieten’, ‘kopvoddentax’, of ‘Doe es normaal, man’. Dat vond ik er soms irritant aan. Wilders is geen groot denker en ook geen groot redenaar, daar zullen toch zelfs zijn sympathisanten het mee eens zijn, zeker zijn ‘intellectuele fellowtravelers’? Als zijn huidige ‘grachtengordel-bewonderaars’ dat niet meer zien, of durven te zien, of dat wel zien maar niet durven te zeggen, heeft het DDR syndroom harder toegeslagen dan ik dacht. Zelfs Hans Jansen heeft het over ‘de Tokkies en de Takkies’. Laten we Wilders dus niet mooier maken dan hij is.

Holman heeft overigens verklaard zich in bepaalde opzichten verwant te voelen met Breivik, althans met zijn gedachtegoed (zie interview op de Dagelijkse Standaard ). Laat ik me niet meteen bij de verontwaardigden voegen, al kan ik me daar oprecht niets bij voorstellen. Ik waardeer zeker Holman als columnist (ik heb hem meer dan tien jaar in de Groene Amsterdammer gevolgd), al ben ik het lang niet altijd met hem eens, sinds de laatste jaren steeds minder zelfs. Maar het is niet aan mij besteed. Ik heb geprobeerd om dat vreschrikkelijke manifest van Breivik te lezen (2083 – A European Declaration of Independencehier te raadplegen). De in een soort avondland-romantiek gedrenkte vrijmetselaars/quasi esoterische kitsch staat me al tegen, laat staan dat ik dan enige empathie kan opbrengen voor zijn gebral over de Christelijke cultuur van het westen die in verval zou zijn, uitgehold door postmoderne multiculturalisten (in dit opzicht zag ik zelfs enige verwantschap met het extreem racistische en ook antisemitische Belgische antroposofische tijdschrift de Brug, waar ik op dit blog vaak tegen geageerd heb, zie hier, behalve dat Breivik een groot bewonderaar van Israël is). Dus waar heeft Annelies van der Veer het over? Ik zal nooit snel zeggen dat ‘iemand zich moet laten nakijken’ (psychologiseren is niet echt een hobby van me), maar ik kan met de beste wil van de wereld niet begrijpen waarom deze duistere eso-drap van een verknipte geest zo diepzinnig zou zijn.

Een interessant gesprek over deze voorstelling, met De Balie-directeur Yoerie Albrecht en de acteurs Thijs Römer (Breivik) en Hugo Koolschijn (Wilders) is hier te beluisteren (De Avonden, VPRO, link onderaan artikel uit HP de Tijd).

Mijn grootste probleem met dit stuk was dus dat het achterliggende wereldbeeld voor geen meter deugt. Wat mij betreft is er geen oorlog tussen ‘de islam’ en ‘het westen’ en is bijvoorbeeld de Eurabië-theorie van Bat Ye’or, waarnaar in de voorstelling verwezen wordt, volstrekte paranoïde onzin (‘The Protocols of the Elders of Brussels’, in de woorden van Adi Schwartz, in de Israëlische kwaliteitskrant Haaretz).  Natuurlijk, Theo van Gogh is op een beestachtige manier vermoord door Mohammed B, daar doe ik niets aan af (Holman was zo’n beetje de beste vriend van van Gogh, naar ik heb begrepen). Maar ook dat betekent niet dat de hele wereld nu verwikkeld is in een oorlog tussen het westen en de islam en al helemaal niet dat massamoordenaar Breivik iemand is die slechts de uiterste consequentie heeft getrokken en zijn afschuwelijke daad heeft begaan op basis van een op zich juiste analyse. Dat maakte deze voorstelling nogal grotesk. Wellicht overtuigend voor hen die geloven dat Wilders en met hem Bat Ye’or, Robert Spencer, Pamela Geller, Andrew Bostom en nog een paar van dat soort islamofobe activisten en complotdenkers (in dit filmpje van de inmiddels ook in Nederland bekende Pamela Geller, vanwege haar contact met Geert Wilders, zie je ze bijna allemaal bij elkaar), of zelfs Samuel Huntington met zijn Clash of Civilizations-theorie, gelijk hebben, maar voor de rest (en voor mijzelf) eigenlijk irrelevant. Je kan ook hele interessante toneelstukken schrijven over ‘dilemma’s’ als ‘moet de weg naar Het Ware Communisme via de Dictatuur van het Proletariaat afgedwongen worden met geweld, of kan de Wetmatigheid van de Geschiedenis zich ook zonder bloedvergieten voltrekken?’ of ‘op wat voor manier zorgen we ervoor dat alle Joden zich tot het Christendom bekeren, na hun terugkeer naar een volledig etnisch gezuiverd en ongedeeld Palestina/Groot Israël en mag er sprake zijn van dwang, zodat Jezus de Messias eindelijk kan terugkeren om het Koninkrijk Gods te brengen?’ Als je, zoals ikzelf, over dat soort vraagstukken je schouders ophaalt omdat je niets met het wereldbeeld daarachter hebt, is een toneelstuk daarover al snel ‘much ado about nothing’ (en dan heb ik het niet over het briljante stuk van Shakespeare). Dat had ik ook een beetje met deze dialoog van Theodor Holman. Een Hoeiboeistuk, over typische Hoeiboei-problemen voor echte Hoeiboei mensen. Maar dit terzijde. Zie verder het commentaar van Ewoud Butter Het ongelijk van Theodor Holman, Breivik en Wilders, waar ik me geheel in kan vinden.

Rest mij nog toe te voegen dat wat Annelies van der Veer in haar column te berde brengt over politieke correctheid en cultuurrelativisme totale quatsch is (en niet alleen haar formulering ‘de huidige politieke correctheid’- de ‘huidige politieke correctheid’ ligt eerder in de lijn van de Hoeboeiers). Ik ben zelf noch een voorstander van een doorgeschoten cultuurrelativisme (van ‘je moet niet zeuren als daar gemarteld wordt, want dat is gewoon hun cultuur’), noch van een doorgeschoten ‘universalisme’ (westers suprematisme, ‘onze God is de beste’). Ik ben het in deze overigens ook niet geheel eens met Paul Cliteur, die over deze kwestie trouwens een interessant boek schreef Moderne Papoea’s; dilemma’s van een multiculturele samenleving (de Arbeiderspers, 2002, van der Veer verwijst naar deze titel in de discussie onder haar column). Cliteur brengt deze dilemma’s veel beter voor het voetlicht dan Annelies van der Veer (alsof Breivik met zijn kruistochtenromantiek een goed voorbeeld is). Het boek van Cliteur is intellectueel zeker prikkelend en werpt nuttige vragen op, maar ik was het ook daar uiteindelijk niet mee eens. Het voert wat ver om dat nu hier toe lichten en ik doe dat liever misschien bij een andere gelegenheid, zonder de beladenheid van het geval Breivik. Een ding wil ik er wel over kwijt; Cliteur maakt naar mijn bescheiden mening niet duidelijk genoeg hoe hij ‘culturen’ definieert of afbakent. Is er sprake van een westerse cultuur en een islamitische cultuur? Of moeten we spreken van een Christelijke cultuur en zo ja, welke dan? En is alles wat er in bepaald gebied, gemeenschap, of staat gebeurt te verklaren uit het vage begrip ‘cultuur’? Zijn bijvoorbeeld de dictaturen van Saddam Hussein in Irak, de Assads in Syrië, of van Qadhafi in Libië te verklaren uit ‘de islamitische cultuur’? Of hebben die misschien (of juist vooral) ook iets te maken met twintigste eeuwse totalitaire ideologieën, die in Europa zijn ontstaan? Cliteur gaat mijns inziens te makkelijk voorbij aan deze wezenlijke punten. En soms gaat dat wringen. Een voorbeeld: Paul Cliteur haalt het verhaal van de West Side Story aan om uiteen te zetten hoe problematisch het multiculturalisme is (pp. 180-185). De strijd tussen de Jets en de Sharks zou je kunnen opvatten als een soort ‘mislukt multiculturalisme’. Ironisch is alleen dat Cliteur in deze bespreking de ‘opzwepende muziek’ van Bernstein prijst (mijns inziens volkomen terecht, want dat is zowel ritmisch als harmonisch hele uitdagende muziek, die ook muzikaal technisch heel spannend in elkaar zit). Alleen is ook die opzwepende muziek een resultaat van multiculturalisme. Die muziek zou nooit hebben bestaan als de westerse muziek van de twintigste eeuw, vooral in Amerika, niet was beïnvloed door elementen uit andere culturen. Dat is weer een bijzonder geslaagd voorbeeld van multiculturalisme. Zonder ‘multiculturalisme’ had de muziek van de West Side Story vooral bestaan uit marsen, walsen en menuetten en had het stuk bijvoorbeeld geen Rumba’s gekend, die de muziek juist zo bijzonder maakt.  Het laat ook zien dat culturen eigenlijk altijd in interactie met elkaar staan. Culturen zijn zelden gesloten systemen (wat Cliteur overigens ook erkent, met zijn titel Moderne Papoea’s maakt hij duidelijk dat er geen volledig monoculturele samenleving bestaat, zoals bijv. de traditionele Papoea-cultuur, als die niet ook al aan hybriditeit onderhevig was) . Maar juist de West Side Story laat wat mij betreft zien dat culturele interactie een fact of life is. Het kan positief uitpakken of negatief. Mijns inziens is de vraag dus niet of het wenselijk is, maar hoe je er op een juiste manier mee omgaat. Mijn eigen idee is dat er, net als dat er in een democratie ruimte moet zijn voor politiek pluralisme, er ook ruimte moet zijn voor cultureel pluralisme. Alleen wel binnen de marges van de democratische rechtstaat. Maar ik wil bij een andere gelegenheid graag nog een keer uitgebreid op Cliteurs boek terugkomen. Voor wie er iets meer over wil lezen kan ik vooral de vrij kritische recensie van Sjoerd de Jong uit NRC Handelsblad aanraden, Gelijker dan de rest, NRC, 4-10-2002, waar ik me zeer in kan vinden.

Over de kwestie universalisme versus relativisme; mijns inziens heel goed een middenweg te bewandelen van tolerantie, leven en laten leven, maar waarin de vrijheid van het individu boven die van de waarden van een groep gaat. Bijvoorbeeld wanneer het dragen van een hoofddoek, of zelfs een burka als een persoonlijke keuze wordt gezien. Net zoals het mij tegen de borst stuit om vrouwen te verplichten een burka te dragen, stuit het mij ook tegen de borst om iemand dat recht te ontzeggen, als die daar zelf voor kiest. Zie bijvoorbeeld een column van Annelies van der Veer zelf, waarin zij dit probleem aansnijdt. Het lijkt mij dat de enige lijn die je als leraar moet volgen is dat je de waardigheid van zo’n leerling boven alles stelt, met hoofddoek of zonder. Voor een docent staat toch op de eerste plaats dat zo’n kind een goed opgeleide, zelfredzame en mondige burger van deze samenleving wordt, die in staat is om zelf haar beslissingen te nemen? Het laatste wat je moet doen is natuurlijk oogluikend toestaan hoe de hoofddoek door haar klasgenootjes wordt afgerukt (in plaats van dat aan te moedigen, dat je zelfs op het idee komt!. Als ik kinderen zou hebben weet ik eerlijk gezegd niet of ik die aan Juf Annelies zou toevertrouwen).

Het betekent misschien schipperen en wellicht zullen er soms fricties zijn, maar dit lijkt mij te verkiezen boven de twee hiervoor genoemde absolute uitersten van dwang verus verbieden. Kortom, ouderwets liberalisme, maar daar hebben de Hoeboeiers denk ik niet zoveel mee, al zullen er ongetwijfeld redelijk wat VVD stemmers tussen zitten. Maar dan wel VVDers van het type Gerry van der List, die zeggen liberaal te zijn, maar homo’s eigenlijk vies vinden (ik ken er wel een paar, al is het openlijk belijden van homofobie aan de borreltafel, ook in die kringen langzamerhand een beetje passé). Of Moslims eng vinden, of misschien wel homo’s en moslims tegelijk, dat komt ook wel voor. Net zoals ‘Henk en Ingrid’ van de PVV, daar durf ik mijn hand wel voor in het vuur te steken .

Terug naar het DDR gehalte van Hoeboei, onbaatzuchtig alles voor de ideologie en strijdvaardig en zwaaiend met de zeis (sorry: ‘onafhankelijk en onbaatzuchtig’, ik vind ze alleen niet zo ‘onafhankelijk’ maar vooral heel erg slaafs, aan hun eigen rigide dogma’s dan). Het aardige is als er plotseling iets het nieuws gaat bepalen dat totaal niet in het ideologisch gedeformeerde wereldbeeld van Hoeiboei past, men daar hulpeloos begint te dobberen. Toen de demonstraties in Tunesië en iets later in Egypte begonnen hulde het normaal zo uitgesproken Hoeboei zich wekenlang in een pijnlijke stilte.

Wel verschenen er andere bijdragen met een hoogst maatschappelijke urgentie. Toen de demonstraties op het Tahrirplein op hun hoogtepunt waren en het erom ging spannen of Mubarak daadwerkelijk zou vallen, verscheen er op Hoeiboei een woedend stukje over ‘Boer zoekt Vrouw’ (zie hier, dus toch die kitscherige romantiek van een boerin op een trekker). Daar was van alles misgegaan, er was vals gespeeld, een van die boeren was niet leuk genoeg of er was iets anders van groot belang gebeurd (wie het wil weten moet het maar via de link nalezen). Ergens deed me dit denken aan de oude communistische krant ‘De Waarheid’. Toen in 1956 de Russische tanks Boedapest binnenrolden om de Hongaarse opstand neer te slaan, opende de Waarheid met de kop ‘Nasser bezet Suezkanaal’. Hoeiboei had het, net als de Waarheid destijds, een beetje moeilijk, maar dat krijg je als je teveel blind met de meute mee rent. Op de golven meedeinen is heerlijk, maar let wel op als ze onverwacht stukslaan op een rotsklif. In dit geval wel met een hele harde smak, als je begint te lallen: ‘Demonstraties voor democratie in de Arabische wereld?? Ja maar bij Boer zoekt vrouw gebeurde iets, waar ik het echt niet….’ enz. Op zich wel fascinerend dat als de scribenten en de lezertjes van Hoeboei met onzekerheden worden geconfronteerd- ik denk dat ‘moslims die voor democratie demonstreren’ voor behoorlijk wat verwarring heeft gezorgd- ze meteen teruggrijpen naar veilige folklore, iets waar Boer zoekt vrouw zich uitstekend voor laat lenen. Zoiets als een vlucht naar beelden van ‘potige boerinnen op tractors in golvende graanvelden’ terwijl het systeem langzaam maar zeker erodeert, totdat het definitief implodeert, zoals uiteindelijk in 1989 in verschillende Midden en Oost Europese landen.

omslagillustratie van Eurabia; the Euro-Arab Axis, van Bat Ye’or (pseud. van Giselle Litmann), in het Nederlands verschenen als Eurabië; de geheime banden tussen Europa en de Arabische wereld, Meulenhoff, 2005, met een voorwoord van Hans Jansen. De Europese Unie zou, middels een serie geheime conferenties en verdragen met de Arabische Liga, in ruil voor de gegarandeerde toevoer van olie, de deuren voor massa-immigratie wagenwijd hebben opengezet en een zg. anti-Israëlische politiek voeren, om zo de ongeconditioneerde en gerechtvaardigde steun van Amerika aan Israël te ondermijnen. Op die manier zou de ‘gecorrumpeerde politiek-correcte en pro-multiculturele Europese elite’ Europa in de uitverkoop hebben gedaan als islamitisch missiegebied, hoewel de aartsvader van dit plan Charles de Gaulle zou zijn geweest, in zijn zucht naar het vormen van een Eurposese/Mediterrane supermacht, die de Amerikaanse hegemonie over West Europa gedurende de Koude Oorlog zou kunnen ondermijnen. De ‘massa-immigratie’ uit de islamitische wereld is dan ook niet toevallig, maar maakt onderdeel uit van dit masterplan en is dus in feite aangestuurd door een samenzwering van Europese bureaucraten en Arabische dictaturen. Zoals Wilders het ongeveer omschrijft, die veel contact met Litmann heeft en duidelijk diepgaand door haar is beïnvloed: ‘Met steun van de gecorrumpeerde politiek-correcte en multiculturele elite zullen de ‘moslim-kolonisten’ het hier over komen nemen’. Dat is ongeveer de kern van de ‘Eurabië-theorie’ . In ‘islamkritische kring’, of zo je wilt in het ‘islamofobe extreemrechste circuit’, heeft dit boek een enorme cultstatus, daarbuiten wordt de Eurabië-these veelal als een complottheorie afgedaan (zie De Protocollen van de Wijzen van Brussel). In Nederland wordt Bat Ye’or vooral bewonderd door Geert Wilders. In zijn verdediging tijdens het proces vatte hij haar denkbeelden vrij effectief samen, zie hier. Verder door Hans Jansen, die zich inmiddels heeft ontpopt tot haar belangrijkste pleitbezorger in Nederland. Eerder probeerde hij haar aan Ayaan Hirsi Ali te koppelen, wat jammerlijk mislukte, en waarschijnlijk is hij degene geweest die Wilders met haar in contact heeft gebracht. Er zijn in Nederland nog een paar activisten die idolaat van haar zijn, zoals ghostwriter Barry Oostheim (pseudoniem), die haar uitgebreid interviewde (gepubliceerd op Hoeiboei). In Amerika vindt Bat Ye’or vooral in neoconservatieve kring bijval, zoals van Pamela Geller (van Atlas Shrugs), Robert Spencer (van Jihad Watch, zie voor de aardigheid ook de Amerikaanse site Robert Spencer Watch) en David Horowitz, van het activistische/extreem conservatieve David Horowitz Freedom Center, dat ook Wilders’ Amerikaanse tournee organiseerde en geld inzamelde voor de verdediging in zijn proces. Zie ook dit tamelijk geschifte en overduidelijk door Bat Ye’ors werk geïnspireerde  apocalyptische spotje, vermoedelijk uit Amerikaanse Christelijk-conservatieve kring (op Youtube geupload door iemand die zich heel subtiel Islam666AntiChrist noemt). Zie ook de korte bespreking (eerder aanbeveling) van Hans Jansen in ‘The Middle East Quarterly’, die hij vroom besluit met: ‘God blinds those whom he wants to destroy; Bat Ye’or’s Eurabia offers a powerful tool for those who wish to see’. Zie verder voor een heldere samenvatting en weerlegging van Bat Ye’ors Eurabië-theorie dit artikel van Eildert Mulder, Het echte Eurabië ligt aan de Middellandse Zee, Trouw, 11-9-2011 (ook opgenomen in Eildert Mulder, Anders Breivik is niet alleen, Meinema, Zoetermeer, 2012, een boekje dat ik bij deze van harte kan aanbevelen).

Arabist of alarmist?

Kortom, wat betreft de Arabische lente was het stil op Hoeiboei, totdat Hans Jansen een kort verhaaltje over Mubarak klaar had, zie hier (ze moesten wel wat). Wel was het dan zo dat Mubarak eigenlijk te vergelijken was met de ‘politiek correcte elite’ in Nederland en waren de demonstranten vooral te vergelijken met ‘de rebellen van de PVV’. Dat was zo’n beetje alles wat deze ooit gerespecteerde wetenschapper te melden had. Hoe ver kun je afglijden, denk ik dan, maar ja hij gelooft ook in de complottheorieën van Bat Ye’or  (overigens ook zeer geliefd op Hoeiboei, Jansen schreef overigens het voorwoord van de Nederlandse editie van Eurabië, zie hier) die door geen enkele wetenschapper serieus wordt genomen (Jansen wordt door de meeste van zijn Nederlandse vakgenoten ook niet meer serieus genomen waar hij nogal verbolgen over is, zie hier en hier). Bovendien had hij het op dat moment trouwens veel te druk met het Wildersproces, dus de gebeurtenissen in het Midden Oosten en Noord Afrika hadden voor deze ooit prominente arabist minder prioriteit. In plaats van met islamwetenschap of arabistiek houdt Jansen zich sinds de laatste jaren veel meer bezig met ‘contra-Jihad’, voornamelijk in de vorm van agitprop. Zie zeker zijn site waarop hij ook veel van zijn bijdragen voor Hoeboei heeft gepubliceerd en dan vooral hier (‘vernietigen gaat voor’) en hier (een pleidooi voor ‘gedisciplineerde rotzakken die in het verborgene vuile handen maken’). Een uitgebreid citaat uit het eerste stuk (‘De terreur van de brandende afgunst’, november 2004 www.arabistjansen.nl/afgunst.doc):

‘Het enige medicijn is dan ook tegen-consternatie. Niet, zoals bij oorlogvoering gebruikelijk, streven naar een overwinning met proportionele middelen die voor het doel dat bereikt moest worden net voldoende zijn, maar streven naar een totale verplettering met overdreven zware middelen en overmacht. Het gaat immers niet om een rationele oorlog maar om een irrationele strijd.

Angst aanjagen, en ruim voldoende reden geven om angstig te blijven, is van groot belang. Niet bang zijn zelf af te zakken tot het niveau van de terroristen. Voor minder doen ze het immers niet. Het is in de propaganda-oorlog bovendien van groot belang de terroristen als loosers voor te stellen die op allerlei manieren, ook seksueel, niet aan hun trekken zijn gekomen. Omdat dat meestal waar is, kan het niet zo moeilijk zijn.

De methoden die het strafrecht toestaat bij de bestrijding van wangedrag en misdaad gaan minder ver dan de veel ruwere methoden die door een oorlogsituatie worden opgedrongen. Het strafrecht is dan ook niet geschikt voor terrorismebestrijding. Hoe het ook tegen onze natuur en ons systeem ingaat, indien mogelijk moeten terroristen sneuvelen tijdens hun zelfgekozen acties. Het is niet nodig om bang te zijn ‘martelaren te maken’. Beter tien dode martelaren in de hemel dan één levende, gewapende terrorist op straat. Martelaren zijn immers geen bedreiging van de openbare orde, terroristen wel.

Laten we ons bij de bestrijding van terrorisme dat gepleegd wordt in de naam van de islam, alsjeblieft geen zorgen maken over wat de moslims er van vinden. Ook het raadplegen van moslims over wat de ‘ware’ islam hier voorschrijft, is uit den boze. Als de terroristen eenmaal zijn vernietigd, is dat voor de andere, niet-vernietigde moslims voldoende bewijs dat de terroristen er ook theologisch naast zaten, anders had God hen immers wel gespaard. Vernietigen gaat dus voor.

Wanneer er een grote terroristische aanval op een Nederlands doel wordt gepleegd, door terroristen die zich op de islam beroepen, zou dat kunnen leiden tot spontane acties van de bevolking waarbij bijvoorbeeld moskeeën in brand worden gestoken. Dat zal de moslims in Nederland er eerder toe brengen zich van de terroristen af te keren dan hen te steunen. De overheidsreacties op zulke spontane pogingen tot tegenterreur dienen daar dan ook mee rekening te houden.

De knappe strategen die Nederland rijk is, zullen nog wel meer kunnen bedenken. De Amerikaanse auteur Ralph Peters heeft in zijn boek Beyond Terror (2002) al heel wat suggesties gedaan waarvan ook in de alinea’s hierboven wel sporen te vinden zijn. Sinds 12 september 1683, het ontzet van Wenen, hebben we geen islamitische terreur meer gekend. Dat was een mooie adempauze. Sinds 11 september 2001 is de islamitische terreur tegen de niet-moslims hervat. De strijd die toen begonnen is, kan een aantal jaren duren, maar de kans dat het een aantal eeuwen gaat duren is niet geheel denkbeeldig.

Natuurlijk staan veel, wellicht de meeste, moslims hier geheel buiten, zoals ook toen de Turken in 1683 voor Wenen stonden, de meeste Turken gewoon thuis zaten. Maar dat maakt de strijd niet minder gevaarlijk. Zo lang er niets te bedenken is waardoor Nederland, of welk ander land dan ook, neutraal zou kunnen blijven in de strijd met mensen die zich op de islam beroepen wanneer ze zich schuldig maken aan terrorisme, is alles mogelijk en dienen we op alles voorbereid te zijn’.

Een ding kun je wel zeggen: Jansen is geen windvaan, want hij is hier alweer flink wat jaren mee bezig (bovenstaand stuk is uit 2004). Maar wat zegt hij hier eigenlijk? (ik moest het ook een paar keer lezen, voordat het echt tot me doordrong). Waar wil hij eigenlijk naartoe? Moeten we terroristen, of mogelijke terroristen, seksueel gaan vernederen? Hoe moeten we ons dat gaan voorstellen? En vooral, wie zou dat klusje moeten gaan klaren? Moeten we daar mensen voor gaan opleiden, richtlijnen voor gaan schrijven, procedures voor ontwikkelen? Als dit een serieus idee zou zijn, moet je ook over dit soort zaken nadenken. Het zou wel aardig zijn als een ambtelijke werkgroep zich hier zich wat meer op zou gaan oriënteren. Dat zullen wel interessante werkbesprekingen worden. Ik zie al voor me hoe ze hun bevindingen aan beleidsmakers gaan presenteren, die deze zullen moeten gaan omzetten in wetgeving. Het zal wel tot een paar Kamervragen leiden. Lijkt me interessant om daar een minister van justitie of van binnenlandse zaken op zien te reageren (of nu de minister van veiligheid Ivo Opstelten, al zie ik die geen pleidooi voor dit soort ranzige voorstellen houden, daar is Opstelten volgens mij veel te fatsoenlijk voor). En als het door de kamer is, wat dan? Misschien moeten we snuffmovies van het kaliber Lynndie England gaan produceren, of moet er een gangbang in een Guantanamo Bay achtige setting georganiseerd worden.

Of moeten we dit niet letterlijk opvatten en moet er slechts van overheidswege in de media verkondigd worden dat die terroristen prutsers tussen de lakens zijn? Wie moet dat dan gaan doen? Toch jammer dat Rita Verdonk weg is (zie hier haar laatste campagnespot, waarin ze schittert als nooit tevoren,). Ik had haar best op de nationale televisie willen horen verklaren: ‘Die rotjongens zijn loosers die seksueel niet aan hun trekken komen!’ O ja, hoe weet u dat mevrouw Verdonk? Bijna te mooi om waar te zijn.

Of, wellicht een beter plan, een ‘softer’ alternatief en moeten we die jongens gewoon wat meer te neuken geven, misschien neem je daar de voedingsbodem voor het terrorisme wel mee weg. Make love, not war. Het spijt me ontzettend, maar van dit soort oorlogstaal zou ik normaal gesproken alleen maar in de lach schieten, ware het niet dat de context wel wat serieuzer is. Jansen publiceerde dit artikel namelijk in november 2004. In april 2004 was het Abu Ghraib schandaal naar buiten gekomen. Had hij de beelden van Abu Ghraib voor ogen toen hij dit schreef?

En dan al dat gebral over de noodzakelijkheid van dodelijke slachtoffers. Jansen: ‘Hoe het ook tegen onze natuur en ons systeem ingaat, indien mogelijk moeten (curs. FS) terroristen sneuvelen tijdens hun zelfgekozen acties. Het is niet nodig om bang te zijn ‘martelaren te maken’. Beter tien dode martelaren in de hemel dan één levende, gewapende terrorist op straat. Martelaren zijn immers geen bedreiging van de openbare orde, terroristen wel’.

Dit lijkt wel een beetje op Jansens lievelingspassage uit de Koran, door hem te pas en te onpas aangehaald: ‘Doodt hen waar ge ze maar kunt vinden’. Alleen heeft het er ook de schijn van dat Jansen, althans als we af moeten gaan op wat hij in dit epistel te berde brengt, zelf deze slogan (in Jansens woorden ‘een licence to kill’) meer uitdraagt dan de overgrote meerderheid van de moslims.

En wat wil Jansen dat we gaan doen? Het folterverdrag opzeggen (elders bepleitte hij ook het inzetten van ‘gedisciplineerde rotzakken die in het verborgene vuile handen maken’, zie hier )? De conventie van Geneve verwerpen (dat wilden al een paar haviken in de regering Bush)? Dat al het oorlogsrecht op de helling moet? Het is niet te hopen dat er ooit een echt PVV kabinet komt, maar als dat er zou komen dan wil Jansen vast wel Wilders nieuwe veiligheidsadviseur worden die handenwrijvend zal toezien hoe het ene na het andere verdrag de wacht wordt aangezegd

Een van de meest bizarre passages vind ik deze: ‘Wanneer er een grote terroristische aanval op een Nederlands doel wordt gepleegd, door terroristen die zich op de islam beroepen, zou dat kunnen leiden tot spontane acties van de bevolking waarbij bijvoorbeeld moskeeën in brand worden gestoken. Dat zal de moslims in Nederland er eerder toe brengen zich van de terroristen af te keren dan hen te steunen. De overheidsreacties op zulke spontane pogingen tot tegenterreur dienen daar dan ook mee rekening te houden’.

Hoopt Jansen soms dat dit gaat gebeuren? En moet de staat een oogje toeknijpen als het gepeupel zijn gang wil gaan? Of discreet groen licht geven als ‘Henk en Ingrid’ de wapens opnemen? Net zoals de verschillende regimes in de islamitische wereld zelf bij tijd en wijle doen (zie de cartoonrellen)? In de lange geschiedenis van Europa hebben we ook wel ervaring met dit soort volksgerichten. De laatste keer was op de Balkan. Andere voorbeelden zal ik achterwege laten. Ik kan het eigenlijk niet geloven, maar wil Jansen dat dit allemaal weer terugkomt? Neem me niet kwalijk, maar wat een waanzinnige en ook opruiende tekst. Het spijt me heel erg, maar ik kan er niets anders van maken. Pijnlijk vind ik het overigens ook . Het is immers een oud-docent van mij en ik heb toentertijd ook veel nuttige dingen van hem opgestoken. Bovendien naar studenten toe een hele aardige man, altijd in voor een praatje en met wie je erg kan lachen, zoals ik hem zelf heb meegemaakt, toen we in de pauzes van de colleges vaak samen een sigaret stonden weg te paffen op de Cleveringaplaats, in de rookhoek bij het Lipsius (toen LAK) gebouw in Leiden.

Rest mij over dit fragment nog te vermelden dat Jansen wel heel selectief met de geschiedenis omgaat. Hij heeft het uitsluitend over pogingen vanuit de islamitische wereld om (delen van) Europa te veroveren. Hij vergeet echter te vermelden dat er, zeker in de recente geschiedenis, zacht uitgedrukt,  meer sprake was van tweerichtingsverkeer. Want ‘zij’ hebben niet alleen getracht om ‘hier’ te komen, ‘wij’ zijn ook weleens ‘daar’ geweest en niet altijd op een even zachtzinnige manier. En ik heb het niet over de kruistochten. Kijk naar wat er in de negentiende en twintigste eeuw gebeurd is of inmiddels in de eenentwintigste. Wellicht is uit die gebeurtenissen meer van het hedendaagse islamitische terrorisme te verklaren, dan uit een zogenaamde islamitische essentie. Het is maar een suggestie. De ‘westerse interventies’ in het Midden Oosten zijn ook niet louter bepaald door ‘ons Christen zijn’, al is het vaak als een ideologisch excuus ingezet. Net zomin als de inwoners van het Midden Oosten in alles door ‘de Islam’ worden aangestuurd, al is het eveneens een bruikbare ideologische kapstok. Maar Jansen gelooft, zo langzamerhand als enige onder de Nederlandse islamologen en arabisten, dat moslims vooral door hun (fundamentalistische) religie gedreven worden. In die zin is Jansen bijna ‘de laatste der essentialisten’, maar daarover verderop meer.

Tenslotte nog de passage over Gedisciplineerde Rotzakken, uit een artikel dat oorspronkelijk is gepubliceerd in Opinio:

‘We zijn collectief vergeten dat een vreedzame enclave als Nederland ter verdediging niet genoeg heeft aan haar eigen vreedzaamheid, maar ook een aantal gedisciplineerde rotzakken nodig heeft die zo nodig in het verborgene vuile handen maken bij het vechten voor vrede en vrijheid. Het zal niet meevallen om dat overtuigend uit te leggen aan al die brave en aardige mensen van het CDA en de Christenunie. En de rest.

We beseffen niet dat dreiging met geweld, en geweld zelf, alleen door gecontroleerde en sluwe toepassing van geweld gestopt kan worden. De onwaarachtige manier waarop bedreigingen half of geheel verzwegen worden, heeft verkeerde effecten op het openbare leven en is niet langer houdbaar. Dat dwingt ons te gaan zoeken naar methoden die kunnen bewerken dat Nederland op de lange duur, om het maar eens hardop te zeggen, zijn vrede en vrijheid terugkrijgt’.

Het is niet de leugen die regeert maar de duistere dreiging”, in: OPINIO, 23-29 maart 2007 (www.arabistjansen.nl/bedreigingen.doc)

Zie overigens ook deze toch wel geestige reactie op Geen Stijl.nl, Rotzakken gezocht. Ik denk dat het wel duidelijk is.

Dat Jansen met zijn extreme standpunten zo langzamerhand een eenzame buitenstaander is geworden binnen de Nederlandse arabistiek en islamwetenschap, mag geen verrassing zijn, gezien het voorgaande. Vrij recent vatte hij zijn opvattingen samen in zijn boekje met de veelzeggende titel Islam voor varkens, apen, ezels en andere beesten; Prof. Dr. Hans Jansen beantwoordt 250 vragen over de islam, van Praag, Amsterdam 2008. De ‘vragen’ zouden zijn bedacht door de redactie van uitgeverij van Praag, maar ik acht het niet uitgesloten dat Jansen daar zelf ook enigszins de hand in heeft gehad. Soms doet het boekje bijna Oost Europees voorgekookt aan, maar dan van voor 1989.

Op de ‘vraag’ Hoe degelijk is de studie van de islam aan westerse universiteiten? Hoe vaak verkopen westerse hoogleraren politiek correcte praatjes? Hoe vaak stellen zij zich kritisch op? geeft Jansen, ongetwijfeld met de grootst mogelijke tegenzin (want hij heeft die vraag zeker niet zelf bedacht en bovendien, dit boekje gaat toch over de islam en niet over de intercollegiale verhoudingen der Nederlandse islamwetenschappers?), het volgende antwoord:

‘De meeste westerse hoogleraren die de islam in hun portefeuille hebben, praten graag mee met de moslims, hoe reactionairder en multicultureler, hoe beter. Met wetenschap heeft het vaak niets meer te maken (dat van die ‘loosers die seksueel niet aan hun trekken komen’ gelukkig wel, net als het hierboven aangehaalde ‘vernietigen gaat dus voor’, FS). Het is pure misleiding, waarbij boze opzet niet altijd moet worden uitgesloten (! FS), zij het dat onnozelheid natuurlijk zoals overal gewoner is (oef, gelukkig dat we dan tenminste nog professor Jansen hebben, FS). Daarop zijn enkele lichtende uitzonderingen (?! FS). Veel onderzoekers denken dat ze de leden van de groep die zij bestuderen wel naar de mond moeten praten omdat ze anders hun contacten verliezen. Alsof de islamitische cultuur een dissidentloze eenheid is’. (p. 123-124)

Het eerste gedeelte van dit antwoord vind ik, neem me niet kwalijk, beneden ieder peil (eigenlijk vooral genant). Alleen de laatste opmerking snijdt wat mij betreft wel hout. Natuurlijk is het zo dat de islamitische wereld geen dissidentloze eenheid is. Sterker nog, de islamitische wereld is bijzonder divers. Daar hebben verschillende geleerden, zoals Edward Said, vaak op gewezen. En ook op het feit dat ‘de islamitische wereld’ door de traditionele oriëntalistiek (Lewis etc.) te vaak is afgeschilderd als iets dat tot een paar essenties kan worden teruggebracht. Gelukkig doet Professor Jansen daar niet aan mee ;)

Maar zonder ironie, er zijn inderdaad veel dissidenten in de islamitische wereld, ondanks dat de meeste islamitische landen dictaturen zijn. Dit is wel een probleem, alleen kun je je afvragen of dat uitsluitend met de islam te maken heeft, in plaats van met allerlei complexe historische factoren uit vooral de twintigste eeuw.

Is Jansen dan zo solidair met die dissidenten? Sommige echte dissidenten uit de islamitische wereld, zoals wijlen Nasr Abu Zayd, worden door Jansen juist met de grootste minachting bejegend, terwijl het juist Jansens ‘politiek correcte’ vakgenoten zijn geweest (de Groningse hoogleraar Fred Leemhuis bijvoorbeeld), die voor deze belangrijke denker hun nek hebben uitgestoken. Dissidenten van het type Abu Zayd passenechter niet in Jansens eigen rigide voorstelling van zaken en worden door hem dus afgestraft of belachelijk gemaakt. Zie bijv. hier waarin Jansen stelt: ‘Alles wat hij in zijn bijdrage over de Koran en de islam zegt, is apologetische verouderde flauwekul, ongeveer in overeenstemming met de stand van de westerse koranwetenschap in de jaren dertig tot vijftig van de vorige eeuw’. Het lijkt mij een volstrekt onzinnig argument want Abu Zayd is in zijn manier van wetenschap beoefenen vele malen progressiever dan Jansen. Abu Zayd, kortgeleden overleden, heeft baanbrekend werk gedaan voor een moderne lezing van de Koran. In zijn herlezing van de Heilige Schrift heeft hij nieuwe methoden geïntroduceerd, zoals de Hermeneutiek van Hans Georg Gadamar, daarvoor nooit eerder toegepast in het moderne Koranonderzoek. Oa Peter Sloterdijk, die hierop heeft voortgebouwd in Heilig Vuur, verwijst naar het werk van Abu Zayd. Toch iets anders dan Jansen, die vooral Snouck Hugronje en Bernard Lewis navolgt. Over apologetisch en verouderd gesproken. Het woord flauwekul vind ik overigens niet van toepassing. Bovendien is het wel aardig om erop te wijzen dat Abu Zayd, hoewel nauwelijks in de Nederlandse media verschenen en daardoor bij het grote publiek wat minder bekend, een wetenschapper was van grote internationale faam. Ik denk niet dat Jansen, of andere Nederlandse critici van Abu Zayd als Afshin Ellian of Paul Cliteur hier ook maar enigszins in de buurt komen (Jansen overigens nog het meest, want die heeft ook veel in het buitenland gepubliceerd). Maar dat terzijde. Zie voor meer over Abu Zayd hier op dit blog

Je bent volgens Jansen alleen maar een waarlijk dissident uit de islamitische wereld als je meegaat met zijn eigen essentialistische praatjes. Daarom zijn Ayaan Hirsi Ali, Afshin Ellian, of internationaal Ibn Warraq en zelfs de paranoia van Bat Ye’or, wel de moeite waard, maar Nasr Abu Zayd en Edward Said niet (laten we niet vergeten dat Saids boeken in veel islamitische landen verboden zijn). Dissidenten die ook kritisch naar het westen kijken of naar de soms kwalijke steun van het westen aan bepaalde praktijken in Islamitische landen of Israël, zijn voor Jansen geen echte dissidenten. Want dan komen ze ook aan Jansens wereldbeeld en dat verdraagt blijkbaar geen dissidenten.

Maar al wordt Jansen inmiddels door vrijwel al zijn Nederlandse collegae verguisd, gelukkig oogst zijn boekje wel grote bewondering in de kring van de vroegere LPF. Op de website ‘Het Vrije Woord’ van de Fortuynistische jongerenbeweging, waar het boekje ‘Islam voor varkens…’ etc. met veel tromgeroffel wordt aangeprezen, staat in het reactieforum onder meer:

Maarten

14 May, 2008

Wij hebben het boek al.
Maar ik vind Hans Jansen eigenlijk de enigste vrij goede arabist.
Hij is kwa politieke mening nog vrij rechts voor een arabist.
En dat zie je niet heel vaak vrij rechtse arabisten.
En hij wel dus dat maakt het ook al zo apart.

http://www.hetvrijewoord.org/?p=236

Op zo’n moment heb ik het wel met Jansen te doen. Want dit soort fans wil je toch niet? Ik kan me vergissen maar ik denk dat hij hier ook zelf niet bepaald gelukkig van wordt. Hoewel… als je gelukkig bent om met Martien Pennings gesignaleerd te worden kan dit er ook nog wel bij, maar daarover later meer. Tegen Maarten zou ik willen zeggen: Ga Bernard Lewis lezen, tenminste als je daar niet te stom voor bent. Want dat is zeker ‘een vrij rechtse’ en dus ‘een vrij goede arabist’ (alhoewel, Lewis is van huis uit turkoloog en historicus, maar ook een bekend oriëntalist. Een ‘vrij rechtse arabist’ is misschien HAR Gibb, en er zijn er nog wel wat meer). Jansen is dus zeker niet de enigste, al is het natuurlijk allemaal erg enig wat hij nu doet ;). Maar Jansen is vooral een Lewis apologeet dus daar zou je je hart aan kunnen ophalen. Er staat ook redelijk wat van Lewis op internet, zoals het roemruchte artikel ‘The Roots of the Muslim Rage’, de belangrijkste inspiratiebron voor Samuel Huntingtons ‘The clash of civilizations’. Huntington ontleende zelfs de titel van zijn essay aan een uitspraak van Lewis, die ergens in zijn stuk spreekt van een ‘clash of civilizations’. Ga maar lezen. Succes!

Altijd leuk om nog ergens een schare bewonderaars te hebben, maar dit soort types? Ik vond het overigens wel aardig om deze LPF kinderen Hans Jansens vroegere recensie van Pims Islamboekje onder de neus te wrijven, dus dat heb ik in het onderstaande forum gedaan.

De ‘wrevel’ met de manier waarop zijn vakgenoten islamwetenschap bedrijven is overigens niet van heel recente datum. Jansen heeft hier zelf uitgebreid verslag gedaan in een lange beschouwing, hier te raadplegen. De liefhebber kan ik zeker aanraden het hele verhaal te lezen. Jansen beschrijft uitgebreid zijn ervaringen als student Arabisch in Egypte. Dat was in de tijd dat Nasser daar aan de macht was en Jansen schetst zeker een boeiend beeld van die periode. Waar het mij hier om gaat is dat hij tegen het eind van dit lange verslag het volgende zegt:

‘Hoe ben ik nu van zo maar een politiek incorrecte twintiger tot een politiek incorrecte Arabist geworden? Dat heeft zeker te maken met de manier waarop Nederland de erfenis van Snouck Hurgronje verwerkt heeft. Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936) was een domineeszoon die in Leiden theologie ging studeren, en in zijn vakkenpakket naast het Bijbels Hebreeuws ook het Arabisch aantrof. (Toen ik zelf in Amsterdam theologie ging studeren, in 1960, overkwam me hetzelfde. Daarmee houdt de vergelijking tussen de carrière van Snouck en die van mij op.) In 1880 promoveerde Snouck op een onderwerp uit de islamwetenschap, in 1885 verbleef hij een half jaar in Mekka. Van 1889 tot 1906 werkte hij in Nederlands-Indië. Daar deed hij als zogenoemd adviseur volop mee aan de zogenoemde Atjeh-oorlog. Nederland heeft sindsdien nooit meer een oorlog gewonnen.

Het wordt Snouck nog steeds kwalijk genomen dat zijn adviezen en activiteiten daar relevant geweest zijn. Een wetenschapper hoort niet zoals Snouck dagenlang in oorlogstijd te paard door de Sumatraanse jungle te rijden, en zijn adviezen dienen academische bespiegelingen te blijven, van het enerzijds-anderzijds genre. Dat was bij Snouck niet het geval. Ergens schrijft hij dat de Islam een steeds weer de bestuurders verschalkende vijand is. Ook is hij van mening dat ‘met de Oelama’s [Imams in het hedendaagse Nederlands, HJ] niet te onderhandelen valt daar hun leer en eigenbelang meebrengen dat zij alleen voor geweld zwichten.

Snouck raadde de regering aan deze moslimleiders ‘zeer gevoelig te slaan’. Dat is weer eens wat anders dan de vraag of Imams een vrouwelijke minister een hand moeten geven. De academici die heden ten dage een overheidsinstantie adviseren, laten het wel uit hun hoofd de termen te gebruiken die Snouck gewoon vond. Alleen de koran en radicale moslims hebben het recht woorden als ‘vijand’ gebruiken, een recht waarvan ze overvloedig gebruik maken’.

Jansen is een groot bewonderaar van Snouck Hugronje. Wat overigens meer arabisten zijn en enigszins terecht, want Snouck Hugronje is de belangrijkste grondlegger geweest van de Nederlandse oriëntalistiek en islamwetenschap. Maar Snouck was natuurlijk ook een oriëntalist in de Saidiaanse zin van het woord; hij bedreef zijn oriëntalistiek mede in dienst van de koloniale macht. Precies hetgeen wat Edward Said met zijn invloedrijke werk Orientalism heeft blootgelegd. Niet voor niets is Jansen ook een fel tegenstander van Saids werk. Al is het voorbeeld van Snouck Hugronje een verpletterend bewijsstuk voor het gelijk van Edward Said.

Inmiddels is de ‘oriëntalistiek’ (die term wordt voor de hedendaagse islamwetenschappen eigenlijk niet meer gebruikt) sterk veranderd, niet in de laatste plaats door de grote invloed van Edward Saids Orientalism, al was het eigenlijk daarvoor. Maar Snouck Hugronje is een klassiek voorbeeld van wat Edward Said als een ‘oriëntalist’ heeft omschreven. En Jansen is dus verbitterd over hoe de hedendaagse islamwetenschap met Snoucks ‘koloniale lessen’ is omgesprongen (uitgerekend de Atjeh oorlog! ). Jansen vindt bovendien dat hij die erfenis niet verkwanselt, zie zijn (ongevraagde) adviezen voor bijvoorbeeld de behandeling van ‘mogelijke terroristen’ (de ‘loosers die seksueel niet aan hun trekken komen’ de ‘noodzaak dat mogelijke terroristen moeten sneuvelen’, de ‘professionele rotzakken’, etc.). Al was de vroege Hans Jansen stukken gematigder dan de late. Want sinds 11 september gooit hij werkelijk alle remmen los. Misschien is het ook wel Jansens tragiek dat de tijd van Snouck Hugronje voorbij is. Want tegenwoordig hebben we zo’n last van een ‘politiek correcte elite’, die niet meer op Jansens adviesjes zit te wachten. Behalve Wilders wellicht. En voor hem speelt Jansen met verve de rol van Snouck Hugronje. Alleen is Wilders een beetje een ranzige politicus en daarom wordt dit theater ook een beetje ranzig. Misschien is dat wel de kern van Jansens probleem. Of misschien zelfs wel ‘tragiek’.

Tragisch is in ieder geval zijn gespartel met het geval Breivik (hier te lezen op Hoeiboei). Natuurlijk, het lijkt mij afschuwelijk om door Breivik aangehaald te worden. Maar in plaats van dat Jansen uitlegt dat hij niets met de massamoordenaar van Oslo te maken heeft (wat ieder zinnig denkend mens begrijpt, tenminste dat lijkt mij wel), haalt hij pathetisch uit naar de ‘Groene Khmer’, die het vast wel met Volkert van der G eens zou zijn (Greenpeace!). En ook krijgen ‘de media’ de schuld want die zouden Jansen verkeerd hebben samengevat, of zelfs zijn woorden hebben verdraaid en daarom is het hun verantwoordelijkheid dat Breivik zich op hem beriep. Treurig is het wel; ‘de media’ hebben Jansen vaak uitvoerig een podium geboden en hem meestal zonder enig tegengas zijn zegje laten doen. Er is Nederland in de afgelopen tien jaar geen andere arabist geweest die zo uitgebreid en zonder enige tegenspraak het woord kon voeren als Jansen. Het is pas zeer recent misgegaan toen Jansen zichzelf klemzette in een discussie met Joris Luyendijk bij Pauw en Witteman. Maar dat deed hij echt helemaal zelf, daar had hij Pauw en Witteman of Luyendijk niet voor nodig (zie dit eerdere blogitem, waarin ik dat fragment heb opgenomen).

Jansen beweerde in Pauw en Witteman dat er in Nederland ‘steeds meer islamitische regels worden ingevoerd’, waarbij links behulpzaam zou zijn, of daar ‘in ieder geval vrede mee heeft’. Rechts (de PVV dus) zou zich hiertegen verzetten. Toen er werd doorgevraagd wat Jansen bedoelde (wordt hier sluipenderwijs de Sharia ingevoerd?) had Jansen geen antwoord, in zijn woorden ‘dit wordt een verschrikkelijke afgang, want ik weet zo snel niets te bedenken’. Het aardige is dat dit wel een verhaal is dat in extreemrechste kring op internet circuleert. Zie de extreemrechtse anti-islamblog Gates of Vienna (de titel verwijst natuurlijk naar de Osmaanse beleg van Wenen in 1683), van de anti-islamactivist ‘Baron Bodissy’ (uiteraard een pseudoniem) en uitvalsbasis van de Noorse blogger Fjordman, waarvan een tijdje gedacht is dat dit een pseudoniem van Breivik was- in het echt heet hij Peder Are Nøstvold Jensen, zie ook dit Engelstalige interview met hem in een Noorse krant.  Fjordman zegt precies hetzelfde als Jansen bij Pauw & Witteman, in een artikel met de alarmistische titel ‘Will Holland survive the 21st Century?’. Daarin beweert hij zoal:

“The Netherlands, which for centuries was a haven for those seeking more freedom of thought, is becoming an increasingly totalitarian society as a direct result of mass immigration in general and Muslim immigration in particular. This is the reason why the insightful Hans Janssen, Professor of Modern Islamic Ideology at Utrecht University, stated that a peaceful society that wishes to remain existent “will have to find a way to defend itself through non-peaceful means from people who are not peaceful.” According to Jansen, Muslim fundamentalists frequently make threats, but Dutch media remain silent about them”.

Ik heb soms het idee dat Jansen meer in de sfeer van de extreemrechtse agitprop zit, dan dat hij zich met serieus academisch onderzoek bezighoudt. Ontleende Jansen soms zijn informatie aan deze Fjordman? Of heeft Fjordman dit van Jansen? (Fjordman noemt Jansen trouwens en is blijkbaar goed op de hoogte van wat hij zoal beweert). Ik weet niet wat ik erger zou vinden. Al zouden zij geen contact hebben, de overeenkomst blijft wat mij betreft verontrustend groot. De lijntjes zijn sowieso kort, via ene H. Numan, die net als Jansen (en  Joost Niemöller) voor Faith Freedom International schrijft, en ook op Gates of Vienna, waar hij ‘Our Dutch correspondent’ wordt genoemd. Let trouwens op wat Jansen aan deze Numan zou hebben verklaard over ‘het etentje’:

‘In his own words, Jansen was shocked to meet Schalken during the dinner. The DA was co-writer of the court order of the Amsterdam court, which made the prosecution possible. According to Jansen, Schalken didn’t hesitate to show his contempt for Wilders. “I should realize very well that I disqualified myself by associating with Wilders. The actual sly wording I do not recall exactly. As an intellectual, I should have known better.” Jansen does not exclude the possibility Schalken carried the actual court order with him that evening. He insisted Jansen should read it. He grabbed some A-4 sized papers from his pocket. That may or may not have been the actual court order, Jansen wasn’t sure’.

‘I should realize very well that I disqualified myself by associating with Wilders’…. dat lijkt me toch iets anders dan ‘Schalken heeft mij niet proberen te beïnvloeden’, wat Jansen later onder ede voor de rechter verklaarde. Op Gates of Vienna is Jansen duidelijk weer op de agitproptour. En bij propaganda hoort liegen. Een vreemde activiteit voor een professor lijkt me,  maar dat is misschien niet meer zo verrassend, zie al het voorgaande. Tenzij H. Numan Jansen niet correct heeft geciteerd, maar dan zou Jansen hier zich per direct van moeten distantiëren. Het lijkt me sowieso verstandig om iets minder intiem te zijn met H. Numan, Gates of Vienna, Fjordman en al die andere ranzigheid, waar een ‘achtenswaardige professor’ niets te zoeken zou moeten hebben. Al is het niet verrassend, Jansen heeft zich ook al sterk geëngageerd met complotdenkster Bat Ye’or (van de Eurabië-theorie), dus dan kan dit er ook nog wel bij. Overigens gaat Fjordman nog een stapje verder en heeft hij een feuilleton geschreven met de wervende titel ‘The Eurabia Code’ (ook in het Nederlands vertaald, zie hier). Een soort Dan Brown en Bat Ye’or in één! Van Professor Jansen tot en met Henk en Ingrid, dit gaat er natuurlijk in als koek. Wellicht zit er een bestseller in, mocht iemand op het idee komen om dit gegeven uit te werken tot een gelikte thriller, met voor de Nederlandse editie Henk en Ingrid in de rol van Robert Langdon en Sophie Neveu. Beide werken hebben overigens wel een aardige overeenkomst; je zou kunnen zeggen dat het in beide gevallen om een bepaalde vorm van fictie gaat, zij het dat Dan Brown zijn lezers aangenaam wil verstrooien, terwijl Bat Ye’or er vooral op uit is om met haar duistere en hetzerige agitprop het ‘Vrije Westen’ te waarschuwen voor de nakende ondergang. Maar dat neemt niet weg dat zowel ‘Eurabië’ als ‘De Da Vinci Code’ een grote schare believers kent, vooral onder hen die geloven in ‘De Grote Samenzwering’. Het zou me niets verbazen als er onder hen zich er weer een paar bevinden die ook nog steeds geloven in de authenticiteit van ‘De Protocollen van de Wijzen van Zion’. Van het slag dat er ook van overtuigd is dat de Vrijmetselarij overal achter de schermen aan de touwtjes trekt (een paar van dit soort gekken heb ik ook op dit blog uitvoerig besproken- ik wil ook niet uitsluiten dat een megalomaan als Breivik zich juist daarom tot dit genootschap voelde aangetrokken en zich om die reden heeft aangesloten bij een Loge).

Verder grossiert Fjordman in theorietjes dat ‘fascisme’, ‘multiculturalisme’ en de ‘sociaaldemocratie’ sterke overeenkomsten vertonen (om het fascisme in zijn eigen wereldbeeld te makeren?) en dat de echte vrijheidsstrijders degenen zijn, die door ‘links’ het predicaat ‘islamofoob’ krijgen toegeworpen. Hij schrijft dit in ‘The Brussels Journal’, waar, o ironie, soms ook een zeker persoon voor schrijft met een sterke sympathie voor allerlei Holocaustontkenners  (met een voorliefde voor de Neo-Nazi historici David Irving, Ernst Zündel en Robert Faurisson, dat soort lieden), aan wie ik in een hele andere context op dit blog ruime aandacht heb besteed, zie hier, maar dit terzijde. Het verhaal van Fjordman doet me sterk denken aan de kromme theorieën uit het boek van Martin Bosma ‘De schijn-elite van valsemunters’, dat volgens Hans Jansen ‘een prachtboek’ is (zie hier). Fjordman besluit zijn betoog in The Brussels Journal met een inmiddels vetrouwd verhaal:

‘The European Union’s foreign policy chief Javier Solana has stated that Islamic terrorist organization Hamas wants to “liberate the Palestinians,” not to destroy Israel, thus ignoring decades of statements from Hamas leaders as well as the Hamas charter itself. As documented by brilliant scholar Bat Ye’or in her book Eurabia: The Euro-Arab Axis and confirmed by myself in The Eurabia Code this is all part of a concerted effort by EU authorities to radically alter the European continent in favor of an economic and cultural alliance with the Arab-Islamic world. The widespread use of the word “Islamophobia,” a concept which didn’t even exist a decade ago, should be seen in this light. “Islamophobia” is the veil the new Fascists use to cover themselves and their agenda. It is a ridiculous word, and we should all refrain from using it in any serious fashion’.

Terug naar ‘de mainstream’ en de positie die Jansen hierin heeft. Zie voor een heldere uiteenzetting over islamonderzoek en het publieke debat in Nederland dit artikel van Léon Buskens, hoogleraar Recht en cultuur in Islamitische samenlevingen aan de Universiteit Leiden. Hierin wordt ook duidelijk gemaakt welke positie Jansen inneemt binnen de Nederlandse arabistiek en islamwetenschap. Zie verder Onkunde of oplichterij? Hans Jansen als Islamkenner, door Michiel Leezenberg (UvA), waarin hij ook kort ingaat op Jansens fascinatie voor de ‘Eurabië-theorie’ van Bat Ye’or.

‘Nazislam’

Ook in de tijd toen hij nog pro-forma tegen Pim Fortuyn was (van eind jaren negentig , toen hij nog een hele leuke recensie schreef van Fortuyns anti-islamboek, onderaan dit blogbericht te lezen, tot ongeveer 2001), liep Hans Jansen al weg met zeer omstreden figuren van het kaliber Bat Ye’or, zoals de Amerikaanse auteur/propagandiste/ activiste Laurie Mylroie (Jansen verwijst nog naar haar in het artikel waar bovenstaand uit geciteerd is), de enige die nog steeds gelooft dat er massavernietigingswapens in Irak zijn en dat Saddam Hussein achter 9/11 zat. Jansens voorkeur voor dit soort types bleek weer tijdens zijn bijdrage aan het Wildersproces, met zijn idiote bewering dat de Koran meer antisemitische passages zou bevatten dan Mein Kampf. Later verklaarde hij onder ede voor de rechter dat hij zich slechts baseerde op een artikeltje van de obscure neoconservatieve agitator Bill Warner, in plaats van dat hij zelf (met zijn grote kennis van de Koran, dus waarom riep hij dit überhaupt?) de moeite had genomen om na te gaan of dit klopte. Want het is echt onzin, dat kan iedereen nagaan door heel simpel zelf de Koran en Mein Kampf te raadplegen en te vergelijken (zie het commentaar van Marcel Hulspas in De Pers en ik kan het uit eigen bevinding bevestigen). Zonder hier al te gedetailleerd op in te gaan, in de Koran is nergens sprake van racisme, niet naar Joden en niet naar anderen (toch de kern van antisemitisme). Er wordt zeker een paar keer gezegd dat de Joden (degenen die het Joodse geloof belijden) de oorspronkelijke boodschap van de Profeten (die grotendeels ook in de islam erkend worden, Mozes, David enz., allemaal namen uit de Joodse traditie) op een verkeerde manier hebben uitgelegd en toegepast. Idem voor de Christenen (Jezus wordt ook in de Koran als een belangrijke Gezant erkend). Daarom heeft God nog eenmaal een Gezant gestuurd, Mohammed. Een modern standpunt is dit zeker niet, maar het heeft niets te maken met bijvoorbeeld het racisme van de Nazi’s. Op dit blog heb ik hier een keer een itempje over gemaakt, waarin ik een aantal van deze passages uit de Koran, maar ook uit de Bijbel, zowel uit het Oude als het Nieuwe Testament, heb geciteerd (zie hier, waarin ik wat betreft de Koran, o ironie, gebruik heb gemaakt van de door Jansen zelf gemoderniseerde Kramersvertaling). Verder wil ik in dit verband wijzen op een bijdrage van de Groningse arabist Fred Leemhuis, die alle passages uit de film Fitna in context besproken heeft en daarmee aantoont dat er nogal wat valt af te dingen op de manier waarop Wilders bepaalde passages uit de Koran presenteerde, zie hier.

Mein Kampf daarentegen staat bol van racisme naar Joden. Dat is het eigenlijk. Bovendien staan daar meer passages in over ‘Joden’ dan in de Koran. Om het nog een keer kort uit leggen: in de Koran staan een paar zeer onvriendelijke passages over het Joodse geloof, terwijl Mein Kampf bulkt van haat naar het vermeende Joodse ras. Voor iedere geïnteresseerde is dit heel makkelijk na te gaan. Al is Mein Kampf niet heel simpel verkrijgbaar, dus misschien dacht Jansen (en Bill Warner) er makkelijk mee weg te komen.

Lees trouwens zeker het artikel van oud-diplomaat Niek Biegman in NRC Handelsblad van 18 oktober 2010, Mein Kamp is racistisch, de Koran niet. Biegman, die lange tijd goed met Jansen bevriend was, legt precies uit waarom Jansens bewering niet deugt. Zie http://www.nrc.nl/handelsblad/van/2010/oktober/18/mein-kampf-is-racistisch-de-koran-niet-11957521

En wat Bill Warner betreft, die vergelijkt stukken uit de Koran met stukken uit Mein Kampf. Laat dat nou net fragmenten uit de Koran zijn die over Joden gaan en minder vriendelijk zijn en net de stukken uit Mein Kampf die niet over Joden gaan. Warner verbindt daar vervolgens de conclusie aan de Koran ‘erger is dan Mein Kampf’. Topwetenschap! Nogmaals, wat moet Professor Jansen met dit soort propaganda? Misschien omdat hij nu ook is afgezakt tot een propagandist, is hij niet meer in staat om de propaganda van anderen te doorzien.

Warner goochelt verder met percentages van de Koran en percentages van Mein Kampf (daarbij negerend dat Mein Kampf een vreselijk langdradig boek is- als Warner het aantal woorden dat er aan Joden wordt besteed in beide boeken had vergeleken zou er een heel ander beeld ontstaan). Dus zowel kwalitatief als kwantitatief gaat de vergelijking mank. Bovendien haalt Warner in het geval van ‘de Koran’ er ook nog andere islamitische teksten bij, wat de vergelijking nog meer vertroebelt. Want waarom bij de Koran ook de Hadith meerekenen? Dan had Warner ook andere teksten van Hitler moeten meerekenen, zoals zijn brieven, zijn gebundelde ‘tafelgesprekken’ en zijn Politiek Testament. Maar dan zou het beeld nog schever worden, ten nadele van wat hij tracht te betogen. En nogmaals, de zevende-eeuwse Koran is, hoezeer in tegenspraak met onze huidige opvattingen, niet racistisch (hooguit tribalistisch, overigens zeker niet minder dan het Oude Testament), terwijl het twintigste-eeuwse Mein Kampf uit zijn voegen barst van racisme. Dat lijkt me een niet onbelangrijk detail. Verder spreekt Warner van een ‘Arabische Holocaust’ en stelt hij dat het belangrijkste probleem is dat ‘de Joden’en ‘Israël’ (Warner gooit ‘de Joden’ en ‘Israël’ op een hoop, net alsof dat hetzelfde is- ik ken genoeg mensen van Joodse afkomst die daar absoluut niet van gediend zijn) de ‘propaganda-oorlog’ aan het verliezen zijn. Dus moeten wij zijn bijdrage opvatten als propaganda? Het lijkt mij eerlijk gezegd van wel. Warner is hier zelf immers heel open over:

‘The Jews and Israel are losing the propaganda war. Modern wars are won in the propaganda arena, not with guns and bombs. It is the media that determines who is the victor, not the dead body counts. This started in Vietnam and has been true ever since’.

Dit is interessant (want wat heeft de geschiedenis van Mohammed uit de zevende eeuw met de discussie over het twintigste en eenentwintigste- eeuwse Israël te maken?) en ligt ook duidelijk in een lijn met wat er door beroepspleitbezorgers voor Israël geschreven wordt (de Hasbara, de Propaganda Zonder Grenzen-Brigade van Israël, waar ik ook op dit blog wat aandacht aan heb besteed, in het bijzonder aan de activiteiten van mevrouw Pelle, zie hier). Wie een beetje thuis is in de vreemde wereld van de Hasbara komt dit soort geluiden vaak tegen. Op Hasbara-sites valt vaak te lezen dat Israël de media-oorlog aan het verliezen is en dat het daarom voor het Israël noodzakelijk is om de bezetting beter ‘uit te leggen’ (te verkopen dus). Op dit blog heb ik veel links naar diverse Hasbara-sites opgenomen, maar als je het googlet stuit je er vanzelf op.

Overigens is dit alles ook voor Wilders bijzonder relevant, maar daar zal ik later in nieuwe bijdrage op dit blog nog een keer op terugkomen. Verder voert de staat Israël weliswaar een propaganda-oorlog, maar ‘de Joden’ doen dat niet. Er zijn een heleboel Joden die zich daar absoluut niet mee bezig houden en die zich ook niet vertegenwoordigd voelen door Propaganda-Brigades voor Israël. Kennelijk hebben velen grote moeite om dit onderscheid te maken. Zie hier de soms pijnlijke overeenkomst tussen antisemieten en de filosemitische vrienden van Israël. Voor beiden zijn het altijd ‘de Joden’.

Wat ik verder interessant vind is dat Warner beweert dat Amerika de Vietnam oorlog heeft verloren, omdat de propaganda van de tegenpartij zo sterk was. Dat is een hele hardnekkige mythe in rechtse Amerikaanse kring, net zoals de onzintheorie dat het Ronald Reagan was die de Sovjet Unie ten val heeft gebracht (de Sovjet Unie is aan zichzelf ten onder gegaan). De Vietnam oorlog was een van de grootste fouten die Amerika gedurende de twintigste eeuw gemaakt heeft en viel voor Amerika niet te winnen. Overigens wel heel boeiend dat een Amerikaanse neoconservatief de bezetting van Palestijns land vergelijkt met de voor Amerika zo rampzalig verlopen Vietnamoorlog. Want buiten het kleine segment (neo)conservatieve haviken, is er niemand die op deze oorlog terugkijkt als een gerechtvaardigde of succesvolle oorlog. Hetzelfde geldt natuurlijk steeds meer voor het kolonistenspel in de bezette gebieden. Misschien dat de Palestijnen uiteindelijk deze strijd toch gaan winnen. Maar dit terzijde.

Het gaat Warner dus om het bedrijven van propaganda, laten we dat hebben vastgesteld. Dat zal ook Jansen niet zijn ontgaan (zo naïef is hij niet). Goed om te weten en ook interessant dat hij deze propaganda tot in de rechtszaal blijft beoefenen. Maar ik denk eerlijk gezegd dat het bij Jansen ook vooral om propaganda gaat, al is hij nominaal wetenschapper. In Jansens eigen woorden: ‘We leven in een tijd van agitprop’ (zie hier). Ik denk dat ik het deze keer wel met Jansen eens ben, vooral wat betreft hemzelf.

Persoonlijk was ik geen voorstander van het Wildersproces. Ik vind, al ben ik nog zo tegen zijn opvattingen, als je Wilders wilt bestrijden je dat in de politieke arena behoort te doen en niet in de rechtszaal, om de triviale reden dat ook Wilders vrijheid van meningsuiting heeft en die mag wat mij betreft heel ver gaan (ik heb dit ook eerder op dit blog een keer duidelijk gemaakt, nog lang voordat het proces begonnen was). Toch heeft het proces wat mij betreft een voordeeltje opgeleverd. Dat is hoe ontzettend mager de onderbouwing is van zijn populistische retoriek, net als die van Jansen overigens. Ik vond het niet verkeerd dat iemand als Hans Jansen een keer onder ede over zijn bronnen werd gehoord. Dan blijkt het allemaal toch niet zo indrukwekkend te zijn als wij van de professor zouden mogen verwachten (zie nogmaals zijn ‘discussie’ met Joris Luijendijk bij Pauw en Witteman). Dat aspect vind ik veel interessanter dan die hele soap met etentjes, raadsheren die buiten hun boekje zijn gegaan, etc. Dat was vooral interessant voor juristen en wellicht is er met dit proces ook geschiedenis geschreven. Maar voor mij is vooral de leegte van de retoriek van Wilders en zijn entourage, die tijdens het proces zichtbaar werd, nog het meest veelzeggend geweest. Want het ging namelijk helemaal nergens over. Behalve dat de ‘getuigedeskundige’, de ‘objectieve hoogleraar’, die bovendien op geen enkele manier partij was in het proces, een wanstaltige theatershow kon opvoeren. Hij bediende overigens ook het buitenland, zie hier zijn bijdrage op de hiervoor al genoemde extreemrechtse Amerikaanse website ‘Jihadwatch’, van de anti-islamactivist Robert Spencer. Een onvervalst staaltje propaganda. Zie ook dit commentaar op Joop.nl, waarin ik me zeker kan vinden. Maar dat Jansen zo langzamerhand meer een activist, of een hysterische alarmist is dan een wetenschapper, wisten we al. Terecht dat hij door zijn vakgenoten niet meer serieus wordt genomen. Misschien is het een ideetje om een keer zijn teksten over ‘professionele rotzakken, die in het verborgene vuile handen maken’, of over ‘loosers die seksueel niet aan hun trekken komen’ in het Engels te vertalen. Dat kan dan het best op een soort site als die van de Wereldomroep geplaatst worden, zodat het een breed internationaal publiek heeft (zoiets is al een keertje eerder voorgevallen, zie hier en zie hier Jansens reactie op zijn site). Dan kan er wereldwijd kennis worden genomen van waar hij echt voor staat, ook in de islamitische wereld. Ik denk dat het vooral voor meer hilariteit dan verontwaardiging zal zorgen (zeker in academische kring), al zullen sommigen van zijn nieuwe Amerikaanse conservatieve vrienden, preuts als zij zijn, enigszins de wenkbrauwen fronsen. Ik denk dat ook zij hem dan niet meer zo serieus zullen nemen. Behalve dan de echte mafketels. En dat is in Jansens geval een heel interessant gezelschap. Zoals Filip Dewinter van het Vlaams Belang. Jansen zag er kennelijk geen enkel bezwaar in om mee te werken aan een manifestatie van deze extreemrechtse politicus.

Of met Het Vrije Volk blogger Martien Pennings. Die is pas echt extreem, in verschillende opzichten. Wie daar wat meer van wil vernemen kan ik dit artikel, ‘Prostaatpatiënt’, op de website ‘Frontaal Naakt’ aanbevelen. Pikant, vanuit welk gezichtspunt je het ook bekijkt. ‘Nette mensen doen zoiets niet’ zei Hans Jansen over Thom Schalken, de raadsheer met wie hij een bepaalde conversatie had gevoerd op het inmiddels beroemde etentje van Bertus Hendriks, dat grote gevolgen had voor het proces Wilders (zie Jansens verslag op Hoeiboei, waar ook deze Pennings regelmatig het forum vol schreeuwt). Alleen, vraag ik me dan af, behoort volgens Jansen deze Martien Pennings dan wel tot ‘de nette mensen’? Wat mij betreft is hier sprake van een wel erg hoog Scheepskamelen gehalte (zie dit onvergetelijke nummer van Michiel Romeyn in Jiskefet ). Maar lees zeker het verbijsterende artikel op Frontaal Naakt. Veel rooie oortjes, maar wel afdoende gedocumenteerd. Let ook op de foto, waar hij samen met Hans Jansen en Eddy Terstall poseert met een of ander Clownsmasker. Vrij pikant, als je zijn seksistische opmerkingen, zijn obsessie met zijn libido, zijn jaloezie (penisnijd of penisleed?) naar ‘andere rassen’ en zijn bekentenis van wat hij allemaal onder de ledenen heeft in je achterhoofd houdt. Kortom, een aanrader, dat stuk Frontaal Naakt. De onderbouwing is, voor zover ik die heb kunnen nagaan, volledig correct.

vlnr Eddy Terstall, Martien Pennings (met masker) en Hans Jansen (bron ‘Prostaatpatiënt’, Frontaal Naakt)

Ook ‘islam-basher omdat het in is’ Joost Niemöller heeft deze Martien Pennings regelmatig een podium gegeven. Al is hij daar kortgeleden op teruggekomen en zijn zij nu gebrouilleerd, zie bijv. hier en hier (vooral na de aanslagen van Anders Breivik, toen Niemöller op zijn schreden begon terug te keren).

Wie nog enige lust heeft om verder met deze Martien Pennings kennis te maken kan ik een stukje van hemzelf aanbevelen, zie hier . Daarin zou hij, naar eigen zeggen, Bas Heijne ontmaskeren. Maar ieder weldenkend mens ziet hier dat meneer Pennings hier vooral een inkijkje geeft in zijn eigen zielenroerselen. In plaats van Bas Heijne ontmaskert hij vooral zichzelf. Heel boeiend. Ook typisch voor Martien Pennings is dit verhaal, waarin hij spreekt van ‘Nazislam’ en zijn wereldbeeld als volgt samenvat: ‘… ze (in dit geval Femke Halsema en Claudia de Breij, FS) vertegenwoordigen de morele verrotting-tot-in-de-kern van een hele Westerse quasi-elite. Als we er niet in slagen die quasi-elite van hun sleutelposities te krijgen, is het Westen, althans West-Europa verloren’ en iets verderop weer ‘Óf we krijgen deze totaal verrotte quasi-elite uitgerookt uit hun subsidie-holen, en dan in heel Europa, of 2000 jaar Joods-Christelijk-Verlichte traditie zijn op termijn ten dode opgeschreven’. Zie hier een aardig stukje Henk en Ingrid-rancune, al wordt het, geheel volgens de mode van de afgelopen tien jaar, verpakt in de loze kreet de Joods Christelijke Humanistische Traditie. Zelf vind ik dit modieus gezeur, want net alsof er geen fricties zijn geweest of nog steeds bestaan tussen Jodendom, Christendom, Humanisme, of ‘de Verlichting’ (en dan vooral tussen Christenen en Joden, al is het erg in de mode om dat een beetje weg te moffelen, juist in de kring van Pennings). Wat mij betreft niets meer dan een retorische kunstgreep om de islam uit te sluiten.

De vraag is in hoeverre Pennings deze verheven en menslievende ‘Joods, Christelijke, Humanistische Traditie’ zelf heeft geïnternaliseerd. Op zijn eigen blog raaskalt hij bijvoorbeeld over de aanslagen van Breivik (http://martienpennings.wordpress.com/2012/03/10/breiviks-radicalisering-niet-door-geert-wilders-maar-door-de-politiek-correcte-muur/ ):

‘Ik heb me zelf ook nogal bezig gehoudenmet Breivik, want ook ik had in toenemende mate last van geweldsfantasieën, waarin ik haatbaarden, islam-collaborateurs en “anti-Zionisten” schuimbekkend sproeikogelvermassamoordde, dan wel een voor een hun strotten met mijn blote handen eruit rukte. Ja, ik vind dat óók heel erg dat er zoveel in mijn onderbuik geroerd wordt dat er prikkels ontstaan in het stukje reptielenbrein dat de evolutie bij alle mensen die niet links zijn heeft achtergelaten. De goede, linkse mensen hebben daar geen last van dus, maar ik zelf, als in de evolutie achtergebleven rechtserik, dan wel als regelrechte Hitler, heb er heel wat mee te stellen, al heb ik het tot nu toe aardig onder controle weten te houden. Natuurlijk word ik ouder, inmiddels alweer 66, en dus heb ik goede hoop dat ik ooit net zo geestelijk volwassen en mild word, net zoveel zelfkennis opdoe als Alexander Pechtold of Job Cohen’.

Dat dit niet de enige pathetische gewelddadige oprisping is blijkt uit een passage uit een blogbericht, van 10 maart jl, met de veelzeggende titel Hoe in de vroege morgen het verlangen kan opkomen om haatbaarden te mitrailleren:

“Oh ja, een gewetensvraag aan Leon de Winter: zou jij ‘klammheimliche Freude’ voelen als Dries van Agt, Jimmy Carter en Noam Chomsky worden opgeblazen tegelijk met een paar Hamas-leiders met wie ze zitten te konkelfoezen? We laten Anja Meulenbelt er maar even buiten, want die is geloof ik toch meer zwakbegaafd dan kwaadaardig. Eerlijk zeggen.”

Mijn antwoord lijkt me wel duidelijk. Maar nu moet ik toegeven als ik dit islamitisch haat-gajes zie provoceren, dan komt inderdaad – hoe zei ik dat ook alweer . . . . . .

“het diepe verlangen op naar sproeikogelende moord dat ook bij mij zich vaak in maag, borst en strot nestelt. Ik moet in gedachten op die manier dozijnen multikulse opiniemakers, politiek correcte politici en “anti-Zionistische” academici omgebracht hebben.”

Nou, aan dat rijtje ontbraken eigenlijk nog dit soort liefdes-baarden, erbarmings-theedoeken, aangelaten-van-de-Ander en diep-religieus-bewogenen’.

Tot zover deze passages van Pennings. De man is echt gestoord met zijn ‘reptielenbrein’ en zijn Breivikachtige natte dromen. Ik wil er verder niet teveel conclusies aan verbinden maar wat heeft Hans Jansen en had Joost Niemöller bij dit zware geval te zoeken? Maar ja, als voor Hans Jansen Filip Dewinter kennelijk geen probleem is, kan dit er misschien ook nog wel bij.

Ik kan over zijn blog eindeloos doorgaan, met artikelen als Het verschil tussen Obama (een immorele schurk) en Netanyahu (een fatsoenlijke realist) inzake Iran, waarin hij oa beweert:

‘Dus is islamofiele Obama weer eens bezig met waar-ie al zijn hele ambtstermijn mee bezig is: alle verantwoordelijkheden en schuld bij Israël leggen en quasi -naïef de islam (in dit geval Iran) ontzien, de islam mooi-praten en de islam een vertrouwen geven dat alle ratio tart. Je kan zo langzamerhand niet meer om de conclusie heen: die Obamais een schurk die een bedreiging is voor Israël, Amerika en de hele aardkloot’

Over Job Cohen, volgens Pennings een ‘collaborende Golem’ (! dit lijkt verdacht veel op ouderwets antisemitisme): ‘Terwijl de 4e Wereldoorlog (de 3e was de Koude) allang bezig is, was Job druk doende de 5e colonne van de oer- vijand van het Westen en het Jodendom, de nazislam, te faciliteren in zijn eigen stad en later in zijn eigen land. Vuilnisman! Kan die zak ook mee? En mag ik voor de rest ook alle quasi-linkse zelfmanifestanten, narcistische hedonisten, en . . . . eh . . . BMW-ers een hartelijk “sterft u maar!” wensen?’ (http://www.amsterdampost.nl/job-cohen-is-altijd-een-collaborerende-golem-gebleven/)

Zo zijn er nog veel meer voorbeelden. Het is een mix van Wilderiaanse fantasieën en ranzige ontboezemingen, die bovendien druipen van het seksisme. Dat hij seksistisch is, ziet Pennings ook wel. Maar wiens schuld is dat? Hoe pathetisch weer. Pennings:

‘We besluiten met Femke Halsema, aan wie ik zo’n godvergeten hekel heb dat ik, een waarachtige liefhebber van dames, bijna van de sóórt een afkeer kreeg. Ja, waarachtig! Femke heeft mij bijna de weg van het seksisme opgedreven. Verwijzing naar de regelrechte haat – (is een deugd, zei Flaubert) – die spreekt uit dit stuk van mij mag niet ontbreken in een opstel waarmee ik mijn verhouding tot “Breivik” bepaal’. (zie hier, helemaal onderaan)

Hij eindigt dan nog met een aan Halsema opgedragen gedicht, maar dat is zo genant dat ik geen behoefte heb om dat op mijn blog te plaatsen. Wie er kennis van wil nemen moet het maar via de link raadplegen. In een ander stuk zet Pennings een hard ‘huili huili’ op, omdat Femke Halsema niet met hem in ‘debat’ wil, zie hier. Gek hé?

Dit gerommel heeft kennelijk zoveel losgemaakt, dat het ook is komen bovendrijven in de mainstream. In HP de Tijd van 12 feruari 2012:

GroenLinks-politici doodgewenst door weblogger

Zorgwekkend bericht uit de krochten van het internet. Op de website Amsterdam Post verscheen gisteren een bizar artikel dat nog het meest wegheeft van een geweldsfantasie. De schrijver – Martien Pennings – heeft eerder dergelijke artikelen geschreven. “Nou nee, geen Breivik. Niet in mij. Ik zou nooit onschuldige kinderen, misleid door hun eigen cultuur, gaan lopen mitrailleren. Ik zou er toch voor kiezen de misleiders en geestelijk volwassenen die bewust met het Kwaad collaboreren . . . . . eh . . . . . op de korrel te nemen.”

De auteur fantaseert over de executie van ‘nazislamitische hoeren’ en noemt vervolgens de namen van GroenLinks-fractievoorzitter Jolande Sap, Kamerlid Ineke van Gent, GroenLinks-wethouder Karin Dekker en oud-GroenLinks fractievoorzitter Femke Halsema. Ook noemt hij comédienne Claudia de Breij. Daarnaast refereert Pennings meerdere malen aan Anders Breivik, de extreem-rechtse terrorist die vorig jaar twee aanslagen pleegde in Noorwegen.Halsema meldt op Twitter na te gaan of er stappen tegen Pennings kunnen worden ondernomen. De GroenLinks-politici hoeven niet op de steun van PVV-senator Marcel de Graaff te rekenen. Pennings heeft volgens hem een punt’.

Tot zover dit bericht van de site van HP De Tijd. Wat betreft die passage over Marcel de Graaff, ik denk dat dit genoeg zegt over hoe de bruine drap, die normaal slechts door de riolen stroomt, via de PVV een weg naarboven heeft gevonden. Dat vind ik nog het meest zorgwekkend. Hoe vervelend voor Femke Halsema en die anderen die door Pennings zijn bedreigd (ik wens ze het allerbeste voor een goede afwikkeling), zelf vind ik het nog het meest griezelige dat dit soort geluiden weerklank vindt in de politiek (bij de PVV althans) en wat we hiervoor hebben gezien, ook bij een schare fellowtravellers, die zich uit pure dweepzucht aan dit open riool laven. Zie alle modieuze interessantdoenerij over Anders Breivik door Theodor Holman en Annelies van der Veer. Of de pleidooien voor het schenden van de mensenrechten van Hans Jansen. Ook dat is volkomen van de pot gerukt, om het maar een keer diplomatiek te zeggen.

Laat ik het iets lichtvoetiger afsluiten (om het weer tot normale proporties terug te brengen) met nog een pareltje van Martien Pennings. Ik denk dat je hem daarmee wel kunt afdoen. Deze komt van de blog van Stan van Houcke (http://stanvanhoucke.blogspot.com/search?q=martien+pennings ):

‘Even ter informatie voor mensen die serieus ingaan op de beweringen van Pennings. De stijl van Martien Pennings is onbehouwen en leidt niet tot een dialoog. Dit schrijft hij op internet aan een dame:

‘Grote Filosofen Met Piemel zouden hier jaloers op kunnen worden. Goddomme, Nahed, meid, dit is wel castrerend hoor! Al moet ik aan de andere kant zeggen: ik kan hier ook best een stijve van krijgen. Niks verkrachtends bedoeld, overigens. Ik ben geen Arabier of Zuid-Afrikaanse neger! Nou ja, ik ben dus heel ambivalent: tussen een assertieve erectie (geen zwarte, zo groot is-i niet) en geïntimideerd verschrompelen in, dus. Mooi hoor. Je bent een vrouw voor een goed gesprek, Nahed. En dan heel langzaam aftasten . . . . God, wat zit ik literair mijn best te doen! Zou ik dan tóch homo zijn? Temeer daar jouw kalender aan mijn keukenmuur hangt. “Mijn keukenmuur”, dat schreef ik echt totaal gedachtenloos op . . . Geloof je me? Dag schatje. Martien Pennings.’ http://hoeiboei.web-log.nl/hoeiboei/2007/06/vorige_maand_an.html

Tenslotte heb ik misschien een aardige suggestie. Als Hans Jansen het zo belangrijk vindt dat ‘terrorisme-verdachten’ of ‘mogelijke terroristen’ moeten worden afgeschilderd als ‘loosers, die seksueel niet aan hun trekken komen’, denk ik dat ik wel de ideale kandidaat heb die dat klusje kan gaan klaren en die zeker bereid is om dat op zijn blog hard van de daken te schreeuwen: zijn wapenbroeder Martien Pennings. En laat hem daarbij dan ook maar weer een exposé houden over zijn ‘diepe verlangen naar sproeikogelende moord’ dat bij hem ‘zich vaak in maag, borst en strot nestelt’. Maar dan wel met dat clownsmasker op, waarachter zijn ‘reptielenbrein’ schuilgaat (gevoel voor horror heeft hij zonder meer). ‘Ik kan hier ook best een stijve van krijgen. Niks verkrachtends bedoeld, overigens. Ik ben geen Arabier of Zuid-Afrikaanse neger!’ En neem zeker kennis van ‘Prostaatpatiënt’, dan is het plaatje compleet. Zo’n bizarre samenklontering van griezeligheid en viezigheid had ik zelf nooit kunnen bedenken….

‘Om de vingers bij af te likken’

Van dit uitgebreide uitstapje naar de denkbeelden van Hans Jansen, met een zijweggetje langs Fjordman en een kleine toegift van strijdmakker en viezeman Martien Pennings (hoewel de alleenstaande vandaal ook op hem van toepassing is, want sinds hij Femke Halsema en Claudia de Breij is gaan bedreigen is zijn vriendenkring wel iets geslonken, zie hier), terug naar de ‘mainstream’. De grootste windvanen zijn vooral te vinden in de politiek. En zeker in het huidige kabinet, met Mark Rutte op eenzame hoogte (dat zeg ik niet omdat hij de premier is). Rutte is tegenwoordig de Moeder aller opportunisten. Wat ik daarmee bedoel is dat hij, omwille van regeringsmacht, de politieke manifestatie van bovenstaand beschreven vuiligheid- de PVV, gelegitimeerd heeft tot een serieuze partner om het land te regeren. Weliswaar in een gedoogconstructie, maar de PVV heeft aanzienlijke invloed op het regeringsbeleid.

Aan een kant kun je zeggen dat de PVV democratisch gekozen is en dat het dan democratisch volkomen gerechtvaardigd is dat zo’n grote winnaar van de verkiezingen de gelegenheid moet krijgen om mee te regeren. Wat mij hier echter niet aan beviel was dat, vooral de VVD, maar ook sommigen uit het CDA- al was het tegengeluid daar veel sterker, vrijwel alle alternatieven van de hand wees en met een nauwelijks verholen gretigheid bereid was om met deze extreemrechtse partij in zee te gaan. En daarvoor bereid was om een aantal essentiële principes van het liberalisme opzij te zetten.

Een van de meest schunnige dingen vind ik dat onze premier weigert afstand te nemen van het ‘Polenmeldpunt’ van de PVV. Terwijl hij wel weer verontwaardigd is over een boek van een partijgenoot Sybe Schaap, Het rancuneuze gif; de opmars van het onbehagen (zie hier de beschrijving van wikipedia en hier een interview met Schaap in Trouw). Schaap, voorheen docent filosofie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en nu lid van de VVD fractie in de Eerste Kamer schijnt de PVV met het fascisme uit de jaren dertig te vergelijken. Zijn boek moet ik nog lezen (het is sinds publicatie weer uitverkocht en inmiddels voor de derde keer weer in herdruk, een grote hit is het dus kennelijk wel). Wel ferm dat Rutte zo stelling neemt tegen een partijgenoot. Maar waarom doet hij dat niet tegen de PVV als die weer over de schreef gaan? Het Europees Parlement en de ambassadeurs van de betreffende Oost Europese landen doen er kennelijk niet toe. Ook partijgenoten, zoals Ed Nijpels, hebben hier hun ernstige bezwaren tegen geuit (zie hier). Wordt onze minister president zo door Wilders in de tang gehouden? Als het allemaal niet zo banaal zou zijn, zijn we hier bijna getuige van een Faustiaans drama. Omwille van de macht verkoopt Mark Rutte zijn ziel aan de spreekwoordelijke duivel. Vanuit echt liberale optiek zou het PVV gedachtegoed zo’n beetje het slechtste van het slechtste moeten zijn, alleen niet voor de quasi -liberalen van de VVD, de echte liberalen in die partij overigens uitgezonderd. Onder de laatste categorie zou ik ook oud-kamervoorzitter Frans Weisglas willen rekenen. Lees hier zijn recente commentaar op deze regering, zeer de moeite waard.

Maar nu heeft zelfs Hero Brinkman afstand genomen van de PVV kliklijn. Wanneer gaat de voorman van de grootste ‘liberale’ partij van Nederland zich achter de oren krabben? Likt Rutte nog steeds zijn vingers af bij dit regeerakkoord, nu zelfs ‘rechts’ daar inmiddels verdeeld over is? Voor het CDA geldt wat mij betreft hetzelfde. Maxime Verhagen en Henk Bleeker, met zijn genante briefje aan Mauro, allemaal tenenkrommend, maar binnen het CDA is de oppositie tegen deze regering vanaf het begin sterker geweest. In het recente beginselprogramma, opgesteld door de nieuwe voorzitter Ruth Peetoom, lijkt die partij ook een andere koers te willen gaan varen. Alleen wees dan ook consequent en laat dit project vallen.

Maar wat doet Rutte? Die gaat steun zoeken bij de meest onliberale partij van Nederland, de SGP. Het viel me nog mee dat er camera’s bij mochten zijn. Ik kan me herinneren dat in de jaren tachtig de SGP niet op televisie wilde verschijnen, omdat deze zich schuldig zou maken aan ‘zedenbederf en gezagsondermijning’. Zo liet de toenmalige fractievoorzitter Henk van Rossum het toen in een telefonisch interview aan Den Haag Vandaag tijdens een verkiezingsavond weten (aan de telefoon op televisie kon nog net wel, wat ik als kind toen zo grappig vond, dat ik het om die reden heb onthouden). Dit schoot me weer te binnen toen ik Mark Rutte populair zag doen met Rutger Castricum, het verwende huili huili kind van Powned. Dat zullen de mannenbroeders van de SGP vast wel kunnen waarderen.

Wat had de liberale Rutte daar aan die SGPers te melden? Modieus gezwets over de Joods/Christelijke/humanistische traditie die het liberalisme gemeen zou hebben met het streng gereformeerde gedachtegoed van de SGP. Hoe inhoudsloos dat containerbegrip is geworden hebben wij al gezien bij Martien Pennings. En is het niet zo dat het liberalisme zich juist heeft moeten ontworstelen aan het soort Christelijke dwingelandij waar de SGP voor staat?

Zelfs in Iran hebben vrouwen kiesrecht en zitting in het parlement. Dat Iran, ondanks dat het een nominaal parlement heeft, toch een religieuze dictatuur is, is weer een andere kwestie. Maar verder stond Rutte daar opportunistisch uit zijn nek te kletsen. De Joods Christelijke Humanistische Traditie en de Verlichting, alles om de islam erbuiten te houden, uitgedragen door Henk en Ingrid, Martien Pennings en nu ook de SGP. Rutger Castricum ongetwijfeld ook. Andreas Kinneging is natuurlijk een twijfelgeval, want die heeft de bij onze minister president zo populaire Rutger spreekwoordelijk op zijn bek geslagen (althans ‘geaaid’, dan wel zijn keel dichtgeknepen). Maar iedereen die ook maar een beetje van Kinnegings ideeën heeft kennisgenomen, weet dat deze rechtsfilosoof en vurig pleitbezorger van het conservatisme, zeer tegen de Verlichting gekant is. Dan hoort ie vast bij de politiek correcte linkse kerk, zullen Henk en Ingrid nu wel denken.

Op dit moment staat de gedoogcoalitie onder druk en wankelt het kabinet. Toen na verkiezingen de VVD de grootste partij was geworden, was het toen niet handiger geweest om te gaan onderhandelen met de PvdA over een midden of een Paars+ coalitie? In plaats van deze constructie waar ‘rechts zijn vingers bij zou aflikken’? Als dit kabinet valt is het misschien ook voor Rutte voorbij. En om bekend te staan als de leider van het mislukte meest rechtse kabinet uit de Nederlandse geschiedenis? Ik weet niet of je daar gelukkig van wordt. Aan de andere kant heeft de ogenschijnlijk zo rechtlijnige Balkenende het lang volgehouden met een reeks, overigens vroegtijdig gevallen kabinetten. Wellicht redt de veel flexibeler Rutte het ook nog wel een tijdje. Maar dit kabinet? Ik zou er niet trots op zijn.

Misschien moeten we Ratelband maar weer terughalen. Want dit is allemaal zo ongeloofwaardig dat wellicht NLP het enige is wat ons op de been kan houden. Het schijnt dat onze premier daar best welwillend tegenover staat. Met die onthulling kwam onlangs KRO’s Profiel naar buiten (zie hier de uitzending). NLP! Van je moet er gewoon in geloven. Als je het echt wil kan je alles! …. Tsjakka ;)

Alleen is Ratelband net gearresteerd voor het plaatsen van een brandbom. Een ironische samenloop van omstandigheden, voor wie er de onverwachte symboliek van inziet.

Floris Schreve

Tagged with: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Right to feel safe? Vanzelfsprekend, maar hoed ons voor de ‘Pimse’ opportunisten

Posted in 'Islamdebat', homo-emancipatie/'homo-kwesties', opinie, rechts populisme in Nederland by Floris Schreve on 11 september 2010

Recent werd ik opgeschrikt door het volgende bericht (van de locale Amsterdamse zender AT5):

woensdag 25 augustus 2010 13:33:

Een homostel is het afgelopen weekend in het centrum in elkaar geslagen door een groep jongens.

De twee stonden om één uur ’s nachts na een avondje stappen op het Singel met twee vrienden nog wat na te praten, toen uit het niets een groep van vier of vijf jongens hen begon uit te schelden en op hen in begon te slaan. Volgens de slachtoffers gebeurde dit omdat ze homo zijn.

De twee mannen werden in hun gezicht en buik geslagen en getrapt. Opvallend is dat er op dat moment veel mensen op straat waren. Pas nadat de daders wegrenden, schoten omstanders te hulp.

Het slachtoffer en zijn vriend kwamen er met lichte verwondingen vanaf. Ze hebben aangifte gedaan. Van de daders ontbreekt elk spoor.

De politie laat aan AT5 weten dat het op basis van de getuigenverklaringen niet met zekerheid kan zeggen dat het hier om zogenaamd homogerelateerd geweld ging.

De afgelopen maanden zijn homo’s echter regelmatig doelwit geweest van geweld. In een straat in West werd een lesbisch stel de afgelopen maanden zelfs systematisch geterroriseerd. Burgemeester Eberhard van der Laan heeft aangekondigd keihard op te treden tegen homogerelateerde agressie.

Tot zover dit bericht van de AT5 site (de reportage is te bekijken op de site zelf). Los van dat het mij sowieso raakt (het had mij ook kunnen gebeuren), was ik ook  getroffen dat dit is gebeurd op een steenworp afstand van waar ik woon (zo’n 300 meter). Sterker nog, ik loop vrijwel dagelijks langs deze plek en het ligt ook precies op mijn ‘uitgaansroute’ (dus van mijn huis naar het hart van het homoseksuele uitgaansleven). Ik kan me zelfs herinneren dat ik, alweer zo’n tien jaar geleden, op ongeveer dezelfde plek werd nageroepen toen ik daar gearmd met mijn toenmalige vriend liep. Erg vond ik het toen niet; dit was hartje Amsterdam en  ik voelde me op dat moment vrijwel onaantastbaar. Er is geen plek in Nederland waar je je als homo veiliger zou kunnen voelen als daar. Een opgestoken middelvinger en een grote bek terug van mijn toenmalige vriend, die op dat gebied iets roekelozer was dan ik, was voldoende.  Zo werkt dat in Mokum, althans zo zou het moeten werken.
Dit bericht is hoe dan ook schokkend. In de eerste plaats natuurlijk voor die jongens zelf en voor mij misschien omdat het opeens wel heel erg dichtbij komt. Eerlijk gezegd voelde ik me en voel ik me nog steeds niet onveilig in dit gedeelte van Amsterdam. Dit is voor mij nog steeds de plek waar ik gewoon kan zijn wie ik ben, zonder dat ik me genoodzaakt voel om dat deel van mijzelf verborgen te houden. Amsterdam, vooral het centrum, is voor mij de plaats waar je onbezorgd openlijk homo kunt zijn en waar de gaypride gewoon een feestje is en geen politiek statement uit bittere noodzaak (zoals bijvoorbeeld in Oost Europa of elders).

Mede naar aanleiding van dit soort incidenten is er in Amsterdam een nieuwe actiegroep in het leven geroepen met de naam Right to feel Safe. Ik geef hier de doelstellingen weer van de website:

Natuurlijk ben ik het met de doelstelling eens, al heb ik persoonlijk nog steeds geen slechte ervaringen met de veiligheid in het centrum van Amsterdam. Ik beschouw mijn woonomgeving nog altijd als een soort veilige oase voor homoseksuelen. Dat is tenminste mijn gevoel, los van of dat terecht is (en uit dat bericht van AT5 blijkt dus dat dit niet altijd terecht is). Zeker als ik het vergelijk met andere plaatsen. Waar ik nu zit voel ik me, op dit gebied althans, redelijk op mijn gemak. Er zijn plekken die minder paradijselijk zijn, dat weet ik enigszins uit eigen ervaring.

Zonder nu alle details van mijn coming out verhaal te gaan vertellen, kan ik wel het volgende kwijt. Zelf ben ik opgegroeid in Twente. Gedurende mijn middelbare schooltijd werd ik mij er opeens bewust van dat ik me, naast enigszins tot vrouwen, vooral voelde aangetrokken tot mannen. Dat was natuurlijk best even schrikken, want ik was als puber sowieso niet erg zeker van mezelf (ik was en ben misschien nog steeds wel een enigszins wereldvreemde boekenwurm, oftewel een typische ‘nerd’ 😉  ) en dit was het laatste dat ik erbij kon hebben. Wel putte ik een paar jaar later enige hoop uit een interview dat ik las in Elsevier. Ik had het voornemen om naar Leiden te gaan en het lag ook enigszins voor de hand dat ik dan lid zou gaan worden van het Corps Minerva, al had ik ook toen mijn aarzelingen (het corps stond bekend als behoorlijk reactionair en dat bleek uiteindelijk in verschillende opzichten terecht). Maar hoopgevend was dat ik in Elsevier een interview las met een zekere Floris Michiels van Kessenich, die erg zijn nek had uitgestoken voor de emancipatie van homoseksuelen in de kringen van het studentencorps. Michiels van Kessenich had dit interview gegeven kort voordat hij overleed aan AIDS (het was ook de tijd van de grote epidemie), dus hem heb ik nooit ontmoet. Maar het was wel iets dat me enige hoop gaf. Want al zat ik op een buitengewoon vrijzinnige middelbare school (in Hengelo), voor mij was het toen nog uitgesloten dat ik enige stappen zou zetten om me in Twente op de gelijkgeslachtelijke liefde te oriënteren.  Achteraf niet helemaal terecht, want vooral Enschede kent een kleine maar actieve en redelijk bruisende homoscene, maar dat was toen nog niet iets dat boven mijn horizon kwam.

Ik had dus grote verwachtingen van mijn verhuizing naar de Randstad, in dit geval Leiden. Hoezeer mijn gang naar Leiden ook een breuk was met alles van wat ik daarvoor kende, zowel in positief als in negatief opzicht, in dit opzicht was het een grote tegenvaller. Eerder heb ik op dit blog uitgebreid geschreven op dit blog over mijn ervaringen bij het corps in het algemeen, zie https://fhs1973.wordpress.com/2008/08/04/het-grote-nagaans-lullo-universum/)  Wat betreft de houding naar homo’s kan ik daar het volgende over kwijt: Hoewel de meerderheid van mijn vriendenkring uit die tijd daar echt niet bekrompen over dacht, was de cultuur van Minerva in het algemeen niet bepaald homovriendelijk. Uit die tijd ken ik dan ook maar een paar mensen (hooguit vijf) die in de tijd dat ze daar rondliepen volledig uit de kast waren of van wie hun geaardheid algemeen bekend was. Dat is schrikbarend weinig, zeker als ik het vanuit het perspectief van nu bekijk. Ik ken er namelijk nu vrij veel. Het is zelfs zo dat mijn jaarclub bijna een soort over vertegenwoordiging van homo’s kent (maar liefst vier van de zestien en dat is achteraf gezien bizar veel). Maar in de tijd dat we nog actief op Minerva rondliepen was er nog geen van ons uit de kast (inclusief ikzelf, overigens was ik pas de derde die uit de kast kwam). Dat was ook niet zo vreemd; in de heersende cultuur van Minerva werd er vooral erg bekrompen over homo’s gedacht, overigens over bijna alles wat van de gangbare norm afweek. Althans, dat was nog zo in de jaren negentig. Misschien is het nu beter.

In die jaren ben ik heel voorzichtig mijn eerste stappen gezet om die toen nog zogezegd verborgen kant van mijzelf te ‘exploreren’. Dat deed ik vanzelfsprekend niet in het ‘dorp’ Leiden, voor mij lag Amsterdam meer voor de hand.  Heel simpel was dat niet, want ik leefde in een nogal hechte gemeenschap. Het nadeel van de gesloten structuren als studentenhuis, jaarclub en vereniging is dat er bijna altijd wel iemand is die zou moeten weten waar je uithangt. Zonder ook maar iets af te willen doen aan de hechte kring waarin ik toen verkeerde, was dit absoluut in mijn nadeel. En ik wilde me eerst zelf oriënteren voordat ik er behoefte aan had om er met iemand over te praten.

Maar voor mij was het in eerste instantie uitgesloten om het COC Leiden te bezoeken of om een keertje op donderdagavond in het café Odessa te gaan kijken (de enige twee uitgaansgelegenheden voor homo’s in Leiden, in die tijd althans). Dat zeg ik niet omdat ik iets tegen het locale COC en Odessa zou hebben. Helemaal niet zelfs, en ik heb later beide gelegenheden ook bezocht, maar op dat moment voelde ik me, terecht of niet, teveel gekluisterd aan het Leidse circuitje om echt vrij te zijn.  Gelukkig was het de tijd van de OV jaarkaart (mede met dank aan Fortuyn, dat dan weer wel 😉  ) en had ik ook een paar vrienden in Amsterdam. Nu hing ik de laatste jaren dat ik in Leiden woonde toch al veel in Amsterdam, dus dat was een ‘ideale ontsnappingsroute’. Op die manier ben ik een keer uit Leiden vertrokken met het verhaal dat ik in Amsterdam bij een oude schoolvriend zou blijven slapen. Dat werd mijn eerste bezoek aan de It, de roemruchte discotheek uit die tijd (inmiddels alweer jaren dicht). Vanaf daar gebeurde het dat ik met iemand mee naar Den Haag ging. De volgende ochtend kwam ik weer aan in Leiden en ging iedereen ervan uit dat ik een avondje met een oude schoolvriend op het Amsterdamse corps had rondgehangen. Een paar keer heb ik zo’n kunstje uitgehaald. Zo ben ik ook een keer in Nijmegen (!) terechtgekomen (ik zou zogenaamd bij mijn ouders in het oosten van het land zijn). Was overigens niet heel spannend, maar het was wel veilig en ver weg. Nijmegen heeft overigens wel een redelijk bruisende homoscene, maar ik was toen nog niet erg goed geïnformeerd en wist de juiste plaatsen nog niet helemaal te vinden.

Achteraf moet ik enigszins lachen om dit ingewikkelde en vooral onhandige gedoe. Maar echt leuk was het natuurlijk niet. Het heeft me er wel van bewust gemaakt hoe fragiel en daarmee ook hoe kostbaar de vrijheid is om jezelf te mogen zijn. Bij mij heeft dit ‘dubbelleven’ gelukkig niet lang geduurd (het was ook toen mijn vaste voornemen om het niet lang te laten duren). Terugkijkend realiseer ik me wel dat er nog altijd veel mensen zijn die op die manier hun leven moeten inrichten. Ik was toen nog een jonge twintiger, dus voor mij was het vooral een spannend avontuur, maar wat als je veertig bent, of ouder? Toch weet ik dat ook dit nog altijd voorkomt. Daarom zal het altijd de moeite waard zijn om de vrijheid om te zijn wie je bent te bevechten.

Als ik er nu op terugkijk had ik best in die tijd uit de kast kunnen komen, voor het grootste deel van mijn vrienden had het niets uitgemaakt. Maar dat ik het er op Minerva niet makkelijker op zou hebben gehad werd mij duidelijk toen ik een keer laat van de sociëteit naar huis liep. Zonder dat ik het aanvankelijk door had was een van mijn allergrootste vijanden met een van zijn huisgenoten  mij achterna gelopen. In de Diefsteeg, het steegje schuin tegenover de sociëteit waar ik altijd doorheen liep sloegen ze toe. Ik ontving een paar rake klappen terwijl ze mij iets toeriepen van: ‘Je bent een gore flikker, want we hebben je met een kerel betrapt’. Dat soort teksten.  Dit is de enige keer dat ik ooit met homofoob geweld te maken heb gehad. Dat was dus niet van Marokkanen, of andere ‘islamieten’, neen dat was van ‘keurige’ medeleden van de Leidse Studentenvereniging Minerva. Je kunt er nog over twisten of dit het geval was vanuit hun optiek; ze konden op dat moment namelijk onmogelijk weten dat ik inderdaad weleens iets met een man had uitgevoerd, dus wellicht was het gewoon agressie en riepen ze maar wat. Overigens maakte ik me geen enkele illusie over of ze me anders zouden hebben bejegend als ze ook geweten hadden dat ik weleens met een man tussen de lakens was gekropen. In die tijd waren homo’s bij dit soort volk geen volwaardige mensen, dat zou pas veranderen nadat politiek rechts ‘de homo’ zou ontdekken (de opkomst van Pim is volgens mij een belangrijke cesuur geweest).

Kort na dit ‘incident’ hebben deze zelfde lieden zich kort daarna ook tegen een paar huisgenoten misdragen, waarop ik het tijd vond om naar het Collegium (het verenigingsbestuur van Minerva) te stappen om een klacht in te dienen. Tot enige sancties heeft het niet geleid, maar zij woonden dan ook in een ‘belangrijk’ corpshuis aan het Rapenburg en ik in een ‘dubbel gemengd huis’ aan de Vliet (‘dubbel gemengd’ wil zeggen meisjes en jongens en dan ook nog van verschillende verenigingen, dus geen corpshuis). En bewoners van ‘het Rap’ waren nu eenmaal belangrijk, want dat waren veelal ook de club en huisgenoten van degenen die op Minerva de bestuursbaantjes vervulden. Misschien is er een keer gebeld met het verzoek of ze mij niet meer lastig zouden vallen, want ik heb daarna nooit meer iets van ze gemerkt, maar een sanctie, die ze ook volgens het reglement van  Vereniging hadden verdiend (dat werd heel pretentieus ‘de wet’ genoemd), hebben ze nooit gekregen. Minerva was in die tijd  corrupt tot op het bot en niet bepaald bevorderlijk voor het geloof in de goedheid van de mens, om het maar eufemistisch te formuleren. Dat is bij mij menigmaal op de proef gesteld, maar zie daarvoor nogmaals mijn eerdere artikel. Overigens heb ik ook weleens gezien dat homofobe agressie naar iemand anders gedoogd werd; dat gebeurde zelfs in de grote zaal onder toeziend oog van de commissie, die de orde moest handhaven. Neen, Minerva was toen geen paradijsje voor homoseksuelen. Maar misschien is het nu beter, ik heb zelfs wel enige aanwijzingen dat er op dit gebied in de laatste tien jaar inderdaad iets veranderd is. Per slot van rekening is ‘de homo’ tussen 1990 tot ongeveer 2005 wel erg gezonken cultuurgoed geworden, dus misschien nu ook bij het corps.

Mijn plotselinge kans om in de tweede helft van de jaren negentig naar Amsterdam te verhuizen kwam dan als geroepen. Met twee jongens uit Leiden had ik de kans om in de Jordaan te gaan wonen. Toen ik daar een paar maanden zat en ik nogmaals het hoofdstedelijke gebeuren ging verkennen besloot ik dat het tijd was om uit de kast te komen (ik was inmiddels 24, dus wat betreft een latertje). Ook dat was nog niet zo simpel en werd door een paar mensen erg moeilijk gevonden. Het leidde er in ieder geval toe dat ik binnen Amsterdam (overigens samen met een trouwe huisgenoot) nog een keer ben verhuisd. Maar uiteindelijk heb ik een aantal jaar gelukkig gewoond met twee van mijn beste Leidse vrienden, beide hetero, maar die het alleen maar grappig vonden als ik iets aan de haak had geslagen na een avond stappen in de Reguliersdwarsstraat (waar ik aanvankelijk begon, ik heb mijn circuit is in de loop der tijd wel wat verlegd). Zij hadden hun vriendinnen en ik mijn vriendjes en dat werkte allemaal goed :). We hebben in ieder geval op die manier een aantal jaar gelukkig met z’n drieën gewoond.

Het was overigens ook in die tijd dat ik het gezelschap voor homoseksuele corpsleden van de eerder genoemde Floris Michiels van Kessenich ontdekte. In mijn tijd in Leiden waren ze voor mij altijd erg onzichtbaar gebleven (maar dat lag er ook aan dat ik mij in Leiden niet op dit pad durfde te begeven). Maar het bestaat nog steeds, de Donderdagavond Eet Club (DEC), voor mannelijke corpsleden (al is dat iets verbreed) met een homoseksuele geaardheid. Een keer in de maand hebben ze een borrel in Amsterdam, waarna de doorzakkers nog gezamenlijk uitgaan in ‘de scene’. Goed dat ze er zijn. Het gezelschap bestaat, of bestond, in ieder geval wel bij de gratie van enige discretie, wat ik goed kan begrijpen. Ik heb die bijeenkomsten in mijn eerste Amsterdamse jaren regelmatig bezocht, maar uiteindelijk verwaterde dat. Ik was toen al bezig om mijn vleugels verder uit te slaan, dus het kwam voor mij op een moment dat de DEC voor mij niet meer een noodzakelijkheid was (als het dat in mijn geval ooit geweest was, maar sommige anderen is dit misschien wel het geval. Overigens heb ik met een aantal leden nog goed altijd overweg en heb ik nog steeds contact). Maar alle lof voor dit gezelschap en wellicht zijn ze nog altijd hard nodig.

Tot zover mijn persoonlijke ‘coming out’ geschiedenis. Hoewel de emancipatie van homoseksuelen eigenlijk vanaf de jaren zestig begonnen is, heb ik gemerkt dat deze pas echt ingebed raakte aan het eind van de jaren negentig. Toen het er onder het Paarse kabinet het homohuwelijk werd geïntroduceerd had ik het gevoel dat de acceptatie van homo’s door de meeste Nederlanders wel een feit was. Natuurlijk waren er ook toen nog genoeg homofoben te vinden, maar het leek er, in mijn omgeving althans,  meer op dat je als homofoob wat had uit te leggen dan als homoseksueel. Ik was mij er overigens toen ook wel van bewust dat er voor verschillende groepen in onze samenleving homoseksualiteit problematisch was. Te denken viel natuurlijk aan bepaalde Christenen (we hadden de affaire Leendert van Dijke, het kamerlid van de RPF/Christen Unie die homo’s met dieven had vergeleken) en Moslims (zoals opeens bleek in de affaire van de Marokkaanse imam Khalil El Moumni). Wat betreft de laatste groep, ook daar begon het emancipatieproces vorm te krijgen. De Stichting Yusuf was er al iets langer, maar in die tijd kwamen de eerste Turkse homo-organisaties op (ik kan me IPOTH nog herinneren) en vooral dat er de eerste openlijke Arabische homokroeg ter wereld werd geopend, de Habibi Ana, hier in Amsterdam. De Habibi Ana heb ik vaak bezocht en ik heb er zelfs nog een kortstondig vriendje aan overgehouden (een Iraniër). Voor mij leek het toen dat het in Nederland langzaam goed zou komen. Het had nog de schijn dat je als progressief of links liberaal zij aan zij stond met de homobeweging en de zich emanciperende etnische minderheden.

De factor ‘Pim’

De gebeurtenis dat dit enigszins idealistische beeld teniet deed was 11 september 2001. In Nederland vertaalde zich dit in de opkomst van Pim Fortuyn.  Hoewel Pim er ontegenzeggelijk voor heeft gezorgd dat rechts Nederland de ‘homo’ ontdekte, heeft zijn ‘revolutie’ mijns inziens weinig goeds gebracht (hooguit dat het ‘debat’ iets vrijer is geworden en iets minder ‘politiek correct’).

Overigens had ik al vanaf het begin de jaren negentig wel het eea van Fortuyn gelezen. Ik kan me herinneren dat mijn eerste ‘kennismaking’ nog dateerde uit mijn laatste jaren van de middelbare school. Fortuyn had in Vrij Nederland opgeroepen tot een nauwere samenwerking tussen VVD, D66 en PvdA. Zij zouden een soort links liberale progressieve volkspartij moeten vormen, waarbij het individu, kosmopolitisme en culturele progressiviteit centraal stond dat als tegenwicht moest dienen tegen het ‘conservatieve’ CDA, ouderwetse vakbondssocialisten, de kleine Christelijke partijen en eventuele VVD stemmers, die eigenlijk meer conservatief waren dan liberaal. Volgens Fortuyn was het traditionele onderscheid tussen links en rechts voorbij en werd de politiek nu volgens andere parameters bepaald. Eigenlijk nam Fortuyn toen een soort voorschot op paars. Ik kan me herinneren dat ik dit een hele interessante gedachte vond en ik besloot zijn artikelen en columns verder te volgen.

In mijn eerste jaren in Leiden las ik ook zijn column in de SUM (een gratis verspreid studentenblaadje, dat in diverse universiteitsgebouwen werd gedistribueerd, waar Fortuyn later weer met slaande deuren is vertrokken, overigens in dat geval niet geheel ten onrechte). Toen begon ik hem eigenlijk steeds vervelender te vinden, maar wat voor mij de deur dicht deed was, toen het paarse kabinet er inmiddels zat, hij plotseling een pleidooi begon te houden voor gezinswaarden (als ik het me goed kan herinneren in een interview met Karel van der Graaf voor de Avro). Zijn gelonk naar het CDA vond ik niet kloppen met zijn eerdere pleidooi voor de Progressieve Sociaal Liberale Volkspartij (ik meen me te herinneren dat hij zo zijn ideaal voor een ‘paarse partij’ had omschreven). Ook begon hij Elco Brinkman de hemel in te prijzen. Dat mocht hij natuurlijk doen, maar ik vond het nogal haaks staan op wat hij kort daarvoor had verkondigd. Ik vond Fortuyn een opportunistische draaikont en voor mij had hij afgedaan.

Tenenkrommend vond ik ook dat hij zichzelf begon aan te prijzen als ‘minister van gezinszaken’ (in die periode was dat idee ook in CDA kring ontstaan). Dit had wel van een erg hoog ‘Prof. Dr. Ir. Akkermans’ gehalte (Koot & Bie waren toen nog net op de buis) en bovendien, waarom juist Fortuyn voor die functie? Als uitgesproken vrijgevochten homo vond ik hem toch wat authentieker. Dat hij zich hiervoor zo hijgerig aanbood was wat mij betreft zo gênant dat ik niet eens snapte dat de publieke omroep hem hiervoor een podium bood. Vanaf dat moment vond ik Fortuyn een ‘verschrikkelijke eikel’ (ik kan me nog herinneren dat ik me dit net iets te luid heb laten ontvallen in een groot gezelschap met allemaal hele nette mensen toen iemand vol lof zijn boek ‘Zakenkabinet-Fortuyn’ aanprees).

Iets later hoorde ik wel hele verontrustende verhalen over Fortuyn van iemand die bij de publieke omroep werkte. Fortuyn was te gast geweest in een programma waar zij voor werkte en zij had na afloop een tijd met hem nagepraat. Zij vertelde me dat tot haar verbazing hij dezelfde opvattingen had gedebiteerd als Hans Janmaat, toen natuurlijk de absolute paria van de Nederlandse politiek. Hij had deze opvattingen niet in het programma zelf geuit (dat ging toen over een heel ander onderwerp), maar zij vertelde me dat hij hiermee kwam na afloop van de uitzending, in een gesprek met enkele medewerkers van de omroep. Ik kwam tot de conclusie dat het een hele rare man was. Eerst een pleidooi houden voor een sociaal liberale alliantie en een soort paarse coalitie, toen opeens de traditionele waarden van het gezin ophemelen en zelf Minister van Gezinszaken willen worden, terwijl hij zelf nooit te beroerd was om in geuren en kleuren te vertellen over zijn belevenissen in de darkroom. Ik meen me zelfs te herinneren dat hij het een keer over de smaak van sperma heeft gehad, zodat gans het volk wist: ‘hé, die slikt zaad, die doet het dus niet veilig’. Je kunt je afvragen of hij daarmee de acceptatie homoseksuelen in Nederland zo’n goede dienst bewees, toen net de Aids-epidemie enigszins werd ingedamd door alle vrij veilig campagnes (zeker als je een publiek bekende homoseksueel bent). Ik meen me ook te herinneren dat hij heeft verklaard dat hij zich nooit zou laten testen. Dat was natuurlijk zijn eigen beslissing, maar waarom moest hij dat ook publiekelijk verklaren? In die zin vond ik hem eerder een wandelende antireclame voor de geëmancipeerde homoseksueel dan een boegbeeld. Natuurlijk, hij deed gewoon waar hij ‘zin an’ had en had lak aan wat sociaal wenselijk was (dat was misschien een deel van zijn charme), maar aan de andere kant, dat liet hij ook weer varen als hij zich opzichtig probeerde in te likken bij de macht. Daarin was hij wel een opportunist en juist niet de non-conformist die hij ook graag wilde zijn. Een man met vele tegenstrijdigheden en verschillende gezichten, maar wat mij betreft steeds het verkeerde gezicht. Ik kan vele paradijsvogels waarderen, maar dit exemplaar had voor mij precies die trekjes die telkens weer mijn ergernis opwekten. Maar hoe dan ook, Fortuyn liet ook zijn flirt met het CDA varen en verlegde zijn politieke koers, om uiteindelijk tegen Janmaat aan te schurken. Zo keek ik er althans toen tegenaan, later zou blijken dat Fortuyn eigenlijk een trendsetter was en het oude extreem rechts verving door het nieuwe rechtspopulisme, waarmee we tegenwoordig zoveel te maken hebben.

Niet lang nadat ik van de hiervoor genoemde medewerkster van de omroep over Fortuyns meningen over de aanwezigheid van vreemdelingen had vernomen, trad Fortuyn met zijn opvattingen naar buiten en verscheen zijn pamflet ‘Tegen de islamisering van onze cultuur’ (1996). Aan dit werkje heb ik elders op dit blog aandacht besteed, dus daarvoor verwijs ik naar dit eerdere artikel, inclusief de recensie van arabist Hans Jansen uit het Parool (en dat was nog een andere Hans Jansen dan degene die we nu kennen, want ook Jansen heeft, zacht uitgedrukt, nogal een ontwikkeling doorgemaakt). Ik ga het hier niet uitvoerig over Fortuyns standpunten inzake de islam hebben, dat voert voor dit stuk een beetje ver, maar ik was het dus niet met hem eens. Het waarom heb ik eerder toegelicht. Zie ook het krankzinnige interview dat hij had met John Simpson van de BBC, een paar dagen voordat hij werd vermoord door Volkert van der G. Dat interview zegt eigenlijk alles. Wat vooral fascinerend aan dat interview is, is dat John Simpson, itt de meeste van zijn Nederlandse collegae, zich goed in de geschiedenis van Fortuyn had verdiept en wist dat hij nogal een politieke zwalker was. Simpson pakt Fortuyn stevig aan en vergelijkt zijn uitspraken met die van Le Pen (demoniserend!), die precies dezelfde dingen had gezegd. Maar Fortuyn gaat pas echt door het lint als Simpson wijst op zijn Marxistische verleden. Dat kan Fortuyn niet hebben en hij schopt Simpson zijn tuin uit. Dat vond Fortuyn dus erger dan dat hij stevig onder vuur werd genomen over die ‘achterlijke cultuur’. Misschien had Fortuyn het niet verwacht en had hij gewoon geen antwoord klaar (vrijwel niemand van de Nederlandse pers bevroeg hem hierover). Maar dat is de reden dat Fortuyn uiteindelijk stennis gaat trappen met Simpson en in verbijsterend slecht Engels tegen hem begint te sneren over de ondergang van het Britse Imperium. Het is hoe dan ook toptelevisie.

Kort na de moord kan ik me herinneren dat iemand uit het LPF kamp beweerde dat dankzij de ‘demonisering’ van Fortuyn in de vaderlandse pers, ook de buitenlandse pers verkeerd was voorgelicht. Simpson werd ook genoemd. Maar uit alles blijkt dat Simpson veel degelijker onderzoek had gedaan dan welke andere Nederlandse journalist op dat moment. Want het was slechts Simpson die hem vroeg ‘Did you say the same things in the time you were a Marxist?’ Dat was waar het echt om ging en Fortuyn van zijn stuk bracht, met zijn ‘are you a communist?’ Om vervolgens in zijn typische Engels te riposteren: ‘No, no, no, I don’t like this, Mister Simpson. I want this interview to be finished’. Daarom alleen al is dit korte interview een grote aanrader (hier nogmaals de link).

Maar terug naar 1996, toen Fortuyn voor het eerst zijn visie op de islam wereldkundig maakte. Ook toen maakte ‘Tegen de islamisering’ veel los. Berucht was het buitengewoon grove debat van Fortuyn met Marcel van Dam in het Vara debat-programma ‘Het Lagerhuis’. Dat ontaardde echt in een ordinaire scheldpartij, zeker als ik het nu terug zie. Erg inhoudelijk was het niet. Dat ‘debat’ is hier te bewonderen: http://www.youtube.com/watch?v=tMxS_xSKujU. Zinvoller vond ik van Dams daarop volgende column in de Volkskrant (zie http://www.volkskrant.nl/archief_gratis/article711352.ece/BESCHERMER_VAN_VOLK_EN_VADERLAND). De column betoogt in grote lijnen hetzelfde als wat ik hierboven heb uiteengezet. Waar ik wel een bezwaar tegen heb is de ‘Eichmann-vergelijking’. Al zegt van Dam dat slechts het uiterlijk van Fortuyn hem aan Eichmann deed denken, wat mij betreft was het meer dan terecht dat Fortuyn daar ziedend over was (en ook dat hij daarin hard van zich heeft afgebeten). Zou je dan alle kalende mannen met Eichmann mogen vergelijken? Het lijkt me niet. Bovendien, er zijn van Eichmann nauwelijks foto’s bekend (hij was berucht om zijn waakzaamheid dat geen camera hem kon vastleggen, al zijn er wel foto’s van na zijn arrestatie, maar toen was het al een oude man), maar op grond van de weinige foto’s die er van Eichmann uit zijn gloriedagen bestaan, vind ik dat Fortuyn helemaal niet op  Eichmann lijkt. En verder zijn er ook geen overeenkomsten. Los van de misdadigheid van Eichmann (die überhaupt iedere vergelijking mank doet gaan), was Eichmann een grauwe en gezagsgetrouwe ambtenaar. Dat is wel het laatste wat je de flamboyante Fortuyn kan zeggen. Dus in vrijwel alle opzichten is deze vergelijking, los van dat ik het ook immoreel vind, een miskleun. Ik denk dat ik in deze duidelijk genoeg ben geweest.

Van Dams beschrijving van Fortuyns ronduit ‘draaikonterige’ politieke carrière is echter wel degelijk juist. Om die reden kreeg ik ook enigszins de lachstuipen toen weer wat jaren later diverse LPFers, als Mat Herben en anderen, zo gewichtig zaten te doen over Pim’s gedachtegoed. De tragedie ervan zag ik overigens ook; Fortuyn was immers vermoord, al vond ik niet dat die LPFers erg gewetensvol met zijn erfenis omgingen, uitgezonderd misschien Mat Herben (al kan ik me vergissen, want daar wordt verschillend over gedacht) en op zijn manier Harry Mens. Of Theo van Gogh (met zijn ‘de Goddelijke Kale’), hoewel die weer erg op Mat Herben was gebeten. Het is mij nooit helemaal duidelijk geworden hoe het precies zat.

Degene die misschien het beste heeft verwoord hoe ik tegen Fortuyn aankeek was Martin van Amerongen, in de Groene Amsterdammer van 25 november 2000 (zie http://www.groene.nl/2000/47/profiel-pim-fortuyn). Hier wat passages:

‘Pim Fortuyn. Een katholieke middenstandsjongen die met het marxisme flirtte, met slaande deuren de Partij van de Arbeid de rug toekeerde, zich ogenschijnlijk op de rechtervleugel van de VVD posteerde, ondertussen het platte populisme van de Socialistische Partij praktiserend, door de CD’er Hans Janmaat een kamerzetel kreeg aangeboden en inmiddels overal tégen is, zowel tegen «de mooi-weerpremier» Wim Kok als tegen de «snibbige» koningin Beatrix. Hij is de stand-up comedian van ondernemend Nederland, hij is een groothandelaar in meningen en meninkjes, die allemaal worden gepresenteerd met een aangebrandheid («Ik ben het zat. U ook?») alsof hij een bananenrepubliek bewoont in plaats van een hoogontwikkelde, liberale democratie waarin iedereen, «Prins Pim» (moeder Fortuyn over haar zoontje) niet uitgesloten, mag zeggen en schrijven wat hij wil.
Hij is de goeroe van de Elsevieryup die uitsluitend in beursnotities en xenofobe categorieën denkt. Gelaten laat hij zich de bewondering van marginale denkers als Harry Mens en Bob Smalhout aanleunen. Verbitterd hengelt hij naar iets van erkenning vanuit de wereld der mensen die er in werkelijkheid iets toe doen, zonder dat dit verlangen ooit zal worden gehonoreerd. Hij leeft al vanaf zijn jongelingsjaren in een wereld van schone schijn. Zeventien jaar was hij toen zijn parochie hem benoemde tot voorzitter van de werkgroep Huwelijk, Gezin en Seksualiteit, «een voorzitter die over deze thema’s het hoogste woord voert, wiens ervaring niet verder reikt dan een driemaal daagse afrukpartij». Burgemeester wilde hij worden, of paus, of desnoods minister-president (…)

Pim Fortuyn, de vleesgeworden ijdelheid der ijdelheden uit Prediker 12:8, is echter exclusief met zichzelf getrouwd. Hij is naar eigen zeggen «een geboren leider», «een gewiekst onderhandelaar», «een scherp debater», «een man met een missie», «de koningin van het feest» en «een held, soms een gemankeerde, dan weer een tragische of komische, maar toch een held». (…)

Het is een curieuze mengeling van vulgair ultralinks en agitatorisch ultrarechts, zoals dit sinds de liquidatie van De Waarheid en de opheffing van Volk en Vaderland in ons land geheel in ongerede leek te zijn geraakt. Eén column ging zelfs de redactie van Elsevier te ver. Het was Fortuyns beschouwing over het echtpaar Peper-Kroes, dat onlangs in ongerede is geraakt omdat het met de sociaal-liberale vingertjes in de suikerpot zou hebben gezeten. Schuldeloos waren «het brutaaltje» en «haar mannie» waarschijnlijk niet. Ook op de «consensus-masturbant» Kok en de ten stadhuize geposteerde «schijthuizen met kilo’s boter op hun hoofd» valt ongetwijfeld iets aan te merken. Niettemin, wat is er in Pim Fortuyn gevaren toen hij zijn column schreef? Was hij dronken? Was hij gedrogeerd? Was zijn gebitsprothese in een zijner favoriete jongemannenkontjes blijven steken?
«Lief echtpaar», besloot ons nationale geweten zijn bijdrage, «elk woord van deze column, wat zeg ik, elke letter daarvan, is bedoeld als een affront tegen jullie misselijkmakende praktijken. Ik en ik alleen ben hiervoor verantwoordelijk! Ik daag jullie publiekelijk uit een proces tegen mij aan te spannen wegens smaad. Ik lust jullie rauw, of zoals ze bij ons in Holland zeggen, ik maak jullie in met boter en suiker. Kom maar op als je durft, hou de weinige eer die jullie nog rest aan jullie zelf en spoedt jullie weg met het eerste het beste vliegtuig dat gaat, non-valeurs van de ergste soort!»
Dat kon dus niet, zelfs niet in Elsevier. Dus zette Pim Fortuyn zijn geweigerde bijdrage op zijn website. Wat wij reeds vermoedden werd bewaarheid. Hij beschikt over een echte fanclub. «Klasse, Pim!» Het zijn «allemaal zakkenvullers», met name die lui «uit de rood-fascistoïde hoek». Jij bent «een columnist met ballen». «Dat was prima gesproken, Pim.» «Als u eens wist wat die rode flikkers (!! FS) 45 jaar terug aan gegevens uit de Tweede Wereldoorlog hebben vernietigd, dan braak ik nog van woede.» «Sodeju, ferm geschreven!» «Dit moet op de voorpagina van de zaterdag-Telegraaf gepubliceerd worden.» Helaas voor de schrijver, voor zoiets is De Telegraaf te beschaafd en te gematigd’.

Tot zover deze passages uit dit briljante portret van Pim door Martin van Amerongen (zie overigens hier de complete geweigerde column van Fortuyn). Een week nadat Fortuyn werd vermoord overleed van Amerongen, dus de LPF heeft hij niet meer meegemaakt. Maar als je ziet wat voor ‘reaguurders’ (de fanclub) hij heeft geciteerd. Neelie Kroes als een onderdeel van de ‘Rode Flikkers’, hoe bedenk je het? En dat uitgerekend als een adhesiebetuiging aan Pim… Die ‘fanclub’ zegt wat mij betreft alles over de latere LPF en vermoedelijk nu over het PVV electoraat.

Wie misschien het eerlijkst over Fortuyn is geweest en wellicht ook het meeste wist, is de fotograaf Ari Versluis, bekend van zijn serie portretten die hij met Ellie van Uyttenbroek maakte (die ik overigens erg goed vind, zie bijv. http://www.digischool.nl/ckv2/bevo/kunstvakken2_2008/uyttenbroek/ariversluis.htm) . Versluis had ook een relatie met Fortuyn gehad en Fortuyn heeft hem later vele malen ‘zijn grote liefde Ari’ genoemd. In een interview met de NRC (van 14 juli 2007), waarin Versluis overigens zeer respectvol over Fortuyn sprak, zei hij ook: ‘De andere kant daarvan was de angst voor alles wat niet westers en christelijk humanistisch was. Liepen we in Parijs in de straten bij de Bastille, volkomen zwart, dan pakte hij mijn arm vast. Ik wil hier niet doorheen. (…) Natuurlijk liepen ze [de zwarten] te intimi­deren. Het is straatgedrag. Mij kon het niet schelen, maar hij had het zweet op zijn voorhoofd staan.’

Tot zover de voorgeschiedenis en mijn verhouding tot Pim. Zijn opkomst in de nationale politiek en de verschrikkelijke moord op hem ga ik hier niet uitgebreid bespreken, dat is al door vele anderen gedaan. Ik wil me in deze aansluiten bij wat Kees van Kooten over deze kwestie heeft gezegd (in het Marathoninterview dat hij samen met Wim de Bie gaf). Van Kooten: ‘Fortuyn als premier, ik had het hem willen zien doen, met die fractie van hem’. Achteraf gezien was dat mijns inziens het allerbeste geweest. Misschien had dat helend gewerkt en waren we dan nu van het rechtspopulisme verlost geweest, dat nu weer de kop opsteekt in een wellicht veel gevaarlijker vorm.

Dat Fortuyn tot grootste Nederlander aller tijden werd verkozen, vond ik bezopen, maar misschien veelzeggend. Wat ik wel weer van armoede vond getuigen is dat zijn politieke nazaten in Rotterdam zo makkelijk zijn huis en zijn boekencollectie hebben verpatst. Dat had nooit gemogen en dat zegt wel iets over hoe respectvol ze echt naar ‘hun’ Pim waren. Hoe je ook tegen het verschijnsel Fortuyn aankijkt, hij heeft wel zijn plaats in de vaderlandse geschiedenis veroverd en zijn huis en vooral zijn boekencollectie hadden bewaard moeten blijven, al was het maar voor wetenschappelijk onderzoek. Daarvoor hadden die vastgoedjongens hun portemonnee moeten opentrekken, dat was zinvoller geweest dan alle investeringen in de LPF daarna. Het zou een goede zaak zijn als er van de ‘grondlegger van het eenentwintigste-eeuwse Nederlandse populisme’ een degelijke intellectuele biografie verschijnt en daarvoor is zijn boekencollectie natuurlijk onmisbaar. Uitgerekend de socioloog Dick Pels, een vroegere collega, maar zeker geen vriend of medestander, heeft terecht gepleit voor het behoud van het ‘Pim Fortuynhuis’, met alles wat daarbij hoorde, maar zijn ‘discipelen’ lieten het afweten. Dat was belangrijker geweest dan dat onbenullige gedoe over dat bronzen standbeeld van hem, dat uiteindelijk door een botsing met een viaduct werd onthoofd op precies hetzelfde moment dat ook alle bronzen gedrochten van Saddam Hoessein in Irak omver werden getrokken (begin april 2003), een wel erg lullige samenloop van omstandigheden. De timing kon bijna niet ongelukkiger. In die zin heeft hij zeker pech gehad met zijn erfgenamen. Het fenomeen Fortuyn verdient het om goed bestudeerd te worden en hoe je het ook wendt of keert, in verschillende opzichten heeft hij zonder meer geschiedenis geschreven. Die eer komt hem hoe dan ook toe.

Dick Pels heeft overigens een verhelderend boek geschreven, ‘De geest van Pim; het gedachtegoed van een politieke dandy’, Anthos, Amsterdam 2003. Voor wie meer wil weten van het al dan niet vermeende ‘gedachtegoed van Pim’ (je kunt je namelijk terecht afvragen of er wel sprake is van een coherent gedachtegoed, in plaats van een verzameling sterk wisselende opinies), kan ik deze studie van harte aanbevelen.

Homo’s zijn ‘in’

Wat Pim Fortuyn zeker voor elkaar heeft gekregen is dat er nu hele volksstammen zijn die opeens ‘de homo’ (mijn soort mensen) op een voetstuk zijn gaan plaatsen. Ook types die aanvankelijk niets van ‘die flikkers’ moesten hebben (zie de door Martin van Amerongen geciteerde reacties onder de geweigerde column van Pim) blijken opeens idolaat van homo’s te zijn. Ik wil hier nog een keer wijzen op een essay van Gerrit Komrij, Waarom is Nederland zo dol op homoseksuelen? , op dit blog al eerder besproken. Met de trefwoorden ‘homo’s’ en ‘de Verlichting’ kun je tegenwoordig goede sier maken bij de ergste Archie Bunkers, wie had dat ooit gedacht? En dat is precies wat de meeste rechtspopulisten doen, zie Verdonk, zie Wilders. En het is goed scoren, want, van de academici van de Burke Sticting, via Ehsan Jami tot Henk en Ingrid, iedereen is voor ‘de homo’s’ en voor ‘de Verlichting’ (alhoewel, niet iedereen, zie Andreas Kinneging, maar ook Edmund Burke was oorspronkelijk juist weer geen voorstander van de Verlichting. Dat kunnen die Burkianen echter beter uitleggen dan ik). Net zo goed als dat diezelfde meute, Henk en Ingrid incluis, nu ook voor de ‘Joods-Christelijke en Humanitische Traditie’ is. Het is jammer dat Theo en Thea daar nooit een aflevering aan hebben gewijd. Zou wel mooi zijn geweest, in de vorm van een toneelstukje met Henk en Ingrid in de hoofdrol en met een leuke homo (of een moslim) die de Verlichting van Henk en Ingrid op de proef komt stellen. ‘Verlichting…errug hé? want iedereen heeft last van Verlichting’. Wie niet meer weet waar dit over gaat moet maar even op youtube zoeken, daar zijn genoeg oude afleveringen van Theo en Thea terug te vinden.

Je vraagt je af waarom de Verlichting tegenwoordig zo’n hoge vlucht neemt en opduikt waar je dit het minst zou verwachten.  Ik denk dat ik wel een deel van het antwoord wel weet. Want er zijn ook mensen die niet voor de homo’s, niet voor ‘de Verlichting’ en ook niet voor de ‘Joods-Christelijke Humanistische Traditie’ zijn, tenminste daar gaan we van uit (ik heb het overigens niet over de SGP). En met die mensen hebben we een probleem…

Ergens doet me deze ontwikkeling een beetje denken aan het ‘Rad van Crow’. Thomas Crow is een Canadese socioloog die een theorie heeft ontwikkeld, die ook in de kunstgeschiedenis wordt toegepast. Het ‘Rad van Crow’ komt ongeveer op het volgende neer. Crow heeft als voorbeeld de impressionisten van eind negentiende eeuw genoemd. Deze stroming of stijl werd ontwikkeld binnen een subcultuur, zonder dat er veel waardering bestond bij de grote massa. Op een gegeven moment ontdekt de elite dit fenomeen en wordt deze stijl een deel van de ‘Hoge Cultuur’. Vanuit die positie wordt het langzaam gepopulariseerd en zinkt het af naar de massa’s, totdat het bijna een onderdeel is geworden van de populaire cultuur. In het geval van de impressionisten is dat duidelijk. Wat begon als een radicale avant-gardegroep, werd de smaak van de elite, om vervolgens te eindigen op reproducties in talloze huishoudens. Gezonken cultuurgoed dus. Goed, de vergelijking gaat misschien niet helemaal op, maar het lijkt er bijna op dat er met de ‘subcultuur’ van de homo’s (of met de ‘subcultuur’ van de Verlichting) in het vroeg eenentwintigste eeuwse Nederland ongeveer hetzelfde aan de hand is. Overigens zou je het verschijnsel Pim ook zo kunnen beschouwen, maar dan wel als een soort Rad van Crow dat de verkeerde of tegendraadse kant oprolt (het past wel bij de man). Pim begon ontegenzeggelijk als een subcultuur, werd ontdekt door de massa’s en nu doet de elite erg zijn best om te laten merken dat de Boodschap goed is aangekomen. Maar dat terzijde.

Al tijdens de opkomst en vooral direct na de moord op Fortuyn merkte ik al in mijn eigen omgeving dat uit naam van de hele westerse beschaving de homo plotseling ‘in’ is. Zolang die zich maar de omhelzing van de verlichte Pim aanhang laat welgevallen . Goed, veel vrienden van mij hebben me vaak voor de grap toegesneerd dat ik wel voor Fortuyn moest zijn (‘want hij is toch van jouw soort?’), maar ik heb het ook weleens niet ironisch bedoeld te horen gekregen. Van twee verschillende mensen, die ik nog kende uit mijn tijd bij Minerva in Leiden, die ik in het verleden menigmaal op ‘die gore flikkers’ had horen afgeven, heb ik te horen gekregen dat ze het onbegrijpelijk vonden dat ik zo kritisch naar Pim was. Zij waren er namelijk heel enthousiast over en ze konden niet begrijpen dat ik dat niet was. Juist ik zou dat moeten zijn, werd mij bijna bestraffend medegedeeld. Wees blij dat we jou nu wel accepteren. Ik was wel een beetje ondankbaar naar Pim.

Nu waren dit niet de slimste mensen, maar het is misschien wel exemplarisch hoe opeens de homo-emancipatie bijna is gekaapt door types waar ik me normaalgesproken niet bij thuis voel. Het blijkt dat uitgerekend de meest vulgaire rechtspopulisten opeens het hardst schreeuwen dat homoseksuelen moeten worden beschermd, tegen, jawel, de ‘Marokkaanse straatterroristen’, om met Geert Wilders te spreken. Maar ook Rita Verdonk begon opzichtig naar ‘de homo’ te lonken en kennelijk waren daar een aanzienlijk deel van mijn soortgenoten gevoelig voor, zoals bleek uit een enquête van Nova toen Rita net haar TON lanceerde (zie http://www.novatv.nl/page/detail/uitzendingen/5967).

Voordat er misverstanden ontstaan, ik vind ook dat dit probleem van Marokkaanse hangjongeren die zich schuldig maken aan agressie naar homoseksuelen (net als sommige autochtonen), niet met de mantel der liefde moet worden bedekt. En eventueel hard moet worden aangepakt, als dat nodig is. Maar er wordt nu ongeveer gedaan alsof er een dichotomie bestaat tussen ‘homo’s’ en ‘moslims’. Veel moslims zullen het daar overigens ook mee eens zijn, alleen is er een probleem: het is een biologische onmogelijkheid. Er bestaan namelijk ook homoseksuele moslims, of in ieder geval, onder de moslimpopulatie is naar alle waarschijnlijkheid een zelfde percentage homo als onder de rest van de bevolking. Maar daar heeft niemand oog voor, of dat wordt botweg ontkend. Dat hebben de Pim aanhangers gemeen met Imam Khalil El-Moumni.

Pim zelf heeft weleens iets over homoseksuelen met een islamitische achtergrond geschreven, in zijn roemruchte pamflet ‘Tegen de islamisering’. Overigens pas na een eindeloze verhandeling over zichzelf waarin hij zoal mededeelt: ‘Begonnen met mijn academische studie in 1967 belandde ik na een jaar in het studentenprotest en nam daar al snel een leidinggevende positie in. Dat was niet zo moeilijk, daar de beweging tamelijk anarchistisch was en wel wat bestuurlijk, denkend en sturend talent kon gebruiken. Het was allemaal erg vrij, ongeregeld en vooral open. Zo kon het gebeuren dat ik in korte tijd een gewaardeerde representant van de beweging werd, ondanks mijn vasthouden aan een korte haardracht en bij voorkeur driedelig grijs en blauw. Men vond het wel leuk en in elk geval praktisch. Door voorkomen, manieren en inzet was ik een uitstekende vertegenwoordiger van de beweging bij professoren, het universiteitsbestuur en zelfs ministers’ (Tegen de Islamisering, p. 64). Juist, zo kennen we Pim weer. Dit gaat nog een hele tijd zo door. Pim kakelt maar door over zijn eigen voortreffelijkheden. Vervolgens komen er allerlei sappige verhalen over zijn diverse seksuele escapades, om na tien pagina’s een paar mededelingen te doen over de islam en Islamitische homo’s. Na een paar gemeenplaatsen over de islam, zegt Pim bijvoorbeeld:

‘Hoezeer homoseksualiteit onder druk staat moge blijken uit het gedrag van homoseksuele islamitische mannen in homoclubs in Nederland. Binnen de omheining van de clubs gedragen zij zich net zo als autochtone homo’s en zijn zij volledig geaccepteerd, niet in de laatste plaats omdat zij nogal eens het ideale beeld van de homoman representeren. Daarbuiten beleven zij hun homoseksualiteit volkomen ondergronds. Familie, vrienden en kennissen weten zogenaamd van niets. Er openlijk voor uitkomen is er niet bij. De enkeling die de moed heeft om dat toch te doen, wacht in veel gevallen uitstoting in de vorm van een volledig sociaal en familiaal isolement, barbaarser kan het nauwelijks! Temeer, indien men zou beseffen dat homoseksualiteit veelal geen bewuste individuele keuze is, maar een genetische speling van de natuur. Voor een gelovig mens- jood, christen of islamiet- zijn wij geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis. Zou het Hem behagen homoseksuelen te scheppen en hen voorts heel sadistisch te verbieden om naar deze natuurlijke geaardheid te leven en ervan te genieten en deze vorm te geven in liefde en seksualiteit? Het lijkt me nogal onlogisch, meneer van Dijke van de RPF en bevindelijke imam van Rotterdam, meneer Elmoumi! (curs. FS) Er valt dus nog een wereld aan emancipatie te winnen!’ (p. 75)

Je hoort het hem bijna zeggen. Maar dit is het zo’n beetje. Voor een serieuze beschouwing over dit onderwerp vind ik dit enigszins magertjes. Bovendien presteert Pim het ook nog om in dit korte stukje tekst dat er nog een beetje toe doet de naam van Khalil el-Moumni verkeerd te spellen. Maar met die ‘exotische’ namen heeft Pim het sowieso een beetje moeilijk. Uit de recensie van de arabist Hans Jansen:

‘Hoe serieus kun je een boek nemen waarin (we nemen hier de bladzijden 33 tot en met 38) de namen van de premier van Israël, de president van Bosnië en de belangrijkste Algerijnse fundamentalistische beweging fout worden geschreven ? Zulke fouten zijn ook daarom zo ernstig omdat studenten aan hbo en universiteit ten koste van veel belastinggeld moeten leren dat het van belang is namen goed te spellen, bijvoorbeeld ‘Fortuyn’ en niet ‘Fortuin’. Kunnen of willen ze dat niet leren, dan krijgen ze een negatief ‘bindend studieadvies’. Maar die professor doet het zelf, kunnen ze nu roepen. Ik zie de warrige beroepszaken al voor me. Gaat het boekje eigenlijk wel over islamisering of de islam ? Zou het niet een goed idee zijn om, als je over de islam schrijft, eens iets uit- of na te zoeken, over de islam en over godsdienst in het algemeen, of over de band tussen godsdienst en politiek ? Maar ja, wie zijn vermaningen loopt te dicteren, heeft voor iets nakijken natuurlijk geen tijd’.

Aldus Hans Jansen in ‘Fortuyn roept maar wat over de islamisering’, Het Parool, 2 januari, 1997.  Dat was overigens wel de Hans Jansen van toen. Tegenwoordig gaat Hans Jansen nog veel verder dan Pim. Ook staat hij blijkbaar zeer welwillend tegenover de huidige Pim-aanhang, althans wat er nog van over is. Zo stelde hij recent mede de bundel ‘Eindstrijd; de finale clash tussen het vrije westen en een traditionele islam’ samen, uitgegeven door de WSP Fortuynstichting in 2009 (zie hier het voorwoord van Mat Herben en de inleiding van Hans Jansen). Deze publicatie zal ik later  uitvoerig bespreken in een nog te verschijnen bijdrage. Maar wat ik er alvast over kwijt kan is dat dit apocalyptische boekwerk (alleen de titel al) dichter bij het gedachtegoed van Wilders staat dan bij de gezellige polderxenofobie van Pim Fortuyn. Veel van Wilders buitenlandse vrienden, als Robert Spencer, Daniel Pipes, Douglas Murray, Lars Hedegaard, Ibn Warraq en Bat Ye’or, hebben hier een bijdrage aan geleverd. Daarbij vergeleken is Pim slechts kinderspel. Wie op de website van Wilders grote Amerikaanse vriendin Pamela Geller kijkt, komt ze allemaal tegen. Dat geldt helemaal voor de International Free Press Society. Daar staat iedereen op die toe doet in de wereld der anti-islamactivisten. Geller, Wilders, maar ook Jansen, prijken prominent op dit trefpunt van het ‘Internationale Genootschap der Islambashers’. Maar daar ga ik nog op een later tijdstip uitgebreid aandacht aan besteden. Wie alvast een voorproefje wil nemen, kan ik verwijzen naar Jansens artikel  De terreur van de brandende afgunst, dat hij in 2004 publiceerde in De Internationale Spectator (Clingendael), zie hier. Hierbij is Fortuyn de gematigdheid zelve. Het is zelfs zo extreem dat ik het eigenlijk te pijnlijk vind en ook niet goed weet wat ik ermee aan moet, maar ik voel me bijna enigszins verplicht om het nog een keer te bespreken, net als de apocalyptische bundel Eindstrijd. Wordt dus nog vervolgd.

Maar terug naar de Hans Jansen van vroeger. Wat betreft Jansens opmerkingen over de spelling van de namen, Fortuyn schrijft ‘Izetbegović’ als ‘Izobegovitsj’ en ‘FIS’ als ‘FIZ’. Een verkeerd gespelde naam van een premier van Israël heb ik niet kunnen terugvinden, maar ik heb een latere uitgave uit 2001. Wellicht heeft Fortuyn, immers een groot fan van Israël, het eea gecorrigeerd voor deze latere editie. De naam Rabin valt twee keer, maar die heeft Fortuyn correct gespeld (in deze editie althans, ik ben overigens wel benieuwd wat Fortuyn daarvan zou hebben gemaakt in de editie van 1997). Maar wat betreft de islam (begrippen en namen), vindt Fortuyn de details niet al te belangrijk. Het gaat hem meer om zijn ‘grootse en meeslepende visie’.

Over de vluchtelingenproblematiek schrijft Fortuyn onder meer: ‘Het betekent voorts het onmiddelijke opzeggen van het Verdrag van Schengen en daarmee herstel van de landgrenscontroles- voor Schiphol bij de slurf, zodat ongewenste bezoekers onmiddelijk naar het betreffende vliegtuig kunnen worden teruggestuurd, dat zal de vliegtuigmaatschappijen leren hun verantwoordelijkheid te aanvaarden!-het opzeggen van het verouderde VN-vluchtelingenverdrag uit 1951 en het buiten werking stellen van het merendeel van van de wet op gezinshereniging. Een bruid of bruidegom zoekt betrokkene maar in dit land, broertjes en zusjes, neefjes en nichtjes, ooms en tantes, vaders en moeder e.d. zijn helaas niet meer welkom. Het valt voor ons niet te controleren en we weten inmiddels maar al te goed dat hier op grote schaal door belanghebbenden de hand mee is en wordt gelicht, dus helaas, pindakaas!’ (p. 47).

Het staat er echt. Mijn hemel, wat een tekst. En was het maar zo simpel. Je vraagt je ook af of homoseksuele asielzoekers, die op de vlucht zijn voor vervolging in Iran, Sudan of Afghanistan ook zo’n behandeling van Fortuyn mogen krijgen. Of is dat ook voor Fortuyn: ‘hup de slurf weer in’ en ‘helaas pindakaas?’ Dat hier hele volksstammen voor warmliepen, gezien het electorale succes van de LPF. Goed, die partij bleek een ramp te zijn en was ook snel weer verdwenen, maar Pim kon er zelf ook wat van. Alleen is dat electoraat er nog wel, dat zijn vermoedelijk dezelfde proleten die nu achter Wilders aanlopen.

Maar het gaat hier om de kwestie ‘homo’s’, zoals die door Fortuyn is aangekaart. En dan moet ik zeggen dat de observatie van Fortuyn wat betreft islamitische bezoekers van het homsoseksuele uitgaansleven wel klopt, tenminste ik herken daar ook wel mijn eigen waarnemingen in. En dat er een wereld aan emancipatie valt te winnen, daar ben ik het helemaal mee eens. Maar denkt Fortuyn dat hij de door hemzelf aangekaarte broodnodige emancipatie helpt door met ‘grenzen dicht voor islamiet (helaas pindakaas)’ en ‘achterlijke cultuur’ te gaan schermen? Het lijkt me niet. Wat Fortuyn kennelijk ook toen is ontgaan is dat homoseksuele moslims wel degelijk bezig zijn om zich te organiseren en, soms in alle stilte, aan hun emancipatie werken. Er bestaan verschillende organisaties, verenigingen en ontmoetingsplaatsen waar homo’s met een islamitische achtergrond zichzelf kunnen zijn, als homo en als moslim.  Ik ken ze wel. Maar daar hoor je de platte populisten als Fortuyn en zijn leerlingen, mevrouw Verdonk en Geert Wilders nooit over. Want dat past niet in hun agenda. Voor hen zijn de moslims het probleem en zijn de homo’s een excuus. Was Fortuyn misschien nog enigszins oprecht geïnteresseerd in het welzijn van de islamitische homoseksuelen (alhoewel ik ook daar mijn twijfels over heb) voor zijn opvolgers zijn homo’s niet meer dan een middel om op diverse etnische minderheden af te geven. Samen met ‘de Verlichting’ zijn ‘de homo’s’ het ideale instrument geworden van xenofoob populistisch rechts, wie had dat ooit kunnen bedenken?

Gaypride Toronto 2008 (bron: http://www.gaymiddleeast.com/). In de werkelijke emancipatiestrijd van islamitische homoseksuelen, die overigens hard nodig is, zijn rechtspopulisten als Fortuyn, maar ook Wilders, Verdonk en geestverwanten, niet geïnteresseerd. Overigens, mochten ze plotseling wel deze interesse ontwikkelen, zou ik, als ik in hun schoenen zou staan, de boot afhouden. Want ook dan zou de homokwestie verworden tot een middel voor een xenofobe agenda. Praten met bestuurders als Ahmed Marcouch (die op dit gebied overigens zeker zijn nek uitsteekt, waarvoor hulde) lijkt me veel zinvoller.

De Januskop

Hoe enthousiast de erfgenamen van Pim echt zijn, wanneer ze worden geconfronteerd met wat homoseksualiteit daadwerkelijk inhoudt, blijkt uit het volgende recente voorbeeld. Van de website ‘Het Vrije Woord’, een site van de Fortuynistische jongerenbeweging (http://www.hetvrijewoord.org/?p=289 ):

Gemeente vuistdiep in perverse homoclub

Door Alexander van Hattem

‘De gemeente Eindhoven mag zich graag afficheren als ‘technology’ en ‘design’ stad, maar menigeen blijft de stad associëren met de affaire rond het Anne Frankplantsoen van enkele jaren geleden. Toenmalig burgemeester Welschen (PvdA) voelde zich zelfs geroepen om PSV-directeur Fons Spooren publiekelijk aan de schandpaal te nagelen als HIV-besmette bezoeker van dit park – nog voordat de rechter zich in deze zaak had uitgesproken. Al met al weinig bevorderlijk voor het imago van de stad, maar nog minder voor homoseksuelen in z’n algemeenheid. In plaats van zich als overheid echt in te zetten voor de belangen van homoseksuelen, die door haatuitbarstingen van islamitische achterlijkheid steeds meer in een hoek gedrongen worden of niet meer normaal voor de klas kunnen staan (wat een leraar op een school in het naburige Nuenen heeft ondervonden – zonder enige steun van de laffe schooldirectie), ondersteunt de gemeente een organisatie die niet bepaald bezig is met de publieke belangen van homoseksuelen, maar met perverse seksfeesten.

Uiteraard is er sprake van seksuele vrijheid waarbinnen eenieder zijn eigen vrijheid en verantwoordelijkheid kent, maar welk publiek belang is er bij gediend om als overheid ondersteuning te verlenen aan een organisatie die zich bezig houdt met “fetish parties, bijvoorbeeld SM, Leather & Law, Fistfuck en Golden Shower” – waarmee Stichting Het Vagevuur het Eindhoven zich afficheert. Wie zich van deze activiteiten geen beeld kan vormen, heeft weinig verbeelding nodig bij een bezoek aan hun website www.vagevuur.com.

Nu blijkt dat deze organisatie al enkele jaren gemeentelijke ondersteuning heeft ontvangen en dit mogelijk in het vervolg nog steeds zal ontvangen. Een vreemde zaak, waar actualiteitenrubriek Netwerk vanavond 23 oktober aandacht aan zal besteden’.

Tot zover deze opmerkelijke tekst van Alexander van Hattem. Het lijkt me interessant om deze tekst gedetailleerd te bespreken. Allereerst de affaire Fons Spooren. Hoewel ik deze zaak niet tot in alle details ken, is Spooren voor zijn escapades uiteindelijk veroordeeld. Het is een uitermate pijnlijk verhaal van een getrouwde man die een dubbelleven erop na hield en buiten zijn huwelijk stiekem seks had met minderjarige jongens en het ook niet zo nauw scheen te nemen met de basale safe seks regels. Verder heb ik weinig behoefte om over deze zaak uit te wijden. De man is veroordeeld en naar wat ik ervan heb begrepen terecht.

Dan die docent in Nuenen. Dat lijkt me een buitengewoon schrijnend verhaal en wat mij betreft had die schoolleiding  moeten optreden. Er is in verschillende media aandacht besteed aan deze kwestie (hier een bericht van de site van de Gay krant) en ik denk dat het om meer redenen een weinig verkwikkende zaak is. Als ik het zo lees waren bepaalde elementen in de schoolleiding ook niet helemaal vrij van homofobie. Schandelijk ook dat iemand van de schoolleiding aan em had gevraagd of misschien niet ook pedofiel was. Dat stinkt al behoorlijk naar een homofoob klimaat. Dus helemaal verkeerd.

Wat mij niet helemaal duidelijk is, waarom deze Alexander van Hattem de kwestie van de school in Nuenen in verband brengt met ‘haatuitbarstingen van islamitische achterlijkheid’. Waren het dan leerlingen met een islamitische achtergrond die de docent treiterden en bedreigden. Was dat directielid dat over pedofilie begon een moslim? Ik heb uitgebreid gezocht, maar heb er niet de minste aanwijzing voor gevonden. Waarom dan deze zaak in verband brengen met ‘islamitische achterlijkheid’? Ik heb niet het idee dat het daarom ging. En geloof me, er is soms nog steeds sprake van homofobie in autochtone kring. Dat is echt nog niet weg.

Dan de kwestie van ‘het Vagevuur’. Alleen de titel van die column al: ‘Gemeente vuistdiep in perverse homoclub’. Pardon?? Moet ik hieruit begrijpen dat de erfgenamen van Pim  homo’s best leuk vinden, zolang ze maar geen dingen doen die ze met hun eigen gesundes Volksemfinden niet kunnen bevatten en zelfs pervers vinden? Van je mag het wel zijn, maar het niet doen, laat staan op die manier?

Pijnlijk is het dat dit wolvengehuil in naam van ‘Pim’ gebeurt. Het schoot me weer te binnen dat Theo van Gogh de LPF en andere aanhangers van ‘de goddelijke Kale’ steevast ‘pygmeeën’ noemde. Als je dit ziet begrijp je wat hij bedoelde, zij het dat ik de beeldspraak wat minder geslaagd vind.

Ik realiseer me dat dit ook een beetje de tragiek van Fortuyn was. Zelf wilde hij alles groots en flamboyant doen, niets liever dan Oscar Wilde in zijn dandyisme overtreffen, maar erkenning kreeg hij slechts van de meest bekrompen kleinburgers. Alleen al de onderstaande reacties. Ik geef er hier twee weer:

‘Je zou toch niet willen dat de ‘ad melkerts’ van Nederland niet meer naar de sm-kelder zouden kunnen gaan?
Pedoseksuelen ok, die moeten maar naar Thailand. De rest van het ambtenarenapparaat (leernichten etc.) moeten gewoon door de belastingbetaler aan hun behoefte worden voldoen’.

of deze:

‘Te gruwelijk voor woorden: kwetbare werkelozen te werk stellen in bordeel of homoclub.
Om nog maar te zwijgen over de toename van mensen met HIV, wat de gemeenschap een vermogen kost.
Bezoekers van het vagevuur, maar ook hetero/homofeest wasteland-Amsterdam, nemen bewust een risico om met HIV infectie op te lopen, en vervolgens kan de maatschappij daarvoor opdraaien.
Hetero of homo, ieder mens is gelijkwaardig, maar dit is schandalig!!!!!!!’

Zie hier het ware gezicht van de echte Pim-gelovige. En waarom Ad Melkert erbij halen? Ik denk dat, als je aan het speculeren slaat, het realistischer is om te denken aan de eigen leidsman. Het zou zomaar kunnen….

Goed, over de zaak zelf valt wel wat op te merken. Je kunt je afvragen of een club als het Vagevuur wel subsidie van de gemeente had moeten krijgen. Dat vind ik ook enigszins discutabel. En om er werklozen te werk stellen, dat was echt een heel stom plan. Maar dat vervolgens uitgerekend de locale LPF zich in Pims naam er sterk voor heeft gemaakt om deze ‘zedeloosheid’ de das om te doen, laat zien dat de discipelen toch iets minder ruimdenkend zijn dan zij zich graag voordoen, vooral naar de moslimpopulatie. Zelf ken ik een paar vroegere bezoekers van het Vagevuur en die vonden het op z’n zachtst gezegd nogal vreemd om door de aanhangers van uitgerekend Pim Fortuyn zo op de goede zeden gewezen te worden.

Overigens zou het geen gek idee zijn dat er, eventueel in nauwe samenwerking met de plaatselijke GG&GD, ervoor gezorgd had kunnen worden dat alle safe seks maatregelen in acht zouden worden genomen en dat er ook gratis condooms, glijmiddel, etc. (vul zelf maar in) waren gefaciliteerd. Ook in Amsterdam werken dit soort clubs of organisaties vaak nauw samen met de GG&GD en dat is alleen maar goed. Dus dan is er ook sprake van enige samenwerking met de overheid. Het lijkt me niet dat die LPFers daarop tegen zouden kunnen zijn. Of toch? Want het was wel heftig wat daar gebeurde. Alleen denk ik dat je het het moeilijk niet in de geest van Pim zou kunnen vinden. Want geloof me, Pim had namelijk precies die liefhebberijen die in het Vagevuur beoefend werden.

Misschien moet ik hier wijzen op een serie foto’s van de inmiddels ter ziele gegane Shaft in Rotterdam. Ook Fortuyn is hier te bewonderen De foto’s zijn overigens stevig (zeker 18+), daar wil ik bij deze voor waarschuwen. Maar omdat ze openbaar op internet zijn gezet door iemand die waarschijnlijk nauw betrokken was bij dit gebeuren, voel ik me niet bezwaard om een linkje te plaatsen. Het gaat dus niet om een persoonlijk of discreet  profiel, maar om een openbare site. Dus het plaatsen van een link vind ik in dit geval specifieke geval wel kunnen. Met verder alle respect voor de personen die hier in beeld zijn gebracht, inclusief Fortuyn zelf, zeker in dit geval. Bij deze: ‘The Shaft, a Rotterdam Legend; a sentimental journey’ http://www.homowebmuseum.nl/log/shaftpix.html

Ik kan me voorstellen dat mensen dit shockerend vinden, zeker als je zoiets nog nooit gezien hebt. Maar goed, de Shaft was binnen een bepaald segment van de homogemeenschap echt een monument (dat was het Vagevuur in bepaalde mate ook, maar met dat soort fijngevoeligheden hoef je bij de kleinburgers die zich Pims ‘erfgoed’ hebben toegeëigend natuurlijk niet aan te komen). Zelf heb ik het allemaal niet meer meegemaakt, maar ik ken redelijk wat mensen die de Shaft nog in volle glorie hebben gekend. Als ik die foto’s zie  vind ik ze eigenlijk wat aandoenlijk en ook alweer enigszins gedateerd. Je ziet dat het van een tijd geleden is. De mode is ook op dit gebied iets veranderd (al die snorren zie je eigenlijk niet meer) en dit soort plekken zien er tegenwoordig een beetje anders uit (vooral strakker en ‘cleaner’). Maar het is iets dat nog steeds bestaat. En gelukkig maar, want daar is niks mis mee, hooguit voor de brave volgelingen van Pim. Die hadden namelijk een veel idyllischer beeld van ‘knuffelhomo’, zie het essay van Komrij. Zo van ‘homo’s zijn lief, zolang ze het maar niet met elkaar doen’. ‘Carlo Bosschart op de TV mag wel, maar dat vuistwerk in die duistere krochten gaat echt alle perken te buiten’. Alleen vrees ik voor de brave LPF aanhangers dat Pim vooral een representant van de laatste categorie was.

De brave locale aanvoerder van de LPF, Rudy Reker, vindt het trouwens ‘langs de beesten af’, zoals hij EO Netwerk liet weten (zie hier de uitzending, waar overigens een heleboel op is aan te merken, zie deze uitstekende analyse van studenten van de School voor Journalistiek). Deze meneer Reker van de LPF Eindhoven zegt verder: ‘Want daar zijn mannen bezig in de modder, met hangmatten (! FS) en met maskers op’. Toch wel geestig om zo’n type te horen omschrijven waar die rare nichten volgens hem mee bezig zijn. Hij heeft ongetwijfeld iets gezien, maar heeft hij ook begrepen wat hij precies heeft gezien? Het is bijna schattig. Misschien moet deze brave maar boze meneer een blik werpen op de ‘Shaftpics’. Want precies die activiteiten die door hem worden opgesomd zijn daar te bezichtigen (en nog veel meer). En Pim? Ja, Pim ook. Dat de echte Pim zich aan hem moge openbaren. Alhoewel hij net zo goed het verzamelde werk van zijn grote leidsman kan raadplegen, want Pim was niet te beroerd om regelmatig zijn van eigen avonturen getuigenis te doen.

Dat dit effect heeft gehad blijkt wel uit een mededeling op de site van het vroegere Vagevuur (http://www.vagevuur.com/). Daar lezen we: ‘Zoals wellicht bekend is het Vagevuur onderwerp geworden van negatieve media aandacht (reportage in EO’s Netwerk, stukken in de pers) naar aanleiding van vragen van de Eindhovense gemeenteraadsfractie van de LPF. Geconfronteerd met deze externe druk, denkend aan mogelijke gevolgen voor medewerkers en bezoekers, is het bestuur tot de conclusie gekomen dat voortzetting van onze party activiteiten niet langer op een verantwoorde manier mogelijk is’. Goed, het gaat mij er niet om of er perse werklozen hadden moeten worden ingezet. Ik denk niet dat dit verstandig was, al schijnt het uiteindelijk maar om een geval te zijn gegaan. Bovendien gebeurde dit niet eens de gemeente zelf, maar door een bedrijf dat als tussenpersoon optrad. Maar dat dit alles om zeep is geholpen door een provinciale fatsoensrakker, die zogenaamd in de geest van Pim handelde, is wel een beetje krankzinnig.

Zie hier de hypocrisie van de hedendaagse volgelingen van Pim. ‘Zo zou Pim het gewild hebben’,  ik zie het de locale LPFers al reutelen. Helemaal in de geest van Pim! Ik dacht het niet. Je zou bijna wensen dat de Geest van Pim zou nederdalen om deze verzameling kleingeestige apostelen toe te sneren: ‘Een hangmat?? Zoiets heet een sling, meneeer!’ Kortom, het lijkt me eerder dat met deze daad van de kort daarna opgeheven LPF het laatste stukje authenticiteit van Pim ten grave is gedragen. Een bijna symbolisch einde van de partij die zijn naam droeg. Het is trouwens wel ironisch dat juist deze overactieve afdeling Eindoven vorig jaar nog van zins was om de opheffing van de LPF middels een kort geding ongedaan te maken, zie hier. Opheffen die handel, juist die afdeling. En herstel het Vagevuur weer in ere. Uit naam van Pim!

Al gaat het niet helemaal op, ergens doet me deze kwestie denken aan het poezelige beeld dat er in de jaren negentig van de multiculturele samenleving bestond. Dat was allemaal een grote multiculturele harmonie, totdat men ontdekte dat de ‘knuffelmarokkaan’ eigenlijk niet bestond. De verontwaardiging die daarop volgde resulteerde in de Leefbaar Rotterdam en de LPF. Nu bestaat er nog iets van het kitscherige beeld van de knuffelhomo, maar… om met Gerrit Komrij te spreken: ‘Macht blijft macht. Ik kan, als homoseksueel uit een verloren tijd, nog signalen lezen. En al die signalen geven te kennen dat er iets zwaait voor de homoseksuelen als ze niet langer aan de eis van knuffelbaarheid voldoen’.

Ik kan me herinneren dat er kort na de El Moumni affaire in de NRC, linksonder op de voorpagina, een Kamagurka (of waren het nog de wereldbolletjes, of misschien toch Fokke en Sukke?) ons op de volgende tekst tracteerde: ‘Blijf met je rotpoten van onze rotpoten af!’. Wat mij betreft is daarmee alles gezegd over de huidige homovriendelijkheid van xenofoob populistisch rechts.

Pim schijnt ooit gezegd te hebben: ‘Vind je mij al eng? Dan moet je mijn aanhang eens zien’. Ik denk dat ik het daarin wel met hem eens ben. Het is gewoon ‘van de beesten af’. Die aanhang zal in brede zin op dit blog nog uitgebreid ter sprake komen, de PVV van Wilders, maar ook de bundel Eindstrijd, die door de WSP Fortuyn Stichting werd gepubliceerd. Wordt hoe dan ook vervolgd.

Floris Schreve

Tot zover Fortuyn en de Fortuynisten. Terug naar de actiegroep Right to feel safe, waar ik dit stuk mee begon.  Hoewel ik langzamerhand een beetje huiverig ben geworden voor dit soort manifestaties (tenminste, ik was er bang voor dat er ook  types als Rita Verdonk zouden rondlopen die hun krokodillentranen zouden laten vloeien om ‘mijn rechten’), ben ik toch gaan kijken. De demonstratie was gelukkig niet een verlengstuk van de huilende wolven. Er was geen Rita Verdonk (zie mijn allereerste blog artikeltje) of een nog ergere representant van het nieuwe homovriendelijke populisme die het podium besteeg. Ik denk dat de demonstratie multicultureler was dan menig LPFer lief is (maar dat is wel aan de foto’s te zien). Hier een kleine impressie. De foto’s zijn van mijzelf en afkomstig van Erik (www.partyshots.nl ), zo’n beetje de bekendste fotograaf van de Amsterdamse homoscene, die ik alweer een poosje ken.

Dolly Bellefleur, boegbeeld van de Amsterdamse homo-scene met een agente van het netwerk roze in blauw van de politie Amsterdam, zie http://www.volkskrant.nl/binnenland/article448808.ece/Wij_zijn_geen_theedrinkend_homoclubje

D66 kamerlid Boris van der Ham

Het ‘islam-debat’ in Nederland; de stand post-Fortuyn, pre-Wilders

Een cartoon van de in Nederland werkzame Iraakse tekenaar Kifah al-Reefi uit 2005

Onlangs vond ik het onderstaande stukje tekst terug, geschreven voor een paper in 2002. Het leek me wel aardig om het hier te publiceren. Het is in  ieder geval de stand van zaken na Fortuyn, maar nog van voor Wilders. En nog voor de moord op Theo van Gogh. Hem noem ik overigens ook. Ik moet zeggen dat ik voor de man zelf altijd wel enigszins een zwak had, al was ik het fundamenteel met hem oneens. Midden jaren negentig ben ik een keer met hem in debat gegaan voor Veronica ’s Call Radio, dat toen net van start ging. Om zeker te zijn van genoeg bellers had men een paar studentenhuizen gebeld met de vraag of er mensen geïnteresseerd waren om met Theo in debat te gaan, waaronder mijn toenmalige huis in Leiden. Op die manier ben ik toen, als ‘spontane beller’ (althans voor de luisteraars) met van Gogh in discussie gegaan over de stelling ‘de islam is de grootste bedreiging voor Nederland’. Volkomen onzin vond ik toen en nu maar dat ging er toen verrassend vriendelijk aan toe, ook toen ik hem jaren later een keer in de trein tegenkwam en wij over dit onderwerp een heel normaal gesprek hebben gevoerd. In die zin vond ik Fortuyn erger. Over Wilders zal ik het (voorlopig) nog even niet hebben. Maar goed, hier nog een oud stukje tekst van mij.  Miscchien is het nog steeds actueel.
Wat in ieder geval nog actueel is, is dat de beroemde hoogleraar Nasr Abu Zayd in Nederland eigenlijk nauwelijks aan het woord komt in ons ‘nationale islamdebat’, al zit hij hier in Leiden. Dat is nog steeds vreemd. Overigens weten de BBC en Al Jazeera hem regelmatig te vinden. Op Al Jazeera was het Abu Zayd die uitlegde wat er met Nederland aan de hand was sinds de opkomst van Fortuyn, de moord op van Gogh en de vertoning van Fitna. In Nederland zelf prefereert men kennelijk liever mensen als Pastors, vanuit de wetenschap Afshin Ellian, of soms die andere internationaal beroemde geleerde, Tariq Ramadan. Maar die is ook veel orthodoxer, dus wellicht bevestigt dit meer het verwachtingspatroon (en de behoefte) van het Nederlandse publiek. Op een geluid als dat van Abu Zayd zitten de media en het publiek kennelijk nog steeds niet te wachten, de roep om de broodnodige emancipatie van de moslims ten spijt.

Hier volgt de tekst (niet meer dan een uitsnede uit een veel langer betoog):

Inmiddels is de toon van de berichtgeving van rond de aanslagen van 11 september, de politieke situatie in het Midden Oosten en de islam in het algemeen, in de Nederlandse media, enigszins gekalmeerd (lente en zomer 2002). Zeker de berichtgeving over de Israëlische/ Palestijnse kwestie is sterk veranderd in het voordeel van de Palestijnen. Toch blijken er en aantal ‘blijvertjes’ te bestaan. In vele opzichten heeft de Nederlandse publieke opinie zich verhard. Dit blijkt vooral uit de opkomst van de Lijst Pim Fortuyn, die vanuit het niets zesentwintig zetels in de kamer wist te veroveren. Een belangrijk issue van de LPF is het tegengaan van de immigratie en de anti islamitische stellingname. Ook de gevestigde politieke partijen hebben hun standpunten verhard, zoals blijkt uit de toespraak van CDA lijsttrekker Jan Peter Balkenende, die stelde dat de multiculturele samenleving geen nastreefbaar doel is. Het aardige is dat Balkenende, net als Cliteur en Bolkestein, niet definieert wat hij met het begrip ‘cultuur’ bedoelt, laat staan met het begrip ‘multiculturele’ samenleving.
‘Politiek correct’ denken heeft opeens afgedaan voor ‘je moet zeggen wat je denkt’. Pim Fortuyn leek hierin voorop te lopen. Zo bepleitte hij, in de Volkskrant van 9 februari, desnoods de afschaffing van artikel 1 van de grondwet als deze de vrijheid van meningsuiting in de weg staat [1]. Over deze uitspraak is veel ophef ontstaan en Fortuyn moest uiteindelijk aftreden als lijsttrekker van Leefbaar Nederland. Ook is over deze kwestie al veel geschreven, dus ik wil er niet heel veel aandacht aan besteden. Overigens heeft hoogleraar rechtsfilosofie A. Soeteman erop gewezen dat artikel 1 van de grondwet niet eens over het verbod op discriminerende uitspraken gaat. Deze bepalingen zijn te vinden in het wetboek van strafrecht. “Fortuyn weet niet waar hij het over heeft”, concludeert Soeteman.[2]
In dit verband zijn Pim Fortuyns opvattingen over de islam interessanter. In 1996 schreef hij hier een boekje over, Tegen de islamisering van onze cultuur, dat in 2001 werd herdrukt, met een naschrift van imam Abdullah Haselhoef. Het meest opvallende van deze kleine publicatie is dat het nauwelijks over de islam gaat. Voor driekwart gaat dit boek over de emancipatiegeschiedenis van vrouwen en homoseksuelen in Nederland. Ook besteed het veel aandacht aan de veranderde maatschappelijke verhoudingen sinds de jaren zestig. Zeker deze gedeeltes zijn zeer lezenswaardig, maar het is dan ook Fortuyns eigen metier. Fortuyn schiet zijn doel echter voorbij als hij het over de islam in Nederland heeft. Uit niets blijkt dat hij hier serieus onderzoek naar heeft gedaan, noch verwijst hij naar andere onderzoeken. Dit is overigens een kenmerk van de gehele verhandeling, waardoor het als wetenschappelijke publicatie niet serieus kan worden genomen. Nu is dit natuurlijk niet noodzakelijk, alleen is het wel opmerkelijk dat Fortuyn anders doet suggereren. Op de flaptekst laat hij zich prof. dr. Pim Fortuyn noemen, onafhankelijk en kritisch wetenschapper.
In Tegen de islamisering van onze cultuur betoogt Fortuyn dat de meeste moslims in Nederland uit kansarme groepen komen. Doordat zij zich ook in Nederland aan de onderkant van de samenleving bevinden zou het wel eens kunnen zijn dat zij zich in de armen van het fundamentalisme laten drijven. Als je ziet wat het fundamentalisme in de islamitische wereld zelf allemaal aanricht kun je concluderen dat de situatie buitengewoon gevaarlijk is. Als adequate maatregel bepleit Fortuyn de sluiting van de Nederlandse grenzen, het opzeggen van Schengen en het vluchtelingenverdrag, en een Koude Oorlog tegen de Islamitische wereld. Als voorbeeld noemt hij de politiek van Ronald Reagan ten aanzien van de Sovjet Unie. Fortuyn stelt dat deze een belangrijke factor zou zijn geweest voor de val van het communisme. Waar hij dit laatste punt vandaan heeft vermeldt hij niet. Ook verzuimt hij het om deze opmerkelijke stelling historisch te onderbouwen.[3]
In zijn verhandeling over de islam in Nederland blijkt Fortuyn erg anekdotisch. Zo heeft hij het over zijn eigen seksuele contacten met homoseksuele moslims, die hij niet als positief heeft ervaren.[4] Nu bestaat er in de culturele antropologie wel zoiets als participerend onderzoek, maar nergens suggereert Fortuyn dat wij zijn escapades als zodanig serieus moeten nemen.
Wat betreft Fortuyns verklaring voor het ontstaan van het fundamentalisme; deze staat haaks op de conclusies van uitgebreide studies naar dit fenomeen. Uit veelomvattend wetenschappelijk onderzoek blijkt dat het fundamentalisme niet ontstaat bij de onderlaag van de samenleving, maar verschijnsel is van de middenklasse, die zich vaak politiek voelt uitgesloten. Doordat de middenklasse door de veelal dictatoriale regimes in de islamitische wereld wordt uitgesloten van politieke participatie, lijkt het fundamentalisme een rechtvaardig alternatief, temeer omdat de meeste regimes in de islamitische wereld door niet gelovige, westerse krachten gesteund worden. Het regime van de Shah van Perzië en de daarop volgende islamitische revolutie is hier een klassiek voorbeeld van. Ook de grondleggers van de moderne soennitische fundamentalistische ideologie, Jamal ad-Dine al Afghani, Hassan al Banna en Said Qutb, min of meer de geestelijke vaders van Osama Bin Laden (al waren niet al deze denkers pleitbezorgers van geweld), hadden vooral aanhang binnen deze maatschappelijke klasse.[5] Tekenend is dat de plegers van de aanslagen van 11 september niet afkomstig waren uit de onderklasse van de Arabische wereld, maar allen goed opgeleide jongemannen waren, met een ogenschijnlijk redelijk toekomstperspectief. Recent is dit beeld weer bevestigd in een onderzoek naar de strijders van de Hezbollah en de Hamas, waaruit bleek dat deze militante bewegingen vooral aanhang hebben binnen de middenklasse.[6]
In wetenschappelijk opzicht is Fortuyns bijdrage weliswaar van weinig betekenis, in maatschappelijk opzicht echter des te meer. Hoewel wellicht weinig van zijn kiezers dit boek hebben gelezen is hij er wel in geslaagd om veel stemmen te winnen, met name op de issues ‘migratie’ en ‘islam’. Fortuyns uitspraken als: “Je ziet het in alle landen waar de islam de baas is. Ik vind het gewoon een achterlijke cultuur”, in het veel genoemde Volkskrant artikel heeft het electoraat niet weten af te schrikken. Integendeel, ondanks alle breed uitgemeten veroordelingen van bijna alle lijsttrekkers van de gevestigde partijen, heeft dit hem wellicht nog populairder gemaakt.
Ook leden van de LPF fractie, die na de tragische moord op Fortuyn in de tweede kamer zitting namen, werden vaak niet gehinderd door enige kennis van zaken wanneer het onderwerp ‘islam’ ter sprake kwam. Fractievoorzitter Mat Herben haalde wederom het argument van vrouwenbesnijdenis van stal om te stellen dat “de islam een achterlijke cultuur is”.[7] (opmerking: eerder in de oorspronkelijke tekst is al aan de orde geweest dat vrouwenbesnijdenis vooral een locaal fenomeen is uit de Hoorn van Afrika en soms Egypte, dat voorkomt bij zowel Koptische Christenen als moslims. Elders in de islamitische wereld komt vrouwenbesnijdenis niet voor. Het is dus geen islamistisch gebruik, maar een locaal verschijnsel).   Fractiesecretaris Joost Eerdmans noemde het Koerdische parlement “een uitwas van een cultuur die we hier niet moeten hebben”.[8] Opmerkelijk dat uitgerekend een parlement een uitwas van een cultuur wordt genoemd. Het gebrek aan democratie en de rechten van minderheden in de islamitische wereld lijkt mij hier eerder voor in aanmerking te komen, hoewel ik zeker niet zou willen beweren dat dit cultureel bepaald is.
Er kan gesteld worden dat de islam, of Nederlanders met een moslimachtergrond, op dit moment een ernstig imagoprobleem hebben. Internationale factoren spelen hier zeker een belangrijke rol in. Toch zijn ook binnenlandse incidenten een belangrijke factor die dit negatieve beeld keer op keer bevestigen. Genoemd kunnen worden de Aisja-affaire, de uitspraken van imam El Moumni over homoseksuelen en de politiek getinte preken van Syrische en Egyptische imams in een aantal Nederlandse moskeeën. Ook de aanhoudende berichten over kleine criminaliteit van Marokkaanse jongeren, met als meest beruchte voorbeeld de structurele berovingen op Station Amsterdam Lelylaan [9], dragen zeker bij aan het negatieve beeld dat men in Nederland van moslims heeft, al heeft het gedrag van deze Marokkaanse jongens weinig tot niets met de islam te maken.
Wellicht is een van de allergrootste problemen dat er zeer zelden een georganiseerd tegengeluid komt vanuit de islamitische gemeenschap. Voor het Nederlandse publiek zou dit kunnen worden uitgelegd als een stilzwijgende instemming. Nu bestaat het probleem dat de islam geen centrale organisatiestructuur kent, dus het is vrijwel onmogelijk om met de ‘vertegenwoordigers’ van de Nederlandse moslims te gaan praten, hoe graag ex-minister Roger van Boxtel dit ook wilde. In die zin is de islam een buitenbeentje binnen de van oudsher verzuilde Nederlandse traditie. Het grote nadeel van dit gebrek aan een organisatiestructuur is dat er hierdoor nauwelijks mogelijkheden zijn de almaar steeds negatievere beeldvorming te doorbreken. Verlichte intellectuelen van islamitische afkomst zijn er in Nederland volop voorhanden, alleen hebben zij even veel met radicale imams te maken als de autochtone Nederlander, dus is er voor hen weinig reden om ‘namens de islam’ het woord te voeren.[10]
Ondertussen lijken de verhoudingen zich steeds meer te verharden. Het beeld dat de islam een godsdienst is die uitsluitend bestaat uit ‘fundamentalisten’ is zeker het laatste jaar sterk toegenomen. Verschillende invloedrijke opiniemakers hebben hier flink aan bijgedragen. Zo stelde Pim Fortuyn in Tegen de islamisering van onze cultuur, dat liberale stromingen binnen de islam niet relevant zouden zijn, omdat het fundamentalisme zou overheersen en andere geluiden monddood zou maken. Als voorbeeld noemt hij de affaire rond de islamitische denker Nasr Abu Zayd, die vanwege zijn liberale interpretatie van de Koran gedwongen was Egypte te verlaten en nu hoogleraar is in Leiden. Overigens noemt Fortuyn de desbetreffende hoogleraar niet een keer bij zijn naam. Later, in een uitzending van Buitenhof, kon Fortuyn eveneens niet op zijn naam komen. Waar het hier echter om gaat is dat Fortuyns bewering simpelweg niet klopt en door vele belangwekkende publicaties wordt tegengesproken, niet in de laatste plaats door Abu Zayd zelf. [11]
Een ander soort geluid is dat het islamitische fundamentalisme de meest pure variant van de islam is en dat liberale interpretaties slechts een product zijn van ‘wishful thinking’, van goedpraterij en hypocrisie, die de werkelijke geloofsleer feitelijk geweld aandoen. Als de fundamentalisten inderdaad de enige juiste leer verkondigen, kan er worden geconcludeerd dat er in de moderne wereld voor de islam geen plaats meer is. Deze denkrichting wordt wel het essentialisme genoemd en verschilt in redeneertrant weinig van die van de fundamentalisten.
Degene die het afgelopen jaar het essentialistische standpunt het meest prominent in de media naar voren heeft gebracht is rechtsfilosoof Paul Cliteur, in zijn televisiecolumns in Buitenhof, hoewel er ook anderen waren met bijdragen dezelfde strekking.[12] Zo stelde Cliteur in zijn column van 4 november 2001, getiteld Sympathie voor fundamentalisme: “De orthodoxe imam El-Moumni vergeleek homoseksualiteit met een ziekte en plotseling dachten we in het land waar alles mocht en alles kon: hè, wij kunnen toch geschoffeerd worden (…) In een bepaald opzicht hebben El-Moumni, Hazelhoef en andere fundamentalisten natuurlijk wel gelijk. Hun interpretatie van de Heilige Schrift is namelijk heel wat minder hypocriet dan die van de overgrote meerderheid van de moderne gelovigen. Toen de Koran en de Bijbel werden geschreven waren de vrouwen vanzelfsprekend ondergeschikt aan de mannen, kregen homoseksuelen even vanzelfsprekend de doodstraf, was de aarde plat en stamden de mensen nog niet af van de apen. Is het dan vreemd dat de helft van de Tien Geboden regelrecht in strijd is met de moderne rechten van de mens? Dat was gewoon de geest van die tijd. Wat de fundamentalisten nu alleen maar doen, is dat serieus nemen”.[13]
In principe is er niets mis met deze redenering (hoewel er hier aan voorbij wordt gegaan dat fundamentalisme geen ‘pure’ religie is, maar een politieke ideologie [14]), tenminste als je uitsluitend van de tekst uitgaat zonder de specifieke context en reden van haar ontstaan. Ook sluit deze benadering alle moderne interpretatie methoden als hermeneutiek, of semiotiek uit en gaat er volledig aan voorbij dat een tekst in een andere context wellicht een andere betekenis kan krijgen en wellicht op een nieuwe manier gewaardeerd kan worden. Daar is niets hypocriets aan, dat heeft simpelweg te maken met hedendaagse wetenschappelijke inzichten wat betreft de wisselwerking van tekst en context.
Consequent doorgeredeneerd zouden grote vernieuwende Christelijke theologen als Albert Schweitzer, Hans Kung en Edward Schillebeeckx minstens even hypocriet zijn als ‘de moderne gelovigen’ waar Cliteur het over heeft. In die zin redeneert Paul Cliteur inderdaad op dezelfde manier als een fundamentalist als Said Qutb.[15] Tekenend is dat hij het in deze column ook opneemt voor de essentialistische (lees fundamentalistische) manier van redeneren.
Toch bestaan er ook binnen de islamitische wereld belangwekkende alternatieven. Inmiddels zijn daar door verschillende Korangeleerden diverse mogelijkheden ontwikkeld om tot een vernieuwing van het religieuze erfgoed te komen. Een van de meest belangrijkste representanten van deze ontwikkeling is de verlichte Egyptische Koraninterpretator Nasr Abu Zayd, thans hoogleraar in Leiden.
Oorspronkelijk was Abu Zayd hoogleraar aan de universiteit van Cairo, hoewel hij in het verleden ook in de Verenigde Staten en Japan heeft gedoceerd. Vanwege zijn onorthodoxe opvattingen over de interpretatie van de Koran raakte hij in conflict met de Moslimbroederschap, de belangrijkste ‘islamistische’ partij van Egypte (opgericht in 1929, door de eerder genoemde Hassan Al Banna, een van de grondleggers van het moderne soennitische fundamentalisme, overigens de grootvader van Tariq Ramadan, al suggereer ik hiermee niet dat zij hetzelfde gedachtegoed hebben), hoewel er vaak vergeten wordt dat Abu Zayd een grote internationale reputatie had opgebouwd en ook in Egypte zeer veel waardering oogstte. Een aantal orthodoxe gelovigen besloot tot een zeer onconventionele maatregel; zij stelden dat Abu Zayd een afvallige van het geloof was en spanden een rechtszaak aan waarmee zij trachtten Abu Zayds huwelijk te ontbinden. Volgens een bepaalde interpretatie van de Sharia is een afvallige van de islam gedwongen te scheiden, omdat het huwelijk dan onwettig zou zijn. Tegen ieders verwachting in werd het proces door de aanklagers gewonnen, een unieke zaak in de Egyptische rechtsgeschiedenis. Weliswaar nam de Egyptische overheid direct een wet aan die dit soort processen in de toekomst onmogelijk maakte, maar toen was het kwaad al geschied. De zaak kreeg ruime internationale aandacht. Uiteindelijk werd Abu Zayd naar Nederland gehaald, waar hij weer opnieuw met zijn vrouw trouwde. In Leiden zet hij nu zijn wetenschappelijke werk voort. In 2000 bezette hij de Cleveringa leerstoel, een bijzondere leerstoel bestemd voor wetenschappers die zich sterk hebben ingezet voor de mensenrechten of de vrijheid van meningsuiting.[16]
Abu Zayd stelt dat de Koran, net als iedere andere oude tekst, kan worden geïnterpreteerd volgens moderne wetehschappelijke methoden (hij pleit sterk voor de Hermeneutiek van Hans Georg Gadamer). Abu Zayds centrale stelling is dat het heel goed mogelijk is om op grond van de Koran tot een liberaal en tolerant wereldbeeld te komen. Door de nieuwste wetenschappelijke interpretatiemethoden los te laten op de Korantekst kunnen er interessante perspectieven ontstaan, zonder dat de interpretatie blasfemisch zou zijn voor gelovige moslims, zoals hij heeft uiteengezet in zijn publicatie Vernieuwing in het islamitisch denken.
Stel, de oorsprong van de Koran is goddelijk. Dit betekent dat deze oorsprong zich in het metafysische bevindt en dus geen object kan zijn van wetenschappelijk onderzoek. Toch heeft het goddelijke een manier nodig om zich in de fysieke wereld te manifesteren, anders zou het goddelijke voor de mens onkenbaar zijn. Voor iedere religie is dit een noodzakelijke voorwaarde. Bij het Christendom heeft het goddelijke zich gemanifesteerd in de vleeswording van God in Christus. Bij de Islam heeft geen vleeswording van het goddelijke plaatsgevonden, het intermediair tussen God en de mens is de openbaring van de Koran, een literaire tekst. In tegenstelling tot de goddelijke oorsprong kan de fysieke manifestatie van de tekst wel degelijk aan een wetenschappelijk onderzoek worden onderworpen en gezien worden in de context van plaats en tijd van het ontstaan. Abu Zayd stelt dat God een sadist zou zijn als hij zich niet in een bepaalde culturele context zou hebben openbaard; niemand zou immers zijn openbaring kunnen begrijpen.[17] Daarom moet de Korantekst dan ook telkens opnieuw worden gewogen tegen de veranderde omstandigheden, daar een tekst immers altijd weer een nieuwe relatie aangaat met de telkens veranderende culturele context. De intentie van de tekst is dan ook belangrijker dan de letter. Wanneer de Korantekst wordt gewogen tegen de omstandigheden van het zevende-eeuwse Arabië kan volgens Abu Zayd de Koran niet anders begrepen worden dan een pleidooi voor vrijheid, wijsheid en naastenliefde. Hij pleit er dan ook sterk voor om de Koran vanuit deze geest te interpreteren. Abu Zayd komt tot verrassende conclusies. Op grond van de Koran bepleit hij o.m. gelijke rechten tussen man en vrouw en de scheiding van ‘Kerk’ en staat.[18]
In die zin kan zijn werk ook gezien worden als een kritiek op het essentialistische en fundamentalistische denken. Abu Zayd stelt dat de rigide opvattingen van de fundamentalisten van de Koran een dood relikwie hebben gemaakt, dat slechts blindelings vereerd kan worden. Hij kiest dan duidelijk voor een alternatief, door de Koran als een levende tekst te zien die telkens weer een nieuwe verbinding aangaat met een almaar veranderende culturele context. De kern van zijn denken zit hem juist in dat hij enerzijds de Koran ziet als een literair werk met alle betekenislagen van dien, maar dat hij anderzijds niets afdoet aan de Goddelijke oorsprong van de Koran.
Nasr Abu Zayd is in de Nederlandse media tot nu toe nauwelijks aan het woord geweest, iets dat als een groot gemis kan worden gezien. Bijna een jaar na 11 september kan er gesteld worden dat dit vooral het jaar geweest is waarin Pim Fortuyn, Paul Cliteur, Leon de Winter, Theo van Gogh en Frits Bolkestein de toon zetten, in een toenemend vijandig klimaat.

Floris Schreve

Tip: zie voor de geschiedenis en het ontstaan van het gedachtegoed vane islamitische fundamentalisten als Osama Bin Laden enerzijds (over Said Qutb ea) en de ontwikkeling van het neo-conservatieve gedachtegoed anderzijds (over oa de Duitse/Amerikaanse filosoof Leo Strauss, de grondlegger van het neo-conservatisme), de fascinerende Channel 4 documentaire ‘The Power of Nightmares’ (2004). In drie delen hier online te bekijken.

Een van de meest verhelderende documentaires die ik ken over de beweegredenen van de moderne religieuze fundamentalisten (in dit geval wederom de islamitische, al worden er ook parallellen getrokken met het Christelijke en Joodse fundamentalisme) is de uitzending van VPRO’s Tegenlicht, ‘de Berg’. Hierin komt een groot aantal deskundigen aan het woord, zoals Karen Armstrong, Manuel Castells en Benjamin Barber, maar ook de Tsjetjeense rebellenleider en ‘fundamentalist’ Khozh-Ahmed Noukhaev. Wat je ook van zijn ideeën en daden mag vinden, hij weet zijn standpunten en beweegredenen zeer welsprekend en inzichtelijk voor het voetlicht te brengen en enige introspectie is hem ook niet vreemd. Dit geldt ook voor de van oorsprong Poolse en tot de islam bekeerde theoloog Mansour Jachimczyk, die namens Noukhaev het zg. ‘Institute for the Closed Society’ leidt (vrij naar het ‘Open Society Institute’ van George Soros). Deze ‘fundamentalisten’ zijn in ieder geval niet ‘achterlijk’, maar dat maakt het misschien nog verontrustender. Des te meer een reden om kennis te nemen van hun denkwereld. Een grote aanrader, hier terug te zien.

Wat betreft de overeenkomsten tussen islamitische fundamentalisten en Christelijke fundamentalisten, zoals bijv. Karen Armstrong vaak heeft benadrukt, is het wellicht ook aardig om de bijna schokkende documentaire ‘Jesus Camp’ te bekijken (Oscarnominatie 2006), over de Christen fundamentalisten in de Verenigde Staten (ook een rol weggelegd voor de beruchte dominee Ted Haggard). Zoals de jeugdpredikante Becky Fischer het zelf uitelegt, vinden deze Christenen dat ze best een voorbeeld kunnen nemen aan de hartstocht van fundamentalistische moslims. Wel is deze film veel meer een activistische film tegen, dan de eerste twee voorbeelden, die vooral proberen te verklaren. Maar ook als je daar doorheen kijkt, blijft het nog beklemmend genoeg. Hier in verschillende delen te bezichtigen (zie ook de beknopte informatie van wikipedia).

Zie over Nasr Abu Zayd verder, dit interview en  een artikel over Paul Cliteur versus Nasr Abu Zayd

Update 2 januari 2010: zie hier een eerdere versie van het proefschrift van Maria Trepp of hier een link naar het zg ‘Passage(n) Project’, een initiatief ontstaan aan de Universiteit Leiden, als een weerwoord tegen het (althans in de media) dominante ‘nieuwe conservatieve geluid’ van diezelfde universiteit (het is overigens ook mijn universiteit en binnen mijn vak is de trend gelukkig eerder het tegenovergestelde). Met rode oortjes gelezen.

Helemaal spectaculair is een debat tussen Tariq Ramadan en Frits Bolkestein, in Rotterdam, olv Ivo Opstelten. De link naar de uitzending van dit debat is te vinden in dit artikel van Tariq Ramadan op de site van de Volkskrant, dat nog veel meer lezenswaardigs en interessante verwijzingen bevat. De kans is groot dat ik nog een keer een gedetailleerde beschouwing schrijf over dit debat. Mijns inziens baseert Bolkestein zich, in zijn ronkende inleidende praatje, vooral op een bron. Dat is het niet geheel onomstreden artikel van de oriëntalist Bernard Lewis, hier te raadplegen.  Maar het debat is zeer de moeite waard. Grote aanrader!

Noten:

1. Frank Poorthuis en Hans Wansink, De Islam is een achterlijke cultuur, ‘de Volkskrant’, 9-2-2002 (zie http://www.volkskrant.nl/den_haag/article153195.ece/De_islam_is_een_achterlijke_cultuur).

2. Artikel 1? Hij weet niet waar hij het over heeft, ‘NRC Handelsblad’, 11februari, 2002 (zie http://www.nrc.nl/geslotendossiers/fortuyn/leefbaar_nederland/article1607888.ece/%60Artikel_1_Hij_weet_niet_waar_hij_het_over_heeft )

3. Pim Fortuyn, De islamisering van onze cultuur; Nederlandse identiteit als fundament, Karakter uitgevers BV, 2001, p. 20

4. Ibidem, p. 75

5. Hans Jansen, Nieuwe inleiding tot de Islam, Uitgeverij Coutinho, Bussum, 1998, p. 24, 149-165 en Karen Armstrong, De Strijd om god; een geschiedenis van het fundamentalisme, De Bezige Bij, Amsterdam, 2002, p. 271-273. Voor een uitgebreide beschrijving van de invloed van de ideeën van Hassan Al Banna en Said Qutb op de Egyptische samenleving, zie Nasr Hamid Abu Zayd, Mijn leven met de islam, Bulaaq, 2002.

6. De Volkskrant, 31-7-2002

7. Nova/Den Haag vandaag, Nederland 3, 3 juni 2002

8. Interview met Joost Eerdmans, Vrij Nederland, 26 juni 2002

9. Zie voor een uitvoerige reportage hierover, Joris van Casteren, De bodyguards van Lelylaan, de Groene Amsterdammer, 15-6-2002.

10. Als voorbeeld wil ik noemen dat een groot deel van de Iraakse intellectuele elite zich in Nederland bevindt. Zij hebben echter niets met de politieke islam van doen.

11. Fortuyn, p. 25. Voor de uitzending van Buitenhof zie Fortuyns discussie met Hans Jansen in de uitzending van 4-10-2001. Overigens heeft Abu Zayd zelf uitgebreid getuigenis gedaan van zijn belevenissen in Mijn leven met de islam, 2002. Hij gaat hier ook uitgebreid in op de situatie in Egypte en de academische vrijheid daar. Uit zijn verhaal blijkt dat de overgrote meerderheid van de universitaire gemeenschap achter hem stond en dat slechts door een kleine speling van het lot dit alles heeft kunnen gebeuren.

12. Paul Fentrop, Het gevaar van de islam, ‘HP de Tijd’, 27-9-2001 en in veel mindere mate Erik van Ree, Al-Qur’an; naïeve lezing van de Heilige Schrift, ‘de Groene Amsterdammer’, 13-10-2001

13. Buitenhof, VPRO, Nederland 3, 4-10-2001

14. Een belangrijke illustratie van dit gegeven is Said Qutbs bekendste publicatie Milestones, 1961 (Engelse versie hier online), overigens de belangrijkste inspiratiebron voor Osama Bin Laden. De Egyptische arts Ayman al-Zawahiri, Bin Ladens tweede man, was in zijn studententijd, begin jaren zestig, een van Qutbs naaste volgelingen. In dit werk spreekt Qutb van een stappenplan om de totale islamitische revolutie tot stand te brengen. Belangrijk is om op te merken dat dit niet een voorschrift is dat door oude religieuze teksten wordt gegeven; het betreft hier een concept van een revolutie die geheel past bij de moderne tijd. Armstrong, pp. 275-277, Hans Jansen, pp. 162-165.

15. Interessant is in dit verband de bespreking van Qutbs gedachtegoed door Karen Armstrong, pp. 274-280.

16. Nasr Abu Zayd, Vernieuwing in het islamitisch denken, pp. 11-34, Mijn leven met de islam, pp. 149-157

17. Nasr Abu Zayd, Vernieuwing in het islamitisch denken, pp. 74-75

18. ibidem, pp. 135-138

 

 

Homo’s!…het gelijk van Komrij

Posted in homo-emancipatie/'homo-kwesties' by Floris Schreve on 13 oktober 2008

 

Homo’s!…het gelijk van Komrij

 

Een half jaar geleden schreef ik op mijn weblog het ietwat sneerderige en daarmee ‘typisch nichterige’ stukje ‘Warm badje met homo-moeder Rita’. Ik liet toen al merken dat ik de omarming van het platte Archie Bunker electoraat, opgezweept door foute politici, hoogst onaangenaam vond. Gelukkig bleek ik niet de enige te zijn. Kort geleden publiceerde Gerrit Komrij een mij uit het hart gegrepen essay ‘Waarom is Nederland zo dol op homo’s?’ (de Groene Amsterdammer, 26-09-2008). Vooral de passage over Rita Verdonk klonk mij als muziek in de oren. Komrij: ‘Omdat haar naam nu weldra vergeten zal zijn, ondanks haar robuuste aanwezigheid de laatste jaren en ondanks de amechtige kalverliefde waarmee de journalisten haar op een voetstuk plaatsten, wil ik even vastleggen wie Rita Verdonk is. Rita Verdonk is een in haar motoriek ietwat boerse vrouw met beperkte verstandelijke vermogens, afkomstig uit het gevangeniswezen waar men, boef of cipier, alles weet van onderdrukte seksuele verlangens’. Hoera, dacht ik, eindelijk iemand die dit ook vindt en dit veel mooier onder woorden kan brengen dan ik het ooit zou kunnen. Ik ben een groot liefhebber van Komrij, zolang hij maar geen dichter des vaderlands is of een ongelukkig gedicht schrijft over de ‘zittende politicus’, die het ‘echte monster niet ziet’ (rond de moord op Pim Fortuyn). Dat vond ik helaas een misser en ik was even bang dat hij zijn kunstenaarschap had verloren aan het platte volksgevoel en het gebrul van de meute. Maar gelukkig had Komrij daar ook snel ‘tabak van’, zoals hij middels een afscheidsgedicht liet weten.

Komrij als vrij kunstenaar heb ik echter zeer hoog zitten. Zijn roman ‘Verwoest Arcadië’ vind ik een van de hoogtepunten van de Nederlandse literatuur wanneer het homoseksualiteit betreft, net als alle boeken van de nog steeds geheel ten onrechte vrij onbekende schrijver Willem Melchior. Qua wat oudere Nederlandse literatuur de suggestieve juweeltjes van Louis Couperus tot het gewaagde directe van Jacob Israël de Haan. Moedig dat zij aan het begin van de twintigste eeuw deze verhalen durfden en zelfs konden schrijven rond dit thema, los van de grote literaire kwaliteit. Ook erg mooi is de serie ‘Geheim dagboek’ van Hans Warren. Ik ben zelf niet zo’n grote liefhebber van Reve, maar dat wil dat wel nederig aan mijn eigen beperktheid wijten. Misschien zie ik op dat gebied nog een keer het licht.

Maar goed, homo’s dus. Er is de laatste tijd rond mijn soort mensen veel te doen geweest dus wellicht moet ik zelf maar eens duidelijk maken hoe ik tegen mijn eigen soort aankijk en vooral, wat ik vind van hoe allerlei hetero’s er tegen aan kijken, van goedbedoeld tot kwaadwillig.

Aan een kant gaat het goed met de homo’s. Homo’s zijn populair, zijn lief, grappig en ze zouden zo je ideale schoonzoon zijn. De soppende huisvrouw heeft de homo ontdekt, wat dat betreft geheel eens met Komrij. Je zou haar bijna het liefst een darkroom in een van de donkerste holen van de Warmoestraat in willen sturen maar wat als ze dat ook enig vindt? Koot en Bie waren al profetisch met hun Frank en Carla van Putten, in hun scène ‘niet wijzen, moeder’ (hier terug te zien  http://www.youtube.com/watch?v=-xfTlBSqCQY ). Briljante sketch, maar dit lijkt zo’n beetje de prijs te worden die je moet betalen bij de algehele emancipatie. Alhoewel, homo’s zijn vooral leuk als ze weliswaar middelmatig zijn, maar toch net een beetje voldoen aan het clichébeeld dat veel hetero’s (en veel homo’s zelf overigens) van deze soort hebben. Dat is namelijk de januskop van de zo geliefde homo. De hetero’s moeten er wel hun eigen stereotype denkbeelden in bevestigd zien, anders is het niet meer leuk. Nederland houdt niet zozeer van homo’s, Nederland houdt van een cliché van homo’s. En laat dit nu net de valkuil zijn. In Komrij’s woorden: ‘Er loopt een directe lijn van de Canal Parade naar de Paralympics!’

Elders op mijn blog is het verschijnsel exotisme in verschillende bijdragen vaak langsgekomen. Exotisme wil zeggen dat het beeld van de ander belangrijker is dan de ander zelf. Het beeld kan naar hartenlust worden ingezet voor de eigen doeleinden. Arabieren zijn enerzijds wellustig en anderzijds gevaarlijk (handig als je een vijand nodig hebt, zie hier). Indianen zijn oud en wijs en hun ras representeert de ‘avondschemering der mensheid’ (handig in dit geval voor Rudolf Steiner en de antroposofie, als je een theorie nodig hebt waarin het Arische ras het summum en de bloei van de schepping zou moeten zijn, zie hier, sommige hedendaagse indianen zelf over deze stereotypen, zie hier). Rita Verdonk houdt ook van homo’s en host graag met ze mee (om de moslims te schoppen, we hebben het al eerder gezien). Allemaal vormen van exotisme. Zelfbevestigdend exotisme bestaat ook. Het is hier allemaal langsgekomen. ‘Zelfbevestigend oriëntalisme’, Ba’thisme (Saddams variant van Arabisch nationalisme) en négitude (Senghors oproep aan alle zwarten om je vooral heel erg je op je Afrikaanse ‘roots’ te richten). De ander is hoe dan ook anders, soms in positieve zin, soms in negatieve zin, uitsluitend omdat we dan zelf zo zeker weten hoe wij zijn. Zie ook alle overbodige debatten over Nederlandse identiteit, ook al zo’n stompzinnige trend (geheel eens met Prinses Maxima overigens). Een positieve bijkomstigheid is dat er opeens veel aan geschiedenis wordt gedaan. Hopelijk is dat een kans om juist uit te leggen dat zo’n eigen identiteit helemaal niet bestaat en dat wij/zij denken volkomen zinloos is. Zouden we van de geschiedenis kunnen leren, als je dit soort lessen uit de geschiedenis kunt leren. Ook dat is twijfelachtig.

Maar hoe dan ook, heel onlangs bleek dat de homo’s zo actueel zijn dat ook het NCRV discussie programma ‘Rondom tien’ er een aflevering aan wijdde (hier terug te zien http://player.omroep.nl/?serid=182). Aanleiding was het stuk van Komrij. Daar bleek het volgende: sommige ‘homo’s’ hebben zelf genoeg van die lading stereotypen die door die ‘domme hetero’s’ zo hartstochtelijk worden gekoesterd, ook als dat zogenaamde positieve stoplappen zijn. Dit waren hele gewone homo’s, maar ze hadden hetzelfde als Komrij. Ik kan mij hier geheel in vinden. Stemde me weer positief.

Maar dan die anderen in dat programma. Er waren namelijk ook boze homo’s. Zij waren minder gecharmeerd van Komrij’s speldenprikjes. Maar zien jullie het dan niet?  Hoe jullie gereduceerd worden tot een stereotype, een gebruiksartikel voor foute populisten. Soms handig om in te zetten, maar soms ook niet. En dat Geer en Goor zich daarvoor laten lenen is hun probleem. Geef mij dan maar Komrij’s hautaine vertoog. En laat de cliché-nichten maar aan de hetero’s, al zie ik het soms met lede ogen aan.

Wat mijn probleem is met ‘homo-exotisme’ is dat het altijd een agenda dient die niet de jouwe is (zeg ik als homo). Het is altijd iets interessants om voor buitenstaanders (hetero’s in dit geval) mee aan de haal te gaan. Dat kan soms bloedlink zijn. Hetero’s kunnen op die manier gaan uitmaken wat typisch homo is en wat niet. Er is zo sprake van een discours-vorming buiten jouw invloed om. Over jou en niet met jou. Uiteindelijk is het ook de hetero die de marges bepaald waarbinnen je wel of geen homo mag zijn (wat zag Michel Foucault dit soort zaken toch goed, zie hier een nog altijd huiveringwekkend goede en beroemde tweegesprek met Noam Chomsky http://www.youtube.com/watch?v=WveI_vgmPz8, een van de mooiste hoogtepunt van het ‘postmodernisme’ ). Discoursvorming hangt uiteindelijk samen met machtsuitoefening, wat dat betreft nog altijd eens met Foucault, al is deze denker tegenwoordig weer een beetje ‘uit’. Foucault was trouwens ook homo, maar dat heeft er voor mij niets mee te maken. Hooguit zou je dan sneller bewust kunnen zijn van dit soort processen van macht, van insluiting en uitsluiting, maar ik denk dat je dat ook heel goed kan als je tot een andere vreemde minderheid behoort. Ik zou ook kunnen verwijzen naar mijn eerdere artikel over de kunstenaar Jimmie Durham (zie Moderne kunst van Indiaans Noord Amerika), of wat verschillende kunstenaars uit de Arabische wereld hierover te vertellen hebben. Heb juist voor dat thema altijd een grote fascinatie gehad. Ga dat hier overigens niet psychologisch proberen te verklaren door aan oninteressante introspectie te doen, dat laat ik liever aan anderen. Ik heb trouwens een grondige hekel aan vrijblijvend amateur psycholoog spelen, naar mezelf en naar anderen.

Maar goed, om toch iets over mezelf te zeggen, hoe beleef ik mijn eigen homoseksualiteit? Aan een kant zou je mij bijna een ‘assimilant van de heterocultuur’ kunnen noemen, zoals dat in de jaren van radikale aksie heette (in die dagen diende je soms zo militant mogelijk je identiteit uit te dragen, net alsof je als mens een geworden was met je identiteitssjabloon). Zo beleef ik het dus duidelijk niet. Wat wel leuk is aan het postmodern homo zijn is dat je kan shoppen uit verschillende subculturen. Een soort prettige vorm van schizofrenie dus. Nu heb ik ook geen vaste relatie en ben ik nog relatief jong, dus heb daar volop gelegenheid toe. Het is dus veel vrijheid blijheid en veel mag, maar niets hoeft. Rare verkleedpartijtjes voor diverse gelegenheden, die weer heel erg komisch zijn als je er ook weer met gepaste afstand naar kan kijken. Dan kun je er ook vaak erg om lachen. Dat zo’n beetje. Zolang je maar niet door een kleine nalatigheid je eigen leven en dat van anderen in gevaar brengt. Die verantwoordelijk heb je namelijk wel en in dat opzicht ben ik erg rechtlijnig. Voor zo’n Groninger affaire dus geen greintje begrip. Voor ander onveilig gedrag ook niet. Dat is eigenlijk alles.

Wat dat ‘identiteits-shoppen’ betreft het is altijd weer grappig om te zien hoe er in diverse kringen aan groepsvorming wordt gedaan. Er is geen wereld zo trendgevoelig als de homowereld (ik kan beter zeggen ‘homowerelden’ want deze is verdeeld in allerlei verschillende soorten scenes). Trends komen en gaan daar bijna sneller dan in de ‘normale’ en ‘hetero’ boze buitenwereld. Of het nu om de leerscene gaat of om de meer trendy jongenscultuur van de Reguliersdwars. Er is vaak niets leukers dan met mede homoseksuelen badinerend te ouwehoeren over hoe lomp, onelegant en smakeloos die domme heterowereld is, die er vaak niets van heeft begrepen. Heel erg navelstaarderig is dat ook, zo niet bijna dorps. En ja, iedere kudde heeft een vijand van buiten nodig, dat is wel weer het jammere maar ook het onvermijdelijke er aan. Maar soms wel erg grappig, zolang je er niet in verzuipt.

Wat voor mij ‘typisch’ homo is, is iets wat ik zelf uitmaak. Dat hoeft mij niet te worden uitgelegd door opportunistische buitenstaanders, die menen in hun zelfverklaarde tolerantie en ruimhartigheid de grenzen te mogen bepalen. Het betreft ook mijn persoonlijke keuzes en zolang ik daar niemand mee benadeel gaat het ook niemand iets aan. Wel kan ik me erg storen aan sjabloondenken en kuddegedrag. ‘Dat jij niet op Pim stemt, jij als homo zou toch beter moeten weten’ heb ik een keer te horen gekregen van iemand, die net als ik lid was geweest van het Leidse corps Minerva. Hij had net ontdekt en bedacht dat homo’s ook leuke mensen zijn, zolang ze maar wel een beetje anders blijven. Dankzij Pim zijn homo’s op een gevaarlijke manier ‘in’ geworden. Dat is al iets om waakzaam voor te zijn. Want wat als je niet aan het beeld voldoet wat zo dodelijk wordt omhelsd? Wellicht is een nog sterkere afwijzing en uitsluiting het gevolg. Oppassen dus. De uitzending van ‘Rondom tien’ laat zien dat er nog altijd redenen zijn om oplettend te zijn. Voor je het weet word je in het hokje van de ‘Pride homo’s’ geduwd. Het volk vindt dat nu even fantastisch maar wee je gebeente als de stemming omslaat. Komrij heeft dus gelijk, al is het maar hoe hij instemmend wordt aangehaald op Geen Stijl: ‘Albert Verlinde, Geer & Goor en alle andere zogenaamd hilarische fladdernichten bukken jullie even? ‘s-Lands homoseksueelste mooischrijver Gerrit Komrij vraagt uw aandacht voor zijn gebalde vuist tot vér achter het schaambot’ (http://www.geenstijl.nl/mt/archieven/2008/09/komrij_poept_op_homos.html). Het is een bijna selffulfilling prophecy. Alleen het slot van dat stuk al: ‘Zo. En nu weer buttsecksen allemaal’ (met die spelling, laat staan dat die idioten weten waar ze het over hebben). Komrij waarschuwt ons juist voor dit geluid, alleen hebben die idioten van Geen Stijl dat niet eens door. Wel beangstigend, en hoe dom de meeste stukjes van geenstijl.nl ook zijn, zij komen meestal wel uit de diepste riolen van de samenleving en laten helaas wel zien hoe even later het ‘Gesundes Volksempfinden’ eruit ziet wanneer het bovengronds komt. Dat hebben we al in het geval van de moslims gezien.

Om geheel instemmend met Gerrit Komrij af te sluiten: ‘Macht blijft macht. Ik kan, als homoseksueel uit een verloren tijd, nog signalen lezen. En al die signalen geven te kennen dat er iets zwaait voor de homoseksuelen als ze niet langer aan de eis van knuffelbaarheid voldoen’. Wie kan zich nog Rotterdam Culturele hoofdstad 2001 herinneren? Het voorbeeld van multiculturele tolerantie, waar buurstad Antwerpen met zijn Dewinter een voorbeeld aan zou moeten nemen? Hoe ‘knuffelig’ er toen over Marokkanen werd gepraat? 11 september kwam en binnen een jaar was het de stad van de leefbaren en Pim Fortuyn.

De woorden op nationale onderbuik Geen Stijl geven genoeg te denken. Ga toch ‘buttsecksen’. Blijkbaar zowel een randdebiel achter het toetsenbord als tussen de lakens. En bemoei je verder niet met zaken waar je geen verstand van hebt.

gaypride, Amsterdam 2008

Edward Said, Orientalism en de kritiek van Kanan Makiya

EEN BOTSING VAN BESCHAVINGEN OF EEN BOTSING VAN ONWETENDHEDEN?

 (fragment)

 

 

 

Nour-Eddine Jarram, zonder titel, olieverf op doek, 1991. Nour-Eddine Jarram is beeldend kunstenaar van Marokkaanse afkomst en woont en werkt sinds vijfentwintig jaar in Nederland (zie ook zijn site) .

 

 

 

 

11 SEPTEMBER, EDWARD SAID EN DE BEELDVORMING VAN HET ‘OOSTEN’ IN HET ‘WESTEN’

 

 

 

Floris Schreve

 

 

 

Inleiding

 

Op 11 september 2001 volgde ik, zoals vele andere Nederlanders, verbijsterd de gebeurtenissen in New York op televisie. In eerste instantie was ik zoals iedereen niet in staat om redelijk na te denken. Na de eerste schrik begon de vraag door mijn hoofd te spoken: wie heeft het gedaan en waarom? De beschuldigende vinger ging al heel snel naar Osama Bin Laden, hoewel er een enkel geluid was dat eventueel Irak erachter zou kunnen zitten.[i] De media namen de ‘Bin Laden-theorie’ echter klakkeloos over, al had niemand iets van bewijsmateriaal onder ogen gehad. Wat mij in de weken die volgden echter het meest frappeerde waren de vele ‘analyses’ en ‘meningen’ in de kranten en op de televisie van diverse ‘experts’ over de betekenis van dit conflict en hun oordeel wat betreft de Islam, het Midden Oosten of de Arabieren. Natuurlijk waren er vanaf het begin ook genuanceerde geluiden te horen, maar zij werden in regel overschreeuwd door een heilige verontwaardiging, of een regelrechte oproep tot wraak. In enkele gevallen werden tegengeluiden zelfs niet getolereerd, zie bijvoorbeeld Frits Bolkestein (‘niet mekkeren langs de zijlijn’), of de woedende uitval van Volkskrant-journaliste Anet Bleich naar Leila Jaffar van de Joods-Palestijnse Dialoog in het door de VPRO uitgezonden debat De onzichtbare vijand.[ii] “Wie niet voor ons is, is tegen ons”, had George Bush verklaard en sommige Nederlanders hadden kennelijk besloten om dit adagium na te volgen.

Voor mij persoonlijk was het najaar 2001 een vreemde periode. Een maand voor de aanslagen van 11 september had ik een punt gezet achter mijn afstudeerscriptie naar hedendaagse kunstenaars uit Arabische landen in Nederland. Naast dat ik vele van deze beeldende  kunstenaars, afkomstig uit Marokko, Egypte, Libanon, de Palestijnse gebieden en vooral Irak[iii] had geïnterviewd en inhoudelijk was ingegaan op hun werk heb ik het onderzochte materiaal tegen het licht gehouden van de beeldvorming de Arabische wereld in het westen. Hierbij ben ik ingegaan op de discussies over deze materie van de afgelopen twintig jaar. Alleen al voor de inhoud van het werk van enkelen van deze kunstenaars bleek de discussie over beeldvorming belang te zijn, zoals bijvoorbeeld voor het op de omslag getoonde werk van Nour-Eddine Jarram, laat staan voor de receptiegeschiedenis van deze veelal onbekende kunstenaars in Nederland.[iv] Het was daarom een vreemde ervaring dat het discours waar ik mij de voorgaande tijd zo intensief mee bezig had gehouden opeens het publieke debat bepaalde.

Het meest opvallende was dat veel van de reacties op de aanslagen feitelijk niets nieuws bevatten. Sterker nog, het soort geluiden dat na 11 september te horen was, was al drieëntwintig jaar eerder uitvoerig besproken en geanalyseerd. In 1978 publiceerde de Palestijns Amerikaanse hoogleraar literatuurwetenschappen Edward Said zijn studie Orientalism. Geheel tegen zijn eigen verwachtingen en die van de uitgever in, werd dit werk wereldberoemd. Het werd vertaald in veertien talen en maakte internationaal veel discussie los. Hoewel dit werk tot op de dag van vandaag niet onomstreden is, heeft het een grote invloed gehad op het aanzien van de cultuurwetenschappen.

Orientalism behandelt de beeldvorming van de ‘Oriënt’, het ‘Midden Oosten’ of de ‘Islamitische Wereld’ in het ‘Westen’ (Said stelt ook deze labels ter discussie). Aan de hand van een grote hoeveelheid wetenschappelijke, literaire en politieke teksten komt Said tot een vernietigend oordeel. Naar zijn mening zouden al deze teksten meer iets zeggen over koloniaal bepaalde vooroordelen van de auteurs dan over de werkelijkheid, die volgens Said veel dynamischer, complexer en pluriformer zou zijn dan het beeld zoals dat in het westen doorgaans bestaat. Sterker nog, hij stelt dat de ‘Oriënt’ als afgebakend gebied slechts een westerse constructie is;  bedoeld om het westen als een aparte en daarmee superieure entiteit te onderscheiden. Op die manier zou het beeld van ‘wij’ tegen ‘zij’ worden bevestigd.

Sinds Orientalism is er veel over deze kwestie verschenen. Aan de ene kant ontving Said veel bijval uit diverse sectoren van de cultuurwetenschappen (de literatuurwetenschap, de culturele antropologie, de filosofie, de sociologie, uit sommige sectoren van de arabistiek en een enkele keer uit de kunstwetenschap).  Saids ideeëngoed is zelfs cruciaal geweest voor het ontstaan van het fenomeen ‘postkoloniale studies’. In die zin is Orientalism dan ook discoursbepalend geweest.

Aan de andere kant ontving Said ook veel kritiek, met name vanuit de hoek van de arabistiek, de discipline die door Said in Orientalism juist het meest wordt bekritiseerd. Vooral de polemiek tussen Edward Said en de arabist Bernard Lewis in de New York Review of Books is zeer bekend geworden.

In dit verband zal ik vooral ingaan op de kritiek van de Irakese schrijver Kanan Makiya. Mijns inziens brengt Makiya’s kritiek een belangrijk verschijnsel aan het licht. Het laat zien dat Said, zowel met Orientalism maar ook met andere publicaties, duidelijk een bepaald doel voor ogen staat, maar andere doelen duidelijk niet. Zo is er wel degelijk een politieke crisis in de Arabische wereld (geen enkel Arabisch land kan bijvoorbeeld een democratie genoemd worden). Dit laatste wordt overigens ook door Edward Said niet ontkend (zoals in Culture and Imperialism), maar het zal in ieder geval duidelijk worden dat het Said vooral gaat om het ontzenuwen van het beeld dat er van de Arabische wereld in het westen bestaat, niet zo zeer om de problemen in de Arabische wereld zelf.[v] Sterker nog, Said heeft wel eens de neiging om dit laatste aspect te verdoezelen of te bagatelliseren. Om deze reden is hij zo heftig aangevallen door Kanan Makiya, die weer vanuit een ander perspectief spreekt, namelijk dat van de Irakese dissident en er dus wel degelijk belang bij heeft om ‘de vuile was’ buiten te hangen.

In deze kleine studie gaat het mij echter om de volgende probleemstelling: hoewel het gaat om nieuwe gebeurtenissen is de discussie over de Islam, de Arabieren of het Midden Oosten niet wezenlijk veranderd sinds de discussie over Orientalism. Naar aanleiding van de verschillende reacties op de aanslagen van 11 september kan worden geconcludeerd dat de verschijnselen die Edward Said in 1978 heeft beschreven in veel gevallen dezelfde zijn gebleven. Het gaat er mij duidelijk niet om de betekenis van de aanslagen zelf te analyseren; ik zal mij beperken tot de analyse van de beeldvorming in een aantal Nederlandse reacties, hoewel er een paar keer een vergelijking zal worden gemaakt met een buitenlandse reactie op de gebeurtenissen van 11 september zoals die Edward Said, Karen Armstrong, Benjamin Barber en Samuel Huntington.

De reacties op de aanslag die hier zullen worden besproken zijn wellicht niet representatief voor het totaal. Zo zijn er wel degelijk meer genuanceerde reacties verschenen. Genoemd moeten worden de hoogleraren P.S. van Koningsveld en Wasif Shadid, de arabist en jurist Maurits Berger en Ahmed Aboutaleb, directeur van Forum, voor multiculturele ontwikkeling. Het gaat mij echter vooral om de Nederlandse reacties die sterk generaliserend en anti-Islamitisch van aard waren. Deze waren echter niet alleen te vinden in de ‘obscure’ hoek; zo ging het hier vaak om prominente opiniedragers als Leon de Winter, Paul Cliteur, Frits Bolkestein en recentelijk Jan Peter Balkenende. Ik heb het dan nog niet eens over Pim Fortuyn, de inmiddels vermoorde lijsttrekker van de LPF, die o.m. met een sterke ‘anti-islamitische’ agenda een grote verkiezingswinst boekte. Ook de media waarin de te bespreken opinies werden gedebiteerd zijn allerminst discutabel en hebben een ‘degelijk’ imago. Zo ging het bijvoorbeeld om de NRC, Trouw, Vrij Nederland  en televisieprogramma’s als Het Journaal, Netwerk en Buitenhof.

Over de opzet het volgende: in het eerste hoofdstuk zal ik ingaan op Edward Saids Orientalism en beknopt de invloed bespreken van dit werk op de cultuurwetenschappen. In het tweede hoofdstuk zal er aandacht worden besteed aan de kritiek van Kanan Makiya, zoals hij die uiteen heeft gezet in zijn werk Cruelty and Silence. In hoofdstuk 3 wil ik beide visies naast elkaar leggen en zal er een poging worden gedaan om te analyseren wat de betekenis is van zowel Said, als Makiya. In het vierde hoofdstuk zullen de eerste reacties besproken worden op de aanslagen in de Verenigde Staten. Het vijfde hoofdstuk ten slotte, zal gaan over de invloed van de aanslagen op het Nederlandse discours, al zullen er ook parallellen worden gemaakt met internationale ontwikkelingen.

Dit vertoog heeft niet de pretentie volledig te zijn. Wel is het een eerste poging tot reflectie op hoe er in Nederland is gereageerd op de recente gebeurtenissen, die naar mijn mening hard nodig is, willen wij op een vreedzame wijze samenleven met verschillende migrantengroeperingen, die in Nederland aanwezig zijn. Hun aanwezigheid is immers een voldongen feit. Een klein beetje meer begrip voor elkaars positie kan daarom mijns inziens geen kwaad.

 

Hoofdstuk 1:

Edward Said, Orientalism en de postkoloniale denkrichting

Edward Wadie Said (Jeruzalem, 1935) studeerde in de Verenigde Staten literatuurwetenschappen en promoveerde op een proefschrift over Poolse/Engelse schrijver Joseph Conrad. In zijn proefschrift fascineerde hij zich sterk voor de vraag waarom een scherpe en kritische observator als Conrad in zijn roman Heart of darkness (1902) tot de volgende conclusie kon komen aangaande het westerse imperialisme: “Het veroveren van de aarde, wat meestal betekent dat ze wordt afgepakt van mensen met een andere huidskleur of met iets plattere neuzen dan wij, is geen fraaie aangelegenheid wanneer je het van al te dichtbij bekijkt. Wat het rechtvaardigt, is enkel en alleen het imperialisme als idee”.[vi] Kennelijk was het imperialisme zo diep verankerd in het culturele bewustzijn van de west Europeaan, dat zelfs iemand als Conrad dit ervaarde  als een vanzelfsprekendheid, hoewel hij, als een van de weinigen van zijn tijd, hier kritische kanttekeningen bij plaatste. Sterker nog, deze kritiek is een van de kernthema’s van Heart of darkness.

De vraag hoe dit allemaal mogelijk was en de uitgebreide studie die hierop volgde, culmineerde uiteindelijk in de publicatie van Orientalism in 1978. In dit werk, dat onverwacht zeer veel gelezen en besproken werd, opende Said de discussie over de verborgen koloniale aspecten in de westerse filologie en de cultuurwetenschappen. De belangrijkste inspiratiebronnen voor Said waren Discipline and Punishment (1972) en The archeology of knowledge (1975) van de Franse filosoof Michel Foucault en de publicaties van de Algerijnse psychiater Frantz Fanon, zoals de werken Les damnés de la Terre (1961) en White skins, black masks (1967).

Belangrijk is echter dat Saids denkbeelden sterk verschillen van deze twee denkers. Said beschouwt zichzelf als een overtuigde humanist. Dit in tegenstelling tot Foucault, die in navolging van Friedrich Nietzsche (zie Jehnseits von Gut und Böse, 1886), het vergaren van kennis zag als een instrument tot het verkrijgen van macht, waardoor hij de traditionele verlichtingsidealen deconstrueerde tot louter een instrument om de ander te overheersen. Hoewel Said zich distantieert van het antihumanisme van Foucault, is Orientalism wel degelijk een toepassing van zijn methoden om te analyseren hoezeer kennis en het vergaren van macht met elkaar samenhangen, waardoor er fundamentele vragen kunnen worden gesteld aangaande de objectiviteit van dit soort processen.[vii]

Wat betreft Fanon deelt Said zijn hevige antikolonialisme en de wil om de verborgen notie van de westerse superioriteit te ontzenuwen en een plaats te geven in het culturele bewustzijn van de gehele mensheid. Toch neemt hij afstand van de soms regelrechte oproep tot geweld, die Fanon in navolging van Marx en Sartre (met Sartre was hij goed bevriend) deed, in het kader van de grote wereldrevolutie, die hij nodig achtte voor de definitieve dekolonisatie van de wereld. Dit moet echter tegen het licht van de tijd worden gezien, toen ook door westerse intellectuelen dictators als Mao, als een redelijk alternatief werden gezien voor de oude kolonialistische structuur die de wereld van toen tot voor kort kende.

Orientalism is in de eerste plaats een studie van een ideeëngeschiedenis. Said stelt zelfs dat het concept Oriënt moest worden uitgevonden om de superioriteit van de west Europeaan zichtbaar te maken. De ‘westerling’ zou van nature een rationeel, door de verlichting geïnspireerd en altijd naar vooruitgang strevend wezen zijn, terwijl de ‘oosterling’ het tegendeel belichaamde in lethargie en enerzijds uitblinkt in romantische gepassioneerdheid, maar anderzijds zich van een wrede, despotische kant kan laten zien, vooral wat betreft religieuze dogma’s. Om dit aan te tonen deconstrueert Said de publicaties van de grondleggers van de arabistiek en islamologie, kortweg de oriëntalisten, als Sylvestre de Sacy, Ernest Renan, en de Leidse oriëntalist Christiaan Snouck Hugronje. Met name bij de laatste toont Said aan dat het hem wel degelijk te doen was om zijn opgedane kennis te laten inzetten om een machtsbasis op te bouwen in het Islamitische Nederlands Indië.[viii] Ook laat Said zien dat dit ideeëngoed niet beperkt was tot de wetenschappelijke oriëntalisten, maar ook zijn stempel drukte op de literatuur (Disraeli, Flaubert, Kipling en zelfs Dickens) en op een politiek denker als Karl Marx, op het eerste gezicht niet de grootste voorstander van het imperialisme. “Sie können sich nicht vertreten, sie müssen vertreten werden”, schreef Marx in Der ahtzehnte Brumaire des Louis Bonaparte in 1869.[ix]

Volgens Said drukken de ideeën van al deze geëerde filologen nog altijd hun stempel op de westerse beeldvorming aangaande de ‘oriënt’. In zijn analyse van twintigste-eeuwse arabisten als H.A.R. Gibb en Bernard Lewis ziet hij nog steeds de visie terugkeren van de irrationele ‘oosterling’, die maar het beste onder controle kan worden gehouden door de rationele en daarmee superieure ‘westerling’. Illustratief is een door Said aangehaald citaat van Gibb. Deze prominente arabist stelde, weliswaar in 1945, maar nog altijd zeer veel aangehaald, het volgende: “It is true that there have been great philosophers among the Muslim peoples and that some of them were Arabs, but they were rare exceptions. The Arab mind, whether in relation to the outer world or in relation to the processes of thought, cannot throw off its intense feeling for the separateness and the individuality of concrete events. I believe, one of the main factors lying behind that ‘lack of a sense of law’, which Professor Macdonald regarded as the characteristic difference in the Oriental. It is this, too, which explains –what is so difficult for the Western student to grasp (until it is explained to him by the orientalists)- the aversion of the Muslims from the thought processes of rationalism. The rejection of rationalist modes of thought and the utilitarian ethic which is inseparable from them as its roots, therefore, not in the so-called ‘obscurantism’ of the Muslim theologians but in the atomism and directness of the Arab imagination”.[x]

Een ander duidelijk voorbeeld is een citaat van de oriëntalist Morroe Berger uit 1967: “The modern Middle East and North Africa is not a center of great cultural achievement, nor is it likely to become one in the near future. The study of the region or its languages, therefore, does not constitute its own reward so far as modern culture is concerned”.[xi]

Volgens Said gaat het hier om Oriëntalisme in zijn meest pure vorm. Naar zijn mening ligt de misvatting aan deze visies ten grondslag in het feit dat de hele islamitische wereld over een kam wordt geschoren, van Marokko tot en met Indonesië. Belangrijk is dat Said aantoont hoe dit soort ideeën tot zeer recent hebben doorgewerkt in zowel de literaire als wetenschappelijke canon, als wel in de politieke visie aangaande de Arabische wereld van het ‘westen’.

Een van de beroemdste passages uit Orientalism is het commentaar van Edward Said op een tekst van de arabist Bernard Lewis The Islamic concept of revolution. Het leverde een heftige pennenstrijd op in The New York Review of Books. Lewis: “In the Arabic-speaking countries a different word was for (revolution) thawra. The root th-w-r in classical Arabic meant to rise up (e.g . of a camel), to be stirred or excited, and hence, especially in Mahgribi usage, to rebel”.[xii]  Said over deze constatering: “Lewis’s association of thawra with a camel rising and generally with excitement (and not with a struggle on behalf of values) hints much more broadly than is usual for him that Arab is scarcely more than a sexual neurotic being. Each of the words or phrases he uses to describe revolution is tinged with sexuality: stirred, excited, rising up. But for the most part it is a ‘bad’ sexuality he ascribes to the Arab. In the end, since Arabs are really not equipped for serious action, their sexual excitement is no more noble than a camel’s rising up. Instead of revolution there is sedition, setting up a pretty sovereignty, and more excitement, which is as much as saying instead of copulation the Arab can only achieve foreplay, masturbation, coitus interruptus. These, I think, are Lewis’s implications, no matter how innocent his air of learning, or parlorlike his language. For since he is so sensitive to the nuances of words, he must aware that his words have nuances as well.”[xiii]

Volgens Said hebben de neerbuigende clichés die er over de ‘Oriënt’ bestaan een grote invloed gehad op de westerse filologie, de literatuur en de politiek. Hij ziet deze dit vooral als een restant van het imperialistische denken en pleit er dan ook sterk voor de achterliggende betekenislagen te ontrafelen, om deze zo te identificeren en te ontzenuwen.

Het ‘oriëntalisme’ zoals Said het beschrijft kent twee componenten. Aan de ene kant is er het romantische gezicht. Het is het beeld van de irrationele en wellustige oosterling, met andere woorden de Arabier uit 1001 nacht. Hieruit vloeit de tweede component van het oriëntalisme voort, die imperialistisch van aard is. Doordat de Oosterling irrationeel is en een religie aanhangt, die volkomen statisch is, is hij niet instaat zichzelf verder te ontwikkelen en moet daarom door het westen onder controle gehouden. Het bovenstaande is wellicht een erg versimpelde samenvatting van dit complex aan vooroordelen, maar Said toont met zeer veel voorbeelden aan dat dit ideeëngoed de basis is voor een enorme hoeveelheid historische maar ook hedendaagse wetenschappelijke, literaire en politieke teksten. is het corpus van oriëntalisme. Volgens Edward Said is dit gebaseerd op vier dogma’s. Said: “Let us recapitulate them here: one is the absolute and systematic difference between the West, which is rational, developed, humane, superior, and the Orient , which is aberrant, undeveloped, inferior. Another dogma is that abstractions about the Orient, particularly those based on texts representing a ‘classical’ Oriental civilization, are always preferable to direct evidence drawn from modern Oriental realities. A third dogma is that the Orient is eternal, uniform, and incapable to defining itself; therefore it is assumed that a highly generalized and systematic vocabulary from describing the Orient from a Western standpoint is inevitable and even scientifically ‘objective’. A fourth dogma is that the Orient is at bottom something either to be feared (the Yellow Peril, the Mongol hordes, the brown dominions) or to be controlled (by pacification, research and development, outright occupation whenever possible)”.[xiv]

Orientalism bracht een storm van reacties teweeg. Aan de ene kant vormde het de basis van een hele nieuwe tak binnen de filologie en de culturele studies, namelijk de postkoloniale studies. De belangrijkste exponenten van deze richting zoals Homi Bhabha, Gayatri Spivak, Stuart Hall,  Kwame Anthony Appaih, Charles Taylor en James Clifford gebruiken vaak Orientalism  als een van hun belangrijkste inspiratiebronnen. Hoewel het begrip postkolonialisme vooral een rol speelt binnen de literatuurwetenschappen, de filosofie en de sociologie, heeft het geleidelijk aan ook zijn opwachting gemaakt binnen de kunstwetenschap. Naast Homi Bhabha en James Clifford, hebben critici en curatoren als Thomas McEvilley, Lucy Lippard, Rasheed Araeen en zeker tegenwoordig ook Jean Hubert Martin en Okwui Enwezor hier internationaal een belangrijke bijdrage aan geleverd.

Toch heeft Orientalism zeer zware kritiek gekregen, met name uit de hoek van de islamologie en de arabistiek. De belangrijkste criticaster is Bernard Lewis, de arabist die overigens in Orientalism het meest kritisch besproken wordt. De meest saillante kritiek die Said uit deze hoek ontving was die van de Franse oriëntalist Maxime Rodinson, die stelde dat Said geen ‘pure Arabier’ is. Het is een typerende reactie van iemand waar begrippen als culturele interactie of culturele hybriditeit geheel niet in het referentiekader voorkomen, wat nu weer juist een van de kritische punten van Orientalism is. Sterker nog, het boek is zelfs geschreven om het publiek van dit soort processen bewust te maken, waardoor reacties als deze kunnen worden afgedaan als een achterhoedegevecht. Natuurlijk is er ook kritiek geweest die wel hout snijdt, zoals de hier uitvoerig te bespreken opvattingen van Kanan Makiya. Verder is het kritische vertoog over het fenomeen postkoloniale studies in het algemeen van de Franse filosoof Alain Finkielkraut zeer interessant, dat naar mijn mening een aantal zeer terechte punten bevat. In zijn essay Tolerantie, de laatste tiran uit 1998 stelt hij dat het culturele debat van de laatste jaren is verworden tot een eisenpakket om erkenning, van allerlei minderheden, die zich in de loop der tijd gepasseerd voelen. Door verdraagzaamheid te ‘eisen’ en niet meer in discussie te willen gaan, heeft de tolerantie een tiranniek gezicht gekregen. Finkielkraut spreekt in dit verband dan ook van ‘de Verenigde Naties van identiteiten’.[xv] Dit laatste punt heeft niet direct wat met Edward Said te maken, maar  wel met een proces dat hij mede in gang heeft gezet.

Het debat over deze kwestie is tot op de dag van vandaag niet verstomd. Said heeft hier in de loop der jaren in verschillende publicaties natuurlijk zelf ook weer op gereageerd. Zijn belangrijkste werk op dit gebied is Culture and Imperialism (1993). Dit werk bespreekt overigens ook uitvoerig culturele uitingen uit de niet-Westerse wereld, zoals het oeuvre van Salman Rushdie. Wat betreft de uitvoerige kritiek op Orientalism zal ik me slechts beperken tot bronnen die verder ook voor dit onderzoek ook van belang zijn.

 

Hoofdstuk 2:

Verzwegen wreedheid

Kritiek op Saids Orientalism is er in de loop der tijd genoeg geweest, uit zeer diverse hoeken. Zoals eerder vermeld heeft ook Said weer gereageerd op deze kritiek en gaat de discussie tot op het moment van vandaag nog altijd voort. Overigens gaat het niet alleen om Orientalism; Said heeft ook over andere zaken uitvoerig geschreven en stelling genomen, met name wat betreft de Palestijnse kwestie. Zo nam hij voor een tijd zitting in de Palestijnse Raad, een belangrijk politiek adviesorgaan van Arafat.  Hoewel hij tegenwoordig een van de belangrijkste critici van Arafat en zijn PLO is, waarvan hij vooral getuigenis deed in zijn meest recente boek The end of the peace process; Oslo and after (2000), is dit een feit dat hem regelmatig wordt nagedragen. Over het in brand steken van zijn kamer door een orthodox Joodse student wil ik het niet hebben, net zo min over het feit dat hij in Israëlische media is afgeschilderd als ‘the professor of terror’.

In dit verband wil ik slechts een belangrijke criticus van Said bespreken, namelijk de Irakese schrijver Kanan Makiya.. Onder het pseudoniem Samir Al Khalil schreef hij naast The Monument; art, vulgarity and responsibility in Iraq (1991) een verhandeling over verstrengeling van kunst en propaganda in Irak, waardoor de kunsten binnen Irak volledig geperverteerd zouden zijn, ook  Republic of fear; the politics of modern Iraq (1989). Dit boek, dat de volle gruwelijkheid van het Irak onder het Ba’ath-regime van Saddam Hoessein beschrijft[xvi], bleef in de eerste jaren vrijwel onopgemerkt. Het werd opeens een bestseller toen in 1991 de golfoorlog uitbrak. Overigens werd er toen door veel Arabische intellectuelen gespeculeerd wie er achter Samir Al Khalil zat. Een Arabier kon immers onmogelijk zo kritisch zijn over mede Arabieren moest het wel in het beste geval een Irakese Jood zijn, of in het slechtste geval een agent van de Mossad. In juni 1992 maakte Kanan Makiya zichzelf bekend aan de Harvard University en bleek de verbijstering alom dat hij een Irakese Shiïet was. De ‘Mossad-theorie’ heeft overigens diep wortel geschoten; zelfs in 2000 wist nota bene een Nederlander, die veel door Irak heeft gereisd, mij nog te vertellen dat Samir Al Khalil waarschijnlijk een agent van de Israëlische geheime dienst was, waardoor zijn boeken ten zeerste gewantrouwd dienden te worden.

Op dit moment kan Kanan Makiya echter worden aangemerkt als een van de meest prominente intellectuelen van de Irakese dissidentengemeenschap in ballingschap. Tegenwoordig woont hij afwisselend in de Verenigde Staten en Engeland. Makiya werd geboren in Bagdad, als zoon van de beroemdste architect van Irak van voor de Ba’athistische dictatuur, Mohammed Makiya, thans wonend in Londen, maar nog altijd bekend als een van de belangrijkste vernieuwers van de Islamitische architectuur en ook werkzaam als kunstcriticus. Makiya trad in de voetsporen van zijn vader en werd eveneens architect. Sinds hij vanaf de jaren tachtig in het westen woont, is hij echter vooral bekend geworden als kunstcriticus en auteur over de huidige politieke situatie van Irak. Aanvankelijk was hij actief in de Palestijnse beweging, later zou hij zich ontwikkelen tot een van de meest principiële critici van de dictatoriale systemen die over de Arabische Wereld heersen. Hij geldt als een zeer felle polemist van het werk van Said, hoewel hij zelf veel minder bekend is dan zijn beroemde tegenspeler. Toch zou ik hem willen kenschetsen als een van de belangrijkste Arabische intellectuelen, die in het westen actief is. Zijn soms in pro-Palestijnse of pro-Arabische kring controversiële standpunten, die echter van een grondige intellectuele basis getuigen, gelden naar mijn mening als zeer belangrijk en ontlenen vooral hun importantie omdat dit het zeer zelden gehoorde geluid is van de grote groep Irakese ballingen in West Europa en de Verenigde Staten, veelal gepasseerd in het postkoloniale discours. Zijn stem moet worden gezien als de stem van de vergeten Irakese dissidenten van het hoogste intellectuele niveau. Zo was hij bijvoorbeeld de belangrijkste initiatiefnemer van Charter 91, een manifest dat in navolging van het Tsjechische Charta 77 (van Vaclav Havel), een demilitarisering van Irak bepleit en de opbouw van een ‘Civil Society’ op democratische wijze. In de jaren tachtig waarschuwde hij in Republic of fear zijn publiek al voor het Irakese Ba’athisme, waarvan het gewelddadige karakter bijzonder serieus moest worden genomen. De geschiedenis heeft hem uiteindelijk gelijk gegeven.

Het denken van Makiya staat haaks op het denken van Said. Het beste kan ik dit illustreren aan de door hemzelf aangehaalde beroemde introductie van Orientalism in Verzwegen Wreedheid. Het gaat hier om de eerste zinnen. Said: “On a visit to Beirut during the terrible war of 1975-1976 a French journalist wrote regretfully of the gutted downtown area that ‘it had once seemed to belong to the Orient of Chateaubriand and Nerval’. He was right about the place, of course, especially so far a European was concerned. The Orient was almost a European invention, and had been since antiquity a place of romance, exotic beings, haunting memories and landscapes, remarkable experiences. Now it was disappearing; in a sense it had happened, its time was over”.[xvii]

Juist dit eerste gedeelte van de introductie en de context waarin Makiya deze tekst bespreekt, toont het verschil aan tussen Said en Makiya. Terwijl Said zich vooral richt op de beeldvorming van de ‘Oriënt’ in het westen, vraagt Makiya zich af waarom de summiere beschrijving van de Libanese burgeroorlog letterlijk de enige beschrijving van de hedendaagse situatie van de Arabische Wereld is, in deze verder zeer omvangrijke studie. Hij stelt zelfs dat vanaf dat moment de werkelijke wereld van de Arabieren uit het boek verdwijnt en dat veel Libanezen deze al dan niet fictieve Oriënt van Nerval en Chateaubriand wellicht net zo missen als die Franse journalist.[xviii] Hiermee heeft hij een interessant punt te pakken; ikzelf heb in Orientalism niets kunnen vinden, dat naar de hedendaagse politieke situatie van de Arabische Wereld verwijst. In principe zou dit nog niet eens zoveel uitmaken, daar Orientalism vooral een uiteenzetting is van een historisch fenomeen in de westerse ideeëngeschiedenis, ware het niet dat Said deze inzet om hedendaagse verschijnselen te verklaren. Met deze redenering verwijdert Makiya enigszins de angel uit Saids betoog.[xix]

Hier komen wij op Makiya’s belangrijkste punt, namelijk de verzwegen wreedheid, zoals hij dit in het gelijknamige boek uiteen heeft gezet. Verzwegen Wreedheid (Cruelty and Silence) bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft een serie indrukwekkende interviews en beschrijvingen van slachtoffers van de golfoorlog en van wat er daarvoor in Irak is gebeurd, toen de wereld de andere kant uit keek. Aan het woord laat Makiya onder meer een Koeweiti, een sjiïetische opstandeling en een Koerdisch slachtoffer van de Anfal operaties uit 1988. Met name het laatste interview is buitengewoon indrukwekkend. Het gaat hier om de toenmalig twaalfjarige Koerdische jongen Taimoer, de enige die voor zover bekend de massa-executies op de Koerden overleefde, omdat hij weliswaar  zwaargewond maar toch onopgemerkt wist te ontsnappen uit de massagraven en hiervan getuigenis heeft gedaan. Na een vrijwel emotieloze en een soms bijna klinische uiteenzetting over aan welke gruwelijkheden hij is blootgesteld (Taimoer werd met zijn familie afgevoerd en naar zuid Irak gedeporteerd, de woestijn in gereden, waar iedereen in een kuil werd geworpen, om vervolgens geëxecuteerd te worden. Hij wist echter uit het nog niet gedichte massagraf te ontsnappen en vluchtte de woestijn in, waar hij onderdook bij een bedoeïenen familie, die ervoor zorgde dat hij na zijn herstel kon terugkeren naar Koerdistan), is vooral het eind van dit interview zeer veelzeggend en geeft het veel te denken. Makiya geeft het in de letterlijke interviewvorm weer en ik zal het dan ook als zodanig citeren: “Als je kon kiezen, wat zou je dan nu met je leven willen doen?” “Een bekend persoon zijn”. “Een bekend persoon?”. “Ja”. “Bekend om wat?”. “De Anfal”. “Wil je liever bekend staan om de Anfal of bekend zijn als een peshmerga?” (Koerdische guerrillastrijder, F.S.). “Om Anfal”. “Wat bedoel je met ‘bekend’ zijn om Anfal?”. “Ik wil dat de wereld weet wat er met mij is gebeurd”.[xx]

In het tweede deel beschrijft Makiya de reacties van Arabische intellectuelen op deze geschiedenis van onbeschrijfelijke wreedheden.  Volgens Makiya hebben Arabische intellectuelen, enkele uitzonderingen daargelaten, de neiging om excessen uit hun deel van de wereld te verzwijgen, of goed te praten, Edward Said voorop, maar bijvoorbeeld ook een schrijver als Abd ar-Rahman Moenif, de dichters Mahmoud Darwish en Nizar Khabani en, wat betreft de golfoorlog, zelfs een kritisch denker als de bekende dichter Adonis. Makiya stelt dat al deze schrijvers en wetenschappers vooral het westen de schuld geven van alles wat er mis is gegaan, terwijl ze de werkelijkheid onder ogen moeten zien en hun verantwoordelijkheid moeten nemen om deze misstanden aan te klagen.

De introductie van Verzwegen Wreedheid beschrijft het uitbreken van de golfoorlog en de reacties van Arabische intellectuelen of van het fenomeen ‘pro-arabische’ intellectuelen. Volgens Makiya betekende het uitbreken van de Koeweit-crisis een hectische periode voor de hele wereld, maar dwong tegelijkertijd vele Arabische intellectuelen kleur te bekennen. Makiya: “De wreedheid van het Irakese Ba’athisme werd plotseling zichtbaar en maakte de meest grove emoties los onder hen die zich geroepen voelden het woord te doen”. In dit verband is de reactie van Said interessant. Makiya: “Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan bekritiseerde Edward Said Republic of Fear als een project dat diende om ‘de stelling te verbreiden dat vetes en geweld in het Midden Oosten te wijten zijn aan, relatief gezien, prehistorische oorzaken die in de genen van deze mensen (de Arabieren) zijn verankerd’. Edward Said is hoogleraar aan de Columbia University en wellicht de meest prominente Arabische intellectueel van het westelijk halfrond. ‘Samir Al Khalil’, zei hij in een interview over de golfoorlog, ‘was in feite een ‘proefkonijn-getuige’ die de rol van autochtone informant op zich had genomen, maar daarmee in feite de belangen van Amerikaanse beleidsmakers diende’. In zulke woorden ligt meer wanhoop en hopeloosheid besloten dan in een hele bibliotheek met boeken gewijd aan de wreedheid van dictators in het Midden Oosten en de verschrikkelijke prijs die mensen betalen voor hun oorlogen. Politiek actief zijn, en de zin van politieke actie in de Arabische Wereld willen heroveren, betekent weigeren een gevangene van dit soort taal te worden”.[xxi]

Het is inmiddels duidelijk geworden, hoezeer deze twee denkers van elkaar verschillen. Dit ligt niet alleen in het feit dat zij beiden wat betreft dezelfde onderwerpen de nadruk leggen op hun eigen thema’s, maar ook dat zij een geheel andere ethiek hanteren. Said gaat in zijn nawoord bij de herdruk van Orientalism uit 1995 nauwelijks in op Makiya’s kritiek. Hij noemt hem slechts een ‘Bernard Lewis adept’ en dat hij slechts wil aantonen dat  Orientalism een poging is om het westen zwart te maken. Said: “It is benighted to say that Orientalism is a conspiracy or to suggest that ‘the West’ is evil: both are among the fatuities that Lewis and one of his epigones, the Iraqi publicist Kanan Makiya, have had the temerety to ascribe to me” [xxii]. Verder blijft Makiya onbehandeld. In Verzwegen Wreedheid wordt Lewis maar een keer aangehaald als “niet bepaald een vriend van de hedendaagse Arabische politiek”. Dat Makiya dit ook niet is moge duidelijk zijn. Toch lijkt het mij evident dat Said de argumenten van Makiya hiermee niet weerlegt. Sterker nog, het feit dat Makya hem dit soort zaken zou toeschrijven heb ik, althans in Verzwegen Wreedheid, niet kunnen terugvinden.

In dit kader wil ik de door Makiya aangehaalde opmerkingen van Said wat betreft de Anfal-operaties aanhalen. Said in de London Review of Books op 7 maart 1991: “De bewering dat Irak zijn eigen burgers vergaste is vaak herhaald. Dit is op zijn best onzeker. Er is tenminste een rapport van het War College, dat werd opgesteld toen Irak nog een bondgenoot van de V.S. was, dat beweert dat de gifgasaanval tegen de Koerden in Halabdja het werk was van Iran. Er zijn tegenwoordig maar weinig mensen die melding maken van zulke berichten in de media”.  Makiya stelt dat het wel heel erg ver gaat dat Said nota bene een document van het Amerikaanse defensie apparaat aanhaalt om de Anfal-operaties ter discussie te stellen, iets dat tegenwoordig niet meer ter discussie staat. Hij had er beter aan gedaan om op grond van dit document de hypocrisie van de Amerikaanse regering aan te tonen. Het bewijst immers de dubbele moraal van de Amerikaanse politiek om de Ba’athistische regering in Bagdad wel te steunen in een oorlog tegen ‘aartsvijand’ Iran, maar deze politiek wordt direct verlaten wanneer Irak ten strijde trekt tegen ‘oliepartner’ As Sabbah, de emirdynastie van Koeweit[xxiii] Het meest belangrijke is echter dat Saids opmerkingen wel zeer schrijnend zijn, als wij dit zien in het licht van Makiya’s interview met Taimoer.

  

Hoofdstuk 3

 

De kwestie Said versus Makiya

 

Het belangrijkste verschil tussen Said en Makiya zit hem vooral in het gebied waarop zij hun pijlen richten. Voor Said is dit de beeldvorming van de Arabische wereld in het westen, of de eurocentrische/ imperialistische visie op de geschiedenis. Daarbij komt kijken dat Said zich vaak heeft opgeworpen als een (ongebonden) belangenbehartiger van de Palestijnse zaak. Zeer belangrijk is Saids notie van ‘het recht op een eigen verhaal’.[xxiv]   Hij wijst er vaak nadrukkelijk op het belang van een tegengeluid inzake de Palestijnse kwestie, ten opzichte van de dominante westerse cultuur, die meestal slechts oor heeft voor het Israëlische standpunt. Natuurlijk is er in de loop van de tijd wel veel veranderd op dit gebied, voornamelijk door de Oslo akkoorden, maar zeker ook door de invloed van Saids ideeëngoed.

Belangrijk is om op te merken waar het er bij Said duidelijk niet om gaat, namelijk het aanklagen van misstanden in de Arabische wereld zelf. Hij verwijst in een aantal geschriften wel degelijk naar politieke uitwassen binnen de Arabische wereld, maar doet dit dan vooral binnen de context van de westerse ‘imperialistische’ belangen, vaak niet geheel ten onrechte. Zo werd voor de Koeweitcrisis het bewind van Saddam Hoessein door het westen gesteund, terwijl de mensenrechtenschendingen toen zeker niet minder waren, dan in de periode erna. In Culture and Imperialism heeft Said er op gewezen dat er tijdens de golfoorlog sprake was van een grootscheepse propagandaoorlog tegen Irak. Een door Said aangehaald citaat uit Foreign affairs spreekt voor zich: “No sooner had the Arab/Muslim world said farewell to the wrath and passion of the Ayatollah Khomeini’s crusade than an other contender rose in Bagdad. The new claimant was made of material different from the turbaned saviour from Qum: Saddam Hussayn was not a writer of treatises in Islamic government nor a product of high learning in religious seminaries. Not for him were the drawn out ideological struggles for the hearts and minds of the faithful. He came from a brittle land, a frontier country between Persia and Arabia, with little claim to culture and books and grand ideas. The new contender was a despot, a ruthless and skilled warden who had tamed his domain and turned it into a large prison”.[xxv]

Said wijst er fijntjes op dat Bagdad bijvoorbeeld de hoofdstad was van het rijk van de Abbasssidische Kaliefen, een van de hoogtepunten van de Islamitische beschaving. Dan hebben wij het nog niet gehad over dat Irak het land is van de Eufraat en de Tigris, waar ooit de Mesopotamische culturen bloeiden, de oudste beschavingen van de mensheid. Said stelt dat Saoedie Arabië, dat in hetzelfde artikel geprezen wordt wellicht meer een “brittle land, with a little claim to culture, books and new ideas” is dan Irak ooit in de geschiedenis geweest is (alhoewel Said er ook op wijst dat de heiligste plaatsen van de Islam in dit gebied liggen).[xxvi] Vanuit het perspectief van mijn eigen onderzoek naar de moderne Irakese kunst durf ik te stellen dat, ook wat betreft de twintigste eeuw, de beweringen in Foreign Affairs absurd zijn. Gedurende een aantal decennia was Irak zelfs een van de meest toonaangevende landen op het gebied van de moderne kunst in de Arabische wereld.[xxvii] Ook leverde Irak een van de grootste Arabische dichters van de twintigste eeuw, Mudhaffar Al Nawab, die sinds de Ba’ath revolutie van 1968 letterlijk als een nomade zwerft over de hele wereld.[xxviii] 

Dit wil niet zeggen dat er met Irak niets aan de hand is. De eerder aangehaalde bagatellisering van Edward Said wat betreft de Anfal-operaties kunnen als ridicuul worden afgedaan. Het argument dat Edward Said gebruikt om zijn bewering te staven, een document van de Amerikaanse regering, is weliswaar vaker gebruikt om de Anfal te ontkennen (met name in de links radicale/ anti-Amerikaanse hoek[xxix]), maar wordt duidelijk door de feiten tegengesproken. Inmiddels zijn er genoeg documenten door de Irakese oppositie verzameld die onomstotelijk aantonen dat de Anfal wel degelijk heeft plaatsgevonden, in opdracht van de Irakese regering, inclusief het bombarderen van de stad Halabdja. Het is inmiddels zelfs twee keer toegegeven door de neef van Saddam Hoessein, Ali Hassan Al Madjied, die de leiding had over deze genocide campagne, thans Iraks minister van Defensie.[xxx] Zelf wil ik hier nog aan toevoegen dat ik, vanwege mijn onderzoek, twee naar Nederland gevluchte Irakese kunstenaars heb leren kennen die in 1988 in Noord Irak waren. Zij hebben de chemische bombardementen ternauwernood overleefd.[xxxi]

Het ontkennen van de Anfal (in feite de vergeten Koerdische ‘Holocaust’ uit 1988) kan dan ook mijns inziens als zeer kwalijk worden gekenschetst. De directeur van het ‘Institut du Kurde’, te Parijs, Kendal Nezan, schreef in het voorwoord van de tentoonstelling Peintres d’ Anfal: “The tragedy, which burst in the world’s consciousness during the Exodus of April 1991, will mark the collective memory of the Kurdish people for a long time to come. Kurdish history will remain divided into ‘before’ and ‘after’ the Anfal (…) Western audiences are thus being given the opportunity to discover an artistic witness to one of the most tragic episode of the century, a century which invited genocide and which has been particularly rich in massacres and mass atrocities, dictated by fanaticism, intolerance, racism, and other ideological delusions”.[xxxii]

Wat betreft het bovenstaande heeft Edward Said zich van een heel ander gezicht laten zien, dan wat men in regel binnen de ‘progressieve’ sector van de alfawetenschappen van hem zou verwachten. Overigens staat Kanan Makiya niet alleen met zijn kritiek; er zijn meer oppositioneel gezinde Irakese intellectuelen die Said ronduit als hypocriet bestempelen.[xxxiii]

In Verzwegen Wreedheid wordt Orientalism zwaar onder vuur genomen. Makiya citeert Orientalism in de volgende context: “In een tijd dat grote delen van de rest van de wereld (Oost Europa, Latijns Amerika, China, Zuid Afrika) de mensenrechten en de democratie begonnen te ontdekken en het gevecht aangingen met de dictaturen van eigen bodem en de stalinistische bureaucratieën, waren de beste en begaafdste Palestijnen bezig geleerde boeken te schrijven die berustten op verklaringen als: ‘…alle academische kennis over India en Egypte is op de een of andere manier bevlekt met en gevormd door dit grove politieke feit (het imperialisme). Dat is wat ik beweer in deze studie van het oriëntalisme. Het is daarom juist, dat elke Europeaan in alles wat hij maar over de Oriënt te zeggen had, derhalve een racist, imperialist en bijna een totaal etnocentrist was’. Edward Saids boek Orientalism was een intellectueel project dat een hele generatie jonge Arabische wetenschappers beïnvloedde. Het bepaalde in de jaren tachtig ook de inhoud van westers universitair onderzoek naar het Midden Oosten. Het oorspronkelijke boek is nooit als kritiek op de huidige Arabische politiek bedoeld geweest, maar voedde de ingewortelde, populistische rancunepolitiek tegen het Westen. De in dat boek geanalyseerde verdraaiing van de werkelijkheid van het Midden Oosten dateerde uit de achttiende en negentiende eeuw, maar werd door jonge Arabische en ‘pro-Arabische’ wetenschappers omgesmeed tot een intellectuele en politieke agenda die geen voeling had met de werkelijke behoeften van de Arabieren. Die leefden immers in een wereld waar de wreedheid en niet het imperialisme hand over hand toenam”.[xxxiv]

Opmerkelijk is dat Edward Said nooit inhoudelijk gereageerd heeft op Makiya’s kritiek. Hij zwijgt zijn belangrijkste Arabische criticaster dood of doet hem slechts honend af. In Culture and Imperialism stelt Said bijvoorbeeld: On the one hand, no one in the dominant public space had paid much attention to Iraq as society, culture, or history until August 1991; then the outpouring quick-fix books and television programmes could hardly be stopped. Typically Republic of fear appeared in 1989, unnoticed. Its author later became a celebrity not because his book makes a scholarly contribution-he does not pretend otherwise-but because its obsessive and monochromatic ‘portrait’ of Iraq perfectly suits the need for dehumanized, ahistorical, and demonological representation of a country as the embodiment of an Arab Hitler. To be non-western (the reifying labels are themselves symptomatic) is ontologically thus to be unfortunate in nearly every way, before the facts, to be at worst a maniac, and at the best a follower, a lazy consumer who, as Naipaul says somewhere, can use but could never have invented the telephone”.[xxxv]

Los van de vraag of ik het eens ben met de algemene strekking van dit citaat, kun je je afvragen of dit alles wel op Kanan Makiya van toepassing is. Afgaande op het voorgaande (zoals de ‘Anfal-ontkenning’) kan er geconcludeerd worden dat Edward Said, wat betreft Irak, soms meer à-historisch te werk gaat dan Kanan Makiya. Over Saids bewering dat Republic of fear geen wetenschappelijke pretentie heeft, zou ik niet al te zeker zijn. De Leidse arabist Hans Jansen bijvoorbeeld noemt Republic of fear ‘het standaardwerk’ over het Irak van de Ba’ath.[xxxvi]

Elders doet Edward Said Kanan Makiya af als ‘Uncle Ahmed’. Het is tekenend hoe de discussie over het Midden Oosten, op Amerikaanse universiteiten althans, totaal is gepolitiseerd.[xxxvii]

Hoewel uit het voorgaande is gebleken dat Said en Makiya elkaar zeer hevig bestrijden denk ik dat hun beide visies waardevol zijn. Naar mijn mening sluiten ze elkaar niet uit maar vullen ze elkaar aan, los van alle polemieken. Belangrijk is om te realiseren dat beide auteurs twee volstrekt verschillende doelstellingen hebben. Het werk van Edward Said is zeker buitengewoon waardevol, zolang het de westerse beeldvorming van de ‘Oriënt’ betreft. Het moge duidelijk zijn dat Orientalism of Culture and Imperialism geen volledige verklaring bieden voor verschijnselen als Saddam Hoessein of Osama Bin Laden. Wel weet hij de vinger te leggen op het verwrongen beeld dat er in het westen bestaat van de Arabische wereld. Ik neig ertoe het niet eens te zijn met Kanan Makiya dat de verschijnselen die in Orientalism worden besproken geen geldigheid meer hebben, hoe belangrijk het werk van Makiya verder ook is. Door mijn afstudeeronderzoek bijvoorbeeld ben ik op vrij veel zaken gestuit die heel goed aan de hand van Orientalism zijn te verklaren. Alleen al het werk op zich van sommige kunstenaars uit Arabische landen (zoals het op de titelpagina getoonde voorbeeld van Nour-Eddine Jarram) laat zien dat deze thematiek wel degelijk relevant is. Dan heb ik het nog niet eens gehad over de receptiegeschiedenis van deze kunstenaars in Nederland. Uit eigen ervaring weet ik hoe onthutsend het beeld is, dat men in Nederland soms heeft van alles wat te maken heeft met de Arabische cultuur.[xxxviii] Het lijkt mij daarom buitengewoon zinvol om de reacties op de gebeurtenissen van 11 september te analyseren tegen de achtergrond van Orientalism.

Tot zover dit fragment van mijn verhandeling over Orientalism uit 2001. Zie hieronder een uitgebreid interview met Edward Said over Orientalism

Zie hieronder Edward Saids voordracht ‘The Myth of the Clash of Civilizations’, waarin hij het werk van Huntington behandelt:


[i] Zie Hans Jansen, Osama Bin Laden kan pion Irak zijn, het Financiëele Dagblad, 14-9-2001, of Ina Friedman, Aanval VS/wie steekt er achter?, Trouw, 17-9-2001 (interview met de Israëlische  Irakspecialist Amatsia Baram). Verder is er sterk gesuggereerd door de verenigde Irakese oppositie in ballingschap, het zogenaamde Irakese Nationaal Congres (INC), dat Saddam Hoessein achter de aanslagen zat. Bewijzen hebben zij echter niet kunnen leveren en er is dan ook sterke kritiek geleverd op het INC door verschillende Irak kenners als de historicus Charles Tripp en het voormalig hoofd wapen inspecties van de VN, Scott Ritter.

Wat in dit verband wel interessant is zijn de verbanden tussen de eerste aanslag op het WTC uit 1993 en de Irakese geheime dienst. De belangrijkste dader van deze aanslag, Ramzi Yussuf, zit inmiddels gevangen in de Verenigde Staten. Hoewel de bewijzen juridisch nooit zijn hardgemaakt, heeft arabiste Laurie Milroie, in haar publicatie The politics of revenge; Saddam’s never ended war (Washington, 1998), overtuigende argumenten aangeleverd dat Ramzi Yussuf een Irakese geheim agent was.

Update 2010. Bovenstaande opmerking schreef ik in 2001, nadat ik me uitgebreid had laten informeren door iemand die ik zeker een expert zou willen noemen (een bekende Nederlandse arabist, wiens kennis ik zeer hoog acht, al deel ik veel van zijn opinies niet). Achteraf blijkt dit verhaal niet steekhoudend te zijn en zat Laurie Milroie er in meer opzichten naast. Ze geloofde ook (maar wie niet?) dat Irak nog over  grote hoeveelheden massavernietigingswapens beschikte, al waren er toen ook al berouwbare tegengeluiden (bijvoorbeeld van iemand die het echt kon weten als Scott Ritter). Maar was dus allemaal onzin. Dus bij deze een kleine correctie op mijn opmerking uit 2001.

[ii] Uitzendingen Buitenhof, VPRO, 14-9-2001 en De onzichtbare vijand, VPRO, 14-9-2001

[iii] Er bevinden zich tegen de tachtig beeldende kunstenaars uit Irak in Nederland. De meeste van hen zijn begin jaren negentig naar Nederland gekomen als politiek vluchteling, hoewel er een klein aantal al eerder in Nederland actief was. De Irakese ballingengemeenschap is zeer complex, qua onderlinge verdeeldheid en politieke loyaliteit. Ik zag mij daarom ook genoodzaakt de Irakese journalist en kunstcriticus Ismael Zayer, de Koerdische politicoloog Fuad Hussein en Herman Divendal, coördinator van de mensenrechtenorganisatie AIDA, te raadplegen. Juist voor het onderzoeken van deze specifieke groep ballingen is het hele Midden Oosten debat zeer relevant, met name de kwestie Said versus Makiya. Simpel uitgedrukt gaat het hier om de kwestie ‘het westen heeft een imperialistische agenda in het Midden Oosten’ versus de slachtoffers van een ‘anti-imperialisch’ regime. In mijn scriptie heb ik de conclusie getrokken dat deze kunstenaars in feite in een gat vallen, tussen beide ‘tegenpolen’.

[iv] Floris Schreve, Van oriëntalisme naar een kans voor nieuwe ontmoetingen; hedendaagse kunstenaars uit Arabische landen in Nederland, afstudeerscriptie Universiteit Leiden, 2001. Voor een ander voorbeeld van een kunstenaar, voor wie de beeldvorming van het ‘oosten’ in het ‘westen’ ten zeerste relevant is verwijs ik naar de tentoonstellingscatalogus Saskia en Hassan gaan trouwen; Achnaton Nassar, een kunstenaar uit twee culturen, met bijdragen van Achnaton Nassar, Floris Schreve, Hans Sizoo, met een voorwoord van Kitty Zijlmans, Universiteitsbibliotheek Leiden, 2001.

[v] Edward Said, Culture and Imperialism, Chatto and Windus, 1993, p. 355.

[vi] Edward Said, denker over grenzen, (J. Rutten, red.), Boom, Haarlem, 1999, p. 16.

[vii] Edward Said, Orientalism; western conceptions of the orient, Londen 1978 (reprint 1995), p. 3, 14.

[viii] Ibidem, p. 209-210

[ix] Ibidem p. 21

[x] Ibidem, p. 105-106.

[xi] Ibidem, p. 288.

[xii] Ibidem, p. 314

[xiii] Ibidem p. 315-316

[xiv] Ibidem, p. 300-301

[xv] Alain Finkielkraut, De Terreur van de tolerantie, De Groene Amsterdammer, 2-12-1998.

[xvi] Ba’ath betekent in het Arabisch herrijzenis. De ‘Ba’ath’ ideologie werd in de jaren veertig ontwikkeld door de Christelijke Syriër Michel Aflaq. Uiteindelijk is de Ba’ath partij er in geslaagd om in Syrië en Irak de macht te grijpen. Ook in Libanon en Jordanië is de Ba’ath partij actief; zij het dat het daar om marginale groeperingen gaat. Overigens bestaat er een hardnekkig misverstand over deze ideologie, zij zou immers Islamitisch van aard zijn. Dit is niet juist. Deze stroming is van pragmatische seculiere aard en kenmerkt zich  door een extreem ‘Pan-Arabisch’ nationalisme.  Aflaqs voornaamste inspiratiebron was immers Mussolini’s fascisme. Aflaq: “Nationalism is love before anything else. He who loves doesn’t ask for reasons. And if he were to ask, he would not find them. He who cannot love except for a clear reason, has already had this love wither away in himself and die”. De ABSLP van Saddam Hoessein (Arabic Ba’athi Socialist Leaders Party) heeft er alles aan gedaan om het Islamitische fundamentalisme sterk te onderdrukken.

[xvii] Orientalism, p. 1

[xviii] Kanan Makiya, Verzwegen Wreedheid, Amsterdam, 1993, p. 294.

[xix] Ibidem, p. 341

[xx] Ibidem, p.207.

[xxi] Ibidem, p. 19.

[xxii] Orientalism, 346.

[xxiii] Makiya, p. 379-380.

[xxiv] Edward Said; denker over grenzen, p. 22

[xxv] Culture and Imperialism, p. 359

[xxvi] Ibidem, p. 359-360

[xxvii] Floris Schreve, Van Oriëntalisme naar een kans voor nieuwe ontmoetingen, hoofdstuk 1, p. 8-31

[xxviii] Mudhaffar Al Nawab heeft een keer opgetreden in Nederland op het festival Irak, een cultuur in ballingschap, georganiseerd door AIDA. Een lezenswaardig verslag van dit gebeuren is het artikel van Marijn van der Jagt, Een dichter die alle tegenstellingen overstijgt; Al Nawabs zintuigen functioneren het best bij gevaar, de Volkskrant, 13-12-1996.

[xxix] Een duidelijk voorbeeld van deze strategie wordt toegepast in Rendez-vous in Bagdad, EPO, Antwerpen, 1996. Het gaat hier om een verslag van links georiënteerde Belgische intellectuelen, die een bezoek aan Bagdad brengen om de kwalijke gevolgen van het embargo te ‘onderzoeken’. In hun unanieme veroordeling van het embargo achten zij het noodzakelijk om herhaaldelijk Saddam Hoesseins bewind te bagatelliseren of zelfs te prijzen. Zo worden de Koerdische opstandelingen ‘verraders’ genoemd, p. 20. De Anfal wordt slechts één keer besproken en wordt op grond van hetzelfde document ‘ontkend’,  p. 20-21. Saillant is ook dat in het ‘historisch overzicht’ bij het jaar 1988 de Anfal niet wordt vermeld, hoewel daar toch, in een periode van vier maanden, tussen de 100.000 (officiële cijfers van de regering in Bagdad) en de 180.000 (cijfers van de Koerdische oppositie) Koerden zijn vermoord, p. 235 (cijfers slachtoffers van de Anfal, Makiya, p. 175).

Voor verdere lectuur wat betreft de ‘Anfal-ontkenning’ wil ik verwijzen naar Ramsey Clark (voormalig minister van justitie van de V.S. in de regering Johnson, tegenwoordig een van de belangrijkste woordvoerders van extreem links in Amerika), The fire this time; US war crimes in the Gulf, Thundermouth Press, New York, 1992. Ook hij baseert zich op het desbetreffende document (Army War College Team, Department of Defence, Washington, 1988) om de Anfal te ontkennen.

[xxx] Makiya, p. 176-177

[xxxi] Het betreft de beeldende kunstenaars Aras Kareem en Qassim Alsaedy. De Koerdische kunstenaar Aras Kareem komt uit Suleimanya (Noord Irak) en heeft een groot deel van zijn familie verloren tijdens de Anfal-operaties. Na de golfoorlog was hij actief in de Koerdische opstand en werd hij gezocht door de Irakese geheime dienst, waardoor hij permanent moest onderduiken. In 1993 lukte het hem om met zijn vrouw en twee kinderen naar Nederland te vluchten.

Qassim Alsaedy komt oorspronkelijk uit Bagdad en is van Arabische afkomst. Hij was leerling van Shakir Hassan Al Sa’aid, een van de grootste vernieuwers van de Irakese kunst van de twintigste eeuw. Tijdens zijn studententijd (1969-1974) sloot Alsaedy zich aan bij de linkse oppositie tegen het Ba’ath bewind. Hiervoor heeft hij lange tijd in de gevangenis moeten doorbrengen. Alsaedy maakte eind jaren zeventig furore als kunstenaar in Libanon en Syrië. Begin jaren tachtig besloot hij terug te keren naar Irak, om samen met de Koerdische guerrilla mee te werken aan de bevrijding van zijn land. Na 1988 week Alsaedy uit naar Libië, werd docent aan de kunstacademie van Tripolie, maar raakte na zeven jaar opnieuw in politieke problemen. In 1995 vluchtte hij naar Nederland.

[xxxii] Art d’ Anfal, Institut du Kurde, Parijs, 1995, p. 3. Deelnemer aan deze tentoonstelling was o.m. de hier boven genoemde Koerdische kunstenaar Aras Kareem, die tegenwoordig in Nederland woont.

[xxxiii] De in Nederland werkzame Koerdische politicoloog, Fuad Hussein, verklaarde mij: “Edward Said is hypocriet. Op een symposium aan de Universiteit van Amsterdam verklaarde hij dat de Arabische wereld in het westen te negatief wordt afgeschilderd. Toen ik hem na afloop onder vier ogen sprak, zei hij mij dat hij nooit van zijn leven in Irak zou willen wonen, daar hij de dictatuur van Saddam Hoessein te verwerpelijk vindt. Zoiets zegt hij nooit in het openbaar”. De in Nederland wonende Irakese journalist Ismael Zayer (oa. politiek commentator van de Arabische krant Al Hayat, uitgegeven te Londen)  zei mij het volgende: “While he was playing the piano and writing books about the negative influence of imperialism, in the mean time, we were fighting against a regime which calls itself ‘anti-imperialistic’.  We risked our lives at the moment that he denied the crimes of the Ba’ath. When we were in prison, Said told the world, that Saddam was not the criminal, but mainly the west”. Overigens zijn zowel Fuad Hussein als Ismael Zayer goed bevriend met Kanan Makiya.

[xxxiv] Makiya, p. 337-338.

[xxxv] Culture and Imperialism, p.367-368

[xxxvi] Hans Jansen, Nieuwe Inleiding tot de Islam, Coutinho, 1998, p. 229.

[xxxvii] Norvell B. De Atkene, Daniel Pipes, Middle Eastern Studies; what went wrong?, ‘Academic Questions’, Winter 95-96.

[xxxviii] Ter illustratie kan ik vele kritieken noemen uit diverse kranten. Een belangrijk voorbeeld hiervan is Janneke Wesseling, kunstcritica van de NRC. Het is verbijsterend hoe zij telkens weer de plank weet mis te slaan wanneer het niet-westerse hedendaagse kunst betreft, zoals blijkt uit haar recensies van Kunstwelten im Dialog (1999), Continental Shift (2000), 12 Hedendaagse Arabische kunstenaars (2001) en Unpacking Europe (2002). Ook verschillende culturele instellingen (musea en galeries) hebben hier duidelijk moeite mee. Verder zijn sommige kunstenaars bij tijd en wijle behandeld op een wijze die dicht tegen het racisme aanschurkt. Als voorbeeld kan ik noemen de gemeente Vlaardingen die heeft getracht een expositie te verbieden van de Palestijnse kunstenaar Jamal Khamis en de openingstoespraak van een tentoonstelling van de Irakese kunstenaar Salman Al Basri, door Frits Bolkestein. Bolkestein verklaarde oa. dat hij hoopte dat de kunstenaar weer zo snel mogelijk naar Irak kon vertrekken. Verder zei hij niets van kunst te weten, maar wilde hij wel vertellen hoe hij persoonlijk Saddam Hoessein had ontmoet. Het meest extreme voorbeeld waar ik op ben gestuit is de kwestie van de Egyptische kunstenaar Achnaton Nassar en de vreemdelingenpolitie. Deze politiedienst achtte het nodig het werk van Nassar in een kluis te verstoppen omdat het gezagsondermijnend zou zijn.  Toen ik samen met Achnaton Nassar dit feit aan het licht had gebracht en het gepubliceerd kreeg in Trouw, verklaarde de politie van Amsterdam, bij monde van woordvoerder Klaas Wilting, dat het werk ‘aanstootgevend voor Moslims zou zijn’. Ook is de affaire rond de opera Aïsja is mijns inziens te verklaren uit een ‘goedbedoelde’ vorm van oriëntalisme. Waarom een imam raadplegen als het om het realiseren van een theaterproductie gaat? Het antwoord is simpel; puur omdat het met de islam te maken heeft. Ter vergelijking, geen uitgever zou op het idee komen om Bisschop Eyck van Groningen te raadplegen, wanneer het om een roman van Reve zou gaan. Al deze zaken heb ik echter uitvoerig in mijn afstudeerscriptie besproken. Het betreft het gehele vierde hoofdstuk en grote delen van het vijfde hoofdstuk.

// <![CDATA[
http://knockknock.punt.nl/knockknock/register_new.php?Site=10720“>

%d bloggers liken dit: