Mijn hersenspinsels en gedachtekronkels

De pompeuze miezerigheid van Leon de Winter

Eigenlijk heb ik weinig toe te voegen aan het ruwe materiaal. Het spreekt al genoeg voor zichzelf.

Een tijdje terug nam schrijver/columnist Leon de Winter het op voor zijn vriend, de in opspraak geraakte en inmiddels geschorste advocaat Bram Moszkowicz. De Winter viel vooral over een zinsnede van de Deken van de Orde van Advocaten. Deze zou gezegd hebben dat Bram Moszkowicz ‘niet intrinsiek slecht’ is. De Winter reageerde in de Volkskrant met het onderstaande artikel:

http://www.volkskrant.nl/vk/nl/3184/opinie/article/detail/3321713/2012/09/25/Leon-de-Winter-De-deken-heeft-Bram-Moszkowicz-retorisch-verkracht.dhtml

Leon de Winter: ‘De deken heeft Bram Moszkowicz retorisch verkracht’

Door: OPINIE – Leon de Winter −25/09/12, 07:06
© anp. Bram Moszkowicz

opinieBram Moszkowicz is niet ‘intrinsiek slecht’, zei de deken van de Orde van Advocaten. Moskowicz senior zei hetzelfde over oorlogsmisdadigers. Leon de Winter vraagt zich af of de deken in de Moszkowicz-zaak de uitzondering op de regel is.

  • Bram is beroemd, rijdt in mooie auto’s, heeft een mooie en slimme vriendin en neemt het er soms van – dus wordt hij benijd en, als het kan, verguisd.

  • Vindt Kemper Bram ook een slecht mens – zoiets als een oorlogsmisdadiger? En wil hij hem toch een beetje als mens zien?

Bram Moszkowicz is een hartelijke en trouwe vriend. Ik kan dus niet objectief zijn, ook al probeer ik dat, en afstandelijk kijken naar wat hem nu overkomt. Ik leef met hem mee – dat doe je met vrienden.

Bram ligt onder vuur van de deken van de Orde van Advocaten, en dus van een groot deel van de media. Veel mensen vinden het leuk wanneer ‘the mighty fall’. Bram is beroemd, rijdt in mooie auto’s, heeft een mooie en slimme vriendin en neemt het er soms van – dus wordt hij benijd en, als het kan, verguisd.

Die dingen die ik over Bram lees, doen me pijn. Ik kan de waarde van de opmerkingen van de deken, Germ Kemper, niet op waarde schatten. Ik weet alleen dat ik de man die ik ken, en die mijn vriend is, daarin niet herken.

Uitzonderlijk talent
Bram is een briljante advocaat. Hij heeft niet alle zaken kunnen winnen die hij heeft gedaan, maar wie hem ooit heeft zien pleiten, weet dat hij een uitzonderlijk talent is.

Kemper beweerde dat Bram niet geschikt was voor het vak van advocaat – dat was lachwekkend. Kemper zei meer gekke dingen. Daaruit proefde je de persoonlijke afkeer die hij van Bram heeft.

Naast de belastende feiten viel met name de toon op waarmee Kemper zich tegenover het Tuchtcollege meende te moeten uiten. Kemper wekte de indruk een heilige opdracht uit te voeren. Hij overdreef, beledigde, ging met zichzelf op de loop. Wat bij mij het langst bleef hangen, was Kempers opmerking dat Bram ‘niet intrinsiek slecht’ was en dat Kemper daarom slechts een half jaar in plaats van een jaar schorsing, of nog erger, eiste.

Daarover geen misverstand: een half jaar schorsing is een soort doodstraf voor een advocaat. Een half jaar of een heel jaar: het maakt de onderneming van Bram kapot. Kempers doet net of hij toch een beetje mededogen heeft, maar dat is bedrog. Hij weet wat hij doet. Brams zaak moet dicht. Bram moet eraan.

Gekke woorden
De eis van doodstraf overdekte Kemper op een gegeven moment met een laagje retorisch mededogen: Bram was ‘niet intrinsiek slecht’, zei hij. Gekke woorden in dit verband. Vreemd.

Dat ‘niet intrinsiek slecht’ bleef hangen. Waar kwamen die woorden vandaan? Waarom moest Kemper die kwijt? Was dat, ondanks de veroordelingen aan het adres van Bram, toch een aardige opmerking? Curieus om die woorden in zo’n aanklacht tegen te komen. Wat doen die woorden daar? Niet alleen bij mij vielen ze op. Ze werden overal geciteerd.

In Brams boek Liever rechtop sterven dan op je knieën leven schrijft Bram over zijn vader: ‘Zo werkte hij hard aan zichzelf, om uiteindelijk de man te worden die ondanks alles de moed en de wijsheid bezat om ons te leren ‘dat intrinsiek slechte mensen niet bestaan’.’

Zwartste zielen
Daar komt die opmerking dus vandaan. Het staat geloof ik nog twee keer in Brams boek. Brams vader gebruikte die woorden om zelfs bij de zwartste zielen nog enig licht te zien, om niet verbitterd te raken en desnoods zichzelf te misleiden door te denken dat ook bij de ergste moordenaar nog iets menselijks te vinden valt – met de moed der wanhoop projecteerde hij iets humaans op beestachtige types.

Kempers opmerking was dus helemaal niet zo aardig. In Brams boek slaat die opmerking op slechterikken die, door iemand die de hel heeft doorstaan (Brams vader), toch tot mens worden bestempeld. Het feit dat Kemper ze uit hun oorlogscontext haalde, is een gotspe. Hij is niet Brams vader, die wel het recht had om zoiets te zeggen. Kempers woorden vielen op omdat ze een karakteroordeel inhielden over iemand wiens daden als advocaat door Kemper ter discussie werden gesteld. Wel of niet ‘intrinsiek slecht’ heeft niets met Kempers aanklacht te maken. Hij is geen psychiater. Maar hij kon het niet laten ze te gebruiken. Waarom niet?

Oorlogsmisdadiger
Ik kan een paar vage verklaringen bedenken voor het feit dat Kemper, de deken van de Orde van Advocaten, Brams vader wilde citeren. Maar helemaal kom ik er niet achter. Vindt Kemper Bram ook een slecht mens – zoiets als een oorlogsmisdadiger? En wil hij hem toch een beetje als mens zien? Maar met zijn eisen wil Kemper Bram monddood en brodeloos maken – zoveel mens wil hij kennelijk niet in Bram zien.

Ik zag in Kemper een cynische man die obsessioneel achter Bram is aangegaan. Dat ‘niet intrinsiek slecht’ ervaar ik als een ontwijding van de heilige woorden van Brams vader. Kemper wist dat alleen Bram die opmerking zou begrijpen; doordat Kemper ze gebruikte, nam hij ze van Brams vader af en besmeurde hij ze door ze tegen diens zoon in te zetten. Het was een retorische verkrachting. ‘Nodeloos grievend’, heet dat in advocatenjargon.

‘Intrinsiek slechte mensen bestaan niet’, citeert Bram zijn vader in zijn boek. Ik vraag me af of Kemper de uitzondering op die regel is.

Leon de Winter is schrijver.

Tot zover de Winter in de Volkskrant. Persoonlijk denk ik dat De Winter spijkers op laag water zoekt. Bovendien heeft vooralsnog de aanklagende partij in deze kwestie gelijk gekregen. Ik wil me verder niet over de affaire Moszkowicz uitspreken en er komt wellicht nog een hoger beroep, dus misschien dat de uiteindelijke afloop een hele andere is.

Het gaat me wel om de overgevoeligheid van de Winter, of zijn schijnbare vermogen om achter de komma ‘Het Kwaad’ te deconstrueren. Maar helaas, Leon de Winter is geen Hannah Arendt, die in zowel haar verslaggeving van het Eichmannproces ( de notie van ‘De banaliteit van het Kwaad’, hoe toepasselijk, juist in deze context), als met haar ‘Het Zionisme bij nader inzien’ zich een van de belangrijkste denkers van de twintigste eeuw heeft getoond. De Winter is  een miezerige sjoemelaar, die grossiert in opportunistische  gelegenheidsargumenten. Zie het onderstaande verslag van de website van Powned:

http://www.powned.tv/nieuws/buitenland/2012/11/leon_de_winter_steriliseer_pal.html

22 november 2012-16:15

Leon de Winter: ‘steriliseer Palestijnse volk’

 

#PillarOfCloud

Grap van De Winter valt goed bij joodse solidariteitsbijeenkomst.

Leon de Winter heeft voorgesteld anticonceptiemiddelen in de watervoorziening van de Gazastrook te kieperen om het ongebreidelde voortplanten aldaar een halt toe te roepen.

De schrijver en Badr-apologeet deed zijn voorstel tot gedwongen eugenica tijdens een solidariteitsbijeenkomst van Nederlandse joden in Amsterdam gisteravond.

De toespraak van De Winter werd vanochtend uitgezonden op Radio 1.

De Winter pareerde in zijn betoog beschuldigingen van genocide aan Israelisch adres met het argument dat de bevolking van de Gazastrook enkel is toegenomen de laatste jaren.

“Misschien moeten we in het geheim een anticonceptiemiddel aan het drinkwater van Gaza toevoegen,” stelde De Winter daarop voor.

De opmerking werd met schaterlachen begroet door het publiek. Onder de bezoekers van de avond bevonden zich de Israëlische ambassadeur in Nederland, Hiam Devon, en de goedlachse SGP-lijsttrekker Kees van der Staaij.

De Winter staat bekend om zijn grote gevoel voor humor en zelfspot. Zo eiste hij in 1992 10.000 gulden schadevergoeding van oudmediaal trolforum Propria Cures, nadat het een fotosoep had gepubliceerd van De Winter in een concentratiekamp.

( Hier is het audio-fragment te beluisteren van de toespraak van De Winter, waarin hij deze uitspraak doet, waarbij opvalt dat de Winter vooral zelf erg moet lachen om zijn ‘geslaagde grap’)

Tot zover dit bericht van de site van Powned. Tja, wat moet je hiervan zeggen? Ik ben niet zo dol op het maken van vergelijkingen met de periode 40-45, maar voor Leon de Winter, die hier zelf absoluut niet vies van is, wil ik best een uitzondering maken. Stel je een bijeenkomst met  SSers voor, waarbij een spreker roept ‘we moeten iets in het drinkwater van het Getto van Warschau doen, zodat de Joden daar zich niet meer kunnen voortplanten’. En de zaal met bruinhemden brult het uit van het lachen. Ik ben persoonlijk niet zo’n fan van de schrijver Leon de Winter, maar ik twijfel er niet aan dat hij verbeeldingskracht genoeg heeft om zich dit tafereel te kunnen voorstellen.

De vergelijking met het Getto van Warschau is overigens al vaker gemaakt, bijvoorbeeld door Amos Oz, Israëls beroemdste schrijver en bovendien wel een schepper van grote literatuur.

Over de kwestie of Leon de Winter een ‘intrinsiek slecht mens ‘ is wil ik me niet uitspreken. Maar hij heeft de schijn wel tegen zich, met zulke dijenkletsers. Veel meer dan de Deken van Advocaten, die tot nu toe het juridische gelijk aan zijn kant heeft.

Floris Schreve

Lees verder het zinvolle commentaar van Abu Pessoptimist (Maarten Jan Hijmans): ‘Leon de Winters racisme en joodse organisaties die zich eens op het hoofd zouden moeten krabben’

Zie ook de gastcolumn van Jaap Hamburger, voorzitter van Een Ander Joods Geluid op Abu Pessoptimist: De Winter: de genialiteit van de eenvoud  

Leon de Winter verdedigt zich op zijn website Het Vrije Westen (niet overtuigend, wat mij betreft). Zie ook deze uitzending van ‘De Kunst van het maken’ (23 november 2012), waarin de Winter zich tegenover Claudia de Brey tracht vrij te pleiten (wederom niet erg overtuigend).

 

Inleiding en toelichting op mijn eigen positie in het Midden-Oosten conflict

Nu het zg Midden-Oosten conflict een van de belangrijkste thema’s van mijn blog is geworden en er ook al enige ‘discussie’ is ontstaan, althans, ik me genoodzaakt voelde om scherp positie te kiezen (zie het vorige bericht), is het misschien toch goed om een keer mijn eigen uitgangspositie toe te lichten. Daarom zal ik alvast het inleidende stukje publiceren van een veel langere verhandeling die ik nu aan het schrijven ben over hoe het complexe geheel mijns inziens in elkaar zit. Een eerder fragment, over de drie monotheïstische godsdiensten, publiceerde ik al hiervoor op dit blog, hier te raadplegen. Maar hier dus alvast het inleidende gedeelte. Het geheel zal later verschijnen.
In dit verband vind ik het vooral belangrijk om mijn eigen vertrekpunt duidelijk te maken. Normaal schrijf ik op dit blog wat minder persoonlijke stukken, maar in dit geval lijkt het me niet verkeerd om toch iets over mijn eigen achtergrond te vertellen en waarom ik gaandeweg steeds meer affiniteit met die regio  en dus ook met deze penibele kwestie heb gekregen. Bij deze:

Mona Hatoum Greater Divide
Mona Hatoum, Greater Divide, object/ staal, 2002. Mona Hatoum is een wereldberoemd kunstenares van Palestijnse afkomst. Haar werken, veelal installaties en video’s, zijn vaak meerduidig te interpreteren. Zowel ‘kleinere’ persoonlijke thema’s spelen bij haar een rol als grotere politieke kwesties. In dit verband lijkt me dit werk redelijk toepasselijk.

Een koloniale oorlog uit Europees schuldbesef;

 De bijna onontwarbare kluwen van ‘het Midden Oosten conflict’

De bovenstaande titel lijkt een paradox. Hoe kan er kolonialisme bestaan uit naam van Europees schuldbesef? Toch is dit mijns inziens de kern van de kwestie Israël/Palestina. Overigens is dit niet de enige paradox. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog, t/m de jaren zeventig was het heel progressief om voor Israël te zijn. ‘Links’ was er maar al te zeer op gebrand om de schandvlek van de Holocaust uit te wissen. Bij ons gold dat zeker voor bijvoorbeeld de PvdA, zoals het kabinet Den Uyl in de jaren zeventig, dat zelfs in het geheim wapens aan Israël leverde voor de Yom Kippoer oorlog. In Amerika was het lange tijd meer gebruikelijk om sympathie te uiten voor Israël bij de Democraten dan bij de Republikeinen. Tegenwoordig is het bijna omgekeerd. Het zijn nu de neo-conservatieven die Israël als grote bondgenoot zien, terwijl de sympathie voor de Palestijnen meer te vinden is aan de linkerkant van het politieke spectrum dan aan de rechterkant.
Als er een ingewikkelde kwestie is, die de hele wereld bezig houdt en waar maar geen eind aan lijkt te komen, dan is het wel het Palestijnse/Israëlische ‘conflict’ (zeg maar een voortdurende staat van latente dan wel oplaaiende oorlog). Het is ook een zaak waar zo’n beetje alle grote werkelijke en vermeende conflicten bij elkaar komen. De Tweede Wereldoorlog, zelfs de Eerste Wereldoorlog (het Sykes/Picot accoord en de Balfour declaratie), de dekolonisatiestrijd, gedurende een bepaalde tijd de Koude Oorlog, de al dan niet bestaande ‘clash of civilizations’, ‘het westen’ versus ‘de islam’, een vorm van apartheid, vermeend of echt antisemitisme in verschillende vormen, Amerikaans imperialisme en neoconservatieve visioenen, de aanjager voor de ‘radicale islam’, een bliksemafleider voor Arabische dictaturen, een excuus voor interventies in het Midden Oosten door internationale grootmachten om hun belangen veilig te stellen, enz. enz.
Om het nog ingewikkelder te maken; bij vrijwel iedere analyse of mening over deze kwestie speelt een of meer van de bovengenoemde zaken wel een rol, al is het op de achtergrond. Dat maakt ook dat iedere discussie over dit onderwerp al snel een heikele zaak. Alles wat met dit conflict samenhangt is historisch, ideologisch of zelfs religieus beladen. Het is bijna onmogelijk om deze kwestie terug te brengen tot een volkenrechtelijk conflict, al is dit mijns inziens de enige juiste weg om tot een uiteindelijke oplossing te komen.
Laat ik meteen beginnen om uiteen te zetten hoe ik zelf tegen deze materie aan kijk, al heeft mijn ‘denken’ ( of mening) hierover wel een ontwikkeling doorgemaakt. Niet omdat mijn mening er zoveel toe doet of omdat ik zelf zo interessant ben, maar als ik aan deze zaak mijn vingers wil branden, lijkt het me wellicht zinvol om zo helder mogelijk te zijn over mijn eigen vertrekpunt, dan bestaat er geen enkel misverstand over mijn intenties. En het blijkt keer op keer toch weer noodzakelijk te zijn om je positie duidelijk te maken; voor je het weet krijg je met het ‘a-woord’ naar je hoofd geslingerd, zoals besproken in het vorige bericht (al was dat wel een bijzonder excessief voorbeeld).
Tot ongeveer halverwege de jaren negentig was ik min of meer pro-Israëlisch. Ik baseerde mijn mening vooral op wat ik in de kranten las, op het nieuws zag en verder op wat ik uit mijn omgeving meekreeg. Om het maar meteen helemaal persoonlijk te maken; ik heb zelf een gedeeltelijk Joodse achtergrond (om precies te zijn, mijn grootmoeder van vaderskant was joods), al ben ik daar zeker niet mee opgegroeid en speelde bij mijn directe familie het Jodendom eigenlijk geen rol. Ik ben ook zelf gaan ontdekken hoe dat precies met mijn eigen familie zat, want er werd zelfs niet over gepraat (overigens is mijn eigen familie seculier, dus ik ben zonder een religie opgegroeid). Wel hadden er verschillende, zij het wat verdere familieleden veel in de Tweede Wereldoorlog meegemaakt en hebben sommigen het niet overleefd, maar dat was geen gespreksonderwerp, althans niet voor de generatie die het had meegemaakt en aanvankelijk ook niet voor de generatie daarna, die was opgevoed met het idee dat je over bepaalde zaken beter niet kunt spreken. Dat is eigenlijk alles wat ik er over kwijt kan of wil zeggen. Het bovenstaande is overigens niet een echt onbekend fenomeen.
Wel had een ander nabij familielid (de broer van mijn Opa, overigens niet van Joodse afkomst) in diverse concentratiekampen van de Nazi’s gezeten. Dit omdat hij Engelandvaarder was en later, toen hij als geheim agent in Frankrijk was gedropt, door de Duitsers werd gearresteerd. Hij werd naar Kamp Buchenwald gedeporteerd en later naar Kamp Dora, waar hij te werk werd gesteld als ‘Nacht und Nebel Arbeiter’ in de beruchte V2 fabrieken. Hij overleefde dit alles en keerde na de oorlog terug. De reden waarom ik dit vertel is dat hij, na ook jarenlang te hebben gezwegen, aan mij, toen ik zestien was, zijn hele verhaal heeft verteld. Hij woonde toen gedurende de zomers in Zuid Frankrijk, bij Aix en Provence en ik heb daar een keer gelogeerd om wat aan mijn Frans te doen, want de afspraak met mij (en vooral mijn ouders) was dat hij en zijn Franse vrouw vooral Frans met me zouden spreken. Daar is niets van terecht gekomen. Hij was net bezig om zijn herinneringen op te schrijven (is later als boek uitgegeven 2 ) en heeft mij eigenlijk iedere dag (en nacht want onze gesprekken duurden soms tot 3 a 4 uur in de ochtend) verteld over zijn tijd als geheim agent en wat hij had meegemaakt in de Nazi kampen. Dit heeft een grote indruk op me gemaakt (ik was toen ook pas zestien, maar dan nog). Maar het is iets dat ik nooit meer zal vergeten en zijn verhaal heb ik vaak in mijn achterhoofd gehad, ook toen ik vanaf die tijd steeds meer ben gaan lezen over de Tweede Wereldoorlog, de Nazi kampen en over antisemitisme of zelfs racisme in het algemeen. Ook toen ik Primo Levi’s ‘meesterwerk tegen wil en dank’ las, Is dit een mens, kon ik dit niet lezen, zonder te denken aan de verhalen over de concentratiekampen die deze broer van mijn opa mij verteld had.
Ik vertel deze persoonlijke geschiedenis alleen maar om duidelijk te maken wat mijn uitgangspunt was (of eigenlijk nog steeds is, als we het naar het algemeen menselijke trekken), niet om iets anders. Het verhaal van de broer van Opa over de Nazi kampen en de constatering dat ik wel degelijk  ‘Joodse roots’  heb (al waren die zogenaamd non-existent, want het onderwerp werd altijd gemeden), hebben er aanvankelijk voor gezorgd dat mijn sympathie enigszins overhelde naar  ‘de Joodse zaak’ (als er zoiets bestaat). Geen wonder dat ik, mij ook baserend op wat er voor ‘Oslo’ zoal in de Nederlandse kranten stond, gematigd pro-Israëlisch was. Dat ben ik eigenlijk tot halverwege de jaren negentig gebleven.
Gedurende mijn verblijf in Leiden kreeg ik steeds meer interesse voor kunst en cultuur uit de niet-westerse gebieden. Ik schreef een stuk over de kunst en de geschiedenis van Indiaans Noord Amerika (als er een geval van brute koloniale misstanden is geweest, is het deze geschiedenis wel. Dit stuk is later tot een artikel omgewerkt en heb ik ook hier gepubliceerd) en begon me zodoende steeds meer te interesseren voor andere voormalig gekoloniseerde gebieden in de wereld. Dankzij mijn stage bij een fonds dat kunst en cultuur in de niet-westerse gebieden ondersteunt (voornamelijk ontwikkelingslanden, maar doet ook veel in het Midden Oosten) kwam voor mij ook de Arabische wereld in beeld. Uiteindelijk heb ik ook mijn scriptie geschreven over kunstenaars uit de Arabische wereld in Nederland, waarvan vele van deze kunstenaars zich zeker niet in ‘vrijwillige ballingschap’ bevonden (een paar fragmenten hier en hier). Zodoende breidde mijn kennis van de wantoestanden van diverse Arabische dictaturen, maar zeker ook van de Israëlische bezetting van de Palestijnen, zich steeds meer uit. Een niet onbelangrijke bron is het denken van de Palestijnse literatuurwetenschapper Edward Said geweest. Naast zijn algemene verhaal over stereotypen van vroeger gekoloniseerde of niet-westerse volkeren, zoals hij uiteen heeft gezet in zijn belangrijke werken Orientalism (1978) en Culture and Imperialism (1993) heb ik natuurlijk ook kennis genomen van wat hij over zijn eigen achtergrond heeft geschreven, zijn bestaan als Palestijnse balling (zie overigens hier een fascinerende serie korte interviewfragmenten, waarin zijn visie helder naar voren komt). Al was ik ruim voor die tijd al veel genuanceerder tegen de Palestijnse kwestie gaan aankijken en had hun zaak al veel meer mijn sympathie dan de Israëlische bezettingsmacht, het bestuderen van Edward Said, zijn bewonderaars maar ook zijn scherpste critici (waaronder Kanan Makiya, wiens kritiek ik op belangrijke punten zelfs kan onderschrijven), heeft mijn standpunt echt doen veranderen in het voordeel van de Palestijnen. Daarmee zeg ik niet dat ik sympathiseer met een Palestijnse partij of met bepaalde Palestijnse politici, maar wel dat ik van mening ben dat de Palestijnen een groot onrecht is aangedaan en dat het einde van de Israëlische bezetting wel het minste is wat er moet gebeuren om vrede te stichten maar ook om recht te doen. Met de nadruk op het minste.
Mijns inziens staat het vanzelfsprekend buiten kijf dat de Joden een gruwelijke misdaad is aangedaan, vooral gedurende de Tweede Wereldoorlog, maar ook in de eeuwen daarvoor en zelfs daarna (zoals in de Sovjet Unie). De vraag is echter of de Palestijnen de prijs voor deze misdaden moeten betalen. Naar mijn mening is daarmee een groot onrecht geschied. En dan heb ik het niet over wat sommige Palestijnse leiders allemaal doen, of de middelen die sommige Palestijnen toepassen wel de juiste zijn (vaak verre van), noch over wat zogenaamde sympathisanten van de Palestijnen allemaal uitkramen, van verschillende Arabische dictators, de huidige Iraanse president, t/m sommige zeer dubieuze sympathisanten in het westen (ik bedoel vooral de op zich marginale groep van Holocaust ontkenners, die ook populair zijn in sommige kringen in het Midden Oosten, zoals bij de huidige Iraanse president 2). Het gaat er mij ook niet om het Palestijnse leed uit te vergroten ten opzichte van het leed van de Koerden, de Tibetanen of de Christenen van Darfur. Dat gebeurt namelijk ook, hoewel je in het laatste geval weer ziet dat Israël voorop staat om te pleiten voor de rechten van de Darfur Christenen (en ze zelfs op grote schaal wil opvangen om het eigen ‘demografische probleem’ tov de groeiende Arabische bevolking op te lossen), die weer als een bliksemafleider gebruikt worden van het Palestijnse probleem. Ze ook het enorme lawaai dat door Israël supporters wordt gemaakt over Israëls ruimhartige hulp aan de slachtoffers van de aardbeving in Haïti, bijvoorbeeld op de site van de eerder besproken extremistische pro-Israël activiste Ratna Pelle, zie hier. Let vooral op haar opmerking over ‘degenen die geen zin hebben in de Novib & co, kunnen geld storten op…’ (de ‘Novib & co’ zijn natuurlijk te kritisch naar Israëls ‘ethische politiek’, zoals naar het blokkeren van hulpgoederen voor Gaza. Misschien is het voor Ratna Pelle een ideetje om een keurmerk op te zetten, zoiets als Max Havelaar, of ‘proefdiervrij’, maar dan anders;).
Maar dit probleem bestaat op minstens net zo’n schaal, zoniet nog veel groter, aan de Arabische zijde.  Een korte passage uit het werk Verzwegen Wreedheid van de Iraakse schrijver Kanan Makiya, dissident van het Saddam regime, zegt misschien genoeg: ‘Er zijn door Arabische intellectuelen miljoenen woorden geschreven over dat Israël honderden Palestijnse dorpen verwoestte en terecht. Toch besloten deze zelfde intellectuelen te zwijgen toen een Arabisch regime duizenden Koerdische dorpen met de grond gelijk maakte’.3 Deze constatering van Makiya, overigens zelf een Arabier, is wellicht terecht. Maar ook in deze kun je niet het ene leed tegen het andere wegstrepen. En dat geldt voor beide partijen. De ramp voor de Palestijnen wordt er niet minder op door er een omvangrijker humanitaire ramp tegenover te zetten. Net zo goed als het in Zuid Afrika ook nogal potsierlijk was als verdedigers van de apartheid naar Idi Amin verwezen. Omgekeerd waren de opmerkingen van Idi Amin over de apartheid net zo grotesk, net als Saddams gebral over het ‘bevrijden van de Palestijnen’.
Het ergst heb ik altijd de pro-Saddam leuterpraatjes van sommige westerlingen gevonden, alleen omdat ze ook heel kritisch zouden zijn op Israël, dus zijn alle Arabieren goed. Het slechtste voorbeeld op dit gebied dat ik ken is dit Belgische reisverslag, als boek verschenen, maar ook online beschikbaar. 4 Maar verder heb ik helaas ook wat meer meegemaakt en gezien van dit soort zaken (fellowtravellers dus), gedurende mijn onderzoek naar de kunst van de Iraakse diaspora. Heel interessant om als ‘progressieve West Europeaan’ zo modieus anti-westers, Israël en het embargo te zijn (alle redenen tot kritiek overigens), maar om dan Saddam te vergoeilijken heb ik altijd een vorm van dommige dweepzucht gevonden. Ik bedoel hier dus niet de kwestie voor of tegen de Amerikaanse aanval zijn, maar vooral beweringen als: ‘Het is daar allemaal niet zo erg, want Amerikaanse propaganda’, etc. Nog nooit met een Iraki gepraat die het regime aan den lijve had ondervonden, of uitsluitend met Iraki’s die of voor het regime werkten of in Irak ‘vrijuit konden praten’, met het mes van de Mukhabarat (Saddams geheime dienst, NB getraind door de Oost Duitse Stasi) op de keel. En dan wel beweren solidair te zijn met het Iraakse volk. En kennelijk ook vergeten dat Saddam in de jaren tachtig door het westen gesteund werd en wellicht nog saillanter (maar bijna vergeten) dat gedurende de Koude Oorlog men de Ba’thpartij niet eens zo’n slechte buffer vond tegen het communisme. Irak had namelijk een grote communistische partij, waar de Ba’thi’s uitermate vijandig tegenover stonden. Maar goed, geen enkel misverstand dus, allemaal fout en hypocriet.
Maar om dan opeens voor Israëls ‘ethische politiek’ naar de Palestijnen te zijn? Als Israël pretendeert ‘de enige democratie van het Midden Oosten’ te zijn, kan het zich een systeem van apartheid niet permitteren (werd er tot in de jaren tachtig in sommige kringen niet beweerd dat Zuid Afrika ‘de enige democratie van Zuidelijk Afrika’ was?). En bovendien, Israël was toch gesticht met het doel om een veelal elders gediscrimineerde bevolkingsgroep een veilig tehuis te bieden? Zie hier weer een van de wrange paradoxen van dit vrijwel uitzichtloze conflict.
Aan de hand van deze beschouwing zal ik proberen mijn standpunt toe te lichten. Ik zal vooral een historische beschrijving geven (het onderstaande betoog is chronologisch opgebouwd). Wellicht is het verre van volledig, maar ik heb getracht de belangrijkste kwesties mee te wegen.

Floris Schreve

Tot zover de inleiding. Het direct hierop volgende stukje wordt het fragment over de monotheïstische godsdiensten, al eerder hier verschenen. Het geheel volgt dus later.

Noten

1. Guido Zembsch Schreve (opgetekend door Eddy de Roever), Operatie Pierre Jaques; Geheim agent, comando en gevangene van de Gestapo, Uitgeverij Hollandia, Baarn, 1990. In het Engels verschenen als Pierre Lalande: special agent, Leo Cooper, Londen, 1996. Zie ook deze uitzending van het geschiedenisprogramma Andere Tijden over Kamp Dora, http://geschiedenis.vpro.nl/programmas/2899536/afleveringen/39391235/, waarin hij overigens geen rol speelt (hij is in 2003 overleden).

2. Aan een paar van deze Holocaustontkenners (David Irving, Robert Faurrisson en Ernst Zündel) heb ik aandacht besteed in een serie andere artikelen op dit weblog. Bij een Belgisch antroposofisch tijdschrift dat ik hier kritisch heb besproken, zijn deze lieden nogal populair, zie https://fhs1973.wordpress.com/category/antroposofie-en-holocaust-negationisme/

3. Kanan Makiya, Verzwegen wreedheid; nationalisme, dictatuur en opstand in het Midden Oosten, Bulaaq/Kritak, Amsterdam/Antwerpen, 1993, p. 209. Aan deze publicatie heb ik elders op dit blog ook uitgebreide aandacht besteed, zie https://fhs1973.wordpress.com/2008/05/11/edward-said-orientalism-en-de-kritiek-van-kanan-makiya/.

4. Charles Ducal (red.), Rendez vous in Bagdad, Epo, Antwerpen, 1994. Verslag van een groepje ‘kritische’ Belgische intellectuelen, die zich door het toenmalige Iraakse regime  lieten uitnodigen om de gevolgen van het embargo ‘kritisch’ te onderzoeken. Hun gastvrouw was de Iraakse journaliste en functionaris van het ministerie van informatie, Nasra as-Sadoon, gehaat en gevreesd door de Iraakse ballingen die ik ken, al wordt er in het boek stellig beweerd dat zij géén lid zou zijn van de Ba’thpartij en onafhankelijk was (net alsof dat mogelijk was). Om dit met een voorbeeld te illustreren; hier in Nederland sprak ik een inmiddels gevluchte Iraakse kunstenaar die in eigen land een grote faam genoot; hij werd ook herhaaldelijk positief gerecenseerd in het niet meer bestaande Engelstalige internetkrantje van deze Nasra as-Sadoon, The Daily Iraq. Toen ik hem over dit boek sprak, wist hij me te vertellen: ‘Zij zou niet voor het regime werken? Zij is het regime’.
Dit gezelschap sprak ook met een andere kunstenaar in Bagdad, die later ook naar Nederland is gevlucht en die ik persoonlijk goed heb leren kennen. Geheel overbodig om te zeggen dat wat hij toentertijd in Irak aan deze delegatie vertelde niet overeenkwam met zijn werkelijke opvattingen en deze kunstenaar was echt geschokt om jaren later terug te lezen hoe dit gezelschap zich door het regime heeft laten inpakken. Het boek is in zijn geheel te lezen op http://www.irak.be/ned/index.htm

Drie tot nadenken stemmende artikelen over de brandende kwestie Israël/Palestina

Ook geplaatst op de site van Stop de Bezetting

Hoewel ik er zelf wel mijn eigen ideeën over heb, heb ik er nooit echt mijn vingers aan durven branden: de kwestie Palestina/Israël. Het schrijven van een goed stuk over deze materie is lastig en kent zoveel dilemma’s en gevoeligheden, dat het risico groot is dat je op allerlei tenen trapt, ook als je het niet zo bedoelt.
Ik ben van plan het toch te doen; in ieder geval een grondige historische uiteenzetting en ook hard te maken dat de Palestijnen een groot onrecht is aangedaan, waar lange tijd niemand oog voor had vanwege de grootste genocide uit de geschiedenis, de Holocaust. Maar de Palestijnen verdienen hoe dan ook hun vrijheid en hun recht op zelfbeschikking en aan de situatie van bezetting en wat mij betreft ook ‘apartheid’ moet hoe dan ook een eind komen.
Een paar jaar geleden las ik een zeer interessant artikel van de Britse/Joodse historicus Tony Judt (zie biografie). Hoewel het heel veel reacties heeft losgemaakt (veel woedende want Judt zou de ‘opheffing van Israël’ bepleiten) denk ik dat het nog steeds tot nadenken stemt. Het komt in ieder geval dicht bij mijn eigen gedachten over deze materie (zij het dat ik zelf ook nog wat vraagtekens heb ) .
Heel onlangs vond ik dit stuk terug op internet. Daarom leek het mij interessant om het hier weer onder de aandacht te brengen. En over deze materie volgt later nog veel meer. Maar met name deze passage heeft geheel mijn instemming:

‘Today, non-Israeli Jews feel themselves once again exposed to criticism and vulnerable to attack for things they didn’t do. But this time it is a Jewish state, not a Christian one, which is holding them hostage for its own actions. Diaspora Jews cannot influence Israeli policies, but they are implicitly identified with them, not least by Israel’s own insistent claims upon their allegiance. The behaviour of a self-described Jewish state affects the way everyone else looks at Jews. The increased incidence of attacks on Jews in Europe and elsewhere is primarily attributable to misdirected efforts, often by young Muslims, to get back at Israel. The depressing truth is that Israel’s current behaviour is not just bad for America, though it surely is. It is not even just bad for Israel itself, as many Israelis silently acknowledge. The depressing truth is that Israel today is bad for the Jews’.

Het tweede artikel is van Ilan Pappé, een van de bekendste zogenaamde ‘New Historians’, zoals deze nieuwe generatie Israëlische historici vaak wordt aangeduid. Deze New Historians, hoe verschillend zij ook zijn, hebben met elkaar gemeen dat zij kanttekeningen hebben geplaatst bij de onstaansmythen van de Staat Israël. De notie ‘een land zonder volk voor een volk zonder land’ is uiteraard geheel terzijde geschoven, maar ook het nog steeds veel gehoorde verhaal dat de Arabieren vrijwillig het gebied Palestina zouden hebben verlaten, omdat hun leiders daartoe zouden hebben opgeroepen. De titel van Pappé’s bekendste werk ‘The ethnic cleansing of Palestine’ spreekt wat dat betreft boekdelen. Ik geef hier de biografische beschrijving weer van wikipedia, die wellicht verhelderend genoeg is:

Ilan Pappé (born 1954 in Haifa, Israel) is professor of history at the University of Exeter in the UK, and co-director of the Exeter Center for Ethno-Political Studies. He was formerly a senior lecturer in political science at Haifa University (1984-2007), and chair of the Emil Touma Institute for Palestinian and Israeli Studies in Haifa (2000-2008).[1] He is the author of The Ethnic Cleansing of Palestine (2006), The Modern Middle East (2005), A History of Modern Palestine: One Land, Two Peoples (2003), and Britain and the Arab-Israeli Conflict (1988).[2]

Pappé is one of Israel’s “New Historians” who, since the release of pertinent British and Israeli government documents in the early 1980s, have been rewriting the history of Israel’s creation in 1948 and the corresponding expulsion or flight of 700,000 Palestinians in the same year. He has written that the expulsions were not decided on an ad hoc basis, as other historians have argued, but constituted the ethnic cleansing of Palestine, in accordance with Plan Dalet, drawn up in 1947 by Israel’s future leaders.[3] He blames the creation of Israel for the lack of peace in the Middle East, arguing that Zionism is more dangerous than Islam, and has called for an international boycott of Israeli academics.[4][5]

His work has been both supported and criticized by other historians. Before he left Israel in 2008, he had been condemned in the Knesset, Israel’s parliament; a minister of education had called for him to be sacked; his photograph had appeared in a newspaper at the center of a target; and he had received several death threats.[6]

(http://en.wikipedia.org/wiki/Ilan_Pappe, zie ook dit interview in Trouw)

De onderstaande kaarten met toelichting zijn afkomstig van de website van Dries van Agt (http://www.driesvanagt.nl/) , die tegenwoordig een in mijn ogen lovenswaardige campagne voert voor de Palestijnse zaak

784170380_5_nsF2[1]

784170393_5_neSP[1]

784170400_5_kFNM[1]

784170409_5_qbGU[1]

784170416_5_V1Is[1]

784170428_5_wxkQ[1]

784170436_5_-UTo[1]

784170444_5_BB0S[1]

784170464_5_iIRw[1]

 

 

de muur bij Qalqiliyya

Hier volgt een fragment uit het onderscheiden boek van Joris Luyendijk,vml correspondent in de Bezette gebieden:

‘Stel: in de Verenigde Staten wordt een gek de baas die alle mensen met een Friese grootvader laat oppakken en afmaken. Het wordt een moordpartij van ongekende omvang en als het Anti-Friese bewind eindelijk ten val komt, is duidelijk dat de Friese overlevenden niet meer in Amerika willen wonen. Dus komt er een plan: de Friezen krijgen een eigen staat. En wat is een logischer plek dan het land dat volgens de oude teksten Fries is? Ondanks Nederlands verzet stemmen de Verenigde Naties met het plan in en uit de hele wereld trekken mensen met een Friese grootouder richting de nieuwe Friese staat, royaal gesubsidieerd door Amerika. De overige Nederlanders protesteren: ”Wij hadden toch nooit problemen met de Friezen?’ Maar in de internationale opinie overheerst het medelijden met de Friezen. Er komt een voorstel: de helft van Nederland wordt Frisia, en in de andere helft kunnen de Nederlanders blijven wonen.
De Nederlanders pikken dit niet en er komt een oorlog die de Friezen, met Amerikaanse hulp, winnen en een nog groter deel van Nederland valt in Friese handen. Miljoenen niet-Friese vluchtelingen overstromen de grote Nederlandse steden en de spanningen lopen op, vooral omdat kleine groepjes Nederlanders een guerrilla zijn begonnen tegen de Friezen. ‘Terrorisme!’, roepen Friese voorlichters op CNN: ‘They are killing innocent Frisians!’ Intussen vraagt het Nederlandse volk: ‘Wat hebben wij voor leiders?’
Er volgt een militaire coup en wanneer Nederland probeert in het buitenland wapens te kopen, verovert de jonge Friese staat met een ‘preventieve aanval’ de rest van Nederland, plus stukken van Duitsland en België. Drommen niet-Friese Nederlanders vluchten de grens over naar Duitsland en België, waar ook coups volgen: we moeten voorkomen dat de Friezen ons pakken! Intussen regeert het Friese leger met harde hand over de bezette Nederlandse provincies, wurgt de economie en confisqueert de mooiste stukjes voor nederzettingen en speciale wegen van die nederzettingen naar Frisia.
Dan komt er een vredesproces en krijgt Nederland Limburg, een stukje Brabant en een Zeeuws eiland aangeboden. Die brokjes mogen geen Nederland heten, Nederland mag geen leger hebben en alle grenzen worden bewaakt door Friese troepen’.

Joris Luyendijk, Het zijn net mensen; beelden uit het Midden Oosten, Uitgeverij Podium, 2006, p. 145-146

Een grafische uitwerking van Luyendijks parabel door Ruiter Janssen (van de website van Een Ander Joods Geluid, http://www.eajg.nl/)

Een grote aanrader is de documentaire ‘The Israel Lobby’, naar het gelijknamige boek van John J. Mearsheimer & Stephen M. Walt (Farrar, Strouss, Giroux, New York, 2007). Oorspronkelijk van de redactie van VPRO Tegenlicht, later Engelstalig bewerkt. Ook Tony Judt komt hierin uitgebreid aan het woord. Te bekijken via deze link: The Israel Lobby. Over de vraag waarom de Nederlandse politiek, ook naar Europese verhoudingen, nog altijd zo’n uitgesproken pro-Israël koers vaart, zie deze nog altijd relevante uitzending van Zembla, Zwijgen over Isräel. Aan het woord komen oud ministers als Hans Van Mierlo, Bram Stemerdink en Hans van den Broek, Rabbijn Evers, Ronnie Naftaniël van het CIDI, Hajo Meijer van Een Ander Joods Geluid en vele anderen.

Hier het volledige artikel van Judt (bron: http://www.nybooks.com/articles/16671 ) :

New York Review of Books Volume 50, Number 16 • October 23, 2003

Israel: The Alternative

By Tony Judt

The Middle East peace process is finished. It did not die: it was killed. Mahmoud Abbas was undermined by the President of the Palestinian Authority and humiliated by the Prime Minister of Israel. His successor awaits a similar fate. Israel continues to mock its American patron, building illegal settlements in cynical disregard of the “road map.” The President of the United States of America has been reduced to a ventriloquist’s dummy, pitifully reciting the Israeli cabinet line: “It’s all Arafat’s fault.” Israelis themselves grimly await the next bomber. Palestinian Arabs, corralled into shrinking Bantustans, subsist on EU handouts. On the corpse-strewn landscape of the Fertile Crescent, Ariel Sharon, Yasser Arafat, and a handful of terrorists can all claim victory, and they do. Have we reached the end of the road? What is to be done?
At the dawn of the twentieth century, in the twilight of the continental empires, Europe’s subject peoples dreamed of forming “nation-states,” territorial homelands where Poles, Czechs, Serbs, Armenians, and others might live free, masters of their own fate. When the Habsburg and Romanov empires collapsed after World War I, their leaders seized the opportunity. A flurry of new states emerged; and the first thing they did was set about privileging their national, “ethnic” majority—defined by language, or religion, or antiquity, or all three—at the expense of inconvenient local minorities, who were consigned to second-class status: permanently resident strangers in their own home.

But one nationalist movement, Zionism, was frustrated in its ambitions. The dream of an appropriately sited Jewish national home in the middle of the defunct Turkish Empire had to wait upon the retreat of imperial Britain: a process that took three more decades and a second world war. And thus it was only in 1948 that a Jewish nation-state was established in formerly Ottoman Palestine. But the founders of the Jewish state had been influenced by the same concepts and categories as their fin-de-siècle contemporaries back in Warsaw, or Odessa, or Bucharest; not surprisingly, Israel’s ethno-religious self-definition, and its discrimination against internal “foreigners,” has always had more in common with, say, the practices of post-Habsburg Romania than either party might care to acknowledge.
The problem with Israel, in short, is not—as is sometimes suggested—that it is a European “enclave” in the Arab world; but rather that it arrived too late. It has imported a characteristically late-nineteenth-century separatist project into a world that has moved on, a world of individual rights, open frontiers, and international law. The very idea of a “Jewish state”—a state in which Jews and the Jewish religion have exclusive privileges from which non-Jewish citizens are forever excluded—is rooted in another time and place. Israel, in short, is an anachronism.

In one vital attribute, however, Israel is quite different from previous insecure, defensive microstates born of imperial collapse: it is a democracy. Hence its present dilemma. Thanks to its occupation of the lands conquered in 1967, Israel today faces three unattractive choices. It can dismantle the Jewish settlements in the territories, return to the 1967 state borders within which Jews constitute a clear majority, and thus remain both a Jewish state and a democracy, albeit one with a constitutionally anomalous community of second-class Arab citizens.
Alternatively, Israel can continue to occupy “Samaria,” “Judea,” and Gaza, whose Arab population—added to that of present-day Israel—will become the demographic majority within five to eight years: in which case Israel will be either a Jewish state (with an ever-larger majority of unenfranchised non-Jews) or it will be a democracy. But logically it cannot be both.
Or else Israel can keep control of the Occupied Territories but get rid of the overwhelming majority of the Arab population: either by forcible expulsion or else by starving them of land and livelihood, leaving them no option but to go into exile. In this way Israel could indeed remain both Jewish and at least formally democratic: but at the cost of becoming the first modern democracy to conduct full-scale ethnic cleansing as a state project, something which would condemn Israel forever to the status of an outlaw state, an international pariah.
Anyone who supposes that this third option is unthinkable above all for a Jewish state has not been watching the steady accretion of settlements and land seizures in the West Bank over the past quarter-century, or listening to generals and politicians on the Israeli right, some of them currently in government. The middle ground of Israeli politics today is occupied by the Likud. Its major component is the late Menachem Begin’s Herut Party. Herut is the successor to Vladimir Jabotinsky’s interwar Revisionist Zionists, whose uncompromising indifference to legal and territorial niceties once attracted from left-leaning Zionists the epithet “fascist.” When one hears Israel’s deputy prime minister, Ehud Olmert, proudly insist that his country has not excluded the option of assassinating the elected president of the Palestinian Authority, it is clear that the label fits better than ever. Political murder is what fascists do.

The situation of Israel is not desperate, but it may be close to hopeless. Suicide bombers will never bring down the Israeli state, and the Palestinians have no other weapons. There are indeed Arab radicals who will not rest until every Jew is pushed into the Mediterranean, but they represent no strategic threat to Israel, and the Israeli military knows it. What sensible Israelis fear much more than Hamas or the al-Aqsa Brigade is the steady emergence of an Arab majority in “Greater Israel,” and above all the erosion of the political culture and civic morale of their society. As the prominent Labor politician Avraham Burg recently wrote, “After two thousand years of struggle for survival, the reality of Israel is a colonial state, run by a corrupt clique which scorns and mocks law and civic morality.”[1] Unless something changes, Israel in half a decade will be neither Jewish nor democratic.
This is where the US enters the picture. Israel’s behavior has been a disaster for American foreign policy. With American support, Jerusalem has consistently and blatantly flouted UN resolutions requiring it to withdraw from land seized and occupied in war. Israel is the only Middle Eastern state known to possess genuine and lethal weapons of mass destruction. By turning a blind eye, the US has effectively scuttled its own increasingly frantic efforts to prevent such weapons from falling into the hands of other small and potentially belligerent states. Washington’s unconditional support for Israel even in spite of (silent) misgivings is the main reason why most of the rest of the world no longer credits our good faith.
It is now tacitly conceded by those in a position to know that America’s reasons for going to war in Iraq were not necessarily those advertised at the time.[2] For many in the current US administration, a major strategic consideration was the need to destabilize and then reconfigure the Middle East in a manner thought favorable to Israel. This story continues. We are now making belligerent noises toward Syria because Israeli intelligence has assured us that Iraqi weapons have been moved there—a claim for which there is no corroborating evidence from any other source. Syria backs Hezbollah and the Islamic Jihad: sworn foes of Israel, to be sure, but hardly a significant international threat. However, Damascus has hitherto been providing the US with critical data on al-Qaeda. Like Iran, another longstanding target of Israeli wrath whom we are actively alienating, Syria is more use to the United States as a friend than an enemy. Which war are we fighting?
On September 16, 2003, the US vetoed a UN Security Council resolution asking Israel to desist from its threat to deport Yasser Arafat. Even American officials themselves recognize, off the record, that the resolution was reasonable and prudent, and that the increasingly wild pronouncements of Israel’s present leadership, by restoring Arafat’s standing in the Arab world, are a major impediment to peace. But the US blocked the resolution all the same, further undermining our credibility as an honest broker in the region. America’s friends and allies around the world are no longer surprised at such actions, but they are saddened and disappointed all the same.
Israeli politicians have been actively contributing to their own difficulties for many years; why do we continue to aid and abet them in their mistakes? The US has tentatively sought in the past to pressure Israel by threatening to withhold from its annual aid package some of the money that goes to subsidizing West Bank settlers. But the last time this was attempted, during the Clinton administration, Jerusalem got around it by taking the money as “security expenditure.” Washington went along with the subterfuge, and of $10 billion of American aid over four years, between 1993 and 1997, less than $775 million was kept back. The settlement program went ahead unimpeded. Now we don’t even try to stop it.
This reluctance to speak or act does no one any favors. It has also corroded American domestic debate. Rather than think straight about the Middle East, American politicians and pundits slander our European allies when they dissent, speak glibly and irresponsibly of resurgent anti-Semitism when Israel is criticized, and censoriously rebuke any public figure at home who tries to break from the consensus.

But the crisis in the Middle East won’t go away. President Bush will probably be conspicuous by his absence from the fray for the coming year, having said just enough about the “road map” in June to placate Tony Blair. But sooner or later an American statesman is going to have to tell the truth to an Israeli prime minister and find a way to make him listen. Israeli liberals and moderate Palestinians have for two decades been thanklessly insisting that the only hope was for Israel to dismantle nearly all the settlements and return to the 1967 borders, in exchange for real Arab recognition of those frontiers and a stable, terrorist-free Palestinian state underwritten (and constrained) by Western and international agencies. This is still the conventional consensus, and it was once a just and possible solution.
But I suspect that we are already too late for that. There are too many settlements, too many Jewish settlers, and too many Palestinians, and they all live together, albeit separated by barbed wire and pass laws. Whatever the “road map” says, the real map is the one on the ground, and that, as Israelis say, reflects facts. It may be that over a quarter of a million heavily armed and subsidized Jewish settlers would leave Arab Palestine voluntarily; but no one I know believes it will happen. Many of those settlers will die—and kill—rather than move. The last Israeli politician to shoot Jews in pursuit of state policy was David Ben-Gurion, who forcibly disarmed Begin’s illegal Irgun militia in 1948 and integrated it into the new Israel Defense Forces. Ariel Sharon is not Ben-Gurion.[3]
The time has come to think the unthinkable. The two-state solution—the core of the Oslo process and the present “road map”—is probably already doomed. With every passing year we are postponing an inevitable, harder choice that only the far right and far left have so far acknowledged, each for its own reasons. The true alternative facing the Middle East in coming years will be between an ethnically cleansed Greater Israel and a single, integrated, binational state of Jews and Arabs, Israelis and Palestinians. That is indeed how the hard-liners in Sharon’s cabinet see the choice; and that is why they anticipate the removal of the Arabs as the ineluctable condition for the survival of a Jewish state.
But what if there were no place in the world today for a “Jewish state”? What if the binational solution were not just increasingly likely, but actually a desirable outcome? It is not such a very odd thought. Most of the readers of this essay live in pluralist states which have long since become multiethnic and multicultural. “Christian Europe,” pace M. Valéry Giscard d’Estaing, is a dead letter; Western civilization today is a patchwork of colors and religions and languages, of Christians, Jews, Muslims, Arabs, Indians, and many others—as any visitor to London or Paris or Geneva will know.[4]
Israel itself is a multicultural society in all but name; yet it remains distinctive among democratic states in its resort to ethnoreligious criteria with which to denominate and rank its citizens. It is an oddity among modern nations not—as its more paranoid supporters assert—because it is a Jewish state and no one wants the Jews to have a state; but because it is a Jewish state in which one community—Jews—is set above others, in an age when that sort of state has no place.

For many years, Israel had a special meaning for the Jewish people. After 1948 it took in hundreds of thousands of helpless survivors who had nowhere else to go; without Israel their condition would have been desperate in the extreme. Israel needed Jews, and Jews needed Israel. The circumstances of its birth have thus bound Israel’s identity inextricably to the Shoah, the German project to exterminate the Jews of Europe. As a result, all criticism of Israel is drawn ineluctably back to the memory of that project, something that Israel’s American apologists are shamefully quick to exploit. To find fault with the Jewish state is to think ill of Jews; even to imagine an alternative configuration in the Middle East is to indulge the moral equivalent of genocide.
In the years after World War II, those many millions of Jews who did not live in Israel were often reassured by its very existence—whether they thought of it as an insurance policy against renascent anti-Semitism or simply a reminder to the world that Jews could and would fight back. Before there was a Jewish state, Jewish minorities in Christian societies would peer anxiously over their shoulders and keep a low profile; since 1948, they could walk tall. But in recent years, the situation has tragically reversed.
Today, non-Israeli Jews feel themselves once again exposed to criticism and vulnerable to attack for things they didn’t do. But this time it is a Jewish state, not a Christian one, which is holding them hostage for its own actions. Diaspora Jews cannot influence Israeli policies, but they are implicitly identified with them, not least by Israel’s own insistent claims upon their allegiance. The behavior of a self-described Jewish state affects the way everyone else looks at Jews. The increased incidence of attacks on Jews in Europe and elsewhere is primarily attributable to misdirected efforts, often by young Muslims, to get back at Israel. The depressing truth is that Israel’s current behavior is not just bad for America, though it surely is. It is not even just bad for Israel itself, as many Israelis silently acknowledge. The depressing truth is that Israel today is bad for the Jews.
In a world where nations and peoples increasingly intermingle and intermarry at will; where cultural and national impediments to communication have all but collapsed; where more and more of us have multiple elective identities and would feel falsely constrained if we had to answer to just one of them; in such a world Israel is truly an anachronism. And not just an anachronism but a dysfunctional one. In today’s “clash of cultures” between open, pluralist democracies and belligerently intolerant, faith-driven ethno-states, Israel actually risks falling into the wrong camp.
To convert Israel from a Jewish state to a binational one would not be easy, though not quite as impossible as it sounds: the process has already begun de facto. But it would cause far less disruption to most Jews and Arabs than its religious and nationalist foes will claim. In any case, no one I know of has a better idea: anyone who genuinely supposes that the controversial electronic fence now being built will resolve matters has missed the last fifty years of history. The “fence”—actually an armored zone of ditches, fences, sensors, dirt roads (for tracking footprints), and a wall up to twenty-eight feet tall in places—occupies, divides, and steals Arab farmland; it will destroy villages, livelihoods, and whatever remains of Arab-Jewish community. It costs approximately $1 million per mile and will bring nothing but humiliation and discomfort to both sides. Like the Berlin Wall, it confirms the moral and institutional bankruptcy of the regime it is intended to protect.
A binational state in the Middle East would require a brave and relentlessly engaged American leadership. The security of Jews and Arabs alike would need to be guaranteed by international force—though a legitimately constituted binational state would find it much easier policing militants of all kinds inside its borders than when they are free to infiltrate them from outside and can appeal to an angry, excluded constituency on both sides of the border.[5] A binational state in the Middle East would require the emergence, among Jews and Arabs alike, of a new political class. The very idea is an unpromising mix of realism and utopia, hardly an auspicious place to begin. But the alternatives are far, far worse.

—September 25, 2003

Notes

[1] See Burg’s essay, “La révolution sioniste est morte,” Le Monde, September 11, 2003. A former head of the Jewish Agency, the writer was speaker of the Knesset, Israel’s Parliament, between 1999 and 2003 and is currently a Labor Party member of the Knesset. His essay first appeared in the Israeli daily Yediot Aharonot; it has been widely republished, notably in the Forward (August 29, 2003) and the London Guardian (September 15, 2003).
[2] See the interview with Deputy Secretary of Defense Paul Wolfowitz in the July 2003 issue of Vanity Fair.
[3] In 1979, following the peace agreement with Anwar Sadat, Prime Minister Begin and Defense Minister Sharon did indeed instruct the army to close down Jewish settlements in the territory belonging to Egypt. The angry resistance of some of the settlers was overcome with force, though no one was killed. But then the army was facing three thousand extremists, not a quarter of a million, and the land in question was the Sinai Desert, not “biblical Samaria and Judea.”
[4] Albanians in Italy, Arabs and black Africans in France, Asians in England all continue to encounter hostility. A minority of voters in France, or Belgium, or even Denmark and Norway, support political parties whose hostility to “immigration” is sometimes their only platform. But compared with thirty years ago, Europe is a multicolored patchwork of equal citizens, and that, without question, is the shape of its future.
[5] As Burg notes, Israel’s current policies are the terrorists’ best recruiting tool: “We are indifferent to the fate of Palestinian children, hungry and humiliated; so why are we surprised when they blow us up in our restaurants? Even if we killed 1000 terrorists a day it would change nothing.” See Burg, “La révolution sioniste est morte.”

Tot zover het artikel van Tony Judd. Hier volgt het artikel van Ilan Pappé

Fort Israel

(oorspronkelijk verschenen in The London Review of Books, Nederlandse vertaling in Soemoed, van het NPK, http://www.palestina-komitee.nl/soemoed/36/329 )

Ilan Pappé

Het recht op terugkeer van de in de oorlog van 1948 verdreven Palestijnse vluchtelingen is in december 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties erkend. Het is verankerd in internationaal recht en stemt overeen met de heersende ideeën over universele gerechtigheid.
Verrassender wellicht, het is ook in termen van realpolitik van belang: Immers, alle pogingen om het Israelisch-Palestijnse conflict op te lossen, zullen falen zolang Israel niet bereid is de vluchtelingen te repatriëren. In 2000 werd dit opnieuw duidelijk, toen deze kwestie tot het afbreken van het Oslo-proces leidde [dat in 1993 van start was gegaan; red.]. Niettemin is slechts een handjevol joden in Israel bereid het recht op terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen te steunen, onder meer omdat de meeste Israelische joden weigeren te erkennen, dat Israel in 1948 etnische zuivering heeft toegepast.
Het doel van het zionistische project is altijd vestiging en verdediging van een Westers/’blank’ fort in de Arabische/’zwarte’ wereld geweest. De kern van de weigering in te stemmen met het recht op terugkeer van de Palestijnse vluchtelngen is de angst van Israelische joden dat zij uiteindelijk in Israel een minderheid temidden van de Arabieren [Palestijnen] zullen gaan vormen. Dit vooruitzicht roept dermate heftige gevoelens op, dat het de Israelische joden niet lijkt te interesseren dat zij zich met hun acties de veroordeling van de hele wereld op de hals halen. Het joodse verlangen naar verzoening is vervangen door vrome arrogantie en zelfrechtvaardiging. Hun positie verschilt nauwelijks van die van de kruisvaarders, toen dezen beseften dat het door hen gestichte Koninkrijk Jeruzalem slechts een eiland in een vijandige islamitische wereld was. Of van die van de blanke kolonisten in Afrika, wier enclaves nog niet zo lang geleden zijn verdwenen en wier pretentie tevens een van de lokale volksstammen te vormen, de bodem is ingeslagen.
In of rond 1922 is een groep joodse kolonisten uit Oost-Europa – in belangrijke mate dankzij de steun van het Britse Imperium – erin geslaagd een begin te maken met de vestiging van een enclave in Palestina. In dat jaar en nadien zijn de grenzen van Palestina als toekomstige joodse staat uitgestippeld. De koloniale droom was dat massale joodse immigratie hun bolwerk zou gaan versterken. Maar als gevolg van de holocaust was het aantal ‘blanke’ joden gereduceerd en – voor de zionisten een teleurstelling – de overlevenden bleken de Verenigde Staten of zelfs het perfide Europa te verkiezen boven Palestina. Schoorvoetend liet het Oost-Europese leiderschap een miljoen Arabische joden [Mizrachi] tot de enclave toe. Dezen werden vervolgens aan een de-Arabiseringsproces onderworpen, dat goed is gedocumenteerd in post-zionistische en Mizrachi studies. Dit werd gezien als een succes en de aanwezigheid van een kleine Palestijnse minderheid binnen Israel verstoorde niet de illusie, dat de enclave goed was opgebouwd en op een degelijk fundament rustte – zelfs al was de prijs dat de inheemse bevolking als gevolg daarvan van 78 procent van haar land werd beroofd en ontworteld raakte.
De Arabische wereld en de Palestijnse Nationale Beweging waren krachtig genoeg om duidelijk te maken dat zij zich niet met de Israelische enclave zouden verzoenen. In 1967 kwam het tot een uitbarsting tussen beide partijen, waarbij het zionistische project zijn greep op het grondgebied verder vergrootte, in de vorm van de bezetting van het resterende deel van Palestina [Westelijke Jordaanoever en de Strook van Gaza], samen met delen van Syrië [Hoogvlakte van Golan], Egypte [Strook van Gaza] en Jordanië [Westelijke Jordaanoever]. Deze overwinning smaakte naar meer territorium. In 1982 werd Zuid-Libanon aan het mini-imperium toegevoegd, ter compensatie van het verlies van de Sinaï Woestijn, die in 1979 aan Egypte werd teruggeven. Deze expansiepolitiek werd gezien als noodzakelijk voor de bescherming van de enclave.
Sinds 2000 is de joodse staat gestopt met de verdere vergroting van zijn grondgebied. In feite kromp hij zelfs in, ten gevolge van de terugtrekking uit Zuid-Libanon. Ook hebben opeenvolgende regeringen de bereidheid getoond om over de terugtrekking uit de Bezette Gebieden te onderhandelen, want de Israelische leiders geloofden niet langer dat land de belangrijkste troefkaart van de staat was. Andere zaken lijken nu meer waarde te hebben, zoals de Israelische nucleaire capaciteit, onvoorwaardelijke Amerikaanse steun en sterke strijdkrachten. Er is opnieuw een zionistisch pragmatisme boven komen drijven, dat gelooft in de mogelijkheid om Israel te beperken tot 90 procent [!] van Palestina, mits het gebied wordt omringd door onder stroom staande hekken en door zichtbare en onzichtbare muren. Een minderheid van fanatiekelingen is het er niet mee eens dat er afstand van grondgebied wordt gedaan. Er wordt zelfs gesproken over een op handen zijnde ‘burgeroorlog’. Maar dat is spel: De grote meerderheid van het publiek steunt de politiek ‘van het gezonde verstand’, die uitgaat van de ‘ontkoppeling’ van de Strook van Gaza.
Daarmee zou het laatste stadium van de bouw van het fort, waarbinnen zich een door hoge muren omringde enclave bevindt, die met zekere internationale – en zelfs regionale – instemming tot stand is gekomen, wel eens aangebroken kunnen zijn. Maar wat gebeurt er binnen de muren? Niet veel, als je de belangrijkste dagbladen mag geloven. Binnen de muren zijn er dreigende ontwikkelingen, maar daarvoor kunnen oplossingen worden gevonden. Weliswaar zijn er vele niet-joden uit de voormalige Sovjet-Unie gearriveerd [niet-joodse, naaste verwanten van Russische joden; red.], maar dat zijn tenminste ‘blanken’, en dus zijn zij welkom. Niet-joodse arbeidsmigranten zullen ofwel worden gedeporteerd of blijven in Israel om daar als moderne slaven te leven [zie de bijdrage van Rachel Shabi, elders in dit nummer van Soemoed; red.]. De hoofdzaak is echter, dat zij geen Arabieren [Palestijnen] zijn en dus geen ‘demografisch probleem’ vormen. Deze laatste term wordt door die Israelische joden gebruikt, die voorstanders zijn van verdrijving van nog meer Palestijnen en is onderwerp van vele academische conferenties – inclusief een die deze maand op mijn universiteit [Haïfa] is georganiseerd (de hoogleraren en genodigde overheidsfunktionarissen die deze conferentie bijwonen, onderschrijven openlijk een strategie van verdergaande etnische zuivering [zie: ‘Universiteit van Haïfa – institutioneel racisme’ in het vorige nummer van Soemoed; red.]. Arabische joden worden niet als een gevaar voor de zuiverheid van de enclave gezien, omdat zij met succes zijn gede-Arabiseerd. Aangenomen wordt dat de enkelen onder hen, die het wagen hun wortels in de Arabische wereld te zoeken, geen echte bedreiging voor de zionistische consensus zullen vormen.
Duidelijk is waarom geen enkele doorgewinterde zionist zal voorstellen om onderhandelingen over het recht op terugkeer van meer ‘Arabs’ naar de joodse staat te beginnen, zelfs als dit beëindiging van het conflict tot gevolg zou hebben. De weigering om de terugkeer in overweging te nemen is nochtans bizar – tenminste als je enigszins afstand neemt van het zionistische beeld van de werkelijkheid en beseft dat de staat Israel op dit moment al geen joodse meerderheid meer heeft, door de toestroom van Oost-Europese christenen, het groeiende aantal arbeidsmigranten en het feit dat seculiere joden maar in één enkele betekenis ‘joods’ zijn. Het is echter minder bizar wanneer men zich voor ogen houdt, dat het belangrijkste doel is de staat ‘blank’ te houden (zwarte joden uit Ethiopië wonen in verpauperde delen van Israel en blijven grotendeels buiten beeld). In de ogen van zowel Links als Rechts in Israel gaat het erom, dat de hekken gesloten blijven en de muren hoog zijn, zodat een ‘Arabische’ invasie van het joodse fort kan worden afgeweerd.
De pogingen van opeenvolgende Israelische regeringen om joodse immigratie aan te moedigen en het joodse geboortecijfer binnen de staat te verhogen, zijn mislukt. Evenmin hebben zij een zodanige oplossing voor het conflict gevonden, dat het aantal ‘Arabs’ in Israel afneemt. Integendeel, al hun oplossingen hebben geleid tot een toename (aangezien zij Groot-Jeruzalem, de Hoogvlakte van Golan en het grote blok nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever beschouwen als deel van Israel). Het Palestijnse geboortecijfer is driemaal hoger dan dat van de Israelische joden, en je hoeft geen demografisch deskundige te zijn om te begrijpen wat dit inhoudt.
Bovendien zullen de voorstellen van de regering-Sharon/Peres om een einde te maken aan het conflict – met stilzwijgende instemming van de linkse zionisten – wellicht wel sommige Arabische regimes, zoals het Egyptische en het Jordaanse, bevredigen, maar niet de door de radicale islam gepolitiseerde burgerbevolking van die landen. Het Amerikaanse doel tot ‘democratisering’ van het Midden-Oosten – zoals op dit moment [volgens eigen zeggen] de Amerikaanse troepen in Irak voor ogen staat – maakt het leven binnen het ‘blanke’ fort niet minder zorgelijk. De geweldsniveaus zijn nog steeds hoog en de levensstandaard van de meerderheid van de bevolking daalt gestaag [zie elders in dit nummer van Soemoed; red.]. Hieraan wordt niets gedaan: Het onderwerp staat bijna even laag op de nationale agenda als het milieu en de vrouwenrechten. Waar het om gaat is dat wij – ikzelf inbegrepen, aangezien ik afstam van een Duits-joodse familie – een meerderheid van ‘blanken’ vormen op ons verlichte eiland in een zee van ‘zwarten’.
Verwerping van het recht op terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen staat gelijk aan een onvoorwaardelijk pleidooi voor de verdediging van de ‘blanke’ enclave. Dit liedje is vooral populair onder sefardische joden, die oorspronkelijk deel uitmaakten van de Arabische wereld [en van Zuid-Europa; red.], maar sindsdien hebben geleerd dat lidmaatschap van de ‘blanke’ gemeenschap een proces van Hishtakenezut – ‘Ashkenaziëring’ – vereist. Thans zijn zij de meest luidruchtige supporters van het ‘blanke’ eiland, al delen slechts enkelen van hen het comfortabele leven dat hun Ashkenazische medeburgers leiden. Zij kunnen nog zo ijverig proberen te ‘de-Arabiseren’, vroeg of laat botsen zij tegen een glazen plafond.
Het belangrijkst van alles is, dat het zionistische geloof in Fort Israel ervoor borg staat, dat het conflict met de Palestijnen, hun Arabische buren en moslimgemeenschappen tot aan Zuid-Oost Azië toe, wordt voortgezet. En het zullen niet alleen culturele solidariteit en religieuze affiniteit zijn, die uiteindelijk de formidabele, gecombineerde energie vanuit de Arabische en islamitische wereld bij de strijd tegen Israel zullen betrekken: De wereldwijde, groeiende frustratie en de wil tot bevrijding zullen ooit met elkaar gaan samenvallen, ten behoeve van de redding van Palestina.

De nauwe relatie tussen joden en Palestijnen die in deze moeilijke tijden zowel binnen als buiten Israel is ontwikkeld, en het gemengde karakter van die delen van de joodse samenleving in Israel, die zich eerder hebben laten vormen door de omstandigheden dan door menselijke manipulaties, belooft verzoening – ondanks de jaren van apartheid, uitzetting en onderdrukking. De mogelijkheid daartoe zal niet eeuwig bestaan. Als de laatste post-koloniale Europese enclave in de Arabische wereld zichzelf niet vrijwillig transformeert in een democratische staat voor al zijn burgers, zal het een land worden vervuld van woede en met door wraakgevoelens, chauvinisme en religieus fanatisme verwrongen trekken. Als dit gebeurt zal van de Palestijnen geen redelijkheid meer geëist of verwacht kunnen worden. Zo zou het wel eens kunnen gaan, en – gegeven alles wat we hebben gezien in andere, gewapenderhand bevrijde Arabische landen – is de kans groot dat dit eerder vroeger dan later het geval zal zijn.

Degenen onder ons, die het Palestijnse recht op terugkeer steunen geloven dat er nog altijd mogelijkheden bestaan. De Israelische onderdrukking weegt echter nog altijd onwaarschijnlijk veel zwaarder dan de Palestijnse wraakzucht. Maar hoe lang wij nog van dit verschil kunnen profiteren, valt moeilijk te zeggen. Niet erg lang. Ik vrees dat, als steun van buitenaf uitblijft, ons het ergste nog te wachten staat.

uit: London Review of Books van 19 mei 2005

Ilan Pappé is een post-zionistische Israelische historicus en verbonden aan de Universiteit van Haïfa.

vertaling: Aleid Sevenster-Blink

Tot zover deze twee artikelen. Er zal nog veel meer volgen, in de vorm van een uitgebreide historische beschouwing. Verder zou ik willen wijzen op een bijzonder verhelderende uiteenzetting van Anja Meulenbelt: http://anjameulenbelt.sp.nl/weblog/2004/07/28/de-paradigmastrijd-1/ (grote aanrader!). Zelfs mijn eigen ‘ontwikkeling’ (of ‘denken’, voorzover dat belangrijk is) herken ik in dit verhaal, zij het dat ik er nog nooit geweest ben. Voor mij is deze ontwikkeling vooral een intellectuele geweest en ontstaan door mijn vele contacten met ballingen uit de Arabische wereld (scriptie onderzoek hedendaagse kunstenaars uit de Arabische wereld in Nederlandse ballingschap, maar ook al iets daavoor). Maar de serie artikelen van Anja Meulenbelt (10 delig) geeft precies weer hoe ik in deze kwestie geleidelijk aan van standpunt ben veranderd en waar ik nu sta.

Zie ook een verstandig artikel van Jaap Hamburger (van ‘Een ander Joods Geluid’), http://extra.volkskrant.nl/opinie/artikel/show/id/1113/Apartheid_is_meer_dan_rassenscheiding. Dit is een antwoord op een bijdrage van Ratna Pelle, die tracht hard te maken dat Israël een normale democratie is en al helemaal geen apartheisstaat. Haar verschillende websites (http://www.zionism-israel.com/blog/ , http://www.israel-palestina.info/index.html en nog veel meer) kan ik trouwens van harte aanbevelen, al was het maar om uit te zoeken wat er niet aan deugt. Dat is namelijk fascinerend veel, net als de site van het CIDI, http://www.cidi.nl/ , al slaan de sites van mevrouw Pelle werkelijk alles. Waarschijnlijk hebben we te maken met een pseudoniem (een nader onderzoekje naar de identiteit van deze mevrouw Pelle geeft een nogal bizarre en verwarde indruk van de figu ( u )r(en) achter deze naam, zie link, maar goed, ieder zijn of haar eigen identiteitsbeleving). Ze participeert echter wel in veel serieuze discussies, dus ik zal dit radicale geluid in alle ernst meewegen. Haar uitingen zijn nogal extreem (zo niet bizar), maar er wordt haar wel een podium geboden binnen de mainstream (zoals hier), dus reden genoeg om er wat serieuze aandacht aan te besteden.

Hoe dan ook, wordt vervolgd met een uitgebreider artikel.

Palestinian loss of land

Floris Schreve

%d bloggers liken dit: