Mijn hersenspinsels en gedachtekronkels

Antroposofie en racisme 7: De Hokjesman (Michaël Schaap, VPRO) van 21-2-’13…Antroposofen

Zie ook Antroposofie en racisme deel 1, deel 2, deel 3, deel 4 en deel 5. Deel 6, dat vooral (maar niet uitsluitend) hierover zal gaan, verschijnt zeer binnenkort op dit blog, hopelijk nog voor de uitzending

Van: http://programma.vpro.nl/hokjesman/afleveringen/aflevering-7-de-antroposofen.html

Aflevering 7: De antroposofen

Uitzending op donderdag 21-02-2013, om 21.35 op Nederland 3

HERHALING: donderdag 22 augustus, 21.00, Nederland 3

Onze hokjesman onderzoekt deze opmerkelijke combinatie van wetenschap en mystiek en aanschouwt hoe deze zelfbouwpakket-religie-zonder-god leidt tot een worsteling tussen de aanhangers onderling en met de non-believers.

Zoom

Er was er eens een godsdienst die geen godsdienst was…

Antroposofie (van het Griekse anthropos “mens” en sophia “wijsheid”) is een spirituele filosofie en occulte wetenschap gebaseerd op de leer van Rudolf Steiner (1861–1925), die het bestaan postuleert van een geestelijke wereld die toegankelijk zou zijn via innerlijke ontwikkeling.

De antroposofie gaat er vanuit dat de reguliere wetenschap veel te beperkt is, omdat die enkel uitgaat van empirie en deductie. Nee, er is ook een geesteswereld waar de wetenschappelijke wetten niet gelden. En zo is de antroposoof bereid het bestaan te aanvaarden van geesten, onzichtbare wezens; van klein tot groot, van bos tot heelal. En dat alles om te pogen een verklarend systeem te vinden voor de opkomst en ondergang van volken, rassen en beschavingen; want de mens en zijn ontwikkeling staan centraal.

Onze hokjesman onderzoekt deze opmerkelijke combinatie van wetenschap en mystiek en aanschouwt hoe deze zelfbouwpakket-religie-zonder-god leidt tot een worsteling tussen de aanhangers onderling en met de non-believers. Hoe het in pacht hebben van de wijsheid verplicht tot het verspreiden en toepassen ervan op veel terreinen. Zoals vrije schoolpedagogie, heilpedagogie, euritmie, spraakvorming, kunstzinnige therapieen, antroposofische geneeskunde, sociale driegeleiding, en biologische landbouw.
Hoe verder de hokjesman afdaalt in deze geestelijke mijnen van Koning Salomo hoe duisterder de diepten worden.

Is er terugkeer mogelijk als hij zelf de wijsheid eenmaal heeft mogen ontvangen?

<img

Klik HIER om de aflevering te bekijken

de hokjesman 2

Met ‘de Hokjesman’ (Michaël Schaap) tijdens de opnames.

Regie: Jurjen Blick & Michael Schaap
Research: Sigrid Burg, Miek Hehenkamp
Camera: Maarten Kramer, Gregor Meerman, Pim Hawinkels,
Pierre Rezus
Geluid: Frenk van der Sterre, Hens van Rooij
Eindredactie: Robert Wiering
Productie: Malva Blom, Mirjam de Heus
Assistent productie: Iris Fransen
Montage: Jurjen Blick, Paul Delput
Mixage: Jaim Sahuleka
Kleurcorrectie: Richard Laarman
Mediamanagement: Fred ’t Hart
Stagiair: Floris Koch
Postproductie: Barbara Duives

http://gids.vpro.nl/2013/02/21/in-esoterie/

In Esoterië

De hokjesman

Nederland 3, 21.35-22.30 uur

In de zesde aflevering begeeft de hokjesman zich onder antroposofen.

‘Goethe, kennen jullie die écht niet?’ De antroposofische boer die een klas Achterhoekse pubers rondleidt op zijn biologisch-dynamische bedrijf kan het haast niet geloven. Hij heeft net verteld hoe hij ‘kosmische muziek in de mest brengt’ en waar zijn kennis vandaan komt. Maar hoe meer er wordt uitgelegd over zijn inspiratiebronnen, des te groter de kloof wordt tussen antroposofie en de rest van de wereld. En daar lijkt de hokjesman ook wel een beetje last van te hebben. Want met elke deur die voor hem opengaat, lijkt zijn verbazing te groeien. Het is ook wel wat veel van het esoterische. Bewegend leren rekenen, een bouwstijl die een beetje danst en hemelwater dat eerst gevitaliseerd moet worden voordat het weer door de aderen van moeder aarde mag stromen. En dan blijkt bovengenoemde boer zijn vader ooit als vermist te hebben opgegeven, terwijl die begraven lag in de tuin. De vraag rijst: is het wetenschap of geloof wat Rudolf Steiner heeft nagelaten?

Hugo Hoes

boze geesten antrovista

www.antrovista.com. Boze Geesten 😉

Mijn commentaar op de uitzending

Al met al vond het een boeiende en bij vlagen ook hilarische uitzending. Er viel veel te lachen. Ontroerend vond ik het verhaal van de BD boer Erik, die de strijd van zijn vader voor de Biologisch Dynamische landbouw in een vijandige omgeving voortzette. Ook mooi dat hij zijn vader op zijn eigen land heeft begraven. Voor dat soort dwarsheid (en toewijding) heb ik altijd een zwak, hoe maf anderen dit wellicht vinden.

Maf zijn natuurlijk wel allerlei andere zaken die aan bod kwamen. Creatieve vakken zijn vaak het uithangbordje van de vrije school, maar de invulling die eraan gegeven wordt bleek in de loop der jaren niet te zijn veranderd. Net als in mijn eigen tijd op de vrije school (eind jaren zeventig, tot halverwege de jaren tachtig) wordt er voortdurend dezelfde antroposofische esthetische norm gehanteerd, die sinds de beginjaren van de beweging eigenlijk niet is veranderd. Naar mijn smaak een kitscherige aftakking van de Jugendstil/art nouveau. Over ‘decadente aftakking’ gesproken 😉 Ook heel versteend, bijna symbolisch voor hoe de woorden van Steiner in steen zijn gebeiteld. Want Steiners inzichten loslaten is in de ‘geesteswetenschap’ een onmogelijkheid, wat Paul Mackay daar ook over beweert. Er is immers geen antroposoof na Steiner geweest, die zo diep kon schouwen als hij, laat staan dat iemand zijn geesteswetenschappelijke inzichten heeft kunnen toetsen, dan wel corrigeren of bijstellen. Dat laatste is toch zo’n beetje de kern van wetenschap. Dat is in de antroposofie niet mogelijk en dat maakt het wat mij betreft meer een levensbeschouwing (voorzichtig geformuleerd). Het is,  naar mijn bescheiden mening althans, vooral een geloof. De antroposofie kent ook zeker sektarische elementen, zij het dat niet iedereen die in een van de werkgebieden van de antroposofie actief is, zich onvoorwaardelijk overgeeft aan het door Steiner doorgegeven wereldbeeld. Mijn ervaring is dat meer dan de helft van de mensen die binnen de antroposofische sector op de een of andere manier actief zijn, vaak nauwelijks op de hoogte zijn van de inhoud van Steiners boeken en voordrachten. Daarover waakt een klein gilde van ‘beroepsantroposofen’. En antroposofen, ze zijn er zeker, al bevindt bijna iedereen die in het programma werd geïnterviewd zich in de ontkenningsfase.

Overigens vind ik niet dat de rassenleer ‘de kern’ van de antroposofie is (dat kwam er in het interview niet helemaal goed uit). Wel dat de rassenleer zich bevindt in de kern van de antroposofie. En dat is het antroposofische idee van de aarde-evolulutie; het grote verhaal van waar komen we vandaan en waar gaan we naartoe. Binnen dat verhaal is Steiners notie van het begrip ‘ras’ wel een van de cruciale factoren.

Mijn eigen gesprek met Schaap dan (opgenomen in mei 2012, bij het openluchttheater de Lichtenberg, iets buiten Weert, zie hier). Zoals dat nu eenmaal gaat is niet het hele interview uitgezonden. Ik heb nog veel meer passages van Steiner voorgelezen, ook over het ‘zwarte ras’, bijv. uit Vom Leben des Menschen und der Erde (1923, GA 349):

 “Im Neger wird da drinnen fortwährend richtig gekocht, und dasjenige, was dieses Feuer schürt, das ist das Hinterhirn“

oftewel:

“In de ‘neger’ wordt voortdurend gekookt en wat het vuurtje aanwakkert… dat zijn zijn achterhersenen”

De van Baarda-commissie vond dit overigens een categorie 2 uitspraak, dwz. ‘waarbij sprake is van schijnbare discriminatie, maar niet als deze uitspraak wordt beoordeeld vanuit de antroposofie als geheel’….tja
.

En verder ben ik juist uitgebreid op het rapport van de Commissie van Baarda ingegaan, dat er mijns inziens niet in slaagt om de stelling ‘Géén sprake van rassenleer’ hard te maken.  De commissie heeft weliswaar zestien passages van Steiner ‘opgeofferd’, waarin hij echt over de schreef is gegaan, maar heeft Steiners echte rassenleer buiten schot gehouden en proberen weg te moffelen, soms met de meest waanzinnige (en ook hilarische) gelegenheidsargumenten. Ik heb er op dit blog al veel aandacht aan besteed. Zie vooral mijn vijfde bijdrage uit deze reeks, waarin ik, althans dat denk ik, toch flink wat onvolkomenheden van dit rapport heb laten zien.

Tijdens de opnames heb ik daar ruime aandacht aan besteed, maar dat is er niet ingekomen. Achteraf jammer (wat mij betreft), want Mackay kon op die manier wel erg makkelijk zeggen dat met het rapport alles was opgelost.

Nog een opmerking over iets wat in de uitzending naarvoren kwam. De dame in de boekhandel zei dat er geen boeken over de antroposofie beschikbaar zijn van niet niet-antroposofen, althans niet in het Nederlands. Qua Nederland heeft zij bij mijn weten inderdaad gelijk, al zijn er in het verleden best wel wat kritische publicaties verschenen zoals van JD Immeman (over pedagogoek) en Gjalt Zondergeld (over de racisme-kwestie). Kleinere publicaties/brochures zijn er verschenen van Gjalt Zondergeld (samen met Evert van der Tuin en August de Roode), Bram Moerland (hier te raadplegen) en Toos Jeurissen (hier te raadplegen). Maar bestaan wel degelijk studies naar de antroposofie door buitenstaanders. Het belangrijkste standaardwerk van nu is van Helmut Zander, hoogleraar geschiedenis aan de Humboldt Universiteit in Berlijn, al vaak aangehaald op dit blog: Helmut Zander, Anthroposophie in Deutschland; Theosophische Weltanschauung und gesellschaftliche Praxis 1884–1945, Band 1&2, Vandenhoeck & Ruprecht, Göttingen, 2007. Maar ik kan ook de boeken van Peter Bierl en Peter Staudenmaier aanbevelen.

Hieronder wil ik in ieder geval mijn eigen aantekeningen weergeven, die ik heb gemaakt voor het interview voor de Hokjesman van mei 2012. Voor de volledigheid. Ter aanvulling van dit verder zeer informatieve en ook zeker mooi gemaakte en vaak erg geestige portret van de antroposofische scene in Nederland.

 Klik HIER om de aflevering te bekijken

antroposofenhokjesman-621x328

Steiner stelt de diagnose

Een van de highlights uit het van Baarda-rapport (het ‘onafhankelijke rapprt’ van ‘antroposofische wetenschappers’, hier de concluderende ‘slotopmerkingen’ van het derde hoofdstuk): Steiner stelt de Diagnose! En natuurlijk hebben ‘zwarte mensen’ andere ‘therapieën’, ‘didactische aanwijzingen’, etc. nodig dan blanken 😉 Laat staan de indianen, die in Steiners grootse visie louter de functie hebben om dood te gaan. Deze tekst is maar een voorbeeld, maar het rapport kent veel van dit soort pareltjes. Zie voor een bespreking van het bovenstaande en andere delen van het rapport mijn vijfde antroposofie-artikel. Zie voor een andere soortgelijke uitwerking van Steiners rassenleer een verhandeling van vrije schoolleraar Maarten Ploeger, uit de bundel ‘Antroposofie ter discusssie’ (red. Jelle van der Meulen, Vrij Geestesleven, Zeist, 1985) hier te raadplegen. Zie overigens hier een commentaar van Peter Staudenmaier (Cornell University en een van ’s werelds toonaangevende experts op dit gebied) op het rapport.

de hokjesman still (met Michael) - kopie

Notities interview voor de documentaire van  Michaël Schaap over de antroposofie (lang niet alles is tijdens het interview gebruikt en daarvan is een kleine selectie uitgezonden)

Wat is antroposofie?

Antroposofie is een levensbeschouwing die is vormgegeven aan het begin van de twintigste eeuw door de Oostenrijkse esotericus Rudolf Steiner. Antroposofie biedt een alomvattend wereldbeeld en pretendeert antwoord te geven op grote vragen als ‘waar komen we vandaan en waar gaan we naartoe?’ of ‘Heeft de schepping of de evolutie een doel en wat is de rol van de mens daarin?’

De antroposofie heeft ook allerlei uitwerkingen en praktische toepassingen en biedt voor de aanhangers antwoorden op vragen als: ‘waarom word ik ziek?’ ‘Waarom is mijn kind hyperactief?’ Tot en met ‘Wat is gezonde voeding?’

Hoofdconclusie van Baarda-rapport: Géén sprake van rassenleer! Steiner heeft zich slechts zestien keer vergaloppeerd in geísoleerde uitspraken, verspreid over zijn enorme oeuvre. Dus niets aan de hand, volgens het rapport en de AViN (conclusies grotendeels overgenomen in het Frankfurther Memorandum van de Duitse antroposofische Vereniging).

Mijn stelling: de hoofdconclusie van het rapport klopt niet, er is wel degelijk sprake van rassenleer. Steiners opvattingen over rassen horen bij zijn grotere verhaal over de evolutie van de mens

Antroposofische evolutiemodel:

model Poppelbaum 

Poppelbaum (1926)

 

 poppelbaum detail

Poppelbaum detail

 

 

 

Steiner 1907 (GA 100) 1 (is eigenlijk hetzelfde als de bovenstaande uitsnede van Poppelbaum, maar dan van de hand van Steiner zelf):

 

 

 

 

 

 

Steiner 1907 (GA 100) 2:

 

 

Aus der Akasha-Chronik (GA 11, 1907), hoofdstuk 2, Unsere Atlantische Forvahren (cruciaal citaat, niet in het rapport opgenomen);

Nur ein kleiner Teil der lemurischen Menschheit war zur Fortentwickelung fähig. Aus diesen bildeten sich die Atlantier. – auch später fand wieder etwas ähnliches statt. Die größte Masse der atlantischen Bevölkerung kam in Verfall, und von einem kleinen Teil stammen die sogenannten Arier ab, zu denen unsere gegenwärtige Kulturmenschheit gehört. Lemurier, Atlantier und Arier sind, nach der Benennung der Geheimwissenschaft, Wurzelrassen der Menschheit. Man denke sich zwei solcher Wurzelrassen den Lemuriern vorangehend und zwei den Ariern in der Zukunft folgend, so gibt das im ganzen sieben. Es geht immer eine aus der andern in der Art hervor, wie dies eben in bezug auf Lemurier, Atlantier und Arier angedeutet worden ist. Und jede Wurzelrasse hat physische und geistige Eigenschaften, die von denen der vorhergehenden durchaus verschieden sind. Während zum Beispiel die Atlantier das Gedächtnis und alles, was damit zusammenhängt, zur besonderen Entfaltung brachten, obliegt es in der Gegenwart den Ariern, die Denkkraft und das, was zu ihr gehört, zu entwickeln.

Aber auch in jeder Wurzelrasse selbst müssen verschiedene Stufen durchgemacht werden. Und zwar sind es immer wieder sieben. Im Anfange des Zeitraumes, der einer Wurzelrasse zugehört, finden sich die Haupteigenschaften derselben gleichsam in einem jugendlichen Zustande; und allmählich gelangen sie zur Reife und zuletzt auch zum Verfall. Dadurch zerfällt die Bevölkerung einer Wurzelrasse in sieben Unterrassen. Nur hat man sich das nicht so vorzustellen, als ob eine Unterrasse gleich verschwinden würde, wenn eine neue sich entwickelt. Es erhält sich vielleicht eine jede noch lange, wenn neben ihr andere sich entwickeln. So leben immer Bevölkerungen auf der Erde nebeneinander, die verschiedene Stufen der Entwickelung zeigen’

 

 

Citaat Mission GA 121, 1910 4e voordracht:

Nicht nur etwa deshalb, weil es den Europäern gefallen hat, ist die indianische Bevölkerung ausgestorben, sondern weil die indianische Bevölkerung die Kräfte erwerben mußte, die sie zum Aussterben führten.

Noemen: Ploeger en Wiechert hebben het over Wounded Knee

Maarten Ploeger:

‘Er blijkt zelfs een opmerkelijke affiniteit te bestaan tot grensoverschrijding tussen leven en dood. Al in een vroeg leeftijdsstadium vertonen indianen scherp getekende gelaatstrekken. Bij de prairie-indianen werd een belangrijkste krijgers inwijding gevonden in strijdsituaties met een welhaast zeker dood voor ogen (de eer behalen door een gewapende vijand aan te tikken met een stok)…(…) Met deze karakteristieken voor ogen kan Steiners uitspraak in de Volkszielen (vrij weergegeven): ‘De indianen moesten uitsterven en de kolonisten waren het uiteindelijke instrument’, in en juist daglicht worden gesteld. Het is allerminst een excuus voor het botvieren van de blanke moordcapaciteit; die schuld hebben wij hoe dan ook op ons geladen (evenmin kan de nog steeds voortgaande uitroeiing van de Amazone-indianen hiermee op welke wijze dan ook aanvaardbaar worden gemaakt). Zoals een ouder mens aan een op zichzelf niet zo dramatische ziekte licht kan bezwijken, zo betekende de confrontatie met de blanke expansiedrift voor de indianen meer dan een reeks ongelijke oorlogen. De indiaanse cultuur had à priori de bevattelijkheid om hieraan te gronde gaan (zie bijvoorbeeld de Wovoka-episode, uitmondend in de ‘zelfdestructie’ onder leiding van Sitting Bull bij Wounded Knee)’. (Antroposofie ter discussie, p.43-44)

Christoph Wiechert (in het Ikon radioprogramma ‘Het voordeel van de twijfel):

Ik denk dat dit gen beladen uitspraak is. Want als je ziet toen de Europeanen zich met de negers gingen bemoeien. Dat volk is niet te gronde gegaan (..) Terwijl je bij de indianen inderdaad, als je ziet wat er in Wounded Knee gebeurd is, dat is toch een ongelooflijke tragedie, daar zie je echt iets uitgeblust worden, onvoorstelbaar (…)Dus in die zin is de gedachte aannemelijk, gewoon uit de waarneming, ja, dat je ziet, ja, dat eindigt in reservaten. Ongelooflijk tragisch, bij negers zie je: dat eindigt helemaal niet in reservaten, die hadden ook wel kunnen sterven, bij wijze van spreken, want de Europeanen gingen daar ook niet zachtzinnig mee om. (eindrapport, pp. 636-637)

Commissie vergelijkt met Jarett Diamond Guns Germs and Steel

NB Waarom zei Steiner op 10 juni 1910 in Oslo dat de indianen niet zijn uitgestorven ‘omdat de Europeanen het beviel’, maar ‘omdat de indianen zelf de krachten moesten verwerven die tot hun uitsterven zouden leiden’? Ging hij op deze plaats voorbij aan de volkerenmoord op de indianen? Praatte hij die volkerenmoord goed, zoals sommigen beweren, met een zogenaamde ‘karmische noodzaak’? Kennelijk besefte hij dat hij misverstanden kon oproepen, want hij liet de uitspraak over indianen vooraf gaan dor de opmerking: ‘ich bitte das nicht mißzuverstehen, was eben gesagt wird: es bezieht sich nur auf den Menschen, insofern er von den physisch-organisatorischen Kräften abhängig ist, von den Kräften, die nicht  sein Wesen als Menschen ausmachen, sondern in Denen er lebt’. De irreguliere geesten van de vorm bewerkstelligeden in de lichaamskrachten van de indianen een element van ouderdom. Als ras stierven de indianen volgens Steiner daarom uit.

In het verzamelde werk van Steiner zijn in hoofdzaak twee redenen te vinden voor het (gedeeltelijk) uitsterven van indianen. De ene ligt in de verschillende constitutionele eigenschappen van de indianen, zoals beschreven in het onderhavige citaat. En in de lezingen van 27 oktober 1909 (citaat 1353), 12 juni 1910 (citaat 116) en 3 maart 1923 (citaat 130). De andere is de uitroeiing van de indianen door de blanke veroveraars uit Europa. Er zijn talrijke plaatsen te vinden waarin hij deze uitroeiing beschrijft. Hierboven zijn al enkele aangehaald, namelijk citaten 155, 157, 159, 161, 163, en 164. Ook in citaat 166 wordt over uitroeiing van de indianen door de Europeanen gesproken.

Het gebruik van de term ‘uitroeiing’ (‘Ausrottung’, ‘ ausrotten’) geeft aan dat Steiner het doden van de indianen door de Europeanen impliciet veroordeelde. Uit sommige citaten blijkt nog duidelijker hoe hij daarover dacht, zoals in ‘…man die damilgen Amerikaner, die amerikanischen Indianer massakriert hat. Diese Art von Kulturausdehnung, das war die erste Etappe auf dem Wege, auf dem wir dann nach und nach weitergegangen sind’ (citaat 155) en ‘Sehen Sie, die Indianer haben allmählicg kennengelernt die ‘besseren’ Menschen, die über sie gekommen sind, bevor diese sie ausgerottet haben’ (citaat 159). Ook in de opmerking ‘weil es den Europäern gefallen hat’ (citaat 103) klinkt een veroordelende ondertoon ten aanzien van de Europeanen.

Waar het hem in de lezing op 10 juni 1910 om te doen was, was om de aanwezige theosofen te laten zien dat er bij die beslissende historische gebeurtenis niet alleen uiterlijk-fysieke factoren een rol speelden, maar ook innerlijk-geestelijke. Se uitspraak: ‘Nicht nur etwa deshalb, weil es den Europäern gefallen hat’ zou meer in overeenstemming zijn geweest met zijn andere uitlatingen erover.

Het komt bij Steiner vaker voor dat hij innerlijke en uiterlijke oorzaken voor iets aangeeft. Bij belangrijke gebeurtenissen spelen immers altijd verrschillende factoren een rol. Hij drukte het verschijnsel van innerlijk geestelijke en uiterlijk fysieke factoren eens uit als: ‘Es verletzt jemand bei einer Rauferei einen anderen mit einem Messer, er hatte ein altes Rachegefühl, der andere sagt, das Messer war die Ursache. –Beide haben recht. Das Messer war die letzte physische Ursache, aber dahinter liegt die geistige. Wer nach geistigen Ursachen sucht, wird immer die physischen gelten gelassen.’ Uit de laatste zin blijkt dat voor hem de geestelijke oorzaak niet belangrijker is dan de fysieke, of dat daardoor de laatste zou vervallen. In het kader van het uitsterven van indianen betekent dat met zoveel woorden: ook al ligt geestelijk gesproken de oorzaak ervan in het lot van de indianen als ras, de verantwoordelijkheid voor de daad van uitroeiing door de Europeanen op fysiek niveau wordt er daarom op geen enkele manier minder op.

Ook het ontstaan van ziektes spelen zowel innerlijke als uiterlijke oorzaken een rol. Daarover uitte Steiner zich in dezelfde lijn als hierboven als volgt: ‘…daß aber alles, was materiell zum Ausdruck kommt, Seine geistige Hintergründe hat und daß  diese geistigen Hintergründe zum Heile der Menschheit gesucht werden müssen. Diejenigen aber, welche in den Kampf gern einstimmen möchten, die sollen auch daran erinnert werden, daß die geistigen Ursachen nicht immer in derselben Weise aufgelaßt werden dürfen und auch nicht in der gleichen Art bekämft werden können wie die gewöhnlichen materiellen Ursachen. Und man darft auch nicht denken, daß man durch das Bekämpfen der geistigen Ursachen enthoben ware der Bekämpfung der materiellen Ursachen (…). Ook hier wordt niet de geestelijke oorzaak boven de fysieke geplaatst.

In 1997 verscheen onder de veelzeggende  titel Guns, Germs and Steel; The fates of Human Societies, een studie van Jarett Diamond, waarin deze aantoont dat het gemak waarmee de Europese veroveraars het Amerikaanse continent konden bedwingen en de decimering van de locale bevolking niet alleen het gevolg waren van militair overwicht, maar ook nog van hekle andere factoren. Hij maakt aannemelijk, dat de Europeanen een menigte ziekteverwekkende bacteriën met zich meebrachten waartegen de indianen niet bestand waren. De Europeanen waren voor deze bacteriën immuun geworden.  Van oordprong waren het namelijk ziektekiemen van dieren die de bewoners van Europa en Azië in de loop van vele duizenden jaren hadden gedomesticeerd, zodat hun immuunsysteem zich in die tijd daaraan had kunnen aanpassen. Deze domesticatie vond door de geologische gesteldheid in Europa en Azië in veel grotere mate plaats dan in Amerika. Diamond toont met andere woorden aan dat ook geologisch-culturele factoren een rol hebben gespeeld bij de massale sterfte van de indianen in Amerika’  (eindrapport, pp. 422- 423)

Citaat GA 349/7 (1923, voor de arbeiders in Dornach) over ‘der Neger’:

Überall nimmt er Licht und Wärme auf, überall. Das verarbeitet er in sich selber. Da muß etwas da sein, was ihm hilft bei diesem Verarbeiten. Nun, sehen Sie, das, was ihm da hilft beim verarbeiten, das ist namentlich sein Hinterhirn. Beim Neger ist daher das Hinterhirn besonders ausgebildet. Das geht durch das Rückenmark. Und das kann alles das, was da im Menschen drinnen ist an Licht und Wärme, verarbeiten. Daher ist beim neger namentlich alles das, was mit dem Körper und mit dem Stoffwechsel zusammenhängt, lebhaft ausgebildet. Es hat, wie man sagt, ein starkes Triebleben, Instinktleben. Der Neger hat also ein starkes Triebleben. Und weil er eigentlich das Sonnige, Licht und Wärme, da an der Körperoberfläche in seiner Haut hat, geht sein ganze Stoffwechsel so vor sich, wie wenn in seinem Innern von der Sonne selber gekocht würde. Daher kommt sein Triebleben. Im Neger wird da drinnen fortwährend richtig gekocht, und dasjenige, was dieses Feuer schürt, das ist das Hinterhirn.

Manchmal wirft die Einrichtung des Menschen noch solche Nebenprodukte ab. Das kann man gerade beim Neger sehen. Der Neger hat nicht nur dieses kochen in seinem Organismus, sondern er hat auch noch ein furchtbar schlaues und aufmerksames Auge. Er guckt schlau und sehr aufmerksam.

 

Commentaar commissie:

 

‘Samengevat heeft een donkere huidskleur volgens Steiner de volgende betekenis voor de mens: het licht en de warmte uit de omgeving van de mens worden totaal opgenomen. Door de intensieve inwerking op de huid bij een bijna loodrechte zonnestand werd deze zwart (NB Hiermee wordt dus een ander proces beschreven dan de tijdelijke verandering van de huidskleur onder invloed van de zon in de huidige tijd). Het aandeel van de warmte en het licht dat niet door de zintuigen kan worden waargenomen, worden dieper in de mens verteerd door de stofwisseling. De stofwisselingspool en daardoor ook het instinct- en driftleven (het onbewuste wilsleven dat zijn oorsprong heeft in de stofwisselingspool) zijn om die reden extra ontwikkeld. De achterste hersenen spelen daarbij een belangrijke regulerende rol en als gevolg van het feit dat de oogzenuwen in deze hersenen uitmonden kijkt hij ‘schlau’ uit zijn ogen, wat in het Nederlands opmerkzaam en slim, maar ook sluw kan betekenen.

NB De formuleringen van Steiner wekken wel enige bevreemding (??!! FS). Zelf liet hij de volgende opmerking op het bovenstaande volgen: ‘Wenn man das anfängt zu verstehen, so wird einem alles klar. Ber solche betrachtungen, wie wir sie jetzt wieder machen, die macht die heutige Wissenschaft gar nicht. Sie versteht daher nichts von all dem’. Antroposofie gaat zoals gezegd niet alleen over zintuiglijk waarneembare feiten, maar verbindt deze met bovenzinnelijke waarnemingen’.

 ‘Bovenstaande uiteenzettingen over de regulerende werking van de achterste hersenen bij de verwerking van licht en warmte in de stofwisseling beschrijven processen die zich voor een deel in het bovenzinnelijke deel van de mens afspelen en zijn daarom alleen in dat licht te begrijpen. Door fysiologisch onderzoek zou kunnen worden nagegaan of ook op materieel niveau zulke verbindingen te leggen zijn, maar dat valt buiten het kader van dit rapport’.(eindrapport , pp. 383-384)

Steiner GA 349/7:

 Und so ist es ganz wirklich interessant. Auf der einen Seite hat man die Schwarze Rasse, die am meisten irdisch ist. Wenn sie nach Westen geht, stirbt sie aus. Man hat die gelbe Rasse, die mitten zwischen Erde und Weltenall ist. Wenn sie nach Osten geht, wird sie braun, gliedert sich zu viel dem Weltenall an, stirbt aus. Die weiße Rasse ist die zukünftige, ist die am Geiste schaffende Rasse. Wie sie nach Indien gezogen ist, bildete sie die innerliche, poetische, dichterische, geistige indische Kultur aus. Wenn sie jetzt nach dem Westen geht, wird sie eine Geistigkeit ausbilden, die nicht so sehr den innerlichen Menschen ergreift, aber die äußere Welt in ihrer Geistigkeit begreift.

 

Uitleg cultuurperiodes. Na Atlantis ging het blanke/arische ras naar India, om vanuit daar langzaam richting het westen de ene cultuur na de andere stichten (Ariër Mythe). Alle obstakels op die weg moesten verdwijnen, zo ook de Indianen in Amerika

Evt vergelijking Blavatsky Secret Doctrine:

‘(before the Sixth Root-Race dawns), the white (Aryan, Fifth Root-Race), the yellow, and the African negro – with their crossings (Atlanto-European divisions). Redskins, Eskimos, Papuans, Australians, Polynesians, etc., etc. – all are dying out. Those who realize that every Root-Race runs through a gamut of seven sub-races with seven branchlets, etc., will understand the “why.” The tide-wave of incarnating Egos has rolled past them to harvest experience in more developed and less senile stocks; and their extinction is hence a Karmic necessity’.

De ‘waarschuwing’ (juridisch dreigement, zie oa hier) uit het van Baarda-rapport:

‘Geen enkele cultuur of maatschappelijke stroming kan of mag uitsluitend worden beoordeeld aan de hand van bestaande of vermeende onvolkomenheden. De antroposofische beweging is daarop geen uitzondering. De lezer wordt er dan ook aan herinnerd dat elk eenzijdig of selectief gebruik van de in dit rapport genoemde gezichtspunten en bevindingen -inclusief de in dit rapport besproken citaten van Rudolf Steiner- met het doel daaraan conclusies te verbinden die voor de antroposofie in het algemeen gelden, misbruik betekent van dit rapport‘.

Enkele stills uit de uitzending:

Hokjesman still 1 Hokjesman still 2 hokjesman still 3 hokjesman still 4 hokjesman still 5 hokjesman still 6 hokjesman still 7 hokjesman still 8 hokjesman still 9 hokjesman still 10 hokjesman still 11 hokjesman still 12 hokjesman still 13 hokjesman still 14 hokjesman still 15

hokjesman still 16

 

Floris Schreve

Commentaar Driegonaal 😉 :

23 februari 2013

Ontdekkingen van De Hokjesman

Het is hier, op deze website, geheel buiten de orde maar het lijkt zo stil in het land van antroposofen sinds de uitzending van De Hokjesman.

Is iedereen blij dat ‘we’ er zó van af gekomen zijn? Had het veel erger kunnen zijn? De antroposofie in Nederland best mooi getroffen?

Helaas zullen we onkundig blijven van het materiaal dat De Hokjesman buiten zijn uiteindelijke uitzending liet. Maar het verslag van zijn expeditie door antroposofenland bevatte een paar leerrijke ontdekkingen:

1. Het is kennelijk onmogelijk in Nederland een mens te vinden die er rond voor uitkomt en die gewoon zegt: “Jawel, ik ben antroposoof”.
2. Voor zover antroposofen van de gelovige soort zijn leiden ze aan een onhebbelijke drang tot bekeren.
3. Voor zover antroposofen van de wetenschappelijke tak zijn, verstoppen ze zich onder een verstikkende deken van wetenschappelijke relativisme: laat 1000 hypotheses bloeien en pluk je eigen boeketje.

De vooruitgang van de antroposofie in Nederland is verleden tijd, dat is mijn conclusie.

Heel anders is het commentaar van Michel Gastkemper (oa bestuurslid van de AViN en  van de blog Antroposofie in de Pers). In de woorden van Michel kan ik me zeker vinden (http://www.facebook.com/hokjesman/posts/397459230349802):

Beste Hokjesman,

Je hebt via Twitter al laten weten dat ik, antroposoof zijnde, zeer te spreken ben over de aflevering over de antroposofen. Dat statement wil ik hier graag ook wel een keer expliciet maken. Vanochtend kwam op mijn weblog een reactie die nogal typerend is voor hoe er vanuit antroposofische hoek naar de uitzending wordt gekeken:

‘Ik had gehoopt dat de antroposofische beweging duidelijker en “hedendaagser” in de wereld zou staan. Het zal wel aan de makers van het programma liggen (?) maar waar was Weleda, het Bolkinstituut, de BD-vereniging, Warmonderhof, de Wervel en de tientallen andere antroposofische initiatieven? Door deze hokjesmankeuze leek het of ik een programma terug zag uit de jaren 80 van vorige eeuw. Niet in deze tijd staand. De “tijdsgeest” verloochenend. En ook jammer dat een aantal geïnterviewden ten stelligst ontkenden antroposoof te zijn… zo leek het alsof men dan “besmet” zou zijn.’

Ik heb hierop net de volgende reactie geschreven, en die wil ik hier graag ook weergeven:

‘De Hokjesman was op zoek naar antroposofen, niet naar antroposofische instellingen of organisaties. Laat staan de antroposofie zelf. Dat heeft hij expliciet buiten beeld gelaten. Anders was het helemaal niet te doen. Nu heeft hij een stuk of drie protagonisten uitgekozen, die niet verschillender van elkaar konden zijn. Er komen nog meer mensen in het programma voor, maar deze drie worden met voor- en achternaam genoemd: achtereenvolgens Erik van Ipenburg, Floris Schreve en Paul Mackay. Die worden volledig in hun waarde gelaten; de Hokjesman gaat uiterst respectvol met hen om en maakt geen van allen belachelijk. Maar laat wel zien hoe verschillend zij zijn en hoe verschillend zij met de antroposofie omgaan. En dat klopt helemaal, want antroposofie is uiteindelijk een zeer individuele aangelegenheid waarin ieder vrij is. De antroposofie is eigenlijk iets heel wonderlijks, want het staat ieder volledig vrij ter beschikking, waarbij iedereen zelf mag weten hoe hij of zij ermee omgaat. Dat vond ik in dit programma meesterlijk in beeld gebracht. En natuurlijk hadden er nog heel andere mensen aan het woord kunnen komen, met een andere instelling, want weer een wat andere indruk had kunnen geven. Maar ja, zo zijn mensen en zo is het leven. Je kunt niet alles in een hokje van drie kwartier stoppen. Het moet ook nog genietbaar en enigszins spannend blijven. Wat dat betreft heb ik voor de makers van het programma de grootste bewondering. Deze aflevering vertelt duidelijk een verhaal, van begin tot eind, met kop en staart. Misschien valt het pas echt op als je het terugziet. Het is eigenlijk heel kunstzinnig (om in antroposofisch jargon te blijven), waar spanning wordt opgeroepen door naast these antithese te stellen, deze verder te volgen en uiteindelijk notabene in het Goetheanum samen te brengen, om niet te zeggen tot een synthese te voeren. Dat wordt in feite ook expliciet zo gezegd op het einde. Kan het mooier? Ik vind het geniale televisie en eigenlijk zouden de makers er een prijs voor moeten krijgen; speciaal voor deze aflevering, want ik vermoed dat die wel de moeilijkst te maken is geweest van alle acht.’

tijdens de opnames

Antroposofie en racisme 6: ‘In het Land der Blinden is Eenoog koning’

Een uitgebreide reactie op Stephan Geuljans ‘Rudolf Steiner; individu versus ras’ (gepubliceerd in De Aardespiegel) en over de ontspoorde koers van een ooit respectabel antroposofisch tijdschrift

Eerste gedeelte. Het artikel is helaas nog niet helemaal af (ik schat ongeveer 2/3). Ik wilde dit materiaal toch publiceren, ivm de uitzending van de Hokjesman van 21/2. De rest volgt zeer spoedig, onderaan dit bericht

Zie ook Antroposofie en racisme deel 1, deel 2, deel 3, deel 4, deel 5 en deel 7

Hoewel het, op dit blog althans, een tijdje stil is geweest rond de kwestie ‘antroposofie en racisme’ zijn er voor mij diverse redenen om, na een pauze van zo’n drie jaar, toch de draad weer op te pakken.

De discussie heeft zeker niet stilgestaan, ook wat betreft mijn eigen betrokkenheid. Er zijn op diverse sites verschillende, soms intensieve debatten gevoerd waarin ik ook zelf participeerde. De belangrijkste was de discussie op de niet meer bestaande Volkskrantblog van de prominente Nederlandse antroposoof Hugo Vebrugh. De originele site bestaat niet meer, maar ik heb wel een kopie bewaard van deze discussie uit de zomer van 2010. Deze kopie, waar verder niets aan is toegevoegd, geredigeerd of weggelaten, is hier als gefixeerd worddocument te downloaden.

Verder hebben er nog wat zaken gespeeld op het LinkedIn forum Vrije School Alumni (zoals hier en hier) , en het eea op de blog van Michel Gastkemper. In het laatste geval  ging het vooral over het Belgische antroposofische tijdschrift de Brug en de website vrijgeestesleven.be, waarin vooral Gastkemper prijzenswaardig stelling nam tegen het regelrechte antisemitisme en het ontkennen van de Holocaust door de Belgische antroposofen Jos Verhulst en Francois de Wit (Lieven Debrouwere, ook verbonden aan de Brug, voerde het woord namens die partij). Zeer lezenswaardig, oa hier en  hier te raadplegen.

Ook op deze site is er wel wat gebeurd. Onder mijn eerste antroposofie-artikel startte een zekere Joost Alfrik (later bleek dat een pseudoniem te zijn van P.W.  een gepensioneerde leraar van de Vrije School uit Den Haag ) een discussie over de canon Flamme Empor, in mijn eigen schooltijd nog een onderdeel van het lied repertoire van de Vrije School, waarvan ik had beweerd dat dit een nogal besmet lied is geworden, omdat het werd gezongen bij boekverbrandingen in het Derde Rijk. ‘Joost Alfrik’ trachtte dat aan te vechten, maar bleek nogal onorthodoxe methodes te hanteren, waardoor ik me genoodzaakt voelde om de orde een beetje te handhaven, enz. De hele geschiedenis is na te lezen onder mijn eerste antroposofie artikel ‘Geloof in Kabouters’ Zie verder Gepensioneerd antroposofisch leraar ontpopt zich tot stalker op de site van Ramon de Jonghe, die overigens de meeste last van dit heerschap heeft gehad. Niet echt een reclame voor de vrije schoolbeweging , die meneer Alfrik.

Maar los van dit soort ruis is er op deze site veel minder op dit gebied  gebeurd, dan in de jaren daarvoor. Dus tijd om de draad weer op te pakken, nu er tenminste twee (eigenlijk drie)  aanleidingen zijn.

De eerste is een artikel van de Nederlandse antroposoof Stephan Geuljans, Rudolf Steiner- Individu versus ras, alweer anderhalf jaar geleden verschenen op de, wat mij betreft, vrij orthodoxe of in ieder geval rechtzinnige antroposofische website De Aardespiegel. Ik heb weleens eerder aandacht aan een andere bijdrage van Geuljans besteed (zie mijn tweede antroposofie-artikel, de Repliek aan Paul Heldens). Het artikel van Geuljans in de Aardespiegel is een hele kluif, maar vraagt om een degelijke behandeling, ook alweer anderhalf jaar na publicatie. Dus bij deze alsnog. Ik neem dan overigens ook zijn vervolgartikel mee, dat hij schreef naar aanleiding van een vraag van Ramon de Jonghe. Ook die bijdrage smeekt om een nadere bespreking.

Verder zal ik aandacht besteden, en dat is de tweede aanleiding,  aan  materiaal dat ik pas later in handen kreeg, al vermoedde ik alweer een tijd het bestaan. Het gaat hier om een aantal zeer ontspoorde bijdragen uit het antroposofische tijdschrift Driegonaal. Met ontspoord bedoel ik dus van hetzelfde kaliber als de op deze stek veelbesproken organen De Brug en vrijgeestesleven.be  (zie vooral in mijn vierde en Engelstalige bijdrage over deze kwestie).  Een klein zoektochtje in de Koninklijke Bibliotheek leverde heel wat op. Bovendien was het materiaal nog veel erger dan ik zelf had verwacht. Driegonaal blijkt zich in de loop der jaren te hebben ontwikkeld tot een platform voor oa de zeer omstreden Russische antroposoof Gennady Bondarew, die vanwege zijn ontkennen van de Holocaust zelfs door het hoofdbestuur in Dornach is geroyeerd en ook bij de Nederlandse Antroposofische Vereniging niet welkom is. Bij Driegonaal is men lyrisch over zijn werk. Ook de Vlaamse antroposoof, politiek activist en pleitbezorger voor allerlei Holocaustontkenners Jos Verhulst (mede oprichter van oa de radicaalrechtse weblog ‘The Brussels Journal’, die vooral buiten de antroposofie bekendheid geniet, oa omdat de aan Anders Breivik verwante Noorse blogger Fjordman er regelmatig publiceerde- kort na de aanslagen in Noorwegen was The Brussels Journal zelfs even wereldnieuws) mag in Driegonaal zijn twijfels uiten over het bestaan van de gaskamers, etc. Zo ernstig is het dus. Maar dat komt hierna allemaal uitgebreid aan de orde.

En dan de derde aanleiding om juist nu met dit stuk te komen. Binnenkort, op donderdag 21 februari as, zal er een aflevering worden uitgezonden van het VPRO programma De Hokjesman, van documentairemaker Michael Schaap, die gewijd is aan de antroposofie. Ikzelf heb daar ook een bijdrage aan geleverd. Voor die uitzending wilde ik in ieder geval klaar zijn met het materiaal dat ik nog had liggen. Dus hoog tijd om er nu werk van te maken.

In de komende verhandeling zullen de bovenstaande zaken, in onderlinge samenhang- want die is er zeker, uitgebreid besproken en/ of gefileerd worden. Het materiaal krijgt de behandeling die het verdient. Bij deze mijn zesde deel uit de serie ‘antroposofie en racisme’.

Stephan Geuljans en de kunst van het weglaten

Ongeveer jaar geleden  verscheen er in De Aardespiegel, een digitaal antroposofisch tijdschrift voor, naar eigen zeggen,  ‘Geesteswetenschappelijk Onderzoek’, een uitvoerige beschouwing van de Nederlandse antroposoof Stephan Geuljans (een van de meest uitgesproken vertegenwoordigers van de meer rechtzinnige/conservatieve richting, hij is op dit blog vaker ter sprake gekomen) een beschouwing met de titel ‘Rudolf Steiner-Individu versus ras’ (hier te raadplegen). Recent werd dit stuk opnieuw gepubliceerd, althans weer op de voorpagina van de website, nu gedateerd als van 16 december 2012 (al zijn de reacties daaronder dus van eerder). Opmerkelijk overigens. De dag daarvoor, op 15 december berichtte Michel Gastkemper, op zijn blog Antroposofie in de Pers, over de aanstaande uitzending van de Hokjesman en dat ik daarin iets zou gaan doen, zie hier (hij had de aankondiging en wat foto’s van de opnames op mijn facebookpagina gezien). Zou het opnieuw plaatsen van Geuljans artikel daar iets mee te maken kunnen hebben? 😉

Ik had al veel eerder onder Geuljans artikel een korte reactie geplaatst, waarin ik aankondigde dat ik nog uitgebreid wilde terugkomen op zijn verhandeling.  Belofte maakt schuld, dus dat wil ik bij deze alsnog doen. Het lijkt me interessant om Geuljans betoog  punt voor punt na te lopen.

Het stuk begint als volgt:

“Een 21-jarige student, de heer Leon Korteweg vraagt of het waar is dat Rudolf Steiner binnen de antroposofie een rassenleer heeft ontwikkeld. Stephan Geuljans gaat in op deze vraag en zal laten zien dat Steiner geen rassenleer maar het ethisch individualisme ontwikkelde: niet de erfelijkheid, de soort-gebondenheid, maar de individuele verantwoordelijkheid staat centraal in de ontwikkeling van de mens. Juist deze filosofie van de vrijheid vormde het sterkste tegenwicht om de destijds opkomende rassenidealen en de schaduwzijde van het darwinisme te bestrijden. Ook in onze tijd is niet politieke correctheid, maar ethisch individualisme het beste wapen tegen racisme en discriminatie”.

 Antroposofie het beste wapen tegen racisme en discriminatie? Het zal niemand verbazen dat ik daar een beetje mijn twijfels bij heb. Want hoe kan het dogmatisch navolgen van het gedachtegoed van een guru die zich gedurende vrijwel zijn hele loopbaan, in ieder geval van zijn toetreden tot de theosofische Vereniging in 1902, tot zijn overlijden in 1925, zich herhaaldelijk aan racisme heeft bezondigd? Geuljans kan dan wel proberen om alles te relateren aan Steiners begrippenapparaat uit ‘Filosofie der Vrijheid’ uit 1894, maar Steiner begaf zich pas daarna op het esoterische/occulte pad. De rassenleer van Rudolf Steiner is nu juist diep verankerd in zijn esoterische leringen. Steiner verwijst in zijn voordrachten over ‘rassen’ zelf niet eens naar Filosofie der Vrijheid, of de begrippen die hij in dat werk hanteerde. Wel heeft hij het over hele andere zaken, zoals Atlantis, of de na-Atlantische cultuurperiodes. Steiners rassenleer is vooral geworteld in zijn esoterische visie op de zg Aarde -Evolutie.

Steiner ontleende zijn opvattingen over ‘de Aarde-Evolutie’ en zijn daarmee samenhangende rassenleer aan Helena Blavatsky, de grondlegster van de theosofie. Nadat Steiner de Theosofische Vereniging had verlaten en de antroposofische beweging startte, heeft hij de ideeën van Blavatsky over evolutie en ras verder uitgewerkt en aangekleed met typerende antroposofische opsmuk, zoals blijkt uit zijn arbeidersvoordracht uit 1924 (GA 349, derde voordracht, online versie hier). Daarin verkoopt aan zijn toehoorders, de bouwvakkers van het tweede Goetheanum, de meest grove racistische denkbeelden, gegoten in typische antroposofische kaders. Voorbeeld, Rudolf Steiner over ‘der Neger’:

 “Überall nimmt er Licht und Wärme auf, überall. Das verarbeitet er in sich selber. Da muß etwas da sein, was ihm hilft bei diesem Verarbeiten. Nun, sehen Sie, das, was ihm da hilft beim verarbeiten, das ist namentlich sein Hinterhirn. Beim Neger ist daher das Hinterhirn besonders ausgebildet. Das geht durch das Rückenmark. Und das kann alles das, was da im Menschen drinnen ist an Licht und Wärme, verarbeiten. Daher ist beim neger namentlich alles das, was mit dem Körper und mit dem Stoffwechsel zusammenhängt, lebhaft ausgebildet. Es hat, wie man sagt, ein starkes Triebleben, Instinktleben. Der Neger hat also ein starkes Triebleben. Und weil er eigentlich das Sonnige, Licht und Wärme, da an der Körperoberfläche in seiner Haut hat, geht sein ganze Stoffwechsel so vor sich, wie wenn in seinem Innern von der Sonne selber gekocht würde. Daher kommt sein Triebleben. Im Neger wird da drinnen fortwährend richtig gekocht, und dasjenige, was dieses Feuer schürt, das ist das Hinterhirn. Manchmal wirft die Einrichtung des Menschen noch solche Nebenprodukte ab. Das kann man gerade beim Neger sehen. Der Neger hat nicht nur dieses kochen in seinem Organismus, sondern er hat auch noch ein furchtbar schlaues und aufmerksames Auge. Er guckt schlau und sehr aufmerksam”.

Of:

“Gehen wir jetzt vom Schwarzen zum Gelben herüber. Beim Gelben- das ist schon verwandt mit dem Roten- ist es so, daß das Licht etwas zurückgeworfen wird, viel aber aufgenommen wird. Also da ist es schon so, daß der Mensch mehr Licht zurückwirft als beim Schwarzen. Der Schwarze ist ein Egoist, der nimmt alle Licht und Wärme auf”.

Of:

“Der Neger ist viel mehr auf Rennen und auf die äußere Bewegung aus, die von den Trieben beherrscht ist. Der Asiate, der Gelbe, der entwickelt mehr ein innerliches Traumleben, daher die ganze asiatische Zivilisation dieses Träumerische hat. Also er ist nicht mehr so in sich bloß lebend, sondern er nimmt schon vom Weltenall etwas auf. Und daher kommt es, daß die Asiaten so wunderschöne Dichtungen über das ganze Weltenall haben. Der Neger hat das nicht. Der nimmt alles in seinen Stoffwechsel herein und eigentlich verdaut er nur das Weltenall”.

Ik heb deze voordracht integraal besproken aan het slot van mijn vijfde antroposofie-artikel, dus wie het allemaal wil lezen (de integrale tekst is in dat stuk verwerkt) kan ik daarnaar verwijzen. Maar dat antroposofie het beste wapen zou zijn tegen racisme of discriminatie zou ik toch willen betwijfelen, zie de volgende passage uit diezelfde voordracht:

“Und so ist es ganz wirklich interessant. Auf der einen Seite hat man die Schwarze Rasse, die am meisten irdisch ist. Wenn sie nach Westen geht, stirbt sie aus. Man hat die gelbe Rasse, die mitten zwischen Erde und Weltenall ist. Wenn sie nach Osten geht, wird sie braun, gliedert sich zu viel dem Weltenall an, stirbt aus. Die weiße Rasse ist die zukünftige, ist die am Geiste schaffende Rasse. Wie sie nach Indien gezogen ist, bildete sie die innerliche, poetische, dichterische, geistige indische Kultur aus. Wenn sie jetzt nach dem Westen geht, wird sie eine Geistigkeit ausbilden, die nicht so sehr den innerlichen Menschen ergreift, aber die äußere Welt in ihrer Geistigkeit begreift”.

Steiners gehele oeuvre is doortrokken van de notie dat het blanke Arische ras de Drager van de Beschaving is. Na de ondergang van Atlantis zou dit ras eerst de Oer-Indische Cultuur hebben gecreëerd, vervolgens de Oud-Perzische om langzaam naar het westen trekkend de ontwikkeling van de mensheid tot een hoger plan hebben gebracht. Andere rassen zijn gedeformeerde restproducten, waarvoor het soms dodelijk kan aflopen, zie de bovenstaande passage. Dit idee heeft Steiner op verschillende momenten in zijn lange loopbaan uitgedragen, zie zijn beschrijvingen van de menselijke mutaties door de ‘abnormale geesten van de vorm’, uit Die Mission einzelner Volksseelen (GA121, 1910, online versie hier). Ik zal de bewuste passage nog een keer terughalen:

“Da haben Sie zum Beispiel (siehe Figur) einen Punkt, der im Innern von Afrika liegt. An diesem Punkte wirken gleichsam von der Erde ausstrahlend alle diejenigen Kräfte, welche den Menschen namentlich während seiner ersten Kindheitszeit ergreifen können. Später wird der Einfluß solcher Kräfte auf den Menschen geringer; er ist dann diesen Kräften weniger ausgesetzt, aber sie prägen sich ihm mit dem, was aus ihnen kommt, doch in der stärksten Weise auf. So also wirkt jener Punkt auf der Erde, auf dem der Mensch lebt, am allerstärksten in der ersten Kindheitszeit und bestimmt dadurch diejenigen Menschen, die ganz abhängig sind von diesen Kräften, ihr ganzes Leben hindurch so, daß jener Punkt ihnen die ersten Kindheitsmerkmale bleibend aufprägt. Das ist ungefähr eine Charakteristik aller derjenigen Menschen – in bezug auf ihren Rassencharakter -, die sozusagen um diesen Erdenpunkt herum die bestimmenden Kräfte aus der Erde heraus erhalten. Das, was wir schwarze Rasse nennen, ist im wesentlichen durch diese Eigenschaften bedingt.

Wenn Sie nun weiter nach Asien hinübergehen, da haben Sie einen Punkt auf der Erdoberfläche, wo die späteren Jugendmerkmale dem Menschen aus den Erdenkräften heraus bleibend aufgedrückt werden, wo das, was die besonderen Eigenschaften des späteren Jugendzeitalters sind, aus der Erdenwesenheit heraus auf den Menschen übertragen wird und ihm den Rassencharakter gibt. Die hier in Betracht kommenden Rassen sind die gelben und bräunlichen Rassen unserer Zeit.

Wenn wir dann weiter von Osten nach Westen gehen, so finden wir einen Punkt, der von Asien her gegen Europa zu liegt und der die spätesten Merkmale, diejenigen Merkmale, welche gerade in dem späteren, auf die erste Jugendzeit folgenden Lebensalter dem Menschen zukommen, dem Menschen bleibend aufdrückt, den Punkt, wo der Mensch nicht schon in der Kindheit von den Erdenkräften ergriffen wird, sondern dann, wenn die Jugend in das spätere Lebensalter übergeht.

In dieser Art wird der Mensch von den Kräften ergriffen, die von der Erde aus bestimmend für ihn sind, so daß wir, wenn wir diese einzelnen Punkte ins Auge fassen, eine merkwürdig verlaufende Linie erhalten. Diese Linie besteht auch für unsere Zeit. Der afrikanische Punkt entspricht denjenigen Kräften der Erde, welche dem Menschen die ersten Kindheitsmerkmale aufdrücken, der asiatische Punkt denjenigen, welche dem Menschen die Jugendmerkmale geben, und die reifsten Merkmale drückt dem Menschen der entsprechende Punkt im europäischen Gebiete auf. Das ist einfach eine Gesetzmäßigkeit. Da alle Menschen in verschiedenen Reinkarnationen durch die verschiedenen Rassen durchgehen, so besteht, obgleich man uns entgegenhalten kann, daß der Europäer gegen die schwarze und die gelbe Rasse einen Vorsprung hat, doch keine eigentliche Benachteiligung. Hier ist die Wahrheit zwar manchmal verschleiert, aber Sie sehen, man kommt mit Hilfe der Geheimwissenschaft doch auf merkwürdige Erkenntnisse.

Wenn wir dann diese Linie weiterziehen, so kommen wir weiter nach Westen nach den amerikanischen Gebieten hinüber, in jene Gebiete, wo diejenigen Kräfte wirksam sind, die jenseits des mittleren Lebensdrittels liegen. Und da kommen wir – ich bitte das nicht mißzuverstehen, was eben gesagt wird; es bezieht sich nur auf den Menschen, insofern er von den physisch-organisatorischen Kräften abhängig ist, von den Kräften, die nicht sein Wesen als Menschen ausmachen, sondern in denen er lebt -, da kommen wir zu den Kräften, die sehr viel zu tun haben mit dem Absterben des Menschen, mit demjenigen im Menschen, was dem letzten Lebensdrittel angehört. Diese gesetzmäßig verlaufende Linie gibt es durchaus; sie ist eine Wahrheit, eine reale Kurve, und drückt die Gesetzmäßigkeit im Wirken unserer Erde auf den Menschen aus. Diesen Gang nehmen die Kräfte, die auf den Menschen rassebestimmend wirken. Nicht etwa deshalb, weil es den Europäern gefallen hat, ist die indianische Bevölkerung ausgestorben, sondern weil die indianische Bevölkerung die Kräfte erwerben mußte, die sie zum Aussterben führten”.

In het zwarte ras worden de kenmerken van het kind geaccentueerd, in het Aziatische die van een puber. Het blanke ras is ‘gewoon volwassen’ en heeft ten opzichte van andere rassen ‘eigenlijk alleen maar voordelen en geen enkel nadeel’, in Steiners woorden: “…der Europäer gegen die schwarze und die gelbe Rasse einen Vorsprung hat, doch keine eigentliche Benachteiligung”. De Indianen, het mensenras waarvoor Steiner in regel het meest vriendelijk is, vertegenwoordigen de ouderdomsfase en” Nicht etwa deshalb, weil es den Europäern gefallen hat, ist die indianische Bevölkerung ausgestorben, sondern weil die indianische Bevölkerung die Kräfte erwerben mußte, die sie zum Aussterben führten”.

Juist! En laat dit niet de enige keer zijn geweest dat Steiner zich zo over de oorspronkelijke bevolking van Amerika uitliet. Ik zal verderop nog een paar interessante schema’s laten zien van hoe Steiner tegen de evolutie aankeek, waarin de indianen worden afgeschilderd als een ‘decadente aftakking’ van de mensheidsontwikkeling, maar ook in de arbeidersvoordracht van Steiner is het toch vooral van:

“Daher sterben sie als Indianer im Westen aus, sind wiederum eine untergehende Rasse, sterben an ihrer eigenen Natur, die zu wenig Licht und Wärme bekommt, sterben aus dem Irdischen. Das Irdische ihrer Natur ist ja ihr Triebleben. Das können sie nicht mehr ordentlich ausbilden, während sie noch starke Knochen kriegen. Weil viel Asche hineingeht in ihre Knochen, können diese Indianer diese Asche nicht mehr aushalten. Die Knochen werden furchtbar stark, aber so stark, daß der ganze Menschen an seinen Knochen zugrunde geht”.

En, nu ik toch bezig ben, voordat het inmiddels platgetreden argument in stelling wordt gebracht dat Steiners beschrijvingen van ‘de verschillen tussen rassen’ gaan over de situatie in een ver verleden, zoals oa Dieter Brüll beweerde in zijn artikel De Nieuwe Reactionairen (Driegonaal, 1986, nr. 1, hier te raadplegen), of dat de rasverschillen in de huidige tijd (Steiners tijd dus) geen rol van betekenis meer spelen, hier nog een passage uit de zesde voordracht van Die Mission einzelner Volksseelen (hier te raadplegen, bijna tegen het eind):

“Sehen Sie sich doch die Bilder (foto’s!!, dus op z’n vroegst tweede helft negentiende eeuw, FS) der alten Indianer an, und Sie werden gleichsam mit Händen greifen können den geschilderten Vorgang, in dem Niedergang dieser Rasse. In einer solchen Rasse ist alles dasjenige gegenwärtig geworden, auf eine besondere Art gegenwärtig geworden, was in der Saturnentwickelung vorhanden war; dann aber hat es sich in sich selber zurückgezogen und hat den Menschen mit seinem harten Knochensystem allein gelassen, hat ihn zum Absterben gebracht. Man fühlt etwas von dieser wirklich okkulten Wirksamkeit, wenn man noch im neunzehnten Jahrhundert (19e eeuw! FS) sieht, wie ein Vertreter dieser alten Indianer davon spricht, daß in ihm lebt, was vorher für die Menschen groß und gewaltig war, das aber die Weiterentwickelung unmöglich mitmachen konnte. Es existiert die Schilderung einer schönen Szene, bei welcher ein Führer der untergehenden Indianer einem europäischen Eindringling gegenübersteht (In ieder geval na Columbus, FS). Denken Sie sich, was da Herz gegen Herz fühlt, indem sich zwei solche Menschen gegenüberstehen: Menschen, die von Europa herüberkamen, und Menschen, die in frühester Zeit, als die Rassen verteilt wurden, nach Westen hinübergegangen sind. Da haben die Indianer nach Westen hinübergenommen alles, was groß war in der atlantischen Kultur. Was war für den Indianer das Größte? Es war, daß er noch ahnen konnte etwas von der alten Größe und Herrlichkeit eines Zeitalters, das in der alten atlantischen Zeit vorhanden war, wo noch wenig um sich gegriffen hatte die Rassenspaltung, wo die Menschen hinaufschauen konnten nach der Sonne und wahrzunehmen vermochten die durch das Nebelmeer eindringenden Geister der Form. Durch ein Nebelmeer blickte der Atlantier hinauf zu dem, was sich für ihn nicht spaltete in eine Sechs- oder Siebenheit, sondern zusammenwirkte. Das, was zusammenwirkte von den sieben Geistern der Form, das nannte der Atlantier den Großen Geist, der in der alten Atlantis dem Menschen sich offenbarte. Dadurch hat er nicht mit aufgenommen das, was die Venus-, Merkur-, Mars- und Jupiter-Geister bewirkt haben im Osten. Durch dieses haben sich gebildet alle die Kulturen, die in Europa in der Mitte des neunzehnten Jahrhunderts (alweer negentiende eeuw! FS) zur Blüte gebracht wurden. Das alles hat er, der Sohn der braunen Rasse, nicht mitgemacht. Er hat festgehalten an dem Großen Geist der urfernen Vergangenheit”.

Het gaat hier dus over de negentiende eeuw en niet over de situatie van vóór de Christelijke jaartelling, zoals Brüll beweert. Overigens vonden bepaalde hedendaagse antroposofen ook dat Wounded Knee viel te duiden aan de hand van Steiners ideeën (Maarten Ploeger en Christoph Wiechert). Laat ik het precies uitleggen. Steiner sprak deze woorden uit op 12 juni 1910. Wounded Knee vond plaats op 29 december 1890. Dat was dus precies negentien jaar, vijf maanden en veertien dagen daarvoor. Dan is het snel gegaan met die opheffing van de verschillen tussen de rassen. En jammer dat dit net te laat was voor de indianen, althans dat dit dan net in de korte tijd na Wounded Knee (periode december 1890-juni 1910) gebeurd is. Hoe je het ook bekijkt, de antroposofie is niet de meest vriendelijke levensbeschouwing voor de oorspronkelijke bewoners van het Amerikaanse continent, al zijn het slag antroposofie-sympathisanten dat zich beperkt tot BD voedsel, houten speelgoed en de vrije school van de kinderen helpen aankleden met herfsttafels, broodkippen bakken voor Palmpasen en lampionnen maken voor het Sint Maartensfeest zich hier totaal niet bewust van. Die zijn in regel dol op de al dan niet ingebeelde natuurwijsheden van de indianen en hebben meestal geen flauw benul van het feit dat Steiner het wel welletjes vond voor dit ‘decadent geworden ras’.

Tot zover deze remindertjes en wellicht is iedereen weer bij. En voor alle duidelijkheid, hierboven zijn linkjes geplaatst naar de teksten van de complete voordrachten. Dus, wellicht geheel ten overvloede maar voor degene die het niet vertrouwt, of mij ervan verdenkt manipulatief bezig te zijn (je weet maar nooit 😉 mochten sommigen, zoals Stephan Geuljans, het over die boeg willen gooien), alles is te checken. Dus aarzel vooral niet om de complete teksten langs te lopen. Voor wie liever een Nederlandse vertaling leest, hier is de Vrij Geestesleven-vertaling te raadplegen van de vierde en de zesde voordracht van Die Mission einzelner Volksselen (‘De Volkszielen’) door W. Jonkers-Driessen, uitgave Vrij Geestesleven, Zeist, 1983.  

Blijft de vraag waarom Stephan Geuljans het gedachtegoed van Steiner ziet als ‘het beste wapen tegen racisme en discriminatie’. Want over deze voordrachten en andere evident racistische werken van Steiner geen woord. Geuljans probeert van alles, maar hier durft hij zijn vingers kennelijk niet aan te branden. Terwijl, als je het hebt over Steiners opvattingen over ‘rassen’, dan bespreek je toch juist de teksten van Steiner die over dat specifieke onderwerp gaan? Tenminste dat lijkt mij het meest logisch. Tenzij het je opzet is om een rookgordijn op te werpen en bepaalde zaken uit het zicht wil houden. Het zou zomaar kunnen dat dit inderdaad de bedoeling van Stephan Geuljans is. Want je maakt mij niet wijs dat Geuljans die teksten niet kent. Ik denk alleen dat hij die niet zijn vrome lezertjes wil voorschotelen. Of het is een vorm van bezwering. Als je doet alsof ze er niet zijn, hoef je jezelf geen pijnlijke vragen meer te stellen, of zien vervelende buitenstaanders hopelijk die teksten dan ook niet meer en houdt het gezeur vanzelf op. Blikvernauwing en zelfbedrog als overlevingsstrategie in de ‘Geesteswetenschap’. In het land der blinden is eenoog koning, dat gaat bijzonder vaak op voor de volgelingen van ‘Herr Doktor’.

Zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten

“Niet door het zoeken naar begripsmatige verbanden, maar door het associatief aan elkaar plakken van citaten, construeren deze aanklagers in het werk van Steiner een rassenleer die er helemaal niet in ligt. Je kan je afvragen in hoeverre hierbij sprake is van geschiedvervalsing”.

Zo vat Stephan Geuljans ‘de methode’ samen die ‘alle critici’, of wie verder ook Rudolf Steiner iets van racisme verwijt, zouden hanteren. Op zich is het wel ironisch om het verwijt ‘het associatief aan elkaar plakken’ van een antroposoof te krijgen. Zwarten associëren met kinderen, Aziaten met pubers en indianen met bejaarden… Hé, er blijft er nog eentje over, blanken dus maar met volwassenen, komt dat even leuk uit! Dat heeft natuurlijk niets te maken met associatief aan elkaar plakken, maar alles met authentieke en pure ‘geesteswetenschap’. Want de eigen grootmeester heeft zich nooit ofte nimmer bezondigd aan associatief plakwerk (dat valt trouwens nog op meer manieren uit te leggen, als we ook de plagiaatskwestie erbij betrekken, zie het centrale punt van Helmut Zander).

Geuljans stelt dus dat de rassenleer ‘een constructie is van aanklagers, die (er) helemaal niet in (het werk van Steiner) ligt’.  Zo langzamerhand (zie al mijn vorige bijdragen, waarvan de bronnen meestal direct te controleren zijn) wel een hele boude stelling. En hij suggereert ook nog dat wie het daar niet mee eens is zich schuldig maakt aan ‘geschiedvervalsing’. Dan vrees ik dat hij ook van mijn activiteiten vindt. Ben benieuwd, dus meer dan een goede reden om eens te gaan kijken waarmee Geuljans komt aanzetten. Dat moet dan wel een heel erg goed en doortimmerd verhaal zijn.

Het eerste wat opvalt is dat Geuljans zo’n beetje alles, wat met de antroposofische en theosofische ideeën  te maken heeft. weglaat (althans, hij probeert het, want het bloed kruipt waar het niet gaan kan en ook Geuljans ontkomt niet aan antroposofische zweverigheden). Dat is geen onwetendheid, want Geuljans is met recht een door de wol geverfde antroposoof, die tot over zijn oren in Steiners esoterische leringen zit. Kortom Geuljans weet zelf heel goed wat hij weglaat uit zijn betoog. Maar hij weet ook dat dit niet aan iedereen even goed verkoopt, dus daarom probeert hij het over een andere boeg te gooien. Hij probeert Steiner vooral af te schilderen als filosoof en niet als esotericus. De rassenleer wordt veilig buiten beeld gehouden. We kunnen rustig stellen dat Geuljans niet helemaal eerlijk is. Zie ook de bovenstaande passages, waarvan Geuljans doet alsof ze niet bestaan.

De omstreden teksten van Steiner worden dus door Geuljans omzeild; hij durft er duidelijk niet zijn vingers aan te branden. Maar waar heeft Geuljans het dan wel over? Zo schrijft hij:

“Met name in Duitsland ligt het gevoelig te spreken over een “Volksgeist” en alleen al het woord roept associaties op met de ideologie van het nationaal-socialisme in de Tweede Wereldoorlog. Critici voeren graag citaten aan waar Rudolf Steiner spreekt over een “Volksgeist” slepen het nationaal-socialisme erbij en insinueren dat er een relatie is. De vraag is nu: wat laten zij weg? Welke informatie onthouden zij de lezer?
Rudolf Steiner staat met de antroposofie in de traditie van het Christendom. Hij stelt – eenvoudig weergegeven – dat ieder afzonderlijk mens begeleid wordt door een Engel, ieder volk door een Aartsengel of volksgeest en de mensheid als geheel door Christus. In de verbinding van een Aartsengel met een volk of hele beschaving ligt een cultuur-opgave besloten. Voor de Oude Griekse cultuur lag deze in het ontwikkelen van de filosofie, de logica en het denken zoals we dat aantreffen bij Socrates, Plato en Aristoteles. Voor de Romeinen bestond de opgave in het ontwikkelen van het recht waarin ruimte werd geschapen voor een individu, de civitas Romana, waarbij een burger een zelfstandige rechtspositie verwerft tegenover de almachtige staat. In de Duitse cultuur emancipeert het individu zich nog meer tot een individu dat zich vrij maakt door zelf verantwoording te nemen voor zijn leven.
De cultuur-opgave die uitgaat van de “Volksgeist” in Duitsland was en is gelegen in het ontwikkelen van het “Ik”, de vrije individualiteit in de filosofie, de kunst en de wetenschap zoals we dat zien in het Duitse Idealisme. Filosofen en dichters als Goethe, Fichte, Schelling en Hegel staan in deze traditie. De tegenstanders van Steiner laten deze essentiële informatie, Steiner’s opvattingen over de emancipatie van het individu als cultuur-opgave, onvermeld. Het effect is duidelijk; de ware betekenis keert volledig om en nu lijkt het of hij een soort nazi-ideologie er op nahield. De filosofische context, het Duitse Idealisme waarin het individu en het vrije denken centraal staan, wordt expres weggelaten en vervangen door een erbij verzonnen rassenleer. Een lezer zou zich gewoon eerlijk moeten afvragen: staat een cultuur-opgave die de emancipatie van het individu nastreeft, het ontwikkelen van de vrijheid vanuit de geest, in de traditie van het nationalisme of het Duitse Idealisme? Wie ook maar de geringste notie heeft van de geschiedenis van Duitsland, weet dat dat de nationaal-socialisten geprobeerd hebben het Duitsland van Goethe en Schiller te vernietigen*.”

Dan volgt er nog een klein voetnootje (*). Achter die noot zegt hij overigens hele pikante dingen, maar daar kom ik zo nog op terug. Eerst het bovenstaande verhaal.

Wat Geuljans hierboven beschrijft is inderdaad ook in het werk van Steiner te vinden. Sterker nog, huist dit aspect, ‘cultuuropgave’, ‘volksgeesten’ (maar ook ‘rasgeesten’, de zg. gevallen geesten van de beweging’, de Dynameis, of de ‘abnormale geesten van de vorm’, waarom gaat Geuljans trouwens daar niet op in?), maken deel uit van Steiners gedachtegoed en bepalen in een belangrijke mate Steiners visie op de geschiedenis en zelfs op de evolutie. De relatie tussen het gebruik van het begrip ‘Volksgeest’ door Rudolf Steiner en soortgelijke begrippen door de Nazi’s is er overigens zeker, zij het dat die zeer indirect is. Beiden hebben meer dan eens uit dezelfde troebele bron gevist, zij het dat de antroposofie er een andere invulling aan geeft dan bijv. het nationaalsocialisme. Bij de antroposofie zijn dit soort zaken (dus ook de rassenleer) altijd maar een onderdeel van de totaalomvattende visie op de evolutie van mens en aarde.

De ‘Engelenleer’ van Steiner is overigens maar zeer beperkt een Christelijke traditie. Steiner gebruikte weliswaar begrippen, of namen die hij aan ‘Engelensoorten’ gaf- die zijn ontleend aan de vroeg-middeleeuwse mysticus Dionysios de Areopagiet, alleen -en dat is bij Steiner vaker het geval (het Atlantis waar Steiner het over heeft is ook iets heel anders dan het Atlantis van Plato)- de manier waarop Steiner deze begrippen inzette is vooral heel erg negentiende-eeuws. In de middeleeuwen had niemand het over ‘rasgeesten’, of ‘volksgeesten’; dat zijn allemaal negentiende-eeuwse ideeën.  Wat wel weer klopt is dat de obsessie met ‘volksgeesten’, of de notie van ‘een volk als een organische eenheid’ op een bepaalde manier wel in de Duitse filosofische traditie staat. Dat is ook niet zo vreemd; in het versnipperde Duitsland werd er veel nagedacht over hoe de natie weer tot een eenheid te maken. Het denken over volkeren als organische eenheid is inderdaad heel typisch voor het vroege Duitse nationalisme (ik zeg dus niet nationaal socialisme, al heeft het latere nationaal socialisme wel degelijk uit dezelfde bron gevist). Zie bijvoorbeeld de romantische filosoof Johann Gottfried von Herder, die het begrip ‘Volksgeist’ lanceerde. Steiner  gebruikte allerlei negentiende-eeuwse ideeën, ook over mensenrassen (al waren die, ook begin 20e eeuw achterhaald), die hij eclectisch vermengde met allerlei esoterische en vroeg-Christelijke begrippen.  Daarom is de antroposofie ook zo’n typische ‘neo-beweging’ van het Fin du Siècle. Precies eigenlijk zoals Helmut Zander het in zijn omvangrijke standaardwerk Anthroposophie in Deutschland;  Theosophischen Weltanschauung und Gesellschaftlichen Praxis 1884-1945 (Vandenhoeck & Ruprecht, Göttingen, 2008) beschrijft, al hebben orthodoxe antroposofen,  zoals Stephan Geuljans, daar enigszins moeite mee.

Overigens ben ik het zeker niet met Geuljans eens dat Steiner in de  traditie van Hegel, Fichte of Schelling staat. Hooguit aan het begin van zijn carrière, de periode dat hij de eerste versie van Filosofie der Vrijheid schreef. Daarna verliet Steiner de filosofie en begaf hij zich op het terrein van de esoterie. De herkomst van zijn opvattingen over de evolutie en de rol die ‘mensenrassen’ in dit verhaal innemen zijn grotendeels te herleiden tot de occulte ‘openbaringen’ van Helena Blavatsky, al wist Steiner, een eclecticus pur sang, ze altijd te ‘samplen’ met verschillende andere elementen, zoals de Duitse filosofie van de decennia daarvoor. Maar mijn probleem met Geuljans uiteenzetting begint al met dat de Rudolf Steiner die een rassenleer ontwikkelde,  wat mij betreft geen wetenschapper, of een filosoof (meer) was. De Steiner van de theosofie en de antroposofie had de wetenschap en de filosofie vaarwel gezegd en was esotericus geworden, een occultist, die zijn eigen versie van de theosofie zou ontwikkelen, de meest invloedrijke ‘neo-religieuze bewegingen’ van de tijd (misschien wel de New Age van het Fin du Siècle). Wel maakte Steiner veel gebruik van allerlei wetenschappelijke theorieën van dat moment, zoals bijvoorbeeld de evolutie-leer, die toen net in opkomst was. De inmiddels als achterhaald beschouwde recapitulatie-theorie van Ernst Haeckel, tegenwoordig door de wetenschap terzijde geschoven ten gunste van Darwin, heeft Steiner wel degelijk diepgaand beïnvloed, zoals ook uit Steiners eigen teksten blijkt. Dat komt nog ter sprake bij de ‘indianentekeningen’ (evolutiemodellen), die Geuljans in zijn tweede artikel (het antwoord aan Ramon de Jonghe) bespreekt.

Maar alleen al het idee van ‘cultuuropgaven’ waar Geuljans mee komt aanzetten. Dat is al niet wetenschappelijk. Want wat is dat eigenlijk? Een cultuur zou ontstaan, omdat die een bepaalde functie heeft te vervullen in een groot evolutionair of universeel plan? En als dat taakje erop zit, wat dan? Dan moet zo’n cultuur onmiddellijk ontbonden worden? Dat zit inderdaad sterk in de antroposofie van Rudolf Steiner. Sterker nog, dat geldt, wat Steiner betreft, ook voor mensenrassen, zie de bovenstaande passages over de Indianen uit Die Mission Einzelner Volksseelen (GA 121). “Mission erfüllt, Verfall Programmiert, lautet die anthroposophische Grundregel”, schrijft de door Geuljans zo gehekelde Peter Bierl (in Wurzelrassen, Erzengel und Volksgeister; die Anthroposophie Rudolf Steiners und die Waldorfpädagogik, Konkret Literatur Verlag, Hamburg, 2005, p. 132) .  Alsof het om een soort historische wetmatigheid gaat.

Wat Geuljans beschrijft is overigens ook een hele typische negentiende-eeuwse manier van denken, of van net iets daarvoor. Johann Joachim Winckelmann (1717-1768), de historicus en archeoloog die vaak wordt gezien als de grondlegger van mijn eigen vak (kunstgeschiedenis) hanteerde inderdaad een theorie van ‘opkomst’, ‘bloei’ en ‘verval’. Dat was voor hem bijna een soort universele wetmatigheid. Alleen gebruikt niemand binnen de huidige serieuze wetenschap nog dit soort achterhaalde noties. Dit concept vind je wel terug in de antroposofie van Rudolf Steiner, door zijn aanhangers  versteend en aanbeden. Maar het laat ook zien hoe gedateerd veel van Rudolf Steiners ideeën zijn.

Ik vind overigens niet dat Steiner er een soort Nazi-ideologie op nahield. Maar Geuljans pathetische uithaal over een ‘door critici verzonnen rassenleer’ maakt het verhaal er niet geloofwaardiger op. Temeer Geuljans zich iets  later beroept op Jos Verhulst. Als er nu een iemand is die zijn uiterste best doet om een vorm van nationaal socialisme de antroposofie binnen te loodsen is het Verhulst wel. En Geuljans die daar zogenaamd niets van zou weten? In het beste geval heb je dan een plaat van gewapend beton voor je hoofd, of, mocht Geuljans wel op de hoogte zijn (en ik kan me nauwelijks voorstellen dat dit niet zo is) dan ben je bezig de boel te belazeren en is dat artikel van hem niets meer dan  een staaltje propaganda. Als hij over een door critici verzonnen rassenleer begint, heeft het een beetje de schijn van het laatste. Over Jos Verhulst en het verschijnsel ‘neonazisme in de antroposofie’ kom ik nog te spreken.

Dan nu dat voetnootje van Geuljans. Onderaan het artikel staat in het bijschrift het volgende:

“ Aangetoond is dat veel ‘professionele’ critici zoals Helmut Zander en Peter Bierl, deze informatie bewust achterhouden en citaten vervalsen. Lorenzo Ravagli wijst er bijvoorbeeld op dat volgens Zander de SA-Obergutachter Alfred Baeumler als nationaal-socialist de antroposofie omarmde. Als je de historische documenten waar zij zich op beroepen controleert, blijkt juist omgekeerd dat deze nazi de antroposofie afwijst, omdat hij vindt dat de menskunde van Rudolf Steiner onverenigbaar is met het nationaal-socialisme. De Antroposofische Vereniging werd dan ook in 1935 verboden door de nazi’s. Toen de heer Zander door Ravagli op deze geschiedvervalsing werd gewezen, zei Zander dat hij zich had vergist”.

Informatie achterhouden? Citaten vervalsen? Zo’n beschuldiging moet je dan wel goed onderbouwen lijkt me. En als Geuljans zo zeker is, waarom begint hij dan niet, samen met de heren Bader en Ravagli, een klachtenprocedure bij de gerenommeerde Humboldt Universität te Berlijn (waar Helmut Zander hoogleraar is)? Alleen wat is de bron van Geuljans? Hoe sterk is zijn eigen onderbouwing? Ik geef hier een gedeelte weer van de discussie onderaan het artikel, tussen Ramon de Jonghe (geen onbekende op dit blog en in de verschillende antroposofie discussies) en Stephan Geuljans (http://www.aardespiegel.nl/artikelen/rudolf-steiner-individu-versus-ras/):

Ramon DJV op 5 april 2012 om 11:52 schreef:

Ik lees in de richtlijnen voor reacties dat de Aardespiegel niet censureert? (‘Censuur wordt niet toegepast’) Hoe komt het dan dat mijn vraag naar de onderbouwing van enkele van Geuljans beweringen hier niet verschijnt? Ik probeer het dus nog een keer.

Geuljans zegt dat ‘aangetoond is dat veel ‘professionele’ critici zoals Helmut Zander en Peter Bierl, deze informatie bewust achterhouden en citaten vervalsen’.

Ik zou wel eens willen weten waar en hoe is aangetoond dat Zander en Bierl citaten vervalsen.

Geuljans beweert ook dat Zander zou gezegd hebben ‘dat hij zich heeft vergist toen Ravagli hem op geschiedvervalsing wees’. Bedoelde Zander dat Ravagli zich had vergist of had hij het over zichzelf? Dat is niet duidelijk. En ook wat dit betreft zou bronvermelding niet misstaan.

 

  • Beste Ramon, excuses voor de late reactie. Wegens een gebrek aan tijd wil ik hier alleen ingaan op de dingen die direct met het artikel te maken hebben.

    Helmut Zander is selectief in het aanhalen van de nazi SA-Obergutachter Baeumler. Baeumler zegt dat er overeenstemming is tussen nationaal-socialisme omdat volgens Steiner een ras “eine Naturwirklichkeit” ist. Baeumler heeft echter ook een conclusie die Helmut Zander weglaat. Baeumler zegt ook: “Zou men proberen het begrip ras op onze manier [lees: nazi manier] een biologisch gefundeerde betekenis te geven, dan zou men de menskunde van Steiner stuk schieten (“zersprengen”). Want het nationaal-socialisme gaat weliswaar uit van de werkelijkheid van het bloed, maar tegelijk ook van het onderscheid die tussen mensengroepen bestaan. … Vanuit de menskunde van Steiner vinden we geen ingang tot het erkennen van het de idee dat het historische denken door de rasmatige werkelijkheid bepaald wordt. De plaats die wij reserveren voor de mens zoals die zich historisch gezien vanuit het ras ontwikkelt, wordt bij Steiner ingenomen door een boven alle geschiedenis verheven geestmens.”
    Tot zover de nazi Baeumler.
    UIt: ‘Rassenideale sind die Niedergang der Menschheit – Anthroposophie und der Rassismus-vorwurf” door Hans-Jürgen Bader en Lorenzo Ravagli, noot 18 bladzij 18. Daar verwijzen Bader en Ravagli ook naar zijn correspondentie met Zander en waar Zander toegeeft dat hij zich ter zake het oordeel van Baeumler vergist heeft. Ook Peter Bierl gebruikt deze methode van het selectief citeren. De correspondentie tussen Zander en Ravagli kan u altijd opvragen bij Bader en Ravagli.

    Terzijde iets over de onwetenschappelijke methode om antroposofie te willen beoordelen door wat een nazi zegt of wat “men zegt”. Er zijn in de geschiedenis vooraanstaaande bisschoppen te vinden die geloven “dat de joden de holocaust op zich hebben afgeroepen, omdat zij Christus hebben vermoord”. Zegt die bewering iets zinnigs over het Christendom, of over het gebrek aan verstand van die bisschop?

    Ik wil hiermee zeggen ik mijn opvatting over Steiner niet laat afhangen van het oordeel van een of ander onbenul of een of andere nazi die Zander en Bierl aanhalen. Of van zogeheten antiracisten die letterlijk nazi-achtige methodes gebruiken, zoals in 2001 o.a. door Harald Biskup en de gebroeders Grandt. Zo werd Steiner in WO I door mensen belasterd die in de tijd van het nationaal-socialisme lid werden van de SS. Steiner werd toen door deze nazi’s neergezet als “der Sexualmagie verfallene Juden” en Biskup en Grandt nemen dat anno 2001 over. Ik vind het bijzonder ernstig als dit soort ‘kritiek’ (lees: smaad en laster) klakkeloos wordt overgenomen en verder verspreid. Ik wil er echter ook niet te veel tijd aan besteden.

    Met vriendelijke groeten,

    Stephan Geuljans

     

    • Bedankt voor de verduidelijking, Stephan.

      Niet gepubliceerde correspondentie tussen Zander en Ravagli als bron aanhalen vind ik een zwak punt in je betoog. Het zou handiger zijn geweest als die informatie beschikbaar was. Nu vind ik het een niet onderbouwde stelling.

      Ik heb nog een vraag i.v.m. volgende stelling van je:

      (…) Nu wordt het interessant omdat volgens Rudolf Steiner een ras altijd tot de afdalende evolutie of degeneratie behoort. Volgens hem hebben rassen hun oorsprong in de prehistorie en is hun ontstaan afgesloten aan het einde van de laatste ijstijd (10.000 v.Chr.). Hij noemt dat in aansluiting met Plato de Atlantische periode vanaf welke tijd het geen zin meer heeft over rassen als ontwikkelingsprincipe te praten.(…)

      Nu is er natuurlijk die bekende schets uit GA 100, waarin met een opklimmende lijn de ontwikkeling van de mensheid wordt getoond met bovenaan de Europeaan, onderaan de ‘Atlantiër’ en als decadente vertakking het apengeslacht en de indiaan.

      Wanneer nu alle rassen hun ontstaan is afgesloten aan het einde van de Atlantische periode en ze in een afdalende evolutie zouden zitten, waarom zijn dan de indianen na die Atlantische periode een decadente vertakking? Als toch alle rassen degeneren? Of bedoelt Steiner dat weliswaar alle rassen degenereren, maar sommige rassen veel sneller dan andere?

      Mvg.
      Ramon

       

    • Beste Ramon,

      U vroeg mij een bron. Die heb ik u gegeven door zelfs concreet het oordeel van de nazi Baeumler te geven, het oordeel dat Helmut Zander en Peter Bierl bewust hebben weglaten. Laten we elkaar niet voor de gek houden want we weten heel goed dat deze heren niet integer zijn. Uit bron-onderzoek blijkt dat Helmut Zander en Peter Bierl regelmatig geschiedvervalsing plegen. Het is onder historici een doodzonde als men op de manier van Zander en Bierl te werk gaat. Het zou u sieren als u toegeeft dat u, bewust of onbewust, bent mee gegaan in de geschiedvervalsing van deze heren.

      In plaats daarvan verwijt u mij dat ik de correspondentie tussen Bader/Ravagli en Zander niet aan u overleg. Dat is hier niet op zijn plaats en ik zou bijna zeggen, je moet maar durven!

      Het is beter als u zich niet verschuilt achter het feit dat ik geen zin heb om uw huiswerk te maken. Als ik bewijs dat Zander en zijn volgelingen liegen is het aan u om grondig de archieven over WO II na te lezen. Vervolgens kan u zich tot de heren Zander en Bierl richten en hen vragen waarom zij zo te werk gaan. U mag ons eventueel uitleggen waarom u dat nog niet gedaan heeft.

      Ik herhaal dat ik alleen inga op concrete vragen over mijn artikel. Op het indianen-citaten is in 2002 al uitgebreid en voldoende ingegaan, door Bader en Ravagli en vele vele andere antroposofen en onder meer te vinden in de literatuuropgave onder mijn artikel. Ook hier blijkt de zich steeds repeterende methode van critici de uitleg van antroposofen botweg te negeren. Zelfs nu we 10 jaar verder zijn.

      Met groeten

      Stephan Geuljans

Dus als ik het goed begrijp moeten we op basis van een geforwarde e-mail  van Lorenzo Ravagli (die we niet mogen zien) aannemen dat Zander aan  ‘geschiedvervalsing’  doet? Dat hij en ‘zijn volgelingen liegen’? En Geuljans hoeft dat niet te onderbouwen en wie het niet met hem eens is ‘moet zich verantwoorden’? Ach, in de geesteswetenschap gelden andere regels, moeten we dan maar denken.  Overigens, het zou best kunnen dat Zander zich een keer vergist heeft. Maar kan dat niet via de koninklijke weg worden duidelijk gemaakt?  Bovendien weet ik niet of ik Lorenzo Ravagli zo ontzettend betrouwbaar vind. Ravagli is toch een beetje ‘de Rottweiler van de antroposofie’ (om een vergelijking te maken met de bijnaam van de nu scheidende Paus, Joseph Ratzinger, uit de tijd dat hij nog kardinaal was), die vooral in actie komt wanneer er met zwaar geschut propaganda moet worden bedreven. Veel van zijn bijdragen vind ik persoonlijk nogal hilarisch, zie bijvoorbeeld  zijn Negerromane? Was meintte Steiner Wirklich? Alleen de titel is al lachwekkend en dat is de inhoud van dat artikel ook. Wie zin heeft moet het maar via de link raadplegen. Zie dan ook maar zijn Rudolf Steiner und die Überwindung des Rassismus (Institut für Soziale Dreigliederung, 2003, eigenlijk en soort plusvariant van Dieter Brülls ‘De Nieuwe Reactionairen’), ook een vrij grotesk en een wat paranoïde werkstuk (lees vooral de inleiding), al zal Geuljans het wel fantastisch vinden. Het aardige van het laatste voorbeeld is overigens dat Ravagli er per ongeluk ook passages heeft ingestopt die juist wijzen op het tegenovergestelde, dus als propaganda-materiaal (want dat is het) is het niet eens echt geslaagd.   Bovendien, hoe zat dat ook alweer met Lorenzo Ravagli en Andreas Molau, oud-vrije schoolleraar en nu lid van de het parlement van de deelstaat Sachsen voor de Neo-Nazistische NPD? Was een niet helemaal lekker verhaal, dacht ik. Maar goed, er komt hierna nog genoeg op dat gebied, vooral over de handel en wandel van de door Geuljans zo bewonderde Jos Verhulst (waar hij ook blijk van geeft in dit artikel), dus die zaak laat ik hier verder zitten.

Overigens, als een of ander spammailtje van Lorenzo Ravagli (hij zal waarschijnlijk wel zo’n schreeuwerige newsletter hebben, waarop je je kunt abonneren, misschien een ideetje om dat ook maar eens te doen, als het mogelijk is) het enige is wat je tegen Helmut Zanders monumentale werk in stelling kunt brengen, denk ik niet dat je een sterk verhaal hebt. Dit is wel heel armoedig. Maar nogmaals, als het te moeilijk wordt duikt Geuljans weg, of probeert hij het op de smoezelige manier. Dat is zo langzamerhand wel duidelijk geworden. En ik kan nu al verklappen dat er nog meer komt, veel meer zelfs.

Met zijn weglaatkunsten kun je je afvragen of Geuljans zich niet meer schuldig maakt aan ‘geschiedvervalsing’, dan hij Helmut Zander verwijt. Het was niet mijn idee om deze zware term in te zetten, maar nu Geuljans hem heeft ingebracht vrees ik dat het toch vooral op hemzelf van toepassing is. Dus inderdaad, zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten.

Het Darwinisme racistisch of een staaltje projectie?

Na wat omtrekkende bewegingen komt Geuljans uiteindelijk bij de kern van de zaak: Steiners kijk op de evolutie. Na de onderstaande illustratie begint hij als volgt:

plaatje Geuljans 1

“Steiners strijd tegen het toenemende racisme en de rassenidealen  (sic  FS) van zijn tijd bevat meerdere elementen. Ik ga eerst in op de evolutie-biologie van zijn tijd (en het zich daaruit ontwikkelde sociaal-darwinisme) en wat hij daar tegenover heeft gezet”.

Steiner was in zijn tijd een waarlijk antiracistisch activist 😉 Wat betreft Geuljans pogingen om sociaal Darwinisme gelijk te stellen aan de moderne evolutie-biologie en dat Steiners esoterische en teleologische kijk op de evolutie het alternatief zou zijn om sociaal Darwinisme uit te sluiten-  mijns inziens maakt Geuljans een wezenlijke denkfout, maar daar kom ik nog uitgebreid op terug. Eerst de positie die Steiner innam tov de evolutie-theorieën van Darwin en van de nu bijna vergeten Ernst Haeckel (wiens evolutie-theorie door de wetenschap is verworpen). Geuljans:

“De biologen Ernst Haeckel en Carolus Linnaeus geloofden in een hiërarchische ontwikkeling van de mens: van onvolmaakt naar volmaakt. Dat is een opvatting die ook nu nog bestaat. Ieder van ons kent de suggestieve plaatjes van een chimpansee die zich via een Neanderthaler, Homo habilis of Homo erectus tot de huidige rechtop lopende mens, de Homo sapiens zou hebben ontwikkeld. De overtuiging dat de mens een rechtop lopende diersoort zou zijn, een “derde chimpansee” versterkt dit vooroordeel. Dit geloof in een stijgende hiërarchie in de menselijke evolutie van “laag” naar “hoog” of van eenvoudig naar steeds complexer leeft nog steeds voort in het darwinisme zoals dat tegenwoordig in veel academische kringen wordt aangehangen. De schaduwzijde van deze opvatting is dat dit een argument geeft om de menselijke gelijkheid te betwisten”.

Hier begint zich zo langzamerhand het typische antroposofische misverstand te ontvouwen. Voor Haeckel gold zeker dat hij in een doelgerichte en een van laag naar hoog  verlopende evolutie geloofde, dat hebben Haeckel en Steiner overigens in een bepaalde mate met elkaar gemeen. Maar Darwin niet.  De biologische theorie van Darwin (en dan heb ik het niet over het sociaal Darwinisme, wat dus niet hetzelfde is, al zegt Geuljans iets anders) gaat uit van toevallige mutaties. Er is bij Darwin, itt Haeckel of Steiner, geen planmatig verloop van de evolutie. Evolutie is bij Darwin niet teleologisch (naar een doel toewerkend). Hoewel ik zeker niet kritiekloos ben naar Richard Dawkins ‘The God Delusion’ wordt dit aspect van de moderne evolutie-biologie daarin goed uitgelegd. Wat bij Darwin wel zo is, is dat er in zijn theorie iets van een schepper, in welke vorm dan ook, wordt uitgesloten. Het klassieke Darwinisme is in wezen atheïstisch. Ik heb soms het idee dat antroposofen daar vooral moeite mee hebben.

De mens is er volgens het echte Darwinisme (dus nogmaals, niet het ‘ Sociaal Darwinisme’) slechts door een toevallige samenloop van omstandigheden, door een gril van het lot. Dat is natuurlijk in de antroposofische gedachtegang een doodzonde (in de antroposofie moet altijd alles zin hebben en is daarmee ook, in essentie, diep religieus).

Een tweede aspect is natuurlijk dat ‘de mens’ dus helemaal niet het middelpunt van de kosmos is, of een uniek wezen, althans niet als je het evolutionair bekijkt. Strikt genomen is de mens, volgens de Darwinistische theorie, een levend wezen net als alle andere levensvormen op aarde. Zie hier het echte probleem dat antroposofen met de moderne evolutie-theorie hebben. Eigenlijk hetzelfde als de Christelijke Kerk. Los van dat het Darwinisme het verhaal van de eenmalige schepping (in zeven dagen) onderuit heeft gehaald, heeft het ook de unieke positie van de mens ondermijnd. Wat voor antroposofen onverteerbaar is (en ook wordt ontkend, niet in de laatste plaats door Steiner zelf) is dat de mens afstamt van aapachtigen (dat blijkt ook uit de bovenstaande passage van Geuljans). De mens is uniek en sommige mensen zijn wat unieker dan anderen (zie de talloze passages van Steiner waarin hij het over ‘gedegenereerde rassen’ heeft, zoals hij bijvoorbeeld de Amerikaanse indianen zag).  Dit is de kern van het antroposofische bezwaar tegen Darwin. Geuljans verzint er verder van alles bij om om de onzinnige stelling hard te maken dat het Darwinisme in zichzelf racistisch zou zijn en de antroposofie niet, maar dit is mijns inziens het echte probleem.

Trouwens, typisch dat Geuljans de bewering dat de mens van aapachtigen afstamt een ‘vooroordeel’ noemt.  Want dat is nou net geen vooroordeel. Dat sommige antroposofen niet snappen wat een vooroordeel is kan ik begrijpen, zie alleen al het immense complex aan vooroordelen van hun voorman, alhoewel die er ook weleens blijk van heeft gegeven dat hij zich daar best bewust van was. Hij was daar enkele keer zelfs heel openhartig over. Op een bijzonder helder moment, in een vlaag van diep zelfinzicht, verklaarde Rudolf Steiner eens:

‘Aber jeder Geheimwissenschafter weiß, daß von solchen Dingen viel mehr abhängt als von der Erweiterung der Intelligenz und von dem Anstellen künstlicher Übungen. Insbesondere kann leicht ein Mißverständnis darüber entstehen, wenn manche glauben, daß man sich tollkühn machen solle, weil man furchtlos sein soll, daß man sich vor den Unterschieden der Menschen verschließen soll, weil man die Standes-, Rassen- und so weiter Vorurteile bekämpfen soll. Man lernt vielmehr erst richtig erkennen, wenn man nicht mehr in Vorurteilen befangen ist. Schon in gewöhnlichem Sinne ist es richtig, daß mich die Furcht vor einer Erscheinung hindert, sie klar zu beurteilen, daß mich ein Rassenvorurteil hindert, in eines Menschen Seele zu blicken’

Aldus Rudolf Steiner in zijn Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten, GA 10, 1909, hoofdstuk 3: ‘Praktische Gesichtspunkte’, zie link

Ik denk dat ik het in deze roerend met Steiner eens ben 😉

Verder met Geuljans. Hij vervolgt met:

“Hoewel Steiner de ideeën over evolutie een belangrijke verworvenheid voor onze cultuur vond en bewondering had voor de moed van Charles Darwin en Haeckel – hij heeft Haeckel zelfs verdedigd tegen allerlei aanvallen – is hij geen darwinist en geen aanhanger van Haeckel. Hij bestreed de opvatting van Haeckel en Darwin door te stellen dat de menselijke ontwikkeling niet plaatsvindt vanuit één evolutie maar van twee evolutie-lijnen: een opgaande en een afdalende evolutie. Hij noemde dat ontbrekende element in de theorie van Haeckel een bedenkelijke vergissing.
Steiner: “Want, als je gelooft dat ontwikkeling altijd in een opgaande lijn zou moeten plaatsvinden, dan verwijder je je van de ware werkelijkheid, dan praat je zoals Haeckel onder invloed van een zekere verwarringswaan heeft uitgesproken: eerst de eenvoudige wezens, dan verdere ontwikkeling, weer gecompliceerdere wezens enzovoorts enzovoorts tot in het oneindige door, steeds gecompliceerder, steeds volkomener. Dat is onzin. Elke ontwikkeling die voorwaarts schrijdt, slaat ook weer een terugweg in. Al het opstijgen wordt gevolgd door een afdalen, en al het opstijgen draagt de kiem tot afdalen in zich. Dit behoort tot de bedenkelijkste vergissingen van de moderne mensheid, dat deze moderne mensheid de samenhang tussen evolutie en devolutie is kwijtgeraakt, opgaande ontwikkeling en weer neergaande ontwikkeling. Want waar opstijgende ontwikkeling is, daar zal zich ook de kiem tot afdalende ontwikkeling voordoen. Dan gaat op het moment waar een opstijgende lijn terug begint te lopen fysieke- in spirituele ontwikkeling over. Want zodra het fysieke begint terug te lopen, ontstaat voor spirituele ontwikkeling de ruimte.”

Zie hier wederom het antroposofische misverstand over de moderne evolutie-biologie. Of er sprake is van een opgaande lijn is maar zeer de vraag. Omstandigheden op aarde zijn in de loop der tijd meermalen veranderd en het leven daarmee ook. Voor antroposofen moet altijd alles een zin of een doel hebben, of het nu gaat om hoe culturen zich ontwikkelen, hoe een individueel mens zich ontwikkelt, t/m de complete evolutie. Zie hier weer het ‘opkomst-bloei-verval’ denken (oa Winckelmann), al verwijt Geuljans het Darwinisme dat het geen oog heeft voor verval. Maar in het Darwinisme is er geen sprake van ‘iets’, bijv.  een hogere macht of een aansturend principe, dat deze ontwikkelingen bedenkt en uitvoert. Dus strikt genomen ook geen ‘opgaande lijn’ en dan ook geen ‘afdalende lijn’. Dat is vooral de projectie van mensen die hun zingeving zoeken in de ontstaansgeschiedenis van het leven op aarde en zichzelf daarin een unieke positie toedichten, of dat nu is op grond van hun ‘mens zijn’, hun ‘ras’, hun ‘mate van esoterische inwijding’, of hun ‘Karmische ontwikkeling’ (allemaal zaken die in de antroposofie van wezenlijk belang zijn) .  Zie hier waarom de antroposofie vooral religieus is en niet wetenschappelijk, al roepen rechtzinnige antroposofen, zoals Geuljans, meestal het omgekeerde. Ik deel overigens wel het bezwaar van Geuljans tegen ‘het moderne vooruitgangsgeloof’, maar vooral omdat dit ook weer een geloof is. Met echt Darwinisme heeft dit niets te maken en al helemaal niet met hedendaagse evolutiebiologie. Dat dit in Geuljans perceptie kennelijk wel zo is, zegt meer iets over zijn blinde verering voor de tot dogma verheven negentiende eeuwse visie van Steiner, dan dat het iets zegt over de moderne wetenschap en zelfs over het werk van Darwin. Op de evolutie-theorie van Ernst Haeckel, de ‘recapitulatie-theorie’, die wel degelijk van grote invloed was op Steiner, ook op zijn rassenleer, kom ik later terug.

 Steiners visie op de geschiedenis en de evolutie en de rol die ‘rassen’ daarin spelen… tja, leg dat maar eens uit

Eindelijk, zij het heel behoedzaam, komt Geuljans toe aan de echte problematiek: de visie van Steiner op de verschillende rassen, zoals Steiner die oa aan de orde stelt in de vierde en zesde voordracht uit Die Mission einzelner Volksseelen (GA 121, hierboven eerder aangehaald), overigens Steiners belangrijkste werk over ‘rassen’, dat door Geuljans onbesproken blijft. Nu hij aan de echte problematiek komt, valt het op dat hij de belangrijkste en meest expliciete teksten van Steiner liever mijdt, terwijl die ook buitengewoon relevant zijn voor de plaats die ‘rassen’ innemen in Steiners kijk op de evolutie. Maar Stephan Geuljans durft het kennelijk niet aan en probeert het dan maar op deze manier:

“De opstijgende evolutie is de lijn van het individu. Daartegenover staat de afdalende lijn van de soort-gebondenheid (ras, volk, familie, stam, geslacht, erfelijkheid enzovoorts)

stijgende evolutie ↔ afdalende evolutie

individu ↔ soort-gebondenheid, erfelijkheid

In ieder afzonderlijk mens (zwart, wit, geel of rood) komen beide evolutie-lijnen samen. Als beeld: Ieder afzonderlijk mens gaat niet alleen maar vooruit in een stijgende lijn naar een meer volmaakte vorm (zoals Haeckel meende), maar ook “achteruit”. De ‘soort’-lijn vertegenwoordigt hierbij de algemene degeneratie, en de individuele ontwikkeling geeft hieraan het noodzakelijke tegenwicht. Volgens Rudolf Steiner kan er dus niet zoiets bestaan als één biologische ontwikkeling richting “übermensch” waarmee hij de leer van Arthur de Gobinau en zijn volgeling Housten Stewart Chamberlain die wel aansluiten op Haeckel en Darwin naar de prullenbak verwijst. Ik benadruk dat Steiner het opkomende racisme en rasidealen dus niet bestreed met politieke frases en ook niet politiek-correct was zoals men tegenwoordig kennelijk van hem verwacht. Hij bestreed pseudo-wetenschap niet met politiek maar met met geesteswetenschap. Hij verbindt de gelijkheid van de mens aan het uiterlijk, en de verschillen tussen mensen aan de in ieders innerlijk aanwezige talenten.

Hier maakt Geuljans echt een potje van verschillende zaken die Steiner in zijn verzameld werk zoal aan de orde stelt. Laten we kijken of deze door Stephan Geuljans gecreëerde warboel te ontrafelen valt. Het zal misschien wat ‘technisch’ worden, maar laten we maar eens goed naar de letter kijken.  Dat mag wel bij een betoog van meneer Geuljans, tenminste dat lijkt me zo.

Om te beginnen: het is zeker niet zo dat bij Steiner alle rassen gelijk, of zelfs gelijkwaardig zijn. Blanken hebben in Steiners woorden, ten opzichte van zwarten en Aziaten (en al helemaal de indianen) ‘alleen maar voordelen en eigenlijk helemaal geen nadelen’, zoals hij dat letterlijk zegt in Die Mission einzelnder Volksseelen (GA 121, vierde voordracht, citaat aan het begin van dit artikel aangehaald). Hij gaat daarin nog veel verder. De blanken zijn de enigen met een harmonieuze ontwikkeling. Alle andere rassen hebben de pech dat ze enigszins gedeformeerd zijn geraakt door gedegenereerde krachten uit de kosmos, de gevallen geesten van de beweging, die zich hebben ontwikkeld tot een soort mislukte geesten van de vorm (de dynameis geesten, naar de engelenleer van Dyonisios de Areopagiet). Het spijt me, maar antroposofie is nu eenmaal zweverig en zeker niet wetenschappelijk, dus ik kan het niet mooier maken dan het is.

Verder is het zo dat de werking van de rasvormende krachten, de dynameis, of ‘abnormale geesten van de vorm’ aan het afnemen is. Dus de rasverschillen zullen op een gegeven moment verdwijnen. Maar wanneer is dat? Steiner zegt in de vierde voordracht van Die Mission (link hier):

‘In der alten lemurischen Zeit müssen wir das Aufgehen der Rassenmerkmale, der Rasseneigentümlichkeiten suchen; wir müssen dann deren Sich-Fortpflanzen bis in unsere Zeit verfolgen, müssen uns dabei aber klar sein, daß, wenn unsere gegenwärtige fünfte Entwickelungsepoche von der sechsten und siebenten abgelöst wird, keine Rede mehr sein kann von einem Zustande, den wir als Rasse werden bezeichnen können’

Heel technisch allemaal, vooral omdat Steiner de antroposofische tijdrekening hanteert. Maar in de Lemurische tijd zijn er verschillende rassen ontstaan, die zich tot in onze tijd hebben voortgeplant. De rasverschillen zullen doorwerken totdat het huidige vijfde na-atlantische tijdperk is afgelost door het zesde en het zevende. Pas dan zal er geen reden meer zijn om van ‘verschillende rassen’ te spreken.

De door Geuljans zo gehekelde Helmut Zander heeft het als volgt uitgelegd (met antroposofische tijdsrekening):  ‘Rassen seien ein Intermezzo der Menschheitsgeschichte. »Die Rassen sind entstanden und werden einmal vergehen, werden einmal nicht mehr da sein.« (GA 121,76 [1910]) Erneut artikulierte Steiner sein antimaterialistisches Leitmotiv, aber bei näherem Hinsehen bleibt dies ein gänzlich unpolitisches Argument. Die Rassenentstehung, die erst in der lemurischen Zeit begonnen habe, werde in der sechsten und siebten »Entwickelungsepoche« verschwinden (ebd.), das heißt: frühestens ungefähr im 9. Jahrtausend. Für eine politische Erledigung der Rassenfrage und für die Geltung von Steiners Rassentheorien ist dies eine lange, eine zu lange Zeit. Daß die Vielfalt von Völkern und Rassen ein Reichtum der Pluralität sein könnte, tritt im übrigen nicht in Steiners Blickfeld’ (Helmut Zander, Anthroposophie in Deutschland; Theosophische Weltanschauung und gesellschaftliche Praxis 1884-1945, Göttingen, 2007, p.665).

In mijn vijfde antroposofie-artikel (trouwens ook in mijn derde en vierde) heb ik dit allemaal uitvoerig uitgelegd. Maar Zanders berekening klopt. Pas in het negende millennium zullen de ‘rasverschillen’ (waaraan Steiner dus bijzondere kenmerken toekent, die zelfs bepalend zijn voor leven en dood, zie hoe hij tegen de indianen aankeek) in Steiners optiek verdwenen zijn. Dus dat duurt nog wel een poosje. Jammer voor de indianen want zijn volgens Steiner ‘ausgestorben’, maar dat was toch maar een decadent ras, en hun zielen zijn, als alles goed is gegaan, gelukkig in blanke lichamen geïncarneerd, dus die hebben hun Karmische lesje wel geleerd (antroposofie meets de Celestijnse Belofte, ik weet niet welke van de twee ik erger vind).

Geuljans babbelt dan nog wat over de Übermensch (Nietzsche, een van de meest verkeerd begrepen filosofen ooit) en Arthur de Gobineau en Houston Stewart Chamberlain, beiden esoterici, die ook , vanuit de traditie van de theosofie (net als Steiner dus) tot een rassenleer kwamen, zij het dat beide heren nog een stukje erger waren (dan kom je echt in de sfeer van de proto-Nationaal Socialisten, maar die kwestie laat ik hier verder zitten) en zegt dan dat die wel op Haeckel en Darwin aansloten. Net alsof Haeckel en Darwin hetzelfde zijn! Op Haeckel kom ik nog terug.

Dan citeert Geuljans Rudolf Steiner uit de voordrachtenreeks  Die Sendung Michaels (GA 192), Dritter Vortrag, Geisteswissenschaftliche Behandlung sozialer und pädagogischer Fragen, Stuttgart, 23 april 1919, zie hier:

“Met betrekking tot alles, wat zich op grond van onze individuele capaciteiten vormt, dus met betrekking tot dat, wat (…) onafhankelijk van onze lichamelijkheid is, zijn wij als mensen individueel gevormd, ieder een eigen, ieder een individu. Behalve de veel geringere differentiëring, die door rassenverschillen, volksverschillen en dergelijke naar voren treden, die echter als differentiëring een kleinigheid is – als je er maar een zintuig voor zou hebben, dan zou je dat moeten weten – tegenover de differentiëring door individuele talenten en capaciteiten, behalve dat zijn we met betrekking tot onze uiterlijke fysieke menselijkheid, op grond waarvan we als mensen de mensen tegemoet treden, op grond waarvan we rechtsimpulsen, zedenimpulsen uiten, als mensen gelijk. Wij zijn als mensen gelijk, hier in de fysieke wereld, juist door de gelijkheid van onze menselijke gestalte, simpel door het feit dat we allen een mensengelaat hebben. Dit gegeven, dat we allemaal een mensengelaat hebben, op grond waarvan we elkaar als uiterlijke fysieke mensen tegemoet treden, om met elkaar op democratische grondslag de rechtsimpulsen, de zedenimpulsen vorm te geven, dit maakt ons op deze grondslag gelijk. We zijn verschillend van elkaar door onze individuele gaven, die echter tot ons innerlijk behoren.”

Geuljans concludeert:
“Er bestaat volgens Rudolf Steiner geen hiërarchie tussen mensen, want in ieder afzonderlijk mens of cultuur treffen we naast een opstijgende lijn altijd een decadente lijn, of “degeneratie” aan”.

Het aardige is dat met dit Steinercitaat Geuljans nou precies doet wat hij ‘de critici’ verwijt. Zonder enige context een passage aanhalen waarin de factor ‘ras’ als minder belangrijk wordt afgeschilderd. Hij heeft er trouwens wel goed naar moeten zoeken, want dit is een voordracht die over hele andere zaken gaat (over economie en pedagogie) en het is een terloopse opmerking. Terwijl  je in Steiners visie maar beter niet als indiaan kan worden geboren, dan loopt het niet best met je af. Dat blijkt overigens niet uit een citaat, maar dat blijkt uit zo’n beetje alles wat hij over de oorspronkelijke bewoners van het Amerikaanse continent gezegd heeft.  En of hij het in 1907, 1910 of in 1923 heeft gezegd, het komt iedere keer op hetzelfde neer. Ik ben benieuwd of Geuljans dat kan tegenspreken. Wordt nog een hele klus vrees ik. Kortom zo triviaal zijn die ‘rasverschillen’ in Steiners  wereldbeeld nu ook weer niet (zelfs een kwestie van leven en dood, zie zijn beweringen over de indianen)..

Bovendien kan ik daar ook een ander los citaat tegenover zetten. Deze bijvoorbeeld (uit GA 349, 1923, zie hier)

‘Und das wollen wir heute ein bißchen betrachten, weil man eigentlich die ganze Gesichte und das ganze soziale Leben, auch das heutige soziale Leben nur versteht, wenn man auf die Rasseneigentümlichkeiten der Menschen eingehen kann. Und dann kann man ja auch erst im richtigen Sinne alles Geistige verstehen, wenn man sich zuerst damit beschäftigt, wie dieses Geistige im Menschen gerade durch die Hautfarbe hindurch wirkt’

Wat zegt ie? “Men kan eigenlijk de hele geschiedenis en het maatschappelijke leven, ook het huidige sociale leven slechts begrijpen, wanneer men op de raseigenschappen van de mensen ingaat”. Dat is dus nogal wat anders. Dus wat is het nou van de twee?

Daarom is het heel belangrijk om voordrachten van Steiner, of complete werken, in onderlinge samenhang te bestuderen. En dan, maar dat is mijn bescheiden mening, kom je er toch niet onderuit dat er sprake is van een rassenleer, die hecht verweven is met Steiners opvattingen over de evolutie. Misschien mijn bescheiden mening (ook die van Helmut Zander, Peter Staudenmaier en andere geleerden en er zijn zelfs antroposofen te vinden die daar met pijn en moeite in meegaan). Maar volgens de Geuljansjes en de Ravaglitjes van deze wereld, die zich, juist in deze kwestie ook tegen rechtsextremistische activisten als  respectievelijk de Verhulstjes en de Molautjes aanschurken,  ‘liegen’, in Geuljans woorden, Zander, Staudenmaier en (op bescheiden niveau) ondergetekende dus? Tja…

En dan… Geuljans: “ Ik benadruk dat Steiner het opkomende racisme en rasidealen dus niet bestreed met politieke frases en ook niet politiek-correct was zoals men tegenwoordig kennelijk van hem verwacht. Hij bestreed pseudo-wetenschap niet met politiek maar met met geesteswetenschap’’.

Moeten we het hier nog over hebben, Steiner die racisme bestreed? Lijkt me niet echt nodig. Politiek-correct zijn is natuurlijk heel ernstig, maar daar hebben we gelukkig de door Geuljans zo gewaardeerde Jos Verhulst voor (die daartegen ten strijde trekt, zie bijv. hier, kom ik ook nog over te spreken). En pseudowetenschap bestrijden met geesteswetenschap? Als de vlam in de pan slaat is niet verstandig om te gaan blussen met water, dan wordt het alleen maar erger. Deksel erop doen, dat is in die situatie het meest aan te raden.

Geuljans vervolgt met een andere passage van Steiner (uit :  Geisteswissenschaftliche Behandlung sozialer und pädagogischer Fragen , GA 132, 23 april, 1919, hele voordracht  hier te raadplegen)

“Met betrekking tot alles, wat zich op grond van onze individuele capaciteiten vormt, dus met betrekking tot dat, wat (…) onafhankelijk van onze lichamelijkheid is, zijn wij als mensen individueel gevormd, ieder een eigen, ieder een individu. Behalve de veel geringere differentiëring, die door rassenverschillen, volksverschillen en dergelijke naar voren treden, die echter als differentiëring een kleinigheid is – als je er maar een zintuig voor zou hebben, dan zou je dat moeten weten – tegenover de differentiëring door individuele talenten en capaciteiten, behalve dat zijn we met betrekking tot onze uiterlijke fysieke menselijkheid, op grond waarvan we als mensen de mensen tegemoet treden, op grond waarvan we rechtsimpulsen, zedenimpulsen uiten, als mensen gelijk. Wij zijn als mensen gelijk, hier in de fysieke wereld, juist door de gelijkheid van onze menselijke gestalte, simpel door het feit dat we allen een mensengelaat hebben. Dit gegeven, dat we allemaal een mensengelaat hebben, op grond waarvan we elkaar als uiterlijke fysieke mensen tegemoet treden, om met elkaar op democratische grondslag de rechtsimpulsen, de zedenimpulsen vorm te geven, dit maakt ons op deze grondslag gelijk. We zijn verschillend van elkaar door onze individuele gaven, die echter tot ons innerlijk behoren.”

Mijn probleem hiermee is dat dit inderdaad weer hetzelfde  ‘trucje’ is als het hierboven door Geuljans aangehaalde citaat. En Geuljans verwijt dit de critici. Het is dus echt zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten. Het onderwerp van deze lezing is overigens niet eens ‘rassen’, dus het is maar een kleine opmerking tussendoor die Steiner niet verduidelijkt. Op de hoofdwerken over ‘mensenrassen’ durft Geuljans niet in te gaan, dat is nu zo langzamerhand gebleken (behalve dan in zijn vervolgartikel, op de tekeningen van Steiner, waarin de indianen worden afgeschilderd als decadente afwijking van de mensheidsontwikkeling. De uitleg die Geuljans geeft is zo grotesk dat hij of de bijbehorende tekst niet gelezen heeft, of er willens en wetens iets bij verzonnen heeft, maar daar kom ik nog op terug). Maar misschien heeft hij voor deze vondst hulp van Ravagli gekregen, of bij hem afgekeken. Omdat ik Geuljans en geestverwanten graag ter wille wil zijn hier nogmaals de grote Lorenzo Ravagli-verzameling van ‘ontlastende citaten’. Alleen ontlast je daarmee Steiner niet van racisme.

Geuljans concludeert met:

“Er bestaat volgens Rudolf Steiner geen hiërarchie tussen mensen, want in ieder afzonderlijk mens of cultuur treffen we naast een opstijgende lijn altijd een decadente lijn, of “degeneratie” aan”.

Dat ligt bij Steiner toch net een beetje anders, vrees ik. Heel leuk dat Steiner stelt dat zwarte mensen zulke ‘warme menselijke eigenschappen’ hebben, maar het zijn wel de blanken die het beste kunnen denken, zoals hij uiteen zet in GA 349 (de arbeidersvoordracht uit 1923, zie hier ).  Eigenlijk een beetje zoals cabaretier Hans Teeuwen ooit declameerde in zijn programma  ‘Met een Breierdeck’,  uit 1997 (ik heb het al vaker in deze lamglopende polemiek aangehaald, maar mischien komt de boodschap deze keer wel over):

Kijk, het ene ras is bijvoorbeeld heel goed in leidinggeven, terwijl het andere ras weer veel beter is met hardlopen en ritmes.
En als iedereen zich daar gewoon aan houdt is er niks aan de hand.
Da’s de natuur en je bent niet sterker dan de natuur.
En ik zeg heel eerlijk, ik houd me daaraan, ja, ik houd me daaraan.
Ik zal geen wc’s gaan schoonmaken, dat gaat niet, dat zit niet in mijn roots.
Da’s belangrijk, je roots.

Maar ook Geuljans zal zich wel hebben gerealiseerd hebben dat hij zich in deze kwestie niet kan blijven beperken tot vliegen afvangen. Hij ontkomt toch niet aan het grote verhaal van Steiner (daarin durft hij het overigens niet aan om de grote meester zelf te citeren).  Want in het grote verhaal zit ook de rassenleer, dus vanuit zijn optiek bekeken, moet Geuljans het voorzichtig aanpakken. Al valt dat niet mee. Geuljans probeert het zo:

“Nu wordt het interessant omdat volgens Rudolf Steiner een ras altijd tot de afdalende evolutie of degeneratie behoort. Volgens hem hebben rassen hun oorsprong in de prehistorie en is hun ontstaan afgesloten aan het einde van de laatste ijstijd (10.000 v.Chr.). Hij noemt dat in aansluiting met Plato de Atlantische periode vanaf welke tijd het geen zin meer heeft over rassen als ontwikkelingsprincipe te praten. Daarom spreekt hij over de daaropvolgende perioden als cultuur-perioden. Hij spreekt over de Oud-Indische cultuur-periode die ongeveer begint rond 7300 v.Chr., gevolgd door een Oud-Perzische, Egyptische en Grieks-Romeinse periode van ieder ongeveer 2160 jaar waarbij wij nu vanaf 1413 n.Chr. in de vijfde na-Atlantische cultuur-periode leven. Hierna komen nog een Russische en Amerikaanse cultuur.

Dat wat we nu toch nog “ras” noemen, zijn overblijfselen, differentiaties geërfd uit de prehistorie. In de samenhang met Steiners kritiek op Haeckel en Darwin begrijpen we nu dat een ras – per definitie – behoort tot de afdalende evolutie, de devolutie, en waarom een ras dus nooit de grondslag van een cultuur kan zijn. Precies het omgekeerde treffen we aan in de rassenleer bij de intellectuelen van zijn tijd. Volgens Rudolf Steiner bevinden zich álle rassen, dus ook de zogenaamde “blanken” zich vanaf de laatste ijstijd in de neergang. Omdat rasidealen aanhaken aan deze neergaande lijn kunnen zij daarom alleen maar onheil brengen”.

Tot zover. Dat het ‘nu interessant wordt’ ben ik overigens wel met Geuljans eens, alleen om een andere reden dan dat hij waarschijnlijk bedoelt. Bijna terloops roert Stephan Geuljans toch een paar ongerijmdheden aan, althans een lezer die wel goed op de hoogte is van de geschiedenis, maar niet van de antroposofie, zou hier toch vreemd van opkijken. Want wie heeft er buiten de antroposofie zo’n volkomen incorrect beeld van de ontwikkelingen van de laatste paar duizend jaar? En dan Atlantis, de metafoor van Plato, dat echt zou hebben bestaan? Sprak Stephan Geuljans hiervoor nog van ‘pseudowetenschap’? Die dan door Steiner zou zijn bestreden met ‘geesteswetenschap’? Welkom in de wondere wereld van de antroposofie.

Ik heb deze vreemde visie op de geschiedenis van de oudheid al uitvoerig in mijn eerdere artikelen beschreven. Maar het komt erop neer dat Steiner inderdaad geloofde dat er een continent heeft bestaan als Atlantis (dat weer vooraf werd gegaan door Lemurië, enz.). In de Akasha-Kroniek (GA 11) zegt Steiner dat dit continent fysiek zou hebben bestaan op de plek waar nu de bodem van de Atlantische Oceaan ligt.  Dit mythische continent ging tenonder en onder leiding van een zekere Manu werd de elite, in Steiners woorden ‘een nieuw ras’ naar het Indiase subcontinent geleid, alwaar zij een nieuwe beschaving stichtten.

De antroposofie gaat ervan uit dat deze nieuwe fase, de na-Atlantische tijd, zeven cultuurperiodes zal kennen, dus beschavingen die leidend zullen zijn voor de ontwikkeling van de mensheid. Geuljans: “… de Oud-Indische cultuur-periode die ongeveer begint rond 7300 v.Chr., gevolgd door een Oud-Perzische, Egyptische en Grieks-Romeinse periode van ieder ongeveer 2160 jaar waarbij wij nu vanaf 1413 n.Chr. in de vijfde na-Atlantische cultuur-periode leven. Hierna komen nog een Russische en Amerikaanse cultuur”.

Steiner heeft dit verhaal overigens in grote lijnen overgenomen van Helena Blavatsky, de oermoeder van de Theosofie, al is dit voor veel antroposofen vloeken in de kerk (Steiner kende alles uit eigen helderziende waarneming, door te schouwen in de Akasha-Kroniek). Interessant is dat Steiner indeze ook precies de Ariërmythe volgt, zoals die in de Fin du Siecle in Duitsland in zwang was, ook onder occulte groepen die zich later met het nationaal socialisme verbonden. Voor de duidelijkheid, daaronder reken ik de antroposofie niet, al zijn ook die groepen, zoals de ariosofie, net als de antroposofie loten van dezelfde theosofische stam.

De Ariërmythe komt erop neer dat ‘de beschaving’ door het Arische ras in het oosten werd gesticht (in die tijd ontdekten taalwetenschappers ook de verwantschap tussen de West Europese talen met de Perzische en de Hindoe talen). Het vuur van ‘de beschaving’ zou door de eeuwen heen langzaam van oost naar west reizen en bovendien gelieerd zijn aan het Arische ras. Deze notie werd door verschillende stromingen aangehangen, al zijn deze bijna allemaal na de Tweede Wereldoorlog verdwenen, behalve de antroposofie (en de theosofie, al is de theosofie lang niet zo dogmatisch en wordt daar met veel meer relativering naar dit erfgoed gekeken).

Voor Steiner zijn de na-Atlantische cultuurperiodes gerelateerd aan het blanke ras. Andere rassen hebben geen cultuurperiodes, of moeten zelfs plaatsmaken of verdwijnen. Zie Steiners opmerkingen over de indianen, die hij  ook meermalen heeft bestempeld tot decadente nakomers van Atlantis. Atlantiërs die zich niet verder konden ontwikkelen en daarom dus het veld moesten ruimen. Dit is ongeveer Steiners rassenleer.

Al eerder haalde ik een passage aan uit de arbeidersvoordracht uit 1923 (GA 349). Eigenlijk vat hij die geschiedenis daarin heel bondig samen. De voorouders van de huidige ‘cultuurmensheid’ gingen van Atlantis naar het Indiase subcontinent en stichtten vanaf daar, langzaam naar het westen trekkend, de ene beschaving na de andere. Andere beschavingen, of het nu de Chinese of de oude beschavingen van Amerika zijn, doen er niet toe in de antroposofie. Dat is het ongeveer. Nogmaals Steiners uiteenzetting uit 1923 (GA 349, online versie hier):

“Die weiße Rasse ist die zukünftige, ist die am Geiste schaffende Rasse. Wie sie nach Indien gezogen ist, bildete sie die innerliche, poetische, dichterische, geistige indische Kultur aus. Wenn sie jetzt nach dem Westen geht, wird sie eine Geistigkeit ausbilden, die nicht so sehr den innerlichen Menschen ergreift, aber die äußere Welt in ihrer Geistigkeit begreift”

Voor de indianen is het ‘Schluss’ in Steiners optiek. Decadent geworden Atlantiërs dienen uit te sterven en mogen het in een volgende incarnatie als blanke het weer opnieuw proberen. ‘Dus is de antroposofie niet racistisch, want uiteindelijk komt het voor die zielen toch nog goed’, oftewel ‘het reïncarnatie-alibi’ (naar Helmut Zander) is een veel gebruikt argument. Het siert Geuljans overigens dat hij dit niet inzet, maar dat doet wel het van Baarda-rapport en verder vele andere antroposofen, in geschrift, maar ook in de verschillende discussies die ik met ze gevoerd heb.

En voor ik het vergeet, de tweede helft van de hierboven aangehaalde passage van Geuljans. Die is in relatie met het voorgaande helemaal interessant:

“Dat wat we nu toch nog “ras” noemen, zijn overblijfselen, differentiaties geërfd uit de prehistorie. In de samenhang met Steiners kritiek op Haeckel en Darwin begrijpen we nu dat een ras – per definitie – behoort tot de afdalende evolutie, de devolutie, en waarom een ras dus nooit de grondslag van een cultuur kan zijn. Precies het omgekeerde treffen we aan in de rassenleer bij de intellectuelen van zijn tijd. Volgens Rudolf Steiner bevinden zich álle rassen, dus ook de zogenaamde “blanken” zich vanaf de laatste ijstijd in de neergang. Omdat rasidealen aanhaken aan deze neergaande lijn kunnen zij daarom alleen maar onheil brengen”.

Pikant als je dit nu leest. Laat ik zeggen dat het inderdaad klopt dat volgens Steiner de rasverschillen langzaam aan het verdwijnen zijn. Maar we hadden al gezien dat dit nog een hele tijd gaat duren (pas in het negende millennium zijn we zover). En dat een ras nooit de grondslag van een cultuur kan zijn? Volgens Steiner kan er in de na-Atlantische tijd maar één ras de grondslag van een cultuur zijn. En dat het blanke ras zich vanaf de laatste ijstijd in een neergang bevindt, ik vind het wel boeiend, als we kijken naar Steiners bovenstaande uitspraak: ‘Die weiße Rasse ist die zukünftige, ist die am Geiste schaffende Rasse ‘. ‘Het blanke ras is het toekomstige, meest geest scheppende ras’. Dat valt dus wel mee met die ‘neergang’.

Bovendien, de werking van de factor ras, was in Steiners tijd (dus ook onze tijd) nog wel vrij stevig. In Steiners visie zijn de indianen aan het eind van de negentiende eeuw ‘ausgestorben’ (dat dit niet klopt zegt vooral iets over Steiners gebrek aan kennis van de oorspronkelijke bewoners van Amerika). Dus pas in het negende millennium zijn we van de werking van de ‘rasfactor’ verlost, maar nog niet zo lang geleden hebben de indianen er wel een forse tik van meegekregen. Nogmaals, Wounded Knee, voor een paar antroposofen een ‘teffend voorbeeld’, was in 1890.

Wetenschap en pseudowetenschap, filosofie en esoterie

Geuljans vervolgt:

“Steiner weet natuurlijk heel goed dat hij met ieder menselijke individu als “een soort op zich” een ideaalbeeld schetst. Wij zijn inderdaad zoals Darwin dit ziet, voor een deel een dier. Maar niet alleen dier, wij zijn in principe in staat ons als individu te weer te stellen tegen de mechanismen “toeval” en “natural selection”. Wij kunnen ervoor kiezen of we al of niet meegaan in de wrede wetten van de soort, waardoor de “natural selection” ontaardt in “human selection”. Dat dit morele vermogen niet vanzelf optreedt, ligt in de aard van de zelfstandigheid van dit vermogen. Steiner ontwikkelde zijn filosofie om dit vermogen handen en voeten te geven.

We komen nu aan het derde element, de eigenlijke kern van de antroposofie die we in Filosofie van de Vrijheid, hoofdstuk 14 Individualiteit en soort vinden. Hier neemt Steiner het op voor het individu tegenover de gebondenheid aan de soort met de woorden. “Het is onmogelijk een mens helemaal te begrijpen, wanneer je zijn beoordeling op het soort-begrip baseert.” En: “Waar het gebied van de vrijheid begint (van het denken en het handelen), houdt het onderbrengen van het individu onder de wetten van de soort op.”

Hier wijkt Rudolf Steiner af van Darwin en al diegenen die de evolutie volledig ophangen aan de wetten van de erfelijkheid. Hij bepleit dat ieder afzonderlijk mens geen dier of exemplaar van de soort is, maar een vrij individu, een “soort op zich”.

Het is mij bekend dat Steiner de mens ook, of vooral zag, als een ‘individu’. Maar ook dat er verschillende krachten, of factoren zijn die op dat individu inwerken.  En een van die factoren is ‘ras’. Die rasfactor is toch vrij wezenlijk, zo wezenlijk zelfs dat je er aan kan doodgaan. Bijvoorbeeld als je, in de visie van Steiner, behoort tot het ‘Indiaanse ras’. Ook dat is hier al uitgebreid aan de orde geweest. Alleen, die teksten worden door Koning Eenoog weggelaten, zodat zijn overdrachtelijk blinde schare luisteraars er ook geen kennis van kan nemen.  Bovendien put Geuljans hier bewust uit teksten van Steiner uit de tijd van voordat hij tot zijn racistische evolutie-model kwam. Als er iemand probeert met citaten een vals beeld te schetsen, is het Stephan Geuljans wel. Want de teksten die daadwerkelijk over mensenrassen gaan, laat Geuljans dus weg.

Hier komt weer een ander probleem naar boven, wat ik met Geuljans betoog heb. In het voorgaande gedeelte moest Geuljans wel op Steiners esoterische denkbeelden ingaan en zijn notie van de aarde-evolutie (Atlantis, etc.). Of zijn volkomen à historische beeld van de cultuurperiodes en zijn daarmee samenhangende kijk op het ‘Arische ras’ (Steiner gebruikt inderdaad weleens die term). Daarin zit nu juist het probleem. Maar nu dat moetje achter de rug is, schakelt Geuljans moeiteloos terug naar ‘Filosofie der Vrijheid’ (1894) van de jonge Steiner, uit de periode voordat hij zich bij de theosofische Vereniging had aangesloten (tot ong. 1900). Hij begint nu over de fase voordat Steiner zijn door de theosofie geïnspireerde rassenleer ontwikkelde. Nu is voor dogma-antroposofen het hele werk van Steiner één en ondeelbaar en valt het geloof in Atlantis moeiteloos samen met zijn verhandelingen over ‘naïef realisme’ en ‘kritisch idealisme’ en andere termen uit dit overigens buiten het antroposofische circuit inmiddels vergeten filosofische werkje, maar we hebben het hier dus over een andere Rudolf Steiner. De jonge academicus Rudolf Steiner hield zich helemaal niet bezig de evolutie vanaf Atlantis, via de keten van cultuurperiodes tot aan onze tijd en de verre, inmiddels indianenvrije ‘rasloze toekomst’. Dat is de latere esotericus. Met zo’n à historische omgang met de figuur Steiner zaait ook Geuljans begripsverwarring, wat hem propaganda-technisch gezien niet verkeerd uitkomt. Op die manier ontstaat er een veel ‘wetenschappelijker’ of ‘redelijker’ beeld van de latere grondlegger van de antroposofie. Toch is Geuljans antroposoof genoeg om echo’s van de late esoterische Steiner te laten doorklinken in zijn verhaal. Geuljans maakt er op deze manier (wellicht bewust) een rommeltje van. Maar we zullen ook deze kluwen ontwarren, daar ontkomt ook Stephan Geuljans niet aan 😉

Steiner heeft trouwens zelf sterk aan dit beeld bijgedragen. Met zijn autobiografie ‘Mein Lebensgang’ (pas in 1925 uitgekomen, hier te raadplegen), construeert hij met terugwerkende kracht zijn esoterische ontwikkeling. Het is alleen als biografisch materiaal een buitengewoon onbetrouwbaar boek; gedurende zijn loopbaan heeft Steiner vaak zijn schepen achter zich verbrand als hij een nieuwe weg insloeg. Voor orthodoxe antroposofen is dit werk echter zo’n beetje sacrosanct.

Tussen de filosoof  Steiner en de esotericus (theosoof/antroposoof) Steiner bevindt zich een enorme breuk. Overigens ook nog tussen de theosoof Steiner en de latere antroposoof. Lees daarvoor zeker de recente  biografie door Helmut Zander, Rudolf Steiner; die Biografie, München/Zürich, 2011. Door ortho-antroposofen wordt deze cesuur echter niet erkend en was Steiner al zo’n beetje antroposoof toen hij nog in de wieg lag (in zijn autobiografie beschrijft hij overigens ook zijn helderziende waarnemingen als kind). Nogmaals, voor de racisme-kwestie is vooral de latere esoterische Steiner van belang, niet zozeer het vroege filosofische werk. Maar dat belet Geuljans niet om er desalniettemin veel gebruik van te maken. Dit waarschijnlijk om ‘rookgordijn-technische redenen’. Maar ook dit valt met een beetje licht wel op lossen. 😉 Terzijde, het is wel ironisch dat het onder antroposofen heel gebruikelijk is om te roepen dat de Rooms Katholieke Kerk en verder het officiële Christendom de historische Jezus heeft weggepoetst. Volkomen terecht natuurlijk, alleen kunnen die sofen er dus zelf ook wat van. En nu we toch bezig zijn, sprak Stephan Geuljans hierboven niet ergens van ‘geschiedvervalsing’? Tot zover deze tussendoorse opmerkingen en verder met het verhaal.

Geuljans vervolgt:

“Wat bedoelt Steiner met de wetten van de soort of meer specifiek; wat bedoelt hij met een ras? Een ras is niets anders dan wat Darwin een adaptatie, een specialisatie noemt: een aanpassing aan de omgeving. Zoals bekend, ligt het onderliggende mechanisme binnen de evolutieleer van Darwin in het toeval en de natuurlijke selectie. Essentieel is ook dat Darwin en zijn aanhangers de mens onderbrengen in het dierenrijk: wij mensen zijn een dier-soort, volledig onderworpen aan de wetten van de erfelijkheid, aangepast aan onze omgeving. Steiner verzet zich hiertegen want dat zou betekenen dat een afzonderlijk mens niet boven de soort zou kunnen uitstijgen. Vanuit de antroposofie bekeken, doet Darwin alsof een mens volledig behoort tot de afdalende evolutie en heeft hij geen oog heeft voor de opstijgende evolutie van het individu: als wij het individu onderwerpen aan de soort, reduceren wij een mens impliciet tot ras.”

De bovenstaande tekst is, neem me niet kwalijk, echt een stukje demagogische begripsverwarring van de eerste orde.  Geuljans heeft er een behoorlijke kluwen van gemaakt. Maar laten we proberen de afzonderlijke draadjes eruit te trekken en die in het volle zicht onder de loep te nemen. Om te beginnen, Darwin gaat over soorten, niet zozeer over ‘rassen’. Mensenrassen zijn, bij mijn weten althans, bij Darwin geen issue. Misschien vergis ik me en heeft hij er weleens wat over geschreven, maar dat is geen belangrijk thema bij Darwin en ook niet bij zijn hedendaagse navolgers. Bij Steiner zijn mensenrassen wel een heel belangrijk issue, zelfs cruciaal in zijn kijk op de menselijke evolutie. Dat is een belangrijk onderscheid.

Dat Darwin (en navolgers) de mens zien als een diersoort is wel enigszins waar. Daar heeft Geuljans overigens enorme problemen mee. Steiner had dat trouwens ook. Dieren zijn in de ogen van Steiner echt minder, zelfs nog minder dan indianen.  Nu hebben antroposofen er grote moeite mee dat de plaats van de mens in de kosmos wordt gerelativeerd. Voor Steiner is de mens het ultieme doel van de schepping. Het voert in dit verband wat ver, maar lees in deze zeker Steiners belangrijkste tekst, uit Geheimwissenschaft (GA 13, 1909), zo’n beetje het magnum opus van Rudolf Steiner, en dan vooral zijn meer dan honderd pagina’s lange hoofdstuk Die Weltentwickelung und der Mensch, waarin Steiner zijn visie op het ontstaan beschrijft, van ‘oerknal’ tot ongeveer de komst van Christus. Uit deze lange verhandeling  blijkt zelfs dat de evolutie van de kosmos naar één groot project heeft toegewerkt: het leven van de mens op deze planeet (en dan daarbinnen de meest geslaagde exemplaren die niet door abnormale geesten van de vorm vanuit de kosmos zijn misvormd). Nee het soort mensen dat ten opzichte van de rest van de mensen ‘alleen maar voordelen heeft eigenlijk helemaal geen nadelen’ (vierde voordracht van Die Mission einzelner Volksseelen). Dus net dat stukje mensheid, dat de ene cultuur na de andere voortbracht. Want ook in Geheimwissenschaft is het soms van:

“Diejenigen Menschen-Rassen-Formen, welche sich vor diesem Zeitraum verfestigt hatten, konnten sich zwar lange fortpflanzen, doch wurden nach und nach die in ihnen sich verkörpernden Seelen so beengt, daß die Rassen aussterben mußten. Allerdings erhielten sich gerade manche von diesen Rassenformen bis in die nach-atlantischen Zeiten hinein; die genügend beweglich gebliebenen in veränderter Form sogar sehr lange. Diejenigen Menschenformen, welche über den charakterisierten Zeitraum hinaus bildsam geblieben waren, wurden namentlich zu Körpern für solche Seelen, welche in hohem Maße den schädlichen Einfluß des gekennzeichneten Verrats erfahren haben. Sie waren zu baldigem Aussterben bestimmt“.

uit: Rudolf Steiner, Die Geheimwissenschaft im Umriß, GA 013, 1909, hoofdstuk 4 ‘Die Weltentwickelung und der Mensch’ , hier te raadplegen

We hebben het al eerder gezien. Zo belangrijk is het dus om tot een bepaald ras te behoren. Van levensbelang dus. Als je bij het goede ras behoort ben je uitverkoren tot zo’n beetje het middelpunt van de kosmos en is al het andere leven ondergeschikt.

Als Darwin komt aanzetten met een verhaal dat de mens helemaal niet zo bijzonder is, maar een van de vele soorten, net als alle andere diersoorten, is dat echt vloeken in de spreekwoordelijke antroposofische kerk. Dan is zelfs Darwin een racist, die in soorten denkt, in de ogen van Geuljans althans. Maar het is natuurlijk totale flauwekul. Echt een redenering van niks. En als je er goed over nadenkt, sluit Darwins verhaal de uniciteit van het individu helemaal niet uit. Het is niet Darwin die mensen tot hun ras reduceert, het is Steiner die dat (in bepaalde mate) doet, althans vooral de niet Europese rassen. Hij vindt zelfs dat Afrikanen en Aziaten vooral heel erg op elkaar lijken, terwijl bij blanken de persoonlijke individualiteit meer zichtbaar zou zijn. Overigens een typisch eurocentrisch verhaal, want dat wordt vaak ook door niet Europeanen weer van Europeanen gezegd (Chinezen vinden vaak dat wij weer erg op elkaar lijken).. Een flinke portie eurocentrisme (en zeker ook etnocentrisme) was Rudolf Steiner zeker niet vreemd.

En ja, Steiner zegt inderdaad, ook in Die Mission einzelner Volksseelen, dat een mens niet uitsluitend is terug te brengen tot zijn ras. Maar het is wel een vrij wezenlijke factor. Uit zijn arbeidersvoordracht uit 1923 (GA 349) komt het beeld naar voren dat zwarten zich vooral laten leiden door hun ‘driftleven’, Aziaten door hun ‘gevoelsleven’ en blanken door hun verstand. In die voordracht zegt hij ook dat uiteindelijk alle ‘gekleurde rassen’ (Afrikanen, Aziaten, Indianen) het lootje leggen en dat het blanke ras het ras van de toekomst is (het is hierboven al aangehaald).

Aan dat soort racisme maakt Darwin zich niet schuldig. Steiner doet dat consequent wel, dat is zelfs een rode draad in zijn oeuvre vanaf ongeveer 1900 tot aan zijn dood in 1925, precies de periode dat hij de academische wetenschap vaarwel had gezegd en zich tot de esoterie had gewend. Gedurende die hele periode heeft Steiner ook een esoterische rassenleer uitgedragen, al probeert Geuljans dat enigszins te verdoezelen door oa ook citaten van Steiner van voor die tijd in stelling te brengen.

Ik denk dat we de kern van Geuljans zogenaamd verhelderende artikel wel te pakken hebben, al werpt hij nog zoveel rookgordijnen op. Maar er volgen nog een paar opmerkelijke en interessante dingen, dus laten we onze weg door dit mystificerende werkstuk vervolgen.Ik zal een nu iets grotere sprong maken. Bij de volgende beschrijving van Steiners ideeën over evolutie komt er een ander interessant verschijnsel naarboven, dat ook hecht is verweven met Steiners rassenleer. Tegelijkertijd laat dit ook zien dat Steiner vooral alternatieve en inmiddels achterhaalde versies van de Darwinistische evolutieleer in zijn wereldbeschouwing verwerkte. Zoals de theorie van Ernst Haeckel (door Geuljans een keer eerder in dit artikel genoemd). Geuljans:

“Steiner sluit met zijn opvattingen over evolutie aan op het Duitse Idealisme, in het bijzonder op de Idee zoals Goethe dat zag. Als we – even als hypothese – de Idee of de geest niet als een dode abstractie maar in de zin van Goethe als scheppend, als een geestelijk realiteit of kracht begrijpen, kunnen we ons voorstellen dat deze kracht ook ons fysieke lichaam en al onze organen aanlegt. Goethe noemde dit ‘de organische vormkracht van de Idee’. Een dier wendt deze geestelijk kracht volledig aan om zich fysiek aan te passen aan zijn omgeving. Daardoor verdicht deze zich tot een specialisatie bijvoorbeeld in de vorm van een hoef, een klauw of een vleugel, waarmee deze krachten gefixeerd zijn in een specifieke vorm. Darwin noemt dat een evolutionair voordeel. In praktisch opzicht is dat natuurlijk ook zo, menig dier kan beter vliegen, harder rennen of harder bijten dan wij. Voor Steiner is het echter onzin deze theorie op mensen te betrekken. Een mens die mens wil blijven zoekt geen fysiek voordeel maar wil zich moreel ontwikkelen. Daartoe wendt hij de Idee slechts gedeeltelijk aan voor de aanleg van zijn fysieke lichaam: hij houdt deze potentie, organische kracht terug. In dit níet ontwikkelen van een adaptatie (dat in de biologie wordt aangeduid met neotenie) ontstaat een overschot. Dit overschot aan geest kunnen we aanwenden voor het ontwikkelen van ons bewustzijn en onze morele vermogens.

plaatje Geuljans 2

Wij mensen bezitten geen klauwen maar handen. Daarmee kunnen wij ons uitdrukken in gebaren en schrift. De hand is niet zo sterk en effectief als slagwapen of vleugel, daar staat tegenover dat we gereedschappen kunnen bouwen waar we niet mee vergroeid zijn.
Wat is nu eigenlijk een “Übermensch”? Beeldend gesproken: een mens met klauwen. Een superieur exemplaar van de soort. Het streven naar een Übermensch is niets anders dan het streven naar dierlijke perfectie, specialisatie. Of zoals Nietzsche, het treffend uitdrukt: een duister streven naar “die blonde Bestie”. Rudolf Steiner vond het tragisch dat Nietzsche dit naar voren bracht in een wereld van troebele geesten die in Duitsland de macht naar zich toetrokken. Maar wat moet een darwinist hiermee? Hij kan er niets mee, terwijl het toch evident is wat het verschil is als wij elkaar als een exemplaar van de soort zien of als een individu, een soort op zich. In de natuur is het normaal dat binnen een dier-soort de zwakkere herten sterven opdat de sterksten overleven. Maar in een afzonderlijk mens, als soort in zichzelf, ontwikkelen wij onze menselijkheid door in onszélf onze zwaktes te overwinnen. Een menselijk ‘ik’ omvat als het ware een hele dier-soort en de strijd moet daarom in zijn innerlijk plaatsvinden. In zijn ziel overwin het ‘ik’ de zwakkere eigenschappen opdat de sterkste morele eigenschappen “overleven”. De afdalende evolutie is dus een soort weerstand of uitdaging die in onszelf overwonnen moet worden. Rudolf Steiner tilt het darwinisme op naar een moreel niveau, naar de ziel en geeft het zijn plaats in de Filosofie van de Vrijheid, hoofdstuk 12 morele fantasie, met de ondertitel darwinisme en zedelijkheid.”

Natuurlijk probeert Geuljans weer alles aan Steiners vroege werk te relateren, om de rassenleer buiten zicht te houden, zie wederom zijn verwijzing naar Filosofie der Vrijheid. Ook al die sneren richting Nietszche zijn volkomen misplaatst en bovendien niet meer dan ruis, die afleiden van het echte probleem, maar dat doet Geuljans in dit artikel consequent, zoals we al eerder hebben gezien. Maar toch, Geuljans heeft hier wel iets aangeroerd dat ook voor Steiners rassenleer van belang is. Hoewel Geuljans in dit verhaal benadrukt dat Steiner afstand nam van de bioloog Ernst Haeckel en zijn inmiddels verworpen versie van de evolutie-theorie, de recapitulatie-theorie, is Steiner toch diep door Haeckel beïnvloed. Geuljans kan roepen wat hij wil over dat Darwin eigenlijk racistisch zou zijn, in Haeckels theorie ligt wel een mogelijke basis voor Steiners rassenleer, vooral de verdeling van de rassen over de verschillende leeftijdsfases van de mens, zoals Steiner dat deed in Die Mission einzelner Volksseelen. We halen het nog een keer terug:

‘ In dieser Art wird der Mensch von den Kräften ergriffen, die von der Erde aus bestimmend für ihn sind, so daß wir, wenn wir diese einzelnen Punkte ins Auge fassen, eine merkwürdig verlaufende Linie erhalten. Diese Linie besteht auch für unsere Zeit. Der afrikanische Punkt entspricht denjenigen Kräften der Erde, welche dem Menschen die ersten Kindheitsmerkmale aufdrücken, der asiatische Punkt denjenigen, welche dem Menschen die Jugendmerkmale geben, und die reifsten Merkmale drückt dem Menschen der entsprechende Punkt im europäischen Gebiete auf. Das ist einfach eine Gesetzmäßigkeit. Da alle Menschen in verschiedenen Reinkarnationen durch die verschiedenen Rassen durchgehen, so besteht, obgleich man uns entgegenhalten kann, daß der Europäer gegen die schwarze und die gelbe Rasse einen Vorsprung hat, doch keine eigentliche Benachteiligung. Hier ist die Wahrheit zwar manchmal verschleiert, aber Sie sehen, man kommt mit Hilfe der Geheimwissenschaft doch auf merkwürdige Erkenntnisse.

Wenn wir dann diese Linie weiterziehen, so kommen wir weiter nach Westen nach den amerikanischen Gebieten hinüber, in jene Gebiete, wo diejenigen Kräfte wirksam sind, die jenseits des mittleren Lebensdrittels liegen. Und da kommen wir – ich bitte das nicht mißzuverstehen, was eben gesagt wird; es bezieht sich nur auf den Menschen, insofern er von den physisch-organisatorischen Kräften abhängig ist, von den Kräften, die nicht sein Wesen als Menschen ausmachen, sondern in denen er lebt -, da kommen wir zu den Kräften, die sehr viel zu tun haben mit dem Absterben des Menschen, mit demjenigen im Menschen, was dem letzten Lebensdrittel angehört. Diese gesetzmäßig verlaufende Linie gibt es durchaus; sie ist eine Wahrheit, eine reale Kurve, und drückt die Gesetzmäßigkeit im Wirken unserer Erde auf den Menschen aus. Diesen Gang nehmen die Kräfte, die auf den Menschen rassebestimmend wirken. Nicht etwa deshalb, weil es den Europäern gefallen hat, ist die indianische Bevölkerung ausgestorben, sondern weil die indianische Bevölkerung die Kräfte erwerben mußte, die sie zum Aussterben führten”.

Tot zover deze passage van Steiner. Laat ik dan ook nog deze twee illustraties weergeven, die Steienrs kijk op de verschillende rassen nog meer verduidelijken. Het eerste plaatje is een hedendaags schema, afkomstig van de site anthrowiki, om de visie van Steiner op mensen rassen nog eens ‘goed uit te leggen’ (racisme, hoe kom  je erbij?). Het tweede plaatje is van de bioloog en Steiner volgeling van het eerste uur, Hermann Poppelbaum, die met zijn illustratie eens goed wilde aantonen hoezeer Steiner gelijk had in zijn karakteriseringen van de verschillende ‘rassen’.

Een model op een antroposofische website, dat, misschien nog wel duidelijker dan Steiners figuurtje, goed deze ontwikkeling laat zien: (de astrologische tekens verwijzen naar Steiners indeling uit de zesde lezing van Die Mission einzelner Volksseelen.

Een tekening van Hermann Poppelbaum, waarin getracht wordt de accenten van de leeftijdsfase die in een bepaald ras domineren herkenbaar te maken(1926) De antroposofie heeft een rassenleer?? Hoe kom je op het idee

En dan Haeckel. Ik geef hier de beschrijving van diens recapitulatie-theorie weer uit ‘De encyclopedie van de pseudowetenschap’, van Marcel Hulspas en Jan Willem Nienhuys:

Recapitulatietheorie

‘Een door de Duitse bioloog Ernst Haeckel ontworpen theorie die zegt dat alle levende wezens in de ontwikkeling voorafgaand aan de geboorte in kort bestek de stadia doorlopen die hun voorouders- volgens de evolutietheorie van Charles Darwin hebben doorlopen. Een menselijke embryo doorloopt bijvoorbeeld tijdens zijn groei stadia waarbij het achtereenvolgens lijkt op een sponsachtig dier, een vis, een amfibie en uiteindelijk een mens. Om het wat hoogdravender te zeggen: de ‘ontogenese’ recapituleert de ‘fylogenese’. Haeckel noemde dit in 1872 de fundamentele wet.

Illustratie evolutiemodel Ernst Haeckel (recapitulatietheorie)

De recapitulatietheorie maakte volgens Haeckel al dat speuren naar fossielen overbodig: de ontwikkeling van het leven was in het ei of de baarmoeder te volgen. Darwin en zijn grote verdediger, Thomas Huxley, waren aanvankelijk wel gecharmeerd van het idee, maar later bekroop hen de twijfel, vooral omdat Haeckel het gebruikte om aan te tonen dat de materie was doortrokken van een sturende Geist- een vorm van filosoferen waar beide Britten niets van moesten hebben (en we weten nu dat dit bij Steiner en de antroposofie het tegenovergestelde is, zie alle tirades tegen het ‘materialisme’, FS). Een ander probleem was dat de stadia die Haeckel meende te zien, veel minder duidelijk waren dan gehoopt. Wanneer bij een bepaalde soort een lichaamsdeel of orgaan sterk ontwikkeld is, wordt dat deel al gevormd in een zeer vroeg (volgens de recapitulatietheorie té vroeg) stadium. Zo begint de groei van de menselijke hersenen veel ‘eerder’ dan men op grond van de recapitulatietheorie mag verwachten. De plaatjes van embryo’s waarmee Haeckel zijn theorie illustreerde (zie afb. 8 ), werden al spoedig als vervalsingen beschouwd. Kritiek hierop werd door vooraanstaande biologen al in 1909 weggewimpeld, omdat ze meenden dat die kritiek ook de evolutiegedachte ondermijnde.

Tegenwoordig beschouwen biologen de recapitulatietheorie als achterhaald. Er is duidelijk sprake van een uniformiteit in de ontwikkeling van het ongeboren leven, maar deze wordt veroorzaakt door de opeenvolgende activiteit van een beperkt aantal fundamentele genen die informatie bevatten over het ‘plan’ dat aan ieder dier ten grondslag ligt. De gelijkenis van de vroege ontwikkelingsstadia betekent slechts dat de mutaties in de afgelopen honderden miljoenen jaren het meest betrekking hebben op de veel grotere aantallen genen die de vorming van latere stadia besturen. De door Haeckel aangetoonde overeenkomsten vormen dus wél een sterke aanwijzing voor de gemeenschappelijke oorsprong van het leven op aarde.

Haeckels theorie gold decennia lang als een belangrijke ontdekking. Zij had grote invloed op het ‘wetenschappelijk racisme’ en de discussies over de ‘missing link’. Spoedig ontstond er een psychologische versie waarin de ontwikkeling die het kind doorliep, opgevat werd als de recapitulatie van de stadia der menselijke beschaving, die op hun beurt weer werd vergeleken met de leefwijzen van ‘primitieve volkeren’ (beide zeer herkenbaar in de antroposofie, FS). Kinderen doorliepen een ‘negerstadium’ en tijdens de puberteit een ‘mongoloïde stadium’, alvorens volwassen te worden en het stadium van de beschaafde blanke man te bereiken (zie hier een belangrijke bron voor Steiners uiteenzettingen in Die Mission, FS). Vrouwen bleven in het mongoloïde puberale stadium steken en waren daardoor behept met puberale trekjes als labiel, bijgelovig en emotioneel – eigenschappen die ook karakteristiek zouden zijn voor het mongoloïde ras (en aanleiding gaven tot de aanduiding ‘mongolisme’ voor het syndroom van Down).

Ook de pedagogiek van Rudolf Steiner en de theorie van Sigmund Freud dat het kind verschillende seksuele stadia doorloopt, zijn geïnspireerd op de recapitulatietheorie. Steiner koppelde de ontwikkeling van kind naar volwassene aan de ontwikkeling van beschaving. Pas in de hogere klassen mogen kinderen in aanraking komen met de ‘hogere’ Germaanse cultuur. Freud meende dat het universele verbod op incest, net als godsdienst en maatschappelijke regels, voortvloeide uit een dramatische gebeurtenis uit een ver verleden: de jonge mensen zouden ooit de leider vermoord hebben om zich toegang tot de vrouwen te verschaffen. Deze gebeurtenis wordt in ieder individu herhaald wanneer deze de oedipale fase in de ontwikkeling doormaakt’.

Uit: Hulspas & Nienhuys, Tussen waarheid en waanzin; een encyclopedie van de pseudo-wetenschappen, de Geus, Breda, 1998, p. 335

Ik denk dat het beeld langzamerhand duidelijk wordt en ook wat Stephan Geuljans ons nadrukkelijk niet wil vertellen. Om het verhaal compleet te maken over de verschillende  evolutie-theorieen die van invloed waren op Steiner, moeten we ook nog de retardatie-theorie van Louis Bolk noemen. Die lijkt erg om Haeckels theorie, alleen stelt die dat de ‘gespecialiseerde kenmerken van een menselijke foetus het langst worden ‘teruggehouden’ (geretardeerd). Ieder dier zou vroeger of later  in een ‘specialisme’ schieten, behalve de mens, een teken dat de mens een unieke missie heeft in onze schepping. Ook de retardatie-theorie wordt tegenwoordig door de gevestigde wetenschap verworpen, alleen zien bepaalde antroposofen er nog wat in (daarom bestaat er ook een Louis Bolk Instituut in Zeist).

Al deze alternatieve evolutie-theorieën vormen veel meer de basis voor een rassenleer dan die van Darwin, niet in de laatste plaats Steiners eigen kijk op de evolutie. Geuljans misvormt hier het echte werk van Darwin, om de antropocentrische en etnocentrische visie op de evolutie van Steiner op te poetsen.

Zeer onlangs bereikte dit geluid ook de ingezonden brievenpagina van de NRC. Evelien Nijeboer, eveneens redacteur van de Aardespiegel reageerde op een artikel over Goethe (dat ik helaas niet voorhanden heb, ik heb die NRC net gemist) van Bart Funnekotter, Culturele elite was blij met Adolf Hitler (NRC 7 februari, 2013). Het gaat mij hier niet om het artikel van Funnekotter, dus ook niet of Goethe iets terechts of onterechts in de schoenen wordt geschoven. Evelien Nijeboer viel over deze passage, een uitspraak van Frits Boterman, hoogleraar moderne Duitse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam:

“De Duitse intellectuelen volgden Hitler in de jaren dertig van harte. Dat hielp het regime in het zadel, zegt historicus Frits Boterman… Mijn vrouw zet elke avond rond elf uur muziek van Beethoven op. Daarin hoor ik het onweer nog niet naderen. Maar als ik naar Wagner luister, of ik lees Goethes Faust, dan realiseer ik me goed dat de nazi’s niet uit het niets zijn verschenen.”

Dat was Evelien Nijeboer in het verkeerde keelgat geschoten, die reageerde met (brief hier in de Aardespiegel te raadplegen):

“De mening van Frits Botermans is niet nieuw: de hele na-oorlogse twintigste eeuw is doordrenkt van een instinctief wantrouwen jegens religie, idealisme en spiritualiteit, want ‘dat had de Nazi’s voortgebracht’. Deze redenering is echter slordig en tendentieus.

De Duitsers hadden moeite met de onttovering van de wereld? Dat lijkt me een understatement. Duitsland werd in de jaren ’20 en ’30 door de ‘herstelbetalingen’ (een soort boete voor verliezers) in een sociaal-economische afgrond gestort. Hitler was geen Goetheanist maar een overtuigd en consequent darwinist. Goethe staat als wetenschapper lijnrecht tegenover deze Angelsaksiche wetenschapsbenadering. De kwaadaardige Nazi’s namen Darwin natuurlijk met opzet letterlijk (rassenleer, natuurlijke selectie op mensen). Dat Duitsers misschien meer dan anderen geneigd zijn om consequent te zijn in hun denken heeft misschien inderdaad met romantiek te maken. Maar het bewijs dat ‘het recht van de sterkste’ de nieuwe wereldorde uitmaakte werd geleverd door de totale economische vernedering die Duitsland als ‘verliezer’ doormaakte – daar was het oude ideaal van ‘bildungsbürgertum’ inderdaad niet tegen opgewassen. Goethe had afgedaan, darwinisme was de nieuwe ideologische norm en daardoor had men voor Hitler geen ideologisch alternatief. Als de Duitsers Goethe werkelijk in ere hadden gehouden hadden ze elkaar met gedichten bestookt in plaats van concentratiekampen op te richten.

Botermans lijkt juist die hoge menselijke vaardigheden als inspiratie en het kunnen scheppen van cultuur verantwoordelijk te willen maken voor de ergste misdaden tegen de menselijkheid, en dat is een gotspe. Het is het onderbuikgevoel van iemand die de slechtheid van de mensen wil thuisbrengen in het feit dat zij gevoelens en idealen hebben. (ps, ik kan evt. in een iets langer artikel schetsen hoe Duits Goethe zich fundamenteel onderscheidt van Darwin en de Angelsaksische wetenschapsbenadering (zoals geformuleerd door lord Francis Bacon)”.

Dus de ‘Angelsaksische wetenschap’ en de ‘Darwinistische rassenleer’, dat waren de inspiratiebronnen van Adolf Hitler? Dit is wel een wanhoopsstrategie en een groteske ontkenning van het bestaan van de troebele vijver, waar zowel Rudolf Steiner als Adolf Hitler zich aan laafden (waarmee ik dus niet zeg dat zij tot een vergelijkbare visie kwamen). Alles wat ‘Angelsaksisch’ is (hoe definieer je dat trouwens?), is trouwens bijzonder boosaardig in de ogen van dit smaldeel der antroposofen, ook bij Jos Verhulst. De ‘Angelsaksische Occulte Loges’ zijn het middelpunt van allerlei sinistere complotten en zitten zowel achter de ‘materialistische wetenschap’, als achter allerlei ‘duistere Joodse netwerken’, maar daar kom ik zo nog op terug. Maar er is dus sprake van een ‘Darwinistische rassenleer’ en Steiner kan zijn handen in onschuld wassen? Ach Evelien Nijeboer, die heeft waarschijnlijk teveel aan de lippen van Stephan Geuljans gehangen (of aan die van Jos Verhulst, je weet maar nooit). Het is wachten op het moment dat er ingezonden brieven van antroposofen komen dat niet de antroposofie, maar het Marxisme en het liberalisme een rassenleer kennen. Of de islam, wel lekker modieus. Aardespiegel meets Hoeiboei  😉  (aan dat laatste fenomeen heb ik op dit blog ook weleens aandacht aan besteed, zie hier). Hoewel Stephan Geuljans weer niet zo dol  is op de opinies van Hans Jansen, zie hier Ik overigens ook niet, dat heb ik dan weer met Geuljans gemeen (al waardeer ik Jansen wel als een oud-docent van mij uit Leiden). Of  ‘de linkse kerk’ en ‘het postmodernisme’ met het daarmee samenhangende ‘multiculturele politiek-correcte complex’. Met het Jodendom is dat al een keer gebeurd, door de hierna nog te bespreken Jos Verhulst, maar daarover zo meer.

Het echte probleem dat antroposofen met Darwin hebben, en het  echte probleem dat ze ook met Nietzsche hebben,  is volgens mij  dat beiden van een wereldbeeld uitgaan, waarin een hogere macht irrelevant is. Het hogere is zijn patent op de schepping ontnomen. Voor een door en door religieuze levensbeschouwing als de antroposofie is dat natuurlijk een gruwel. Nietzsche heeft immers ‘God doodverklaard’, waar mee hij hem als irrelevant terzijde heeft geschoven. De consequentie van Nietzsche en Darwin is dat als wij het leven zin willen geven, of een hogere bestemming, wij die zelf moeten creëren. Ikzelf vind dat een bevrijdende gedachte maar ik kan me voorstellen dat anderen dat een griezelig idee vinden. Maar dat staat natuurlijk haaks op het ‘zingevingszoeken’ van de antroposofie. Ik denk dat dit het echte probleem is wat veel antroposofen met Darwin hebben, naast het idee dat de mens slechts een van de vele soorten is en niet een exclusieve of uitverkoren creatie, of zelfs het ultieme doel van de schepping (en dan sommige mensen nog wat meer dan anderen).

Het inzetten van Goethe om Steiners rassenleer te verdedigen beschouw ik persoonlijk als een verkrachting van Goethe. Idem van andere eerbiedwaardige Duitse denkers.

Verder met Geuljans:

“Zelfs als een wetenschapper met een hoge moraal meent dat het darwinisme het ideaal van een “Übermensch” of beter gezegd “Übertier” niet nastreeft, zal hij moeten toegeven dat als wij elkaar dier-soort gaan behandelen, hij hier geen goed argument tegen in kan brengen. Hij zal welhaast zijn toevlucht moeten nemen tot politieke correctheid en al dat gepraat over ras en aanpassing het liefst willen verbieden.5

In een meer uitgebreid schema:

stijgende evolutie ↔ afdalende evolutie

individu ↔ soort (ras, bloedverwantschap)

vrijheid ↔ wetmatigheid

mens ↔ dier-soort

Anders gezegd: de wetmatigheid is de uitdaging waaraan het individu zich moreel ontwikkelt; waar een dier noodgedwongen de strijd in de natuur aangaat, gaat het individu in vrijheid de strijd in zichzelf aan.
Terug naar het begin: Sommigen verbazen zich er misschien over dat wij geen onderscheid maken tussen ‘darwinisme’ en ‘sociaal-darwinisme’. Voor een helder denkend mens is dit onderscheid kunstmatig, het is een machteloze en niet-effectieve poging om de schadelijke effecten van het darwinisme als ideologie te ondervangen. In de moderne wetenschap na de tweede wereldoorlog is het menselijk individu non-existent verklaard. En om ideologische uitwassen voor de toekomst te ondervangen, is een kunstmatig onderscheid gemaakt tussen biologisch- en sociaal-darwinisme. Het onderscheid komt neer op de stelling: “Wij leren op de universiteit elkaar te zien als dieren, maar wij mogen op straat elkaar niet als dieren behandelen. We zijn dieren, maar moeten doen alsof dat niet zo is”. Het sociaal-darwinisme is wetenschappelijk inconsequent, en dat vangen we op met politieke correctheid en allerlei taboes.”

Tot zover. Zie weer dat antroposofische superioriteitsdenken. Want hoezo elkaar als dieren behandelen? Er is geloof ik geen diersoort dat zo moorddadig naar soortgenoten (en naar andere levensvormen) kan zijn als de mens en zeker de moderne mens. Daar zou Geuljans toch ook wel enig besef van hebben? Een van de weinige goeie dingen aan de toepassingen van de antroposofie is nou net de Biologisch Dynamische Landbouw, althans het diervriendelijke aspect daarvan. Maar nee, ik zou mensen zeker niet moreel superieur aan dieren willen noemen. Niet zonder meer.

En nogmaals: dit is weer het eerder genoemde belangrijke misverstand over Darwin. Voor antroposofen moet alles ‘zin’ hebben. De schepping is in de antroposofische visie teleologisch. De kern van het Darwinisme is nu juist toeval. Ik heb het idee dat antroposofen vooral daar moeite mee hebben. In dit verband is het bijzonder boeiend om een andere bijdrage van Stephan Geuljans te lezen, waarin hij zelf goed (en mijns inziens ook openhartig) over deze worsteling schrijft. Maar volgens mij is het echte probleem dat Geuljans en wellicht andere antroposofen hebben dat het Darwinisme ook (wetenschappelijk) atheïsme betekent.

Darwinisme is inderdaad een wetenschappelijke theorie, geen ideologie. Dat maakt Geuljans ervan. Misschien is Geuljans zelf niet goed in staat om die twee zaken te scheiden, omdat antroposofie in wezen ook een soort ideologie is (levensbeschouwing), die ten onrechte pretendeert een wetenschap te zijn. Hoe de soorten zijn ontstaan op aarde, zegt natuurlijk niets over hoe wij ons van mens tot mens moeten verhouden. Want daarin hebben wij wel een keuzemogelijkheid. Of beter gezegd: een vrije wil. Het is niet het Darwinisme dat de vrije wil in de weg staat, het is eerder de antroposofie, zoals die door Steiner aan het begin van de twintigste eeuw is vormgegeven (Filosofie der Vrijheid laat ik hier buiten beschouwing, laten we de zaken wel goed scheiden).

 En dan Geuljans laatste bewering, die hij afsluit met een voetnoot:

“Het sociaal-darwinisme is wetenschappelijk inconsequent, en dat vangen we op met politieke correctheid en allerlei taboes.”

Politieke correctheid, de grote vijand van de antroposofie! Net als die van Wilders, nieuw islamofoob extreemrechts en oud antisemitisch extreemrechts (ik denk dat deze definities voor iedereen wel duidelijk zijn).  En wat staat er bij die voetnoot onderaan het artikel vermeld:

“Het onderscheid tussen mens en dier, neotenie en specialisatie is op indrukwekkende wijze beschreven in “Der Erstgeboren” van Jos Verhulst, Verlag Freies Geistesleben, 1999 Stuttgart”.

 Nee maar! Jos Verhulst. Toen het woord ‘politieke correctheid’ viel, had ik het al kunnen vermoeden. Het blijft wel ironisch dat Geuljans in een artikel dat het vrijpleiten van Rudolf Steiner van rassenleer beoogt, verwijst naar een antroposoof die zaken de antroposofie probeert binnen te sluizen waarmee je, ook in mijn ogen, Steiner een ongelooflijk onrecht mee aandoet. Want als er iemand voortdurend de antroposofie als uitvalsbasis gebruikt om allerlei zeer dubieuze (jawel Neonazistische) ideeën aan te prijzen, is het deze Jos Verhulst wel. Want ook Jos Verhulst is tegen alles wat ‘politiek-correct’ is, en hoe! Alleen wel in een mate dat velen, die zichzelf ook als ‘anti-politiek correcte helden/martelaars’ zien toch wel even zouden moeten slikken. Want bij Verhulst gaat het om echte heavy stuff. Daar is Wilders niks bij. Direct hierna zal ik daar uitgebreid op terugkomen.

Nog een van de laatste stukjes van  Geuljans:

“Wolfgang Schad laat in zijn Evolution als Verständnisprincip: Darwinismus, was is das? zien hoe inventief de aanhangers van Darwin zijn om de relatie tussen zijn theorie van “natural selection” en “human selection” te ontkennen. Wallace waarschuwde Darwin dat “human selection” tot de ondergang van het christelijke Europa zou leiden en ook Darwin zag wel degelijk de gevaren van zijn eigen theorie. Hij stelde in The descent of man (1871) dat de hulp aan de zwakkeren ertoe zal leiden, dat er meer zwakkeren in leven blijven. Darwin vond dat geen goed zaak, maar stelde dat wij uit mededogen deze vermeerdering van de zwakken moeten verdragen. Schad wijst er terecht op dat deze morele houding van Darwin niet verklaard wordt uit de harde selectiewetten die Darwin in het dierenrijk meent te zien en die – omdat de mens een dier is – dus ook op hulpbehoevende mensen van toepassing is. Schad wijst er op dat de morele Darwin niet volgt uit het darwinisme en dat het: “onlogisch [is], en in tegenspraak met zichzelf, zodat het latere sociaal-darwinisme een wetenschappelijk objectief lijkend argument in handen werd gegeven”.6 Het is niet politiek correct kritiek te hebben op Darwin, maar dat maakt het bestaan van deze relatie er niet minder om”.

Het stuk van Wolfgang Schad ken ik niet, maar Schad is een prominente antroposoof, overigens niet een van de meest conservatieve-naar ik heb begrepen. Maar als ik dit zo bekijk (dus wat Geuljans hier schrijft) dan is het, als je er goed over nadenkt, natuurlijk onzin. Als de Darwinistische evolutieleer het onstaan van de soorten verklaart, doet het nog geen ‘morele aanbeveling’ over hoe mensen hun maatschappij zouden moeten inrichten. Bovendien is dit ook weer een behoorlijk staaltje projectie. Rupert Sheldrake, in esoterische kring overigens zeker niet impopulair, heeft weleens verklaard dat je in de evolutie kunt zien wat je wil zien. Een harde strijd om te overleven, zeker. Moordzucht en totale verspilling, je ziet het overal in de natuur. Maar ook de meest bijzondere vormen van samenwerking en symbiose. Het is er allemaal. Bovendien, en dat is in de antroposofie een gruwel, is er in de Darwinistische beschrijving van de evolutie ook nog sprake van iets als ‘toeval’.

Kortom, het is aan ons mensen zelf hoe wij het leven willen vormgeven en om dat naar eer en geweten en met de beste kennis te doen. Daar heb je geen ‘antroposofische wetmatigheden’, die (als je ze even doordenkt) helemaal niets verklaren, voor nodig. Bovendien, als er een soort ‘survival of the fittest’ ideologie aan de menselijke geschiedenis wordt opgedrongen (of een ingebeelde survival of the fittest ideologie) is dat wel in de antroposofie. ‘Mission erfüllt, Verfall programmiert’, dat is meer antroposofisch  dan klassiek Darwinistisch. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de antroposofische noties van rassen, wortelrassen, cultuurperiodes, etc. meer overeenkomsten vertonen met ‘sociaal Darwinisme’ (het ‘survival of the fittest’ tot blauwdruk verklaren voor menselijke samenlevingen)- Helmut Zander heeft dat weleens gezegd- dan het echte Darwinisme van Darwin, waarin toeval de belangrijkste factor is. Dus toeval, de afwezigheid van de een hogere macht, het ontbreken van een hoger einddoel of apotheose, het het relativeren of zelfs miskennen van de unieke rol van de mens in de schepping… dat zijn allemaal zaken waar de antroposofie grote moeite mee heeft. Ik denk dat dit het echte probleem is, waar de antroposofen mee zitten. De werkelijke reden voor het schrijven van wanhopige ingezonden brieven over dat het Darwinisme een rassenleer kent en de antroposofie niet.

Verder met Geuljans :

Zoals gezegd is voor Steiner een ‘ras’ wat Darwin een ‘specialisatie’ of ‘aanpassing’ aan zijn omgeving noemt, met het wezenlijke verschil dat wij volgens Steiner een mens niet kunnen begrijpen als wij blijven staan bij deze gebondenheid aan de soort. Volgens de darwinistische theorie is een mens een veredelde aap volledig gebonden aan de soort; een exemplaar van de soort: volledig ‘ras’. Maar omdat we het begrip ‘ras’ taboe hebben verklaard, niet mogen noemen alsof we op de staart van de duivel trappen, worden we ons niet bewust van dit impliciet verborgen racisme dat in het darwinisme besloten ligt. Het kan ook anders. Door het darwinisme op te nemen, of beter gezegd, op te tillen in zijn filosofie, hebben wij zoals Wallace dat wilde, de juiste argumentatie in handen tegen “human selection”. Want volgens Darwin moet liefde en mededogen de pijn van de evolutie verzachten; voor Rudolf Steiner daarentegen behoort de liefde en mededogen tot de essentie van de menselijke evolutie. De “menselijkheid” behoeft niet kunstmatig met opgeheven vingertje van buiten af aan de evolutie te worden toegevoegd.

Dit is, neem me niet kwalijk, een volkomen valse voorstelling van zaken. Eerst zegt Geuljans dat Steiner zou vinden dat een ‘ras’ een ‘soort’ is. Zover gaat zelfs Steiner niet, zoals hij zelf een keertje zei in de arbeidersvoordracht uit 1923 (GA 349): “…weil ja der Mensch immer ein Mensch ist, selbst wenn er ein Schwarzer ist” (citaat 123 uit het van Baarda-rapport en een van de beroemde zestien citaten, ook op dit blog besproken zie hier). Ook voor Steiner is een mens een mens, zelfs als ie zwart is 😉 Misschien ligt dat voor Stephan Geuljans anders, maar voor Rudolf Steiner is dit beslist niet het geval. Maar het echte probleem voor Geuljans is dat de mens ‘een veredelde aap’ zou zijn, zoals Geuljans het omschrijft. In de Darwinistische evolutie-leer is inderdaad de mens niet een verheven soort ten opzichte van andere soorten. Net zoals de ’Arische mens’ ook niet verheven is boven andere mensen, wat bij Rudolf Steiner in bepaalde mate wel het geval is. Desalniettemin wringt Geuljans zich in allerlei bochten, spagaten en ik weet niet wat voor standjes en acrobatische toeren om maar aan te tonen dat het Darwinisme racistisch is en de antroposofie niet. En Evelien Nijeboer die toekijkt en denkt: ‘Daar moeten de lezers van de NRC ook deelgenoot van worden gemaakt’.

En wie heeft het over Human Selection? Dat is nou juist Rudolf Steiner.  “Nicht etwa deshalb,  weil es den Europäern gefallen hat, ist die indianische Bevölkerung ausgestorben, sondern weil die indianische Bevölkerung die Kräfte erwerben mußte, die sie zum Aussterben führten”, dat is pas Human selection, al verschuilt Steiner zich achter al dan niet ingebeelde hogere machten.  Overigens vind ik het ook niet zo ‘menselijk’, om de woorden van Geuljans te gebruiken.

Geuljans besluit zijn artikel met:

“Als we eerlijk naar de antroposofie kijken en zien hoe Rudolf Steiner in zijn tijd stelling heeft genomen tegen racisme, zien we dat de racisme-aantijgingen absurd zijn. Het is tekenend voor onze tijd dat daar iedere keer opnieuw op moet worden gewezen. De kritiek op Steiner zal naar onze mening echter alleen verdwijnen als mensen er zich van bewust worden dat niet de antroposofie, maar het darwinisme (dus de heersende denktrant zélf) een schaduwzijde heeft en dat ‘politieke correctheid’ het verbod is om over deze schaduw na te denken. In dit verbond ontstaat het onvermogen om in een ander mens meer te zien dan een veredelde aap – zonder vrije wil, niet in staat tot het nemen van verantwoordelijkheid – die binnen het gareel moet worden gehouden door hem ‘politiek correct’ af te richten. Er is veel mee gewonnen als we de antroposofie niet vanuit een darwinistische bril, maar vanuit haar eigen ethisch-individualisme en de historische context willen begrijpen.”

Veel van wat  hier ter sprake is gekomen zit in dit laatste stukje tekst. Steiner die stelling zou hebben genomen tegen racisme (echt waar?), het echte probleem is het Darwinse (heus?)  en al helemaal ‘de politieke correctheid’ (hoe modieus). En wie zegt dat apen, of ‘veredelde apen’ geen vrije wil hebben? En nemen mensen dan wel ‘hun verantwoordelijkheid’ en apen niet (hoe Balkenende)? Ik vind het erg discutabel. En wat betreft ‘politiek correct africhten’, gelukkig dat we nog rechtsextremisten hebben van allerlei soort, waar vooral de Jos Verhulsten van deze wereld bijzonder blij mee zijn. Want het is deze Jos Verhulst,  wiens invloed onmiskenbaar doorklinkt in de laatste alinea’s van bovenstaand artikel, die hoognodig aan een nader onderzoekje moet worden onderworpen.

In de volgende delen zal ik het stuk van Geuljans verlaten en het traject van deze Jos Verhulst in kaart brengen (en wat hij en anderen zoal uitspoken, oa in het Nederlandse antroposofische tijdschrift Driegonaal). Aan het eind zal ik ingaan op het korte vervolgartikel dat Stephan Geiuljans schreef, nav een vraag van Ramon de Jonghe. Dat zal gaan over Steiners evolutie-modellen, waarin hij de Indianen, tov van de Europeanen, afschildert als een ‘Dekadente Abzweigung’ (GA 100).

Het geval Jos Verhulst

De Vlaamse antroposoof Jos Verhulst (1949) is een van de weinige antroposofen die regelmatig het publieke domein betreedt en ook enige naamsbekendheid geniet buiten de antroposofische circuits. Verhulst schijnt gepromoveerd te zijn op een scheikundig onderwerp (ik kan het niet helemaal terugvinden) en is, volgens de informatie die ik heb althans, leraar scheikunde aan de  Hybernia-school,  de Antwerpse Steinerschool (in België worden vrije scholen Steinerscholen genoemd). In Nederland is hij verbonden aan het Louis Bolk Instituut in Driebergen, dat vooral wetenschappelijk onderzoek verricht en publicaties uitgeeft over biologisch dynamische landbouw. Voor zover ik het kan beoordelen bestaan zijn werkzaamheden daar vooral uit pogingen om de antroposofische kijk op de evolutie nieuw leven in te blazen. Het is hierboven al ter sprake gekomen en het is om die reden dat Stephan Geuljans hem in zijn artikel aanhaalt. Zijn bekendste publicatie op dat gebied is Der Erstgeborene; Mensch und höhere Tiere in der Evolution, Verlag Freies Geistesleben, Stuttgart, 1999 (Geuljans verwijst naar deze publicatie).   Een uitgebreide verhandeling over dit werk, van hemzelf en door een paar collega onderzoekers van het Louis Bolk Instituut is hier te raadplegen, uit Motief, het tijdschrift van de Antroposofische Vereniging in Nederland, het juli augustusnummer van 2001.

Hij is ook politiek zeer actief. Vroeger zou hij lid geweest zijn van de Communistische Partij Vlaanderen, tegenwoordig omschrijft hij zichzelf als ‘libertariër’ en is hij initiatiefnemer van politieke clubjes als Directe Democratie en Democratie Nu (ik heb het idee en ook weleens van verschillende Belgische bronnen begrepen dat dit echter marginale clubjes zijn).

Het bekendste orgaan waaraan hij verbonden is, is ‘The Brussels Journal; the European Voice of Conservatism’, een weblog/ online opinieblad. Dit is, om het voorzichtig uit te drukken, een zeer omstreden website en eerder een spreekbuis van extreemrechts dan van conservatisme. De drie oprichters zijn, naast Jos Verhulst, de Vlaamse publicist Paul Belien en zijn echtgenote, Alexandra Colen, voormalig parlementariër voor het Vlaams Belang.

Het echtpaar Belien-Colen heeft een reputatie hoog te houden, vooral als het gaat om ‘anti-homoactivisme’ (jawel het bestaat echt). In Nederland kwam Belien in het nieuws toen bekend werd dat hij adviseur was geworden van Geert Wilders en de PVV fractie in Den Haag.  Juist zijn opvattingen over homorechten werden uitgebreid door verschillende Nederlandse media besproken. Zie bijvoorbeeld hier, op de website van het COC, of dit artikel uit Vrij Nederland Wilders diepe denker uit België (door Robert van de Griend,  22 september, 2010). Ook is Belien een voorstander van wapenbezit door particuliere burgers (hij heeft nauwe conatcten met de Amerikaanse National Riffle Association, de NRA) en dat zou vooral noodzakelijk zijn als bescherming tegen ‘de horden migranten uit Noord Afrika’. Zijn beruchte artikel ‘Geef ons Wapens’ uit 2006 werd van The Brussels Journal verwijderd , nadat er aangifte was gedaan en er een strafrechtelijk onderzoek werd ingesteld naar eventueel racisme en oproepen tot geweld. Het leverde Belien in ieder geval een bijnaam op. ‘Pistolen Paultje’, zo staat hij tegenwoordig in België bekend.

Beliens echtgenote Alexandra Colen (hier wikpedia, hier bio van The Brussel Journal) was lange tijd parlementariër voor het extreemrechtse Vlaams Belang van Filip Dewinter.  Uit een klein zoektochtje op internet blijkt dat zij vooral een ultra-conservatief geluid laat horen en zeer tegen homoseksualiteit is gekant.  In haar Jihad tegen homoseksuelen wordt geen gelegenheid onbenut gelaten. Zo vindt zij dat de kindermisbruikschandalen in de Katholieke Kerk voortkomen uit ‘dezelfde mentaliteit’ als  ‘de gayrpides’, want….’dat komt voort uit de alles kan alles mag cultuur’, zie hier. Opmerkelijk…. Het lijkt me dat iedereen die ook maar een beetje kan nadenken en over minimale  analytische vermogens beschikt, toch tot de tegenovergestelde conclusie moet komen. De kindermisbruikschandalen komen juist voort uit de ‘niks kan, niks mag’ cultuur van de RK Kerk. Oftewel, vooral door het celibaat.  Maar dit is dus Alexandra Colen, met wie Jos Verhulst The Brussels Journal bestiert.

Na de aanslagen van Anders Breivik kwam The Brussels Journal in ernstige opspraak en was even het middelpunt van de belangstelling van de internationale pers. Een Noorse blogger, die onder de naam ‘Fjordman’ actief op diverse extreemrechste sites, waarvan Gates of Vienna en The Brussels Journal de bekensten waren, bleek de belangrijkste leverancier te zijn van teksten voor het manifest van Anders Breivik, 2083, A European Declaration of Independence. Breivik had vaak, zonder bronvermeldingen, hele lappen tekst van Fjordman in zijn pamflet opgenomen. Er werd zelfs even gedacht dat Fjordman en Breivik een en dezelfde persoon waren, totdat Fjordman zich bekend maakte- hij bleek hij Peder Are Nøstvold Jensen te heten- en zich distantieerde van Breiviks daden.  Het gedachtegoed van Fjordman is echter extreem nationalistisch, eurocentrisch en regelmatig heeft hij opgeroepen tot etnische zuivering en het met geweld verwijderen van Moslims uit Europa. Zie voor meer over Fjordman, dit artikel van arabist en Trouw journalist Eildert Mulder, uit zijn serie ‘Anders Breivik is niet alleen’. Lees ook De Lone Wolf komt uit een roedel, door Yuri Albrecht, Vrij Nederland, 27-7-2011.

Buiten antroposofische kring begeeft Jos Verhulst zich dus vooral in dit soort circuits. Ik heb niet het idee dat de antroposofen, die zo van zijn ‘eruditie’ onder de indruk zijn, zich hiervan bewust zijn. Ik denk ook niet dat Stephan Geuljans dat is. Wat volgens mij onbestaanbaar is, zo niet onmogelijk, dat Geuljans en andere Nederlandse antroposofen niet op de hoogte zouden zijn van een andere core-activiteit van Jos Verhulst: het aanprijzen van Holocaustontkenners. Daarvoor gebruikt hij namelijk regelmatig diverse antroposofische media.

home page Brug

Snapshot van de hompepage van de Brug. Het ontkennen van de Holocaust uit naam van de antroposofie doet het kennelijk goed en wordt graag gesteund en gesponsord door verschillende antroposofische instellingen en bedrijven, zoals Demeter (een label voor biologisch dynamische levensmiddelen) en Antroposofie en het Kind

Zijn belangrijkste podium is de nauw aan het Belgische antroposofische tijdschrift De Brug verbonden website Vrijgeestesleven.be (beiden zijn al vaak op dit blog ter sprake gekomen). In de Brug gaat het vooral over een ding: de nakende komst van Ahriman! De onderstaande tekst van Francois de Wit geeft de hysterie en de paranoia van dit digitale rioolblaadje vrij effectief weer:

 Dit zijn de eerste stappen in de richting van Ahrimans ideaal : het organiseren van de mensheid in één grote werkmierenstaat die alleen maar leeft om zijn fysiek bestaan zo comfortabel mogelijk in te richten en zo lang mogelijk te rekken. De aanzet tot deze ontwikkeling werd in het Westen het duidelijkst werkzaam sinds de Middeleeuwen, met het ontstaan van de steden, het einde van het feodalisme.
De landheer of ridder deelde met de agrarische gemeenschap die hij beschermde en door wiens arbeid hij leefde, nog grotendeels dezelfde waarden : gehechtheid aan de bodem, bloedsbanden hoog achten, eergevoel, afkeer van het intellectuele en van handel drijven. Sindsdien is het omgekeerde van deze waarden modern geworden, en dat zal nog toenemen.
Gemeenschappen worden systematisch afgebroken en ontwricht door een ongelimiteerde immigratie in de tot hiertoe cultuurdragende naties. Economieën en valuta worden ontwricht door speculanten , eigenaars en beheerders van immense kapitalen. Psychologen en sociologen helpen regeringen en bedrijven om het denken en voelen en willen van burgers en consumenten te sturen.

De volgende eeuwen zal deze ontwikkeling zich waarschijnlijk doorzetten totdat op het hoogtepunt van de totale chaos, Ahriman zelf incarneert en zich opwerpt als de grote redder der mensheid.
Tegen dan zouden voldoende mensen bewust de Christus-impuls moeten hebben opgenomen om de confrontatie aan te gaan. Daarom is de antroposofie in de wereld gekomen.
Dat klinkt misschien aanmatigend maar het is alleen de antroposofie die de ideeën kan aanreiken over hoe de maatschappij een vorm kan krijgen die aangepast is aan het ontwikkelingsniveau van de huidige mensheid. Want “het opnemen van de Christus-impuls” betekent niet dat men in iedere zin het woord Jezus of Christus in de mond neemt. Het betekent dat men zich bewust wordt van de asociale en antisociale krachten die nu van nature werken in de mens, en dat men vanuit dit inzicht aan de maatschappij probeert een vorm te geven die het uitleven van die krachten onmogelijk maakt.”

Ahriman in de Brug

 De ‘Inhoudstafel’ van de Brug. Klik op afbeelding om naar de site te gaan

Ach ja, die goeie ouwe tijd, toen er nog ridders waren met eergevoel! Wie in de ogen van deze Francois de Wit echt ridders met eergevoel zijn en nog rein van de voorafschaduw van het monster Ahriman, zijn… (leest u even met mij mee, bron):

“Het Luciferisch menstype wordt de laatste 2000 jaar langzamerhand verdrongen door het ahrimanische type. We lezen bij Caesar met welk een bezieling de Nerviërs tot de laatste man vochten tegen de Romeinen. Qua individuele moed stonden ze hoger dan de gemiddelde Romein, maar de Romeinen vochten met meer techniek, in bepaalde tactische opstellingen, dus meer met het koude berekende verstand. En ze wonnen.

Nog in de laatste wereldoorlog valt het op hoe ridderlijk de Duitsers streden, vergeleken met de Amerikanen ( Dat de propaganda erin geslaagd is dit beeld om te keren illustreert nog maar eens de geweldige mogelijkheden van de occulte groeperingen).”

Ridderlijk? Ook de SS? Dit is zo’n beetje de Brug. Dat van die ‘occulte groeperingen’ is ook heel typisch voor de Brug; Ahriman opereert altijd via ‘loges’, ‘de illuminati’ en zelfs UFO’s. Maar verder als men daar zo over de Nazi-legers schrijft, hoe schrijft men dan over ‘Joden’? Ongeveer zo (uit het artikel Het Ahrimanisch menstype’, wederom door Francois de Wit):

“In deze milieus moeten we de occulte broederschappen gaan zoeken. Dat daar misschien overwegend Joden bij zijn is in deze tijd niet meer relevant. Als dat voor hun doeleinden uitkomt, verloochenen ze evengoed hun rasgenoten (Er bestaan verschillende interessante studies over welke kringen Hitler financierden). Zoals men uit bovenstaand artikel kan afleiden zijn zelfs de eigen familieleden niet veilig wanneer ze zich niet willen openstellen voor de ahrimanische inspiraties”.

Het is al vaker op dit blog aangehaald, ‘Joden die hun rasgenoten verloochenen’. Antisemitisme, hoe kom je erbij?

Inhoudstafel Brug David Irving

Inhoudstafel de Brug met link (achter de W van ‘Wereldoorlog II’) naar de site van de vroegere historicus, nu Holocaustontkenner en Neonazi-activist David Irving (klik op bovenstaande afbeelding om naar de site te gaan)

Maar niet alleen stellen ‘Joden’ zich open voor ‘Ahrimanische Inspiraties’, het is zelfs zo dat Ahriman ons Europeanen iets zou hebben opgedrongen: ‘het fenomeen Holocaust’. En dan niet dat de kwade kracht Ahriman deze genocide zou hebben aangestuurd, nee, ons heeft aangepraat dat er zo’n genocide heeft plaatsgevonden. Zie het volgende vrij stukje tekst, op dit blog al vaker aangehaald, maar helaas noodzakelijk om het nog een keer te doen (bron):

 

“- het fenomeen “holocaust”.
In de Westerse wereld staat het iedereen vrij om over een bepaald geschiedkundig feit te denken hoe hij wil. Komt iemand op het idee dat Napoleon nooit een veldtocht naar Rusland heeft ondernomen, en hij schrijft een boek met argumenten om die stelling te onderbouwen, dan kan hij dat doen. Maar er is 1 onderwerp dat niet meer mag onderzocht worden, en dat is de “holocaust”, het dogma van de systematische uitmoording van 6 miljoen Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Het is in de meeste Westerse landen bij wet verboden om aan dit “feit” te twijfelen.
Waarom alleen aan dit ‘feit’ ? Stalin en Mao zijn verantwoordelijk voor de dood van miljoenen mensen, maar niemand schijnt zich daar nog aan te storen. Waarom dan dit systematisch oprakelen en in beeld brengen van alleen de Duitse oorlogsdaden ?
Het kan niet anders of de Angelsaksische occulte loges weten dat voor hen een gevaar alleen uit Midden-Europa kan komen, en om bij voorbaat iedere werking van een spirituele impuls uit te sluiten werd en wordt Duitsland als de oorsprong van alle kwaad afgeschilderd.

Waar het Mysterie van Golgotha als centraal geestelijk gegeven in de ontwikkeling van de mensheid voor alle mensen een lichtend baken zou kunnen zijn dat iedereen verenigt in een gezamenlijk zoeken naar de juiste weg om de Christusimpuls in de wereld te realiseren, krijgen we nu een centraal on-geestelijk afstotingspunt, het zwarte gat in de mensheidsgeschiedenis waar iedereen in een grote boog moet omheen lopen en dat de mensheid verenigt in een gezamenlijke haat tegen …. de geestelijke impuls uit Midden-Europa ! Want het is niet toevallig dat met de holocaust een voortdurende haat tegen het Duitse volk in leven wordt gehouden, tegen Duitsland als een gebied waarvoor de mensheid moet oppassen en waakzaam blijven. Zelfs vóór de oorlog begon die haatpropaganda al.
Vroeger werden in de bioscopen altijd nieuwsfilmpjes getoond vóór de eigenlijke film begon. In 1981 overleed Jack Glenn, de man die deze filmpjes maakte in de Verenigde Staten. Af en toe liet deze man wereldgebeurtenissen door acteurs naspelen in een toneeldecor. Eén ervan was het filmpje “Inside Nazi Germany”, gedraaid in 1938. Het bevatte een scène van een concentratiekamp, voor een stuk gefilmd op Staten-Island met New-Yorkse acteurs. Een groot deel van de film was opgenomen in het Derde Rijk door een free-lance cameraman, maar Louis Rochement, de producer, had het gevoel dat die film gecensureerd was door de Duitse autoriteiten en beval Glenn om de Nazi-brutaliteiten zelf in scène te zetten. Miljoenen Amerikanen die deze nieuwsfilmpjes in hun plaatselijke bioscoop bekeken waren overtuigd dat ze de realiteit zagen. Hoeveel dergelijke realiteiten die we tegenwoordig voorgeschoteld krijgen zouden niet het werk zijn van filmkunstenaars ?
Feit is dat de Geallieerden na de oorlog Hollywood-producers huurden om propagandafilms te maken in plaats van het filmmateriaal van het leger te gebruiken.

David Irving geeft daarop volgende commentaar :

“Enkele jaren geleden kwam er op BBC2 geloof ik, een programma over de ‘documentaires’ van deze Glenn. Daarin werd onder meer onthuld dat de scènes van SA-bruinhemden die hun vijanden molesteerden in de straten van Berlijn en die de Joden in Wenen het voetpad deden opkuisen, gefilmd waren in de decors van Hollywood. Ook de Japanse soldaten die baby’s op hun bajonetten staken en andere wreedheden waren haatpropagandascènes uit Hollywood. Ik zeg niet dat die feiten zich niet werkelijk voorgedaan hebben. Maar moderne televisiemakers gebruiken nu die opnamen om hun eigen reportages mee te vullen, net zoals ze materiaal van de vroegere Sovjet-GPOE gebruiken als authentiek. Jarenlang hebben ze het publiek bedrogen en hun steentje bijgedragen opdat het wiel van de haat blijft draaien.”

Op de website van David Irving kan men overigens ook lezen hoe een filmploeg van het Amerikaanse leger de “ontdekking”van een zak met de gouden tanden van concentratiekampslachtoffers in de (lege) kluizen van de Reichsbank regisseerde. Een ander knap propagandastaaltje.

Waarom draaide Spielberg zijn film “Schindlers List” in zwart-wit ? Kort na het uitkomen van de film verklaarde de eerste cameraman in een Duits vaktijdschrift dat men opzettelijk een documentaire-indruk wou creëren opdat latere (nóg minder kritische – fdw) generaties gemakkelijker overtuigd zouden worden van het realiteitsgehalte.
De film is nochtans gebaseerd op een roman, het product van de fantasie van een schrijver dus, van Thomas Kenneally. Maar daar is ook iets raar mee gebeurd. Vooraan in de eerste editie van het boek, vóór de film gemaakt werd, leest men vijf keer het woord ‘fictie’. In de tweede editie nog drie keer, in de derde editie is er geen sprake meer van fictie, het boek verschijnt in de weekendbijlage van sommige kranten zelfs in de lijst “non-fictie” !

Waarom worden zgn. negationisten als Norman Finkelstein, David Irving, Robert Faurisson, Ernst Zündel zo hardnekkig vervolgd als de ketters destijds door de Inquisitie ? Om dezelfde reden als toen : ze hebben zichzelf buiten de gemeenschap der gelovigen geplaatst, de gelovigen die het dogma aanhangen : Duitsland is de bron van alle kwaad.

In Canada zit Ernst Zündel al 22 maanden (december 2004) in eenzame opsluiting wegens zijn overtuiging, hij heeft nog nooit een vlieg kwaad gedaan, maar wel zijn mening geuit. De rechtszaken tegen hem lijken zo uit boeken van Kafka te komen: de voormalige chef van de geheime dienst die hem jarenlang geschaduwd heeft is nu zijn rechter. Iedere vraag van de verdediging wordt verworpen omdat ze de nationale veiligheid in gevaar zou brengen.

De antichrist, die zo handig de zaken in hun tegendeel kan verkeren, probeert ook de Heilige Geest te vervangen door een zeer aards, zeer leeg gegeven, dat de naam holocaust heeft gekregen, weerom niet toevallig in het Engels klinkend als Holy Ghost.

. Zolang de werking van de antroposofie beperkt blijft tot de Waldorf/Steinerscholen, laat men haar betijen, maar vanaf het ogenblik dat een reële maatschappelijke vernieuwing vanuit de antroposofie, de sociale driegeleding, zou doorbreken, dan zou die onmiddellijk en systematisch geassocieerd worden met het socialistisch experiment van de Nazi’s. De publieke opinie is nu reeds voldoende geïndoctrineerd om onmiddellijk af te wijzen wat maar enigszins met Nazi-Duitsland verband houdt.”

Ik weet niet hoe het met de meeste antroposofen staat, maar ik kan hier in alle oprechtheid alleen maar misselijk van worden. Je ziet trouwens ook hoe hier Norman Finkelstein wordt misbruikt, door hem in een rijtje te plaatsen met hardcore Nazi-activisten (want dat zijn Faurrisson, Irving en Zündel). Op de kwestie Finkelstein kom ik zo nog terug, bij de bespreking van een bijdrage van Jos Verhulst aan een speciale uitgave van Driegonaal. Is trouwens het Nederlandse tijdschrift voor Sociale Driegeleding. En ja, de publieke opinie is geïndoctrineerd om alles onmiddelijk af te wijzen wat maar enigszins met Naiz-Duitsland verband houd, aldus de bovenstaande tekst van Francois de Wit. Zelf wilde ik niet zo ver gaan (ik vind dat trouwens ook niet), maar moet ik begrijpen dat de Sociale Driegeleding wel enigszins verband houdt metNazi Duitsland? Opmerkelijk. Toegegeven, ook Driegonaal doet soms weleens een klein beetje zijn best, om zich in die hoek te placeren. Alsof ze erom smeken, net als de Brug. Maar dat komt hierna aan de orde.

Ik denk dat het ook eens tijd wordt dat de antroposofische vereniging (die van Nederland en België, maar ook internationaal) afstand moeten nemen van teksten als hierboven en de Brug definitief uit hun gelederen stoten. Met de Russische antroposoof Gennady Bondarew kon dat ook, dus dan zou dit zeker tot de mogelijkheden moeten behoren. Wanneer horen we daar iets meer over? Want dit is al een paar jaar geleden aan de orde gesteld. We wachten met spanning af. Ik meen te weten dat er binnen de Nederlandse antroposofische gemeenschap best een paar mensen te vinden zijn die dat ook willen, dus wie weet. Je kan het volgens mij met een briefje aan Dornach en met  persberichtje regelen. Ik weet niet precies wat voor dit soort zaken de officiële procedures zijn, maar waar een wil is, is een weg. Tenzij er geen wil is en gans de Nederlandstalige antroposofische gemeenschap, van zowel Nederland als Vlaanderen, staan te juichen bij dit soort antisemitisme en dit gedweep met Holocaustontkenners en Neonazi’s. Dat kan natuurlijk ook, maar zo erg schat ik het zelfs niet in.

Alleen, dat is weer een beetje vervelend, ook de door vele Nederlandse antroposofen (waaronder Stephan Geuljans, zoals blijkt uit zijn artikel) zo bewonderde Jos Verhulst, die bij het Louis Bolk Instituut in Driebergen zo mooi Steiners ideeën over evolutie opnieuw weet te rationaliseren en te verkopen (zie dit artikel uit Motief, het officiële orgaan van de Nederlandse antroposofische Vereniging), zit hier tot over zijn oren in. Werp zeker een blik op de site http://vrijgeestesleven.be .  Daar is een heleboel van zijn hand te vinden, waar hij de zaak van diverse Holocaustontkenners bepleit. Ik verwijs hier vooral naar mijn vierde antroposofie artikel (Engelstalig, dat ook op de Duitse site Egoisten werd gepubliceerd), of naar de blog van Michel Gastkemper, die hier, als een van de weinigen, wel zijn vingers aan durfde te branden en stelling nam.

In dit stuk wil ik me verder focussen op de bijdragen van Jos Verhulst aan een eens eerbiedwaardig Nederlands antroposofisch tijdschrift, maar dat nu wel erg is afgegleden. Het gaat hier om Driegonaal, het voor vele Nederlandse antroposofen bekende tijdschrift voor Sociale Driegeleding.

 

vrijgeesteslevenbe

De website http://vrijgeestesleven.be  (klik op afbeelding om naar de site te gaan. ) Op deze site valt heel gruwelijks te ontdekken. Wie op ‘negationisten’ klikt wordt doorgelinked naar een Neonazisite www.vho.org , die zichzelf omschrijft als ‘The World’s largest website for Historical Revisionism! The Holocaust controversy- a case for open debate’. Op deze site bevinden zich vooral honderden illegale downloads van Neonazi en Holocaustontkenners lectuur. Het kopje ‘antroposofie’ leidt naar de homepage van de Brug. Veel bijdragen van Jos Verhulst zijn te vinden onder ‘Directe Democratie’

20-2-2013 Tot zover (voorlopig althans).  Het is mij niet gelukt om dit verhaal te voltooien voor de uitzending van de Hokjesman op donderdag 21-2-2013. Ik verwacht komend weekend of begin volgende week met de rest te komen (dat zal vooral gaan over Driegonaal, het gedachtegoed van de Russische antroposoof Gennady Bondarev en hoe hij in Driegonaal wordt besproken en helemaal tenslotte het antwoord van Stephan Geuljans aan Ramon de Jonghe over de ‘indianentekeningen’ uit GA 100). Wordt vervolgd dus

Hier alvast de promo van de uitzending van de Hokjesman van komende donderdag:

Tagged with: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Géén sprake van rassenleer in de antroposofie? kritische kanttekeningen bij het rapport van de commissie van Baarda

antroposofie en racisme deel 5,

zie ook: deel 1, deel 2, deel 3, deel 4, deel 6 en deel 7

Waarom zijn de zwarten zo kinderlijk en moesten de indianen sterven?

Er is sprake van rassenleer in het gedachtegoed van Rudolf Steiner en de antroposofie

 

Floris Schreve

 

Illustratie van Rudolf Steiner bij de zevende voordracht uit ‘Das Johannes Evangelium’ (GA 100-1907)

Kijk, het ene ras is bijvoorbeeld heel goed in leidinggeven, terwijl het andere ras weer veel beter is met hardlopen en ritmes.
En als iedereen zich daar gewoon aan houdt is er niks aan de hand.
Da’s de natuur en je bent niet sterker dan de natuur.
En ik zeg heel eerlijk, ik houd me daaraan, ja, ik houd me daaraan.
Ik zal geen wc’s gaan schoonmaken, dat gaat niet, dat zit niet in mijn roots.
Da’s belangrijk, je roots.

Hans Teeuwen (cabaretier), in zijn theaterprogramma ‘Met een Breierdeck’, 1997

Een gedetailleerde lezing van een aantal werken van Rudolf Steiner en kanttekeningen bij de conclusies van het eindrapport van de commissie van Baarda

 

 

 

 

 

 

 

Inleiding

In 2000 presenteerde de zg Commissie van Baarda haar eindrapport over de kwestie of er sprake was van racisme of rassenleer in het werk van Rudolf Steiner. De belangrijkste conclusie was dat er géén[1] sprake is van rassenleer. In het totale oeuvre van Steiner waren  zestien ernstig discriminerende uitspraken gevonden, verspreid over diverse lezingen. Hooguit sprong de lezing ‘Farbe und Menschenrassen’, uit de cyclus ‘Vom Leben des Menschen und der Erde; über das Wesen des Christentums; Dreizehn Vorträge gehalten vor den Arbeitern am Goetheanumbau in Dornach, vom 17. Februar bis 9. Mai 1923′ (GA 349) er enigszins uit. Maar liefst vijf van de zestien ernstig discriminerende uitspraken waren afkomstig uit die ene voordracht[2].

Wat mij altijd het meest heeft bevreemd is waarom Steiners meest bekende, zo niet meest beruchte werk over mensenrassen, ‘Die Mission einzelner Volksseelen im zusammenhange mit der Germansich-Nordischen Mythologie’ (Oslo, 1910, GA 121) zo mild door de commissie is beoordeeld. Het lijkt er zelfs op dat dit werk buiten de eindconclusies is gehouden (behalve dat er wordt vermeld dat een aantal uitspraken uit deze cyclus in de zg tweede en derde categorie zijn geplaatst, wordt er verder geen aandacht meer aan besteed, althans in de conclusies). Dat is vreemd, want het is juist deze cyclus die in het verleden zoveel stof heeft doen opwaaien (mijns inziens terecht, maar dat zullen we later zien). Bovendien is dit ook het belangrijkste werk van Steiner dat ‘over rassen’ gaat. Wat je er ook van mag vinden, de titel van het eindrapport is immers ‘Antroposofie en het vraagstuk van de rassen’. Dus dit lijkt mij dan met vlag en wimpel het allerbelangrijkste werk om uitgebreid aandacht aan te besteden.

Toch doet de commissie anders suggereren. Er is een apart hoofdstukje aan gewijd (p. 240-247) waarin wordt uitgelegd wat Steiner met deze voordrachten bedoelde (de hele cyclus en specifiek met de twee voordrachten die over rassen gaan). De nadruk ligt er in deze uitleg op dat Steiner met deze cyclus vooral een groter begrip tussen volkeren beoogde. Ik wil dat overigens tot op zekere hoogte aannemen, maar het gaat er hier om hoe Steiner tegen het verschijnsel ‘mensenrassen’ aankeek. Dit komt in deze cyclus uitgebreid aan bod. Hij bespreekt het ‘ontstaan’, de ‘eigenschappen’ en het ‘verdwijnen’ van de diverse mensenrassen en brengt deze verschijnselen in verband met grotere zaken als de aarde-evolutie, de lotsbestemming van de mens en zelfs allerlei bovenzinnelijke krachten en geestelijke wezens. Juist die twee voordrachten (de vierde en de zesde) zijn mijns inziens de belangrijkste teksten van Steiner over hoe hij tegen ‘rassen’ aankeek.

Ik wil hier precies nagaan hoe de commissie de meest omstreden uitspraken uit deze cyclus heeft beoordeeld (of niet heeft beoordeeld, want de commissie heeft ook veel weggelaten of genegeerd). Ik zal deze afzetten tegen wat eerdere critici hierover hebben geschreven (in Nederland Gjalt Zondergeld en Evert van der Tuin, JD Immelman, Bram Moerland, Toos Jeurissen en Jan Willem de Groot, en internationaal/Duitsland Jana Hussman, Peter Bierl en Helmut Zander) maar ook hoe diverse antroposofen deze cyclus hebben geprobeerd te ‘verdedigen’. Vaak zal blijken dat de diverse antroposofische verdedigingen, ook die waaraan (in bepaalde orthodox antroposofische kringen, die zelfs het van Baarda-rapport afwijzen) nog steeds veel waarde aan wordt gehecht zoals die van Dieter Brüll, maar ook Maarten Ploeger, Hans Peter van Manen, Walter Heijder, Willem Frederik Veltman en het beruchte radio-interview met Christof Wiechert, vaak regelrecht met elkaar in tegenspraak zijn en bovendien in tegenspraak  met de ‘verdediging’ van de Commissie van Baarda. Voor zover de critici van Steiner elkaar ook tegenspreken, inconsistent zijn, of feitelijke onjuistheden beweren zal ik dat vanzelfsprekend vermelden.

Na een korte omschrijving van de criteria en de categorieën die de Commissie heeft gehanteerd worden de teksten van de vierde en de zesde voordracht uit Die Mission einzelner Volksseelen integraal weergegeven. De door de Commissie van Baarda beoordeelde passages zijn vette letters weergegeven en er wordt vermeld om welk citaatnummer het gaat en tot welke categorie de commissie dit citaat heeft gerekend, overigens nog zonder het commentaar van de commissie. Dit lijkt me nuttig, zodat de lezer de citaten kan beoordelen in de oorspronkelijke samenhang.

Ik zal hierna overigens, net als de commissie van Baarda, de verschillende passages naar thematiek bespreken. Daar zal dan het commentaar van de commissie ter sprake komen. Ik zal deze passages verder vergelijken met citaten uit andere werken van Steiner en het commentaar van de commissie afwegen tegen wat andere antroposofen over deze teksten te berde hebben gebracht en wat critici daarover te melden hebben. Aan de orde zal komen, na de vraagstelling en de criteria van de commissie en de volledige weergave van de twee voordrachten van Steiner uit Die Mission einzelner Volksseelen, met mijn commentaar, waarin de door de van Baarda-commissie beoordeelde citaten vet zijn afgedrukt:

  • Algemeen: vooral hoe de commissie van Baarda deze cyclus samenvat en duiding geeft.
  • Wat verstond Steiner onder het begrip ‘ras’? Er wordt soms gebruik gemaakt van de termen ‘wortelras’ en ‘onderras’, maar hoe verhouden die begrippen zich tot het ‘gewone mensenras’? Hier worden verbanden gelegd met andere werken van Steiner, vooral met Aus der Akasha-Chronik, maar ook met The Secret Doctrine van Helena Blavatsky. De leer van de wortelrassen wordt door de commissie nauwelijks behandeld. Toch is een juist begrip hiervan cruciaal om het ‘systeem’ van Steiners ‘rasverschillen’ te begrijpen en te duiden binnen de antroposofie als geheel. De kern van de rassenleer moet juist gezocht worden in Steiners notie van de aarde-evolutie. Toch zijn de belangrijkste teksten over deze aarde-evolutie door de commissie niet behandeld en zelfs weggelaten uit het rapport. Ik zal grote delen uit de Akasha-kroniek hier integraal weergeven en bespreken en vandaar uit de bredere achtergrond schetsen van de leer van de wortelrassen en de ontwikkeling van de Atlantische en de na-Atlantische mens. In dat kader past ook Steiners rassenleer (de commissie heeft zelfs nagelaten om dit kader duidelijk voor het voetlicht te brengen). De sleutel tot Steiners rassenleer, zo zal blijken, is uiteindelijk te vinden in de Akasha-kroniek, om precies te zijn in het tweede hoofdstuk ‘Unsere Atlantische Vorfahren’, wanneer hij ‘de opdracht’ van het Lemurische, het Atlantische en het huidige Arische wortelras uitlegt. Vanuit deze achtergrond is bijvoorbeeld ook Steiners uitspraak te verklaren dat de indianen ‘zichzelf de krachten moesten verwerven om uit te sterven’. Vandaar dat deze thematiek, door de commissie buiten beschouwing gelaten, relatief veel aandacht zal krijgen.
  • Enkele deelonderwerpen (bijv. de antroposofische kijk op de geschiedenis, maar ook bijv. de recapitualtie-theorie van Ernst Haeckel) die in nauw verband staan met Steiners visie op rassen
  • Periodisering: over de vraag wanneer volgens Steiner de door hem onderscheiden rasverschillen van belang waren of zijn, wederom de mening van de commissie afgezet tegen die van anderen, antroposofen en critici.
  • Steiners uitspraken over het zwarte ras, waarbij ook uitspraken van Steiner uit andere voordrachten aan bod zullen komen (vooral de arbeidersvoordracht uit 1923).
  • Steiners uitspraken over Aziaten, die ook met uitspraken uit andere werken zullen worden vergeleken (wederom de arbeidersvoordracht
  • Steiners visie op het blanke ras en de functie die het heeft te vervullen in de mensheidsontwikkeling, waarbij het begrip ‘Ariër’ en de notie van de cultuurperiodes nader zal worden geduid (Dit zal vooral duidelijk worden nav Aus der Akasha Chronik)
  • Steiners visie op de indianen, wederom besproken en vergeleken met passages uit andere werken (de arbeidersvoordracht, maar ook uit een lezing uit 1907, waarin ook Steiners visie op de evolutie duidelijk naarvoren komt. En zoals de bovenstaande schets, uit die cyclus afkomstig, duidelijk laat zien, behoren de indianen kennelijk tot een ander ‘evolutionair stadium’, dan de Europeanen.

Dan nu nog het volgende. De Antroposofische Vereniging heeft een keer een poging ondernomen tot juridische stappen tegen het weekblad ‘De Groene Amsterdammer’, dat na verschijning van het rapport de zestien uitspraken uit de eerste categorie publiceerde. Deze rechtszaak werd door de antroposofische vereniging verloren (zie noot 2). Sinds die tijd heeft men afgezien om het gelijk via de rechter te behalen of andere juridische stappen. Toch staat er in het rapport een duidelijke waarschuwing. Deze luidt:  ‘Geen enkele cultuur of maatschappelijke stroming  kan of mag uitsluitend worden beoordeeld aan de hand van bestaande of vermeende onvolkomenheden. De antroposofische beweging is daarop geen uitzondering. De lezer wordt er dan ook aan herinnerd dat elk eenzijdig of selectief gebruik van de in dit rapport genoemde gezichtspunten en bevindingen -inclusief de in dit rapport besproken citaten van Rudolf Steiner- met het doel daaraan conclusies te verbinden die voor de antroposofie in het algemeen gelden, misbruik betekent van dit rapport‘.[3]

Hier een paar opmerkingen over. Ten eerste is het onmogelijk om niet te selecteren. Anders zou in deze bijdrage het gehele rapport moeten worden weergegeven (720 pagina’s!) en dat lijkt me wel wat veel van het goede. Bovendien is citeren altijd een kwestie van selecteren. Van belang is om dat altijd zorgvuldig te doen, die de context geen geweld aandoet. Bovendien citeert/selecteert de commissie zelf ook en soms zelfs op een manier die mijns inziens discutabel is (ook dat zal aan de orde komen).

Verder staat hier niet ‘de antroposofie’ ter discussie. Ter discussie staat een mogelijke rassenleer, die door dit rapport ontkend of gebagatelliseerd wordt (géén sprake van…) en daarmee de hoofdconclusie van het rapport zelf. Enige focus, dus een eenzijdige gerichtheid op die mogelijke rassenleer, is in deze onvermijdelijk. Overigens wordt hier geen oordeel uitgesproken over de gehele antroposofie, maar wel over de mogelijke rassenleer, al zal de kwestie niet uit de weg worden gegaan in hoeverre deze rassenleer van belang is voor de antroposofie als geheel. Ik acht dit volstrekt legitiem, zolang de verschillende argumenten naar eer en geweten zullen worden afgewogen. Dus een bepaalde vorm van eenzijdigheid is inderdaad onvermijdelijk, zolang dit maar zorgvuldig gebeurt. Op die manier zou je immers ook het rapport zelf ‘eenzijdig’ kunnen noemen. Wat betreft de passgage ‘…met het doel daaraan conclusies te verbinden die voor de antroposofie in het algemeen gelden, misbruik betekent van dit rapport’, kan ik alleen maar opmerken dat het mijn eigen afweging is, waaraan ik mijn conclusies wil verbinden. Ook als ik die conclusies wil opschrijven en publiek maken. Het staat iedereen vrij om kenbaar te maken of ik dan verkeerd zou zitten.

Grappig dat de commissie spreekt van ‘bestaande of vermeende onvolkomenheden’. Ik denk dat het duidelijk is wat er onder die ‘onvolkomenheden’ wordt verstaan. Als ik het rapport verder moet geloven, zijn die onvolkomenheden dus ‘vermeend’. En laat ik dat nu net willen bestrijden. Dus het lijkt mij zinvol om eerst uit te maken of deze onvolkomenheden  ‘vermeend’ zijn dan wel ‘bestaand’. Als dat duidelijk is geworden zien we wel weer verder hoe om te gaan met deze al dan niet vermeende ‘onvolkomenheden’. En daar kan de antroposofie zeker op beoordeeld worden, al zeg ik niet ‘uitsluitend’. 

Het meest principiële argument is wel dat het rapport zichzelf ‘wetenschappelijk’ noemt. Dat betekent dat het een onderdeel moet kunnen zijn van discussie. Geen wetenschap zonder academische vrijheid. Het is te hopen dat deze academische vrijheid ook voor de ‘geesteswetenschap’ geldt. Net als het werk van Rudolf Steiner is het rapport niet boven alle kritiek verheven, al lijkt het er soms op dat antroposofen en zeker de commissie daar anders over denken. Zo staat er direct na de titelpagina door de uitsluitend uit antroposofen bestaande en onafhankelijke commissie prominent en met grote letters vermeld: ‘De commissie ‘Antroposofie en het vraagstuk van de rassen’ is de Rudolf Steiner Nachlaßverwaltung erkentelijk voor de toestemming om uit de Rudolf Steiner Gesamtausgabe te mogen citeren’.[4] Dit lijkt mij eerder een geval van onderdanigheid dan van dankbaarheid. Bovendien zijn de rechten over het werk van Steiner in 1996 vervallen, dus deze onderdanige dankbetuiging is daarmee helemaal overbodig en zelfs grotesk geworden, zeker van een ‘onafhankelijke commissie’. Ik heb voor het citeren niemand bedankt, behalve mijn erkentelijkheid betuigen door naar goed academisch gebruik een correcte bronvermelding te plaatsen, maar ik ben natuurlijk wel diep dankbaar dat ik dit rapport in handen heb gekregen. Zo kan ik de inhoud naar beste kunnen afwegen tegen het overige materiaal dat ik boven water heb gekregen, waar ik uiteraard ook heel dankbaar voor ben (ik heb daarvoor wel twee personen bedankt, maar zij hebben mij het materiaal persoonlijk geleverd, daar het niet via de reguliere boekhandel mogelijk was[5]). Ik acht het dan ook volstrekt legitiem om dat in alle vrijheid de verschillende inzichten en opinies gewetensvol tegen elkaar af te wegen. Er is dus ‘géén sprake van misbruik’. Het feit dat het rapport moeilijk te verkrijgen was, beschouw ik dan ook als zeer bedenkelijk. Ik heb door puur geluk dit rapport voor een normale prijs in handen kunnen krijgen (aanvankelijk was het vooral bestemd voor de bovengemiddeld draagkrachtige geïnteresseerde, om het zacht uit te drukken), maar het is niet op een manier verspreid die voor iedereen toegankelijk is. Dit had wel gemoeten. Als het rapport zichzelf wetenschappelijk noemt, moet het ook vrij toegankelijk zijn en niet dienen als een stok achter de deur, intern achter de hand gehouden en inzetbaar voor mogelijke juridische stappen.[6] Als meneer van Baarda en zijn commissie verantwoordelijk zijn voor een ‘wetenschappelijk rapport’, dienen zij ook de academische vrijheid respecteren. En een wetenschappelijke publicatie is géén juridische goocheldoos.

De commissie heeft over haar eigen ontegenzeggelijk nijvere arbeid het volgende verklaard:

Zoals is opgemerkt (…) komt het in Nederland nauwelijks voor dat antiquarische publicaties, zoals die van Rudolf Steiner, aan zo’n strenge toets zijn onderworpen. Het aantal bladzijden met opmerkingen die in de huidige tijd als discriminerend kunnen worden beleefd is minder dan 0,5 ‰, zegge: één halve promille van het totaal van de ruim 89.000 bladzijden uit de Rudolf Steiner Gesamtausgabe. Antroposofie en sociaal-darwinisme staan haaks op elkaar. Suggesties alsof racisme inherent zou zijn aan antroposofie, of dat Steiner in conceptueel opzicht een van de wegbereiders zou zijn geweest van de Holocaust, zijn categorisch onjuist gebleken. De commissie heeft de stellige indruk dat Rudolf Steiner, in vergelijking met andere vooroorlogse en negentiende-en-twintigste-eeuwse auteurs zoals Hegel of Albert Schweitzer, het slachtoffer is geworden van selectieve verontwaardiging. Tot slot herinnert de commissie aan hetgeen zij aan het slot van hoofdstuk 1 heeft geschreven:…’[7] En dan volgt weer de bovenstaand aangehaalde tekst over ‘misbruik van het rapport’.

Ik heb hier het volgende op te zeggen. Je zou het werk van Rudolf Steiner kunnen afdoen als antiquarische lectuur, maar zo wordt het niet beleefd door de hedendaagse aanhang, actief in talloze maatschappelijke velden (onderwijs, zorg, andere hulpverlening, farmaceutica, levensmiddelenbranche, etc.). Bovendien bestaat er nog altijd onder antroposofen de neiging om alles wat Steiner gezegd heeft voor absolute waarheid aan te nemen. Ik weet dat uit eigen ervaring en bovendien zijn talloze hedendaagse antroposofische publicaties hier het levende bewijs voor. Dogmatisme en slaafs apologetendom is mijns inziens een groot probleem. Iedereen die een beetje om zich heen kijkt in die wereld zou dat kunnen vaststellen.

Over de kwantiteit van Steiners discriminerende uitspraken kan men twisten, maar op dat gebied ben ik het zeker niet eens met de commissie, zoals ik hierna uiteen zal zetten (het gaat om veel meer dan zestien uitspraken die uiteindelijk over de rand zouden zijn). Bovendien wat zegt kwantiteit? Steiner heeft ontzettend veel geschreven en voordrachten gehouden, over de meest uiteenlopende onderwerpen. En hij heeft het ook over ‘rassen’ gehad (vrij uitvoerig overigens, maar de commissie doelt natuurlijk op de passgages die zij omstreden vinden en dat zijn er veel minder dan waar ik denk dat er een probleem ligt). Maar het gaat er niet om hoe váák er kan worden aangeturfd ‘over de rand’. Het waarom van die uitspraken lijkt mij veel belangrijker, los van de juridische meetlat. De kwalitatieve orde lijkt mij, meer dan de kwantitatieve, de meest problematische. Mijns inziens kent de antroposofie een rassenleer die hecht verweven is met het idee van de aarde-evolutie en de lotsbestemming van de mens[8]. Ik zeg dus niet dat de antroposofie samenvalt met een rassenleer of een rassenleer is, maar wel dat de rassenleer een wezenlijk onderdeel is van de antroposofie. Ik zou niet weten welke rekenformule ik zou moeten toepassen, maar het zit denk ik wel ruimschoots boven de halve promille. In die zin zit ik op een lijn met Helmut Zander, althans wat ik er tot nu toe van gelezen heb. Bovendien, mijn belangrijkste bezwaar tegen het rapport, is turven hoe vaak er iets strafbaars wordt gezegd geen tekstanalyse. Daarmee wordt er niets gezegd over het waarom, je kan alleen zeggen dat hij het gezegd heeft. En natuurlijk, het rapport legt veel uit over de duiding het, het waarom en over de antroposofie in het algemeen (vaak heel verhelderend en goed), maar op het moment dat de omstreden uitspraken vanuit de antroposofie moeten worden verklaard schrikt men terug, worden er soms vreemde uitvluchten en excuses bedacht. Het lijkt erop dat de commissie bang is om haar vingers te branden. En daar ligt nu net het probleem. Want de omstreden uitspraken zijn heel goed te verklaren vanuit de antroposofie, alleen moet dan wel de stelling ‘géén sprake van rassenleer’ op de helling.

De relatie antroposofie -sociaal Darwinisme zou ik niet direct leggen, te meer het Darwinisme profaan is en bovendien een wetenschappelijke theorie terwijl de antroposofie een esoterische stroming is, al noemen haar aanhangers deze een ‘geesteswetenschap’. Maar er zijn wel wat voorzichtige parallellen te trekken. Zeker zie ik Steiner niet als een wegbereider voor het nationaal socialisme met alle bijbehorende kwaadaardigheden. Ik heb ook vaak benadrukt dat ik eerder door anderen gelegde verbanden met het nationaal socialisme wat kort door de bocht vond.[9] Misschien heel indirect hebben de antroposofie en de latere nazi’s soms uit hetzelfde vaatje getapt, maar dat ligt buitengewoon genuanceerd, dus ik vind dat je met dat soort beweringen heel voorzichtig moet zijn, of die tenminste waterdicht moet kunnen onderbouwen. Dat Steiner een wegbereider voor de Holocaust zou zijn geweest is inderdaad ronduit onjuist, daarmee geheel eens. Wel zou het aardig zijn als de antroposofische beweging wat assertiever zou kunnen reageren als er uit naam van de antroposofie heden ten dage allerlei Holocaustontkenners als helden worden opgevoerd (ik noem maar een voorbeeld). Dat gebeurt inderdaad in een Nederlandstalig Belgisch antroposofisch (internet)tijdschrift[10], dat door bijna alle Nederlandse antroposofische webportals wordt aangeprezen alsof er niets aan de hand is. Ik heb onlangs geregistreerd dat slechts het Willehalm Instituut recent haar banner van die site heeft verwijderd. Daarvoor overigens alle lof en ik wil ook best geloven dat zij zich nooit echt in de inhoud van die site hebben verdiept, toen zij die banner lieten plaatsen. Want zo bont kun je het zelfs bij de antroposofie niet verwachten. Het zou aardig zijn als andere antroposofische instellingen net zo principieel zouden zijn als het Willehalm Instituut, dat niet bekend staat om zijn rekkelijkheid. De ordinaire Holocaustontkenningen zijn echter de orthodoxie ruimschoots voorbij. Nu nog een bekend label voor biologisch dynamische levensmiddelen, om maar een voorbeeld te noemen, dat haar naam, middels een banner, heeft verbonden aan een stel Holocaustontkenners. Maar als je zonder tegenspraak toelaat dat er uit naam van je eigen levensfilosofie keihard antisemitisme en zelfs Holocaust ontkenningen worden gedebiteerd en sterker nog, ook reclame maakt voor die spreekbuis, is de slogan ‘géén sprake van…’ weinig tot niets waard. Aan deze alom door Nederlandse antroposofische instellingen aangeprezen, maar tegen het neonazisme aanschurkende ‘antisemitische gierspuit’, waar verhalen te lezen zijn over ‘joden die hun rasgenoten verraden, als het ze uitkomt’ heb ik al eerder uitvoerig aandacht besteed, zoals  hier, maar ook hier (en ook op dit blog, zie hier). .[11]

Wat betreft de selectieve verontwaardiging ben ik het regelrecht oneens met de commissie. Als je ziet wat er alleen al in het dikke rapport zelf staat aan ‘racistische uitglijders’ (want volgens de commissie is er geen sprake van rassenleer, dus niets is structureel), dan is die verontwaardiging meer dan terecht. Zeker in vergelijking met Hegel en Albert Schweitzer. Bij mijn weten bestaat daar ook niet zo’n probleem en al helemaal niet van die omvang. Bovendien hebben die niet zo’n schare gelovigen die bij het minste woord van kritiek in de gordijnen klimmen. Over Schweitzer en Hegel kan op een volwassen manier worden gediscussieerd. Bij Steiner ligt dat soms weleens moeilijk. Om met Bram Moerland te spreken (in dit geval over Martin Heidegger): ‘Heidegger is zonder enige twijfel een van de meest invloedrijke filosofen van de twintigste eeuw. Het existentialisme (met name Sartre) en de structuralisten leunen zwaar op Heidegger. In recente publicaties is echter onomstotelijk aangetoond dat Heidegger sympathiseerde met de nazi’s. Dat is een netelige kwestie. Wat moeten we nu vinden van de filosofie van Heidegger? Is er een relatie tussen zijn filosofie en zijn sympathie voor het nazisme? Ik hoef die vragen nu niet allemaal op te lossen, maar ik dien wel te beseffen dat er een probleem is. Daar moet open over gesproken worden, zoals bijvoorbeeld op de Franse televisie is gebeurd, waar filosofen met elkaar over ‘het probleem Heidegger’ in debat gingen. Maar dat schijnt onder antroposofen over Steiner niet mogelijk te zijn’.[12] Goed, deze tekst komt uit 1989 en sinds die tijd is er wel iets veranderd, zie het rapport, maar het feit dat antroposofen zo dogmatisch en kritiekloos achter hun voorman aanlopen en bovendien onverkort zijn racistische standpunten verdedigen, is wel een van de voornaamste redenen voor alle tegendruk. Al wordt Steiner door zijn aanhangers vaak omschreven als een ‘filosoof’, of zelfs een ‘wetenschapper’, in dit geval zou je misschien beter van ‘guru’ kunnen spreken. Zie hier de oorzaak van die ‘selectieve verontwaardiging’.

Ik zal een voorbeeld aanhalen van een antroposoof die wel kritisch durft te zijn. Het gaat hier om Thomas Höfer van de Duitse hervormingsgezinde Junge Anthroposophen (geciteerd uit de brochure van Toos Jeurissen): ‘…U gelooft mij niet? U heeft een onbegrensd vertrouwen in alles wat Rudolf Steiner gezegd heeft? Wat vindt u dan van de volgende uitspraak? ‘Natuurlijk, als een zwangere vrouw, laten we zeggen, in de eerste maanden van de zwangerschap het bos in gaat en haar een ongeluk overkomt, dat ze juist in deze tijd een gehangene, een die zich aan een boom heeft opgehangen en al dood is, vindt- als hij nog trappelt is het nog erger- , als ze hem zo aantreft, dan schrikt ze verschrikkelijk. (…) dan zal zij een kind baren, dat bleek is, dat een spitse kin heeft, dat dunne ledematen heeft en zich niet goed bewegen kan. Daarvoor is voor een zwangere vrouw een enkele aanblik genoeg’. Dit citaat stamt inderdaad van Rudolf Steiner. Veel van zijn uitspraken berusten op bovenzinnelijke inzicht en zijn daardoor moeilijk te controleren. Maar de veelgebruikte mening dat de woorden van Steiner, die wij niet begrijpen, op zulke diepe inzichten zouden berusten, kan ik hier, bij deze uitspraak, niet laten gelden’.[13]

Goed, selectieve verontwaardiging, misschien, maar er wordt nog altijd aanleiding gegeven voor deze verontwaardiging. Het feit dat de racistische inzichten uit zg antiquarische publicaties tot op heden nog zo’n bloei doormaken, geeft alle reden voor kritiek. Ook het feit dat verontruste ouders aan de bel zijn gaan trekken toen er uit naam van Rudolf Steiner racistische opvattingen werden uitgedragen in het onderwijs of vakliteratuur over het vrije schoolonderwijs, was meer dan terecht (de kwesties de Roode/ Oprinsen/Jeurissen). Het zijn juist de antroposofen die zich in allerlei bochten zijn gaan wringen, en soms argumenten desnoods maar verzonnen hebben (zie vele artikelen uit Driegonaal, t/m het spijt me, ook Dieter Brülls roemruchte artikel ‘de Nieuwe Reactionairen’; de bijdragen in Antroposofie ter discussie van Hans Peter van Manen en Maarten Ploeger en de VOK uitgaves van Walter Heijder en W.F. Veltman[14]) om maar onder de pijnlijke kwestie uit te komen dat er sprake is van rassenleer in Steiners werk en dat die zelfs nu nog wordt verdedigd door zijn aanhangers. Ik ken van dat laatste helaas voorbeelden genoeg.

Nu dit is duidelijk gemaakt denk ik dat het belangrijk is om serieus op het rapport in te gaan. Want dat is alleszins de moeite waard. Wat betreft het verzamelen, inventariseren en inzichtelijk maken van het materiaal verdient de commissie zeker een compliment. Want al kun je verschillend denken over de conclusies, en dan vooral over de hoofdconclusie, het rapport bevat wel heel veel interessants en verdient hoe dan ook een evenwichtige bespreking.

Maar uit het volgende zal ook blijken hoe het rapport verschillende passages van Steiner heeft besproken, wat voor argumenten er in stelling zijn gebracht, maar ook (niet geheel onbelangrijk) wat zij hebben weggelaten, nagelaten, of zelfs verzwegen. Dat laatste aspect zal, met lange passages uit Steiners werk, ruime aandacht krijgen, ook uit belangrijke basiswerken van Steiner als Aus der Akasha-Chronik en Geheimwissenschaft. Juist daaruit zal blijken dat de uitspraken over rassen feilloos zijn in te passen in het grotere verband van de antroposofie en daarmee dat er wel degelijk sprake is van rassenleer. 

 

 

 

 

De criteria en de categorieën van de Commissie van Baarda

Ik zal hier de vraagstelling van de commissie weergeven:
a Bevat de antroposofie een rassenleer?
b Zijn er in het werk van Rudolf Steiner uitlatingen te vinden die erop duiden dat er sprake is van discriminatie naar ras?
c Zijn er in de werken van Nederlandse aanhangers van Rudolf Steiner elementen van rassendiscriminatie te vinden?[15]

De commissie heeft het begrip rassenleer als volgt gedefinieerd: ‘De betekenis van het woord ‘rassenleer’ is van belang. De commissie heeft zich genoodzaakt gezien zelf met een definitie te komen omdat de geraadpleegde bronnen niet eensluidend bleken te zijn. Van Dale’s woordenboek en Oosthoek Encyclopedie geven een etnisch beladen betekenis aan het woord, door te schrijven dat het om het beargumenteren van de vermeende superioriteit van het ene ras ten opzichte van het andere. Kramers woordenboek geeft een ethisch neutrale definitie, namelijk ‘het sterk doen uitkomen van de tegenstellingen tussen rassen’. Reeds in het interimrapport heeft de commissie op blz. 300 gesteld dat het gaat om een ‘schijnbaar wetenschappleijke theorie op grond waarvan de vermeende superioriteit van het ene ras wordt gelegitimeerd ten koste van andere rassen’. Daarmee sluit de commissie aan bij van Dale en de Oosthoek Encyclopedie.

Het verschil is niet alleen van theoretische lading. Gedurende de zeventiende en achttiende eeuw was het woord min of meer neutraal: er werd mede naar aanleiding van de ontdekkingsreizen-waarbij zeelieden thuiskwamen met spannende verhalen over mensen die er heel anders uitzagen dan in Europa- gezocht naar een verklaring waarom er überhaupt verschillende rassen op aarde te vinden zijn. Gedurende de tweede helft van de achttiende eeuw, de negentiende eeuw en uiteraard de eerste helft van de twintigste eeuw is de tweede betekenis van het woord ontstaan, waarbij discriminatoire en uitgesproken racistische tendensen de boventoon gingen voeren. Wie vervolgens kijkt naar de beschuldigingen die in de periode van ± 1984 tot  ± 1996 aan het adres van de antroposofie zijn geuit, ziet dat het woord consequent in de tweede betekenis wordt gebruikt. Bij de beantwoording van de hierboven vermelde vraag of er sprake is van rassenleer in de antroposofie, is de commissie dus uitgegaan van de tweeede, negatieve betekenis’.

Hier valt veel over te zeggen. De eerste definitie, van dat het ene ras per definitie superieur is aan het andere, is inderdaad de meest directe. Als daar sprake van zou zijn dan zou je de antroposofie rechttoe rechtaan lomp racisme kunnen aanwrijven. Laat ik nu al zeggen dat ik dat niet zonder meer doe, al heeft Steiner een aantal uitspraken gedaan, waarvan een aantal niet eens zijn opgenomen in het rapport (weggelaten dus) die aan dat criterium voldoen. Er zullen er een aantal passeren, zelfs een paar uit de meest belangrijke werken van Steiner die de commissie of over het hoofd heeft gezien, of niet heeft willen behandelen.

De andere definitie, die van het benadrukken van de ‘verschillen tussen rassen’ (uit Kramers woordenboek), zullen we veel vaker aantreffen. Het is dan ook jammer dat de commissie niet deze definitie heeft gehanteerd. Want al noemt de commissie deze neutraal, het toekennen van verschillende kwaliteiten, dus het opleggen van ‘sjablonen’ op mensenrassen is dat natuurlijk allerminst. Zo zou je kunnen zeggen: het blanke ras is in het denken het meest ontwikkeld, maar mist de diep menselijke en warme  kwaliteiten van het zwarte ras. De commissie stelt dit zelfs een keer bijna letterlijk en begeeft zich daarmee in het vaarwater van Hans Teeuwen, maar dan zonder ironie.[16] Dat is net zo goed racistisch, al is de verpakking wat anders. Of je zou kunnen stellen: ‘de indianen zijn een ras geweest met buitengewoon bijzondere kwaliteiten en zij hebben een grote betekenis gehad voor de spirituele missie van de gehele mensheid, maar nu hun taak is vervuld zijn zij gedoemd te verdwijnen. Hun zielen zullen toch incarneren als Europeanen, dus er is niets aan de hand. In de indianen van nu zijn slechts lagere zielen geïncarneerd en het ras zal spoedig verdwijen’. De laatste stelling, soms in de ene dan in de andere vorm, wordt min of meer verdedigd door Rudolf Steiner en keer op keer verkondigd door zijn volgelingen, tot op de dag van vandaag. Of een verhaal van ‘de Joden hebben door de eeuwen heen grote intellectuele prestaties geleverd en zijn sterk in reflecteren. Het Arische ras is echter meer scheppend en komt tot het verrichten van daden’. Ook dit verhaal zullen  we op verschillende manieren terugzien.

Dit zal allemaal duidelijk worden, maar het volstaat hier om te laten zien dat de commissie zich met haar criteria al indekt. En juist in die laatste definitie zittende meeste pijnpunten. Bram Moerland heeft het, zijn brochure ‘Rassenleer met charisma’ (1989) als volgt uitgelegd: ‘Wanneer ben je een racist? Als je iemand uitscheldt voor rotjood? Als je vindt dat Turken terug moeten naar Turkije? Ik zou dat het platvloerse racisme willen noemen. Over de platvloerse racisten, zoals Janmaat en Le Pen maak ik me maar betrekkelijk zorgen. Ik geloof, of hoop althans, dat wij het platvloerse racisme als samenleving wel aankunnen, al was het maar omdat het zo duidelijk herkenbaar is. Het is zichtbaar in zijn platheid. Heel anders wordt het als racisme zich verschuilt achter de banier van iets anders, iets moois, iets waar je als mens warm voor kunt lopen. Racisme met charisma, dat is pas echt gevaarlijk’.[17]

Los van of ik de antropsofie ‘gevaarlijk’ zou vinden (wat mij betreft eerder lachwekkend en soms reden tot enige ergernis, als ik zie hoe kritiekloos bepaalde volgelingen weglopen met alles wat Steiner heeft gezegd), kan ik me zeker vinden in deze woorden. Plat racisme is inderdaad het verklaren van de superioriteit van het ene ras boven het andere. Maar het racisme dat Moerland noemt, is een meer verkapte vorm van racisme, dat zich verschuilt achter een verheven en zelfs metafysische theorie. Alleszins de moeite waard om juist daarnaar te kijken. De commissie heeft dat tot op zekere hoogte ook gedaan, maar zij hebben nooit de conclusie durven trekken dat er misschien iets mis is met die zogenaamde verheven theoretische onderbouw.

Wellicht kan ik het bovenstaande het beste illustreren met een pregnant voorbeeld van Edward Said uit zijn werk Culture and Imperialism. Said citeert de door hem zeer bewonderde Britse schrijver Joseph Conrad, iemand die voor zijn tijd een uitzonderlijk scherp oog had voor de schaduwzijden van het imperialisme en kolonialisme, waarvan hij heeft getuigd in zijn beroemde novelle Heart of Darkness (1900). Maar zelfs iemand als Conrad ontkwam niet aan de waan van zijn eigen tijd, blijkens de door Said vaak aangehaalde passage: ‘The conquest of the earth, which mostly means the taking it away from those who have a different complexion or slightly flatter noses than ourselves, is not a pretty thing when you look into it too much. What redeems it is the idea only. An idea at the back of it; not a sentimental pretence but an idea; and an unselfish belief in the idea – something you can set up, and bow down before, and offer a sacrifice to’[18]. Dit komt enigszins in de buurt van Steiners beruchte passage uit Die Mission einzelner Volksseelen: ‘Wo die große Bewegung der Menschheit in Betracht kommt, da darf keine persönliche Sympathie und kein persönlicher Enthusiasmus mitspielen. Denn nicht darauf kommt es an, sondern darauf, was in den großen Gesetzen des Menschentums bedingt ist’.[19] Alleen gaat Steiner hier nog wel een stukje verder in  dan Conrad, zoals we later zullen zien. Bij Steiner is, om met Conrad te spreken het hebben van een iets plattere neus juist geen marginiaal verschil maar een teken aan de wand dat een ras niet bestemd is om over de aarde te heersen. Conrad kent een ras geen allesbepalende waarde toe. Sterker nog Conrad plaatst zijn vraagtekens bij het maken van wezenlijk onderscheid, zie: ‘…which mostly means the taking it away from those who have a different complexion or slightly flatter noses than ourselves, is not a pretty thing when you look into it too much’.  Steiner acht het raciale onderscheid wel van groot belang, ook als om leven en dood gaat. ‘Nicht etwa deshalb, weil es den Europäern gefallen hat, ist die indianische Bevölkerung ausgestorben, sondern weil die indianische Bevölkerung die Kräfte erwerben mußte, die sie zum Aussterben führten’, stelt hij in de vierde voordracht van Die mission einzelner Volksseelen.[20] Of zoals aardrijkskundeleraar Maarten Ploeger het stelde (eerder verschenen in ‘Jonas’, later opgenomen in de bundel Antroposofie ter discussie, 1985): ‘Met deze karakteristieken voor ogen kan Steiners uitspraak in de Volkszielen (vrij weergegeven): ‘De indianen moesten uitsterven en de kolonisten waren het uiteindelijke instrument’, in en juist daglicht worden gesteld. Het is allerminst een excuus voor het botvieren van de blanke moordcapaciteit; die schuld hebben wij hoe dan ook op ons geladen (evenmin kan de nog steeds voortgaande uitroeiing van de Amazone-indianen hiermee op welke wijze dan ook aanvaardbaar worden gemaakt). Zoals een ouder mens aan een op zichzelf niet zo dramatische ziekte licht kan bezwijken, zo betekende de confrontatie met de blanke expansiedrift voor de indianen meer dan een reeks ongelijke oorlogen. De indiaanse cultuur had à priori de bevattelijkheid om hieraan te gronde gaan (zie bijvoorbeeld de Wovoka-episode, uitmondend in de ‘zelfdestructie’ onder leiding van Sitting Bull bij Wounded Knee)’.[21] Het aardige is dat andere passages uit dit verhaal van Maarten Ploeger in het van Baarda-rapport instemmend worden geciteerd, ter onderbouwing van de stelling ‘géén sprake van rassenleer’. Dit zal ter sprake komen bij de bespreking van het begrip ‘wortelrassen’, in het inleidende gedeelte van ‘de Akasha-kroniek’. Overigens, over de overingens van Maarten Ploeger, Wounded Knee was geen kwestie van zelfdestructie want het was het Amerikaanse leger dat een ongewapende menigte van driehonderd Lakota executeerde en die groep stond ook niet onder leding van Sitting Bull, want die was daarvoor al vermoord. Bij leven was Sien medestander van Wovoka, die zich had opgeworpen als een nieuw religieus leider, maar dat voert wat ver om allemaal uit te leggen. Historisch klopt er dus al niets van, maar kennelijk is er in de ‘geesteswetenschap’ veel mogelijk.

De van Baarda commissie komt weer met een ander verhaal over meegebrachte ziektes door de Europeanen, waar de indianen massaal aan bezweken. Kun je meteen weer de vraag stellen of die ziektes een noodzakelijk kwaad waren om Steiners kosmische vonnis te voltrekken. De commissie verwijst naar de gezaghebbende studie van ‘Guns, germs and steel; the fates of human societies’ van J. Diamond, uit 1997. Ik denk alleen niet dat Steiner op de hoogte was van deze recente bevindingen, al was hij helderziend. Het verhaal van die ziektes was in die tijd slechts mondjesmaat bekend in Europa. En je kunt Steiner veel verwijten, maar niet dat hij veel kennis van zaken had wat betreft de indianen, ook dat zal duidelijk worden. Naar alle waarschijnlijkheid heeft hij slechts een beknopt en inmiddels gedateerd academisch handboekje uit die dagen geraadpleegd, maar de feiten zo omgebogen,en mijns inziens zelfs gemanipuleerd, tot ze in zijn kosmische theorie over mensenrassen pasten.[22]

De commissie heeft overigens Edward Said als bron aangehaald, maar dan vooral om aan te tonen hoe niet uniek Steiner in zijn opvattingen over andere mensenrassen was. Hij zou meevallen als je hem in zijn tijd plaatst, aldus de commissie. Mijns inziens zijn Steiners opvattingen inderdaad goed in de tijd te plaatsen maar echt meevallen doen ze zeker niet. Ook dit zal later aan de orde komen. Overigens is Edward Said helaas in 2003 overleden, maar ik denk dat hij lichtelijk verbaasd zou zijn geweest dat zijn ideeën zouden worden ingezet om Rudolf Steiner van racisme vrij te pleiten.

Ik zal de woorden van Steiner dus wegen naar beide categorieën, zoals bovenstaand door de commissie zijn aangegeven, maar leg dan wel de zogenaamde indekking van de commissie naast me neer. Ook zal ik er nog een categorie willen toevoegen, die van stereotypering naar ras. Deze is de commissie nadrukkelijk uit de weg gegaan, maar ik denk dat dit essentieel is. Want al beweert Steiner alles te kennen uit bovenzinnelijk waarneming, ik herken in zijn beschrijvingen van zwarten en indianen vooral de overbekende platte clichés, die er in de westerse wereld al lange tijd bestaan. Als je de esoterie wegpoetst blijkt het vaak allemaal nogal banaal te zijn.

Los van de definities heeft de commissie ook een groot aantal passages beoordeeld en gecategoriseerd. Het is van het belang om op te merken dat de beoordelingscriteria van de commissie juridisch waren. Zij hebben de uitspraken van Steiner getoetst aan de huidige Nederlandse anti-discriminatie wetgeving en het wetboek van strafrecht. De Commissie heeft dit gedaan omdat, naar eigen zeggen ‘dit de enige objectieve meetlat is’ om de omstreden uitspraken te kunnen wegen. Daar heb ik mijn twijfels over. Sinds wanneer worden historische of filosofische vraagstukken of discussiepunten beslecht in de rechtszaal?

Over de juridische kant zal ik me niet uitspreken, daar acht ik mij niet toe bevoegd (ik ben immers geen jurist). Wel heb ik mijn vraagtekens of het werk van Steiner langs een juridische meetlat zou moeten worden gelegd. Ik vind dit zelfs niet helemaal fair naar Rudolf Steiner, die onmogelijk rekening heeft kunnen houden met het Nederlandse strafrecht van 2000, al was hij dan nog zo ‘geesteswetenschappelijk onderlegd’. Rudolf Steiner staat wat mij betreft niet terecht voor wat hij gezegd of geschreven heeft. Een historische/filologische analyse had mij dus meer gepast geleken. Dat doet aan de ‘objectiviteit’ niets af, mits het goed gebeurt, maar dat geldt vanzelfsprekend ook voor een juridische methode. Bovendien is het strafrecht ook geen statisch gegeven of een soort natuurwet, zeker de laatste jaren is de Nederlandse antidiscriminatie wetgeving, voorzichtig uitgedrukt, nogal in beweging. Maar goed, het leek de bedoeling dat het rapport een bijdrage was tot waarheidsvinding en geen juridische verdedigingswal. Ik zal het dus ook zo behandelen, naar mijn beste kunnen en met gepast respect.

Dan nu de categorieën die de commissie hanteerde voor de onderzochte uitspraken van Rudolf Steiner, waarin hij zich uitsprak over ‘rassen’ (overgenomen uit de conclusies):
1 Citaten waarbij de inhoud of formulering van dien aard is dat er, indien ze door een hedendaagse auteur verkondigd zouden worden, sprake is van discriminatie van een zodanige ernst, dat er waarschijnlijk een strafbaar feit zou worden begaan (16 uitspraken, in het totale oeuvre van Steiner, waarvan geen uit Die Mission einzelner Volksseelen)
2 Citaten waarbij er: hetzij sprake is van een lichte vorm van discriminatie als gevolg van een tijdgebonden en gedateerde woordkeuze, hetzij geen sprake van discriminatie, maar waarbij er gemakkelijk het misverstand kan ontstaan dat er wél sprake is van discriminatie (…) een grondige kennis van de antroposofie is noodzakelijk om het betreffende citaat te kunnen duiden (de commissie rekende 66 citaten tot deze categorie, waarvan 10 citaten uit ‘Die Mission’).
3. Citaten waarbij geen sprake is van discriminatie (80 citaten die door de commissie zijn onderzocht en beoordeeld, waarvan 20 uit ‘Die Mission’)[23].

Het gaat dus om dertig citaten uit Die Mission. Laten wij deze citaten in de oorspronkelijke context. Het grootste gedeelte zal langskomen in de hier weergeven tekst van de vierde en de zesde voordracht. De citaten uit de vijfde voordracht zal ik later behandelen (zie ook een vorige bijdrage[24], waarin ik kort op citaat 107 ben ingegaan). Verder zullen er nog wat citaten afvallen die buiten de hier te bespreken voordrachten vallen. Deze staan allemaal in de derde categorie.  Het gaat nu om de besproken citaten uit de vierde en de zesde voordracht, die door de commissie tot de tweede categorie worden gerekend en tot de derde. De nummering van de Commissie zal ik in de tekst weergeven. Bijvoorbeeld, stel dat citaat nummer  7 passeert dan staat er aan het begin (cit. 7), dan de vet weergegeven tekst van het citaat en aan het eind (einde citaat 7). Mocht citaat 7 door de commissie tot bijvoorbeeld de derde categorie worden gerekend dan zal er aan het begin staan (cit. 7, cat. 3). Iedereen kan de op die manier de te bespreken citaten in de oorspronkelijke tekst terugvinden.[25] Overigens verloopt de nummering van de van Baarda-commissie chronologisch. Deze begint in het geval van Die Mission bij citaat 94 en eindigt bij citaat 118, met uitzondering van de citaten 9, 25, 165, 206 en 207, die ook uit Die Mission afkomstig zijn, maar de laatsten zullen niet relevant zijn voor deze bespreking ( 106 laat ik zitten en het ‘ontlastende citaat 107′ uit de vijfde voordracht zal aan bod komen, wanneer de algemene inleiding op Die Mission uit het rapport besproken wordt). Er zullen dus 23 citaten uit de vierde en de zesde voordracht passeren die de Commissie of tot de tweede categorie heeft gerekend (ogenschijnlijk sprake van discriminatie, maar uitsluitend te begrijpen in de context van de antroposofie als geheel, in totaal 10 citaten) of tot de derde categorie (geen sprake van discriminatie, in totaal 13 citaten). De tekst tussen de citaten zijn in deze weergave  zichtbaar, dus mocht er in de leemtes tussen de citaten nog wat interessants staan zal dat worden meegewogen.

Dit systeem lijkt nu nog wat ingewikkeld. Er zal echter blijken dat dit een veel praktischer en bovendien een veel inzichtelijker weergave is dan hoe de Commissie van Baarda deze passages in haar rapport heeft besproken. Zij hebben (grotendeels) alle passages over zwarte Afrikanen, Aziaten, Europeanen, enz. thematisch gerangschikt, niet in de oorspronkelijke samenhang van het betoog. Ik zal de chronologie van Steiners tekst intact laten, waardoor het verloop van het betoog en daarmee de context van een enkel citaat veel duidelijker wordt dan wanneer je die naar thematiek isoleert. Bovendien wordt dan ook duidelijk welke passages de commissie heeft laten liggen, of wat de leemtes zijn tussen de verschillende passages. De thematische bespreking van de van Baarda-commissie zal daarna aan de orde komen. Het zal zich vanzelf wijzen als we ermee aan het werk gaan.
  
Uit ‘Die Mission einzelner Volksseelen in zusammenhange mit der Germanisch-Nordischen Mythologie’, 1910 (GA 121)[26]

 

VIERTER VORTRAG

Rassenentwickelung und Kulturentwickelung[27]

http://www.anthroposophie.net/steiner/ga/bib_steiner_ga_121_04.htm

(cit. 94, cat. 3) ‘Will man zu dem Verhältnis der Menschenrassen zueinander vordringen, welche ja die Grundlage sind, aus welcher sich die einzelnen Volksgemeinschaften herausheben, dann muß man berücksichtigen, daß der Mensch, den wir vor uns haben, der wir selber sind, eigentlich ein recht kompliziertes Wesen ist und nur durch das Zusammenwirken vieler, vieler Wesenheiten des Weltalls in seiner heutigen Form und Wesenheit hat entstehen können (einde citaat 94[28]). Wir wissen ja aus der Betrachtung der «Akasha-Chronik» und aus anderen Betrachtungen, die über die Entwickelung des Menschen gepflogen worden sind, daß unsere Erde selbst früher – bevor sie den jetzigen Zustand erreicht hat – drei Zustände hat durchmachen müssen. Im Verlaufe dieser drei Zustände sind nach und nach veranlagt und bis zu ihrem heutigen Grade ausgebildet worden die drei sogenannten Glieder des Menschen: der physische Leib, der Äther- oder Lebensleib und der Astralleib. Während der jetzigen Erdenverkörperung ist erst der Mensch fähig geworden, ein viertes Glied, ein Ich in sich aufzunehmen. Diese vier Glieder seiner Wesenheit zeigen uns alles das, was durch die drei oder vier Verkörperungen unserer Erde hindurch geschehen ist, durch die Verkörperung als Saturn, Sonne, Mond und durch die Erdenzeit selbst, soweit sie bis jetzt verlaufen ist. Wenn Sie vorüberziehen lassen vor Ihrem Blick alle die Wesenheiten, die da zusammengewirkt haben, diese Geister des Willens oder Throne, die Geister der Weisheit, Geister der Bewegung, Geister der Form, Geister der Persönlichkeit, Erzengel, bis herunter zu den Engeln, und über den Geistern des Willens oder Thronen die Cherubime und Seraphime, so werden Sie sich sagen können, daß aus einem ganz komplizierten Zusammenwirken erst hervorgehen konnte, was des Menschen heutige Organisation möglich macht. Wir haben gesehen, daß nicht nur notwendig war, daß so viele Wesenheiten und Naturkräfte zusammenwirkten im Kosmos, sondern daß zum Zustandekommen des Menschen auch noch nötig war, daß zu gewissen Epochen gewisse Wesenheiten auf den normalen Gang ihrer Entwickelung verzichteten, zurückgebliehen sind, so daß sie in anderer Weise, als es bei ihrem normalen Entwickelungsgange möglich gewesen wäre, in die menschliche Organisation eingreifen konnten’.

In de vierde lezing begint Steiner met een uiteenzetting van de wezensdelen van de mens (fysiek lichaam, ether of levenslichaam en astraallichaam, of levenslichaam). Toch zijn er ook andere krachten die op de mensen inwerken. Hij komt met een heleboel begrippen. Het betreft hier vooral hogere geestesvormen dan de mens. Het gaat om Cherubijnen, Tronen, aartsengelen etc. Ook begint hij al uit te leggen dat de krachten van de planeten inwerken op de mens. Zoals hij zegt: ‘Wir haben gesehen daß so viele Wesenheiten und Naturkräfte zusammenwirkten im Kosmos, sondern daß zum Zustandekommen des Menschen auch noch nötig war, daß gewissen Epochen gewisse Wesentheiten auf der normalen Gang ihrer  Entwickelung verzichteten, zurückgeblieben sind, so daß sie in anderer Weise, als es bei ihrem normalen Entwickelungsgange möglich gewesen wäre, in die menschliche Organisation eingreifen konnten’.

‘Also wir sehen in ein wunderbar vielgestaltiges und mannigfaltiges Gewebe hinein, wenn wir den Menschen, so wie er uns heute vor Augen tritt, eigentlich verstehen wollen. Wir müssen uns auch klar sein darüber, daß wir nur dann, wenn wir gewissermaßen dieses Gewebe auseinanderhalten und die einzelnen Wesen in ihrer Tätigkeit belauschen, verstehen lernen, wie durch das Zusammenwirken dieser Wesenheiten der Mensch erst zustande gekommen ist. Da können wir nun sagen: Die hauptsächlichste Wesenheit, welche für den heutigen Menschen in Betracht kommt, ist diejenige, welche ihm die Möglichkeit gegeben hat, zu sich «Ich» zu sagen, nach und nach zu dem Bewußtsein des Ich zu kommen. Und wir wissen, daß diese Möglichkeit zuerst von den Geistern der Form, von denjenigen Wesenheiten gegeben worden ist, die wir Gewalten, Exusiai nennen. Wenn wir gerade diese Wesenheiten bei ihrer Tätigkeit, welche sie dem Menschen zuwenden, belauschen und uns gewissermaßen fragen: Wie würde es mit dem Menschen werden, wenn bloß diese Wesenheiten, und zwar nur diejenige Art dieser Wesenheiten, die in normaler Entwickelung sich befindet, in der Hauptsache im Menschen tätig wäre? – so werden wir finden: Sie sind die Verleiher der Ich-Organisation. Damit ist aber schon gesagt, daß sie eigentlich, wenn wir sie ihrer eigenen Natur nach betrachten, ihr Hauptinteresse daran haben, den Menschen zu seinem Ich zu bringen. Nun aber ist das, was diese Wesenheiten eigentlich im Menschen zu verrichten haben, im heutigen Menschenleben erst in einem bestimmten Lebensalter aktuell, tritt erst in einem bestimmten Lebensalter zutage’.

Wij zien dus dat in het proces van de verdichting van de mens, zoals hieronder te zien in het model van Poppelbaum, een heleboel krachten inwerken op dit proces. De macrokosmos werkt in op de microkosmos. Hermetischer kan bijna niet. Ook komt de werking van de planeten ter sprake, wat later relevant gaat worden.

Van belang is om te zien hoe volgens Steiner de mens uit vele factoren wordt samengesteld. Zoals we zullen zien is de mens dus niet te reduceren tot zijn ras, maar het ras is een belangrijke factor die (voor een bepaalde tijd) grote invloed op de mens heeft gehad en dat ook nu nog heeft (zullen we ook zien, al zal dat in de toekomst veranderen).

Het lijkt dus een chaotische mix van verschillende elementen. Er zijn ook storende krachten aanwezig. Wij zullen zien dat het deze storende krachten zijn (door Steiner dus als negatief gekwalificeerd) die ervoor zorgen dat de mensheid in vier of vijf rassen uiteen valt. Vervolgens komt Steiner met een uitgebreide uiteenzetting over de levensfases van de mens. Deze wordt bepaald door de werking van de Geesten van de Vorm (Geistern der Forum). Deze krachten organiseren ook het ‘ik’ bewustzijn van de mens (in een van zijn hoofdwerken, ‘Theosofie’, behandelt Steiner deze krachten veel uitvoeriger). Het leven van de mens is verdeeld in vier leeftijdsfases:

de fase van het kind (0-7)

de fase van de jeugd (7-14 en 14-21)

de fase van de volwassenheid (21-42)

de fase van de ouderdom (42+)

Fig. 1 Evolutiemodel Hermann Poppelbaum

Wij zullen zien dat deze indeling van groot belang is voor de zogenaamde Rassenspaltung (het uiteenvallen van de mensheid in rassen), veroorzaakt door de ‘abnormale geesten van de vorm’.

Steiner legt ook een verband met deze geesten van de vorm en de aarde evolutie (zie model Poppelbaum). In feite is de levensloop van de mens een microkosmische afspiegeling van de aarde-evolutie (zo boven, zo beneden). Ik zal dit met een uitgebreid citaat illustreren:

‘Wenn Sie sich an das erinnern, was über die Erziehung des Kindes vom Standpunkte der Geisteswissenschaft gesagt worden ist, so werden Sie sich sagen: Der Mensch entwickelt hauptsächlich zwischen seiner physischen Geburt und dem Zahnwechsel, also bis zum siebenten Jahre hin, den physischen Leib. An der Entwickelung dieses physischen Leibes haben diese Gei-ster der Form gar kein besonderes Interesse, denn diese ist im Grunde genommen eine Wiederholung dessen, was auf dem alten Saturn mit dem Menschen geschah, was sich schon oftmals wiederholt hat, und was sich nach der letzten physischen Geburt bis zum siebenten Lebensjahre vorläufig zum letzten Male in einer besonderen Art wiederholt hat. Dann kommt die Zeit vom siebenten bis zum vierzehnten Jahre, also bis zur Geschlechtsreife. Auch das ist eine Zeit, an der die Geister der Form kein besonderes Interesse haben; es ist eine Wiederholung der alten Sonnenzeit, und die Geister der Form wollten eigentlich mit ihrer Haupttätigkeit, mit der Verleihung des Ich, erst im Zustande des Erdenlebens eingreifen. Wir kommen dann zu dem dritten Lebensalter, das zwischen dem fünfzehnten und dem ein- oder zweiundzwanzigsten Lebensjahre abläuft. In dieser Zeit wird der Astralleib, der in normaler Weise der Mondentwickelung zugehört, wiederholentlich entwickelt im Menschen. Da haben die Geister der Form, die sich normal entwickeln, noch immer kein Interesse am Menschen, so daß wir sagen müssen: Die drei Lebensalter des Menschen, die der eigentlichen Geburt des Ich vorangehen, die erst um das zwanzigste Jahr herum eintritt, bieten kein unmittelbares Interesse für die Geister der Form. Sie greifen – man möchte sagen, aus ihrer eigenen Natur heraus – erst um das zwanzigste Lebensjahr herum ein, so daß, wenn Sie das bedenken, Sie es nicht mehr so ganz sonderbar finden werden, wenn gesagt wird: Nach der eigentlichen Intention der Geister der Form würde der Mensch erst in dem Zustande, in welchem er sich um das zwanzigste Lebensjahr herum befindet, das zu sein brauchen. Das, was sich im Menschen bis dahin entwickelt, ist im Grunde genommen für diese Geister der Form eine Art Embryonal-, eine Art Keimzustand. Und wenn ich etwas bildlich sprechen darf, so möchte ich sagen: Den Geistern der Form, welche sich normal entwickelt haben, wäre es am liebsten, wenn alles mit einer gewissen Regelmäßigkeit herginge, wenn ihnen bis dahin niemand ins Handwerk pfuschte. Wenn niemand diesen Geistern der Form bis zum zwanzigsten Jahre dazwischen käme, so würde der Mensch während der ersten sieben Jahre der Entwickelung das Bewußtsein haben, das dem physischen Leibe zukommt; das ist nämlich ein sehr dumpfes Bewußtsein, wie es die Mineralwelt hat. Im zweiten Stadium – in der Zeit vom siebenten bis zum vierzehnten Jahre – würde er ein Schlafbewußtsein haben. Vom vierzehnten bis zwanzigsten Jahre würde er in intensiver Weise im Inneren wirksam sein, aber eine Art von Traumdasein führen. Nach diesem Bewußtsein als Mondenwesenheit, etwa im einundzwanzigsten Jahre, würde der Mensch erst eigentlich erwachen. Da würde er erst zu dem Ichbewußtsein kommen. Wenn es nach der normalen Entwickelung ginge, dann würde er da erst aus sich herausgehen und die Außenwelt in dem Weltbilde überblicken, das heute unser bekanntes Weltbild ist’.

Om dit alles te begrijpen is wellicht ook het onderstaande door Steiner getekende figuurtje noodzakelijk. Het gaat hier om de afdalende en opklimmende lijn. Rond het 20e/21e levensjaar is de indaling volledig en na het 40e levensjaar gaat de lijn weer omhoog. Dus vanaf de fase 0-20 is er sprake van involutie van geestelijke krachten, na het 40e/42e levensjaar sprake van evolutie (althans de geestelijke krachten stijgen weer op, weg van het fysieke). Maar dan zijn er de storende krachten, die de harmonieuze ontwikkeling belemmeren. Deze door de abnormale geesten van de vorm aangestuurde krachten hebben zich genesteld op vier plaatsen op aarde. De eerste midden in Afrika, de tweede in Oost Azië, de derde in hartje Europa en de vierde in Amerika. Deze door de abnormale geesten van de vorm aangestuurde krachtpunten zorgen voor het ontstaan van de vier hoofdrassen.

Maar goed, duidelijk is dat de menselijke levensloop een microkosmos is van de evolutie, met alle bijbehorende hiërarchieën. Het materiële streeft naar boven, terwijl het geestelijke naar beneden streeft. Beide ontmoeten elkaar rond het twintigste levensjaar. Beide lijnen lopen weer uit elkaar na het veertigste levensjaar. Zoals alle patronen zich in alles herhalen, zo herhaalt dit model zichook in de manifestatie van de verschillende rassen. Toch voltrekt deze ontwikkeling zich niet strikt cyclisch; zij kent wel degelijk een ontwikkeling. Steiner:

‘So also sehen Sie, daß im Grunde genommen, wenn wir nur die Tätigkeit der Geister der Form in Betracht ziehen, der Mensch sehr verfrüht zu seinem Bewußtsein kommt, wie er es heute hat, denn Sie wissen, daß dieses Bewußtsein beim heutigen Menschen in gewissem Grade bald nach der physischen Geburt erwacht. Es würde nicht in der Form erwachen, daß es klar und deutlich die physische Außenwelt sieht, wenn nicht andere Geister, die eigentlich Geister der Bewegung sind, zurückgeblieben wären und verzichtet hätten auf die Entwickelung gewisser Fähigkeiten, die sie bis zur Erdenentwickelung hätten erlangen können, wenn Sie nicht stehengeblieben wären in ihrer Entwickelung, so daß sie jetzt während der Erdenentwickelung in die Entwickelung des Menschen in besonderer Weise eingreifen können. Weil sie ihre Entwickelung in einer anderen Weise durchgemacht haben, sind sie in der Lage, dem Menschen schon früher das beizubringen, was er erst um das zwanzigste Jahr herum erringen sollte. So also sind das geistige Wesenheiten, welche verzichtet haben auf die Möglichkeit, ihre Entwickelung bis zur Erdenentwickelung in normaler Weise weiterzutreiben, geistige Wesenheiten, die während der Erdenentwickelung Geister der Bewegung hätten sein können, die aber stehen geblieben sind auf der Stufe der Geister der Form und die nun in der Erdenentwickelung als Geister der Form wirken. So können sie während der Erdenentwickelung dem Menschen, der eigentlich noch gar nicht reif ist dazu und der manches aus der früheren Zeit noch nachzuholen hat, das verleihen, was die normale Entwickelungsform erst um das zwanzigste Jahr herum verleihen würde. So tritt der Mensch in das Dasein und erhält von den abnormen Geistern der Form Fähigkeiten, die er sonst erst um das zwanzigste Jahr herum erhalten würde.

Das alles hat ganz bedeutsame Folgen. Denken Sie sich einmal, es wäre nicht so. Wenn es nicht so wäre, wenn diese Geister mit abnormer Entwickelung nicht eingreifen würden, dann würde der Mensch überhaupt erst für die physische Welt in Betracht kommen in dem Zustande, den er um das zwanzigste Jahr herum hat, das heißt, er müßte in diesem Zustande als physisches Wesen geboren werden, er müßte ganz andere Keimzustände durchmachen. In der Tat wird durch diese abnormen Geister der Form die menschliche Entwickelung schon von der Geburt an bis zum zwanzigsten Jahre in die physische Welt hinausgestellt; das ist ungefähr das erste Drittel unseres Erdenlebens. Wir müssen also sagen: Das erste Drittel unseres Erdenlebens wird nicht durch die den Erdenzustand beherrschenden geistigen Wesenheiten, sondern durch andere, abnorme geistige Wesenheiten regiert, und weil diese teilnehmen an der Entwickelung, so haben wir Menschen auch nicht die Gestalt, die wir hätten, wenn wir in dem Zustande geboren würden, den wir um das zwanzigste Jahr herum haben. Das muß der Mensch damit bezahlen, daß er ein Drittel seines Lebens – die Zeit bis zu seinem zwanzigsten Jahre hin – so zubringt, daß er dem großen Einfluß dieser abnormen Wesenheiten hingegeben ist. Sein ganzes Wachstum macht der Mensch eigentlich unter den Einflüssen der abnormen Wesenheiten durch. Er muß es dadurch bezahlen, daß, nachdem das mittlere Drittel abgelaufen ist – das im Grunde nur den normalen Geistern der Form gehört -, die absteigende Bahn, ein Zurückgehen beginnt, und seine Äther- und Astralorganisation zerfallen, so daß das Leben in drei Glieder oder Abteilungen zerfällt: in ein aufsteigendes, ein mittleres und ein absteigendes Drittel. In dem mittleren Teil wird der Mensch während seines Erdenlebens eigentlich erst Mensch, und im letzten Drittel muß er das zurückgeben, was er während des ersten, aufsteigenden Drittels empfangen hat, muß er die entsprechende Abschlagszahlung leisten.

Wäre der Mensch in der Tat ausschließlich den Einflüssen der normalen Geister der Form hingegeben gewesen, dann würde alles das, was heute bis ins zwanzigste Jahr hinein geschieht, ein ganz anderes Antlitz, eine ganz andere Gestalt haben. Es wäre alles ganz anders verlaufen, so daß alles das, was mit des Menschen heutiger Entwickelung zusammenhängt in der ersten der drei Lebensepochen, im Grunde genommen ein Dasein ist, das vieles von den späteren Lebensepochen vorausnimmt. Dadurch ist der Mensch bis zu der zweiten Epoche seines Lebens ein materielleres Wesen geworden, als er sonst geworden wäre. Der Mensch hätte sonst bis zu diesem Momente seines Lebens nur geistige Zustände durchgemacht und würde bis zur jetzigen materiellen Verdichtung erst herabgestiegen sein in dem Zeitpunkte der Entwickelung, den er erst im zwanzigsten oder einundzwanzigsten Lebensjahre durchmacht, wo er sich selber an die Erde gebunden vorfände. Es sagt uns also die Geisteswissenschaft, daß, wenn diese Entwickelung so vorwärts gegangen wäre, der Mensch erst in dem Zustande so recht eigentlich auf die Erde herabgestiegen wäre, den er heute im zwanzigsten oder einundzwanzigsten Lebensjahre erreicht; er würde die vorangehenden Zustände nicht auf der Erde haben durchmachen können. Er hätte sie erhöht über der Erde, im Umkreis der Erde durchmachen müssen. Und jetzt begreifen Sie den ganzen Gang der menschlichen Kindheit und Jugendentwickelung. Wir können sehen, wenn wir diese gerade Linie B – C als Erdenweg bezeichnen, so wären es die Geister der Form, die den Menschen dazu bestimmt hätten, herunterzusteigen erst in diesem Punkte (20/21 der Zeichnung). Hier würde der Mensch also erst die Erde erreicht haben, und er würde wieder hinaufsteigen nach dem vierzigsten Jahre und das letzte Drittel seines Lebens in einem vergeistigten Zustande durchmachen. Durch die abnormen Wesenheiten wurde der Mensch gedrängt, schon hier (bei A der Zeichnung) herabzusteigen und das Leben auf der Erde aufzunehmen. Das ist das Geheimnis unseres Daseins. (cit. 95, cat. 3) So sehen wir, daß wir durch die uns eigentlich dirigierenden normalen Wesenheiten nur in dem mittleren Drittel unseres Lebens ganz beherrscht sind, während unsere Wachstums- und unsere Niedergangsperiode unter dem Einfluß ganz anderer Wesenheiten stehen, die in irgendeiner Weise auf ihre normale Entwickelung verzichtet haben.

Wenn das alles so geworden wäre, wie es nicht geworden ist, wenn der Mensch erhöht im Umkreis der Erde das erste und dritte Drittel seines Lebens durchgemacht und nur im mittleren Teile die Erde berührt hätte, also im Grunde genommen ein ganz anderes Wesen geworden wäre, dann würde der Mensch nicht in dem Grade an die Erde gebunden sein, in dem er tatsächlich heute an dieselbe gebunden ist. Wenn das eingetreten wäre, dann würden alle Menschen, welche die Erde betreten, von gleicher Gestalt und Wesenheit sein; dann würden alle Menschen, die über die Erde hingegangen sind, gleichgestaltet gewesen sein. Eine Menschheit gäbe es nur. Dasjenige, was uns zu einem solchen Wesen macht, daß sich daraus die spezifischen Eigenschaften der Rassen ergeben, die im Menschentum zum Ausdruck kommen, das ist nicht im mittleren Drittel des Lebens enthalten. Durch alles das, was in der Zeit vorher liegt, was im ersten Drittel des Lebens sich vollzieht, sind wir mehr mit allen unseren Kräften an die Erde gebunden, als es die normalen Geister der Form für

Fig. 2 Involutie/evolutie model van de levensloop van de mens

uns bestimmt haben. Dadurch aber ist der Mensch mehr von der Erde, auf der er lebt, abhängig geworden, als er es sonst geworden wäre. Er ist abhängig geworden von dem Orte der Erde, auf dem er lebt. Dadurch, daß der Mensch – sozusagen gegen die Intentionen der Geister der Form – früher auf die Erde heruntersteigt, wird er abhängig von dem Orte, weil er sich in einem Zustande mit der Erde verbindet, der ihm gar nicht vorgezeichnet ist. Unabhängig wäre der Mensch geworden davon, ob er im Norden oder Süden, im Osten oder Westen die Erde betreten hätte, wenn er sie nur im mittleren Drittel seines Lebens betreten hätte. Dadurch aber, daß er abhängig wird von der Erde, dadurch, daß er eine Jugend durchmacht in der Weise, wie wir es charakterisiert haben, wird er erdgebunden, wird er ein mit dem Gebiete, auf dem er geboren ist, zusammenhängendes, zu ihm gehörendes Wesen. Dadurch wird er abhängig von all den Verhältnissen der Erde, die diesem Orte zugehören, von dem Einfallen der Sonnenstrahlen, von dem Umstand, ob die Gegend nahe dem Äquator in der heißen Zone oder in einem mehr gemäßigten Gebiete sich befindet, ob er auf einem niedrig gelegenen Gebiet oder auf einem Hochplateau geboren ist. Man atmet ja ganz verschiedenartig in der Ebene oder im Gebirge. Der Mensch wird also ganz abhängig von den irdischen Verhältnissen, von dem Ort, an dem er geboren ist. So sehen wir, daß der Mensch förmlich mit seiner Erdenmutter zusammengewachsen ist dadurch, daß er so eng zusammenhängt mit dem Orte, mit dem Gebiete der Erde, auf dem er jeweils geboren wird, und daß er bestimmt wird durch diejenigen Eigenschaften, die er dadurch erhält, daß diese Kräfte der Erde, die durch den betreffenden Ort bestimmt sind, in ihm wirken. Das alles bestimmt seinen Rassencharakter, und auf diesem Umwege sind die abnormen Geister der Form – diejenigen Geister der Form oder Gewalten, die zu einer anderen Zeit als zwischen dem einundzwanzigsten bis dreiundvierzigsten Jahre dem Menschen das geben, was wir heutiges Erdenbewußtsein nennen – die Verursacher der Rassenverschiedenheit des Menschen über die ganze Erde hin, die also von dem Orte auf der Erde abhängt, auf dem der Mensch geboren wird. (einde citaat 95) 

(cit. 96, cat. 3) Nun erlangt der Mensch während dieser Zeit – die also im Grunde genommen unter der Herrschaft der abnormen Geister der Form steht – auch die Möglichkeit, die Fähigkeit, seinesgleichen hervorzubringen. Auch diese Fähigkeit wird während der Zeit erworben, in welcher der Mensch gar nicht rein von den normalen Geistern der Form dirigiert wird. Dadurch ist die Möglichkeit gegeben, daß der Mensch nicht nur in der geschilderten Weise abhängig wird von dem Orte, auf dem er geboren ist, sondern daß die Eigenschaften, die er dadurch erhält, auch auf seine Nachkommen vererbt werden können, daß also die Rassenzusammengehörigkeit nicht nur sich ausspricht in den Einflüssen des Wohnplatzes, sondern auch in dem, was durch die Rasse vererbt ist. Darin haben Sie die Erklärung dafür, warum die Rasse dasjenige ist, was vererbbar ist, und wir werden verstehen, was die Geisteswissenschaft zeigt: daß nur in der Vergangenheit die Rassenmerkmale durch den Ort hervorgebracht sind, an dem die Menschen geboren wurden. Das war in der letzten lemurischen und in der ersten atlantischen Zeit der Fall, als der Mensch direkt von der irdischen Umgebung abhängig war. In späterer Zeit beginnt die Rasse den Charakter zu haben, daß sie an die Vererbung gebunden ist und nicht mehr an den Ort. So sehen wir in der Rasse etwas, was ursprünglich an einen bestimmten Ort der Erde gebunden war und das sich dann in der Menschheit durch die Vererbung fortpflanzte, aber vom Orte immer unabhängiger wurde (einde citaat 96).

(cit. 97, cat. 3) Aus dem, was ich jetzt gesagt habe, werden Sie erkennen, in welchem Zeiträume der Evolution es erst einen Sinn hat, von dem Rassenbegriff zu sprechen. Es hat keinen Sinn – im eigentlichen Sinne des Wortes -, vor der lemurischen Zeit von einem Rassenbegriff zu sprechen, denn in dieser Zeit steigt der Mensch erst auf die Erde herab. Vorher war er im Umkreis der Erde; dann kam er auf die Erde, und es vererbten sich die Rassenmerkmale in der atlantischen Zeit und bis herein in unsere nachatlantische Epoche. Wir werden sehen, wie in unserer Zeit die Volksmerkmale das sind, was die Rassencharaktere wieder auseinander bringt, was sie wieder auszulöschen beginnt. Das alles werden wir noch später sehen. Wir müssen uns jetzt nur hüten, die Welt so zu betrachten, als ob die Evolution nur wie ein Rad wäre, das anfangs- und endlos um sich herumrollte; die Vorstellung von dem rollenden Rad, die in mancher mystischen Weltanschauung so breit ausgeführt wird, bringt eine furchtbare Verwirrung in den Begriff der eigentlichen Menschheitsevolution. Wenn man sich den Vorgang so vorstellt, daß sich alles sozusagen wie um ein bleibendes Zentrum herum bewegt, wobei es in soundsoviele Rassen gegliedert ist, dann hat man eigentlich keinen Begriff davon, daß alles sich in Entwickelung befindet, und daß auch die Rassen sich entwickeln. Die Rassen sind entstanden und werden einmal vergehen, werden einmal nicht mehr da sein. Sie wiederholen sich nicht etwa immer in der gleichen Art, wie es bei Sinnett falsch im «Esoterischen Buddhismus» dargestellt wird. In der alten lemurischen Zeit müssen wir das Aufgehen der Rassenmerkmale, der Rasseneigentümlichkeiten suchen; wir müssen dann deren Sich-Fortpflanzen bis in unsere Zeit verfolgen, müssen uns dabei aber klar sein, daß, wenn unsere gegenwärtige fünfte Entwickelungsepoche von der sechsten und siebenten abgelöst wird, keine Rede mehr sein kann von einem Zustande, den wir als Rasse werden bezeichnen können. (einde citaat 97) Wenn wir uns diese Entwickelung aber so vorstellen, als ob sie immer nur gleichmäßig so fortrollte, dann haben wir nur eine Art Mühlrad im Kopfe, sind aber weit entfernt von dem Verständnisse dessen, was in der Welt wirklich vor sich geht’.

Bovenstaand zegt Steiner iets cruciaals: ‘In der alten lemurischen Zeit müssen wir das Aufgehen der Rassenmerkmale, der Rasseneigentümlichkeiten suchen; wir müssen dann deren Sich-Fortpflanzen bis in unsere Zeit verfolgen, müssen uns dabei aber klar sein, daß, wenn unsere gegenwärtige fünfte Entwickelungsepoche von der sechsten und siebenten abgelöst wird, keine Rede mehr sein kann von einem Zustande, den wir als Rasse werden bezeichnen können’.  Hij zegt dat in de oude Lemurische tijd, dus in een veel eerder ontwikkelingsstadium van de mens (een nauwkeurige toelichting volgt bij de bespreking van de Akasha-kroniek), de rassen op verschillende punten op aarde zijn ontstaan. De raskenmerken worden tot op heden overgeerfd. Maar als ons huidige tijdperk (het vijfde) wordt afgelost door het zesde en het zevende, zou er geen reden meer zijn om van ‘rassen’ te spreken. Dit is essentiële informatie. Veel antroposofen die voor Steiner in de bres zijn gesprongen, komen vaak met het argument dat de rasverschillen in het verleden een rol speelden, maar dat de betekenis daarvan zou zijn uitgewerkt. Bijvoorbeeld Dieter Brüll in zijn roemruchte artikel De Nieuwe Reactionairen, waarin hij zich niet zozeer met Steiner zelf bezighoudt, maar meer met de verdediging van de zeer omstreden antroposoof Sigismund von Gleich tegen de kritiek van historicus Gjalt Zondergeld: ‘Omdat de duvel met Zondergeld speelt, heeft hij precies de verkeerde ‘racist’ te pakken. Zeker, hij werkte Steiners ‘rassenleer’ uit voor de voor-Christelijke tijd (daarna hebben in de zienswijze van Steiner rassenverschillen hun betekenis verloren). Maar hij was juist een fervente Nazi-bestrijder van het eerste uur, die nimmer een steekje heeft laten vallen’.[29] Dit is alles wat Brüll over deze kwestie te zeggen heeft. Het lijkt mij een beetje mager voor een verdediging van Rudolf Steiner en bovendien is het ook nog incorrect.

Wie ook de plank misslaat is Willem Frederik Veltman: ‘Dit proces van ‘overwinning van het raselement’ kwam op gang met het doorbreken van de afzondering tussen de continenten als Afrika en Amerika gedurende duizenden jaren hadden geleefd. Vanuit Europa vonden de zogenaamde ontdekkingsreizen plaats, die pas de confrontatie van verschillende rassen mogelijk maakten, maar die tevens het tijdperk inluidden waarin de rassenonderscheiden moeten worden overwonnen’.[30]

Ook dit klopt niet. Hoe zit het dan wel? Hiervoor moeten wij kijken naar de ‘antroposofische tijdrekening. Steiner spreekt hier van de Lemurische tijd. Dat is het derde tijdperk (Entwickelungs-epoche) van de aarde -evolutie. Wij leven nu in het vijfde tijdperk. Het is een ingewikkelde rekensom (niet ieder tijdperk duurt even lang[31]), maar het komt erop neer dat ons tijdperk verdeeld is in zeven ‘Epochen’ van precies 2160 jaar. Ons tijdperk is begonnen in 1413 (vijfde). Het loop dus af over 4320 jaar. Als Steiner zegt: ‘wenn unsere gegenwärtige fünfte Entwickelungsepoche von der sechsten und siebenten abgelöst wird’, dan begint die fase pas op z’n vroegst over 7893 jaar, dus aan het eind van het negende millennium na Christus. Laten we kijken wat Helmut Zander hierover te zeggen heeft:

‘Rassen seien ein Intermezzo der Menschheitsgeschichte. »Die Rassen sind entstanden und werden einmal vergehen, werden einmal nicht mehr da sein.« (GA 121,76 [1910]) Erneut artikulierte Steiner sein antimaterialistisches Leitmotiv, aber bei näherem Hinsehen bleibt dies ein gänzlich unpolitisches Argument. Die Rassenentstehung, die erst in der lemurischen Zeit begonnen habe, werde in der sechsten und siebten »Entwickelungsepoche« verschwinden (ebd.), das heißt: frühestens ungefähr im 9. Jahrtausend. Für eine politische Erledigung der Rassenfrage und für die Geltung von Steiners Rassentheorien ist dies eine lange, eine zu lange Zeit. Daß die Vielfalt von Völkern und Rassen ein Reichtum der Pluralität sein könnte, tritt im übrigen nicht in Steiners Blickfeld’.[32]

Conclusie, Zander heeft gelijk. Zijn berekening is zelfs enigszins optimistisch (want volgens mijn berekening zit je zelfs aan het aan het eind van het tiende millennium na Ch., dus in het jaar 9902 ).  Brüll (voor-Christelijke jaartelling) en Veltman (grote ontdekkingsreizen vanaf eind vijftiende eeuw) zitten er echter ruimschoots naast. Hier zal later nog uitvoerig op worden teruggekomen.

‘Wir sehen also, wie die Rassenentwickelung erst beginnt in der lemurischen Zeit durch das Hineinwirken der abnormen Geister der Form. Da lassen diese Geister die Kräfte unseres Erdenplaneten eingreifen an dem Orte, wo der Mensch seine erste Lebenszeit zu verbringen hat, und das überträgt sich in gewisser Weise auch wieder auf das spätere Leben, weil der Mensch ein Gedächtnis hat, durch das er sich erinnert an die eigentlich abnormerweise vor dem einundzwanzigsten Jahre auf der Erde zugebrachte Zeit auch in dem späteren Leben. Der Mensch würde ein ganz anderes Wesen sein, wenn nur die normalen Geister der Form wirkten. Durch die abnormen Geister der Form ist der Mensch abhängig von dem Punkte der Erde, auf dem er lebt. Die Abweichung von den Gesetzen der normalen Geister der Form ist auf die eben geschilderte Weise entstanden, so daß bedeutsam wurde für den Menschen der Punkt der Erde, auf dem er in einer bestimmten Verkörperung lebt.

(cit. 98, cat. 3) Wir werden diese Verhältnisse noch genauer begreifen durch die folgende Betrachtung. Da können wir in gewisser Weise angeben, wie der Untergrund, der Bodengrund, sein Wesen nach oben strahlt und die menschliche Organisation durchdringt, so daß der Mensch abhängig wird von diesem Erdenuntergrund. In dieser Beziehung können wir also bestimmte Punkte der Erde angeben, die mit der menschlichen Wesenheit entwickelungs-geschichtlich zusammenhängen. Wir werden auf diese Verhältnisse noch genauer eingehen. Ich will sie jetzt in abstracto charakterisieren. (einde citaat 98)

Het uiteenvallen van in de verschillende mensenrassen door de werking van de abnormale geesten van de vorm heeft ertoe geleid dat er een differentiëring is opgetreden in verschillende groepen mensen op diverse plaatsen van de aarde. Deze ‘misvorming’ heeft ertoe geleid dat in Afrika de accenten van het kind zich manifesteren, in Azië die van een puber, in Europa die van de volwassenheid en die in Amerika van de ouderdom. Ik zeg hier nadrukkelijk bij dat het hier om een deelaspect gaat, geaccentueerd door de abnormale geesten van de vorm, niet om de mens als geheel. De mens wordt door meer factoren bepaald, waarvan dit er eentje is.

De commissie heeft het als volgt geformuleerd: ‘NB Als we Steiners geesteswetenschappelijk onderzoek serieus nemen, zijn de hierna volgende ‘ontwikkelingshistorische’ kenmerken van verschillende rassen, dat wil zeggen de leeftijdskenmerken, geen subjectieve conclusies, maar bovenzintuiglijke wetmatigheden (zie ook citaat 102). Met andere woorden, voor Steiner waren dit geen vermeende karaktereigenschappen van rassen, maar bovenzinnelijke feiten. De aardse krachten die de eigenschappen van een ras bepaalden, waren voor hem geen theorie; zij werden door hem reëel waargenomen. Voor iemand die deze krachten niet bovenzintuiglijk kan waarnemen, kunnen het hooguit veronderstellingen en werkhypothesen zijn’. (Het lijkt mij eerlijk gezegd waarschijnlijker dat deze voorstelling een product was van Steiners eigen racistische vooroordelen, al heeft hij er een geraffineerd schema voor bedacht waarin ieder ras zijn plaats krijgt, FS).

‘In de hierna volgende uitspraken wordt dus in wezen geen uiterlijke beschrijving van die rassen gegeven, maar worden de krachten gekarakteriseerd die aan de vorming van die rassen ten grondslag lagen. In de onstaanstijd waren die krachten allesbepaaldend; in onze tijd worden ze teruggedrongen door de overheersende invloeden van cultuur en individualiteit.

Zoals uit citaat 96 blijkt, werkten de leeftijdskenmerkende krachten vanuit de aarde op de mensheid in tijdens het laatste deel van Lemurië en het eerste deel van Atlantis. Daarna worden deze eigenschappen door de erfelijkheid doorgegeven’.

Mijn commentaar is: volgens Steiner waren de ‘raskenmerken’ tot zeer recent nog een belangrijke factor van betekenis. Dit blijkt uit Steiners opmerkingen over de indianen, die vooral gaan over de situatie in de negentiende eeuw, zoals snel zal blijken.

Het is een keer buitengewoon lomp, maar niet incorrect geformuleerd door Maarten Ploeger in het boekje ‘Antroposofie ter discussie’:

‘We lichten er hier drie van de vijf rassen uit: negers, blanken en indianen. Want vooral de passages uit ‘De Volkszielen’ die hiernaar verwijzen, blijken vaak op onbegrip te stuiten. Het negerras beheerst bij uitstek de psychische vermogens van het heel jonge kind. Het blanke ras die van de middelbare leeftijd. Het indiaanse ras sluit de rij met de ouderdom. Let wel: niet de neger is een kind, maar de mens met een lichamelijk instrument dat ontleend is aan het zwarte ras, heeft innerlijke mogelijkheden die we kunnen begrijpen als we kijken naar het karakteristieke van de leeftijdsfase tot het zevende jaar’.[33] Zoals Steiner het omschrijft:

Fig. 2: ‘eine merkwürdig verlaufende Linie’

(cit. 99, cat. 2) ‘Da haben Sie zum Beispiel (siehe Figur) einen Punkt, der im Innern von Afrika liegt. An diesem Punkte wirken gleichsam von der Erde ausstrahlend alle diejenigen Kräfte, welche den Menschen namentlich während seiner ersten Kindheitszeit ergreifen können. Später wird der Einfluß solcher Kräfte auf den Menschen geringer; er ist dann diesen Kräften weniger ausgesetzt, aber sie prägen sich ihm mit dem, was aus ihnen kommt, doch in der stärksten Weise auf. So also wirkt jener Punkt auf der Erde, auf dem der Mensch lebt, am allerstärksten in der ersten Kindheitszeit und bestimmt dadurch diejenigen Menschen, die ganz abhängig sind von diesen Kräften, ihr ganzes Leben hindurch so, daß jener Punkt ihnen die ersten Kindheitsmerkmale bleibend aufprägt. Das ist ungefähr eine Charakteristik aller derjenigen Menschen – in bezug auf ihren Rassencharakter -, die sozusagen um diesen Erdenpunkt herum die bestimmenden Kräfte aus der Erde heraus erhalten. Das, was wir schwarze Rasse nennen, ist im wesentlichen durch diese Eigenschaften bedingt. (einde citaat 99)

(cit. 100, cat. 2) Wenn Sie nun weiter nach Asien hinübergehen, da haben Sie einen Punkt auf der Erdoberfläche, wo die späteren Jugendmerkmale dem Menschen aus den Erdenkräften heraus bleibend aufgedrückt werden, wo das, was die besonderen Eigenschaften des späteren Jugendzeitalters sind, aus der Erdenwesenheit heraus auf den Menschen übertragen wird und ihm den Rassencharakter gibt. Die hier in Betracht kommenden Rassen sind die gelben und bräunlichen Rassen unserer Zeit. (einde citaat 100)

(cit. 101, cat. 2) Wenn wir dann weiter von Osten nach Westen gehen, so finden wir einen Punkt, der von Asien her gegen Europa zu liegt und der die spätesten Merkmale, diejenigen Merkmale, welche gerade in dem späteren, auf die erste Jugendzeit folgenden Lebensalter dem Menschen zukommen, dem Menschen bleibend aufdrückt, den Punkt, wo der Mensch nicht schon in der Kindheit von den Erdenkräften ergriffen wird, sondern dann, wenn die Jugend in das spätere Lebensalter übergeht. (einde citaat 101)

(cit. 102, cat. 2) In dieser Art wird der Mensch von den Kräften ergriffen, die von der Erde aus bestimmend für ihn sind, so daß wir, wenn wir diese einzelnen Punkte ins Auge fassen, eine merkwürdig verlaufende Linie erhalten. Diese Linie besteht auch für unsere Zeit. Der afrikanische Punkt entspricht denjenigen Kräften der Erde, welche dem Menschen die ersten Kindheitsmerkmale aufdrücken, der asiatische Punkt denjenigen, welche dem Menschen die Jugendmerkmale geben, und die reifsten Merkmale drückt dem Menschen der entsprechende Punkt im europäischen Gebiete auf. Das ist einfach eine Gesetzmäßigkeit. Da alle Menschen in verschiedenen Reinkarnationen durch die verschiedenen Rassen durchgehen, so besteht, obgleich man uns entgegenhalten kann, daß der Europäer gegen die schwarze und die gelbe Rasse einen Vorsprung hat, doch keine eigentliche Benachteiligung. Hier ist die Wahrheit zwar manchmal verschleiert, aber Sie sehen, man kommt mit Hilfe der Geheimwissenschaft doch auf merkwürdige Erkenntnisse. (einde citaat 102)

Hier het commentaar van de commissie: ‘NB Het is niet helemaal duidelijk wat Steiner bedoelde met de zin ‘diese Linie besteht auch für unsere Zeit’. Het lijkt erop dat rasscheppende krachten door middel van leeftijdskenmerken tot in onze tijd doorwerken. Dat is echter in tegenspraak met wat er in citaat 96 gezegd is over het tijdperk waarin deze krachten werkzaam waren. Wat ook bedoeld kan zijn is, dat jeugd- en ouderdomskrachten in het algemeen langs deze lijn verdeeld zijn, wat in overeenstemming is met het begin van citaat 104.

Voor het feit (?!) dat mensen in verschillende incarnaties door verschillende rassen heen gaan gaf Steiner concrete voorbeelden in de citaten 42, 145, 146, 160 en 162′.

Zoals we zullen zien probeert de commissie aan te tonen dat Steiners omschrijvingen van de ‘rasverschillen’ slechts gaan over een ver verleden en tegenwoordig geen rol van betekenis meer zouden spelen. We zullen zien dat dit niet terecht is. Verder met de voordracht:

(cit. 103, cat. 3) Wenn wir dann diese Linie weiterziehen, so kommen wir weiter nach Westen nach den amerikanischen Gebieten hinüber, in jene Gebiete, wo diejenigen Kräfte wirksam sind, die jenseits des mittleren Lebensdrittels liegen. Und da kommen wir – ich bitte das nicht mißzuverstehen, was eben gesagt wird; es bezieht sich nur auf den Menschen, insofern er von den physisch-organisatorischen Kräften abhängig ist, von den Kräften, die nicht sein Wesen als Menschen ausmachen, sondern in denen er lebt -, da kommen wir zu den Kräften, die sehr viel zu tun haben mit dem Absterben des Menschen, mit demjenigen im Menschen, was dem letzten Lebensdrittel angehört. Diese gesetzmäßig verlaufende Linie gibt es durchaus; sie ist eine Wahrheit, eine reale Kurve, und drückt die Gesetzmäßigkeit im Wirken unserer Erde auf den Menschen aus. Diesen Gang nehmen die Kräfte, die auf den Menschen rassebestimmend wirken. Nicht etwa deshalb, weil es den Europäern gefallen hat, ist die indianische Bevölkerung ausgestorben, sondern weil die indianische Bevölkerung die Kräfte erwerben mußte, die sie zum Aussterben führten. Von der Eigentümlichkeit dieser Linie hängt das ab, was auf der Oberfläche unserer Erde mit den Rassen sich abspielt, was von den Kräften, die nicht unter dem Einfluß der normalen Geister der Form stehen, bewirkt wird. Wo Rassencharaktere in Betracht kommen, da wirken sie in dieser Weise. In unserer Zeit wird der Rassencharakter aber allmählich überwunden.

So recht vorgebildet hat sich das schon in der allerfrühesten Erdenzeit. Wenn wir bis in die alte lemurische Zeit zurückgehen würden, so könnten wir die allerersten Ausgangspunkte der Rassenentwickelung in der Gegend des heutigen Afrika und Asien finden. Dann sehen wir später eine Herüberbewegung des Menschen nach der westlichen Richtung, und in der Verfolgung der rassebestimmenden Kräfte nach Westen können wir dann das Absterben in den Indianern beobachten. Nach Westen mußte die Menschheit gehen, um als Rasse zu sterben. (einde citaat 103)

Zie hier de kern van het vierledige rasmodel, waar de mensenrassen zijn gekoppeld aan de leeftijdsfasen van de mens, veroorzaakt door de abnormale geesten van de vorm. Ik wil hierbij naar drie afbeeldingen verwijzen:

Boven: Figuur 3: Een model op een antroposofische website, dat, misschien nog wel duidelijker dan Steiners figuurtje, goed deze ontwikkeling laat zien: (let overigens ook op de astrologische tekens, die zijn belangrijk voor de behandeling van de zesde lezing.

Boven: figuur 4: Een tekening van Hermann Poppelbaum, waarin getracht wordt de accenten van de leeftijdsfase die in een bepaald ras domineren herkenbaar te maken:

Boven: figuur 5: illustratie recapitulatieleer van Ernst Haeckel (1834-1919)

Steiner was diepgaand beïnvloed door Ernst Haeckel en diens recapitulatieleer, zie ‘Waarheid en wetenschap’, maar ook de uitleg in het Van Baarda rapport, [34](de leeftijdsfases van de mens, zie hiervoor ook Poppelbaum). Haeckels nu algemeen verworpen theorie komt er op neer dat de menselijke foetus alle stadia van evolutie doormaakt tot de geboorte (ongewerveld dier, vis, reptiel, zoogdier, mens, zie figuur 5). Steiner, die een enthousiast aanhanger van Haeckel was, trekt dan na de geboorte een parallel met de verschillende rassen (zwarte als kind, Aziaat als puber tot en met als meest rijpe fase, het Arische ras, waarna de degeneratie volgt met de Indianen als ‘oud’ en ‘decadent’ ras, zie bovenstaand citaat). Overigens was de relatie met Haeckel een gecompliceerde. Ik zal daar later nog uitgebreid op in gaan.

Laten we er nogmaals van uitgaan dat het hier om de contemporaine situatie gaat. Steiner zegt  weliswaar dat de abnormale geesten van de vorm zich zijn beginnen te manifesteren in het Lemurische tijdperk, maar toen bestond de mens nog niet in de huidige fysieke vorm. Dit proces heeft, zoals wij hiervoor hebben gezien, zich voltrokken in de na-Atlantische tijd, aan het begin van ons eigen tijdperk dus. Steiner is hier kraakhelder over: ‘Diese Linie besteht auch für unsere Zeit’. Het feit dat de indianen zich de krachten moeten verwerven om uit te sterven gaat ook over de contemporaine situatie. Steiner: ‘Nicht etwa deshalb, weil es den Europäern gefallen hat, ist die indianische Bevölkerung ausgestorben, sondern weil die indianische Bevölkerung die Kräfte erwerben mußte, die sie zum Aussterben führten’. Weliswaar zegt hij meteen er na (veel aangehaald door de verdedigers van de antroposofie) dat in onze tijd de rasverschillen moeten worden overwonnen, maar dat is voor de indianen kennelijk te laat, of geldt niet. Steiner: ‘Von der Eigentümlichkeit dieser Linie hängt das ab, was auf der Oberfläche unserer Erde mit den Rassen sich abspielt, was von den Kräften, die nicht unter dem Einfluß der normalen Geister der Form stehen, bewirkt wird. Wo Rassencharaktere in Betracht kommen, da wirken sie in dieser Weise. In unserer Zeit wird der Rassencharakter aberallmählich überwunden.’ Hooguit zegt Steiner dat wij ons nu op een breukvlak bevinden, maar niet meer dan dat. De uitspraak ‘Nicht etwa deshalb, weil es den Europäern gefallen hat, ist die indianische Bevölkerung ausgestorben, sondern weil die indianische Bevölkerung die Kräfte erwerben mußte, die sie zum Aussterben führten’, is terecht zeer omstreden. Nog pijnlijker is het hoe deze uitspraak van Steiner soms door hedendaagse antroposofen is verdedigd, zoals door Maarten Ploeger: ‘Er blijkt zelfs een opmerkelijke affiniteit te bestaan tot grensoverschrijding tussen leven en dood. Al in een vroeg leeftijdsstadium vertonen indianen scherp getekende gelaatstrekken. Bij de prairie-indianen werden belangrijke krijgers ingewijd door hen in strijdsituaties met een welhaast zekere dood voor ogen te brengen (de eer behalen door een gewapende vijand aan te tikken met een stok)…(…) Met deze karakteristieken voor ogen kan Steiners uitspraak in de Volkszielen (vrij weergegeven): ‘De indianen moesten uitsterven en de kolonisten waren het uiteindelijke instrument’, in en juist daglicht worden gesteld. Het is allerminst een excuus voor het botvieren van de blanke moordcapaciteit; die schuld hebben wij hoe dan ook op ons geladen (evenmin kan de nog steeds voortgaande uitroeiing van de Amazone-indianen hiermee op welke wijze dan ook aanvaardbaar worden gemaakt). Zoals een ouder mens aan een op zichzelf niet zo dramatische ziekte licht kan bezwijken, zo betekende de confrontatie met de blanke expansiedrift voor de indianen meer dan een reeks ongelijke oorlogen. De indiaanse cultuur had à priori de bevattelijkheid om hieraan te gronde gaan (zie bijvoorbeeld de Wovokaepisode, uitmondend in de ‘zelfdestructie’ onder leiding van Sitting Bull bij Wounded Knee)’. [35]

Het wordt dus in onze tijd langzaam overwonnen. Dat betekent dat er nog altijd de werking is van de abnormale geesten van de vorm. Steiner is heel duidelijk: ‘In unserer Zeit wird der Rassencharakter aber allmählich überwunden’. Dat is iets anders dan wat er bijvoorbeeld in het bekende antroposofisch internettijdschrift de Brug staat, waar men schrijft dat rassenkarakter slechts voor een ver verleden geldt Ik kan mij overigens wel vinden in de uitleg van Stephan Geuljans, die zegt dat in de loop der tijd het raskarakter afneemt en de kracht van het individu toeneemt (wederom een lijn van involutie en evolutie). Maar ook dat zegt niet dat de rasverschillen nog slechts belangrijk zijn aan het eind van de Atlantische periode en nu geen rol meer spelen. Dat ‘absterben’ van de indianen (en gelukkig is dat niet volledig gebeurd, sterker nog de oorspronkelijke Amerikanen zijn zelfs weer een sterk groeiende bevolkingsgroep) was een idee dat in de periode waarin Steiner deze woorden schreef veel voorkwam en dat vier eeuwen daarvoor al geconcipeerd was (vanaf 1500 dus). Kortom, hoeveel indianenfans eronder hedendaagse sympathisanten van de antroposofie ook zijn (voor hen lijkt het me helemaal pijnlijk), Steiner was niet erg vriendelijk voor Amerika’s oorspronkelijke bewoners. Men zou zich de vraag kunnen stellen of Steiner de superioriteit van een ras bepleitte? Niet echt, zoals blijkt. Maar dat is een te beperkte definitie van rassenleer. Het feit dat je de kenmerken van de ouderdom legt op een compleet ras (de oorspronkelijke inwoners van Amerika) om daarmee de menselijke catastrofe die hen getroffen heeft te verklaren (en laten we eerlijk zijn, dit lijkt me niet echt een wetenschappelijke verklaring) is wel een tamelijk draconische kijk op rassen te noemen. Ik denk ook volstrekt immoreel en verwerpelijk. ‘Nicht etwa deshalb, weil es den Europäern gefallen hat, ist die indianische Bevölkerung ausgestorben, sondern weil die indianische Bevölkerung die Kräfte erwerben mußte, die sie zum Aussterben führten’ is een vergezochte bovennatuurlijke verklaring voor wellicht de grootste genocide uit de geschiedenis van de mensheid. Steiner pleit de Europeanen vrij, of past hun wandaden in een groter kosmisch geheel. Dat kun je Steiner wel aanrekenen en je mag hopen dat antroposofen van nu zoiets niet voor hun rekening willen nemen.Om de vergelijking met de grondlegster van de moderne theosofie, Helena Blavatsky te maken, al zijn bepaalde antroposofen hier niet blij mee (Steiner zou alles zelf bedacht of onderzocht hebben en zijn gedachtegoed zou niets met Blavatsky en de theosofie te maken hebben). Nochtans valt het op dat zij beide op dit gebied vrijwel dezelfde dingen hebben verkondigd. Blavatsky in de Geheime Leer: ‘Roodhuiden, Eskimo’s, Papoea’s, Australiërs, Polynesiërs, enz. zijn aan het uitsterven. Zij die inzien dat elk wortelras een toonladder van zeven onderrassen doorloopt zullen het ‘waarom’ begrijpen. De incarnerende ego’s zijn aan hen voorbij gegaan, om ondervinding te doen in een beter ontwikkelde en minder door ouderdom versleten stammen, en hun vernietiging is daarom een Kharmische Noodzakelijkheid’. Blavatsky en ook deze p[assage zullen nog uitvoerig aan de orde komen bij de bespreking van de Akasha-kroniek, maar de parallel met Steiners visie op rassen mag je in deze zeker trekken. Ik zal nog een keer de samenvatting weergeven die Hans Peter van Manen gaf van Steiners visie op rassen, in Antroposofie ter discussie:

1. Door een samenspel van storende bovenzinnelijke invloeden en aardse krachtwerkingen zijn er in het verleden vijf rassen ontstaan.

2. Door de erfelijkheid zijn de raskenmerken voortgeplant en tegelijk losgekomen van de plaats van ontstaan.

3. Binnen enkele duizenden jaren zullen rasverschillen gaan verdwijnen en hun betekenis verliezen.

4. De ontwikkeling van de volkeren en culturen, die sterk vanuit Europa geïmpulseerd is, is een belangrijke eerste stoot tot de doorbreking van de verstarring in rassen.

5. De tijdelijke verdeling van mensen in rassen is niet los te zien van de reïncarnatiegedachte’.[36]

Wij zien dat deze omschrijving dus niet incorrect is, sterker nog, vrij effectief is samengevat (als je 7893 jaar enkele duizenden jaren noemt). Alleen laat Van Manen de pijnlijkste kant hiervan weg, nl. de ‘kosmische verklaring’ (ik zeg dus geen vergoelijking) voor de grootste genocide uit de wereldgeschiedenis, op de oorspronkelijke bewoners van Noord en Zuid Amerika. Dus het is minder onschuldig dan hoe van Manen het voorspiegelt. Hierna gaat Steiner in deze lezing voort op de antroposofische idee van de cultuurperiodes (overigens een louter Arische aangelegenheid). In de antroposofie wordt gesteld dat na de ondergang van Atlantis, een zekere Manu de cultuur naar Voor-Indië bracht (ik heb het nog op de vrijeschool gehad in de vijfde klas). Hij legde de kiem voor de grote Arische culturen, achtereenvolgens de Oudindische, de Oudperzische, de Egyptisch-Babylonische, de Grieks-Romeinse tot de huidige. Ook dit is een ‘Aryo-centrische’ visie op de geschiedenis (niet eens eurocentrisch). Ook dit heeft hij gemeen met Helena Blavatsky, die het vijfde na-Atlantische wortelras het Arische ras noemt (zie hier de merkwaardige verbinding van ras, wortelras en tijdperk). Het zijn dus Arische cultuurperiodes. Steiner:

(cit. 104, cat. 3) ‘Um aufzufrischen die Menschheit mit neuer Jugendkraft, findet der Zug nach Osten statt, der Zug, der von Atlantis herüber über Europa nach Asien sich bewegt. Dann geschieht eine Wiederholung des Zuges nach dem Westen. Es wiederholt sich aber jetzt nicht die Bewegung der Rassen, sondern gleichsam eine höhere Stufe der Rassenentwickelung, die Entwickelung der Kulturen. In gewisser Weise kann man sehen, daß die Entwickelung der Kulturen durchaus den Charakter annimmt, der im Sinne einer Fortsetzung der Rassenlinie liegt. So haben wir zum Beispiel diejenige Kultur, welche wir auch schon in dieser Betrachtung mit genügender Bewunderung charakterisiert haben, die uralt-indische Kultur, die als erste nachatlantische Kultur erschien, zu bezeichnen als die dem ersten Kindesalter entsprechende Epoche, wo der Mensch in Beziehung auf die Wertschätzung der physischen Natur noch schläft, und in seine Seele wirken hinein die Offenbarungen einer geistigen Welt. In der Tat ist die erste, indische Kultur eine Offenbarung von oben, eine Offenbarung aus spirituellen Höhen, und sie konnte nur aus dem Grunde in die Menschen hineinwirken, weil der Mensch unter den Einfluß der indischen Erde kam, unter dem er in weit zurückliegender Zeit schon gestanden hatte. Damals in urferner Vergangenheit wurde der physische Rassecharakter aus der Erde heraus bestimmt; jetzt bei wiederholter Anwesenheit an demselben Erdenorte wurde mehr eine Seelenbeschaffenheit, die des altindischen Menschen bestimmt. (einde citaat 104)

Commentaar Commissie: NB Twee elementen uit bovenstaand citaat verdienen onze aandacht. Steiner geeft aan, dat de leeftijdskenmerken voor de rassen ook van toepassing zijn op de grote culturen na Atlantis. Op het ontstaan in Afrika na volgt de lijn van de leeftijdskenmerken van de rassen, die hierboven ‘Rassenlinie’ wordt genoemd, de richting van Oost naar West. In dezelfde richting verplaatsen zich ook de grote na-Atlantische culturen, te beginnen in het oude Indië.

Het tweede is, dat in het bovenstaand citaat duidelijk wordt, wat Steiner bedoelt met de kenmerken van de vroege kindertijd. Over de oeroude Indische beschaving zegt hij in dit verband dat de mens in die tijd nog niet wakker was voor de betekenis van de fysieke wereld en dat in zijn ziel de openbaringen van de geestelijke wereld werkten. Kenmerken van de vroege kindertijd betekenen dus niet in eerste instantie kinderlijke eigenschappen, maar duiden een specifieke relatie tot de fysieke wereld aan. (welke specifieke relatie? En als er sprake is van zo’n specifieke relatie, is er dan echt geen sprake van rassenleer? Zie ook Maarten Ploeger)

Ploeger: ‘We lichten er hier drie van de vijf rassen uit: negers, blanken en indianen. Want met name de passages uit De Volkszielen die hiernaar verwijzen, blijken vaak op onbegrip te stuiten. Het negerras beheerst bij uitstek de psychische vermogens van het heel jonge kind. Het blanke ras die van de middelbare leeftijd. Het indiaanse ras sluit de rij met de ouderdom. Let wel: niet de neger is een kind, maar de mens met een lichamelijk instrument dat ontleend is aan het zwarte ras, heeft innerlijke mogelijkheden die we kunnen begrijpen als we kijken naar het karakteristieke van de leeftijdsfase tot het zevende jaar’ (p. 42). En vergelijk ook met de afbeelding van Hermann Poppelbaum: Der Neger erscheint als Kind (verschenen in 1929, vier jaar na Steiners overlijden)

Het rapport heeft hierna overigens een hele lange passage niet opgenomen. Dat is mijns inziens niet terecht, al was het maar omdat het rapport bij de bespreking van citaat 98 (over de ‘vermeende’ kinderlijke eigenschappen van het zwarte ras in Steiners visie) wel degelijk naar deze materie verwijst. Ogenschijnlijk is er met dit stuk ook weinig aan de hand. Het was zelfs zo’n beetje deze uitsnede die Walter Heijder gebruikte voor zijn Rudolf Steiner vs Nationaal socialisme waarmee hij poogde Toos Jeurissen en Bram Moerland te slim af te zijn. Toch zal ik deze passage hier nogmaals weergeven en de verbanden leggen met wat het rapport hiervoor te melden had:

Durch den Zug von Westen nach Osten ist eine solche Jugendfrische aufgetreten, daß durch diesen Vorgang die eigentümliche Geisteskonfiguration hervorgehen konnte, welche die ursprüngliche indische Kultur charakterisiert. Sie werden sehen, daß eine sehr alte indische Kultur, die noch nicht erforscht worden ist, und von der nur ein Abkömmling ist, was heute die Wissenschaft indische Kultur nennt, in dieser Weise ihre Erklärung findet, nämlich dadurch, daß die atlantische Kultur sich in gewisser Beziehung in der uralt-indischen wiederholt.

‘Wenn wir nunmehr die Kulturen, die sich in der nachatlantischen Zeit gefolgt sind, betrachten, so können wir sehen, daß sie die aufeinanderfolgende Wiederholung früherer im physischen Leibe durchgemachter, aber wieder durch Verjüngung ganz anders gewordener Verhältnisse darstellen. So sehen wir in der persischen Kultur eine solche, welche in gewisser Weise mit dem zusammenhängt, was wir nennen können ein Sich-Durchdringen desjenigen Menschen, der vorzugsweise in der ersten menschlichen Lebenskraft lebt, wo er noch den Einflüssen der abnormen Geister der Form hingegeben ist, mit den Kräften, die von den normalen Geistern der Form stammen. Dieser Gegensatz ist in der persischen Kultur in dem Bewußtsein und in der Gestalt von Licht und Finsternis, von Ormuzd und Ahriman enthalten.

Je weiter wir herüber kommen nach Westen, desto mehr sehen wir, wie die Eigenschaften eines reiferen Alters der Kultur aufgedrückt werden. Wenn wir auch zugeben müssen, daß bis zur heutigen Gegenwart die Schöpfungen der Menschen in höherem Grade noch abhängig sind von den abnormen Kräften und Wesenheiten des Weltalls, so werden wir es doch begreiflich finden, wenn gesagt wird, daß nicht mehr ausschließlich mit Eigenschaften der Rasse die Menschen nach Westen gehen. Auch können wir verstehen, daß in gewisser Weise der Zug der Kultur ein solcher ist, daß die volle Jugendfrische der Kultur, das produktive Element derselben immer mehr erstirbt, je weiter sie nach Westen kommt.

Wer objektiv betrachtet, kann aus vielen Verhältnissen ersehen, daß auch unsere Zeitkultur in dieser Weise gesetzmäßig bestimmt ist. Man ist aber nicht geneigt, objektiv zu sehen. Wenn Sie aber das, was sich ergibt, betrachten, das betrachten, daß in der Tat alle Kultur im Flusse ist, da sehen Sie, daß, je weiter wir nach Westen kommen, die Kultur immer unproduktiver wird. Sie nähert sich also als Kultur dem Absterben. Je weiter nach Westen, desto mehr werden nur die äußeren Teile der Kultur blühen, die, welche nicht Auffrischung durch Jugendkraft erleben, sondern sich in gewisser Weise in das Greisenhafte hinein ausleben. Daher wird der Mensch im Westen für die Menschheit noch Großes und Gewaltiges leisten können in bezug auf physikalische, chemische und astronomische Entdeckungen, für alles, was unabhängig ist von der erfrischenden Jugendkraft. Das aber, was produktive Kraft benötigt, das braucht in der Tat eine andere Konfiguration der auf den Menschen wirkenden Kräfte.

Nehmen wir an, der Mensch wächst von der Kindheit bis zu einer gewissen Stufe; dann erblüht eigentlich erst sein Geistiges. Zuerst ist der Mensch ein physisch wachsendes Wesen. Es muß sich das, was bei einem kleinen Knirps in einem engen Räume zusammengedrängt ist, erst physisch ausdehnen. Dann wird die Menschenbildung in das Innere zusammengedrängt. – So ist es aber auch mit der Menschheit im großen. Wir sehen ein eigentümliches Gesetz, wenn wir die charakterisierte Kurve verfolgen. Wir finden es sogar in den Kontinenten ausgedrückt. Wir sehen, daß zunächst eine Art ursprünglicher Anfangspunkt der physischen Menschenentwickelung in Afrika vorliegt, daß dann der Raum, auf dem sich die Menschheit ausbildet, sich ins Weite ausdehnt. Das finden wir dann in den weiten Flächen der asiatischen Bildung. Große, mächtige Flächen bewohnt der Mensch da.

Schauen wir nun auf die Wiederholung der Rassenbildung in den nachatlantischen Kulturen. Wie der Mensch in der Jugend gleichsam neugierig mit den Augen hinschaut in die Umgebung, so blickt der Mensch der alten indischen Kultur in die Welt. Das hängt durchaus mit den jugendfrischen Kräften zusammen, die den Menschen ausdehnen und in seinem Wachstum in die Weite organisieren. Dann muß das Geistige beginnen und muß sich das Physische zusammendrängen; da sehen wir, daß, indem die Kultur in Europa fortschreitet, in merkwürdiger Weise der Raum, auf dem diese Menschheit ausgebreitet ist, zusammengedrängt wird in kleinere Dimensionen. Wir sehen, daß Europa der kleinste Erdteil ist, und je weiter der Mensch nach Westen fortschreitet, desto mehr strebt er nach einem Zusammendrängen. Er strebt in Halbinseln hinaus ins Meer und schnürt sich immer mehr zusammen nach dem Westen hin.

Dies hängt alles mit dem geistigen Gang der Entwickelung zusammen. Sie sehen hier in eigenartiger Weise in die Mysterien der geistigen Entwickelung hinein. Aber mit dem Zusammendrängen nach Westen hin ist eine Krisis gegeben. Da ist eine Krisis, durch welche ein mehr unproduktives Element zu wirken beginnt. Die Produktivität stirbt in den Halbinselgebieten nach dem Westen hin in einer gewissen Weise ab. Diese Unproduktivität zeigt sich in dem, was vorhin charakterisiert worden ist, daß nämlich sozusagen selbst die Kultur, je weiter sie nach Westen geht, ein starres, greisenhaftes, nach dem Absterben hin gehendes Element annimmt. Das ist etwas, was in den Geheimschulen immer bekannt war. Sie werden nun begreifen, daß ich sagte, das, was ich mitteilen werde, könnte etwas gefährlich werden, weil die Menschen entrüstet werden könnten. Und es darf noch lange nicht alles gesagt werden, was dazu diente, den Menschen in bezug auf die höheren Gebiete seines Wesens unabhängig zu machen, damit er wahrnimmt, was aus der Erde rassebestimmend aufsteigt, was später den Kulturcharakter bestimmt, und was in noch späterer Zeit wieder unbedeutend werden wird, wenn der Mensch zum Geistigen wieder zurückkehrt. Sie werden daher begreifen, daß mit diesem ganzen Gang der Menschheitsentwickelung der Gang der geistigen Entwickelung, den diejenigen immer gekannt haben, die tiefer in die Geheimnisse des Daseins eingeweiht waren, zusammenhängt. Die Richtigkeit des Gesagten hängt nicht davon ab, ob man für das eine mehr, für das andere weniger begeistert ist; die hängt von der Notwendigkeit in der Entwickelung ab. Wer gegen die Notwendigkeit sprechen würde, der könnte nichts erreichen. Gegen sie sprechen heißt, ihr Hindernisse in den Weg schieben. Daher ist es nur natürlich, daß in gewisser Weise die Menschen, die in das Gebiet ziehen, das mehr nach Westen liegt, sich eine Auffrischung wieder vom Osten holen müssen, einen Einschlag vom Osten erhalten müssen, daß aber das mitteleuropäische Gebiet sich auf die eigene Produktivität, wie sie vor der Halbinselbildung bestanden hat, besinnen muß. Das ist der Grund, warum in Europa gerade -ich meine in dem Strich, der unser gemeinsames Gebiet umfaßt: Skandinavien und Deutschland – die Menschen sich auf ihr eigenes Seelisches besinnen müssen, und warum dagegen gerade im Westen aufgesucht werden muß der Teil der Menschheit, der etwas von Osten übertragen erhalten soll. Das ist tief durch den Gesamtcharakter der Erdenmenschheit bedingt. Sie sehen, daß selbst in der theosophischen Entwickelung das sich noch wiederholt. Auch tritt uns das entgegen in der vierten nachatlantischen Kultur bei dem Römer- und Griechentum. Es ist Tatsache, daß die Römer in gewisser Beziehung weiter sind als die Griechen, daß sie aber von dem von ihnen eroberten Volke, welches weiter östlich wohnt, das Geistesleben nehmen.

Das hier zutage tretende Gesetz wird immer mehr und mehr sich bewahrheiten, je weiter die Gebiete nach Westen gelegen sind. Diese großen Wahrheiten kann man im Grunde genommen nur andeutungsweise sagen. Sie geben uns dasjenige, was dem inneren Charakter unserer Mission für jedes Stück der Erdoberfläche entspricht. Sie sehen, daß wir begreifen müssen dasjenige, was wir zu tun haben, um uns zu dem Gemeinsamkeitscharakter der Menschheit zu erheben. Da liegt die große Verantwortlichkeit, die man hat, wenn man eingreifen will in die große Bewegung der Menschheit. Wo die große Bewegung der Menschheit in Betracht kommt, da darf keine persönliche Sympathie und kein persönlicher Enthusiasmus mitspielen. Denn nicht darauf kommt es an, sondern darauf, was in den großen Gesetzen des Menschentums bedingt ist. Das muß man aus den großen Gesetzen heraus erkennen und sich nicht beeinflussen lassen durch Voreingenommenheit für dieses oder jenes. So ist im Grunde genommen der Charakter des ganzen Rosenkreuzer-tums. Rosenkreuzertum ist, zu wirken im Sinne der ganzen Menschheitsentwickelung. Wenn man den Boden, auf dem man steht, erkennt bis zur Insel- und Halbinselbildung, dann wird man fühlen, welche Empfindung einen überkommen muß, wenn man im Sinne der Menschheitsentwickelung wirken will.

(cit. 105, cat. 3) Einstmals wurde der Mensch durch die abnormen Geister der Form heruntergeführt auf die Erde, gebunden an die verschiedenen Punkte der Erdoberfläche; dadurch wurde die Grundlage der Rassenentwickelung geschaffen. Dann aber sehen wir immer mehr die Rassen sich vermischen. Wir sehen eingreifen in die Rassenentwickelung, das heißt sich aus ihr erheben die Volksentwickelung. Wir sehen sie hineingreifen bis in die Entwickelung des einzelnen Menschen. Es ist ein großes Mysterium damit ausgesprochen, wenn man etwa sagt: Wer war Plato in be-zug auf seine äußere Wesenheit, in bezug auf das Hineingeborensein in die Menschheit? Das war ein Mensch, der hineingewachsen war in das Geschlecht der Soloniden, angehörte dem Stamme der lonier, dem Volke der Griechen, der ganzen kaukasischen Rasse. – Das Verstehen, daß Plato ein Solonide, ein lonier, ein Grieche, ein Kaukasier war, das spricht, wenn man es in seiner Gesetzmäßigkeit durchschaut, ein tiefes Mysterium aus. Es spricht das Mysterium aus, das uns zeigt, wie auf der weiten Basis des ganzen Erdenplaneten zusammenwirken die normalen und abnormen Geister der Form, die eigentlich das größte Interesse daran haben, den Menschen zum Erdenmenschen zu machen. Es spricht sich darin aus, wie sich durch dieses Zusammenwirken das Menschentum spezifiziert, wie dann die anderen Wesenheiten eingreifen, von denen wir bei der Charakteristik der einzelnen Völkerschaften schon gesprochen haben. Jeder Mensch ist mit seiner Wesenheit an den Vorgängen beteiligt, durch die alle die höheren Wesenheiten, diese höheren Geister zusammenwirkend die Weltentwickelung gestalten.

Man versteht den einzelnen Menschen nicht, wenn man nicht sieht, wie er in seiner Gesamtentwickelung dadurch, daß diese Wesenheiten zusammenwirken, geworden ist. Dadurch, daß auf unserem Erdenplaneten durch das geheimnisvolle Zusammenwirken der Geister der Form, die die normale Entwickelung durchgemacht haben, und der Geister der Form, die die abnorme Entwickelung durchgemacht haben, einmal eine kaukasische Rasse geschaffen wurde, dadurch wurde der Grund und Boden dafür geschaffen, daß ein Plato überhaupt werden konnte. Dadurch, daß wir die abnormen und normalen Erzengel bis zu den Engeln eingreifen sehen, sehen wir den Weg, der notwendig war, um einen Plato hervorzubringen, der uns als menschliche Wesenheit, mit menschlichem Antlitz, mit ganz bestimmten Verstandes-, Gefühls- und Willenseigenschaften entgegentreten konnte. Zwischen der Rasse und der Individualität liegt das Volkstum mitten drinnen.

Darum mußten wir heute die Grundbedingungen der Rasse im allgemeinen charakterisieren. (einde citaat 105) Morgen wollen wir das Herauswachsen des Volkstumes aus den Rassen, das Eingreifen anderer Geister der Hierarchien und insbesondere deren Eingreifen in das Wirken der Geister der Form betrachten’.

Voor de Indianen is het slechts: ‘Wo die große Bewegung der Menschheit in Betracht kommt, da darf keine persönliche Sympathie und kein persönlicher Enthusiasmus mitspielen. Denn nicht darauf kommt es an, sondern darauf, was in den großen Gesetzen des Menschentums bedingt ist.’ (Die Mission, p. 86). Verder is het slot van deze voordracht wel bijzonder onthullend, wanneer Steiner de gang der cultuurperiodes bespreekt. Ik denk dat hier geen misverstand over mogelijk is. Het is inderdaad het Europese, Kaukasische of Arische ras dat het meest volwassen en het meest cultuurdragend zou zijn.

Overigens laat het slot van deze voordracht nog iets interessants zien. Aan een kant bevat die weinig nieuws voor enigszins in de antroposofie geschoolde mensen (het slot dan), want het verhaal van de cultuurperiodes wordt zelfs gedoceerd op de lagere school. Maar het verhaal van de na-Atlantische cultuurperiodes vertoont wel enige overeenkomst van de Ariër mythe. Ik zeg wederom nadrukkelijk dat ik Steiner niet verband breng met het nationaal socialisme en bovendien was de idee van de Ariërs veel breder aanwezig dan bij een groep proto-nationaal socialisten. Wel is de Ariërmythe ook door Helena Blavatsky omhelsd en je ziet hem ook bij Steiner terug. Later zal ik uitgebreider ingaan op deze  Ariërmythe, maar het komt erop neer dat de bron van het Arische ras in India zou liggen (de bron van de ‘Indo- Germaanse taalfamilie´) en vervolgens van oost naar west trekkend, door de eeuwen heen de ene beschaving na de andere heeft gesticht, met ‘ons´ als voorlopig hoogtepunt.

 

 

SECHSTER VORTRAG;

Die Fünf Hauptrassen der Mensheit

http://www.anthroposophie.net/steiner/ga/bib_steiner_ga_121_06.htm

‘Sie können sich denken, daß es eine sehr komplizierte Sache ist, wenn die Geister der verschiedenen Hierarchien mit ihren Kräften so zusammenwirken müssen, daß die Erdenmission erfüllt werden kann, sozusagen so wirken müssen, daß zuletzt eine Gleichgewichtslage herauskommt. Daher werden Sie auch begreifen, daß Angaben wie diejenigen, die gestern gemacht worden sind, immer nur dann gemacht werden können, wenn man einen ganz bestimmten Punkt der Entwickelung ergreift, und daß sich die ganze Darstellung sofort verändert, wenn man die Evolution an einem anderen Punkte betrachtet. Daher werden Sie auch, wenn Sie zu einem geschlossenen Verständnis gerade dieser sehr komplizierten Sache kommen wollen, immer den einen Vortragszyklus mit dem ändern zusammenhalten müssen.

Ich will nur einen Punkt hervorheben, und das, was ich jetzt in diesem Augenblicke sage, soll eine Art von Anmerkung sein. In unserem Erdengleichgewicht stellt sich das ganze Zusammenwirken der Hierarchien so dar, daß wir das, was wir gestern als dritte Hierarchie bezeichneten – die Geister des Willens, die Cherubim und Seraphim -, suchen müssen als etwas, was in bezug auf diese Gleichgewichtslage aus der Erde heraus wirkt. Natürlich müssen Sie sich vorstellen, daß diese Hierarchie ursprünglich aus dem Weltall herein gegen den Erdmittelpunkt ihre Kräfte entfaltet, und daß, wie der Mensch diese Kräfte gewahr wird, nicht deren direkter Richtung entspricht, sondern der umgekehrten, welche sie erfahren, indem sie zurückgeworfen, reflektiert werden. Daher werden Sie zum Beispiel von dem ganz Intimen der Vorgänge, die da stattfinden, erst dann sich eine geschlossene Vorstellung zu machen vermögen, wenn Sie das gestern Gesagte mit manchem vergleichen, was über die Hierarchien in meinem Vortragszyklus in Düsseldorf gesagt worden ist, wo der himmlische Teil des Wirkens der drei Hierarchien in geschlossener Darstellung gegeben wurde. Diese Dinge sind eben nicht einfach, und um die Erdenmission begreiflich zu machen, ist es notwendig, den Gesichtspunkt so zu wählen, daß wir die Zurückstrahlungen der Geister dieser Hierarchien in dem. was wir die Elemente des Erdendaseins nennen, erblicken.

Wenn Sie dies berücksichtigen, dann werden Sie aber auch ein Gefühl bekommen von der unendlichen Weisheit, welche in dem ganzen Zusammenhang der Kräfte des Universums, der Kräfte des Kosmos ruht. Sie werden gewissermaßen auch dafür ein Gefühl erhalten, daß die Erkenntnisse immer weiter zu gehen haben, daß sie keine Grenze haben, da die Dinge so kompliziert sind, daß, wenn wir einen Gesichtspunkt erfaßt zu haben glauben, wir gleich genötigt sind, zu einem anderen überzugehen, der uns die Sache wieder von einer anderen Seite beleuchtet erscheinen läßt. Wir können nur nach und nach in unseren Erkenntnissen aufrücken, aber Sie werden dennoch aus den Andeutungen, die gestern gemacht worden sind, namentlich am Schlüsse der Darstellung, sich etwas genauer bekannt gemacht haben mit dem, was man nennen kann: Zusammenwirken der abnormen und normalen Geister der Form, damit innerhalb unseres Erdenlebens nicht bloß ein einheitliches, sich über die ganze Erde ausbreitendes, gleichartiges Menschentum entsteht, sondern damit ein solches Menschentum entsteht, das sich in der Mannigfaltigkeit der einzelnen Rassen ausleben kann. Zu jenem einheitlichen Menschentum, das der Mensch nur im Verlaufe der Erdenevolution wieder erreichen kann, wäre notwendig gewesen die reine Wirksamkeit der normalen Geister der Form. Es sind das dieselben geistigen Wesenheiten, welche in der Genesis mit dem Namen der Elohim benannt werden, und es sind eigentlich im gesamten Universum, das die Erde umgibt und mit ihr zusammen ein Ganzes ausmacht, sieben solcher Geister der Form in normaler Entwickelung zu erkennen. Es gibt also sieben Geister der Form oder sieben Elohim. Wenn wir uns diese sieben Elohim mit ihren verschiedenen Missionen und dem Beruf, in der gesamten Erdenmission das Gleichgewicht oder die Liebe herzustellen, vorstellen wollen, dann müssen wir uns klar sein darüber, daß diese sieben Geister der Form in dem gesamten Weltall so zusammenwirken, daß wirklich das zustande kommen würde, was wir in einem der Vorträge als «den Menschen im zweiten Drittel seines Lebens» charakterisiert haben. Da würde der eigentliche Ich-Mensch sich ausprägen, wenn alle diese sieben Geister der Form in der entsprechenden Weise, wie sie es für sich allein durch ihre eigene Gemeinschaft sich vorgenommen haben, wirken könnten. Weil aber andere geistige Wesenheiten mitwirken und dieses einheitliche Menschentum vermannigfaltigen, so war im Kosmos eine ganz besondere Einrichtung notwendig. Wenn Sie heute die Lokalität im Kosmos suchen wollen, von der aus die normalen Geister der Form wirksam sind – also diejenigen Wesenheiten, die, wie ich das gestern charakterisierte, uns zuletzt im Lichte entgegenstrahlen innerhalb unseres gegenwärtigen Kosmos -, so müssen Sie dieselben in der Sonne suchen. Sie müssen jedesmal in der Richtung der Sonne jene kosmische Loge, jene Gemeinschaft im Weltall suchen, wo diese Geister der Form ihre Beratungen pflegen zur Herstellung des irdischen Gleichgewichts, zur Erfüllung der irdischen Mission. Nur eines war notwendig, damit die abnormen Geister der Form durch ihre Wirksamkeit nicht gar zu große Unordnung in bezug auf den Menschen hervorriefen, es war notwendig, daß sich einer der Geister der Form ablöste aus der Gemeinschaft, so daß Sie eigentlich nur sechs dieser Geister der Form oder Elohim in der Sonnenrichtung zu suchen haben. Einer dieser Geister mußte sich, damit durch die gleichzeitige Wirksamkeit der abnormen Geister der Form – die eigentlich Geister der Bewegung sind – nicht völlige Unordnung in das Gleichgewicht hineingebracht wurde, absondern. Das war derjenige, welcher in der Bibel, in der Genesis, Jahve oder Jehova genannt wird. Wenn Sie dessen Wirksamkeit im Weltall suchen wollen, so dürfen Sie nicht suchen in der Richtung, wo die Sonne steht, sondern in der Richtung, wo sich jeweilig der Mond befindet. Das ist auch in meiner «Geheimwissenschaft» angedeutet, nur von einer anderen Seite her betrachtet, indem gezeigt wird, daß die Geister der Form mit der Sonnentrennung weggehen, daß aber mit der besonderen Einrichtung, die mit der Mondtrennung zustande kommt, erst die Vorbedingung für die fernere Entwickelung des Menschen geschaffen wird. Denn, wenn der Mond mit der Erde vereinigt geblieben wäre, so hätte die Evolution des Menschen nicht stattfinden können. Diese fernere Evolution des Menschen ist nur dadurch möglich gewesen, daß einer der Elohim, Jahve, mit dem Monde heraustrat – während die anderen sechs Geister in der Sonne verblieben -, nur dadurch, daß Jahve im Entgegenwirken zusammenwirkte mit seinen sechs anderen Genossen’.

Meteen is duidelijk dat Steiner in deze lezing de samenhang wil tonen met de grotere krachten, die vanuit de kosmos werken. In de vierde en vijfde voordracht ging het om relatief kleinere krachten, die binnen de aardesfeer werkzaam zijn. In de vierde voordracht ging het om aardpunten en de abnormale geesten van de vorm. In de vijfde voordracht werd nader ingegaan op de verschillende soortgelijke krachten: de geesten van de beweging, de geesten van de vorm, de gevallen geesten van de vorm, de geesten van de beweging, enz. Al kwamen ook grotere krachten en hun werking, zoals engelen, serafijnen, cherubijnen ter sprake.

In deze voordracht staan de grote krachten van buiten centraal. Zo komt Jahve, de God van het Oude Testament en het Joodse Volk ter sprake, geassocieerd met het hemellichaam de maan. Wij zullen zien dat er meer verbindingen worden gelegd met grotere krachten, zoals de diverse planeten, die zich op een bepaalde manier op aarde manifesteren. Niet in de laatste plaats drukken zij zich uit in de verschillende mensenrassen. Voordat wij verder deze lezing gaan behandelen is het wellicht verhelderend om figuur 3 in gedachten te houden. We zien hier weer de indeling naar leeftijdsfases (het vierledige model), maar er zijn ook astrologische tekens ingevoerd. Mercurius bij Afrika, Venus bij Azië, daarboven Mars eveneens bij Azië, Jupiter bij Europa en Saturnus bij Amerika. Er is hier dus sprake van een vijfledig model.

In tegenstelling tot de vierde lezing is er hier sprake van twee rassen in Azië, het Maleise (verbonden met Venus) en het Mongoolse (verbonden met Mars). Maar goed, de krachten waar we nu mee te maken hebben zijn groter dan de aardse krachten, al gaan ze er wel een verbinding mee aan. We hebben gezien dat de maan in verband stond met Jahwe en daarmee het Joodse volk. Wat betreft de joden, of de Semieten zullen we zien dat dit niet enige kracht is die op hen inwerkt, maar dat komt later. Verder behandelt deze lezing de werking van de planeten op de vijf hoofdrassen:

‘Sie können nun die Frage auf werfen: Warum wurde überhaupt diese Sonne abgespalten? Das war aus folgenden Gründen notwendig. Nachdem einmal ältere Geister der Bewegung, welche eine größere Kraft als die Geister der Form haben -denn sie stehen in der Reihe der Hierarchien höher -, sich entschlossen hatten, zurückzubleiben, mußten die normalen Geister der Form ihre Wirksamkeit durch die Abspaltung des einen abschwächen. Sie hätten sonst nicht das Gleichgewicht hervorbringen können, welches für die fernere Entwickelung erforderlich war.

Wenn wir eine genügende Vorstellung haben wollen von dem Wirken dieser normalen Geister der Form, so ist es das Beste, wenn wir uns sagen: Sie strahlen uns im Sonnenlichte zu. Wenn wir aber von den abnormen Geistern der Form eine Vorstellung gewinnen wollen, wie sie zusammenwirken mit den normalen Geistern der Form, die gleichsam zentriert sind in der Sonne – denn nur, damit das Gleichgewicht hergestellt werden kann, hat sich Jehova in der Mondrichtung abgespalten -, dann müssen wir uns vorstellen, daß eine bestimmte Sonnenkraft, die in den normalen Geistern der Form uns zuströmt, abgeändert wird durch die Kraft, die uns zuströmt von den abnormen Geistern der Form, die eigentlich Geister der Bewegung sind. Diese finden ihren Mittelpunkt in den anderen fünf Planeten, im alten Planetenstile gesprochen. Da haben Sie den Mittelpunkt zu suchen für diese anderen, für die abnormen Geister der Form, also im Saturn, Jupiter, Mars, Venus, Merkur.

Jetzt haben Sie, wenn Sie in den Kosmos hinaussehen, eine Art Verteilung für die normalen und abnormen Geister der Form. Die normalen Geister der Form sind zu sechs zentriert in der Sonne, der Eine – Jahve oder Jehova – hält das Gleichgewicht jenen, vom Monde aus, indem er den letzteren regiert und leitet. Beeinflußt werden die Wirkungen dieser Geister der Form durch jene Wirkungen, die von Saturn, Jupiter, Mars, Venus und Merkur ausgehen. Diese Kräfte strahlen herunter auf die Erde, werden aufgehalten und strahlen wieder von der Erde auf in der Weise, wie das gestern am Ende des Vertrages beschrieben worden ist.

Wenn Sie also ein Stück Erdoberfläche haben, und von der Sonne aus eine bestimmte Wirkung auf dieselbe durch die Elohim oder normalen Geister der Form ausgeübt wird, so würde auf dem betreffenden Punkte der Erdoberfläche nichts anderes entstehen als das ganz normale Ich. Es würde dasjenige entstehen, was dem Menschen sein normales Sein, durchschnittlich sein gesamtes Menschentum gibt. Nun mischen sich hinein in diese Kräfte der Geister der Form – die sonst durch die Gleichgewichtslage hier auf der Oberfläche tanzen würden – zum Beispiel die Kräfte des Merkur. Dadurch tanzt und vibriert in dem, was hier als Kraft der Geister der Form sich entfaltet, nicht nur das Normale, sondern auch dasjenige, was sich hineinmischt in die normalen Kräfte der Elohim, in die normalen Kräfte der Geister der Form, nämlich das, was von diesen in den Mittelpunkten der einzelnen Planeten zentrierten, abnormen Geistern der Form kommt’.

De normale geesten van de vorm werken dus via de zon, maar het zijn de abnormale geesten van de vorm die deze werking ombuigen via een specifieke planeet. Nog een opmerking over het uittreden van Jahweh en de maan. Het idee dat de maan is uitgetreden, staat uitgebreid beschreven in Steiners ‘Wetenschap van de Geheimen der Ziel’. In het Duits ‘Geheimwissenschaft’, waarnaar Steiner zelf ook verwijst. Er zijn zeven geesten van de vorm, waarvan Jahwe er een is. Jahwe werkt vanuit de maan, de overige zes vanuit de zon. Dit zal vaker blijken uit de hier te bespreken tekst. Steiner spreekt regelmatig van de ‘Sechs oder Siebenheit’ Hij verwijst hierin naar de geesten van de vorm, die weer hun tegenhanger vinden in de geesten van de beweging of abnormale geesten van de vorm, die vanuit de vijf planeten werkzaam zijn. Na deze uitleg kunnen we wellicht de tekst induiken.

Vervolgens verwijst Steiner terug naar de vierde lezing en de krachtpunten op Aarde:

(cit. 109, cat. 3) ‘Hieraus ergibt sich, daß fünf Mittelpunkte der Beeinflussung möglich sind durch diese abnormen Geister der Form, und diese fünf Mittelpunkte der Beeinflussung ergeben in ihrer Rückstrahlung, in ihrer Reflektierung vom Erdmittelpunkte aus auf die Menschheit in der Tat dasjenige, was wir anerkennen als die fünf Grundrassen im Erdendasein.

Wenn wir den Punkt, den wir vor einigen Tagen in unseren Darlegungen in Afrika gefunden haben, und jetzt näher dadurch charakterisieren, daß, weil die normalen Geister der Form zusammenwirken mit denjenigen abnormen Geistern der Form, die im Merkur zentriert sind, die Rasse der Neger entsteht, so bezeichnen wir okkult ganz richtig das, was in der schwarzen Rasse herauskommt, als die Merkur-Rasse.

Jetzt verfolgen wir diese Linie weiter, die wir dazumal durch die Mittelpunkte der einzelnen Rassenausstrahlungen gezogen haben. Da kommen wir nach Asien und finden die Venus-Rasse oder die malayische Rasse. Wir kommen dann durch das breite Gebiet Asiens hindurch und finden in der mongolischen Rasse die Mars-Rasse. Wir gehen dann herüber auf europäisches Gebiet und finden in den europäischen Menschen, in ihrem Urcharakter, in ihrem Rassencharakter die Jupiter-Menschen. Gehen wir über das Meer hinüber nach Amerika, wo der Punkt, der Ort ist, an dem die Rassen oder Kulturen sterben, so finden wir die Rasse des finsteren Saturn, die ursprünglich indianische Rasse, die amerikanische Rasse. Die indianische Rasse ist also die Saturn-Rasse. Auf diese Weise bekommen Sie, wenn Sie sich okkult die Sache immer genauer vorstellen, die Kräfte, die in diesen Weltenpunkten, diesen fünf Planeten, ihre äußere materielle Offenbarung erfahren haben.

Hier wordt weer dezelfde lijn gevolgd. Alleen wordt het verhaal nu verteld vanuit een ander perspectief. Het zijn nu de planetenkrachten die een rol spelen. En het ‘Aziatische ras’ is in tweeën gesplitst; een Maleis ras (Venus) en een Mongools ras (Mars). Uitvoerig bespreekt hij hier vervolgens de kenmerken en de achterliggende krachtwerkingen van ieder ras. Belangrijk is in deze voordracht hoe de abnormale geesten van de vorm (de geesten van de beweging) middels hun planetenkrachten inwerken op het fysieke lichaam van de mens, al gebeurt dat per ras op een andere manier. Eerst het Afrikaanse ras:

Wenn Sie sich davon eine immer deutlichere und konkretere Vorstellung machen, dann bekommen Sie eine innere Erkenntnis dieser eigentümlichen, über die Erde hin verbreiteten Rassen-Charaktere, eine Erkenntnis dieses eigenartigen Zusammenwirkens der normalen und der abnormen Geister der Form. Damit haben wir gleichsam das Bild gezeichnet, wie wir es in einem bestimmten Punkt festhalten können. Aber es gilt das, was ich gesagt habe für die verschiedenen Punkte der Erde, wieder nur für einen ganz bestimmten Zeitpunkt der Entwickelung. Es gilt für den Zeitpunkt, wo an einem bestimmten Momente der alten atlantischen Entwickelung die Völkerzüge von einem Punkt der Atlantis ausgehen und dorthin wandern, wo sie die entsprechende Rassenausbildung in dem betreffenden Punkte erhalten können. (einde citaat 109) Daher finden Sie in meiner «Geheimwissenschaft» auch darauf hingewiesen, daß in der alten Atlantis, an ganz bestimmten Mysterienstätten, die dort die atlantischen Orakel genannt sind, die Leitung dieser Verteilung der Menschen über die Erde in die Hand genommen wird, so daß in der Tat jenes Equilibrium, jene Gleichgewichtslage hervorgebracht werden konnte, die zur entsprechenden Rassenverteilung führte. In einem solchen Mysterien-Orakel wurden immer die Wahrheiten erforscht, die wir jetzt erzählen, und ursprünglich hat man sich ganz danach gerichtet. Es wurde auf diese Weise das, was auf der Erde geschah, von solchen Zentren aus in entsprechender Weise geleitet.

Wir haben also gleichsam in der Völkerströmung, die durch Afrika hinüberzog und sich in der äthiopischen Rasse auskristallisierte, einen Impuls zu suchen, der von dem Merkur-Orakel gegeben werden konnte, in dem man ganz genau beobachtete, wie zusammenwirkten die normalen Geister der Form, die sechs Elohim mit Jahve oder Jehova, und wie hineinwirkten die abnormen Geister der Form, die vom Mittelpunkte des Merkur aus wirkten. Nach dem astrologischen Zusammenwirken dieser verschiedenen Punkte der Kräfte wurde der Gleichgewichtspunkt ausgesucht auf unserer Erde und danach wurde der Gleichgewichtspunkt als Ausstrahlungspunkt für die betreffende Rasse angenommen.

In ähnlicher Weise wurde auch die Bildung der anderen Rassen geleitet. Danach wird dann die große Landkarte gezeichnet, in welche die Einflüsse eingetragen werden mit Bezug auf Völker, Geschlechter und so weiter. Das ist die große Landkarte, die ein Abbild der Himmelswirksamkeit ist, die dadurch entsteht, daß die Kräfte der Himmelswirksamkeit in die Erde hineinstrahlen, von ihr zurückstrahlen und den Menschen bestimmen.

Als was können wir nun einen Menschen der Merkur-Rasse, der äthiopischen Rasse ansehen? Wir können ihn so ansehen, daß wir sagen: Dieser Mensch ist ursprünglich durch die Elohim dazu bestimmt, dazu veranlagt gewesen, das gesamte Menschliche in seiner Totalität in sich auszudrücken. Aber nun wirkten von dem Merkurmittelpunkt aus die abnormen Geister der Form mit großer Gewalt und variierten den Menschen so, daß die Form der äthiopischen Rasse herauskam. Und so ähnlich verhält es sich bei jeder einzelnen Rasse. Dadurch aber, daß die Völkerströmungen in ganz bestimmter Weise von dem ursprünglichen Mittelpunkte aus geleitet worden sind, ist erst diese Linie, die ich Ihnen vor einigen Tagen zeichnete, entstanden. Sie müssen sich also denken, daß die Geister der Form von einem Mittelpunkte ausstrahlten. Diesen Mittelpunkt haben wir anzunehmen in einem bestimmten Zeitpunkte der alten Atlantis. Da haben wir das, was sich hinuntersenkt in den atlantischen Kontinent und ihn so ausgestaltet, daß die Menschengeister unter die Herrschaft der entsprechenden abnormen Geister der Form gebracht wurden.

Damit war die große Völkergrundlage geschaffen, und der Mensch hat, wenn er hinaufsieht in die unendlichen Weiten des Himmelsraumes, dort die Kräfte zu suchen, welche ihn konstituierten. Sie konstituierten ihn aber in ihrer Rückstrahlung von der Erde. Indem er hinaufblickt zu den normalen Geistern der Form, zu den Elohim, sieht er zu dem auf, was ihn eigentlich zum Menschen macht, und indem er hinaufblickt zu dem, was in den einzelnen Planetengeistern – abgesehen von Sonne und Mond – zentriert ist, sieht er das, was ihn zu einer bestimmten Rasse macht.

(cit. 110, cat. 3) Wie arbeiten nun in und an den Menschen diese Rassengeister? Sie arbeiten in sehr eigentümlicher Art, so, daß sie, man möchte sagen, durchkochen seine Kräfte zunächst bis in den physischen Leib hinein. Nun wissen Sie ja, daß sich dasjenige, was wir die vier Grundteile des Menschen nennen, projiziert, abbildet in jeweiligen Teilen des physischen Leibes, so daß wir sagen können: Es bildet sich ab dasjenige, was das Ich ist, im Blut; dasjenige, was der astralische Leib ist, im Nervensystem; dasjenige, was der Äther- oder Lebensleib ist, im Drüsensystem, und erst der physische Leib ist ein Sichselbstsein, ein Abbild seines eigenen Wesens, das für den heutigen Menschen in sich selbst seine geschlossenen Gesetze hat. Das Ich bildet sich also ab im Blute, der Astralleib im Nervensystem, der Ätherleib im Drüsensystem.

Zunächst können diejenigen geistigen Wesenheiten, die da in dem Menschen kochen, damit sein Rassencharakter entsteht, nicht gleich unmittelbar in die höheren Teile hineinwirken. Sie kochen zunächst in diesen Abbildungen der höheren Glieder im physischen Leibe (einde citaat 110). In den physischen Leib können sie nicht recht herein, aber sie kochen in den drei anderen Gliedern: in dem, was Abbild des Ich ist, im Blut, in dem, was Abbild des Astralleibes ist, im Nervensystem und in dem, was Abbild des Ätherleibes ist, im Drüsensystem. In diesen drei Systemen, die dem physischen Leibe angehören, aber Abbilder der höheren Glieder sind, kochen die Rassengeister, die abnormen Geister der Form.

Sie sehen hier, daß des Menschen physischer Leib von innen bestimmt wird, so bestimmt wird, daß diese verschiedenen geistigen Wesenheiten eingreifen in die Glieder im physischen Leibe, welche die Projektionen, die Schattenbilder der höheren Glieder sind. (cit. 111, cat. 2) Wo greift nun zum Beispiel der Merkur ein? – ich sage Merkur, um das zusammenzufassen, was sich als abnorme Geister der Form im Merkur befindet. Er greift so ein, daß er mit anderen zusammenwirkt, namentlich in das Drüsensystem. Er kocht in dem Drüsensystem drinnen, und da leben sich die Kräfte aus, die durch jenes Übergewicht der Merkurkräfte entstehen, die in der äthiopischen Rasse wirken. Alles, was der äthiopischen Rasse ihre besonderen Merkmale verleiht, das kommt davon her, daß die Merkurkräfte in dem Drüsensystem der betreffenden Menschen kochen und brodeln. Das kommt davon her, daß sie auskochen, was die allgemeine, gleiche Menschengestalt zu der besonderen der äthiopischen Rasse macht mit der schwarzen Hautfarbe, dem wolligen Haar und so weiter. Diese Modifikation der allgemeinen Menschengestalt kommt also von diesen Kräften her. (einde citaat 111)

En zo kwam, onder invloed van de planeet Mercurius, het Afrikaanse ras aan zijn zwarte huid en zijn kroeshaar. Het lijkt mij dat hier sprake is van rassenleer, of kan iemand dit nog steeds zien als niet meer dan een beschrijving van uiterlijke kenmerken, zoals de commissie van Baarda ? Overigens mag hier ook niet vergeten worden dat de planeten naar Griekse of Romeinse goden zijn genoemd, allen met een sterke symboolwaarde. Mercurius (als planeet dicht bij zon en met een korte omlooptijd) is de Griekse Hermes (de boodschapper van de goden met de gevleugelde voeten). Mercurius is overigens de Latijnse naam. Dit aspect is tegenwoordig niet meer zo algemeen bekend. Als de antroposofie nu een groot voordeel heeft, is dat het veel gebruik maakt van dit soort analogieën en symbolen. Wat dat betreft wordt dit ‘gezonken cultuurgoed’ sterk in leven gehouden. Ik heb dat zelf als een groot voordeel mogen ervaren van mijn eigen schooltijd. Door vanaf jonge leeftijd vertrouwd te zijn met de Griekse en de Germaanse mythologie zijn deze symbolen mij ook sterk bijgebleven. Niets is toeval in de antroposofie en alle analogieën zitten doortimmerd in elkaar. Jupiter is naast de planeet de Romeinse oppergod en verbonden aan het blanke ras. Mars is de oorlogsgod en verbonden aan de Mongolen. Mercurius is de boodschapper met gevleugelde voeten en verbonden aan het zwarte ras en Saturnus is de oude god, vaak geassocieerd met de dood en het element aarde, verbonden met de indianen.

Zie hierbij zeker het commentaar van de commissie bij Vom Leben des Menschen over de kokende neger. Steiner zegt namelijk iets vergelijkbaars in Vom leben des Menschen und der Erde (GA 249, 1923). Ik zal die passage weergeven en dan ook het uitgebreide commentaar van de commissie. Uit mijn bespreking van Vom Leben des Menschen und der Erde:

(cit. 124, cat. 2) ‘Dadurch, daß er das tut, wirken über den ganzen Menschen hin die Kräfte des Weltenalls (Zeichnung, links). Überall nimmt er Licht und Wärme auf, überall. Das verarbeitet er in sich selber. Da muß etwas da sein, was ihm hilft bei diesem Verarbeiten. Nun, sehen Sie, das, was ihm da hilft beim verarbeiten, das ist namentlich sein Hinterhirn. Beim Neger ist daher das Hinterhirn besonders ausgebildet. Das geht durch das Rückenmark. Und das kann alles das, was da im Menschen drinnen ist an Licht und Wärme, verarbeiten. Daher ist beim neger namentlich alles das, was mit dem Körper und mit dem Stoffwechsel zusammenhängt, lebhaft ausgebildet. Es hat, wie man sagt, ein starkes Triebleben, Instinktleben.  Der Neger hat also ein starkes Triebleben. Und weil er eigentlich das Sonnige, Licht und Wärme, da an der Körperoberfläche in seiner Haut hat, geht sein ganze Stoffwechsel so vor sich, wie wenn in seinem Innern von der Sonne selber gekocht würde. Daher kommt sein Triebleben. Im Neger wird da drinnen fortwährend richtig gekocht, und dasjenige, was dieses Feuer schürt, das ist das Hinterhirn.

Manchmal wirft die Einrichtung des Menschen noch solche Nebenprodukte ab. Das kann man gerade beim Neger sehen. Der Neger hat nicht nur dieses kochen in seinem Organismus, sondern er hat auch noch ein furchtbar schlaues und aufmerksames Auge. Er guckt schlau und sehr aufmerksam. Das könnten Sie leicht als Widerspruch auffassen. Aber das ist so; Wenn da vorne der Nerv des Auges (Zeichnung), so gehen die Nerven just in Hinterhirn hinein; die kreuzen sich da. Der Nerv, der geht also ins Hinterhirn. Und weil der Neger das Hinterhirn besonders ausgebildet hat, deshalb guckt er auch so schlau, deshalb ist er ein so schlauer Beobachter der Welt. (einde citaat 124)

Wenn man das anfängt zu verstehen, so wird einem alles klar. Aber solche Betrachtungen, wie wir sie jetzt wieder machen, die macht die heutige Wissenschaft gar nicht. Sie versteht daher nichts von all dem’. [37] 

 

Dan nu het commentaar van de commissie: ‘Samengevat heeft een donkere huidskleur volgens Steiner de volgende betekenis voor de mens: het licht en de warmte uit de omgeving van de mens worden totaal opgenomen. Door de intensieve inwerking op de huid bij een bijna loodrechte zonnestand werd deze zwart (NB Hiermee wordt dus een ander proces beschreven dan de tijdelijke verandering van de huidskleur onder invloed van de zon in de huidige tijd). Het aandeel van de warmte en het licht dat niet door de zintuigen kan worden waargenomen, worden dieper in de mens verteerd door de stofwisseling. De stofwisselingspool en daardoor ook het instinct- en driftleven (het onbewuste wilsleven dat zijn oorsprong heeft in de stofwisselingspool) zijn om die reden extra ontwikkeld. De achterste hersenen spelen daarbij een belangrijke regulerende rol en als gevolg van het feit dat de oogzenuwen in deze hersenen uitmonden kijkt hij ‘schlau’ uit zijn ogen, wat in het Nederlands opmerkzaam en slim, maar ook sluw kan betekenen ( en deze onzin geldt uitsluitend voor het zwarte ras?? Neem me niet kwalijk, maar dit is bijna van hetzelfde kaliber als ‘schedelmeten’, FS).

NB De formuleringen van Steiner wekken wel enige bevreemding (??!! FS). Zelf liet hij de volgende opmerking op het bovenstaande volgen: ‘Wenn man das anfängt zu verstehen, so wird einem alles klar. Ber solche betrachtungen, wie wir sie jetzt wieder machen, die macht die heutige Wissenschaft gar nicht. Sie versteht daher nichts von all dem’. Antroposofie gaat zoals gezegd niet alleen over zintuiglijk waarneembare feiten, maar verbindt deze met bovenzinnelijke waarnemingen’. Nu volgt de meest begrijpelijke en heldere en vooral de meest zinvolle en constructieve passage uit het hele rapport: ‘Bovenstaande uiteenzettingen over de regulerende werking van de achterste hersenen bij de verwerking van licht en warmte in de stofwisseling beschrijven processen die zich voor een deel in het bovenzinnelijke deel van de mens afspelen en zijn daarom alleen in dat licht te begrijpen. Door fysiologisch onderzoek zou kunnen worden nagegaan of ook op materieel niveau zulke verbindingen te leggen zijn, maar dat valt buiten het kader van dit rapport’.[38]

Op dit commentaar van de commissie heb ik weer uitvoerig mijn eigen, ietwat pittige commentaar gegeven (zal aan de orde komen bij de bespreking van Vom Leben des Menschen und der Erde). Maar al volstaat de commissie in het geval van Die Mission einzelner Volksseelen met slechts een beschrijvend zinnetje, het lijkt me wel duidelijk dat het hier over hetzelfde gaat.

Uit dit alles blijkt weer eens hoe ‘Hermetisch’ dit vertoog van Steiner is, alles is verbonden met alles en krachten uit de macrokosmos drukken zich uit in krachten in de microkosmos. Maar goed, zoals we hebben gezien bij de vierde voordracht, de lijn slingert van Afrika richting Azië. Eerst doet het Zuid oost Azië aan, het leefgebied van het Maleise ras. En na Mercurius komt Venus, dus:

(cit. 112, cat. 2) ‘Gehen Sie nun weiter nach Asien herüber, so haben Sie in ähnlicher Weise etwas, was man als Venuskräfte bezeichnen könnte, als eine abnorme Ausgestaltung der Geister der Form. Diese Venuskräfte wirken wiederum, indem sie ihren Angriffspunkt vorzugsweise auf das verlegen, was wir Abbild des astralischen Leibes nennen, im Nervensystem. Aber sie wirken auf eine besondere Art, und zwar nicht direkt als Venusgeister, auf das Nervensystem. Es kann nämlich auf zwei Umwegen auf das Nervensystem gewirkt werden. Der eine Umweg ist durch die Atmung. Indem nämlich besonders auf die Atmung gewirkt wird, setzen sich im Menschen selber diese Wirkungen im Atmungs- und Nervensystem fest und geben ihm eine bestimmte Form. Diesen Umweg wählen sich die abnormen Geister der Form, die wir Venuswesen nennen können, eben in der malayischen Rasse, in den gelbschattierten Rassen von Südasien und nach den Inseln des malayischen Gebietes hin. Da ist ausgebreitet, so wie über das äthiopische Gebiet die Drüsenmenschheit, über diese Fläche die Menschheit, bei der die abnormen Geister der Form auf dem Umweg durch das Atmungssystem auf das Nervensystem wirken. Im Nervensystem wird auf dem Umwege über das Atmungssystem gewirkt. Im Nervensystem wird ausgekocht das, was mit besonderen Modifikationen die mehr oder weniger gelbgefärbte Menschheit gibt. Die Umwandlung, welche da bewirkt wird, drückt sich allerdings mehr in jenem Nervensystem aus, das wir mit dem Ausdruck Sonnengeflecht zusammenfassen, also nicht eigentlich in dem höheren Nervensystem, sondern in jenem geheimnisvollen Teile des Nervensystems, der in zwei Strängen parallel dem Rückenmark läuft und sich in der verschiedensten Weise ausbreitet. Es wird also in diesem Teile des Nervensystems auf dem .Umwege durch das Atmungssystem gewirkt, der in unserem Sinne noch nicht zu der höheren geistigen Tätigkeit gehört. Es wird tief im unterbewußten Organismus durch diese Venuskräfte gewühlt, die in diesem Rassenteile der Menschheit wirken. (einde citaat 112)

Venus werkt dus door in de ademhaling van het Maleise ras, woonachtig op het Indo-chinese schiereiland. Associaties te over lijkt me. En zoals de liefdesgodin Venus zich in Zuidoost Azië heeft genesteld, zo geldt dat voor de oorlogsgod Mars op de Mongoolse vlakten, al gebeurt er hier ook iets bijzonders dat nader moet worden toegelicht:

(cit. 113, cat. 2) ‘Jetzt gehen wir über die breiten, mongolischen Flächen herauf. Das sind diejenigen Flächen, in denen die Geister der Form vorzugsweise wirken, die den Umweg durch das Blut genommen haben. Da wird im Blute dasjenige ausgekocht, was die eigentliche Modifikation aus der Menschheit heraus, den Grundcharakter der Rasse bewirkt. Nun ist aber bei dieser mongolischen Rasse etwas höchst Eigentümliches vorhanden. Da gehen ins Blut hinein die Marsgeister. Sie arbeiten aber auf eine ganz bestimmte Weise im Blute, so daß sie den sechs Elohim, die in der Sonne zentriert sind, entgegenwirken können. Diesen sechs Elohim wirken sie also entgegen in der mongolischen Rasse. Dabei machen sie eine ganz besondere Attacke nach der anderen Seite, nach Jahve oder Jehova, der abgetrennt hat sein Wirkungsgebiet von dem der sechs Elohim. (einde citaat 113)  (cit. 114, cat. 3) Aber außer diesem Zusammenwirken der Marsgeister mit den sechs Elohim und Jahve, das die mongolische Rasse ergibt, gibt es noch ein Besonderes. Wenn wir die Art dieses besonderen Einflusses angeben wollen, so müssen wir sagen: Wie in das Mongolische hinein die sechs Elohim von der Sonne, Jahve vom Monde und ihnen entgegen die Marsgeister wirken, so müssen wir in einem anderen Falle annehmen, daß von der Mondrichtung her die Jahvekräfte wieder zusammentreten und zusammenwirken mit den Marsgeistern, und daß dadurch eine besondere Modifikation entsteht. Hier haben Sie, aus dem okkultesten Hintergrunde heraus erklärt, eine besondere Modifikation der Menschheit, nämlich diejenige, die zum Semitentum gehört. Im Semitentum haben Sie eine Modifikation des gesamten Menschentums, so, daß sich ausschließt von den anderen Elohim Jahve oder Jehova und dieses Volk mit einem besonderen Charakter veranlagt, indem er zusammenwirkt mit den Geistern des Mars, um die besondere Modifikation dieses Volkes hervorzubringen. Jetzt werden Sie auch das Besondere einsehen, das in dem semitischen Volk und seiner Mission liegt. In einem gewissen, tiefen okkulten Sinn konnte der Schreiber der Bibel sagen, daß Jahve oder Jehova dieses Volk zu seinem Volke gemacht habe, und wenn Sie jetzt das dazu nehmen, daß hier ein Zusammenwirken stattfindet mit den Marsgeistern, und daß die Marsgeister ihre Angriffe vorzugsweise auf das Blut richten, dann werden Sie auch begreifen, warum gerade die fortgehende Wirkung des Blutes von Geschlecht zu Geschlecht, von Generation zu Generation für das semitisch-hebräische Volk von ganz besonderer Wichtigkeit ist, und warum im semitischen Volk der Gott Jahve sich als der Gott bezeichnet, der mit dem Blute herunterrinnt von Abraham, Isaak, Jakob und so weiter. Das ist der Weg, wie das Blut rinnt durch alle diese Geschlechter. Indem sich Jahve bezeichnet: «Ich bin der Gott Abrahams, Isaaks und Jakobs», sagt er: Ich wirke in eurem Blute. – Was immer im Blute wirkt, was im Blute ausgefochten werden muß, das Zusammenwirken mit den Marsgeistern, das ist eines der Mysterien, die uns tief hineinführen in die weise Führung der gesamten Menschheit der Erde.

So also sehen Sie, daß auf das Blut der Menschheit in zweifacher Weise gewirkt wird, daß zwei Rassenbildungen sozusagen entstehen, indem auf das Blut der Menschheit gewirkt wird. Auf der einen Seite haben wir alles dasjenige, was wir die mongolische Rasse nennen, auf der anderen Seite dasjenige, was wir als zum Semitentum gehörig bezeichnen können. Das ist eine große Polarität in der Menschheit, und wir werden auf diese Polarität unendlich Bedeutungsvolles zurückzuführen haben, wenn wir die Tiefen der Volksseelen werden verstehen wollen‘. (einde citaat 114)

Hier valt veel over te zeggen. In de eerste plaats wordt er de verbinding gelegd met de Mongolen en de oorlogsgod Mars. Er werken dus sterke krachten van deze planeet oorlogsgod op de Mongoolse vlakten. Nu is het aardige dat Bernard Lievegoed, prominent Nederlands antroposoof (stond ook bekend als een van de meest erudiete en verlichte representanten van deze beweging) een keer iets interessants heeft gezegd in een interview met Jelle van der Meulen in het antroposofische tijdschrift Jonas. Later is dit artikel, omgeven met wat rellerige sneren, opnieuw gepubliceerd in de Brug. Ik haal hier een verhelderende passage uit de Brug aan:

Een kleine waarschuwing bij dit hoofdstukje: wat Bernard Lievegoed hier vertelt over Mongolen en mohammedanen is 20 jaar later helemaal niet politiek correct. Maar we verwijzen in dit verband liever naar het artikel van Jos Verhulst in ‘De Witte Werf’ van juni/juli 2000 over het reactionaire karakter van Politieke Correctheid ( “PC: het progressieve masker van het globale kapitalisme”). -fdw.

JvdM: Zo op het eerste gezicht is het niet moeilijk om vast te stellen waar de spanningen liggen (in 1980 – fdw). Rusland versus Amerika, Iran, het Midden-Oosten, het Westen en de Derde Wereld, Afghanistan.

BL: In een gesprek vertelde Steiner dat de werkelijke spanningen in de wereldpolitiek liggen tussen China en Amerika. Hij voorzag een strijd tussen beide landen, waarbij hij in het midden liet of die zich zou afspelen over Europa heen, dan wel over de oceaan. Voor ons valt te hopen dat het laatste het geval is, hoewel Steiner enkele malen heeft gesproken over een verwoest Europa tussen 1950 en 2050.Mao Tse Toeng heeft natuurlijk een grote rol gespeeld in de versterking en centralisatie van China. Hij heeft vorm gegeven aan de Chinese Volksrepubliek die in 1949 werd opgericht en waarvan hij de voorzitter werd. Nu is het van belang te weten dat Mao zijn inspiratie heeft gehaald tijdens de grote tocht naar het Noorden, in Buiten-Mongolië, waar tegenwoordig de Mongoolse Volksrepubliek ligt. Dat is een heel bijzonder gebied op aarde, waar heel sterke Marskrachten inwerken. Deze worden volgens een oude Chinese traditie elke achthonderd jaar actief. China heeft tegen deze Mongolenstormen zijn Chinese Muur gebouwd. De demonische Marskrachten in dat gebied nemen dan bezit van mensen en drijven ze tot gewelddadige overheersing. Er zijn een aantal momenten in de geschiedenis aan te wijzen waarop eerst China en later ook Europa vanuit het Oosten dreigden te worden overheerst. Op een voor een uiterlijke beschouwingswijze onbegrijpelijke manier werd vaak ingegrepen en het lot ten goede gekeerd. Toen Attila na de slag op de Catalaunische velden bij Troyes in 450 werd teruggeslagen, lag voor hem de weg naar Zuid-Europa open. Hij trok naar Italië om het onverdedigde Rome te plunderen. De legende verhaalt hoe paus Leo de Grote hem tegemoet komt en Attila boven de paus een groot paard ziet, waarop de aartsengel Michaël zit. Attila schrikt daar zo van dat hij hals over kop naar Hongarije vlucht waar hij korte tijd later sterft.

Binnen een jaar was er geen Mongool meer in Europa. De demonische Marskrachten kunnen niet worden verslagen door wapens, maar alleen door het licht van een christelijke ingewijde. Op het moment dat de demonische invloeden Attila hebben verlaten, vraagt hij zich af: Wat doe ik hier eigenlijk? Terstond is de overheersingsdrang verdwenen en vlucht hij. Hetzelfde herhaalt zich 800 jaar later. Bij Breslau komen de Mongolen Europa binnen en verslaan alle Silezische ridders in de slag bij Liegnitz. De poort naar Europa ligt open. De dag na de slag echter trekt het leger zich in paniek terug en binnen drie maand was heel Rusland vrij van Mongolen. Een historisch raadsel. Het was ook hier een ingewijde die de demonische krachten tegemoet trad. Dat was de heilige Hedwig. Zij was familie van Elisabeth van Thuringen. Zij was getrouwd met graaf Wilhelm van Silezië. Met hulp van Cisterciënser monniken laat de graaf kloosters bouwen. In een van die kloosters leefde een abt die enkele malen naar Rome toog om te zeggen: “Hou toch op met die kruistochten. Het gevaar ligt niet in Palestina maar in Centraal-Azie”. Iedereen verklaarde hem voor gek maar hij wist waar hij het over had. Innerlijk bereidde hij zich -samen met de heilige Hedwig- voor op de komst van de Mongolen. Het is het christelijke licht dat deze mensen uitstraalden dat de Mongolen de wijk deed nemen.

Ook in onze tijd zou dus weer een Mars-inspiratie moeten uitgaan van het Mongoolse gebied. Mao heeft daar zijn inspiratie gehaald en ik houd het dan ook niet voor onmogelijk dat eens een nieuwe Mongolenstorm tot in Europa zijn uitwerking zal hebben. Wanneer je naar de uiterlijke politieke omstandigheden kijkt zul je misschien zeggen: waar halt u het vandaan. Als je echter door de dingen heen kijkt en rekening houdt met geestelijke werkelijkheden is zoiets helemaal niet ondenkbaar.

Op deze gevaren moeten we voorbereid zijn. De demonische Marskrachten versla je niet met wapengeweld. Waar het om gaat is dat er een christelijke subcultuur ontstaat in Europa met krachten die opgewassen zijn tegen de demonen. Er moeten culturele eilanden komen waar mensen zijn die echt menen wat ze doen. Waar niet gewerkt wordt vanuit een systeem, omdat je daarmee zo handig kinderen kunt leren lezen en schrijven. Plaatsen waar menselijkheid is, waar tegenstellingen niet worden verdoezeld, maar waar mensen echt op elkaar ingaan. Als het zover is dat er een grote ingewijde zal zijn, zal hij zonder een subcultuur van het hart niet kunnen werken.

De andere tegenkracht is de fanatieke islam, die nu een renaissance doormaakt. Uit het zuidoosten dreigt een overheersing van Europa door een heilige oorlog van fanatieke mohammedaanse groepen. Het gaat hier om een zuiver ideologische strijd die in de komende decennia kan escaleren. Of het een aanval met wapens of met economische middelen gaat worden is nog onzeker, maar ook hier staan wij in een geestesstrijd die alleen door een christelijke cultuur van het hart gewonnen wordt, zoals reeds een paar maal in de laatste dertienhonderd jaar is gebeurd.

Men kan wat ik hier zeg zien als negatief doemdenken. Dat is het niet. Het is een aansporing om positief te staan in de grote taken van deze tijd.’[39]

Het lijkt me duidelijk dat Lievegoed zeer bekend was met deze cyclus van Steiner. Ik zou me overigens geen groter contrast kunnen voorstellen tussen een intellectueel als Lievegoed en het platte geschreeuw van de Brug, maar toch je ziet bij beiden Steiners visie terug, zoals geformuleerd in ‘Die Mission’.

Maar om nog iets opmerkelijks uit deze passage te noemen. De planeet Mars blijkt dus ook van invloed te zijn op de Semieten. Er is zelfs een samenwerking van een van de Elohim (Jahwe, vanaf de maan) met de marsgeesten. Steiner schildert hier de ‘geschiedenis van de bloedbanden’, die wij kennen uit het Oude Testament als aangestuurd door de Marsgeesten, maar Jahwe opereert vanuit de Maansfeer. De Joden kunnen wel degelijk geassocieerd worden met Mars, maar ook met de maan. Interessant is het in deze om te wijzen op het artikel van Jan Willem de Groot; ‘Kosmisch racisme’. Daar wordt ook ingegaan op deze passage: ‘Ook de joden krijgen in de antroposofie een hemellichaam toebedeeld, in hun geval de maan. De antroposofische visie op de verbindingen tussen het Jodendom en de maan vinden we kernachtig verwoord in een interview met de antroposoof John van Schaik in het antroposofische tijdschrift Jonas van 27 mei 1994. Van Schaik zegt hier over Steiners visie op de joden het volgende: “(…) Ook Steiner maakt verschil. Hij zegt dat de god in het Oude Testament nog werkt vanuit de maansfeer en de God in het Nieuwe Testament vanuit zonnekracht. Vanuit de maansfeer geeft Jahweh leiding aan het joodse volk. De maan spiegelt, werkt op het spiegelende bewustzijn. Het reflecteert op iets. Het joodse volk ontwikkelde een reflecterend, sterk intellectueel bewustzijn.’ Jan Willem de Groot legt overigens ook een historische link naar een antisemitische traditie (hij laat overigens, net als ik, in het midden of deze maanvoorstelling echt antisemitisch zou zijn, hoewel ook dit mijns inziens weer schandelijk stereotype en etnocentrisch is, naar de hedendaagse maatstaven):

‘De verbinding Jodendomrationalisme die hier door de antroposofie gelegd wordt, kenmerkte eveneens het antisemitische denken in Duitsland. De veronderstelling van de joden als een ‘volk zonder wortels’, dat met zijn intellectuele reflectie de vertrouwde levenspatronen vernietigt en op deze wijze de wegbereider van de moderniteit wordt, was wijd verbreid in het antisemitische kamp. De Duitse filosoof Ludwig Klages (1872-1956), die een antisemitisch geïnspireerde ‘Lebensphilosophie’ verkondigde waarin de intuïtie boven de – rationele – reflectie werd gesteld, sprak in dit opzicht over het ‘molochitisch-zersetzende Verstand’ van de joden, die met hun rationalisme iedere  synthetische en organische entiteit tot ontbinding brengen en daarmee het leven zelf doden. De antroposofische gelijkstelling van de joodse “reflectie” met de ‘spiegelende’ maan duidt niet alleen op het veronderstelde joodse rationalisme, maar herbergt nog een ander aspect, dat evenzeer in de antisemitische traditie wortelt. Het betreft hier de klassieke antisemitische gedachte dat de joden een volk van ‘parasieten’ zijn; net zoals de maan als ‘parasitair hemellichaam’ het licht voor haar reflectie aan de zon ontleent, ontlenen de joden als ‘parasitair volk’ hun levenskracht aan hun gastvolk. Dat deze bizarre vergelijking onderdeel is van het antisemitische gedachtegoed blijkt uit het werk van Georg Lomer (1877-1956), een voormalig zenuwarts die na de Eerste Wereldoorlog in contact met de theosofische beweging was gekomen. Lomer was als astroloog de stichter van een zogenaamde Arische “zonnekerk,” waar hij voor zijn volgelingen een metafysische rassenleer formuleerde. In zijn brochure Wir und die Juden im Lichte der Astrologie uit 1928 stelde hij dat de Arische man als het scheppende principe in verbinding stond met de zon, terwijl de joden slechts in het licht van de maan stonden; zoals de maan voor haar uitstraling op de maan parasiteerde, parasiteerden volgens Lomer de joden op de scheppingskracht van het het Ariërdom en waren daarmee een ‘parasitair maanvolk’. Deze gedachte leefde niet alleen bij Lomer en zijn volgelingen. Ook elders in het ‘völkische’ en antisemitische kamp werden de joden consequent met de maan in verbinding gebracht en als

duistere ‘Mond-Kreaturen’ afgeschilderd.

Dat deze antisemitische ‘maanmythologie’ tot op heden voortleeft, blijkt op ondubbelzinnige wijze uit het werk van de Chileen Miguel Serrano, voormalig ambassadeur van Chili in India, Joegoslavië en Oostenrijk. Serrano, schrijver van een in meer dan twintig talen vertaald boek over zijn vriendschap met Hermann Hesse en Carl Gustav Jung publiceerde in 1978 in Santiago een boek met de volgende titel: El cordon dorado; Hitlerismo esoterico (in 1987 verschenen in een Duitse vertaling onder de titel Esoterischer Hitlerismus). In dit huiveringwekkende werk wordt Hitler opgevoerd als een Arische lichtgod, die de mensheid heeft proberen te bevrijden van de Semitische wereldheerschappij. En ook Serrano brengt in zijn boek de joden in verbinding met de maan wanneer hij spreekt over het (huidige) ‘Semitisch-lunare Fischezeitalter’, waarin de aarde wordt beheerst door het joodse rationalisme en materialisme. Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat de antroposofische indeling van de mensheid in dag- en nachtvolkeren en de antroposofische voorstelling van de joden als een volk dat met de maan verbonden is zeer problematisch zijn. Met dergelijke classificaties maakt de antroposofie deel uit van een traditie, waarvan de antroposofen zelf zich in het geheel niet bewust zijn. Deze traditie kan men het best karakteriseren als ‘kosmisch’ of ‘metafysisch racisme’. Dit gebrek aan historisch inzicht van de antroposofen maakt hen blind voor de obscure overlevering, waarmee veel van Steiners ideeën over rassen verbonden zijn. Het grote gevaar van een  beschouwingswijze, waarin het individu met bovenpersoonlijke krachten wordt verbonden, schuilt in de ontmenselijking. Mensen worden niet meer als unieke individuen waargenomen, maar als het verlengstuk van een of ander metafysisch principe. Deze ontmenselijking treedt niet alleen naar voren in de theorieën van Lanz en Serrano, maar ook in de antroposofie, waarin het lot van volken en rassen ‘kosmisch’ bepaald is. Dit blijkt op navrante wijze uit de antroposofische visie op de Indianen, die als “Saturnusras” gedoemd zijn uit te sterven. Het is een zienswijze, waarin de ethiek geheel achter de – occulte – horizon verdwijnt; niet de mens telt, maar het principe’.[40]

Met deze slotconclusie ben ik het overigens meer dan eens. De notie van de indianen als het Saturnusras komt hier later ter sprake. Nadat de Mongolen en de Semieten zijn besproken gaat Steiner over naar het ras dat met de planeet Jupiter is verbonden: het Europese/Arische ras:

(cit. 115, cat. 3) ‘Wir haben noch weiter zu verfolgen, wie die Geister und Wesenheiten, die im Jupiter ihren Mittelpunkt haben, in dem Menschen kochen und brodeln. Diese wählen sich nun den zweiten Angriffspunkt, um unmittelbar auf das Nervensystem zu wirken, und zwar geht durch alles das, was die Sinne des Menschen sind, der eine Angriffspunkt; der andere Angriffspunkt, der in das Nervensystem hineinwirkt, geht auf dem Umwege durch das Atmungssystem in das Sonnengeflecht. Der Angriff, der von dem Jupiter ausgeht, geht auf dem Umweg durch die Sinneseindrücke und strömt von da aus auf die Teile des Nervensystems, die im Gehirn und Rückenmark zentriert sind. Da hinein fließen also bei denjenigen Rassen, die zur Jupiter-Menschheit gehören, jene Kräfte, die den Rassencharakter besonders ausprägen. Das ist bei den arischen, vorderasiatischen und europäischen Völkern, bei denen, die wir zu den Kauka-siern rechnen, mehr oder weniger der Fall. Da tritt die Modifikation der allgemeinen Menschheit, die von den abnormen Geistern der Form herrührt, dadurch ein, daß die abnormen Geister, die wir als Jupiter-Geister bezeichnen können, auf die Sinne einwirken. Also durch die Sinne werden die Kaukasier bestimmt.

Nun werden Sie auch begreifen, daß ein ganz eminent und bewußt unter dem Jupiter- oder Zeus-Einfluß stehendes Volk, wie die Griechen, die sich als Mittelpunkt für den Zeus-Einfluß fühlen, hervorragend bestimmt wird durch das, was durch die Sinne in das Nervensystem einfließt. Natuürlich sind auch die Griechen beeinflußt durch die von der Sonne einströmenden Elohim. Aber die Sache ging so vor sich, daß bei den Griechen alles, was auf die Sinne wirkt, dem Jupiter- oder Zeus-Einfluß hingegeben war, und dieses Volk dadurch seine Größe erlangte. In alledem, was die Griechen sehen als äußere Form, äußeres Leben, ist für sie ein wichtiger Sinn vorhanden. Sie sehen das Geistige in den sinnlichen Anschauungen und werden dadurch das Grundvolk aller Plastik, das Grundvolk aller äußeren Formgebung. Damit haben wir schon hingewiesen auf eine ganz besondere Mission des griechischen Volkes, das gerade in ausgezeichneter Weise das Jupiter- oder Zeus-Volk ist, welches sich, auch in der Zeit, in der insbesondere durch die eintretende Sternkonstellation das Zusammenwirken der Zeus- oder Jupiter-Kräfte mit den allgemeinen Elohim-Kräften stattfand, als das Zeus-Volk fühlte.

In deze laatste passage herkennen we pas echt het slot van het artikel van Jan Willem de Groot, zoals het contrast zon en maan wat betreft de Ariërs en de Semieten. De samenwerking van de abnormale geesten van de vorm, die vanuit de planeet Jupiter doorwerken in het zenuwstelsel en een samenwerking aangaan met de Elohim vanuit de Zon (de ‘Geesten van de vorm’) blijkt dus wel heel productief te zijn. We schijnen er de klassieke beeldhouwkunst van de Grieken aan te danken te hebben. Overigens leg ik hier nu een heel voorzichtig linkje naar een voorbeeld uit mijn eigen vak. Het doet me enigszins denken aan de opvattingen van de archeoloog en eigenlijk de grondlegger van het vak kunstgeschiedenis als academische discipline Johann Joachim Winckelmann (1717-1768). Naast dat hij eigenlijk de  herontdekker’ van de Griekse beschaving was, stamt ook van hem de historische theorie van opkomst, bloei en verval. Na hem is dit bijna een verschrikkelijk cliché geworden. Denk maar aan de beschrijvingen van de Italiaanse renaissance. Ook een verhaal van opkomst, bloei en verval (maniërisme). Dit is echt diep gezonken cultuurgoed geworden, tot en met alle kwalificaties van decadent toe. Als eruit het vertoog van Steiner een ding blijkt, is dat hij wel heel erg besmet was denken in termen van opkomst, bloei en verval. Deze hele voordracht is gebouwd op die notie, net als de hiervoor besproken vierde lezing. Overigens wordt deze terminologie (los van de grote waardering die er natuurlijk voor Winckelmann is) als hopeloos verouderd gezien. Maar Steiner, en daarmee de antroposofie (want zijn opvattingen zijn daar als in brons gegoten) hebben wel een flinke tik van dit soort denken gehad. Dat uit zich overigens niet alleen in de opvattingen over mensenrassen en cultuurperiodes. Je ziet het eigenlijk in bijna alles terug. Maar goed, in de alfa en cultuurwetenschappen wordt dit concept langzamerhand volstrekt achterhaald beschouwd. Hierna volgt nog een stukje jubelzang op het blanke ras:

Modifikationen dieses Jupiter-Einflusses sind im Grunde genommen alle vorderasiatischen und namentlich europäischen Völker, und Sie können jetzt schon ahnen – da der Mensch viele Sinne hat -, daß viele Modifikationen eintreten können und daß für die Ausgestaltung der einzelnen Völker innerhalb dieser Grundrasse, die durch die Einwirkung der Sinne auf das Nervensystem gebildet werden, der eine oder andere Sinn die Hegemonie erhalten kann. Dadurch können die verschiedenen Völker die verschiedenste Gestalt annehmen. Je nachdem das Auge oder das Ohr oder einer der anderen Sinne die Oberherrschaft hat, je nachdem werden die verschiedenen Völker in dieser oder jener Richtung disponiert zu der besonderen Volksrichtung innerhalb des Rassencharakters. Dadurch erwachsen ihnen ganz bestimmte Aufgaben. Eine Aufgabe, die besonders der kaukasischen Rasse obliegt, ist die: Sie soll den Weg machen durch die Sinne zum Geistigen, denn sie ist auf die Sinne hin organisiert.

Op zich een grappig stukje. Wij vinden onszelf heel erg divers en vaak dat Chinezen (ik noem maar iets) vaak erg op elkaar lijken. Omgekeerd wordt vaak hetzelfde gevonden. Aziaten of Afrikanen vinden ons er vaak hetzelfde uitzien. Maar goed, Steiner sprak vanuit het perspectief van een Europeaan. Maar als hij dat niet eens kan relativeren, hoe zou hij dan in staat moeten zijn om vanuit een soort kosmisch perspectief de betekenis van de verschillende mensenrassen te duiden? Want in deze is bescheidenheid of relativering van het eigen standpunt ver te zoeken. Over wat de opdracht van dit ras is, laat Steiner geen misverstand bestaan. Het blanke ras heeft de wereld veel te bieden en daar komt voorlopig geen einde aan. Zie de volgende passage:

Hier liegt etwas von dem, was auch in die tieferen Ausgangspunkte des Okkultismus hineinführt und Ihnen zeigen wird, daß bei denjenigen Völkern, deren Zeichen sozusagen in dem Venus-Charakter liegt, der Hauptausgangspunkt – auch in der okkulten Ausbildung – da genommen werden muß, wo das Atmen das Wichtigste ist. Dagegen muß bei allem, was mehr im Westen liegt, der Ausgangspunkt von einer Vertiefung und Vergeistigung dessen genommen werden, was in der Sinneswelt liegt. (einde citaat 115) Das haben in den höheren Erkenntnisstufen, in der Imagination, Inspiration und Intuition ganz in dem Sinne, wie der Jupitergeist ursprünglich den Charakter modifiziert, diejenigen Volkstümer, die nach dem Westen gelegen sind. Deshalb gab es diese zwei Zentren immer in der Menschheitsevolution: jenes Zentrum, das sozusagen mehr von den Geistern der Venus regiert wurde, und jenes Zentrum, das mehr regiert wurde von den Geistern des Jupiter. Die Geister des Jupiter wurden besonders beobachtet in jenen Mysterien, in denen sich zuletzt zusammengefunden haben – wie diejenigen wissen werden, die an meinem vorjährigen Münchener Vortragszyklus teilgenommen haben – die drei Individualitäten, die drei geistigen Wesenheiten des Buddha, des Zarathustra oder Zarathas in seiner späteren Inkarnation und desjenigen großen Führers der Menschheit, den wir mit dem Namen Skythianos bezeichnen. Das ist das Kollegium, das sich, unter der Führung eines noch Größeren, die Aufgabe gesetzt hat, die geheimnisvollen Kräfte zu untersuchen, welche ausgebildet werden müssen für die Evolution der Menschheit, deren Ausgangspunkt genommen worden ist von jenem Punkte, der ursprünglich zusammenhängt mit den Jupiter-Kräften und in der erwähnten Landkarte der Erde vorherbestimmt war’.

Duidelijker kan niet. Overigens noemt Steiner een aantal ‘incarnaties’ uit het verleden die ook in de antroposofische indeling naar cultuurperiodes van cruciaal belang zijn. Boeddha bijvoorbeeld en zeker Zarathustra, de grote Perzische grondlegger van de Zoroastische filosofie. Dat juist deze figuren in verband worden gebracht met ‘het blanke ras’ (waarom is dat eigenlijk zo, er valt namelijk veel tegen in te brengen), laat zien dat de Ariër mythe ook voor Steiner van belang was. In de Akasha Kroniek is Steiner overigens nog veel explicieter over de missie van het Arische ras. Helena Blavatsky (toch een belangrijke bron voor Steiner, of de antroposofen het nu leuk vinden of niet) is overigens weer nog veel duidelijker in de Geheime Leer. Maar wellicht is dat aardig om een keer te behandelen als de Akasha Kroniek behandeld wordt, daaruit zijn veel lijntjes naar de Geheime Leer te trekken. Maar hier zien we het weer: een aantal grote geesten in de mensheidsontwikkeling zijn voortgebracht

uit het Arische ras en de toekomst liegt er ook niet om. Een soort wereldmissie misschien? Zullen we het daar voorzichtig op houden.

De zin van dat Arische beschavingsoffensief wordt meteen duidelijk in de volgende passage wanneer er wordt overgegaan op het Saturnusras, de Indianen. En voor de indianen is Steiner, de vele liefhebbers en natuurvriendelijke dwepers onder zijn hedendaagse navolgers ten spijt, bijzonder vriendelijk. Ook in deze voordracht:

(cit. 116, cat. 2) ‘Auf das Drüsen-System endlich – nur auf dem Umwege durch alle anderen Systeme – wirkt dasjenige, was wir bezeichnen können als die abnormen Geister der Form, die im Saturn ihren Mittelpunkt haben. Da haben wir in allem, was wir als Saturn-Rasse zu bezeichnen haben, in allem, dem wir den Saturn-Charakter beizumessen haben, etwas zu suchen, was sozusagen zusammenführt, zusammenschließt das, was wieder der Abenddämmerung der Menschheit zuführt, deren Entwickelung in gewisser Weise zum Abschluß bringt, und zwar zu einem wirklichen Abschluß, zu einem Hinsterben. Wie sich das Wirken auf das Drüsensystem ausdrückt, sehen wir an der indianischen Rasse. Darauf beruht die Sterblichkeit derselben, ihr Verschwinden.

Der Saturn-Einfluß wirkt durch alle anderen Systeme zuletzt auf das Drüsensystem ein. Das sondert aus die härtesten Teile des Menschen, und man kann daher sagen, daß dieses Hinsterben in einer Art Verknöcherung besteht, wie dies im Äußeren doch deutlich sich offenbart. Sehen Sie sich doch die Bilder der alten Indianer an, und Sie werden gleichsam mit Händen greifen können den geschilderten Vorgang, in dem Niedergang dieser Rasse. In einer solchen Rasse ist alles dasjenige gegenwärtig geworden, auf eine besondere Art gegenwärtig geworden, was in der Saturnentwickelung vorhanden war; dann aber hat es sich in sich selber zurückgezogen und hat den Menschen mit seinem harten Knochensystem allein gelassen, hat ihn zum Absterben gebracht. (einde citaat 116)

Het lijkt er bijna op dat indianen maar een ‘missie’ hebben in deze wereld en dat is doodgaan. De associatie met Saturnus ligt in deze ook voor de hand. Maar we hadden elders al gezien (in een schets uit 1908, omslagillustratie) dat het slechts een decadente aftakking is van de Ariërs, een soort te vroeg geboren mensen, in evolutie tussen aap en Europeaan. Steiner vervolgt:

(citaat 117, cat. 2) ‘Man fühlt etwas von dieser wirklich okkulten Wirksamkeit, wenn man noch im neunzehnten Jahrhundert sieht, wie ein Vertreter dieser alten Indianer davon spricht, daß in ihm lebt, was vorher für die Menschen groß und gewaltig war, das aber die Weiterentwickelung unmöglich mitmachen konnte. Es existiert die Schilderung einer schönen Szene, bei welcher ein Führer der untergehenden Indianer einem europäischen Eindringling gegenübersteht. Denken Sie sich, was da Herz gegen Herz fühlt, indem sich zwei solche Menschen gegenüberstehen: Menschen, die von Europa herüberkamen, und Menschen, die in frühester Zeit, als die Rassen verteilt wurden, nach Westen hinübergegangen sind. Da haben die Indianer nach Westen hinübergenommen alles, was groß war in der atlantischen Kultur. Was war für den Indianer das Größte? Es war, daß er noch ahnen konnte etwas von der alten Größe und Herrlichkeit eines Zeitalters, das in der alten atlantischen Zeit vorhanden war, wo noch wenig um sich gegriffen hatte die Rassenspaltung, wo die Menschen hinaufschauen konnten nach der Sonne und wahrzunehmen vermochten die durch das Nebelmeer eindringenden Geister der Form. Durch ein Nebelmeer blickte der Atlantier hinauf zu dem, was sich für ihn nicht spaltete in eine Sechs- oder Siebenheit, sondern zusammenwirkte. Das, was zusammenwirkte von den sieben Geistern der Form, das nannte der Atlantier den Großen Geist, der in der alten Atlantis dem Menschen sich offenbarte. Dadurch hat er nicht mit aufgenommen das, was die Venus-, Merkur-, Mars- und Jupiter-Geister bewirkt haben im Osten. Durch dieses haben sich gebildet alle die Kulturen, die in Europa in der Mitte des neunzehnten Jahrhunderts zur Blüte gebracht wurden. Das alles hat er, der Sohn der braunen Rasse, nicht mitgemacht. Er hat festgehalten an dem Großen Geist der urfernen Vergangenheit. Das, was die anderen gemacht haben, die in urferner Vergangenheit auch den Großen Geist aufgenommen haben, das trat ihm vor Augen, als ihm ein Blatt Papier mit vielen kleinen Zeichen, den Buchstaben, von welchen er nichts verstand, vorgelegt wurde. Alles das war ihm fremd, aber er hatte noch in seiner Seele den Großen Geist. Seine Rede ist uns aufbewahrt; sie ist bezeichnend, weil sie auf das Angedeutete hinweist, und sie lautet etwa so: «Da in dem Erdboden, wo die Eroberer unseres Landes schreiten, sind die Gebeine meiner Brüder begraben. Warum dürfen die Füße unserer Überwinder über die Gräber meiner Brüder schreiten? Weil sie im Besitze sind dessen, was groß macht den weißen Mann. Den braunen Mann macht etwas anderes groß. Ihn macht groß der Große Geist, der zu ihm spricht in dem Wehen des Windes, in dem Rauschen des Waldes, dem Wogen des Wassers, in dem Rieseln der Quelle, in Blitz und Donner. Das ist der Geist, der für uns Wahrheit spricht. Oh, der Große Geist spricht Wahrheit! Eure Geister, die ihr auf dem Papiere hier habt, und die dasjenige ausdrücken, was für euch groß ist, die sprechen nicht die Wahrheit.» So sagte der Indianerhäuptling von seinem Standpunkte aus. Dem Großen Geiste gehört der braune Mann, der blasse Mann gehört den Geistern, die in schwarzer Gestalt als kleine zwerghafte Wesen -er meinte die Buchstaben – auf dem Papier herumhüpfen; die sprechen nicht wahr. – Das ist ein welthistorischer Dialog, der gepflogen worden ist zwischen den Eroberern und dem letzten der großen Häuptlinge der braunen Männer. Da sehen wir, was dem Saturn mit seinem Wirken angehört und was aus dem Zusammenwirken mit anderen Geistern in einem solchen Momente, wo zwei Richtungen sich begegnen, auf der Erde entsteht. (einde citaat 117)

Zomaar een grote occulte gebeurtenis in de decennia daarvoor, zij het een hele bloedige. Steiner spreekt dus zijn mystieke vonnis uit over de contemporaine situatie. Antroposofen zouden misschien beter Steiner tot op de letter nauwkeurig lezen. En de ethiek niet achter de occulte horizon laten verdwijnen, zoals Jan Willem de Groot het noemde. Indianen zijn heel bijzonder, inderdaad dat kun je wel stellen. Maar in welk opzicht? Los van de typisch occulte elementen, met de planeten, Atlantis, enz. is dit een duidelijk voorbeeld van exotistische indianenromantiek. Prachtig, die indiaan die zo verbonden is met de natuur, maar hun tijd is om en hun functie is er nu louter om dood te gaan. Het is een zelfde soort romantiek die ook spreekt uit het zogenaamd op feiten gebaseerde boek van Marlo Morgan over de Aboriginals ‘Op blote voeten door Australië’. Daarin laat zij zeggen dat de Aboriginals zich hebben verzoend met hun lot om te verdwijnen, sterker nog dat zij dat zien als hun spirituele opdracht. Hoewel het een bestseller werd onder veel liefhebbers van de nobele wilden, werd het door de Aboriginals zelf als buitengewoon kwetsend ervaren (er zijn zelfs rechtszaken geweest, omdat het boek pretendeerde op feiten te zijn gebaseerd). Uiteindelijk bleek dit boek van A tot Z fictie te zijn. Maar misschien zou het voor sommige antroposofen nuttig zijn om wat van hedendaagse schrijvers van Indiaanse afkomst te lezen. Ik noem Vine Deloria jr. met zijn vlijmscherpe ‘Custer died for your sins’. Dat is een keiharde afrekening met dit soort misplaatste romantiek. Ik zou overigens een heleboel hedendaagse kunstenaars kunnen noemen, die bijtende spot inzetten om dit cliché te doorbreken.  Tot zover de indianen. Steiner besluit deze lezing met:

(cit. 118, cat. 3) ‘So haben wir gesehen, wie auf der Oberfläche unserer Erde herbeigeführt wird die allgemeine Menschheit durch die Elohim oder die normalen Geister der Form, wie sich dann heraushebt aus der gesamten Menschenmasse, aus der gesamten Menschenflut dasjenige, was die fünf Hauptrassen der Menschheitsentwickelung sind und wie diese zusammenhängen mit den führenden Geistern in der Reihe der abnormen Geister der Form, die wir mit den Namen benennen müssen, welche wir den fünf Planeten entnehmen, während die normalen Geister der Form in der Sonne und im Mond zu suchen sind. Von da werden wir weitergehen, übergehen zu etwas, das uns leichter werden wird, weil wir an Bekanntes, an Stämme und Völker werden anknüpfen können. (einde citaat 118)

En tot zover de passages uit ‘Die Mission einzelner Volksseelen’. Dit zijn zo’n beetje de meest beruchte fragmenten uit het oeuvre van Rudolf Steiner en een aantal zullen in dit betoog nog vaak terugkeren. Volgens het van Baarda-rapport is er in deze passage geen sprake van discriminatie of rassenleer. Geen van deze uitspraken heeft de zg eerste categorie gehaald, of worden besproken in de eindconclusies. Wel is er aandacht aan deze passages in het rapport besteed, op een nog al omslachtige en gefragmenteerde manier. We zullen zien hoe de commissie daarbij te werk is gegaan. Ook zal ik de bevindingen van de van Baarda-Commissie soms vergelijken met de bevindingen van andere antroposofen en die van verschillende critici van de antroposofie.

Interessant zijn ook de tussenliggende passages, die niet zijn ingedeeld in een van de citaten. Een voorbeeld, waarom eindigt citaat 115, over de ‘Jupiter-krachten’ die werkzaam zouden zijn in het blanke ras, net voordat er de opmerkelijke uitsprak wordt gedaan ‘…der ursprünglich zusammenhängt mit den Jupiter-Kräften und in der erwähnten Landkarte der Erde vorherbestimmt war’? Hierboven is het bijna een licht vlekje tussen de vetgedrukte passages die wel in het rapport zijn opgenomen. Dit fragment wordt dus nergens in het van Baarda-rapport besproken, terwijl het een, op zijn zachtst uitgedrukt, een nogal in het oog springend detail is, zeker als je het afweegt tegen de direct daarop volgende passages over het uitsterven van de indianen (cit. 116). Dan krijgen deze woorden een wel heel navrante lading. Maar het is opvallend dat het van Baarda-rapport over dit stukje tekst, waarin het ras dat door de Jupiter-krachten wordt aangestuurd (het Arische) zo’n beetje de wereldheerschappij wordt beloofd (althans het heeft er alle schijn van), is weggelaten uit het rapport. Ik zal de Nederlandse vertaling van dit stukje tekst, dat zich tussen de citaten 115 en 116 bevindt, weergeven (uit de Pentagonuitgave): ‘Dat hebben in de hogere trappen van inzicht, in de imaginatie, inspiratie en intuïtie, geheel in de zin zoals de Jupiter-geest oorspronkelijk het karakter modificeert, die volkeren die zich meer naar het westen bevinden. Daarom zijn er altijd deze twee centra in de mensheidsevolutie geweest; het centrum dat zogezegd meer door de geesten van Venus werd geregeerd, en het centrum dat meer door de geesten van Jupiter werd geregeerd. De geesten van Jupiter werden speciaal waargenomen in die mysterieën waarin elkaar tenslotte ontmoetten de drie individualiteiten, de drie geestelijke wezens van Boeddha, van Zarathoestra, of Zarathas in zijn latere inkarnatie[41], en die van de grote mensheidsleider die wij kennen onder de naam Skythianos (Diegenen onder u die vorig jaar deelgenomen hebben aan mijn voordrachtenreeks in München zullen dit weten[42]). Dat is het kollege dat zich onder leiding van een die nog groter is de taak heeft gesteld de geheimzinnige krachten te onderzoeken die ontwikkeld moeten worden voor de mensheidsevolutie, waarbij als uitgangspunt genomen is dat punt dat oorspronkelijk samenhangt met de Jupiterkrachten en op de door mij genoemde landkaart van de aarde voorbestemd was’.[43]

Ik heb het idee dat de tekst in het Duits iets soepeler loopt, maar het lijkt me dat dit fragment genoeg vragen oproept. De ‘cultuurontwikkeling’, de ‘mensheidsevolutie’, zelfs bekeken vanuit mondiaal perspectief, blijkt wederom een wel heel ‘Arische’ aangelegenheid te zijn, waarin Boeddha, twee incarnaties van Zarathutra of Zoroaster (Perzië/Iran[44]) en deze Skythianos het voortouw nemen. Kortom, opmerkelijk dat dit fragment uit het rapport is weggelaten. Maar er valt al meer dan genoeg op te merken, ook nog op sommige passages uit de voordrachten die volgen op de hier besproken zesde. Dit alles zal hierna ter sprake komen.

 

 

 

 

 

Algemene inleiding op ‘Die Mission einzelner Volksseelen’ uit het van Baarda-rapport

 

De Commissie van Baarda heeft in een apart hoofdstukje aandacht besteed aan deze cyclus, waarin in grote lijnen het geheel wordt toegelicht en wat specifieker deze twee voordrachten.[45] Ik zal me hier vooralsnog tot dit ene hoofdstuk beperken; wanneer het later over Steiners omerkingen over sepcifieke zaken gaat (rassen), zal ik ingaan op hoe de commissie de verschillende citaten interpreteert. Hier gaat het dus om de cyclus in algemene zin.

Gesteld wordt dat Steiner probeerde om met deze cyclus de ‘psychologie van de ontwikkeling der volken’ te beschrijven. Er wordt vermeld dat dit in die tijd geen unicum was. Genoemd wordt het Zeitschrift für Völkerpsychologie und Sprachwissenschaft van Moriz Lazarus en Steinthal en het tiendelige werk Völkerpsychologie, van Wilhelm Wundt. Goed, bij mijn weten is dit een tak van sport die in de culturele antropologie van nu als enigszins achterhaald wordt beschouwd (na Claude Levy Strauss! En dat is al een tijdje terug), maar in die tijd was het wellicht (nog net) een belangrijke vorm van wetenschapsbeoefening. Tekenend is dat er hedendaagse antroposofen zijn, die deze cyclus nog altijd zien als een vorm van culturele antropologie (zie deze reactie op racisme-debat, van een redacteur van het tijdschrift Driegonaal,  http://antroposofie.wordpress.com/2008/10/30/racismedebat/#comment-382 ). Verder noemt de commissie dat in die tijd ook het internationaal recht zich begon te ontwikkelen.

Voor Steiner was dit een ‘ken uzelf’ voor de mensheid, in dit verband als ‘ken uzelf als lid van een volk’, aldus de commissie. Genoemd wordt dat hij deze lezingen gaf in een tijd dat er toenemende spanningen waren ontstaan tussen de grote Europese mogendheden (niet lang daarna brak de Eerste Wereldoorlog uit). Steiner vond het dus nodig om hierover zijn licht te laten schijnen, vanuit ‘Geesteswetenschappelijk’ perspectief (dit begrip behoeft denk ik geen toelichting meer). Het ging hem dus om wederzijds begrip, noodzakelijk om in vreedzame co-existentie samen te leven.

Steiner was zich bewust van de gevoeligheid van de materie. Hij benadrukte dat er een flinke dosis goede wil en inzet nodig was om zijn redeneringen te volgen en dat zijn publiek onbevooroordeeld moest zijn (dat hebben we meer gehoord). Interessant is, zoals de commissie mijns inziens terecht opmerkt, dat Steiner in de eerste voordracht (http://www.anthroposophie.net/steiner/ga/bib_steiner_ga_121_01.htm ) wees op het belang van de ‘Heimatloser Mensch’. Steiner bedoelde hierbij dat het uiteindelijk de bedoeling is dat het individu boven zijn ‘volkskarakter’ uitstijgt om tot een nader begrip voor de ander te komen (toen ik zelf deze cyclus voor het eerst begon te lezen, vond ik dit een verrassend sympathiek standpunt, dus ik was aanvankelijk aangenaam verrast, door deze passages uit de eerste voordracht). Maar om de grote ontwikkelingen, die Steiner in deze cyclus schetst, helemaal te kunnen vatten, zou men eigenlijk een ‘Heimatloser Mensch’ moeten zijn.[46]

De commissie vermeldt dat het houden van deze cyclus een groot waagstuk was. Steiners toehoorders en latere lezers hadden dit stadium van Heimatloser Mensch nog lang niet bereikt. Hij waarschuwde zijn publiek er dan nadrukkelijk voor om zich niet te laten leiden door persoonlijke sympathieën of enthousiasme voor een bepaalde cultuur, volk of beschaving (we zijn zoiets al bovenstaand tegengekomen in de vierde voordracht, maar dan in een hele andere betekenis). Iemand kan best zeggen ‘ik houd het meest van de Egyptische/Indische, etc. cultuur’, maar dat is slechts een persoonlijke en subjectieve voorkeur en  dat heeft natuurlijk niet met (geestes)wetenschap te maken! De gang der gebeurtenissen voert ten aller tijden voorwaarts, al zou men terugkijkend soms kunnen zeggen dat er bepaalde dingen zich negatief hebben ontwikkeld (maar dat is subjectief…). Mijns inziens is het natuurlijk de vraag  of Steiners stelling dat alle ontwikkelingen uiteindelijk positief zijn, zelf geen subjectief oordeel is. Ook is het opmerkelijk dat hij, wanneer hij in deze cyclus, maar ook elders van ‘volkeren’ spreekt, dit bijna altijd volkeren zijn die tot het blanke ras behoren. Bij Aziaten maakt hij soms ook nog onderscheid. In deze cyclus tussen het Maleise en het Mongoolse ‘ras’, maar hij spreekt in andere werken ook van ‘Japanners’ en ‘Chinezen’ (zoals in GA 349). Hij doet dit echter nooit in het geval van de zwarte Afrikanen of de Amerikaanse indianen. Deze worden door Steiner stelselmatig tot hun ‘ras’ gereduceerd. Er zijn bijvoorbeeld nogal wat verschillen tussen een Lakota van de Noord-Amerikaanse plains, een Arawak van de Cariben, een Tlingit uit Alaska, een Maya uit Guatemala en een Quechua (Inca) uit de Andes. Het zelfde kun je ook van Afrika zeggen. In Ruanda wonen bijv. de langste mensen ter wereld (Watutsi’s) naast de kleinste (Pygmeeën). Allemaal in een klein Afrikaans land [47]. En dan hebben wij het hier slechts over uiterlijk, laat staan over de grote culturele diversiteit. Overigens weet Helena Blavatsky in dit specifieke geval, deze nuance wel aan te brengen, zij het op een wat aparte manier: ‘There were brown, red, yellow, white and black Atlanteans; giants and dwarfs (as some African tribes comparatively are, even now)’.[48] Ik kom later nog  terug op Helena Blavatsky en ook op dit fragment.

Voor dat soort nuances had Steiner echter geen oog. Als er iemand vanuit zijn eigen subjectieve wereldbeeld en perspectief sprak, was het Rudolf Steiner zelf wel. Het is tekenend dat hij in de zesde voordracht zegt dat er veel grotere onderlinge verschillen voorkomen bij het blanke ras, dan bij andere rassen. Maar het is een bekend verschijnsel dat andere volken of rassen dat ook van ons vinden. In China bijvoorbeeld vindt men vaak dat alle Europeanen er hetzelfde uitzien, of ze nu donker zijn of blond. Bij Steiner is, zonder enige zelfrelativering, het eurocentrisme troef, waarbij moet worden opgemerkt dat hij de Indiase, de Perzische en de Egyptische cultuur/beschaving zag als grote voorlopers van de onze. Zie het schema van de cultuurperiodes, waartoe Steiner de wereldgeschiedenis meende te kunnen reduceren. Wellicht had Steiner nog nooit een indiaan ontmoet en heel misschien een enkele keer een zwarte Afrikaan, dus kun je hem deze onwetendheid niet erg aanrekenen, maar aan de andere kant, hij pretendeerde nogal veel te weten op grond van zijn helderziende waarnemingen en ‘geesteswetenschappelijke onderzoekingen’. Maar dit terzijde.

Enfin, de commissie stelt dat Steiner het begrip tussen ‘volken’ met deze cyclus heeft willen bevorderen. Daarbij was de entiteit ‘volksziel’ van cruciaal belang. Steiner stelde dat deze een overkoepelend ‘geestelijk wezen’ was en niet te reduceren tot een optelsom van individuen, die toevallig tot een ‘volk’ behoren. Het was daarom van belang om de ‘volksziel’ te herkennen en op waarde te schatten. Een soort mengsel van een bepaald type uit de hand gelopen cultuurrelativisme en etnocentrisme dus, uitgaande van het collectief en niet van een universeel individualisme (mijn woorden, al is dat niet helemaal fair, daar hij juist begrip nastreefde).

Steiner wilde met deze cyclus een positieve daad stellen tot het bevorderen van begrip tussen volkeren (maar wellicht slechts de Europese en niet bijvoorbeeld tussen de Afrikaanse en al helemaal niet tussen of voor de talrijke volkeren van de oorspronkelijke Amerikanen…). In 1918 werd deze cyclus opnieuw afgedrukt en schreef Steiner een nieuw voorwoord. Hij overhandigde de prins Max von Baden, kort daarna Duitse Rijkskanselier, een exemplaar in de hoop dat hij zijn beslissingen mede zou nemen op basis van de hierin uiteengezette inzichten over de verschillen tussen volken, met het doel om de vrede in Europa te bevorderen.[49]

Hierna volgt de beschrijving van de hiërarchieën, die volgens Steiner werkzaam zijn boven de mens en niet (meer) in een fysieke gestalte verschijnen. Het betreft achtereenvolgens de engelen, daarboven de aartsengelen, dan de archai of ‘geesten van de persoonlijkheid’, de exousiai, volgens Steiner ‘de geesten van de vorm’, de dynameis of de ‘geesten van de beweging’, de kyriotes of ‘geesten van de wijsheid’ en helemaal daarboven de cherubijnen en serafijnen. Het rapport vermeldt dat de ziel en de geest van een volk behoren tot de rang der aartsengelen en dus twee trappen boven de mens  staan. We hebben dit al langs zien komen aan het begin van de vierde voordracht.

De mens heeft zijn bestaan te danken aan deze hogere geestelijke wezens. Over een lange periode is vanuit deze hogere geestelijke wezens het fysieke lichaam geschapen (door de geesten van de wil), het levenslichaam (door de geesten van de wijsheid), het zielenlichaam (door de geesten van de beweging) en tenslotte het ik (door de geesten van de vorm).[50]

Maar, zoals wij ook al in de vierde voordracht hebben kunnen zien, deze hogere krachten werken niet altijd even harmonieus samen. Ook bij de wezens boven de mens zijn er wezens die zijn achtergebleven. Dit soort achtergebleven entiteiten kunnen soms de harmonieuze orde van de kosmos verstoren, door een oppositionele rol te spelen. Zoals de commissie het vermeldt: ‘Dat is met name het geval bij de wezens die de veroorzakers zijn van de rassen op aarde. Deze hoorden eigenlijk tot de vijfde rangorde boven de mens, dus tot de geesten van de beweging, maar zijn blijven steken op het niveau van de geesten van de vorm’.[51]

Goed, we hebben het al in de vierde voordracht gezien, dit zijn dus de ‘abnormale geesten van de vorm’, de krachten die achter de rasvorming zitten.

De commissie haalt Steiners constatering aan dat de mens een gecompliceerd wezen is. In hem werken vele geestelijke wezens. De normale geesten van de vorm, de exousiai, werken vanuit de zon en zouden een harmonieuze ontwikkeling bevorderen (wij hebben aan het begin van de zesde voordracht gezien dat het om zeven gaat, zes vanuit de zon en een, Jahwe, een van de zeven exousiai of  Elohim, vanuit de maan), ware het niet dat de dynameis-wezens (vanuit de vijf planeten en vier krachtpunten op aarde) deze verstoren. Daardoor werd de eenheid of de universaliteit van de mensheid doorbroken (zie citaat 93 uit de vierde voordracht). Omdat deze geesten, de abnormale geesten van de vorm (de achtergebleven dynameis dus), werkten vanuit verschillende punten op aarde werd de mens afhankelijker van zijn plaats van ontstaan, dan oorspronkelijk de bedoeling was. Nadrukkelijk stelt de commissie dat er dus vele krachten op de mens inwerken, waarvan die van de abnormale geesten van de vorm er eentje is. M.a.w. de mens is niet te reduceren tot zijn ras. De commissie constateert dat terecht, ikzelf had deze passages ook gevonden. Maar dat neemt natuurlijk niet weg dat het behoren tot een ras voor Steiner slechts betekent dat je een bepaalde huidskleur hebt en misschien nog een paar andere uiterlijke kenmerken. En over de aard van die kenmerken hebben wij al in het voorgaande veel kunnen vernemen. De consequenties van het behoren tot een ras kunnen in Steiners optiek heel ver gaan, zie het droeve lot van de indianen.

Het van Baarda-rapport vermeldt dat volgens Steiner het ontstaan van de rassen plaatsvond in een periode dat de mens nog niet in zijn hedendaagse verharde fysieke vorm bestond (Lemurië). Dit hangt samen met de antroposofische notie van evolutie, de evolutie van geest (afdalend) naar stof (opklimmend). Dit zal hier later uitvoerig ter sprake komen in het gedeelte over de ‘wortelrassen’. Maar in de tijd dat het fysieke lichaam weker was dan nu hadden  verschillende krachten uit de omgeving er een sterkere invloed op dan tegenwoordig. De verschillende krachtpunten op aarde hadden een sterk differentiërend effect op de menselijke gestalte, waarbij op verschillende plaatsen verschillende accenten werden gelegd. Zo zijn volgens Steiner de verschillende rassen ontstaan. Zo hebben de mensen in Afrika sterk de accenten van het kind meegekregen (cit. 98). In Zuid-Oost Azië lag het accent van de jeugdige kenmerken en in centraal Azië die van de jong volwassen leeftijd (cit. 100). In de Kaukasus is de invloed van de middelbare leeftijd overheersend (cit. 101) en in Amerika die van de ouderdom (cit. 103). In de Atlantische tijd werden deze kenmerken in de erfelijkheid gefixeerd.

Het rapport stelt dat het hier uitsluitend om lichamelijke ontwikkelingen gaat. Het zou niet gaan over de hele mens, die uit een lichaam, een ziel en geest bestaat. Mocht er sprake zijn van een voorsprong bij de Europeanen, dan kan deze voorsprong door iedereen genoten worden, daar de mens door alle rassen reïncarneert.[52]

In het rapport wordt gesteld dat na de Atlantische tijd de rol van de rassen werd overgenomen door de grote culturen. Deze ontwikkeling vond plaats van een lijn die van Atlantis naar het oosten liep en vanaf Azië (India, het Midden Oosten en Noord Afrika, tot Europa en Noord Amerika). Dit is inderdaad de antroposofische notie van de cultuurperiodes (onderrassen in theosofisch jargon, door Steiner gebezigd tot omstreeks 1908). Dit zal later ter sprake komen. Ik wil hier wel vast opmerken dat deze cultuurontwikkeling uitsluitend een aangelegenheid lijkt van het blanke/Kaukasische/Arische ras. Ook de Aziatische culturen, als die van de Indiërs en de Perzen kunnen hiertoe gerekend worden (de oorspronkelijke ‘Ariërs’ stammen immers uit Voor Indië en Perzië!). Zo’n ontwikkelingslijn van cultuurperiodes bestaat volgens Steiner niet in het oude Amerika, om maar iets te noemen. Zie hier de ‘ario-centrische’ visie op de geschiedenis.

Hierna komt (kort) de indeling van de analogie met de planeten van het zonnestelsel aan de orde. De reguliere geesten van de vorm werken vanuit de zon en de maan en de abnormale geesten van de vorm vanuit de verschillende planeten. Deze laatste geesten werken in verschillende fysieke systemen van de mens. Het bloed is verbonden met het ik, het zenuwstelsel met het zielelichaam en het klierstelsel met het levenslichaam. Mercurius werkt in op het kliersysteem (cit. 111), Venus via de ademhaling (cit. 112), Mars in het bloed (cit. 113 en 114), Jupiter via de zintuigen (cit. 115, bij Steiner overigens onlosmakelijk verbonden met de hersenen, FS) en Saturnus tenslotte weer op het kliersysteem (cit. 116).

Het rapport stelt over het bovenstaande: ‘Dat Steiner een dergelijke indeling zo expliciet aan de orde stelt, is, zelfs wanneer men zijn herhaaldelijke nadrukkelijke oproep tot onbevooroordeeldheid in gedachten houdt, naar hedendaagse maatstaven ongebruikelijk, zo niet schokkend. Met name het verband van geografische invloeden met leeftijdsfases heeft in de openbare discussie over de antroposofie een grote rol gespeeld. Een van de stenen des aanstoots in deze discussie was de simplificatie ‘negers zijn kinderen’, een simplificatie die aan gevoeligheid won, omdat het voormalig apartheidsregime de vermeende kinderlijkheid van zwarten heeft aangegrepen om een blank minderheidsregime te rechtvaardigen. Die simplificatie is echter onjuist. De planeetinvloeden golden alleen ten aanzien van de universele gestalte van de mens bij het ontstaan van de rassen. Steiner benadrukte dat het gaat om het lichaam, dat, zoals wij reeds op blz. 122 hebben opgemerkt, niet het wezenlijke van de mens uitmaakt’.[53]

Hier valt veel over te zeggen. Na een lange en op zich correcte inleiding waarin wel om de hete brei wordt heen gedraaid, komt men bij de kern terecht. Maar dan begint de commissie te draaien. Het lijkt schokkend en het heeft tot misverstanden geleid. Ik vrees dat het eerder schokkend is en dat er geen misverstand over kan bestaan, althans wat die twee voordrachten betreft. Maar laten wij eens kijken wat er op pagina 122 wordt gezegd. Het betreft hier de ‘slotopmerkingen’ van het derde deel Historische plaatsbepaling van Rudolf Steiner-een korte schets. Ik zal dit stuk integraal weergeven (precies een pagina), maar dan wel met de noodzakelijke aantekeningen van mijn hand (alles wat tussen haakjes staat is dus van mij):

‘In het mens- en wereldbeeld van de antroposofie staat de totale mensheid centraal. Voor zover rassen nog betekenis hebben gehad, ging het om aanvullende delen, net als dat bij de individuele mens het geval is. Bij elk kind dat geboren wordt zijn bepaalde eigenschappen sterker ontwikkeld dan anderen. Het is belangrijk om die verschillen te onderkennen (curs. FS, vergeet niet, we hebben het hier over rassen, waarvan de verschillen…etc., vergelijk met Hans Teeuwen, aan het begin van deze verhandeling)[54]. Het is niet toevallig dat er in de op antroposofie gestoelde pedagogiek zo’n nadruk wordt gelegd, dat de kinderen niet alleen in cognitieve, intellectuele zin moeten worden ontwikkeld, maar ook en juist in het gevoels- en wilsgebied (en die zijn dus ook verschillend per ras? FS). Dit zou betekenen dat we ook de uitspraken van Steiner over het blanke ras, waar zich vooral meer technische wetenschappen en vaardigheden zich in de voorgaan de eeuwen hebben ontwikkeld (hoezo dit zou betekenen, sinds wanneer bestaat er een causaal verband tussen de vermeende kenmerken van een ras en de verschillende ontwikkelingsmogelijkheden van kinderen? FS), niet mogen opvatten dat blanken daardoor beter zijn dan niet-blanken (het argument dat een directeur niet beter is dan een schoonmaker, is dus hetzelfde dat een blanke niet beter is dan een zwarte, ze zijn gewoon ‘anders’, zie wederom Hans Teeuwen, oftewel de zwarten naar het VMBO en de blanken naar het gymnasium, al moeten in het vrije schoolonderwijs alle kinderen juist weer naar een soort school, dus dit gaat niet helemaal op, FS).

Het gaat uiteindelijk om de hele mens, die zich overal ter wereld verschillend heeft laten zien (langs raciale scheidslijnen? FS). Dit geldt uiteindelijk niet alleen voor volkeren en cultuurgroepen, maar ook voor individuen onderling (ook? Zullen we er maar juist van maken, of zelfs uitsluitend? FS). Het in evenwicht brengen van de verschillende kwaliteiten, die in vele verschillende levens op heel verschillende plaatsen op aarde en in heel uiteenlopende tijden zijn verworven, ligt nu binnen de verantwoordelijkheid van het individu (nu pas?). Deze zal zijn ontwikkeling als volwassene (gold vroeger alleen voor de blanken? Dus nu is iedereen volwassen? FS) zelf ter hand moeten nemen, en eveneens verantwoordelijkheid voor het samenwerken met zijn medemensen. In sociaal opzicht gaat die verantwoordelijkheid de eigen kring, gemeenschap en volk ver te buiten. Met name op economisch gebied behoort zich een wereldwijde broederschap te ontwikkelen, als basis voor een wereldmensheid’ (prachtig, maar als de basis is dat het blanke ras het meest volwassen is? Terug naar het kolonialisme? Of mogen de jong-volwassenen deze keer wel meepraten? FS).

De uitspraken die Steiner heeft gedaan over rassen kunnen misschien het beste vergeleken worden met het stellen van een lichamelijke diagnose (dus de indianen zijn ‘doodziek’ als ras?? [55]), ze hebben geen betrekking op het wezen van de mens (‘uitsterven’, in Steiners woorden in de vierde voordracht althans, want het is niet helemaal gebeurd, lijkt me vrij wezenlijk, FS). Volgens het antroposofische mensbeeld kunnen lichamelijke eenzijdigheden of gebreken door individuele geestkracht omgevormd worden (dus ‘kinderlijke negers’ kunnen hun eenzijdige kinderlijke eigenschappen omvormen door individuele geestkracht? FS). Dit verklaart ook waarom de antroposofie niet voor iedereen dezelfde aanwijzingen, therapieën, didactische aanwijzingen, meditaties en medicaties heeft (vanzelfsprekend, maar worden deze ook op raciale gronden voorgeschreven? FS). Zij vraagt om een actieve waarneming van specifieke mensen en situaties, waardoor telkens opnieuw een ter zake kundig en moreel oordeel over de te nemen maatregelen genomen moet worden (ook voor de indianen?? FS). Iedere situatie, ieder mens vraagt om een eigen aanpak, een eigen weg tot het algemeen gestelde doel (wat is dat doel, speciaal voor de indianen? FS). Daarmee is er ook geen sprake van modellen, recepten, eeuwig geldende afspraken of voorbeelden (doe dat dan ook niet, FS). Indien goed toegepast (?!) kan hiermee stereotypering van mensen en volken worden voorkomen (??!!!)’[56].

Tot zover de complete tekst van pagina 122, voorzien van de nodige kanttekeningen. Je zou anders door de zalvende en bijna therapeutische woorden bijna vergeten dat het onderwerp hier ‘mensenrassen’ is, geen handleiding voor een of andere halfzachte kruiden- of kleurentherapie, vandaar de nodige interventies mijnerzijds, in sommige zinnen zelfs meer dan een. En dan gebruikt men het de termen ‘schokkend’ en ‘misverstand’, voordat er naar deze tekst wordt verwezen. Maar dan blijkt er dus juist geen misverstand over mogelijk.

Over de laatste passage ‘indien goed toegepast kan hiermee stereotypering van mensen en volken worden voorkomen’, kan ik slechts het volgende adviseren: ‘Indien niet toegepast… etc.’ Het doet me enigszins denken aan een opmerking van Hans Peter van Manen, in Antroposofie ter discussie: ‘Wat de rassen betreft, gaat het niet om de vraag of rassendiscriminatie juist is of niet. Daarop is het antwoord bekend. De vraag waar het om gaat is: bestrijdt men het leed en het onrecht, dat met rassenverschil verbonden wordt, het beste door alle rassenverschillen te ontkennen? (zie de bijdrage van Maarten Ploeger). Of is het wijzer om de stenen die hier liggen wel te zien? Niet om ze op te rapen om als projectielen te gebruiken, dat wil zeggen als argumenten voor superioriteitsaanspraken, maar om er overheen of er langs te stappen. Wie weigert de stenen te zien, kan er makkelijker over struikelen dan hij die ze wel ziet’.[57] Het lijkt mij raadzamer om te gaan ‘puinruimen’ (om bij de beeldspraak van van Manen te blijven), dan hoeft er ook niemand meer over Steiners racistische keien te struikelen, al vindt van Manen natuurlijk dat Steiner het had over werkelijk bestaande problemen (stenen!) rond rassen, en niet dat die ‘stenen’ slechts racistische bedenksels van Steiner zelf zijn. Maar misschien dat er na ‘het puinruimen’ daadwerkelijk een keer gesteld kan worden dat er ‘géén sprake (meer) is van rassenleer in de antroposofie’. Zie voor de passages van Maarten Ploeger, waar van Manen naar verwijst (aanmerkelijk minder subtiel dan van Manen) de voorgaande bespreking. Maar ondanks de (zogenaamde) subtiliteiten, van van Manen houdt hij hier gewoon een pleidooi voor een beetje racisme, subtiel racisme of tactisch racisme. En ook dat is racisme, al zegt van Manen het een beetje anders dan Hans Teeuwen (dat is pas echt het betere projectielenwerk, zij het zo tot in het absurde doorgevoerd, dat het weer heel erg grappig is, maar de kern is hetzelfde). Kortom, er is ‘sprake van rassenleer’.

Terug naar de slotoverwegingen van het derde deel van het eindrapport. Uit deze misschien goed bedoelde tekst, waarin alles wordt ingezet om Steiners kijk op de verschillende niet-Europese rassen zo vriendelijk mogelijk af te schilderen (allemaal didactisch, therapeutisch, tot heil van de gehele mensheid) blijkt een onverholen paternalisme en zelfoverschatting en daarmee eigenlijk volstrekte minachting voor de ander, al is het wellicht niet zo bedoeld. En het enige criterium hiervoor is NB huidskleur! De Commissie heeft op verschillende plaatsen in het rapport de Palestijnse denker Edward Said aangehaald (Orientalism en vooral Culture and Imperialism), die als geen ander in staat was om verkapte koloniale noties van stereotypering en daarmee van macht ontzenuwen. Wat zou het mooi geweest zijn als Edward Said (helaas in 2002 overleden) deze pagina 122 onder handen zou hebben genomen. Verder zou ik pagina 122 willen afschilderen, net als de hier besproken passage van van Manen, als een halfzachte variant op het nummer van Hans Teeuwen, hier aan het begin als motto meegegeven.

Terug naar de algemene inleiding op ‘Die Mission einzelner Volkseelen’ uit het rapport (inmiddels het slot). De commissie vermeldt dat uit het besprokene niet moet worden opgemaakt dat de cyclus als geheel uitsluitend over rassen gaat. Het gaat immers over volkeren, maar omdat in de geschiedenis van de ‘volksontwikkeling’ er ook rassen zijn ontstaan heeft Steiner ook de rassen besproken. Er wordt nog verder vermeld wanneer het onderwerp ras aan de orde komt. Dat is pas aan het eind van de derde lezing. De vierde voordracht is in zijn geheel aan dit onderwerp gewijd (die is hiervoor integraal weergegeven). In de vijfde voordracht wordt er een opmerking over gemaakt en de zesde voordracht gaat wederom in zijn geheel over rassen (ook hiervoor integraal weergegeven).

Wellicht moet er hier aandacht worden besteed aan de hierboven genoemde passgage uit de vijfde voordracht. Het van Baarda-rapport en anderen halen deze passage aan om duidelijk te maken dat Steiner de val in de verschillende rassen niet als een positieve ontwikkeling zag. Hij beschouwde de abnormale geesten van de vorm niet als positieve krachten, zoals blijkt uit deze passage. Overigens gaat de vijfde voordracht, hoewel tussen de twee belangrijkste teksten van Steiner die over rassen gaan (4e en 6e voordracht), niet over rassen, maar meer over de krachten boven de mens (die ook hierboven zijn besproken). Toch wijdt Steiner een passage aan de geesten die verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van de rassen. Het gaat hier om citaat 107. Eerst de volledige tekst:

‘Diese eigenartigen Geister der Bewegung, die deplazierte, gestürzte Geister sind, sie sind das nächste, was sichtbar wird von diesen in der geistigen Erdenatmosphäre webenden und wogenden geistigen Wesenheiten. Diese geistigen Wesenheiten, die das erste sind, was auf dem Astralplan zunächst sichtbar wird, noch bevor dasjenige, was normalerweise auftritt, die Engelwesen oder Angeloi sichtbar werden, sind für das hellseherische Schauen eigentlich – trotzdem sie für die Erzeugung der Rassen im tiefsten Sinne notwendig sind – doch in gewisser Weise die verführerischen Geister. Diese Geister, von welchen jeder wieder viele unter sich hat – weil jeder viele geistig untergeordnete Wesen erzeugt -, sind in der geistigen Welt eingehüllt in eine Summe von geistigen Wesenheiten, die immer unter den betreffenden Hierarchien stehen. Auch die höheren Geister haben solche unter ihnen stehende Wesenheiten; die Geister des Willens: die Undinen; die Cherubim: die Sylphen; die Seraphim: die Salamander. Aber auch diese abnormen Geister der Form, die eigentlich Geister der Bewegung sind, die wie eine Art häßlicher geistiger Wesen auf dem astralischen Plane erscheinen, haben ihre untergeordneten Geister. Sie sind die Geister, welche weben und leben in dem, was mit dem Entstehen der menschlichen Rassen zusammenhängt, was also beim Menschen mit dem zusammenhängt, sozusagen an dem Elemente hängt, das wir als das erdgebundene charakterisiert haben, als das mit der Fortpflanzung zusammenhängende und dergleichen. Das sind Wesenheiten, das ist überhaupt ein Terrain, welches zu den buntesten und gefährlichsten der astralischen Welt gehört, und es ist leider das Terrain – an dieser Stelle kann es am besten im Zusammenhange gesagt werden -, das von denjenigen, die auf eine unrichtige Weise zum Schauen kommen, am allerleichtesten gefunden werden kann. Am leichtesten kommt das Heer derjenigen Geister, die mit der Fortpflanzung der Rasse zu tun haben und dienende Glieder derselben sind, zum Vorschein. Mancher, der vorzeitig und auf unrichtige Weise sich in das okkulte Gebiet hineinbegeben hat, hat es teuer dadurch bezahlen müssen, daß ihm das Heer dieser geistigen Wesenheiten ohne die Harmonisierung durch andre geistige Wesen entgegentrat’.[58]

De commissie gat hier verder nauwelijks op in. Er staat bij het citaat vermeldt: ‘De afschuwelijke aanblik in de bovenzinnelijke wereld van de gevaarlijke wezens die meewerken aan de vorming van het rassenelement’.[59] Wie hier wel op wat meer op ingaat is Hans Peter van Manen (in Antroposofie ter discussie). Van Manen:  Men doet er goed aan om voor ogen te houden, dat Steiner in zijn totale werk veel meer aandacht schenkt aan de ontwikkeling van de individuele persoonlijkheid. Volkeren beschouwt hij als helpende factoren in die ontwikkeling, rassen als remmende elementen, die desondanks een functie in het geheel hebben. ‘In het midden tussen het rasbestaan en het individu ligt het volksbestaan’. Hij maakt dus een principieel onderscheid tussen rassen en volken. Elk volk betekent een verrijking van de cultuur en het zieleleven van de mensheid. Die positieve betekenis hebben rassen niet zonder meer. Hun ontstaan vormt zelfs een hoogst problematische ontwikkeling voor de mensheid. Daarover laat Steiner geen enkel misverstand bestaan. De harmonisch evoluerende, goede hogere machten streven naar een mensheid, dus ook naar één mensensoort lichamelijk gesproken, als bevolking der aarde. Hun scheppende en dirigerende werk werd echter doorkruist door het ingrijpen van oppositionele geesten van zeer hoge orde, die op een bepaalde trap van hun ontwikkeling waren blijven staan. ‘Gedeplaceerde, gevallen geesten’, noemt Steiner hen in de vijfde voordracht. Zij manifesteren zich voor de innerlijke blik van de ziener ‘als een afschuwelijk soort geestelijke wezens’. Deze werken zowel differentiërend als verstarrend, waardoor de wordende ene mensheid -tijdelijk- in verschillende rassen verdeeld raakte. Bovendien raakte de mensenziel door hun inwerking veel dieper dan vroeger met het lichaam verbonden dan anders het geval was geweest’.[60]

Het is bijna een toren van Babel verhaal; door hoogmoed viel de mensheid uiteen in verschillende taalgroepen. Of in dit geval, door hoogmoed bleven er geesten op een lager plan staan, waardoor deze ontwikkelingen zich op aarde bij de mensen voltrokken. Maar kun je daarmee de ene taal of het ene ras hoger aanschrijven dan de ander? En dat doet Steiner wel met de rassen. In de vierde voordracht zegt hij: ‘…so besteht, obgleich man uns entgegenhalten kann, daß der Europäer gegen die schwarze und die gelbe Rasse einen Vorsprung hat, doch keine eigentliche Benachteiligung. Hier ist die Wahrheit zwar manchmal verschleiert, aber Sie sehen, man kommt mit Hilfe der Geheimwissenschaft doch auf merkwürdige Erkenntnisse’ (het laatste stuk van citaat 102). En dan misschien de meest wezenlijke vraag: sinds wanneer betekent het feit dat als er betreurd wordt dat er rassen bestaan, er geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van racisme? Want het zijn juist die negatieve of teruggebleven krachten die vooral werkzaam zijn in de niet-Europese rassen. Het blanke ras heeft er immers het minste last van. Dus het lijkt mij eerder meer belastend dan dat het Steiner vrijpleit.

Terug naar het van Baarda-rapport en de inleiding op Die Mission einzelner Volksseelen. Deze  besluit met: ‘Hierna, dat wil zeggen in de vijf hierop volgende lezingen, verdwijnt het rassenthema. Eerst komen de volken uit de oudheid en hun mythologie aan bod, terwijl de achtste lezing de blik richt op de Germaanse mythologie, wat in de negende en de tiende lezing wordt voortgezet, samen met beschouwingen over verleden en toekomst van de mensheid’[61].

Tot zover de bespreking van dit specifieke gedeelte van het van Baarda-rapport. Overigens zijn de laatste lezingen zeer interessant, ook in dit verband. Ik zal op die bepaalde gedeeltes uit ‘Die Mission’ nog terugkomen, vooral bij de bespreking van het ‘blanke ras’.

Ik denk dat je over deze bespreking uit het van Baarda-rapport het volgende kunt concluderen: Zolang het een algemene inleiding betreft op het gedachtegoed van Rudolf Steiner, weten ze het goed en helder uit te leggen (daar zijn het ook antroposofen voor). Maar zodra de pijnpunten ter sprake komen, begint het verhaal te zwabberen. Dit komt uitsluitend omdat er wanhopig wordt geprobeerd iets te verdedigen, dat me vrijwel onmogelijk lijkt om te verdedigen. Want er is wel degelijk sprake van rassenleer, al is dit rapport vooral geschreven om aan te tonen dat er géén sprake is van rassenleer. De inmiddels roemruchte en bijna hilarische slotoverwegingen van het derde deel van het rapport, op pagina 122, maakt dit zonder meer zichtbaar.

Nicht deshalb?

Ik wil aan de hand van een voorbeeld laten zien hoe de Commissie te werk is gegaan. Laten we de uitspraak ‘Nicht etwa deshalb, weil es den Europäern gefallen hat, ist die indianische Bevölkerung ausgestorben, sondern weil die indianische Bevölkerung die Kräfte erwerben mußte, die sie zum Aussterben führten’ tegen het licht houden. Zelf vind ik dit de ergste. In het van Baarda-rapport wordt deze besproken op p. 367. Het blijkt dan om citaat nr. 103 te gaan. Vervolgens moeten we naar p. 675 gaan om te kijken in welke categorie deze uitspraak is geplaatst. Maar….nu ik bezig ben, dit is ongelooflijk! Deze uitspraak staat niet eens in de tweede categorie maar in de derde categorie!!

Categorie 3. Onderzochte citaten waarbij geen sprake is van discriminatie.

Toen ik dit ontdekte was ik lichtelijk verbijstd. Dit lijkt mij de allergrofste speculatie over een ‘mensenras’ die je maar kunt bedenken. Of vindt de Commissie soms dat hier slechts een feitelijkheid wordt gepresenteerd? Geen sprake van discriminatie. Dat de indianen massaal zijn vermoord door de Europeanen zou de oorzaak zijn van hun ‘uitsterven’, maar omdat ze ‘zelf krachten moesten verwerven om uit te sterven’ . De Commissie vindt dat er met deze uitspraak niets mis is. In de derde categorie geplaatst dus. Geen wonder dat zij tot de conclusie zijn gekomen dat er géén sprake van rassenleer is.
Maar laten we de uitleg van de Commissie lezen. Op p. 367, waar het citaat volledig staat weergegeven staat slechts de opmerking: ‘Voor een uitvoerige bespreking van citaat 103, zie #8.5.3 citaat 165 over de uitroeiing van de indianen’.
Dat is ook een hebbelijkheid van het rapport. Om de beoordeling en de motivatie en het volledige citaat te lezen moet je je een ongeluk bladeren. Kortom zeer onoverzichtelijk en ook niet erg helder. of is dit om iedere kritische onderzoeker de moed in de schoenen te laten zinken? Erg gebruiksvriendelijk is het niet. Maar wij gaan monter door. De uitleg bij citaat 165 dus, volgens het citatenregister op p. 421. Hier blijkt dat het citaat nog een keer in zijn geheel is weergegeven. Hier staat een lange uitleg (p. 422-423). Ik zal deze ‘uitleg’ hier volledig weergeven:

‘NB Waarom zei Steiner op juni 1910 in Oslo dat de indianen niet zijn uitgestorven ‘omdat de Europeanen het beviel’, maar ‘omdat de indiaanse bevolking zich de krachten moest verwerven die tot hun uitsterven zouden leiden’? Ging hij op deze plaats voorbij aan de volkerenmoord op de indianen? Praatte hij die volkerenmoord, zoals sommigen beweren, goed met een zogenaamde ‘kosmische noodzaak’? Kennelijk besefte hij dat er misverstanden kon oproepen, want hij liet de uitspraak over de indianen voorafgaan door de opmerking: ‘ich bitte das nicht mißzuvertehen, was eben gesagt wird; es bezieht sich nur den Menschen, insofern er von den physische-organisatorischen Kräften abhängig ist, von den Kräften, die nicht sein Wesen als Menschen ausmachen, sondern in denen er lebt’. De irreguliere geesten van de vorm bewerkstelligden in de lichaamskrachten van indianen een element van ouderdom. Als stierven de indianen volgens Steiner daarom uit.
In het verzamelde werk van Steiner zijn in hoofdzaak twee redenen te vinden voor het (gedeeltelijke) uitsterven van de indianen. De ene ligt in de verschillende constitutionele eigenschappen van de indianen, zoals beschreven in het onderhavige citaat en in de lezingen van 27 oktober 1909 (citaat 153), 12 juni 1910 (citaat 116) en 3 maart 1923 (citaat 130, laatste overigens eerste categorie, FS). De andere is de uitroeiing van de indianen door de blanke veroveraars uit Europa. Er zijn talrijke plaatsen te vinden waar hij deze uitroeiing beschrijft. Hierboven zijn er al enkele daarvan aangehaald, namelijk de citaten 155, 157, 159, 161, 163 en 164. Ook in 166 wordt over de uitroeiing van de indianen door de Europeanen gesproken.
Het gebruik van de term uitroeiing (‘Ausrotting’, ausrotten’) geeft aan dat Steiner het doden van de indianen door de Europeanen impliciet veroordeelde. Uit sommige citaten blijkt nog duidelijker hoe hij daarover dacht, zoals in: ‘…man die damaligen Amerikaner, die amerikanischen Indianer massakriert hat. Diese Art von Kulturausdehnung, das war die erste Etappe auf dem Wege, auf dem wir dann nach und nach weitergegangen sind’ (citaat 155) en ‘Sehen Sie, die Indianer haben allmählich kennengelernt die ‘besseren’ Menschen, die über sie gekommen sind, bevor diese sie ausgerottet haben’ (citaat 159). Ook in de opmerking ‘weil es den Europäern gefallen hat’ (citaat 103) klinkt deze veroordelende ondertoon ten aanzien van de Europeanen (niet echt overtuigend, juist in dit geval, FS).
Waar het hem in de lezing op 10 juni 1910 kennelijk om te doen was, was om de aanwezige theosofen te laten zien dat er bij die beslissende historische gebeurtenis niet alleen uiterlijk-fysieke factoren een rol speelden, maar ook innelijk-geestelijke. De uitspraak ‘Nicht nur etwa deshalb, weil es den Europäern gefallen hat’, zou meer in overeenstemming zijn geweest met zijn andere uitlatingen erover.
Het komt bij Steiner vaker voor dat hij innerlijke en uiterlijke oorzaken voor iets aangeeft. Bij belangrijke gebeurtenissen spelen immers altijd verschillende factoren een rol. Hij drukte het verschijnsel van innerlijk-geestelijke en uiterlijk fysieke factoren eens als volgt uit: ‘Es vertletzt jemand bei einer Rauferei einen anderen mit einem Messer, er hatte das Rachegefühl, der andere sagt , das Messer war die Ursage.-Beide haben recht. Das Messer war die letzte physische Ursache, aber dahinter liegt die geistige. Wer nach geistigen Ursachen sucht, wird immer die physischen gelten lassen’. Uit de laatste zin blijkt dat voor hem de geestelijke oorzaak niet belangrijker is dan de fysieke, of dat daardoor de laatste zou vervallen. In het kader van het uitsterven van indianen betkent dat met zoveel woorden: ook al ligt geestelijk gesproken de oorzaak ervan in het lot van de indianen als ras, de verantwoordelijk voor de daad van uitroeiing door de Europeanen op fysiek niveau wordt er daarom op geen enkele manier minder op.
Ook bij het ontstaan van ziektes spelen zowel innelijke als uiterlijke oorzaken een rol. Daarover uitte Steiner zich in dezelfde lijn als hierboven als volgt: ‘…daß aber alles, was materiell zum Ausdruck kommt, seine geistige Hintergründe hat und daß diese geistigen Hintergründe zum Heile der Menschheit gesucht werden müssen. Diejenigen aber, welche in den Kampf gern einstimmen möchten, die sollen auch daran erinnert werden dürfen und auch nicht in der gleichen Art bekämpft werden können wie die gewöhnlichen materiellen Ursachen. Und man darf auch nicht denken, daß man duch das Bekämpfen der geistigen Ursachen enthoben wäre der Bekämpfung der materiellen Ursachen’. Ook hier wordt niet de geestelijke oorzaak boven de fysieke geplaatst.
In 1997 verscheen onder de veelzeggende tietel Guns, Germs and Steel. The Fates of Human Societies, een studie van J. Diamond, waarin deze aantoont dat het gemak waarmee de Europese veroveraars het Amerikaanse continent konden bedwingen en de decimering van de locale bevolking niet alleen het gevolg waren van militair overwicht, maar nog van heel andere factoren. Hij maakt aannemelijk, dat de Europeanen een menigte ziekteverwekkende bacteriën met zich meebrachten waartegen de indianen niet bestand waren. De Europeanen waren voor deze bacterieën immuun geworden. Van oorsprong waren het namelijk ziektekiemen van dieren die de bewoners van Europa en Azië in de loop van vele duizenden jaren hadden gedomesticeerd, zodat hun immuunsysteem zich in die tijd daaraan had kunnen aanpassen. Deze domesticatie vond door de geologische gesteldheid van in Europa op veel grotere mate plaats dan in Amerika. Diamond toont met andere woorden aan dat ook geologische-culturele factoren een rol hebben gespeeld bij de massale sterfte van de indianen in Amerika’

Tot zover de commissie. Het komt er dus op neer dat Steiner bij zijn aanschouwingen zowel de uiterlijke als de achterliggende geestelijke aspecten meewoog. Ben trouwens benieuwd wat die geestelijke aspecten dat dan wel zijn? De Commissie stelt dat Steiner dit ras eerder met de ouderdom verbond. Ook dit lijkt mij geen doorslaggevend bewijs. Een bewijs zonder enige wetenschappelijke grond.
Maar dan: Als het ze uitkomt maakt de commissie wel degelijk gebruik van wetenschappelijke inzichten. De materialistische wetenschap blijkt opeens heel bruikbaar. De Commissie verwijst naar de studie ‘Guns, germs and steel; the fates of human societies’ van J. Diamond, waarin wordt gesteld dat de indianen massaal stierven aan door de Europeanen meegebrachte ziektes, die in de Nieuwe Wereld niet bekend waren en waar de mensen geen immuunsysteem tegen hadden ontwikkeld, waardoor zij extra gevoelig zouden zijn. Dat laatste is zonder meer waar. Het is om die reden ook dat het Azteken en het Inca-rijk betrekkelijk makkelijk door een kleine legermacht kon worden veroverd, omdat deze ziektes vernietigend hadden toegeslagen. In Noord Amerika was de cultuur van de Moundbuilders in de Mississippi-vallei verdwenen door de pokkenepidemie die de Europeanen vooraf was gegaan. Ik ken deze studie overigens niet, maar het is zeker een gezaghebbend werk (update: zie hier een documentaire over Diamonds werk). En het is ook en gegeven dat in andere recente publicaties over dit onderwerp wordt besproken, zoals dat van Charles Mann.
Alleen nu mijn probleem; Steiner wist dit niet, want dit was in zijn tijd onbekend. Of zou hij dit toch hebben geweten omdat hij helderziend was? Maar dan nog, het feit dat de indianen gevoelig waren voor Europese ziektes is toch geen bevestiging van zijn theorie over de indianen als een decadent ras? Of een ras waar door invloed van de abnormale geesten van de vorm de ouderdomskrachten inwerken en dat er louter is om dood te gaan? Het gegeven van die Europese ziektes maakt Steiners opmerking niet minder racistisch, te meer Steiner dit absoluut niet wist. Overigens is het wel weer een compleet nieuw argument, afwegend tegen Maarten Ploeger en Wiechert (Wounded Knee, want dat waren geen bacteriën maar kanonnen). Ook anders dan de vermeende decadente trekken uit de zesde voordracht, ingegeven door de werking van de planeet Mercurius. Brüll kan ook wel van tafel met zijn ‘voor Christelijke jaartelling’.
Ik moet zeggen dat de van Baarda-commissie tot nu toe de slimste uitleg heeft gevonden. Maar ook deze gaat helaas niet op. Want Steiners uitleg gaat niet over de Europese ziekten, maar over een denkbeeldige curve, waarlangs de abnormale geesten van de vorm zouden werken. In Afrika zouden de mensen de accenten van het kind hebben verkregen, in Azië die van een puber, Europa volwassen en de indianen bejaard. Dit heeft niets te maken met de epidemieën, anders had Steiner die heus wel zelf genoemd om zijn verhaal te onderbouwen. Zo’n kansje om zijn verhaal te onderbouwen had hij niet laten liggen. Dit gaat over een metafysische rassenleer, niet om een beschrijving van een historisch proces. En hoe zit het dan met het argument dat de rasverschillen geen rol van betekenis meer spelen: ‘Het is niet helemaal duidelijk wat Steiner bedoelde met de zin ‘Diese Linie besteht auch für unsere Zeit’. Het lijkt erop dat rasscheppende krachten door middel van leeftijdskenmerken tot in onze tijd doorwerken. Dat is echter in tegenspraak met wat er in citaat 96 gezegd is over het tijdperk waarin deze krachten werkzaam waren. Wat ook bedoeld kan zijn is, dat jeugd- en ouderdomskrachten in het algemeen langs deze lijn op aarde verdeeld zijn, wat in overeenstemming is met citaat 104′. (van Baarda rapport p. 366). Dat blijkt dus ook in overeenstemming te zijn met citaat 103 dat nu aan de orde is, tenminste als we het van Baarda-rapport in deze uitleg moeten geloven. Want dit gaat niet over Lemurië en Atlantis, maar unsere Zeit, zeker bekenen vanuit het perpectief van 1910.
Dit is een goed voorbeeld van hoe de van Baarda-commissie met veel verschillende argumenten (soms slim gevonden) en verspreid over verschillende pagina%u2019s in het rapport de ene na de andere racistische uitspraak van Steiner probeert recht te praten. Helder is het allemaal niet, maar op deze manier wordt er gepoogd de scherpe kantjes van iedere pittige uitspraak weg te vijlen, totdat er inderdaad geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van rassenleer. Het gebruik van opportunistische argumenten (zoals de grote epidemieën, waar Steiner niets van kon geweten hebben) is ook een mooi voorbeeld.
Het is tot dusverre de slimste verdediging van Steiners omstreden uitspraak tot nu toe. Dus ik snap niet waarom allerlei orthodoxe antroposofen zo boos zijn over dit rapport, want de argumentatie is, zij het bijzonder onoverzichtelijk in het rapport verwerkt, vele malen slimmer dan wat zij er tot nu toe van bakken. Maar helaas is het niet ontlastend.
Ik wil aan dit concrete geval nog een ding toevoegen: het van Baarda-rapport verwijt alle critici van Steiner consequent het uit de context halen, verkeerd citeren, etc., vooral Bram Moerland. Laten we eens kijken hoe Bram Moerland deze uitspraak heeft besproken. Moerland: ‘Als we de oceaan oversteken, waar de rassen uitsterven, dan vinden wij het ras van de duistere Saturnus, het oorspronkelijke indiaanse ras. Het indiaanse ras is het Saturnus-ras. Dat heeft gevolgen: ‘Niet omdat de Europeanen het wilden is het indiaanse volk uitgestorven, maar omdat het volk zich de krachten moest verwerven die to uitsterven leiden’ (Rassenleer met charisma, p. 20). Op de manier waarop Moerland deze passages bespreekt kun je terechte kritiek hebben. Hij neemt een passage uit de zesde voordracht en bespreekt in een adem deze passage uit de vierde voordracht er achteraan. Maar hij doet de oorspronkelijke betekenis geen geweld aan. Dat doet de van Baarda-commissie wel, met hun uit de lucht gegrepen speculaties over epidemieën waar Steiner van op de hoogte zou zijn geweest, omdat hij ook het innerlijk van de zaken kon beschrijven en niet slechts de uiterlijke gebeurtenissen. Een bijzonder wetenschappelijk argument voor een zich zelf ‘wetenschappelijk’ noemende commissie (maar deze bestond dan ook uitsluitend uit antroposofen).
Maar het ernstigste is dat als je ziet wat zij met deze uitspraak hebben uitgehaald, dit wel het toppunt is van het uit de context halen. Gemakshalve wordt er vergeten dat de indianen slechts een ‘ras van de ouderdom’ is in samenhang met een theorie dat het zwarte ras dat is van de kinderlijkheid, de Aziaten van de puber enz. Het wordt nu gepresenteerd als een enkele ‘objectieve uitspraak’, waar toevallig wat hedendaagse wetenschappelijke argumenten voor zijn aan te dragen. Kortom, een volstrekt opportunistische verdediging. Maar bij deze doorgeprikt naar ik mag hopen.
Toch ben ik benieuwd met wat voor verdediging de commissie was gekomen als Steiner gezegd zou hebben: ‘Niet omdat de Duitsers het wilden is de Joodse bevolking in Europa…’enz. Ik realiseer me dat dit heel grof is en dat je erg moet oppassen met dit soort speculaties. Maar ik vind hem helaas net zo ernstig. Maar ik denk dat die niet recht te praten zou zijn geweest. Wel handig, die epidemieën, al wist Steiner daar waarschijnlijk niets vanaf. Want wat betreft de indianen is niet gebleken dat hij enige kennis van zaken had. Zie hiervoor zijn opmerking uit 1923 dat de indianen naar het westen getrokken negers zijn die door te weinig licht en warmte koperrood zijn geworden en daardoor decadent en uiteindelijk daardoor stierven.
Of dat de indiaan een decadente aftakking is tussen aap en Ariër. Dus kennis van zaken kun je Steiner niet verwijten. Dat maakt dit epidemieën argument nog grotesker.

 

Wortelrassen, onderrassen en rassen

 

Uit het voorgaande is gebleken dat er, wanneer de rassen ter sprake komen, er vaak wordt verwezen naar voorgaande tijdperken, toen de mens nog een weke vorm zou hebben (Lemurië), of naar het roemruchte, in de zee verzonken en mythische continent Atlantis, toen de mens nog buigzaam was en geen verhard bottenstelsel had (de mens is volgens Steiner veel ouder dan de reguliere wetenschap stelt, maar er zijn natuurlijk geen fossiele resten bewaard gebleven van deze ‘nog niet verharde mensen’). Voor de geschiedenis van de mensheidsevolutie zijn dit in de antroposofie wezenlijke zaken, die nauw samenhangen met Steiners kijk op het ontstaan en de functie van de verschillende mensenrassen en zelfs van zijn totale kosmologie. Rudolf Steiner heeft deze aarde-evolutie onder andere uiteen gezet in twee van zijn belangrijkste werken, ‘Aus der Akasha-Chronik’ (1908, GA 11) en ‘Geheimwissenschaft’ (1909, GA 13).[62]

In de oorspronkelijke betekenis staan de begrippen wortelras en onderras niet synoniem voor  ‘mensenras’, zoals wij dat nu definiëren (en Steiner het gebruikt in Die Mission einzelner Volksseelen). Met deze begrippen worden in eerste instantie tijdperken bedoeld (al slaat het wel degelijk voor de dominante cultuur of zelfs menselijke levensvorm van dat moment). Volgens Steiner is de aarde niet alleen materieel geëvolueerd, maar vond er ook een afdalende ‘involutie’ plaats, van zuiver geest tot uiteindelijk bezielde stof. ‘Dat wat boven is neigt naar beneden en dat wat beneden is neigt naar boven’ luidt de tekst van Hermes Trismegistus, zo’n beetje de oertekst van de hermetische filosofie en de westerse esoterische traditie, die in de negentiende eeuw werd ‘herontdekt’ en door de theosofie werd geïncorporeerd, net als later door de antroposofie[63]. Wellicht is het zinvol om eerst die zg aarde-evolutie in beeld te brengen. Volgens Steiner heeft de aarde een aantal stadia doorlopen, waarbij de mens al in het begin aanwezig was, zij het voor het grootste deel niet in materiële vorm. Ook de aarde bestond in het begin nog niet uit verdichte materie, de vorm was in eerste instantie ook zuiver geestelijk. In die zin is er sprake van ‘involutie’ van geest naar stof. Tegelijkertijd gold er voor de te ontstane levensvormen op aarde het omgekeerde. Hoe meer de aarde en de materie zich verdichtte hoe hoger ontwikkeld de levensvormen (het onderscheid ‘minerale fase’, ‘plantenfase’, ‘dierlijke fase’ en ‘mens’). Ogenschijnlijk heeft de evolutielijn grote overeenkomsten met de Darwinistische notie van evolutie. Maar er is wel een principieel verschil. Waar het Darwinisme uitgaat van toevallige mutatie met de grootste kans op voortbestaan door de meest geschikte (wat primitief uitgedrukt ‘survival of the fittest), is de evolutie in de antroposofie teleologisch van aard. De evolutie werkt naar een doel toe en niets gebeurt er zomaar. Alles is onderdeel van een groot ‘kosmisch plan’, waarin alle hiërarchieën, ook de geestelijke hiërarchieën boven de mens (aartsengelen, engelen, tronen, cherubijnen, serafijnen, etc., al ter sprake gekomen bij de bespreking van Die Mission) een bepaalde rol te vervullen hebben. Zoals het Darwinisme door toeval en ‘zinloosheid’ wordt gekenmerkt, zo heeft binnen de antroposofie alles ‘zin’ en een functie (tot en met verdwijnende rassen, zoals we hebben gezien).[64]

Ik laat dit zien aan de hand van een schema[65] uit het mij zo bekende en geliefde Belgische antroposofische tijdschrift ‘de Brug’:

1ste vormfase: hoger devachaan

2de vormfase: lager devachaan

3de vormfase: astrale wereld

4de vormfase: fysieke wereld:

1ste tijdvak: Polaris

2de tijdvak: Hyperborea – de huidige zon scheidt zich af

3de tijdvak: Lemurië – de huidige maan scheidt zich af

4de tijdvak: Atlantis
zondvloed

5de tijdvak: Na-Atlantis de zeven gemeenten uit de Apokalyps
1) Oud-Indische cultuurperiode = Efeze
2) Oud-Perzische cultuurperiode = Smyrna
3) Egyptisch-Babylonische cultuurperiode = Pergamum
4) Grieks-Romeinse cultuurperiode= Tyatira
5) Huidige cultuurperiode = Sardes
6) Russische cultuurperiode = Philadelphia
7) Amerikaanse cultuurperiode = Laodicea
grote oorlog van allen tegen allen

6de tijdvak: de zeven zegels uit de Akopalyps

7de tijdvak: de zeven bazuinen uit de Apokalyps
de fysieke aarde verdwijnt en gaat over in een astrale toestand

– 5de vormfase: hogere astrale wereld
– 6de vormfase: vervolmaakt lager devachaan
– 7de vormfase: vervolmaakt hoger devachaan

De ontwikkeling van de aarde heeft voor onze tijd een aantal eerdere tijdperken gekend (een paar zijn al ter sprake gekomen). Deze tijdperken vormen weer een onderdeel van een nog veel groter evolutiemodel, zoals bovenstaand is te zien. Ik zal dit ‘grote model’ hier buiten beschouwing laten (wordt uitgebreid toegelicht in oa Geheimwissenschaft, waar ook  de ‘toekomstige’ tijdperken worden beschreven[66]). In dit verband volstaat het om de tijdperken te noemen die aan het onze vooraf gingen, te weten Polaris, Hyperborea, Lemurië, Atlantis en nu dus het huidige. Te zien is ook de indeling van de cultuurperiodes in het huidige tijdperk. Deze indeling van de cultuurperiodes hebben we eerder al eerder gezien aan het slot van de vierde voordracht van Die Mission en zal later in dit betoog nog uitgebreid worden behandeld. Van belang is in dit verband om te laten zien dat ook Atlantis (waar de mens uiteindelijk zijn stoffelijke vorm aannam en verschillende vermogens ontwikkelde die voor de mens in de hedendaagse vorm gelden) verschillende cultuurperiodes/onderrassen heeft gekend. Dit zijn achtereenvolgens:

  • 1. Rmoahals (Gefühle, Sinnesgedächnis, Sprache)
  • 2. Tlavatli (Erinnerung, Ahnenkult)
  • 3. Ur-Tolteken (persönliche Erfahrung)
  • 4. Ur-Turanier (persönliche Machtfülle)
  • 5. Ur-Semiten (Urteilskraft, Rechnen)
  • 6. Ur-Akkadier (Anwendung der Urteilskraft, “Gesetze”)
  • 7. Ur-Mongolen (verlieren die Macht über die Lebenskräfte, behalten aber den Glauben daran)[67]

Deze ‘Atlantische cultuurperiodes/onderrassen’ worden gedetailleerd besproken in de Akasha-kroniek, om precies te zijn in het hoofdstuk ‘Unsere Atlantische Vorfahren’ en in ‘Übergang der vierten in die fünften Wurzelrasse’[68]. Later zullen deze cultuurperiodes nog belangrijk worden, vooral de vijfde cultuurperiode van de zg ‘Oer-Semieten’.

Terug naar de grotere evolutie en involutie lijn. De bioloog Hermann Poppelbaum, een belangrijk volgeling van Rudolf Steiner heeft dit model een keer op een overzichtelijke manier uitgetekend (zie figuur 1) Wij zien hier dus een integratie van de bijna correcte Darwinistische lijn met die van de aarde -evolutie. Steiner heeft dit model overigens zelf ook een keer uitgetekend (in 1907, GA 100, fig. 2). Hier zin wij één stijgende lijn. Aan de linkerkant zijn de aardetijdperken/wortelrassen weergegeven, aan de rechterkant zien wij de materiële evolutie. Van belang is om op te merken dat de mens vanaf het begin al aanwezig was, zelfs voordat de eerste reptielen waren ontstaan. De mens was er toen nog niet in materiële vorm, maar als geestelijke entiteit of als nog niet verdichte materie. Pas in een later stadium is de figuur ‘mens’ zich gaan materialiseren. Overigens is hier meteen een schokkend detail te zien (niet weergegeven in het model van Poppelbaum). Het blijkt dat Steiner de indianen plaatst tussen de apen en de Ariërs. De verklaring moet worden gevonden in het volgende. Volgens Steiner werden alle vormen ‘voorbereid’ in de geestelijke wereld (bij Poppelbaum de involutielijn en onderstaand de linkerkant van de lijn). Op een gegeven moment gaan deze vormen zich materieel manifesteren (bij Poppelbaum de opklimmende evolutielijn, hieronder de rechterkant van de lijn). Dat neemt niet weg dat Steiner de indianen zag als een evolutievorm tussen de aap

Fig. 6 Evolutiemodel Hermann Poppelbaum

Fig. 7 Evolutiemodel Rudolf Steiner bij een lezing in 1907 (GA 100). Bijbehorende tekst: ‘Wir könnten auch ohne weiteres Haeckels Stammbaum übernehmen, der Unterschied ist nur der, daß Haeckel erst die Tierformen enstehen und diese sich dann bis zum Menschen hinaufentwickeln läßt, während wir in der Uniform  bereits den Menschen sehen und die Tierwelt nur als Abzweigung, als entartete Menschen betrachten. Tatsächlich ist der Mensch der Erstgeborene der Erde; er hat sich in gerader Linie weiter entwickelt, hat die andern Wesen an den verschiedenen Etappen zurückgelassen’.[69] Op Haeckel kom ik nog terug. Duidelijk is dat in Steiners visie de mens wel erg als het centrum van de schepping (al vanaf het begin aanwezig, zij het nog niet in materiële vorm, zie overigens ook Poppelbaum) zag en dan vooral de Arische mens. De indianen krijgen de plek van ‘hoogste diersoort’ toegewezen, althans daar heeft het in dit model alle schijn van. Maar hier wordt het verhaal van het te vroeg verharden van de indianen enigszins inzichtelijk, als mensen die zich ‘te vroeg materialiseerden en nu ‘decadent’ zijn geworden’. Diervriendelijk is deze omschrijving overigens ook, met de voorstelling van dieren als ‘ontaarde mensen’. Wat dat betreft is de antroposofie behoorlijk ‘antropocentrisch’ en wat betreft de anders gekleurde medemens zeker ‘aryo-centrisch’. Overigens is het voor mij onbestaanbaar dat je na kennisneming van deze tekening, die NB het evolutiemodel moet voorstellen (dus niet zomaar iets) je doodleuk kunt beweren dat er géén sprake is van rassenleer.

en de Ariër. Dat geldt niet alleen voor deze tekening. Hij zag de indianen daadwerkelijk als ‘te vroeg verharde mensen, die daarom decadent zijn geworden’. Dit heeft hij vele malen en in verschillende werken verklaard. Overigens heeft de van Baarda-commissie de uitspraak die bij deze tekening hoort in de eerste categorie geplaatst, mede vanwege deze tekening. Ik zal die uitspraak, samen met de tweede bijbehorende tekening pas behandelen wanneer ik specifiek op Steiners visie op de indianen inga. Het gaat mij hier om het algemene beeld Voor hier haal ik nu een passage uit Die Mission einzelner Volksseelen terug: ‘Da haben die Indianer nach Westen hinübergenommen alles, was groß war in der atlantischen Kultur. Was war für den Indianer das Größte? Es war, daß er noch ahnen konnte etwas von der alten Größe und Herrlichkeit eines Zeitalters, das in der alten atlantischen Zeit vorhanden war, wo noch wenig um sich gegriffen hatte die Rassenspaltung, wo die Menschen hinaufschauen konnten nach der Sonne und wahrzunehmen vermochten die durch das Nebelmeer eindringenden Geister der Form. Durch ein Nebelmeer blickte der Atlantier hinauf zu dem, was sich für ihn nicht spaltete in eine Sechs- oder Siebenheit, sondern zusammenwirkte. Das, was zusammenwirkte von den sieben Geistern der Form, das nannte der Atlantier den Großen Geist, der in der alten Atlantis dem Menschen sich offenbarte. Dadurch hat er nicht mit aufgenommen das, was die Venus-, Merkur-, Mars- und Jupiter-Geister bewirkt haben im Osten. Durch dieses haben sich gebildet alle die Kulturen, die in Europa in der Mitte des neunzehnten Jahrhunderts zur Blüte gebracht wurden. Das alles hat er, der Sohn der braunen Rasse, nicht mitgemacht. Er hat festgehalten an dem Großen Geist der urfernen Vergangenheit’. (fragment citaat 117, zesde voordracht)

Laten we precies kijken naar wat Steiner hier zegt. Hij begint dat de indianen zijn bagage/erfgoed heeft meegenomen van de Atlantische cultuur, toen hij dit continent verliet en zich in het westen (Amerika) vestigde. Hij had nog een besef van oude Atlantische cultuur, toen het contact met de hogere geestelijke wezens en zelfs in staat was ze waar te nemen. Dat ‘Nebelmeer’ is overigens in dit verband zeker interessant; in de Atlantische tijd was de materie nog minder verdicht en was de aarde gehuld in een ‘nevelzee’. De zes of zevenheid zijn de elohim, de geesten van de vorm, waarvan er zes vanuit de zon werken en in een vanuit de maan. Maar de indiaan had zich vastgeklampt aan de oude cultuur van Atlantis en de nieuwe cultuurontwikkelingen, die in het oosten waren ontstaan vanuit de werking van Venus, Mercurius en Jupiter, waren aan hem voorbij gegaan. Kortom, een ras  dat zijn beste tijd heeft gehad en misschien meer bij Atlantis hoorde dan bij het huidige tijdperk.

Hoe verhoudt zich dit tot de zg. wortelrassen en onderrassen, of in Steiners latere terminologie Zeitalter/Kulturepochen? Hiervoor moeten we kijken naar zijn beroemde voorgangster van wie Steiner veel heeft overgenomen. Oorspronkelijk heeft hij deze termen ontleend aan Helena Blavatsky, de grondlegster van de Theosofische beweging, waarvan Steiner een tijd deel van uitmaakte, voordat hij zijn nieuwe antroposofische beweging startte. Het was Helena Blavatsky die de leer van de wortelrassen en de aarde-evolutie formuleerde. Deze heeft zij vooral uiteen gezet in haar monumentale werk The Secret Doctrine, naast Isis unveiled haar belangrijkste werk.

De wortelrassen van Helena Blavatsky

In The Secret Doctrine (De Geheime Leer) beschrijft Helena Blavatsky (HPB) het ontstaan van de aarde, het verloop van de evolutie en lotsbestemming van de mens. Steiner heeft haar beschrijving van de evolutie, met een paar duidelijke verschillen, vrijwel geheel overgenomen. Ik geef hier de samenvatting van Bram Moerland[70]:

‘Het tweede deel van de Geheime Leer is grotendeels gewijd aan de ‘Antropogenesis’, of de leer van de wortelrassen. Daaruit stammen ook de hierna aangehaalde citaten van Blavatsky.

Bij de lezing van de boeken van Blavatsky valt in eerste instantie het extreme dualisme van geest en stof op. Geest is ‘hoog’ en stof is ‘laag’ (zie ook Steiner en het hiervoor getoonde model van Poppelbaum, FS). Die tweedeling valt samen met mannelijk en vrouwelijk. ‘Het ideële mannelijke is zuiver goddelijk en geestelijk, terwijl het vrouwelijke in zekere zin door stof bezoedeld is, het is inderdaad stof en daarom reeds een kwaad.

Dat dualisme lijkt mij overigens typisch westers. Blavatsky doet het steeds voorkomen alsof haar leer Oosters zou zijn, zelfs ingegeven door Oosterse ‘Meesters’. Maar ik herken in haar boeken oude christelijke en vooral gnostieke dogmatiek. Weliswaar geeft zij aan allerlei begrippen een oosterse naam, maar die begrippen acht ik naar inhoud puur westers. Zo kent Blavatsky ook de seksualiteit als de oerzonde. Zij ziet de val van de geest in de geslachtelijke voortplanting en die zou de oorzaak zijn geweest van het ontstaan van de rassen: ‘De aarde is vervallen in de voortbrenging harer soorten door geslachtelijke vereniging.’

Tegen mijn stelling dat Blavatsky zich bedient van Westerse begrippen, zullen theosofen wellicht willen inbrengen dat de door Blavatsky beleden leer van de reïncarnatie uit het oosten stamt. Dat is niet zo. De reïncarnatieleer van Blavatsky heeft veel meer weg van de opvattingen daarover in de westerse gnostieke traditie. Die zijn bij ons in de vergetelheid geraakt maar in de Middeleeuwen waren die ook in het westen, onder de gnostici, wijd verbreid. In de oudheid treft men de leer van de zielsverhuizing al aan bij Pythagoras en Empedocles. Ook Plato geloofde in reïncarnatie. Blavatsky’s wortelrassenleer treft men in de kiem reeds aan in de Phaedres van Plato.[71]

Toegegeven moet worden dat de Theosofische Vereniging veel heeft gedaan voor de studie van de oosterse geschriften. Zo is bijvoorbeeld de Bhagavat Gita vooral door de theosofen hier bekend geworden, maar voor de juiste kennis van de Oosterse filosofie is de uitleg van Blavatsky eerder een belemmering dan een hulp.[72]

Aan het oude westerse gedachtegoed voegt Blavatsky een voor haar tijd nieuwe theorie toe, de evolutieleer van Darwin. Zij schrijft daarover: ‘Wij bezitten een occulte Leer die zich niet verliest in de duisternis der archaïsche tijden. Wij hebben haar volledig weergegeven in Isis Ontsluierd. Het denkbeeld van een Darwinistische evolutie en van een strijd om het bestaan en van het ‘overleven der meest geschikten’, loopt door beide delen van ons werk.’

Met de hierboven uiteengezette ingrediënten:

  • Het dualisme van een hogere geest en een lagere stof
  • De val van de geest in de geslachtelijke voortplanting
  • Het overleven van de meest geschikten

Daarmee schept Blavatsky een geheel eigen gedachteconstructie, de leer van de Wortelrassen (door haar consequent met een hoofdletter geschreven)’.[73]

De hierboven door Bram Moerland geschetste denkbeelden zijn essentieel om het rassenverhaal te begrijpen, ook bij Rudolf Steiner. Er is inderdaad sprake van een reïncarnatieleer, gecombineerd met een ‘soort Darwinistische’ evolutieleer. In dit evolutieproces wisselen geestelijke krachten, die zich op een diverse wijze manifesteren elkaar af. Dit geldt ook voor de verschillende rassen. Het is niet direct zo dat het ene ras minder is dan het andere, alles heeft binnen de theosofie en de antroposofie een functie. Wel is het zo dat op een gegeven moment een ‘ras’ (zie de indianen) zijn beste tijd heeft gehad en moet uitsterven, om plaats te maken voor iets nieuws. Er zijn dus oppervlakkige overeenkomsten met de Darwinistische evolutieleer, maar ook belangrijke verschillen. Waar in de gangbare evolutieleer het toeval een grote rol speelt, geldt voor de theosofische en de antroposofische kijk op de evolutie dat alles doelmatig is en zich volgens ‘wetmatigheden’ voltrekt. ‘Das ist einfach eine Gesetzmäßigkeit’, zegt Steiner in de vierde voordracht van Die Mission, wanneer hij het over de evolutie van de rassen heeft, langs de ‘wetmatig verlopende lijn’ van oost naar west (‘eine merkwürdig verlaufende Linie’ ). Alles dient dus een bepaald doel of heeft ‘zin’ in de teleologische zienswijze van de antroposofie en de theosofie. Niets gebeurt toevallig. Zie hier het principiële verschil tussen de ‘normale wetenschap’ (de evolutieleer, maar ook de bijv. de historische wetenschap) en de zg. ‘geesteswetenschap’ van Steiner, of de miraculeuze openbaringen van Helena Blavatsky, middels de binnenvliegende en zich spontaan materialiserende ‘Mahatma-brieven’ van ‘de Meesters’.

Moerland vervolgt zijn verhaal met een beknopte uitleg van de theorie van de Wortelrassen. Ook dit gedeelte zal ik integraal citeren:

‘Volgens Blavatsky wordt de loop van de evolutie gekenmerkt door zeven rondtes. Deze zeven rondtes vormen samen één cyclus. Tijdens deze cyclus daalt de geest in de stof, om daar vervolgens een stuk wijzer weer uit op te stijgen. Bij elke rondte hoort een bepaalde plaats op aarde en een wortelras. Elk wortelras is weer verdeeld in zeven onderrassen:

Het Heilige land. In den beginne, de eerste rondte, was het Heilige Land. Toen was alles nog zuiver geestelijk en dus goed. Maar om de een of andere reden kwam er in de geestelijke sferen een opstand. Er waren ‘goddelijke oproerlingen’. Deze oproerlingen brachten de eerste mens voort, het eerste wortelras, nog steeds zuivere geestelijke ego’s. Maar deze oproerlingen slaagden niet in hun opzet. Blavatsky: ‘Zij faalden en van allen wordt gezegd dat zij voor die mislukking gestraft zijn. Wat was die straf? Een vonnis van gevangenschap in de laagste sferen die onze aarde is; in de duisternis van de stof.

Hyperborea. Het was in de tweede rondte dat de zuiver geestelijke ego’s incarneerden in stoffelijke lichamen. Zo ontstond het tweede wortelras. Dat gebeurde in het land Hyperborea. Deze mensen waren ongeslachtelijk.

Lemurië. Tijdens de derde rondte ontwikkelde zich het begin van de geslachtelijkheid, zij het nog androgyn. Zo ontstond Lemurië, het derde wortelras.

Atlantis. Tijdens de vierde rondte ‘verviel de geest tot geslachtelijke voortplanting’. De straf daarvoor was dat een geheel dierlijk mensenras werd gevormd, het vierde wortelras in Atlantis.

Centraal-Europa. Wij bevinden ons nu in de vijfde rondte, want allengs begint het tij te keren. De stoffelijke omhulsels van de geestelijke ego’s ontwikkelden verstandelijke vermogens en daaruit vormde zich het Arische ras, het wortelras van deze tijd.

Er moeten nog drie rondtes komen. Daarna zal de oorspronkelijke toestand van het ‘Heilige Land’ weer hersteld zijn’.[74]

Zie hier een samenvatting van Steiners belangrijkste bron voor zijn idee van de evolutie, al wordt daar in antroposofische kring bijzonder moeilijk over gedaan. Nu de grote lijnen zijn geschetst is het wellicht aardig om op en paar details in te gaan.

Het lijkt mij zinvol om kort aandacht te besteden aan wat het van Baarda-rapport heeft geschreven over deze fragmenten van Bram Moerland. De kritiek van het van Baarda-rapport was wat betreft dit werkje van Moerland, tamelijk fors. Ik heb hier al in een eerder artikel  aandacht aan besteed. Een belangrijk punt is dat Moerland geen noten heeft gebruikt, zodat het soms moeilijk is om iets terug te vinden (alleen een literatuurlijst, waarbij wel vermeld staat welke uitgaven hij heeft gebruikt)[75]. Daar kan ik, gezien de omvang van de Geheime Leer wel enigszins in meegaan. Dat neemt niet weg dat ik zelf (bijna) alle passages die Moerland aanhaalt heb teruggevonden, zowel in de Nederlandse vertaling als in het Engelse origineel (gepubliceerd op internet http://www.theosociety.org/pasadena/sd/). Al is de Geheime Leer een immense en intimiderende papiermassa, waar je op het eerste gezicht de moed van in de schoenen zinkt, toch zijn zaken goed terug te vinden als je de structuur een beetje door hebt (hetzelfde geldt overigens voor het van Baarda-rapport, ook niet echt gebruiksvriendelijk van opbouw en bovendien van eenzelfde ‘intimiderende omvang’. Maar dat is me uiteindelijk ook uitstekend gelukt). Maar ik zal nog wat van Moerland aanhalen, alvorens op het origineel in te gaan.

Moerland: ‘Zoals reeds gezegd maakt Blavatsky een scherp onderscheid tussen Geest (met hoofdletter) en stof. Zij koppelt dat aan de leer van reïncarnatie en karma. De reïncarnerende ego’s zijn geheel geest. Onze lichamen, de omhulsels, zijn puur stof. In hun ontwikkelingsgang reïncarneren de geestelijke ego’s in de stoffelijke lichamen van de verschillende rassen. Elk ras vertegenwoordigt een fase van die ontwikkelingsgang. Als de ontwikkelingsgang, die behoort bij een bepaald ras is volbracht, incarneren de ego’s in een volgend, nieuw ras (zie de parallel met de vierde voordracht uit Die Mission! FS). Het nare gevolg van de val in de geslachtelijke voortplanting was echter dat de stoffelijke lichamen zich bleven voortplanten, ook als de incarnerende ego’s hun geestesoog al op een nieuw ras hadden laten vallen. Die zich almaar voortplantende lichamen hebben dus geen geestelijke component meer. Die lichamen degenereren daardoor, zij raken, zoals Blavatsky dat zegt ‘ontaard’ en zijn daardoor tot uitsterven gedoemd’ (al genoot dit gedachtegoed gedurende de hippietijd enige hernieuwde populariteit, erg pro-seksuele revolutie was deze Madame Blavatsky duidelijk niet, commentaar FS[76]).

Verder met Moerland: ‘Blavatsky: ‘Het is een feit dat veel te denken geeft dat de laagste mensenrassen thans snel uitsterven. Over de ganse wereld worden die stammen gedecimeerd, wier tijd om is’. ‘Het uitsterven van de inboorlingen van Hawaii bijvoorbeeld is een van de geheimzinnigste vraagstukken van deze tijd. De ethologie zal vroeg of laat met de occultisten moeten erkennen dat de ware oplossing moet worden gezocht in de werktuigen van karma’. ‘Roodhuiden, Eskimo’s, Papoea’s, Australiërs, Polinesiërs, enz. enz. zijn allen aan het uitsterven. Zij die inzien dat elk wortelras een toonladder van zeven onderrassen doorloopt, zullen het ‘waarom’ begrijpen. De incarnerende ego’s zijn aan hen voorbij gegaan, om ondervinding op te doen in beter ontwikkelde en minder door ouderdom versleten stammen, en hun vernietiging is derhalve een Karmische noodzakelijkheid.’

‘Aldus zal de mensheid, ras na ras, haar voorgeschreven pelgrimstocht afleggen. Geen enkele van haar eenheden kan haar onbewuste roeping ontgaan of zich onttrekken aan de last mede te arbeiden met de natuur, terwijl een reeks van minder begunstigde groepen, de mislukkelingen, uit het menselijk gezin zullen verdwijnen zonder een spoor na te laten’.[77]

Tot zover deze passages uit de Geheime Leer, geciteerd uit Moerland. Een bloederig geheel is het zo langzamerhand wel, dat bovendien bol staat van het racisme. Maar heeft Moerland, met deze verschillende citaten, Blavatsky correct weergegeven? Het lijkt me van belang om hier helderheid in te scheppen, daar er in het van Baarda-rapport zo’n punt van wordt gemaakt. Laten we een paar Engelse originelen terughalen. Ik zal laten zien wat ik daar zoal heb teruggevonden:

‘(before the Sixth Root-Race dawns), the white (Aryan, Fifth Root-Race), the yellow, and the African negro – with their crossings (Atlanto-European divisions). Redskins, Eskimos, Papuans, Australians, Polynesians, etc., etc. – all are dying out. Those who realize that every Root-Race runs through a gamut of seven sub-races with seven branchlets, etc., will understand the “why.” The tide-wave of incarnating Egos has rolled past them to harvest experience in more developed and less senile stocks; and their extinction is hence a Karmic necessity’.[78]

With regard to a former civilization, of which a portion of these degraded Australians are the last surviving offshoot, the opinion of Gerland is strongly suggestive. Commenting upon the religion and mythology of the tribes, he writes, “The statement that the Australian civilization (?) indicates a higher grade, is nowhere more clearly proved than here, where everything resounds like the expiring voices of a previous and richer age. The idea that the Australians have no religion or mythology is thoroughly false. But this religion is certainly quite deteriorated.” (Cited in Schmidt’s “Doctrine of Descent of Darwinism,” pp. 301-2.) As to his other statement, namely, that the Australians are a “division of the Malays” (Vide his ethnological theories in the “Pedigree of Man”), Haeckel is in error, if he classes the Australians with the rest. The Malays and Papuans are a mixed stock, resulting from the intermarriages of the low Atlantean sub-races with the Seventh sub-race of the Third Root-Race. Like the Hottentots, they are of indirect Lemuro-Atlantean descent. It is a most suggestive fact – to those concrete thinkers who demand a physical proof of Karma – that the lowest races of men are now rapidly dying out; a phenomenon largely due to an extraordinary sterility setting in among the women, from the time that they were first approached by the Europeans. A process of decimation is taking place all over the globe, among those races, whose “time is up” – among just those stocks, be it remarked, which esoteric philosophy regards as the senile representatives of lost archaic nations. It is inaccurate to maintain that the extinction of a lower race is invariably due to cruelties or abuses perpetrated by colonists. Change of diet, drunkenness, etc., etc., have done much; but those who rely on such data as offering an all-sufficient explanation of the crux, cannot meet the phalanx of facts now so closely arrayed. “Nothing,” says even the materialist Lefevre, “can save those that have run their course. . . . It would be necessary to extend their destined cycle. . . . The peoples that have been most spared . . . Hawaiians or Maories, have been no less decimated than the tribes massacred or tainted by European intrusion.” (“Philosophy,” p. 508.)

“The intellectual difference between the Aryan and other civilized nations and such savages as the South Sea Islanders, is inexplicable on any other grounds. No amount of culture, nor generations of training amid civilization, could raise such human specimens as the Bushmen, the Veddhas of Ceylon, and some African tribes, to the same intellectual level as the Aryans, the Semites, and the Turanians so called. The ‘sacred spark’ is missing in them and it is they who are the only inferior races on the globe, now happily — owing to the wise adjustment of nature which ever works in that direction — fast dying out. Verily mankind is ‘of one blood,’ but not of the same essence. We are the hot-house, artificially quickened plants in nature, having in us a spark, which in them is latent”.

Niet alles heb ik letterlijk teruggevonden, maar het ziet ernaar uit dat het aardig klopt (al deze passages komen uit Stanza XII en de ‘aanvullende commentaren op Stanza XII’, deel II Antropogenesis). Het is dus inderdaad zo’n genocidaal geheel. Over rassen die ‘gelukkig snel uitsterven’. Of over vrouwen van die inferieure rassen die spontaan steriel worden zodra een ‘verheven Europeaan’ in de buurt komt. Het van Baarda-rapport verwijt dan Bram Moerland dat hij bijv. de uitspraak ‘Niets vermag hen te redden’ toeschrijft aan Blavatsky, terwijl dat een uitspraak is van ene meneer Lefevre. Dat klopt, maar ook het van Baarda-rapport geeft de portee ook niet correct weer. Helena Blavatsky zegt: ‘Niets vermag hen te redden’, zegt zelfs de materialist Lefevre. En als zelfs een materialist (zo’n beetje het ergste wat je kunt zijn in theosofische of antroposofische ogen) het zegt, dan mag je dit toch zien als een bijna triomfantelijke instemming. Dan weet je wel spreekwoordelijk hoe laat het is. Dus aan het Engelse origineel te zien heeft Moerland de waarheid hier niet veel geweld aan gedaan. Dan zou je het van Baarda-rapport kunnen verwijten dat zij daarmee suggereren dat dit niet de mening van Madame Blavatsky zou zijn. En dat is zeker niet waar, gezien haar triomfantelijke zelfs de materialist..enz. De vertaling die Moerland heeft gebruikt ken ik overigens niet, dus daar heb ik geen mening over.

Hoewel ik het persoonlijk soms fascinerende fictie vind (een soort ‘Lord of the Rings’ of beter ‘The Silmarillion’, van JRR Tolkien), kan ik me enigszins vinden in het oordeel van schrijver en NRC recensent Sjoerd de Jong, die stelt: ‘Wie De Geheime Leer doorbladert, belandt in een labyrint van occulte speculaties over het heelal, de planeet Aarde en mensenrassen. Centraal in dit theosofische evolutionisme staat een, alweer typisch negentiende-eeuwse, rassenleer, waarin de Ariërs uiteraard een geprivilegieerde positie innemen en andere, inferieure, mensensoorten gedoemd zijn te verdwijnen – een idee dat werd overgenomen in de antroposofie van Rudolf Steiner. Het boek lijkt verder geschreven in één lange koortsaanval. Beklemmend eraan is, behalve de leer van menselijke ‘wortelrassen’, vooral dat het ongeveer zo spiritueel is als het telefoonboek, of het duizend keer opzeggen van de stelling van Pythagoras. Wie Blavatsky’s leentjebuur-spelen bij wetenschap en religieuze tradities terzijde laat, ontmoet eigenlijk nergens een inzicht dat dieper gaat dan de conclusie dat de reusachtige beelden op het Paaseiland de overblijfselen moeten zijn van een cultuur van reusachtige mensen’.[79]

Toch heb ik deze citaten uit het origineel voornamelijk om een andere reden weergegeven. Het gaat mij om een cruciale passage: ‘(before the Sixth Root-Race dawns), the white (Aryan, Fifth Root-Race), the yellow, and the African negro – with their crossings (Atlanto-European divisions). Redskins, Eskimos, Papuans, Australians, Polynesians, etc., etc. – all are dying out. Those who realize that every Root-Race runs through a gamut of seven sub-races with seven branchlets, etc., will understand the “why.” The tide-wave of incarnating Egos has rolled past them to harvest experience in more developed and less senile stocks; and their extinction is hence a Karmic necessity’.

Ik wil overigens alvast een interessant detail opmerken. Blavatsky heeft het over ‘before the Sixth Root-Race dawns’ en dan dat er allerlei rassen zouden zijn uitgestorven. Dat lijkt mij een cruciale passage. Steiner heeft het in Die Mission immers over wanneer het vijfde tijdperk wordt afgelost door het zesde er geen reden meer is om van rassen te spreken. Dit wordt soms aangehaald om te benadrukken dat ‘de rasverschillen worden opgeheven’ (overigens wordt er door veel antroposofen verkondigd dat dit al in het verleden zou zijn gebeurd[80]). Maar als je Blavatsky zo leest is dit wel een hele bijzondere vorm van opheffing van rasverschillen. In een later hoofdstukje, wanneer ik de periodisering bespreek, kom ik hier zeker op terug. Een andere interessante opmerking is: ‘Verily mankind is ‘of one blood,’ but not of the same essence’. Ook dit lijkt sterk op de opmerkingen uit Die Mission einzelner Volksselen.

Het gaat mij in dit verband vooral om de opmerking ‘the white Aryan Fifth Root-Race’. Kennelijk heeft het tijdperk van het ‘vijfde wortelras’ (ons tijdperk dus), dat na het ‘vierde Atlantische wortelras’ kwam, alles te maken met het blanke ‘Arische’ ras. Dus er is wel degelijk een connectie tussen de zg. wortelrassen (die voor tijdperken zouden staan en dus niets met ‘rassen’ te maken hebben, aldus vele hedendaagse antroposofen) en het gewone mensenras. Helena Blavatsky geeft daar nog een paar belangrijke aanwijzingen voor. In de aanvullende commentaren op Stanza XII (Antropogenesis) legt zij het systeem van de wortelrassen uit:

Fig. 8 De rassenboom uit de Secret Doctrine

‘Let the reader remember well that which is said of the divisions of Root Races and the evolution of Humanity in this work, and stated clearly and concisely in Mr. Sinnett’s “Esoteric Buddhism.”

1. There are seven Rounds in every manvantara; this one is the Fourth, and we are in the Fifth Root-Race, at present.

2. Each Root-Race has seven sub-races.

3. Each sub-race has, in its turn, seven ramifications, which may be called Branch or “Family” races.

4. The little tribes, shoots, and offshoots of the last-named are countless and depend on Karmic action. Examine the “genealogical tree” hereto appended, and you will understand. The illustration is purely diagrammatic, and is only intended to assist the reader in obtaining a slight grasp of the subject, amidst the confusion which exists between the terms which have been used at different times for the divisions of Humanity. It is also here attempted to express in figures – but only within approximate limits, for the sake of comparison – the duration of time through which it is possible to definitely distinguish one division from another. It would only lead to hopeless confusion if any attempt were made to give accurate dates to a few; for the Races, Sub-Races, etc., etc., down to their smallest ramifications, overlap and are entangled with each other until it is nearly impossible to separate them.

The human Race has been compared to a tree, and this serves admirably as an illustration.

The main stem of a tree may be compared to the root-race (A).

Its larger limbs to the various sub-races; seven in number (B1, B2).

On each of these limbs are seven branches, OR family-races. (C).

After this the cactus-plant is a better illustration, for its fleshy “leaves” are covered with sharp spines, each of which may be compared to a nation or tribe of human beings.

Now our Fifth Root-Race has already been in existence – as a race sui generis and quite free from its parent stem – about 1,000,000 years; therefore it must be inferred that each of the four preceding Sub-Races has lived approximately 210,000 years; thus each Family-Race has an average existence of about 30,000 years. Thus the European “Family Race” has still a good many thousand years to run, although the nations or the innumerable spines upon it, vary with each succeeding “season” of three or four thousand years. It is somewhat curious to mark the comparative approximation of duration between the lives of a “Family-Race” and a “Sidereal year’.

Als we Helena Blavatsky zo lezen staat een wortelras dus niet voor een bepaald mensenras. Eerder representeert een ‘wortelras’ de ‘hoofdstroom van de mensheid’ gedurende een bepaalde periode (Lemurië, Atlantis, huidige tijd). Ook als we kijken naar de ‘subraces’ (dit zijn de ‘Unterrassen’ of ‘Kultur-Epochen’ in Steiners terminologie) vertegenwoordigen verschillende aftakkingen, die na elkaar tot ‘bloei komen’. Zoals we dat bij Steiner hebben gezien (over ons huidige tijdperk), eerst was er de Oud-Indische cultuurperiode ( eerste onderras), daarna de Oud-Perzische cultuurperiode (tweede onderras), de Egyptische-Babylonische cultuurperiode (derde onderras), daarna de Grieks Romeinse (vierde onderras) en nu de huidige (vijfde onderras). Het zullen er in totaal zeven zijn, net zoals er zeven Atlantische onderrassen zijn geweest (geschiedenis is nu eenmaal een kwestie van wetmatigheden in de theosofie en antroposofie).

Toch kun je niet zeggen dat de zegenrijke evolutie van de zeven wortelrassen en de zeven onderrassen tot ieders heil werkt. Blavatsky zegt immers: ‘Those who realize that every Root-Race runs through a gamut of seven sub-races with seven branchlets, etc., will understand the “why.” The tide-wave of incarnating Egos has rolled past them to harvest experience in more developed and less senile stocks; and their extinction is hence a Karmic necessity’. Aan bepaalde rassen kan deze voorwaarts gaande ontwikkeling, tot heil en meerde glorie van de gehele mensheid, voorbij gaan. Hen wacht dan slechts marginalisering en de dood. Zo werkt dus dat ‘wetmatig’ uitsterven, een proces waartegen het zinloos zou zijn om je uit te spreken (zoals Steiner dit ongeveer zegt in Die Mission einzelner Volksseelen, voor de duidelijkheid, ik parafraseer!). En de minachting voor deze rassen blijkt uit meerdere van de hier aangehaalde passages. Het is ‘The Australian civilization (?)’ of ‘…it is they who are the only inferior races on the globe, now happily — owing to the wise adjustment of nature which ever works in that direction — fast dying out’.

Laat ik deze ook nog maar terughalen: ‘The Malays and Papuans are a mixed stock, resulting from the intermarriages of the low Atlantean sub-races with the Seventh sub-race of the Third Root-Race. Like the Hottentots, they are of indirect Lemuro-Atlantean descent. It is a most suggestive fact – to those concrete thinkers who demand a physical proof of Karma – that the lowest races of men are now rapidly dying out; a phenomenon largely due to an extraordinary sterility setting in among the women, from the time that they were first approached by the Europeans. A process of decimation is taking place all over the globe, among those races, whose “time is up” – among just those stocks, be it remarked, which esoteric philosophy regards as the senile representatives of lost archaic nations. It is inaccurate to maintain that the extinction of a lower race is invariably due to cruelties or abuses perpetrated by colonists. Change of diet, drunkenness, etc., etc., have done much; but those who rely on such data as offering an all-sufficient explanation of the crux, cannot meet the phalanx of facts now so closely arrayed. “Nothing,” says even the materialist Lefevre, “can save those that have run their course. . . . It would be necessary to extend their destined cycle. . . . The peoples that have been most spared . . . Hawaiians or Maories, have been no less decimated than the tribes massacred or tainted by European intrusion’.

 

 

 

 

Wurzelrassen/Zeitalter en Unterrrassen/Kulturepochen bij Rudolf Steiner

Nu we de basis van deze ‘theorie’ hebben geschetst lijkt het mij zinvol om een blik te gaan werpen op hoe Steiner dit alles heeft toegepast. Want zelfs een oppervlakkige beschouwer  kan al zien dat er een overduidelijke connectie is tussen Blavatsky’s opvattingen en die van Steiner. Overigens ligt ook dit in antroposofische kring heel gevoelig. In een bijdrage van iemand uit de rechtzinnige antroposofische hoek op het racisme-debat, werd zelfs gesproken van ‘die Blavatsky-onzin’. Dat van een persoon die op hoge toon respect voor Rudolf Steiner eiste. Je zou maar eens de suggestie wekken dat Steiner zaken zou hebben overgenomen van Helena Blavatsky, want: ‘Sorry, op de Blavatsky- zaken ga ik niet in.  Het is voor mij aan alle kanten duidelijk dat Steiner eigen onderzoek heeft verricht en de resultaten daarvan gepubliceerd heeft. In voorkomende gevallen, waar hij echt iets aan anderen ontleent, noemt hij gewoon zijn bronnen’.[81] Tja, dit is in ieder geval niet de mening van Bram Moerland, die het zo omschrijft: ‘Het is bepaald niet netjes van Steiner dat hij Blavatsky onvermeld laat als zijn bron. Hij zegt de leer van de wortelrassen zelf door ‘helderziende waarneming’ te kennen. Mij lijkt hier eerder van sprake van plagiaat’[82] En dan hebben we toch het nieuwe boek van Helmut Zander, die uitgaat van de stelling dat Steiner zijn complete oeuvre baseerde op schriftelijke bronnen, maar zijn verhaal heeft gepresenteerd als het resultaat van bovenzinnelijke waarneming. Zelfs bepaalde medewerkers van het Goetheanum nemen het boek van Zander buitengewoon serieus (Bodo von Plato en Robin Schmidt), maar voor de meeste Nederlandse antroposofen (een paar uitzonderingen daargelaten) schijnt dit nieuwe werk gewoonweg niet te bestaan.[83]

Laten we om te beginnen kijken hoe het van Baarda-rapport de thematiek van de wortelrassen in het werk van Steiner behandelt. Het is opmerkelijk dat het rapport niet eens zo uitvoerig ingaat op de notie van de wortelrassen, terwijl uit het bovenstaande toch wel duidelijk is geworden dat dit een alleszins belangrijk gegeven is, al ligt de relatie wortelras/mensenras genuanceerd. Ook zijn er, naast de overduidelijke overeenkomsten, ook verschillen in hoe Steiner tegen het fenomeen wortelras aankeek. We hebben al gezien dat Blavatsky spreekt van ‘The Holy Land’ (als oertoestand) terwijl Steiner de Aarde-evolutie laat beginnen in het tijdperk ‘Polaris’. Zo zijn er meer verschillen en andere accenten. Het van Baarda-rapport legt het als volgt uit:

‘In de theosofische beginjaren, van 1902 tot ± 1909, is bij Steiner veelvuldig sprake van ‘Wurzelrassen’ en  ‘Unterrassen’. Deze door HP Blavatsky en andere theosofische auteurs gebruikte uitdrukkingen combineren een chronologische en een biologische lading (dus toch ‘ras’, wat moet je anders onder biologisch verstaan? Er staat niet eens ‘etnisch’ of ‘cultureel’. Dat betekent dat als er over het ‘vijfde Arische wortelras’, of het ‘Arische tijdperk’ wordt gesproken wij dit ‘mede biologisch’ moeten opvatten, FS[84]), dat wil zeggen zij duiden een tijdperk aan, met dien verstande dat ieder korter of langer tijdperk door een bepaald ras gedomineerd werd. Tijdvakken van ruim 15.000 jaar zoals Lemurië en Atlantis werden wortelrassen (‘rootraces’) genoemd: het Lemurische c.q. Atlantische wortelras. Ieder wortelrastijdperk is te verdelen in zeven kortere periodes, culturele ontwikkelingsstadia van ruim 2000 jaar, die ‘onderrassen’ (subraces) genoemd werden. Steiner merkte gaandeweg dat dit een onjuist, althans oneigenlijk taalgebruik was en liet deze terminologie in 1909 vallen. De grotere tijdperken werden meestal ‘Zeitalter’ (of ‘lemurische Epoche’); de kleinere 2000-jarige tijdperken werden doorgaans aangeduid als ‘Kulturperiode’ (ook wel ‘Zeitraum’ en een enkele keer ‘Kulturepoche’) : bijvoorbeeld  1e na-Atlantische of oud-Indische cultuurperiode, 2e na-Atlantische of oud-Perzische cultuurperiode, 3e na-Atlantische cultuurperiode of Egyptisch-Babylobische cultuurperiode, 4e na-Atlantische cultuurperiode of Grieks-Romeinse cultuurperiode. Daarbij is vast te houden dat voor een bepaalde periode toonaangevende volken, zoals de 4e cultuur de Grieken en de Romeinen, niet als een soort ‘onderrassen’ zijn te verstaan. Een volk is bij Steiner iets wezenlijk anders dan een ras’.[85]

Tot zover dit fragment van de commissie van Baarda. Het allermooiste detail is de eindnoot achter dit stuk. Als we gaan kijken waar die naar verwijst, vinden we: ‘Zie daarvoor ook Maarten Ploeger in: R. den Dulk e.a., Antroposofie ter discussie, Zeist 1985, p. 87. Op dit bewuste stuk van Maarten Ploeger heb ik inmiddels al zo vaak geschoten (en voor mij Bram Moerland en Toos Jeurissen), dat het bijna niet leuk meer is.[86]  Maar laten we toch kijken wat Ploeger op p. 87 te melden heeft (ook in een eindnoot, dit stukje heb ik overigens nog niet eerder behandeld). Ploeger: ‘De begrippen ‘ras’ en ‘volk’ worden door Steiner als volgt onderscheiden. Raskenmerken zijn erfelijke overdraagbare instrumenten. Volkskenmerken zijn daarentegen op geen enkele wijze genetisch-biologisch van aard.’ Dit lijkt me een open deur van jewelste waar je geen letter Steiner voor hoeft te hebben gelezen, al kun je je afvragen waarom raskenmerken ‘instrumenten’ zijn. Maar dan: ‘Deze (de volkskenmerken dus) staan in verband met de ether-geografische positie van een land respectievelijk gebied. Dat wil zeggen het complex van geologische en klimatologische constellaties – de verdeling respectievelijk verhouding van land en water en dergelijk – staat in wisselwerking met bepaalde bovenzinnelijke kwaliteiten (‘ethersoorten’), waaruit een bepaald soort psychologisch te duiden volksgeaardheid resulteert. Verhuist een lid van een ander ras of volk naar bijvoorbeeld Nederland, dan zal hij/zij na een langer verblijf volledig ‘Nederlanderschap’ als innerlijk instrument ter beschikking krijgen (mits niet gefrustreerd door sociaal-maatschappelijke discriminatie)’.

Integratie is dus wel degelijk mogelijk. Het lijkt me een nuttige boodschap voor de politiek in het algemeen en mevrouw Verdonk en meneer Wilders in het bijzonder, al schreef Ploeger deze woorden in 1985 en toen bestond er nog geen ‘integratieprobleem’. Laat ik na alles wat ik over het stuk van Ploeger heb geschreven, een keertje vriendelijk zijn, want de man heeft wel veel naar zijn hoofd gekregen en niet alleen van mij (maar dan had Paul Heldens mij niet op hoge toon moeten sommeren dit stuk te raadplegen). Toch vraag ik me serieus af of die integratie van indianen en Afrikaanse zwarten wel zo zou slagen, als we Ploegers artikel verder serieus moeten nemen. In de visie van Ploeger lijkt me dat uitgesloten. En hij heeft het over ‘sociaal-maatschappelijke discriminatie’. Tot welke vorm van discriminatie moeten wij dan zijn inzichten over zwarten en indianen rekenen? Esoterische discriminatie of ‘geesteswetenschappelijke discriminatie’ soms? Dus esoterische discriminatie mag wel, want dat heeft een ‘geesteswetenschappelijke’ grond, maar sociaal maatschappelijke discriminatie weer niet?

Wat hier wel een beetje vreemd is, is dat het rapport stelt dat de notie van de cultuurperiodes niet racistisch mag worden opgevat, omdat er volgens Maarten Ploeger allerlei ethersoorten aan het werk zijn die de integratie bevorderen (?). Waar het bij die cultuurperiodes natuurlijk wel om gaat is dat deze voornamelijk producten zijn van het ‘blanke ras’. Precolumbiaans Amerika kent geen ‘cultuurperiodes’, althans niet in antroposofische zin. China ook niet, al kennen beide voorbeelden wel een beschavingsgeschiedenis van enkele duizenden jaren, langer dus dan Noord West Europa.[87] Maar dat telt voor de antroposofie kennelijk niet mee. Hoewel de cultuurperiodes dus niet direct over rassen gaan, zit er dus wel degelijk een idee van Europese superioriteit achter. Bovendien suggereert deze indeling alsof de geschiedenis van de beschaving uiteindelijk een Europese/Arische aangelegenheid is. Dat is wel degelijk eurocentrisme (zie Edward Said[88]).

Dit zijn echter de cultuurperiodes van de na-Atlantische tijd. Hier gaat het nu nog om in hoeverre Steiner de notie van de Aarde-Evolutie en de wortelrassen/Zeitalter heeft toegepast. Het meest gedetailleerd doet hij hiervan verslag in een van zijn belangrijkste werken Aus der Akasha-Chronik uit 1907. Ook heeft hij hier in misschien wel zijn belangrijkste werk, Geheimwissenschaft, uit 1908, aandacht aan besteed. Maar laten wij een blik werpen over hoe Steiner het ontstaan van de rassen en de ontwikkeling van de mens zag in de Akasha-kroniek.

 

 

De geschiedenis van Atlantis en de wortelrassen in de Akasha-kroniek

In het inleidende eerste hoofdstuk[89] (titel ‘Aus der Akasha-Chronik’) stelt dat Steiner de gewone geschiedenis een onvolledig beeld geeft van het verleden. Wij zijn aangewezen op toevallig bewaarde schriftelijke bronnen of materiële overblijfselen om het verhaal te reconstrueren. Bovendien zijn de schriftelijke overleveringen slechts uit het perspectief van de schrijver geschreven, zodat wij ook te maken hebben met zijn inzichten en/of standpunten (lijkt mij een heel normaal verschijnsel bij het vak geschiedschrijving en het is juist aan de geschoolde historicus om daar goed mee om te gaan, maar dat terzijde).

Steiner stelt echter dat er een methode is die  wel degelijk ‘objectief’ is. Hij noemt dit het waarnemen van het eeuwige. Hij verwijst hier naar  zijn andere belangrijke werk ‘Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?’ Via het schouwen in de hogere werelden kan men datgene waarnemen dat wezenlijk van belang is om de geschiedenis te schrijven en dat niet door de tijd vergaan is. Daarvoor moet de niet-zintuiglijke wereld worden geraadpleegd. Steiner stelt dat in het gnosticisme (?) en de antroposofie natuurlijk, deze onvergankelijke geschiedenis de Akasha-Kroniek wordt genoemd[90]. Volgens Steiner is het dus iets universeels, toegankelijk voor iedereen die de capaciteiten en de ontvankelijkheid bezit om te schouwen in de Geestelijke wereld. Bovendien benadrukt hij dat het hier niet om ‘dode getuigenissen’ gaat maar om ‘beelden vol leven’.

Het meest opmerkelijke is dat hij stelt dat, itt gewone geschiedschrijving, die steeds wordt aangepast wanneer er nieuwe feiten boven water komen, er al eeuwenlang grote overeenstemming bestaat over de aard van deze ‘werkelijke geschiedenis’, en dat al sinds duizenden jaren. Hij zegt dat alle ‘ingewijdenen’ in alle tijden en overal ter wereld ‘in wezen’ hetzelfde hebben verkondigd (zegt Steiner dus). Een ander voordeel van deze manier van geschiedenis bedrijven is dat het hele verhaal tot ons komt, dus niet gefragmenteerd, zodat het beeld niet continue, op basis van nieuwe inzichten, moet worden bijgesteld.

In die zin gelooft Steiner inderdaad in essenties en kunnen we wederom vaststellen dat hij wars was van waarheidsrelativisme, laat staan wat hij van hedendaagse postmoderne of andere opvattingen, inzichten, methodes, etc. van geschiedschrijving zou hebben gevonden[91]. Er is bij Rudolf Steiner dus géén sprake van waarheidsrelativisme.

Wel houdt Steiner een slag om de arm. Hij zegt dat er ook met dit schouwen fouten kunnen worden gemaakt. Geen mens is gevrijwaard voor vergissingen. Desalniettemin zijn de schouwingen van diverse ‘occulte scholen’ in wezen hetzelfde. De betrouwbaarheid van de waarnemingen is veel groter, dus vandaar de, volgens Steiner, grote overeenkomsten door de eeuwen heen.

Vervolgens loopt hij een klein stukje vooruit op het komende hoofdstuk; het bestaan van het continent Atlantis dat 10.000 voor Christus ten onder is gegaan. Dit continent zou zich bevonden hebben tussen  Europa en Amerika, waar nu de Atlantische oceaan ligt en heeft ongeveer een miljoen jaar bestaan. Ik wil hier benadrukken dat Steiner zegt dat dit continent fysiek bestaan heeft; ik heb vaak van met de antroposofie sympathiserende mensen te horen gekregen dat ook dit continent slechts in de geestelijke wereld bestond en dat het dus niet letterlijk moet worden genomen, althans in de zin van een continent dat fysiek bestaan heeft (dat was vooral van sympathisanten van de antroposofie die ook enigszins geschoold zijn in de geologie en op grond daarvan niet in een fysiek bestaand continent geloofden). Voor alle duidelijkheid, dit is dus niet het geval, althans niet bij Rudolf Steiner. Qua andere bronnen die naar deze ‘lost world’ verwijzen noemt hij Plato en Scott Elliott. Overigens moet dit niet als ‘bronvermelding’ worden opgevat. De Akasha-Kroniek is louter de weerslag van Steiners eigen ‘geesteswetenschappelijke observaties’. Aan Helena Blavatsky wijdt hij vanzelfsprekend geen woord.

Overigens zegt Steiner ook dat de hierna te beschrijven geschiedenis zich niet alleen afspeelde op dit verzonken continent, maar ook in de ons bekende werelddelen als Eurazië, Afrika en Amerika. Alles wat er zich later op die continenten afspeelde zou een directe voortzetting zijn van deze Atlantische geschiedenis, al waren deze culturen fundamenteel anders van aard en hebben ze geen materiële sporen nagelaten (voordat de sceptici gaan vragen waar die archeologische overblijfselen zijn, die zo’n beschaving zou moeten hebben achtergelaten). Zelfs de mens was gedurende het grootste deel van die periode nog niet volledig ‘verhard’, ook een niet onbelangrijk detail (zullen we hierna zien). Het continent heeft echter wel fysiek bestaan, daar is Steiner meer dan duidelijk over.

Hoe zag deze wereld van Atlantis er uit? Steiner is buitengewoon concreet in zijn beschrijvingen, zoals hij die uiteen zet in het hoofdstuk ‘Unsere Atlantischen Vorfahren’.[92] Steiner begint met een schets van de Atlantische mensheid. Hij stelt dat de menselijke soort in die tijd heel andere eigenschappen beschikte dan de huidige. In de begintijd van Atlantis ontbrak zelfs het vermogen tot logisch denken. Wel beschikten de vroegste Atlantiërs over een veel grotere geheugencapaciteit. Steiner:

‘Niemand hatte seinem Verstande eingeprägt, daß dreimal vier zwölf ist. Daß er sich in dem Falle, wo er eine solche Rechnung auszuführen hatte, zurechtfand, beruhte darauf, daß er sich auf gleiche oder ähnliche Fälle besann. Er erinnerte sich, wie das bei früheren Gelegenheiten war. Man muß sich nur klarmachen, daß jedesmal, wenn sich in einem Wesen eine neue Fähigkeit ausbildet, eine alte an Kraft und Schärfe verliert. Der heutige Mensch hat gegenüber dem Atlantier den logischen Verstand, das Kombinationsvermögen voraus. Das Gedächtnis ist dafür zurückgegangen. Jetzt denken die Menschen in Begriffen; der Atlantier dachte in Bildern. Und wenn ein Bild vor seiner Seele auftauchte, dann erinnerte er sich an so und so viele ähnliche Bilder, die er bereits erlebt hatte. Danach richtete er sein Urteil ein. Deshalb war damals auch aller Unterricht anders als in späteren Zeiten. Er war nicht darauf berechnet, das Kind mit Regeln auszurüsten, seinen Verstand zu schärfen. Es wurde ihm vielmehr in anschaulichen Bildern das Leben vorgeführt, so daß es später sich an möglichst viel erinnern konnte, wenn es in diesen oder jenen Verhältnissen handeln sollte. War das Kind erwachsen und kam es ins Leben hinaus, so konnte es sich bei allem, was es tun sollte, erinnern, daß ihm etwas Ähnliches in seiner Lehrzeit vorgeführt worden war. Es fand sich am besten zurecht, wenn der neue Fall irgendeinem schon gesehenen ähnlich war. Unter ganz neuen Verhältnisse war der Atlantier immer wieder aufs Probieren angewiesen, während dem heutigen Menschen in dieser Beziehung vieles erspart ist, weil er mit Regeln ausgerüstet wird. Diese kann er auch in den Fällen leicht anwenden, welche ihm noch nicht begegnet sind. Ein solches Erziehungssystem gab dem ganzen Leben etwas Gleichförmiges. Durch sehr lange Zeiträume hindurch wurden immer wieder und wieder die Dinge in der gleichen Weise besorgt. Das treue Gedächtnis ließ nichts aufkommen, was der Raschheit unseres heutigen Fortschrittes auch nur im entferntesten ähnlich wäre. Man tat, was man früher immer «gesehen» hatte. Man erdachte nicht; man erinnerte sich. Eine Autorität war nicht der, welcher viel gelernt hatte, sondern wer viel erlebt hatte und sich daher an viel erinnern konnte. Es wäre unmöglich gewesen, daß in der atlantischen Zeit jemand vor Erreichung eines gewissen Alters über irgendeine wichtige Angelegenheit zu entscheiden gehabt hätte. Man hatte nur zu dem Vertrauen, der auf lange Erfahrung zurückblicken konnte.

Das hier Gesagte gilt nicht von den Eingeweihten und ihren Schulen. Denn sie sind ja dem Entwickelungsgrade ihres Zeitalters voraus. Und für die Aufnahme in solche Schulen entscheidet nicht das Alter, sondern der Umstand, ob der Aufzunehmende in seinen früheren Verkörperungen sich die Fähigkeiten erworben hat, höhere Weisheit aufzunehmen. Das Vertrauen, das den Eingeweihten und ihren Agenten während der atlantischen Zeit entgegengebracht worden ist, beruhte nicht auf der Fülle ihrer persönlichen Erfahrung, sondern auf dem Alter ihrer Weisheit. Beim Eingeweihten hört die Persönlichkeit auf, eine Bedeutung zu haben. Er steht ganz im Dienste der ewigen Weisheit. Daher gilt ja für ihn auch nicht die Charakteristik irgendeines Zeitabschnittes’[93]

Zie hier de Atlantische pastorale, zo’n beetje de situatie op de vrije school in de lagere klassen. De Atlantiër leefde dus vooral op zijn herinneringen (veel vertelstof en nog weinig zelfstandig denkwerk), op een handjevol ingewijdenen na, die in hun mysteriescholen hun ‘eeuwige wijsheid’ koesterden. Deze ingewijdenen waren hun ‘Zeitalter’ ruim vooruit (ook een typisch antroposofisch visioen). We zullen later zien wat voor moois er voortkwam uit deze ‘elite’.[94]

Dat de Atlantiërs nog niet de logische denkkracht hadden ontwikkeld en vooral vertrouwden op hun geheugen, wil nog niet zeggen dat zij niet over hele bijzondere kwaliteiten beschikten, of dat zij een onderontwikkelde beschaving hadden. Daarvan noemt Steiner een heleboel voorbeelden. Ik zal hier een lange passage weergeven, waarin dit alles uitvoerig beschreven staat:

‘Während also die logische Denkkraft den (namentlich früheren) Atlantiern noch fehlte, hatten sie an der hochentwickelten Gedächtniskraft etwas, was ihrem ganzen Wirken einen besonderen Charakter gab. Aber mit dem Wesen der einen menschlichen Kraft hängen immer andere zusammen. Das Gedächtnis steht der tieferen Naturgrundlage des Menschen näher als die Verstandeskraft, und mit ihm im Zusammenhange waren andere Kräfte entwickelt, die auch noch denjenigen untergeordneter Naturwesen ähnlicher waren als die gegenwärtigen menschlichen Betriebskräfte. So konnten die Atlantier das beherrschen, was man Lebenskraft nennt. Wie man heute aus den Steinkohlen die Kraft der Wärme herausholt, die man in fortbewegende Kraft bei unseren Verkehrsmitteln verwandelt, so verstanden es die Atlantier, die Samenkraft der Lebewesen in ihren technischen Dienst zu stellen. Von dem, was hier vorlag, kann man sich durch folgendes eine Vorstellung machen. Man denke an ein Getreidesamenkorn. In diesem schlummert eine Kraft. Diese Kraft bewirkt ja, daß aus dem Samenkorn der Halm hervorsprießt. Die Natur kann diese im Korn ruhende Kraft wecken. Der gegenwärtige Mensch kann es nicht. Willkürlich. Er muß das Korn in die Erde senken und das Aufwecken den Naturkräften überlassen. Der Atlantier konnte noch etwas anderes. Er wußte, wie man es macht, um die Kraft eines Kornhaufens in technische Kraft umzuwandeln, wie der gegenwärtige Mensch die Wärmekraft eines Steinkohlenhaufens in eine solche Kraft umzuwandeln vermag. Pflanzen wurden in der atlantischen Zeit nicht bloß gebaut, um sie als Nahrungsmittel zu benutzen, sondern um die in ihnen schlummernden Kräfte dem Verkehr und der Industrie dienstbar zu machen. Wie wir Vorrichtungen haben, um die in den Steinkohlen schlummernde Kraft in unseren Lokomotiven in Bewegungskraft umzubilden, so hatten die Atlantier Vorrichtungen, die sie – sozusagen – mit Pflanzensamen heizten, und in denen sich die Lebenskraft in technisch verwertbare Kraft umwandelte. So wurden die in geringer Höhe über dem Boden schwebenden Fahrzeuge der Atlantier fortbewegt. Diese Fahrzeuge fuhren in einer Höhe, die geringer war als die Höhe der Gebirge der atlantischen Zeit, und sie hatten Steuervorrichtungen, durch die sie sich über diese Gebirge erheben konnten.

Man muß sich vorstellen, daß mit der fortschreitenden Zeit sich alle Verhältnisse auf unserer Erde sehr verändert haben. Die genannten Fahrzeuge der Atlantier wären in unserer Zeit ganz unbrauchbar. Ihre Verwendbarkeit beruhte darauf, daß in dieser Zeit die Lufthülle, welche die Erde umschließt, viel dichter war als gegenwärtig. Ob man sich nach heutigen wissenschaftlichen Begriffen eine solch größere Dichte der Luft leicht vorstellen kann, darf uns hier nicht beschäftigen. Die Wissenschaft und das logische Denken können, ihrem ganzen Wesen nach, niemals etwas darüber entscheiden, was möglich oder unmöglich ist. Sie haben nur das zu erklären, was durch Erfahrung und Beobachtung festgestellt ist. Und die besprochene Dichtigkeit der Luft steht für die okkulte Erfahrung so fest, wie nur irgendeine sinnlich gegebene Tatsache von heute feststehen kann. – ebenso steht fest aber auch die vielleicht der heutigen Physik und Chemie noch unerklärlichere Tatsache, daß damals das Wasser auf der ganzen Erde viel dünner war als heute. Und durch diese Dünnheit war das Wasser durch die von den Atlantiern verwendete Samenkraft in technische Dienste zu lenken, die heute unmöglich sind. Durch die Verdichtung des Wassers ist es unmöglich geworden, dasselbe in solch kunstvoller Art zu bewegen, zu lenken, wie das ehedem möglich war. Daraus geht wohl zur Genüge hervor, daß die Zivilisation der atlantischen Zeit von der unsrigen gründlich verschieden gewesen ist. Und es wird daraus weiter begreiflich sein, daß auch die physische Natur eines Atlantiers eine ganz andere war als die eines gegenwärtigen Menschen. Der Atlantier genoß ein Wasser, das von der in seinem eigenen Körper innewohnenden Lebenskraft ganz anders verarbeitet werden konnte, als dies im heutigen physischen Körper möglich ist. Und daher kam es, daß der Atlantier willkürlich seine physischen Kräfte auch ganz anders gebrauchen konnte als der heutige Mensch. Er hatte sozusagen die Mittel, in sich selbst die physischen Kräfte zu vermehren, wenn er sie zu seinen Verrichtungen brauchte. Man macht sich nur richtige Vorstellungen von den Atlantiern, wenn man weiß, daß sie auch ganz andere Begriffe von Ermüdung und Kräfteverbrauch hatten als der Mensch der Gegenwart’.[95]

Het blijkt dus dat de Atlantiër goed was toegerust op de omstandigheden van zijn natuurlijke leefomgeving. Als je het zo leest zou het bijna op een andere planeet moeten zijn gebeurd dan op onze eigen aarde, ook die van voor 10.000 jaar terug. Geeft toch een ander beeld dan de BBC serie ‘Walking with Dinosaurs’, ook een vorm van ‘schouwing van beelden uit een ver verleden’ (zij het artificieel en dat is de ‘geesteswetenschap’ vanzelfsprekend niet, al zijn sommige beschrijvingen uit de Akasha-kroniek zo plastisch dat het bijna een natuurfilm is), en dat gaat zelfs over een tijd van veel langer geleden (rond die tijd zou het Lemurische wortelras moeten hebben rondgelopen, of zelfs dat van Hyperborea, zij het dat die misschien zo vluchtig van vorm waren dat ze voor de camera wellicht niet zichtbaar zouden zijn geweest, dus misschien is een serie ‘Walking with the Lemurians’ niet zo’n goed idee).

Maar goed, hierboven lezen we dus dat de Atlantiër fantastische dingen kon doen. Omdat de ‘Lebenskraft’, de energie die planten doet groeien, voor hen beheersbaar was hadden zij andere mogelijkheden dan wij, overigens ook vanwege de verschillende omstandigheden van het leefmilieu, zoals de mindere dichtheid van het water en de weer veel grote luchtdichtheid. Ook kon de Atlantiër zijn lichaamskracht efficiënter gebruiken, omdat hij krachtbronnen kon aanboren waar wij niet meer bij kunnen komen. Op die manier gaat het nog een paar alinea’s verder (hier niet weergegeven, maar dus wel online te raadplegen). Zo kon de Atlantiër ook zijn energie ontrekken aan het water dat hij dronk. Hij leefde in nederzettingen die eruitzagen als bomen, waarvan de takken schijnbaar kunstmatig ineen waren gevlochten (een soort Lothorien uit ‘Lord of the Rings’ dus). Schijnbaar kunstmatig, want het kwam organisch voort uit de natuur, waar de Atlantiër een mee was. De Atlantiër kende geen privé-eigendom en was als het ware een met de natuur. En de natuur is van iedereen. Het leken wel ‘cliché-indianen’, misschien dat daarom de ‘negentiende-eeuwse roodhuid’ door Steiner in verband is gebracht met de Atlantiërs. Zoals we eerder hebben gezien:

‘Da haben die Indianer nach Westen hinübergenommen alles, was groß war in der atlantischen Kultur. Was war für den Indianer das Größte? Es war, daß er noch ahnen konnte etwas von der alten Größe und Herrlichkeit eines Zeitalters, das in der alten atlantischen Zeit vorhanden war, wo noch wenig um sich gegriffen hatte die Rassenspaltung, wo die Menschen hinaufschauen konnten nach der Sonne und wahrzunehmen vermochten die durch das Nebelmeer eindringenden Geister der Form. Durch ein Nebelmeer blickte der Atlantier hinauf zu dem, was sich für ihn nicht spaltete in eine Sechs- oder Siebenheit, sondern zusammenwirkte. Das, was zusammenwirkte von den sieben Geistern der Form, das nannte der Atlantier den Großen Geist, der in der alten Atlantis dem Menschen sich offenbarte. Dadurch hat er nicht mit aufgenommen das, was die Venus-, Merkur-, Mars- und Jupiter-Geister bewirkt haben im Osten. Durch dieses haben sich gebildet alle die Kulturen, die in Europa in der Mitte des neunzehnten Jahrhunderts zur Blüte gebracht wurden. Das alles hat er, der Sohn der braunen Rasse, nicht mitgemacht. Er hat festgehalten an dem Großen Geist der urfernen Vergangenheit’[96], aldus Rudolf Steiner in de zesde voordracht van Die Mission einzelner Volksseelen.

Steiner benadrukt nog een keer dat leefomgeving volstrekt anders was en ook het aangezicht van de hele aarde. Gebieden die nu onbewoonbaar waren, waren dat toen niet en vice versa.

Dit zijn hoe dan ook allemaal spectaculaire beschrijvingen en wellicht goed dat het een keer zichtbaar is (wat je er ook van mag denken), maar het gaat hier om de (wortel)rassenkwestie. Hier komt Steiner in de passage direct hierna te spreken. Het gaat zelfs om een passage die vrij cruciaal is voor het begrip van de wortelrassen. Deze passage is overigens niet in het van Baarda-rapport opgenomen (komt dus helemaal niet voor, zelfs niet in de minst ernstige categorie, noch als toelichting op het gedachtegoed van Steiner inzake ‘rassen’), maar daar wordt ook ontkend dat er een connectie is met de wortelrassen en de ‘mensenrassen’. Ik zeg ook niet dat dit hetzelfde is, of precies samenvalt, maar de relatie is er wel. In ieder geval is er sprake van overlapping. Om een beruchte passage van Helena Blavatsky terug te halen: ‘(before the Sixth Root-Race dawns), the white (Aryan, Fifth Root-Race), the yellow, and the African negro – with their crossings (Atlanto-European divisions). Redskins, Eskimos, Papuans, Australians, Polynesians, etc., etc. – all are dying out. Those who realize that every Root-Race runs through a gamut of seven sub-races with seven branchlets, etc., will understand the “why.” The tide-wave of incarnating Egos has rolled past them to harvest experience in more developed and less senile stocks; and their extinction is hence a Karmic necessity’.

Het lijkt me dus alleszins relevant hoe Steiner deze materie hanteerde, ook als er verschillen zijn. Eerst deze passage van Steiner. Hij begint over het wortelras van voor de Atlantiërs, de Lemuriërs, dan volgen de Atlantiërs en dan de toekomstige Ariërs:

‘Wer sich mit dem Gedanken vertraut macht, daß die Atlantier mit solchen geistigen und physischen Kräften ausgestattet waren, wie sie geschildert worden sind, der wird auch begreifen lernen, daß in noch früheren Zeiten die Menschheit ein Bild aufweist, das nur noch in wenigem erinnert an das, was man heute zu sehen gewohnt ist. Und nicht nur die Menschen, sondern auch die sie umgebende Natur hat sich im Laufe der Zeiten gewaltig verändert. Die Pflanzen- und Tierformen sind andere geworden. Die ganze irdische Natur hat Wandlungen durchgemacht. Vorher bewohnte Gebiete der Erde sind zerstört worden; andere sind entstanden. – die Vorfahren der Atlantier wohnten auf einem verschwundenen Landesteil, dessen Hauptgebiet südlich vom heutigen Asien lag. Man nennt sie in theosophischen Schriften die Lemurier. Nachdem diese durch verschiedene Entwickelungsstufen durchgegangen waren, kam der größte Teil in Verfall. Er wurde zu verkümmerten Menschen, deren Nachkommen heute noch als sogenannte wilde Völker gewisse Teile der Erde bewohnen. Nur ein kleiner Teil der lemurischen Menschheit war zur Fortentwickelung fähig. Aus diesen bildeten sich die Atlantier. – auch später fand wieder etwas ähnliches statt. Die größte Masse der atlantischen Bevölkerung kam in Verfall, und von einem kleinen Teil stammen die sogenannten Arier ab, zu denen unsere gegenwärtige Kulturmenschheit gehört. Lemurier, Atlantier und Arier sind, nach der Benennung der Geheimwissenschaft, Wurzelrassen der Menschheit. Man denke sich zwei solcher Wurzelrassen den Lemuriern vorangehend und zwei den Ariern in der Zukunft folgend, so gibt das im ganzen sieben. Es geht immer eine aus der andern in der Art hervor, wie dies eben in bezug auf Lemurier, Atlantier und Arier angedeutet worden ist. Und jede Wurzelrasse hat physische und geistige Eigenschaften, die von denen der vorhergehenden durchaus verschieden sind. Während zum Beispiel die Atlantier das Gedächtnis und alles, was damit zusammenhängt, zur besonderen Entfaltung brachten, obliegt es in der Gegenwart den Ariern, die Denkkraft und das, was zu ihr gehört, zu entwickeln.

Aber auch in jeder Wurzelrasse selbst müssen verschiedene Stufen durchgemacht werden. Und zwar sind es immer wieder sieben. Im Anfange des Zeitraumes, der einer Wurzelrasse zugehört, finden sich die Haupteigenschaften derselben gleichsam in einem jugendlichen Zustande; und allmählich gelangen sie zur Reife und zuletzt auch zum Verfall. Dadurch zerfällt die Bevölkerung einer Wurzelrasse in sieben Unterrassen. Nur hat man sich das nicht so vorzustellen, als ob eine Unterrasse gleich verschwinden würde, wenn eine neue sich entwickelt. Es erhält sich vielleicht eine jede noch lange, wenn neben ihr andere sich entwickeln. So leben immer Bevölkerungen auf der Erde nebeneinander, die verschiedene Stufen der Entwickelung zeigen’.[97]

Zie hier Steiners toepassing van de leer der wortelrassen. Het bevat eigenlijk alle ingrediënten die we hiervoor bij Helena Blavatsky hebben gezien. Dit had best in het van Baarda-rapport mogen staan. Hoe de commissie het ook zou hebben uitgelegd, dit is niet iets triviaals. En de bewering dat het niets te maken zou hebben met hedendaagse mensenrassen klopt simpelweg niet. Want Steiner zegt: ‘…die Vorfahren der Atlantier wohnten auf einem verschwundenen Landesteil, dessen Hauptgebiet südlich vom heutigen Asien lag. Man nennt sie in theosophischen Schriften die Lemurier. Nachdem diese durch verschiedene Entwickelungsstufen durchgegangen waren, kam der größte Teil in Verfall. Er wurde zu verkümmerten Menschen, deren Nachkommen heute noch als sogenannte wilde Völker gewisse Teile der Erde bewohnen’. Er zijn dus nog zelfs nazaten van deze achtergebleven Lemuriërs, die als ‘primitieve volkeren’ sommige delen van de aarde bewonen. Dus net zo goed als dat de Indianen ‘decadente’ Atlantiërs zijn, zijn er ook nog decadente Lemuriërs. En de indianen worden onderscheiden als een ‘ras’, geen enkel misverstand daarover. Er zijn dus rassen die nog wel functioneren en (resten van) ‘decadente rassen’. Conclusie, de wortelrassen hebben dus alles te maken met de mensenrassen.

Nu wordt het ook interessant om nader naar het fenomeen ‘onderras’ te kijken, hier bij Steiner (en bij Blavatsky) beschreven als een kleinere eenheid van een ‘wortelras’. Zoals Steiner het schetst is er dus een reeks van zeven wortelrassen. Binnen een wortelras (Zeitalter) komen na elkaar zeven verschillende onderrassen (Kulturepochen) tot bloei, die het estafettestokje van de beschaving aan elkaar doorgeven. Na zeven van die na elkaar opbloeiende onderrassen is het wortelras is uitgeput en is het tijd voor een nieuw wortelras. Precies zoals Helena Blavatsky het ook uiteenzette. Zie hier het systeem. En van Blavatsky weten we ook: ‘Roodhuiden, Eskimo’s, Papoea’s, Australiërs, Polinesiërs, enz. enz. zijn allen aan het uitsterven. Zij die inzien dat elk wortelras een toonladder van zeven onderrassen doorloopt, zullen het ‘waarom’ begrijpen. De incarnerende ego’s zijn aan hen voorbij gegaan, om ondervinding op te doen in beter ontwikkelde en minder door ouderdom versleten stammen, en hun vernietiging is derhalve een Kharmische noodzakelijkheid.’ Van Steiner weten we dat hij ook soortgelijke dingen in Die Mission heeft gezegd (over de indianen bijvoorbeeld, die dan achtergebleven Atlantiërs zouden zijn). Dit is de rassenleer van Rudolf Steiner en Helena Blavatsky in een notendop. Uiteindelijk is het vrij simpel. Maar dit staat dus nergens in het van Baarda-rapport uitgelegd.[98]

Nu dit duidelijk is geworden valt ook een andere, veel door critici aangehaalde uitspraak van Steiner op zijn plaats (uit Vom Leben des Menschen und der Erde): ‘Und das wollen wir heute ein bißchen betrachten, weil man eigentlich die ganze Gesichte und das ganze soziale Leben, auch das heutige soziale Leben, nur versteht wenn man auf die Rasseneigentümlichkeiten der Menschen eingehen kann’.[99] Deze uitspraak werd overigens tot categorie 3 gerekend, waarin dus geen sprake was van discriminatie. Discriminerend zou ik deze uitspraak ook niet willen noemen (het is een algemene uitspraak en er worden geen voorbeelden genoemd), maar onthullend des te meer, zeker in het licht van wat hierboven is besproken. Het van Baarda-rapport beschouwt dit citaat als ‘een typische overdrijving die kenmerkend is voor de stijl van de arbeidersvoordrachten. Uit ander werk van Steiner blijkt geenszins dat hij van mening is dat de hele geschiedenis en heel het sociale leven, ook van zijn tijd, uitsluitend te begrijpen is uit de raseigenschappen’.[100] Wellicht overdreef Steiner veel in zijn arbeidersvoordrachten. Deze voordracht is ook voor Steiners doen bijzonder grof in de verschillende lompe racistische kwalificaties (er zullen later nog wat citaten langskomen), maar in dit geval ben ik daar niet zo zeker van dat hij overdreef. Want met wat hij in de Akasha-Kroniek zegt, toch niet ‘zomaar een arbeidersvoordracht’, maar een van zijn allerbelangrijkste werken, klopt dit gewoonweg, zonder enige overdrijving. Resumerend:

  • 1. Wij hebben gezien dat wortelrassen en onderrassen cruciaal zijn in Steiners model van de aarde-evolutie en de lotsbestemming van de mens.
  • 2. Ieder aardetijdperk (wortelras) kent zeven cultuurperiodes (onderrassen), die elkaar opvolgen als de dominante cultuurdrager in de mensheidsontwikkeling. Resten van voorgaande onderrassen (‘vervallen’ of ‘verdwenen’ beschavingen) blijven nog wel bestaan, maar hebben hun leidende functie verloren, daar hun cultuurdragende inspiratie of ‘impuls’ is uitgewerkt.
  • 3. Na de cyclus van zeven onderrassen gaat het wortelras ten onder en maakt plaats voor een nieuw wortelras. Soms blijven er laatste restanten van voorgaande wortelrassen achter als ‘decadente overblijfselen’, totdat het op dat moment heersende wortelras of de voorzienigheid ‘volgens een wetmatigheid’ (zie 4e voordr. Die Mission, cit. 102) er een eind aan maakt, of hun plaats verdringt, waardoor zij ‘de krachten moeten verwerven om uit te sterven’ (indianen en andere ‘wilden’, zie wederom Die Mission, cit. 103).
  • 4. Er kan ook worden geconstateerd dat de begrippen Wortelras/Zeitalter en Onderras/Kulturepoche alles te maken hebben met de mensenrassen. Zelfs het van Baarda-rapport kan er niet onderuit om de term Wortelras ‘gedeeltelijk’ als een ‘biologische aanduiding’ af te schilderen[101]. Het wortelras van dit tijdperk (het vijfde) is het ‘Arische wortelras’[102], dat uiteindelijk de ‘denkkracht’ ontwikkelde. Net zoals Helena Blavatsky het heeft over ‘The White Aryan Root-race’, of ‘het blanke, Arische, vijfde wortelras’, dat zij afzet tegen het ‘gele ras en het Afrikaanse negerras, met hunne kruisingen’ (in mijn Nederlandse uitgave van De Geheime Leer[103]), spreekt Steiner eveneens van het vijfde Arische wortelras.

Dan is de conclusie onvermijdelijk dat de rassenleer een wezenlijk onderdeel, zo niet een belangrijke pijler is van de totale antroposofie.

We zullen nog zien dat er nog een paar redenen zijn om bovenstaande conclusie op details wat te nuanceren (maar andere details zeker ook aan te scherpen). Laat ik een uitspraak van Helena Blavatsky uit de Geheime Leer aanhalen, alvorens werkelijk door te gaan met de Akasha-kroniek. Blavatsky in The Secret Doctrine: ‘The term “Atlantean” must not mislead the reader to regard these as one race only, or even a nation. It is as though one said “Asiatics.” Many, multityped, and various were the Atlanteans, who represented several humanities, and almost a countless number of races and nations, more varied indeed than would be the “Europeans” were this name to be given indiscriminately to the five existing parts of the world; which, at the rate colonization is proceeding, will be the case, perhaps, in less than two or three hundred years. There were brown, red, yellow, white and black Atlanteans; giants and dwarfs (as some African tribes comparatively are, even now)’.[104]

Zo zullen we ook bij Steiner zien dat hij het over verschillende Atlantische onderrassen heeft, elk met specifieke eigenschappen, capaciteiten en tekortkomingen. Het is overigens jammer en wellicht een gemiste kans, dat de Akasha-kroniek niet algemeen besproken is in het van Baarda-rapport en zeker niet deze passage. Hoewel dit een ‘algemeen werk’ is, had het zonder meer helderheid kunnen scheppen in de brei van vele uitspraken over rassen. Maar dan zou ook het achterliggende systeem zijn blootgelegd en daarmee zou duidelijk zijn geworden dat er sprake is van een structurele rassenleer. Hetzelfde geldt natuurlijk ook voor de inhoudelijke bespreking van Die Mission einzelner Volksseelen, wat de commissie wel gedaan heeft, zij het dat zij op de cruciale punten is gaan draaien en naar uitvluchten heeft gezocht om onder de pijnlijkste punten uit te komen (zie de voorgaande bespreking en dan vooral die van p. 122 van het rapport). Maar het rapport had deze passage hoe dan ook moeten opnemen, al was het maar om Steiners opmerkingen over de relatie van de indianen met Atlantis in Die Mission te duiden. Ik beschouw dit dan ook als een ernstige nalatigheid.

Na deze belangrijke tussentijdse conclusie is het nog absoluut de moeite waard om verder te gaan met de Akasha-kroniek. Steiner vervolgt met de beschrijving de Atlantische onderrassen. Hij begint met het eerste onderras dat direct voortkwam uit het meest ontwikkelde deel van de Lemuriërs, oftewel het kleine stukje van het derde wortelras dat door mocht. Steiner:

‘Die erste Unterrasse der Atlantier entwickelte sich aus einem sehr fortgeschrittenen und entwickelungsfähigen Teile der Lemurier. Bei diesen zeigte sich nämlich die Gabe des Gedächtnisses nur in den allerersten Anfängen und nur in der letzten Zeit ihrer Entwickelung. Man muß sich vorstellen, daß ein Lemurier sich zwar Vorstellungen bilden konnte von dem, was er erlebte; aber er konnte diese Vorstellungen nicht bewahren. Er vergaß sofort wieder, was er sich vorgestellt hatte. Daß er dennoch in einer gewissen Kultur lebte, zum Beispiel Werkzeuge hatte, Bauten ausführte und so weiter, das verdankte er nicht seinem eigenen Vorstellungsvermögen, sondern einer geistigen Kraft in sich, die, um das Wort zu brauchen, instinktiv war. Nur hat man sich darunter nicht den heutigen Instinkt der Tiere, sondern einen solchen anderer Art vorzustellen.

In theosophischen Schriften wird die erste Unterrasse der Atlantier Rmoahals genannt. Das Gedächtnis dieser Rasse war vorzüglich auf lebhafte Sinneseindrücke gerichtet. Farben, die das Auge gesehen hatte, Töne, die das Ohr gehört hatte, wirkten lange in der Seele nach. Das drückte sich darin aus, daß die Rmoahals Gefühle entwickelten, die ihre lemurischen Vorfahren noch nicht kannten. Die Anhänglichkeit zum Beispiel an das, was in der Vergangenheit erlebt worden ist, gehört zu diesen Gefühlen.

An der Entwickelung des Gedächtnisses hing nun auch diejenige der Sprache. Solange der Mensch das Vergangene nicht bewahrte, konnte auch eine Mitteilung des Erlebten durch die Sprache nicht stattfinden. Und weil in der letzten lemurischen Zeit die ersten Ansätze zu einem Gedächtnisse stattfanden, so konnte damals auch die Fähigkeit ihren Anfang nehmen, das Gesehene und Gehörte zu benennen. Nur Menschen, die ein Erinnerungsvermögen haben, können mit einem Namen, der einem Dinge beigelegt ist, etwas anfangen. Die atlantische Zeit ist daher auch diejenige, in welcher die Sprache ihre Entwickelung fand. Und mit der Sprache war ein Band hervorgebracht zwischen der menschlichen Seele und den Dingen außer dem Menschen. Dieser erzeugte das Lautwort in seinem Innern; und dieses Lautwort gehörte zu den Gegenständen der Außenwelt. Und auch ein neues Band entsteht zwischen Mensch und Mensch durch die Mitteilung auf dem Wege der Sprache. Das alles war zwar bei den Rmoahals noch in einer jugendlichen Form; aber es unterschied sie doch in tiefgehender Art von ihren lemurischen Vorvätern.

Nun hatten die Kräfte in den Seelen dieser ersten Atlantier noch etwas Naturkräftiges. Diese Menschen waren gewissermaßen noch verwandter den sie umgebenden Naturwesen als ihre Nachfolger. Ihre Seelenkräfte waren noch mehr Naturkräfte als die der gegenwärtigen Menschen. So war auch das Lautwort, das sie hervorbrachten, etwas Naturgewaltiges. Sie benannten nicht bloß die Dinge, sondern in ihren Worten lag eine Macht über die Dinge und auch über ihre Mitmenschen. Das Wort der Rmoahals hatte nicht bloß Bedeutung, sondern auch Kraft. Wenn man von einer Zaubermacht der Worte spricht, so deutet man etwas an, was für diese Menschen weit wirklicher war als für die Gegenwart. Wenn der Rmoahalsmensch ein Wort aussprach, so entwickelte dieses Wort eine ähnliche Macht wie der Gegenstand selbst, den es bezeichnete. Darauf beruht es, daß Worte in dieser Zeit heilkräftig waren, daß sie das Wachstum der Pflanzen fördern, die Wut der Tiere zähmen konnten, und was ähnliche Wirkungen mehr sind. All das nahm an Kraft bei den späteren Unterrassen der Atlantier immer mehr und mehr ab. Man könnte sagen, die naturwüchsige Kraftfülle verlor sich allmählich. Die Rmoahalsmenschen empfanden diese Kraftfülle durchaus als eine Gabe der mächtigen Natur; und dieses ihr Verhältnis zur Natur trug einen religiösen Charakter. Insbesondere die Sprache hatte für sie etwas Heiliges. Und der Mißbrauch gewisser Laute, denen eine bedeutende Kraft innewohnte, ist etwas Unmögliches gewesen. Jeder Mensch fühlte, daß solcher Mißbrauch ihm einen gewaltigen Schaden bringen müßte. Der Zauber derartiger Worte hätte in sein Gegenteil umgeschlagen; was, in richtiger Art gebraucht, Segen gestiftet hätte, wäre, frevelhaft angewendet, dem Urheber zum Verderben geworden. In einer gewissen Unschuld des Gefühles schrieben die Rmoahals weniger sich selbst, als vielmehr der in ihnen wirkenden göttlichen Natur ihre Macht zu’.[105]

Wij zien hier de beschrijving van het eerste onderras (cultuurperiode) van Atlantis, die van de ‘Rmoahals’. De Rmoahal moet een buitengewoon fijnbesnaard wezen zijn geweest. Waargenomen kleuren en klanken werkten nog lang na in deze soort. Ook begon dit wezen voor het eerst gevoelens te ontwikkelen, die de Lemuriërs nog niet hadden. De Lemuriërs hadden overigens ook nog geen geheugen, dat pas bij de Rmoahals voor het eerst tot ontwikkeling kwam. Hun grootste verdienste was de ontwikkeling van de taal, zij begonnen voor het eerst te ‘benoemen’ (net als Adam en Eva in het Paradijs). Maar hun vermogen tot spreken had een grotere impact dan bij de latere Atlantische onderrassen. Zij konden middels woorden macht uitoefenen over hun omgeving (‘Lautwort’, kennelijk een soort bezweringsformules). Zij konden met woorden geneeskracht beoefenen en de wilde dieren temmen. Hun grote macht over het woord konden ze nooit misbruiken, ze wisten immers intuïtief dat ze daarmee uiteindelijk grote schade zouden berokkenen. Hun wonderbaarlijke capaciteiten zagen zij niet als hun eigen bijzondere verdienste maar schreven zij toe aan een goddelijke natuur, die door hen heen werkte. Het was waarlijk een lieflijk volkje.

Dit zou veranderen met het tweede Atlantische onderras, de Tlavatli volkeren. Zij hadden al  wat meer aan de spreekwoordelijke appel van dit Atlantische paradijs geknabbeld en waren iets minder lieflijk. Steiner:

‘Das wurde schon anders bei der zweiten Unterrasse (den sogenannten Tlavatli-Völkern). Die Menschen dieser Rasse fingen an, ihren persönlichen Wert zu fühlen. Der Ehrgeiz, der eine den Rmoahals unbekannte Eigenschaft war, machte sich bei ihnen geltend. Die Erinnerung übertrug sich in gewissem Sinne auf die Auffassung des Zusammenlebens. Wer auf gewisse Taten zurückblicken konnte, der forderte von seinen Mitmenschen dafür Anerkennung. Er verlangte, daß seine Werke im Gedächtnisse behalten werden. Und auf dieses Gedächtnis von den Taten war es auch begründet, daß eine zusammengehörige Gruppe von Menschen Einen als Führer erkor. Eine Art Königswürde entwickelte sich. Ja diese Anerkennung wurde bis über den Tod hinaus bewahrt. Das Gedächtnis, das Andenken an die Vorfahren oder an diejenigen, die sich im Leben Verdienste erworben hatten, bildeten sich heraus. Und daraus ging dann bei einzelnen Stämmen eine Art religiöser Verehrung Verstorbener hervor, ein Ahnenkultus. Dieser hat sich in viel spätere Zeiten fortgepflanzt und die verschiedensten Formen angenommen. Noch bei den Rmoahals galt der Mensch eigentlich nur in dem Maße, als er sich im Augenblicke durch seine Machtfülle Geltung verschaffen konnte. Wollte da jemand Anerkennung für das, was er in früheren Tagen getan hatte, so mußte er zeigen – durch neue Taten -, daß ihm die alte Kraft noch eigen ist. Er mußte gewissermaßen durch neue Werke die alten ins Gedächtnis rufen. Das Getane als solches galt noch nichts. Erst die zweite Unterrasse rechnete so weit mit dem persönlichen Charakter eines Menschen, daß sie dessen vergangenes Leben bei der Schätzung dieses Charakters mit in Anschlag brachte.

Eine weitere Folge der Gedächtniskraft für das Zusammenleben der Menschen war die Tatsache, daß sich Gruppen von Menschen bildeten, die durch die Erinnerung an gemeinsame Taten zusammengehalten wurden. Vorher war solche Gruppenbildung ganz von den Naturmächten, von der gemeinsamen Abstammung bedingt. Der Mensch tat durch seinen eigenen Geist noch nichts hinzu zu dem, was die Natur aus ihm gemacht hatte. Jetzt warb eine mächtige Persönlichkeit eine Anzahl von Leuten zu einer gemeinsamen Unternehmung, und die Erinnerung an dieses gemeinsame Werk bildete eine gesellschaftliche Gruppe’.[106]

Bij dit oervolk deed een nieuw verschijnsel zijn intrede. De Tlavatli’s ontwikkelden een geheugen. Zij konden zich dingen herinneren. Ook kregen zij een gevoel van eigenwaarde (ego). Zij begonnen zelfs van anderen te eisen dat men hen kon herinneren. Men wilde waardering voor speciale daden en eiste van de omgeving dat die herinnerd zouden worden, ook na de dood. Zo ontstond de eerste vooroudercultus. Ook ontstond er voor het eerst iets van een maatschappelijke organisatie. Sterke persoonlijkheden begonnen anderen voor een bepaalde onderneming te winnen. Op die manier ontstonden er de eerste georganiseerde verbanden.

Deze ontwikkelingen zouden verder worden ontwikkeld gedurende het derde Atlantische onderras, dat van de ‘Tolteken’[107]. Steiner: ‘Diese Art gesellschaftlichen Zusammenlebens prägte sich erst so recht bei der dritten Unterrasse (den Tolteken) aus. Die Menschen dieser Rasse begründeten daher auch erst das, was man Gemeinwesen, was man die erste Art der Staatenbildung nennen kann. Und die Führung, die Regierung dieser Gemeinwesen ging von den Vorfahren auf die Nachkommen über. Was vorher nur im Gedächtnisse der Mitmenschen weiterlebte, das übertrug jetzt der Vater auf den Sohn. Dem ganzen Geschlechte sollten die Werke der Vorfahren nicht vergessen werden. In den Nachkommen noch wurde das geschätzt, was der Ahne getan hatte. Man muß sich nur klar darüber sein, daß in jenen Zeiten die Menschen wirklich auch die Kraft hatten, ihre Gaben auf die Nachkommen zu übertragen. Die Erziehung war ja darauf berechnet, in anschaulichen Bildern das Leben vorzubilden. Und die Wirkung dieser Erziehung beruhte auf der persönlichen Macht, die von dem Erzieher ausging. Er schärfte nicht die Verstandeskraft, sondern Gaben, die mehr instinktiver Art waren. Durch ein solches Erziehungssystem ging wirklich die Fähigkeit des Vaters in den meisten Fällen auf den Sohn über.

Afb. 9: De ‘Atlanten’ van Tollan, oorspronkelijk zuilen die het dak van de tempel droegen op de ‘piramide van de Morgenster’ (Tula, Hidalgo, Mexico). Overblijfselen van de echte Tolteekse beschaving (tussen 900-1150 n. Chr.), al is de naam ‘Atlanten’ (afgeleid van ‘Atlas’), net als de naam ‘Piramide van de Morgenster’, 19e eeuwse fictie (zie voor meer toelichting over de ‘Atlanten’ noot 84. Voor de ‘Morgenster’ nog wel wat te zeggen, daar deze tempel waarschijnlijk aan de god Quetzalcoatl was gewijd, die ook door de latere Azteken geassocieerd werd met de morgenster of de planeet Venus). Dat deze ‘mysterieuze beelden'(zo’n vijf meter hoog) een groot ontzag en tegelijkertijd een gevoel van vervreemding opwekken en verder tot de verbeelding spreken, begrijp ik wel (een soort ‘Paaseiland-effect’), maar om ze met Atlantis te associeren is natuurlijk wel weer een ander verhaal. Deze zuilen/sculpturen zijn dan ook vaak het middelpunt geweest van de meest zweverige speculaties, van Helena Blavatsky tot Castaneda, Berlitz en von Däniken. Indirect ook van Rudolf Steiner, die Blavatsky’s beweringen over de ‘Tolteken’ letterlijk overnam en deze  tot een van de cultuurperiodes van Atlantis bombardeerde.

Unter solchen Verhältnissen gewann bei der dritten Unterrasse die persönliche Erfahrung immer mehr an Bedeutung. Wenn sich eine Menschengruppe von einer anderen abgliederte, so brachte sie zur Begründung ihres neuen Gemeinwesens die lebendige Erinnerung mit an das, was sie am alten Schauplatz erlebt hatte. Aber zugleich lag in dieser Erinnerung etwas, was sie für sich nicht entsprechend fand, worinnen sie sich nicht wohl fühlte. In bezug darauf versuchte sie dann etwas Neues. Und so verbesserten sich mit jeder neuen solchen Gründung die Verhältnisse. Und es war nur natürlich, daß das Bessere auch Nachahmung fand. Das waren die Tatsachen, auf Grund derer es in der Zeit der dritten Unterrasse zu jenen blühenden Gemeinwesen kam, die in der theosophischen Literatur beschrieben werden. Und die persönlichen Erfahrungen, die gemacht wurden, fanden Unterstützung von seiten derer, die in die ewigen Gesetze der geistigen Entwickelung eingeweiht waren. Mächtige Herrscher empfingen selbst die Einweihung, auf daß die persönliche Tüchtigkeit den vollen Rückhalt habe. Durch seine persönliche Tüchtigkeit macht sich der Mensch allmählich zur Einweihung fähig. Er muß erst seine Kräfte von unten herauf entwickeln, damit dann die Erleuchtung von oben ihm erteilt werden könne. So entstanden die eingeweihten Könige und Völkerführer der Atlantier. Gewaltige Machtfülle war in ihrer Hand; und groß war auch die Verehrung, die ihnen entgegengebracht wurde.

Aber in dieser Tatsache lag auch der Grund zum Niedergang und zum Verfall. Die Ausbildung der Gedächtniskraft hat zur Machtfülle der Persönlichkeit geführt. Der Mensch wollte etwas durch diese seine Machtfülle gelten. Und je größer die Macht wurde, desto mehr wollte er sie für sich ausnützen. Der Ehrgeiz, der sich entwickelt hatte, wurde zur ausgesprochenen Selbstsucht. Und damit war der Mißbrauch der Kräfte gegeben. Wenn man bedenkt, was die Atlantier durch die Beherrschung der Lebenskraft vermochten, so wird man begreifen, daß dieser Mißbrauch gewaltige Folgen haben mußte. Es konnte eine weite Macht über die Natur in den Dienst der persönlichen Eigenliebe gestellt werden’.[108]

Wat er aan de verering van de voorouders bestond bij het tweede onderras, werd door dit derde onderras uitgebouwd. Deze ‘Tolteken’ bezaten een hele bijzondere gave; zij konden herinneringen erfelijk overdragen. Zo werd de opgedane kennis overgedragen van ‘vader op zoon’, middels het ‘aanschouwelijk maken van beelden’. Het was in deze tijd dat de ‘persoonlijke ervaring’ als steeds belangrijker werd gezien. De machtige heersers gaven vaak blijk van hun ‘persoonlijke ervaring’, waarop hun macht gebaseerd was.

Maar hier begon ook het verval. De ontwikkeling van het geheugen had geleid tot machtige persoonlijkheden. En hoe meer macht, hoe meer de verleiding tot misbruik. En als je bedenkt op wat voor manier de Atlantiërs de ‘levenskracht’ beheersten, moet een verkeerd gebruik wel catastrofale gevolgen hebben gehad (we hebben eerder gezien over wat voor technologie de Atlantiërs beschikten). De macht over de natuur werd dus soms gebruikt/misbruikt voor persoonlijke eigenliefde.

Dit zou geheel uit de hand zijn gelopen onder het vierde onderras, dat van de Oer-Toeraniërs, al zou er uiteindelijk een ontwikkeling ten goede komen, in het onderras van daarna. Steiner:

‘Das geschah in vollem Maße durch die vierte Unterrasse (die Ur-Turanier). Die Angehörigen dieser Rasse, die in der Beherrschung der genannten Kräfte unterrichtet wurden, gebrauchten diese vielfach, um ihre eigensinnigen Wünsche und Begierden zu befriedigen. In solcher Art gebraucht, zerstören sich aber diese Kräfte in ihrer Wirkung aufeinander. Es ist so, wie wenn die Füße einen Menschen eigensinnig vorwärts bewegten, während sein Oberkörper nach rückwärts wollte. Solche zerstörende Wirkung konnte nur dadurch aufgehalten werden, daß im Menschen sich eine höhere Kraft ausbildete. Und das war die Denkkraft. Das logische Denken wirkt zurückhaltend auf die eigensüchtigen persönlichen Wünsche. Den Ursprung dieses logischen Denkens haben wir bei der fünften Unterrasse (den Ursemiten) zu suchen. Die Menschen fingen an, über die bloße Erinnerung an Vergangenes hinauszugehen und die verschiedenen Erlebnisse zu vergleichen. Die Urteilskraft entwickelte sich. Und nach dieser Urteilskraft wurden die Wünsche, die Begierden geregelt. Man fing an, zu rechnen, zu kombinieren. Man lernte, in Gedanken zu arbeiten. Hat man früher sich jedem Wunsche hingegeben, so frägt man jetzt erst, ob der Gedanke den Wunsch auch billigen könne. Stürmten die Menschen der vierten Unterrasse wild los auf die Befriedigung ihrer Begierden, so begannen diejenigen der fünften auf eine innere Stimme zu hören. Und diese innere Stimme wirkt eindämmend auf die Begierden, wenn sie auch die Ansprüche der eigensüchtigen Persönlichkeit nicht vernichten kann.

So hat die fünfte Unterrasse die Antriebe zum Handeln in das menschliche Innere verlegt. Der Mensch will in diesem seinem Innern mit sich ausmachen, was er zu tun oder zu lassen hat. Aber das, was so im Innern an Kraft des Denkens gewonnen wurde, ging an Beherrschung äußerer Naturgewalten verloren. Mit diesem kombinierenden Denken kann man nur die Kräfte der mineralischen Welt bezwingen, nicht die Lebenskraft. Die fünfte Unterrasse entwickelte also das Denken auf Kosten der Herrschaft über die Lebenskraft. Aber gerade dadurch erzeugte sie den Keim zur Weiterentwickelung der Menschheit. Jetzt mochte die Persönlichkeit, die Selbstliebe, ja die Selbstsucht noch so groß werden: das bloße Denken, das ganz im Innern arbeitet und nicht mehr unmittelbar der Natur Befehle erteilen kann, vermag solche verheerende Wirkungen nicht anzurichten wie die mißbrauchten früheren Kräfte. Aus dieser fünften Unterrasse wurde der begabteste Teil ausgewählt, und dieser lebte hinüber über den Niedergang der vierten Wurzelrasse und bildete den Keim zur fünften, der arischen Rasse, welche die vollständige Ausprägung der denkenden Kraft mit allem, was dazu gehört, zur Aufgabe hat’.[109]

Het volgende (vierde) onderras was dus een buitengewoon zelfzuchtig en uiteindelijk een zelfdestructief volkje. Zij waren slechts geïnteresseerd in het bevredigen van hun persoonlijke wensen en begeerten. Daarmee vernietigden zij bijna elkaar. ‘Het was alsof de voeten eigenzinnig vooruit wilden gaan, terwijl het bovenlichaam achteruit ging’.

Maar deze ontwikkeling werd tijdig gestuit door de komst van het vijfde Atlantische ‘onderras’, dat van de ‘Oer-Semieten’, die uiteindelijk de denkkracht zouden ontwikkelen. Juist met deze Oer-Semieten is het eea aan de hand, dat later nog uitgebreid zal terugkomen. Eerder lazen wij namelijk dat het juist het Arische wortelras zou zijn die de denkkracht tot ontplooiing zou brengen. Maar Semieten (of ‘Oer-Semieten’) lijken iets anders dan ‘Ariërs’, tenminste, volgens de gangbare Duitse ‘Völkische denkbeelden’, ook van die tijd, staan die juist recht tegenover elkaar. Hier zit een eigenaardigheidje bij Steiner. Het is inderdaad zo dat bij Steiner de Oer-Semieten zowel de voorouders zijn van de Semieten, als van de Ariërs. Wij zullen zien dat Steiner hiervoor (Sigismund von Gleich heeft dit later nog een keer verder uitgewerkt) een Bijbels gegeven heeft gebruikt. Maar uit de Oer-Semieten zou uiteindelijk het vijfde wortelras voortkomen, de Ariërs, waarvan de Semieten een aftakking zijn. En vergeet ook niet dat zelfs de ergste Christelijke antisemieten, ook degenen die met allerlei ‘Ariër-theorieën’ dwepen, geloven dat zowel de Semieten als de Ariërs zonen van Noach zijn. De ‘antroposofische Noach’ (Manu) zou uiteindelijk ook uit de gelederen van de Oer-Semieten opstaan. Maar dit komt later. Het is wel interessant dat de nieuwe impuls juist vanuit het ‘vijfde onderras’ van Atlantis moest komen (in dit geval ‘het denken’, dat de belangrijkste kwaliteit zou worden van het volgende wortelras). Wij leven namelijk nu ook in het ‘vijfde onderras’ of ‘cultuurperiode’ van ons eigen ‘Arische tijdperk’ (en dat was het ook al toen Rudolf Steiner leefde). Kennelijk gebeuren er altijd belangrijke dingen als het ‘wortelras’ is aangekomen in de fase van het ‘vijfde onderras’. En het aardige is dat Steiner deze parallel zelf ook legde, zie wederom het artikel uit de Brug, ‘De elite van Atlantis’[110]

Steiner zegt dat dit vijfde wortelras om meer redenen een breekpunt betekende. Met de gave van het denken moest de mens zijn beheersing over de levenskrachten prijsgeven. Dit offer was noodzakelijk, om de mens verder te helpen in zijn verdere evolutie en uiteindelijke opdracht. Overigens, wat je ook van Steiner kunt zeggen, gevoel voor universele beelden had hij wel, zie hier ook de parallel met Adam en Eva, die van de appel van de boom der kennis aten. Ook zij moesten een offer brengen, maar dat betekende wel een nieuwe ontwikkeling. Zie dan ook weer de parallel met Atlantis als een soort Hof van Eden. Steiner was hoe dan ook een groot ‘mythenbouwer’, die heel goed bijna archetypische beelden kon inzetten uit verschillende tradities. Mijns inziens ligt daarin ook een belangrijk deel van de verleiding van de antroposofie (het idee dat de antroposofie een universele levensbeschouwing is, waarin alle verhalen samenkomen).

Een ander aardig detail is dat de ‘Oer-Semieten’ leerden rekenen. En ja hoor, daar is meteen de link gelegd met het bekende antisemitische cliché dat joden goed in geldzaken zijn. Althans, die link wordt meteen gelegd in tijdschrift de Brug, een blad dat uit zijn voegen barst van het antisemitisme, zoals we eerder hebben gezien.[111] Maar bij Steiner ligt dit wederom weer wat genuanceerder, daar deze Oer-Semieten ook de stamvaders van de Ariërs zijn. Toch zullen we later in andere werken zien dat ook dit linkje wordt gelegd met relatie Oersemieten/Semieten, die weliswaar net als de Ariërs ook nazaten zijn van dit vijfde Atlantische onderras, maar zich weer vermengde met de Toeraniërs (in Steiners lezingencyclus ‘Het Evangelie naar Mattheüs; esoterische achtergronden’, GA 123, waar ik op terug zal komen als ik de positie van de Joden in Steiners werk bespreek).

Na dit hele speciale onderras zou het echter heel langzaam bergafwaarts gaan in Atlantis, al wist het volgende onderras de verworvenheden van de Oer-Semieten flink uit te bouwen. Steiner: Die Menschen der sechsten Unterrasse (der Akkadier) bildeten die Denkkraft noch weiter aus als die fünfte. Sie unterschieden sich von den sogenannten Ursemiten dadurch, daß sie die angeführte Fähigkeit in einem umfassenderen Sinne zur Anwendung brachten als jene. – Es ist gesagt worden, daß die Ausbildung der Denkkraft zwar die Ansprüche der eigensüchtigen Persönlichkeit nicht zu den verheerenden Wirkungen kommen ließ, die bei den früheren Rassen möglich waren, daß aber diese Ansprüche durch sie nicht vernichtet wurden. Die Ursemiten regelten zunächst ihre persönlichen Verhältnisse so, wie es ihnen ihre Denkkraft eingab. An die Stelle der bloßen Begierden und Gelüste trat die Klugheit. Andere Lebensverhältnisse traten auf. Waren vorhergehende Rassen geneigt, den als Führer anzuerkennen, dessen Taten tief in das Gedächtnis sich eingeprägt hatten oder der auf ein Leben reicher Erinnerung zurückblicken konnte, so wurde jetzt solche Rolle dem Klugen zuerkannt. Und war vordem das maßgebend, was in guter Erinnerung lebte, so betrachtete man jetzt das als das Beste, was dem Gedanken am besten einleuchtete. Unter dem Einflusse des Gedächtnisses hielt man ehedem so lange an einer Sache fest, bis man sie als unzureichend erfand, und dann ergab sich im letzteren Falle von selbst, daß derjenige mit einer Neuerung durchdrang, welcher einem Mangel abzuhelfen in der Lage war. Unter der Wirkung der Denkkraft aber entwickelte sich eine Neuerungssucht und Veränderungslust. Jeder wollte durchsetzen, was seine Klugheit ihm eingab. Unruhige Zustände beginnen daher unter der fünften Unterrasse, und sie führen in der sechsten dazu, daß man das Bedürfnis empfand, das eigensinnige Denken des Einzelnen unter allgemeine Gesetze zu bringen. Der Glanz in den Staaten der dritten Unterrasse beruhte darauf, daß gemeinsame Erinnerungen Ordnung und Harmonie bewirkten. In der sechsten mußte durch ausgedachte Gesetze diese Ordnung bewirkt werden. So hat man in dieser sechsten Unterrasse den Ursprung von Rechts- und Gesetzesordnungen zu suchen.

– Und während der dritten Unterrasse geschah die Absonderung einer Menschengruppe nur, wenn sie gewissermaßen dadurch aus ihrem Gemeinwesen hinausgedrängt wurde, weil sie sich innerhalb der durch Erinnerung vorhandenen Zustände nicht mehr wohl fühlte. In der sechsten war das wesentlich anders. Die berechnende Denkkraft suchte das Neue als solches, sie spornte zu Unternehmungen und Neugründungen. Daher waren die Akkadier ein unternehmungslustiges Volk, zur Kolonisation geneigt. Insbesondere mußte der Handel der jung aufkeimenden Denk- und Urteilskraft Nahrung geben.[112]

De Akkadiërs bouwden de denkkracht verder uit. Zij wisten deze verworvenheid ook breder toe te passen. Er wordt nog een keer gerefereerd aan de denkkracht van de Oer-Semieten, die een grote revolutie betekende. Het betekende de ommekeer van waar vroeger aan de herinnering werd gehecht, men nu meer waarde hechte aan het verstand. De Akkadiërs gingen deze ook praktisch toepassen om hun leefomstandigheden te verbeteren. Ook onstond bij de Akkadiërs de neiging om te ‘koloniseren’. Als je het zo bekijkt is de verhouding Oer-Semieten/Akkadiërs een zelfde soort verhaal als de wat clichématige verhouding Grieken/Romeinen. De Grieken waren de denkers en de Romeinen de doeners, ingenieurs en imperiumbouwers, althans volgens het bekende en volstrekt platgetreden verhaal. Maar daar lijkt dit verhaal dus precies op, ook dat de Akkadiërs de behoefte hadden om zaken vast te leggen in wetten.[113]

Over dit ‘vastleggen in wetten’ zegt Steiner iets opmerkelijks. Hij zegt dat in de derde onderras de mensheid op een natuurlijke manier samenleefde, volgens een vanzelfsprekende harmonieuze orde. Vanaf het vijfde onderras ontstond er steeds meer onrust en kreeg men meer de behoefte aan ‘bedachte’ en ‘kunstmatige’ wetten. Kennelijk had de mens toch veel van zijn gevoel voor de natuurlijke orde verloren en leek de situatie van de nadagen van Atlantis een beetje op de onze, althans dit verhaal lijkt sterk op het soms wat cultuurpessimistische geluid dat tegenwoordig van antroposofische zijde te vernemen is.[114]

Na deze ‘Romeinen’ volgt een het laatste onderras, blijkens de beschrijving een soort ‘donkere Middeleeuwen’. Het gaat hier om de ‘Oer Mongolen’:

‘Bei der siebenten Unterrasse (den Mongolen) bildete sich ebenfalls die Denkkraft aus. Aber es blieben bei ihnen Eigenschaften der früheren Unterrassen, namentlich der vierten, in viel stärkerem Maße vorhanden als bei der fünften und sechsten. Dem Sinn für die Erinnerung blieben sie treu. Und so gelangten sie zu der Überzeugung, daß das Älteste auch das Klügste sei, das, was sich am besten vor der Denkkraft verteidigen kann. Die Beherrschung der Lebenskräfte ging zwar auch ihnen verloren; aber was sich in ihnen an Gedankenkraft entwickelte, das hatte selbst etwas von dem Naturgewaltigen dieser Lebenskraft. Zwar hatten sie die Macht über das Leben verloren, niemals aber den unmittelbaren naiven Glauben an dasselbe. Ihnen war diese Kraft zu ihrem Gotte geworden, in dessen Auftrage sie alles taten, was sie für richtig hielten. So erschienen sie ihren Nachbarvölkern wie von dieser geheimen Kraft besessen und ergaben sich ihr selbst auch in blindem Vertrauen. Ihre Nachkommen in Asien und einigen europäischen Gegenden zeigten und zeigen noch viel von dieser Eigenart.

Die in den Menschen gepflanzte Denkkraft konnte ihren vollen Wert in der Entwickelung erst erlangen, als sie einen neuen Antrieb erhielt in der fünften Wurzelrasse. Die vierte konnte doch nur diese Kraft in den Dienst dessen stellen, was ihr durch die Gabe des Gedächtnisses anerzogen war. Die fünfte gelangte erst zu solchen Lebensformen, für welche die Fähigkeit des Gedankens das rechte Werkzeug ist’.[115]

Hoewel deze Mongolen nog steeds de ‘denkkracht’ uitbouwden, waren de oude Atlantische eigenschappen bij hen weer sterker aanwezig dan bij het vijfde en zesde onderras. Zij kwamen weer tot het idee dat de oudste de verstandigste was en leefden weer sterk op hun herinneringen. Zij hadden echter geen macht meer over de levenskrachten, maar bleven er wel in geloven. Zij aanbaden deze levenskracht nu als een god, in wiens opdracht zij alles deden wat zij goed achtten. Voor de omringende volkeren leek het soms alsof zij bezeten waren door een geheime kracht, waarop zij blind vertrouwden (zie Edward Saids notie van ‘Oriëntalisme’, over de rationele westerling versus de grillige en irrationele oosterling). En dan zegt Steiner iets interessants: ‘Bij hun directe nakomelingen in Azië en in enige gebieden in Europa wordt nog steeds die bijzondere aanleg teruggevonden’. Wat een directe connectie tussen die Atlantische Mongolen en de latere legermacht van Dzengiz Khan! Maar dit laat weer eens zien dat al die wortelrasbeschrijvingen van Steiner wel degelijk een connectie hebben met de bestaande mensenrassen van nu, wat allerlei antroposofen van nu ook mogen beweren.  Voor Steiner lag die link er gewoon. Als je het zo bekijkt had deze passagage best in het rapport mogen worden opgenomen in het hoofdtuk ‘Steiner over Aziaten’. Was best interessant geweest om te laten zien dat Steiner geloofde dat deze Mongolen de laatste cultuurperiode van Atlantis waren en nu op de centraal Aziatische vlaktes de ‘puberale levensfase van de mens representeren’, waar ‘de planeet Mars doorwerkt in hun bloed’.

Verder is dit natuurlijk wel weer een cliché zoals Edward Said er velen van heeft omschreven. Edward Said in Orientalism: ‘…a  third dogma is that the Orient is eternal, uniform, and incapable to defining itself; therefore it is assumed that a highly generalized and systematic vocabulary from describing the Orient from a Western standpoint is inevitable and even scientifically ‘objective’. A fourth dogma is that the Orient is at bottom something either to be feared (the Yellow Peril, the Mongol hordes, the brown dominions) or to be controlled (by pacification, research and development, outright occupation whenever possible)’.[116]

In dit geval lijkt mij Edward Said geheel van toepassing op Rudolf Steiner, speciaal voor de commissie van Baarda, die Edward Said inzette om Steiner van racisme vrij te pleiten (want Edward Said zou hebben aangetoond dat koloniale en sterotype denkbeelden de normaalste zaak van de wereld waren in Steiners tijd, dus Steiner zou dan meevallen[117]). Ik denk niet dat het meevalt, maar wel dat Steiners bovenstaande beschrijving geheel binnen het oriëntalististische discours past (‘eternal’, ‘to be feared’, enz.)

Steiner sluit dit hoofdstuk af met de de opmerking dat de denkkracht pas tot volle ontwikkeling kon komen (de juiste impuls kon krijgen) in een nieuw tijdperk, een nieuw wortelras. Het Atlantische wortelras had de denkkracht ontwikkeld, maar leefde vooral op herinneringen. Hoe de overgang naar het nieuwe wortelras verliep beschrijft hij in het volgende hoofdstuk.

De overgang van het vierde naar het vijfde wortelras uit de Akasha-kroniek

Voordat Steiner in de Akasha-kroniek steeds verder het verleden induikt en per hoofdstuk een voorgaand tijdperk bespreekt, beschrijft hij na het hoofdstuk over Atlantis, de ondergang van deze wereld en de overgang naar de toestand waarin wij ons nu bevinden (het vijfde wortelras).[118]  Steiner: ‘Die folgenden Mitteilungen beziehen sich auf den Übergang der vierten (atlantischen) Wurzelrasse in die fünfte (arische), welcher die gegenwärtige zivilisierte Menschheit angehört. Nur derjenige wird sie richtig auffassen, der sich von dem Gedanken der Entwickelung in seinem ganzen Umfange und in seiner ganzen Bedeutung durchdringen kann. Alles, was der Mensch um sich herum gewahr wird, ist in Entwickelung. Und auch die Eigenschaft der Menschen unserer fünften Wurzelrasse, die im Gebrauche des Gedankens liegt, hat sich erst entwickelt. Ja, gerade diese Wurzelrasse ist es, welche die Kraft des Denkens langsam und allmählich zur Reife bringt. Der gegenwärtige Mensch entschließt sich (im Gedanken) zu etwas, und dann führt er es aus als die Folge des eigenen Gedankens. Bei den Atlantiern bereitete sich diese Fähigkeit erst vor. Nicht die eigenen Gedanken, sondern die ihnen von höhergearteten Wesenheiten zuströmenden beeinflußten ihren Willen. Dieser wurde also gewissermaßen von außen gelenkt. – Wer sich mit diesem Entwickelungsgedanken beim Menschen vertraut macht und zugeben lernt, daß dieser in der Vorzeit ein ganz anders geartetes Wesen – als irdischer Mensch – war, der wird auch zu der Vorstellung von den völlig anderen Wesenheiten aufsteigen können, von denen in den Mitteilungen gesprochen wird. Ungeheuer große Zeiträume nahm die Entwickelung in Anspruch, von der berichtet wird. Was in dem Vorhergehenden von der vierten Wurzelrasse, den Atlantiern, gesagt worden ist, das bezieht sich auf die große Masse der Menschheit. Aber diese stand unter Führern, die in ihren Fähigkeiten hoch emporragten über sie. Die Weisheit, welche diese Führer besaßen, und die Kräfte, welche sie beherrschten, waren durch keinerlei irdische Erziehung zu erlangen. Sie waren ihnen von höheren, nicht unmittelbar zur Erde gehörenden Wesenheiten erteilt worden. Es war daher nur natürlich, daß die große Masse der Menschen diese ihre Führer als Wesen höherer Art empfanden, als «Boten» der Götter. Denn mit den menschlichen Sinnesorganen, mit dem menschlichen Verstande wäre nicht zu erreichen gewesen, was diese Führer wußten und ausführen konnten. Man verehrte sie als «Gottesboten» und empfing ihre Befehle, Gebote und auch ihren Unterricht. Durch Wesen solcher Art wurde die Menschheit unterwiesen in den Wissenschaften, Künsten, in der Verfertigung von Werkzeugen. Und solche «Götterboten» leiteten entweder selbst die Gemeinschaften oder unterrichteten Menschen, die weit genug vorgeschritten waren, in den Regierungskünsten. Man sagte von diesen Führern, daß sie «mit den Göttern verkehren» und von diesen selbst in die Gesetze eingeweiht werden, nach denen sich die Menschheit entwickeln müsse. Und das entsprach der Wirklichkeit. An Orten, von denen die Menge nichts wußte, geschah diese Einweihung, dieser Verkehr mit den Göttern. Mysterientempel wurden diese Einweihungsorte genannt. Von ihnen aus also geschah die Verwaltung des Menschengeschlechts’.[119]

Steiner stelt dat nu pas (in het tijdperk van het Arische wortelras) de mens werkelijk in staat is om zelfstandig te denken. Hij rekent daar de tegenwoordige ‘geciviliseerde mensheid’ toe, een niet onbelangrijk detail (kom ik later op terug, maar het begrip ‘Ariër’ lijkt hier wel heel ruim opgevat, al is het opvallend dat het ‘de tegenwoordige geciviliseerde mensheid’ is die tot dit vijfde wortelras behoort en niet ‘de tegenwoordige mensheid’). Al het voorgaande vormde de ontwikkeling naar dit zelfstandige denken, het werd in de Atlantische tijd slechts voorbereid. De mens gedurende de na-Atlantische tijd pas vrij geworden om zelfstandig een besluit te nemen en tot uitvoer te brengen. In de Atlantische tijd werd de wil aangestuurd door wezens die boven de mens stonden. Daarbij was er een groot verschil tussen de ‘Atlantische massa’ en de ‘elite’ (zie hiervoor ook noot 71). De elite stond in contact met ‘hogere krachten’, waarvan zij hun wijsheid ontvingen. Voor de massa stond deze elite bekend als de ‘Boden der Goden’. Zij stonden ver boven de eenvoudige Atlantiër verheven en voerden hun ‘inwijdingsrituelen’ (een toverwoord in esoterische en dus ook antroposofische kring) in hun tempels uit.

‘Das, was in den Mysterientempeln geschah, war demgemäß auch dem Volke unverständlich. Und ebensowenig verstand dieses die Absichten seiner großen Führer. Das Volk konnte mit seinen Sinnen ja nur verstehen, was sich auf der Erde unmittelbar zutrug, nicht was zum Heile dieser aus höheren Welten offenbart wurde. Daher mußten auch die Lehren der Führer in einer Form abgefaßt sein, die nicht den Mitteilungen über irdische Ereignisse ähnlich war. Die Sprache, welche die Götter mit ihren Boten in den Mysterien sprachen, war ja auch keine irdische, und die Gestalten, in denen sich diese Götter offenbarten, waren ebensowenig irdisch. «In feurigen Wolken» erschienen die höheren Geister ihren Boten, uni ihnen mitzuteilen, wie sie die Menschen zu führen haben. In menschlicher Gestalt kann nur ein Mensch erscheinen; Wesenheiten, deren Fähigkeiten über das Menschliche hinausragen, müssen in Gestalten sich offenbaren, die nicht unter den irdischen zu finden sind.

Daß die «Gottesboten» diese Offenbarungen empfangen konnten, rührt davon her, daß sie selbst die vollkommensten unter ihren Menschenbrüdern waren. Sie hatten auf früheren Entwickelungsstufen bereits durchgemacht, was die Mehrzahl der Menschen noch durchzumachen hat. Nur in einer gewissen Beziehung gehörten sie dieser Mitmenschheit an. Sie konnten die menschliche Gestalt annehmen. Aber ihre seelisch-geistigen Eigenschaften waren übermenschlicher Art. Sie waren also göttlich-menschliche Doppelwesen. Man konnte sie daher auch als höhere Geister bezeichnen, die menschliche Leiber angenommen hatten, um der Menschheit auf ihrem irdischen Wege weiter zu helfen. Ihre eigentliche Heimat war nicht auf der Erde. – diese Wesen führten die Menschen, ohne ihnen die Grundsätze mitteilen zu können, nach denen sie sie führten. Denn bis zur fünften Unterrasse der Atlantier, den Ursemiten, hatten die Menschen eben gar keine Fähigkeit, um diese Grundsätze zu begreifen. Erst die Denkkraft, die sich in dieser Unterrasse entwickelte, war eine solche Fähigkeit. Aber diese Fähigkeit entwickelte sich langsam und allmählich. Und auch die letzten Unterrassen der Atlantier konnten noch sehr wenig begreifen von den Grundsätzen ihrer göttlichen Führer. Sie fingen an, erst ganz unvollkommen, etwas von solchen Grundsätzen zu ahnen. Daher waren ihre Gedanken und auch die Gesetze, von denen bei ihren Staatseinrichtungen gesprochen worden ist, mehr geahnt als klar gedacht.

Der Hauptführer der fünften atlantischen Unterrasse bereitete diese nach und nach vor, damit sie in späterer Zeit, nach dem Untergange der atlantischen Lebensart, eine neue beginnen könne, eine solche, welche ganz durch die Denkkraft geregelt wird’.[120]

Wat er zich in die tempels allemaal afspeelde was voor het gewone volk onbegrijpelijk, vooral omdat het (itt deze elite) slechts kon begrijpen wat er op aarde afspeelde en niet in staat was om via de zintuigen waar te nemen, wat er uit hogere werelden werd geopenbaard. Daarom goten de leiders de mededelingen uit hogere sferen veelal in een vorm die begrijpelijk was voor de dagelijkse leefomgeving van de gemiddelde Atlantiër. De taal waarin de goden spraken was dan ook niet van deze wereld. Zij verschenen in vurige wolken om aan de elite te vertellen hoe zij de schapen moesten hoeden, want alleen een mens kan in menselijke gestalte verschijnen (‘In menschlicher Gestalt kann nur ein Mensch erscheinen’. Voor de boden van de goden gold echter wat anders, zij konden wel in menselijke gestalte verschijnen, al waren hun ziele-eigenschappen bovenmenselijk. Zij waren eigenlijk ‘dubbelwezens’ die ervoor hadden gekozen om als mens te incarneren om de mensheid weer een eindje verder te helpen. Maar hun rijk was niet van deze wereld.

Overigens deelden deze wezens hun orders uit, zonder de achterliggende bedoelingen uit te leggen. Want die achterliggende bedoeling zou toch niet begrijpelijk zijn voor de gewone Atlantische mens (zie alweer een parallel met het vrije schoolonderwijs, waarbij het verstand vooral niet te vroeg mag worden aangesproken. Eigenlijk heel bevoogdend dus, maar dat is iedere vorm van esoterie zo’n beetje eigen, waarbij de gemiddelde aanhanger begint te zwijmelen, zodra het woord ‘ingewijde’ valt). Pas de Oersemieten waren er klaar voor. Zij waren in staat om de boodschap wel te begrijpen. De latere cultuurperiodes overigens niet meer, vandaar dat zij hun toevlucht namen tot wetten, omdat er toen meer werd ‘vermoed’ dan dat er ‘helder werd gedacht’. Hoe dan ook, de leiding van de Atlantische mensheid bereidde de mensen er beetje bij beetje op voor dat hun wereld eens van de aardbodem zou worden weggevaagd en dat ze moesten overstappen op een andere leefwijze, waarbij ze wel zelfstandig moesten gaan denken.

Vervolgens beschrijft Steiner de verschillende rangen en standen van de Atlantische maatschappij, alsmede de onderlinge dynamiek van deze Atlantische maatschappelijke klassen:

‘Nun muß man sich vergegenwärtigen, daß man es am Ende der atlantischen Zeit mit drei Gruppen menschenartiger Wesenheiten zu tun hat.

1. Mit den genannten «Götterboten», die der großen Volksmasse weit voraus in der Entwickelung waren, die göttliche Weisheit lehrten und göttliche Taten verrichteten.

2. Die große Masse selbst, bei welcher die Denkkraft in einem dumpfen Zustande war, trotzdem sie Fähigkeiten naturwüchsiger Art besaß, welche der heutigen Menschheit verlorengegangen sind.

3. Eine kleinere Schar von solchen, welche die Denkkraft entwickelten. Diese verlor dadurch zwar allmählich die urwüchsigen Fähigkeiten der Atlantier; aber sie bildete sich dafür heran, die Grundsätze der «Götterboten» denkend zu erfassen. – die zweite Gruppe der Menschenwesen war dem allmählichen Aussterben geweiht. Die dritte aber konnte von dem Wesen der ersten Art dazu herangezogen werden, ihre Führung selbst in die Hand zu nehmen.

Aus dieser dritten Gruppe nahm der genannte Hauptführer, welchen die okkultistische Literatur als Manu bezeichnet, die Befähigtesten heraus, um aus ihnen eine neue Menschheit hervorgehen zu lassen. Diese Befähigtesten waren in der fünften Unterrasse vorhanden. Die Denkkraft der sechsten und siebenten Unterrasse war schon in einer gewissen Weise auf Abwege geraten und nicht mehr zur Weiterentwickelung geeignet. – die besten Eigenschaften der Besten mußten entwickelt werden. Das geschah, indem der Führer die Auserlesenen an einem besonderen Orte der Erde – in Innerasien – absonderte und sie vor jedem Einflusse der Zurückgebliebenen oder der auf Abwege Geratenen befreite. – die Aufgabe, die sich der Führer stellte, war, seine Schar so weit zu bringen, daß ihre Zugehörigen in der eigenen Seele, mit eigener Denkkraft die Grundsätze erfassen könnten, nach denen sie bisher auf eine von ihnen geahnte, aber nicht klar erkannte Art gelenkt worden waren. Die Menschen sollten erkennen die göttlichen Kräfte, denen sie unbewußt gefolgt waren. Bisher hatten die Götter durch ihre Boten die Menschen geführt; jetzt sollten die Menschen von diesen göttlichen Wesenheiten wissen. Sie sollten sich selbst als die ausführenden Organe der göttlichen Vorsehung ansehen lernen’.

De Atlantische samenleving werd gekenmerkt door drie maatschappelijke klassen: 1, de elite (boden der Goden), die goddelijke wijsheden verkondigden en goddelijke daden volbrachten. 2. De grote meute, waarvan de denkkracht zich in een latente en doffe toestand bevond, maar die wel weer heel dicht bijj de natuur stond (en dat hebben wij dus weer verloren). 3. Een kleinere maatschappelijk stijgende groep, die zich de denkkrachten steeds meer eigen maakte, het oude vermogen weliswaar verloor, maar steeds meer in staat was om de berichten van de boden der goden zich cerebraal eigen te maken.

De tweede groep was voorbestemd om uit te sterven (daar gaan we weer). De derde groep, mits opgeleid door de eerste, mocht wel door (blijven leven dus) en zou uiteindelijk de leiding zelf overnemen.

De hoogste leider, Manu genaamd, selecteerde uit de derde groep de meest begaafden, om een nieuwe mensheid te laten ontstaan (!) Hij putte hiervoor uitsluitend uit het stamboek van het vijfde onderras. De verstandelijke vermogens van het zesde en het zevende onderras hadden zich in een niet meer bruikbare richting ontwikkeld en waren dus niet geschikt voor verdere ontwikkeling, althans ‘die Denkkraft der sechsten und siebenten Unterrasse war schon in einer gewissen Weise auf Abwege geraten und nicht mehr zur Weiterentwickelung geeignet’. En vergeet niet dat Steiner eerder expliciet gezegd heeft dat het zevende onderras gewoon de Mongolen zijn die we nu kennen, dus laat dat genoteerd zijn. Dus onder het motto: ‘die besten Eigenschaften der Besten mußten entwickelt werden’, werd het dus…‘géén Mongolen’. Had best een categorie 1 of 2 mogen zijn in het van Baarda-rapport, maar het staat er zo terloops en bovendien indirect dat je er zo overheen leest, dus het zij de commissie vergeven. Het had trouwens wel een surrealistische annotatie opgeleverd. Ongeveer zoiets: ‘Met de opmerking dat ‘die besten Eigenschaften der Besten mußten entwickelt werden’ niet zou opgaan voor het zevende Atlantische onderras, waarvan Steiner in een eerder verband onomstotelijk heeft laten blijken dat daarmee de voorouders van de huidige Mongolen worden bedoeld, suggereert Steiner dat de Mongolen niet tot de besten zouden kunnen behoren. Hoewel zich dit op Atlantis (?) afspeelde beschouwt de commissie deze uitspraak als ernstig discriminerend voor de bevolking van het tegenwoordige Mongolië, waarvan gesuggereerd wordt dat de voorouders zich al gedurende hun verblijf in Atlantis op een doodlopend spoor van de mensheidsontwikkeling bevonden’. Surrealistisch wellicht, maar antroposofie is surrealisme, dus het was wel terecht geweest. Bovendien menen bepaalde antroposofen wel van alles te moeten kunnen beweren over de hedendaagse Mongolen en zelfs over een waarschijnlijke nieuwe ‘Mongolenstorm’ in de nabije toekomst, in de traditie van Dzenghiz Khan, zoals Bernard Lievegoed dit een keer uiteen zette in een interview met Jelle van der Meulen.[121]

Maar, misschien in dit verband nog wel belangrijker, we hebben gezien dat het vijfde wortelras voortkwam uit het vijfde Atlantische onderras (de Oersemieten). Aangezien er ook kan worden vastgesteld dat daartoe niet het zevende onderras behoort (de Mongolen) en tegelijkertijd kan worden vastgesteld dat die Atlantische Mongolen de voorouders zijn van de huidige Mongolen, moet er geconcludeerd worden dat de huidige Mongolen niet tot het vijfde wortelras behoren. De reden waarom ik hier zo aan het haarkloven ben is dat ik vaak het argument te horen heb gekregen (en het is terug te vinden in veel antroposofische lectuur), dat de wortelrassen niets met rassen te maken hebben, maar de mensheid als geheel in een bepaald tijdperk representeren. Maar er kan over ons wortelras (het vijfde tijdperk) worden gezegd dat misschien bijna iedereen erbij hoort maar de Mongolen in ieder geval niet. Laat ook deze conclusie genoteerd zijn.

Terug naar het vervolg van de tekst. Want hier komt iets buitengewoon cruciaals, dat later op verschillende manieren nog veel zal terugkomen. Het gaat hier om een passage die essentieel is voor het raciale denken van de antroposofie, in relatie tot de zogenaamde ‘na-Atlantische cultuurperiodes’. Eerder is al gebleken dat Steiner het vijfde na-Atlantische wortelras als ‘Ariërs’ omschreef, wat hij daar ook mee bedoelde. Uit de daarop passage blijkt dat hij de klassieke ‘Ariërmythe’ op de voet volgt, al wordt dit verhaspeld met een gegeven dat weer uit een hele andere traditie stamt (zoals we hierna zullen zien). Maar het gaat er hier om dat Manu de besten meenam naar een gebied in Centraal Azië en hen ‘bevrijdde’ van alle banden met de achterblijvers. Daar sommeerde hij zijn volgelingen dat zij vanaf nu zelfstandig moesten gaan begrijpen door welke krachten zij waren geleid. Tot nu toe waren de mensen (onbewust) geleid door de goddelijke krachten. Nu kwam het erop aan dat zij zelf kennis moesten nemen van deze krachten. Zij moesten zichzelf leren beschouwen als de uitvoerders van deze goddelijke macht.

Goed, waarom is dit zo essentieel? We hebben eerder gezien dat het de Ariërs waren, die in ons tijdperk de denkkracht tot volle ontplooiing moesten brengen. Waar het mij hierom gaat is dat de kiem hiervoor werd gelegd in ‘Centraal Azië’. Juist deze locatie is van belang; in zo’n beetje alle ‘völkische’ ariërfantasieën van het fin du siècle ligt de mythische oorsprong van de Ariërs hetzij in Atlantis (een enkeling heeft dat beweerd), hetzij in Noord Europa, maar vooral in Centraal Azië, waar ook de bron zou liggen van de Indo-Germaanse taalfamilie zou liggen (het Sanskriet). Overigens wordt ook het Perzisch en de Perzische cultuur vaak tot zo’n oerbron van het Ariërdom gerekend. Het hakenkruis is bijvoorbeeld een oud Perzisch symbool. En ook de antroposofie is niet vies van het schermen met oud-Perzische begrippen (zie Ahriman). Maar we zullen in de loop van dit verhaal en ook bij andere werken van Steiner zien, dat dit oud Indische Arische element een wezenlijke rol speelt. Denk maar aan de beruchte uitspraak uit Vom Leben des Menschen: ‘Und so ist es wirklich ganz interessant: Auf der einen Seite hat man die Schwarze Rasse, die am meisten irdisch ist. Wenn sie nach Westen geht stirbt sie aus. Man hat die gelbe Rasse, die mitten zwischen Erde und Weltenall ist. Wenn sie nach Osten geht, wird sie braun, gliedert sich sich zu viel dem Weltenall an, und stirbt aus. Die Weiße Rasse ist die zukünftige, ist die am Geiste schaffende Rasse. Wie sie nach Indien gezogen ist, bildete sie die innerliche, poetische, dichterische, geistige indische Kultur aus. Wenn sie jetzt nach westen geht, wird sie eine Geistigkeit ausbilden, die nicht so sehr den innerlichen Menschen ergreift, aber die äußere Welt in ihrer Geistigkeit begreift’ [122]  Het gaat mij hier nu om ‚’Wenn sie nach Indien gezogen ist, bildete sie die…enz.’. Het gaat erom dat India als de bakermat werd gezien van het Arische ras, waarvanuit het zich, onderweg de ene na de andere cultuur scheppend, langzaam naar het westen voortbeweegt tot in Europa. Dit is de klassieke Ariërgedachte zoals die ook bij de nazi’s bestond (vooral bij Heinrich Himmler en Rudolf Hess), al zeg ik er meteen bij dat dit een veel breder gedragen cultuurgoed was, dan door de nationaal socialisten alleen. Het is ook al aanwezig bij Helena Blavatsky, dus zo is het in de antroposofie terechtgekomen. Maar er bestaat ook een andere afsplitsing van de theosofie, de zg Ariosofie.[123] Vandaar loopt er wel de directe lijn naar het occulte nazisme. Wij zullen dit gegeven na de bespreking van de Akasha-kroniek terugzien, als ik verder inga op de Ariërmythe en de samenhang van de antroposofische notie van de cultuurperiodes (de na-Atlantische). Die na-Atlantische cultuurperiodes/onderrassen vormen gezamenlijk het Arische wortelras. Voor de antroposofie is dit geen triviaal detail. Zie hiervoor ook het slot van de vierde voordracht uit Die Mission einzelner Volksseelen, waar deze geschiedenis ook beschreven staat (de tiende voordracht in zijn geheel over deze ‘gang van Arische culturen’ van oost naar west[124]). Toch zal dit gegeven van de Ariër mythe samen gaan met een ander verhaal dat wij weer kennen uit het Oude Testament (wat dus helemaal vreemd is), al heeft Steiner dit in een nieuw jasje gestoken.

Maar laten we doorgaan met de ontwikkelingen van dit nieuwe ras en haar goddelijke leider Manu:

Vor einer wichtigen Entscheidung stand die also abgesonderte Schar. Der göttliche Führer war in ihrer Mitte, in Menschengestalt. Von solchen Götterboten hatte die Menschheit vorher Anweisungen, Befehle erhalten, was sie zu tun oder zu lassen hatte. Sie war in den Wissenschaften unterrichtet worden, die sich auf dasjenige bezogen, was sie mit den Sinnen hatte wahrnehmen können. Eine göttliche Weltregierung hatten die Menschen geahnt, hatten sie in ihren eigenen Handlungen empfunden; aber klar gewußt hatten sie nichts von ihr. – nun sprach ihr Führer in einer ganz neuen Art zu ihnen. Er lehrte sie, daß unsichtbare Mächte das lenken, was sie sichtbar vor sich hätten; und daß sie selbst Diener dieser unsichtbaren Mächte seien, daß sie mit ihren Gedanken die Gesetze dieser unsichtbaren Mächte zu vollziehen hätten. Von einem Überirdisch-Göttlichen hörten die Menschen. Und daß das unsichtbare Geistige der Schöpfer und Erhalter des sichtbaren Körperlichen sei. Zu ihren sichtbaren Götterboten, zu den übermenschlichen Eingeweihten, von denen der selbst einer war, der so zu ihnen sprach, hatten sie bisher aufgesehen, und von ihnen wurde mitgeteilt, was zu tun und was zu lassen sei. Jetzt aber wurden sie dessen gewürdigt, daß der Götterbote ihnen von den Göttern selbst sprach. Gewaltig war die Rede, die er seiner Schar immer wieder einschärfte. «lhr habt bis jetzt gesehen diejenigen, die euch führten; aber es gibt höhere Führer, die ihr nicht sehet. Und diesen Führern seid ihr untertan. Ihr sollt vollziehen die Befehle des Gottes, den ihr nicht sehet; und ihr sollt gehorchen einem solchen, von dem ihr euch kein Bild machen könnet.» So klang aus dem Munde des großen Führers das neue höchste Gebot, das da die Verehrung vorschrieb eines Gottes, dem kein sinnlich-sichtbares Bild ähnlich sein konnte, von dem daher auch keines gemacht werden sollte. Von diesem großen Urgebote der fünften Menschenrasse ist ein Nachklang das bekannte: «Du sollst dir kein Götzenbild machen, noch irgendein Abbild von etwas, was droben im Himmel oder unten auf der Erde, oder was im Wasser unter der Erde ist . . .».[125][2][126]

De Leider (Manu) nam de besten van de besten mee, die hun banden met de achterblijvers hadden verbroken. Afgezonderd van de rest kreeg deze groep nu onthuld welke krachten er boven hen werkzaam zijn, waar zij voorheen bog slechts een vermoeden van hadden. Vroeger had de mensheid slechts de bevelen opgevolgd van de goddelijke boden. Er werd ze verteld dat deze ook maar werktuigen waren in handen van hogere machten. Nu werden ze ingewijd in het bestaan van een heuse ‘Godenregering’, die zij voorheen slechts vermoedden (‘Eine göttliche Weltregierung hatten die Menschen geahnt’). Manu maakte hen zichtbaar dat zij zelf onderdeel en dienaar waren van deze onzichtbare machten, wier wil moest worden uitgevoerd. Ze kregen te horen (ik citeer uit de Nederlandse Pentagonvertaling): ‘Tot nu toe hebben jullie diegenen die jullie leidden gezien, maar er bestaan hogere leiders, die jullie niet zien. En aan deze leiders zijn jullie onderworpen. Jullie zullen de bevelen ten uitvoer brengen van de god die jullie niet zien; en jullie zullen gehoorzamen aan een god van wie jullie geen beeld kunnen maken’. Zo klonk uit de mond van de leider van nieuwe hoogste gebod, dat voorschreef een god te vereren die op geen enkele wijze kon worden uitgebeeld, en van wie ook geen beeld gemaakt mocht worden. Dit grote oergebod van het vijfde tijdperk klinkt nog na in het bekende ‘Gij zult geen afgodsbeeld maken, nog enige gelijkenis van wat boven in de hemel is, of wat van onder op de aarde is, of van wat in de wateren onder de aarde is…(Exodus 20:4)’[127]

Hier zien wij iets interessants gebeuren. Eigenlijk lopen hier verschillende mythen door elkaar heen. In de eerste plaats is er het gegeven van de overlevenden van Atlantis, die in Centraal Azië de kiem leggen voor het Arische ras. Maar dan wordt dit verhaal moeiteloos gekoppeld, of zelfs gecombineerd met een andere traditie, die van het Oude Testament. Vanzelfsprekend is er al de parallel met het verhaal van Noach en de zondvloed (de ondergang van Atlantis, waarbij slechts ‘de besten’ gered worden). De gereddenen arriveren in centraal Azië (Noachs ark strandde op de Ararat, een berg op de grens met het huidige Turkije en Armenië). En daar blijkt Manu zich te ontpoppen tot een soort Mozes op de berg Sinaï. Dan zou je met terugwerkende kracht de omgekomenen van Atlantis kunnen zien als de in de Rode Zee verdronken troepen van de Farao. Slechts voor de ‘uitverkorenen’ was de uitweg beschikbaar, die hen in veiligheid bracht.

Los dat Steiner heel knap twee verschillende mythen weet te combineren, laat dit ook zien waarin hij verschilt van het gebruikelijke ‘Ariërdenken’. Een doorsnee antisemiet zou nooit de parallel leggen met het verhaal van Mozes. Hierin verschilt Steiner ook met de opvattingen van bijvoorbeeld Helena Blavatsky. Blavatsky, die het verhaal van Abraham correct weer ruimschoots na de zondvloed dateert (terwijl Steiner hier bijna doet voorkomen alsof het verhaal van Exodus en de zondvloed hetzelfde verhaal is!), stelt dat de betekenis van het woord Abraham moet worden gezien als ‘à-brahmaan’, of ‘no-Brahmin’. Blavatsky: ‘The inflectional speech – the root of the Sanskrit, very erroneously called “the elder sister” of the Greek, instead of its mother – was the first language (now the mystery tongue of the Initiates, of the Fifth Race). At any rate, the “Semitic” languages are the bastard descendants of the first phonetic corruptions of the eldest children of the early Sanskrit. The occult doctrine admits of no such divisions as the Aryan and the Semite, accepting even the Turanian with ample reservations. The Semites, especially the Arabs, are later Aryans – degenerate in spirituality and perfected in materiality. To these belong all the Jews and the Arabs. The former are a tribe descended from the Tchandalas of India, the outcasts, many of them ex-Brahmins, who sought refuge in Chaldea, in Scinde, and Aria (Iran), and were truly born from their father A-bram (No Brahmin) some 8,000 years B.C. The latter, the Arabs, are the descendants of those Aryans who would not go into India at the time of the dispersion of nations, some of whom remained on the borderlands thereof, in Afghanistan and Kabul, and along the Oxus, while others penetrated into and invaded Arabia’. [128]

Met mijn hele kleine beetje kennis van het Arabisch (ook een Semitische taal!) weet ik dat het bovenstaande de grootst mogelijke onzin is (dat weet iedereen die slechts tien lessen heeft gevolgd en net is ingewijd in het zg. wortelsysteem, waaruit alle woorden van zowel het Arabisch als het Hebreeuws zijn opgebouwd, al suggereert Blavatsky dat ze het wel heeft begrepen met haar gebruik van het woord ‘root’. Dit past zij volkomen verkeerd toe).  Haar vertaling/uitleg van Abraham als ‘No Brahmin’, ‘geen Brahmaan’, of ‘anti-Brahmaan’, is volstrekt bezopen, want Abraham betekent ‘vader van velen’, oftewel ‘stamvader’, zowel in het Hebreeuws als in het Arabisch, waar het dan weer Ibrahim is [129].  Bovendien, wat staat er in de Bijbel? Uit de Willibrord vertaling[130]: ‘Gij zult niet langer Abram heten; uw naam zal Abraham zijn, want ik maak u tot vader van een menigte volken’ (Genesis 17:5).  Alles wordt hier dus lukraak en associatief in elkaar geflanst zonder dat er enige grond voor is. Dit een zelfde soort verhaal als dat uit de Brug over de taalkundige kwesties van de Azteken, waar de uitgang ‘atl’ naar ‘Atlantis’ zou verwijzen, dat ik met behulp van de uitleg van Rudolf van Zantwijk heb kunnen corrigeren[131]. Maar Blavatsky baseert zich hier op haar ‘occult doctrine’, haar variant van de ‘geesteswetenschap’. [132]

Abraham was volgens HPB dus een afvallige of een uitgestotene uit de Indiase (Arische!) hoogste priesterkaste en de stamvader van een volk dat op een ernstig dwaalspoor terecht was gekomen, de Semieten. Blavatsky trekt vervolgens stevig van leer tegen dit ‘ontaarde ras’ (zowel tegen de Joden als de Arabieren), dat zij inferieur achtte aan de ‘nobele Ariërs’ uit India. Ik stip deze kwestie nu slechts aan, wanneer ik Steiners visie op de joden/semieten uitleg zal ik veel gedetailleerder ingaan op dit belangrijke verschil tussen Steiner en Blavatsky. Hier volstaat het om aan te tonen dat Steiners positie tav de joden een ambivalente was. Steiner kan niet worden afgeschilderd als een doorsnee antisemiet, al heeft hij wel elementen uit een antisemitische traditie in zijn gedachtegoed verwerkt en het nodige aan antisemitische uitspraken gedaan. Maar andere uitingen spreken die antisemitische geluiden dus weer tegen. En hij heeft zich een enkele keer expliciet tegen het antisemitisme uitgesproken. Kortom, dit zit complex in elkaar. Dit zal nog uitgebreid aan de orde komen. Wel is het interessant om te zien dat, hoewel HPB en Steiner hier verschillen, HPB op andere details weer overeenkomt met Steiner. Want Blavatsky heeft het hier ook over de Toeraniërs, de Semieten en de Ariërs. We zullen later zien dat die Toeraniërs (die van ‘het bevredigen van hun lusten en begeerten’) weer opnieuw in beeld komen, maar dan als medekruisbestuiver van het latere ‘Semietendom’. Let ook hier weer op het veelzeggende detail dat Blavatsky ‘Iran’ omschrijft als ‘Aria’, wat op zich correct is, want ‘Iran’ betekent letterlijk (in het Farsi) ‘Land der Ariërs’. Maar deze kluwen zal later nog een keer grondig ontward worden. Overigens ook hiervoor geen aandacht in het van Baarda-rapport. Was toch leuk geweest als deze wetenschappelijke commissie daarin een doortimmerd verhaal had opgenomen over hoe dat nu zit met het gebruik van het woord ‘Ariër’ in het oeuvre van Rudolf Steiner. Zou iedereen veel baat bij hebben gehad en die competentie hadden ze zeker kunnen inschakelen.[133]

Maar verder met Manu en zijn openbaringen aan de kakelverse nieuwe mensheid (het vijfde wortelras), pardon een bepaald soort selectie van de mensheid, want de Mongolen, de indianen en andere ‘rassen’ hoorden daar niet bij:

‘Dem Hauptführer (Manu) standen andere Götterboten zur Seite, welche für die einzelnen Lebenszweige seine Absichten ausführten und an der Entwickelung der neuen Rasse arbeiteten. Denn es handelte sich darum, das ganze Leben im Sinne der neuen Auffassung von einer göttlichen Weltregierung einzurichten. Die Gedanken der Menschen sollten überall von dem Sichtbaren auf das Unsichtbare hingelenkt werden. Das Leben wird durch die Naturmächte bestimmt. Von Tag und Nacht, von Winter und Sommer, von Sonnenschein und Regen hängt der Verlauf dieses menschlichen Lebens ab. Wie diese einflußreichen sichtbaren Tatsachen mit den unsichtbaren (göttlichen) Kräften im Zusammenhang stehen und wie der Mensch sich verhalten solle, damit er diesen unsichtbaren Mächten gemäß sein Leben einrichte: das wurde ihm gezeigt. Alles Wissen und alle Arbeit sollte in diesem Sinne getrieben werden. Im Gang der Sterne und der Witterungsverhältnisse sollte der Mensch die göttlichen Ratschlüsse sehen, den Ausfluß der göttlichen Weisheit. Astronomie und Witterungskunde wurden in diesem Sinne gelehrt. Und seine Arbeit, sein sittliches Leben solle der Mensch so einrichten, daß sie den weisheitsvollen Gesetzen des Göttlichen entsprechen. Nach göttlichen Geboten wurde das Leben geordnet, wie im Gang der Sterne, in den Witterungsverhältnissen und so weiter die göttlichen Gedanken erforscht wurden. Durch Opferhandlungen sollte der Mensch seine Werke mit den Fügungen der Götter in Einklang bringen. – Es war die Absicht des Manu, alles im menschlichen Leben auf die höheren Welten hinzulenken. Alles menschliche Tun, alle Einrichtungen sollten einen religiösen Charakter tragen. Dadurch wollte der Manu das einleiten, was der fünften Wurzelrasse als ihre eigentliche Aufgabe obliegt. Diese sollte lernen, sich selbst durch ihre Gedanken zu leiten. Aber zum Heile kann solche Selbstbestimmung nur führen, wenn sich der Mensch auch selbst in den Dienst der höheren Kräfte stellt. Der Mensch soll sich seiner Gedankenkraft bedienen; aber diese Gedankenkraft soll geheiligt sein durch den Hinblick auf das Göttliche’.[134]

Hier volgt een opsomming van de plannen van Manu, die werd bijgestaan door andere Boden van de Goden. Zij streefden naar een soort ‘Goddelijke wereldregering’ (‘der neuen Auffassung von einer göttlichen Weltregierung einzurichten’) voor het ‘nieuwe ras’ (hier wordt het wortelras mee bedoelt). Het doel was om de blik van dit nieuwe ras van zichtbare naar het onzichtbare te leiden. De nieuwe taak was om niet slechts de fysieke wereld waar te nemen, maar om de achterliggende goddelijke mechanismen te begrijpen en hoe de mens zich vanaf nu moest gedragen om met deze machten in overeenstemming te leven. Alle arbeid en alle wetenschap moesten in overeenstemming worden gebracht met deze goddelijke orde (lijkt wel op ‘geesteswetenschap’, al is er geen ‘goddelijke antroposofische wereldregering’, laat staan een antroposofische wereldregering op raciale gronden). De ambities van de regering Manu logen er niet om: Naar goddelijke geboden moest het leven worden ingericht, gericht op het hogere,zoals de sterren, de weersveranderingen, waaruit de goddelijke gedachten moesten worden gelezen. Met offerhandelingen moesten de wensen van de goden vervuld worden. Manu wilde dat alles in het menselijke leven op het hogere zou worden gericht. Hiermee wilde Manu afdwingen dat het vijfde wortelras zich aan haar missie wijdde. En die missie was het ontwikkelen van de ‘denkkracht’, maar dan geen profane denkkracht. Neen, deze denkkracht zou geheiligd en doordrenkt zijn met de ononderbroken blik op het goddelijke. Dat zou de missie zijn van het vijfde wortelras. En dan te bedenken dat wij nog steeds in het vijfde wortelras zitten. Vandaar dat we in de ogen van bepaalde antroposofen (vooral de Brug, maar ook Sigismund von Gleich, als we zijn cultuurpessimistische traktaten lezen) zo verschrikkelijk zijn afgedwaald. Zo gaat het twee alinea’s verder, die ik hier oversla, maar wel online zijn na te lezen. Volgens Steiner had niet iedereen er evenveel zin in om Manu in zijn tomeloze ambitie naar het ‘hogere’ te volgen en zich te schikken naar de coterie rond zijn goddelijke wereldregering op raciale gronden:

‘Entscheidung waren nicht alle Menschen gewachsen, welche der Manu um sich gesammelt hatte, sondern vielmehr nur eine geringe Zahl derselben. Und nur aus dieser letzteren Zahl konnte der Manu den Keim zur neuen Rasse wirklich bilden. Mit ihr zog er sich dann zurück, um sie weiterzuentwickeln, während die anderen sich mit der übrigen Menschheit vermischten. – von der genannten geringen Zahl von Menschen, die sich zuletzt um den Manu geschart hatte, stammt dann alles ab, was die wahren Fortschrittskeime der fünften Wurzelrasse bis heute noch bildet. Daher ist es aber auch erklärlich, daß zwei Charakterzüge durch die ganze Entwickelung dieser fünften Wurzelrasse durchgehen. Der eine Zug ist den Menschen eigen, die beseelt sind von höheren Ideen, die sich als Kinder einer göttlichen Weltmacht betrachten; der andere kommt denen zu, die alles nur in den Dienst der persönlichen Interessen, des Eigennutzes stellen’.

Niet alle mensen waren opgewassen tegen Manu’s hoge eisen, uiteindelijk slechts een gering aantal. En slechts uit dat hele kleine aantal kon Manu dan weer de kiem smeden voor een nieuw ‘ras’. Met hen trok hij zich terug. De rest verpoosde en vermengde zich vrolijk met de rest van de mensheid (en terecht). Van het eliteklasje/nieuwe ras van Manu stamt alles af wat heeft geleid tot werkelijke vooruitgang in het vijfde tijdperk, dat voorduurt tot op de dag van vandaag. Er was dus een nieuwe (blijkbaar raciale) elite gevormd. Daarom lopen er nu twee soorten karaktertrekken door ons ganse wortelras. De mensen met de ene karaktertrek neigen compromisloos naar ‘hogere ideeën’ (daar zullen we maar de antroposofen toe rekenen). Zij beschouwen zich als de kinderen van een hogere wereldmacht. De mensen die zijn afgehaakt hebben een andere karaktertrek ontwikkeld, zij dienen slechts hun persoonlijke interesses of eigenbelang, of vermengen zich gezellig met de rest (laten we het betamelijk houden).

‘So lange blieb die kleine Schar um den Manu, bis sie hinlänglich gekräftigt war, um in dem neuen Geiste zu wirken, und bis ihre Glieder hinausziehen konnten, diesen neuen Geist der übrigen Menschheit zu bringen, die von den vorhergehenden Rassen übriggeblieben war. Es ist natürlich, daß dieser neue Geist bei den verschiedenen Völkern einen verschiedenen Charakter annahm, je nachdem sich diese selbst in den verschiedenen Gebieten entwickelt hatten. Die alten zurückgebliebenen Charakterzüge vermischten sich mit dem, was die Sendboten des Manu in die verschiedenen Teile der Welt trugen. Dadurch entstanden mannigfaltige neue Kulturen und Zivilisationen

Die befähigtesten Persönlichkeiten aus der Umgebung des Manu wurden dazu ausersehen, nach und nach unmittelbar in seine göttliche Weisheit eingeweiht zu werden, auf daß sie Lehrer der übrigen werden konnten. So kam es, daß zu den alten Götterboten jetzt auch eine neue Art von Eingeweihten kam. Es sind diejenigen, welche ihre Denkkraft geradeso wie ihre übrigen Mitmenschen in irdischer Art ausgebildet haben. Die vorhergehenden Götterboten – auch der Manu – hatten das nicht. Ihre Entwickelung gehört höheren Welten an. Sie brachten ihre höhere Weisheit in die irdischen Verhältnisse herein. Was sie der Menschheit schenkten, war eine «Gabe von oben». Die Menschen waren noch vor der Mitte der atlantischen Zeit nicht so weit, mit eigenen Kräften begreifen zu können, was die göttlichen Ratschlüsse sind. Jetzt – in der angedeuteten Zeit – sollten sie dazu kommen. Das irdische Denken sollte sich erheben bis zu dem Begriffe vom Göttlichen. Menschliche Eingeweihte traten zu den übermenschlichen. Das bedeutet einen wichtigen Umschwung in der Entwickelung des Menschengeschlechtes. Noch die ersten Atlantier hatten nicht die Wahl, ihre Führer als göttliche Sendboten anzusehen oder auch nicht. Denn was diese vollbrachten, drängte sich auf als Tat höherer Welten. Es trug den Stempel des göttlichen Ursprungs. So waren die Boten der atlantischen Zeit durch ihre Macht geheiligte Wesenheiten, umgeben von dem Glanze, den ihnen diese Macht verlieh. Die menschlichen Eingeweihten der Folgezeit sind, äußerlich genommen, Menschen unter Menschen. Allerdings aber verblieben sie im Zusammenhang mit den höheren Welten, und die Offenbarungen und Erscheinungen der Götterboten dringen zu ihnen. Nur ausnahmsweise, wenn sich eine höhere Notwendigkeit ergibt, machen sie Gebrauch von gewissen Kräften, die ihnen von dorther verliehen sind. Dann vollbringen sie Taten, welche die Menschen nach den ihnen bekannten Gesetzen nicht verstehen und daher mit Recht als Wunder ansehen.

– Die höhere Absicht aber bei alledem ist, die Menschheit auf eigene Füße zu stellen, deren Denkkraft vollkommen zu entwickeln. – die menschlichen Eingeweihten sind heute die Vermittler zwischen dem Volke und den höheren Mächten; und nur die Einweihung befähigt zum Umgange mit den Götterboten.

Die menschlichen Eingeweihten, die heiligen Lehrer, wurden nun im Beginne der fünften Wurzelrasse Führer der übrigen Menschheit. Die großen Priesterkönige der Vorzeit, von denen nicht die Geschichte, wohl aber die Sagenwelt Zeugnis ablegt, gehören der Schar dieser Eingeweihten an. Immer mehr zogen sich die höheren Götterboten von der Erde zurück und überließen die Führung diesen menschlichen Eingeweihten, denen sie aber mit Rat und Tat zur Seite stehen. Wäre das nicht so, so käme der Mensch niemals zum freien Gebrauch seiner Denkkraft. Die Welt steht unter göttlicher Führung; aber der Mensch soll nicht gezwungen werden, das zuzugeben, sondern er soll in freier Überlegung es einsehen und begreifen. Ist er erst so weit, dann enthüllen ihm die Eingeweihten stufenweise ihre Geheimnisse. Aber dies kann nicht plötzlich geschehen. Sondern die ganze Entwickelung der fünften Wurzelrasse ist der langsame Weg zu diesem Ziele. Wie Kinder führte der Manu erst selbst noch seine Schar. Dann ging die Führung ganz allmählich auf menschliche Eingeweihte über. Und heute besteht der Fortschritt noch immer in einer Mischung von bewußtem und unbewußtem Handeln und Denken der Menschen. Erst am Ende der fünften Wurzelrasse, wenn durch die sechste und siebente Unterrasse hindurch eine genügend große Anzahl von Menschen des Wissens fähig ist, wird sich der größte Eingeweihte ihnen öffentlich enthüllen können. Und dieser menschliche Eingeweihte wird dann die weitere Hauptführung ebenso übernehmen können, wie das der Manu am Ende der vierten Wurzelrasse getan hat. So ist die Erziehung der fünften Wurzelrasse die, daß ein größerer Teil der Menschheit dazu kommen wird, einem menschlichen Manu frei zu folgen, wie das die Keimrasse dieser fünften mit dem göttlichen getan hat’.[135]

Steiner vermeldt nog dat wij het eliteklasje/nieuwe ras van Manu vooral kennen uit mythen en sagen, waarin zij fungeerden als grote priesterkoningen. Zij moesten de klus nu klaren. De boden van de Goden trokken zich steeds meer terug van deze wereld, zodat de mens volledig haar eigen denkkracht kon ontwikkelen. Als dit niet zou gebeuren zou de mens nooit zelf tot een vrij gebruik van zijn denkkracht kunnen komen. De wereld staat hoe dan ook onder goddelijke leiding, maar de mens mag niet gedwongen worden om dat te erkennen, maar moet dat uit vrije overweging inzien en begrijpen. Pas al de mens er aan toe is onthullen de ‘ingewijden’ trapsgewijs hun geheimen. De ontwikkelingsgang van het vijfde wortelras werkt naar dit doel toe (zoals alles in de antroposofie naar een doel toewerkt). Uiteindelijk werkt de mensheid van dit wortelras van het denken naar het ‘weten’. Daar ligt de missie van dit wortelras. En dan aan het eind van pas het zesde en het zevende onderras zullen er voldoende mensen die tot dit ‘weten’ in staat zijn. Aan hen zal zich dan de allergrootste ingewijde onthullen. Deze zal van menselijke aard zijn. En deze menselijke ingewijde zal een zelfde soort taak op zich nemen als de Goddelijke Manu dat in de nadagen van Atlantis heeft gedaan.

Tot zover dit hoofdstuk uit de Akasha-kroniek. Wat hebben we hier eigenlijk gelezen? Laten we het vooral toespitsen op de rassenkwestie. Steiner drukt zich hier en daar wat ambivalent uit; dan is er weer een soort eliteras, dan gaat er weer gemengd worden, het eliteklasje van het ras wordt uiteindelijk over de wereld uitgestuurd om her en der priesterkoning te worden over verschillende rassen en volken (waar dan toch onvermijdelijk gemengd moet gaan worden, althans, ik weet niet hoe je dat zo lang kan volhouden zonder, al helemaal niet tot nu). Genoeg reden tot enige nuance dus. Wel is het duidelijk dat dit het tijdperk is van het Arische wortelras. Wij zullen zien dat dit wortelras zichzelf ook in stand houdt, middels de onderrassen/cultuurperiodes. En een wortelras is wel degelijk een ras, zoals we langzamerhand wel hebben kunnen vaststellen. Ook gaat het vaak over het beste gedeelte van een ras, dat appart moet worden gehouden, terwijl de flierefluiters wegtrekken en zich wel vermengen met andere rassen. Als we het echter vergelijken met Helena Blavatsky valt het relatief mee, gezien haar diskwalificatie van Abraham. Het is bij Steiner veel meer gefixeerd op ‘elite’, ‘inwijding’, een ‘select’ gezelschap dat zich monomaan richt op de ‘spirituele missie van dit wortelras’ (dat dan wel weer raszuiver is, itt de afhakers, die wel  met andere rassen aan de haal gaan). In mijn ogen is het een vreemd mengsel van een enerzijds streven naar raszuiverheid en anderzijds een streven naar een compromisloze spirituele zuiverheid. En die twee zaken hebben bij Rudolf Steiner toch veel met elkaar te maken, zeker als je het ziet in verhouding tot de eerder gepasseerde teksten uit Die Mission einzelner Volksseelen. Nogmaals, dit is niet het enige thema dat is langsgekomen, maar het staat hier nu eenmaal centraal. De combinatie van de begrippen ‘Ariër’, ‘nieuw ras’, de afhakers die zich gaan vermengen, etc. geven, juist in onderlinge samenhang, een tamelijk op het Arische ras gefixeerd wereldbeeld, al kan het natuurlijk nog veel erger.

Ik wil nog een opmerking van algemene aard maken. Dat is dat de figuur van Christus hier geheel ontbreekt. Van de latere Steiner weten we dat hij het ‘Mysterie van Golgotha’ een kosmisch evenement zonder weerga vond. Maar hier heeft hij het slechts over een nieuwe leraar, die aan het eind van ons tijdperk zal opstaan. We moeten ons hier wel realiseren dat dit werk nog echt uit zijn theosofische periode is (en dit werk staat ook relatief dicht bij het gedachtegoed van Helena Blavatsky, zoals we hebben kunnen constateren). Pas in 1913 zou hij de antroposofische vereniging stichten. Dan staat ook Christus in zijn werk centraal. Maar hier dus geen woord, wat op zich opmerkelijk is.

Wat een beetje mijn eigen gedachten zijn (maar ook niet meer dan dat) is dat ik in het verhaal van Manu met zijn nieuwe ras een sterke parallel zie met het centrale thema uit de operacyclus van Richard Wagner, Der Ring des Nibelungen (‘Das Rheingold’, ‘Die Walküre’, ‘Siegfried’ en ‘Götterdämmering’). Ik heb ook wel enige reden om aan te nemen dat daar enige grond voor is.[136]

Wij zullen later de draad weer oppakken bij dit ‘Arische vijfde wortelras’ en de missie van de verschillende cultuurperiodes (onderrassen). Dat zal vooral gebeuren aan de hand van andere teksten van Steiner. Ik zal dan ook specifieker ingaan op de zogenaamde Ariërmythe, die zondermeer onthullend zal zijn.

Eerst wil ik nog enkele andere gedeeltes van de Akasha-kroniek bespreken. Het zal niet om hele hoofdstukken gaan, maar om verschillende (korte) gedeeltes, die voor het ‘rassenvraagstuk’ relevant zijn. Daarbij zullen ook de passages langskomen die wel in het van Baarda-rapport zijn opgenomen (slechts drie korte citaten). Want het blijft verbijsterend dat er in het rapport geen woord is gewijd, laat staan een citaat is gegeven, uit de bovenstaande, zonder meer onthullende twee hoofdstukken. De verschillende onderrassen van Atlantis, die blijkbaar gelieerd zijn aan latere en soms nog bestaande volkeren en culturen (van de historische Tolteken, Akkadiërs, de Semieten, waarvan de laatsten normaalgesproken als een taalfamilie worden gezien en niet als een ‘ras’, tot de Mongolen, waarbij Steiner ook nog expliciet de link legt met de hedendaagse Mongolen), de overduidelijke definitie van het wortelras (waarbij het thans de taak van het vijfde Arische wortelras is om de denkkracht te ontwikkelen!), alles over het Arische ras en het eliteklasje van Manu dat werd omgesmeed tot een ‘nieuw ras’ (waarvan de afhakers zich vermengden met ‘andere rassen’, waaruit geconcludeerd kan worden dat die ‘andere rassen’ dus al vanaf het begin niet bij dit wortelras hoorden), over dit alles niets in het eindrapport.

 

Andere mededelingen uit de Akasha-kroniek over ‘rassen’

Zoals eerder vermeld gaat de Akasha-kroniek per hoofdstuk weer een stukje terug in de tijd (behalve de bovenstaand besproken eerste twee hoofdstukken, waar het eerst Atlantis aan bod komt en dan de na-Atlantische tijd). Deze volgorde wordt gehanteerd tot het ontstaan van de aarde, daarna volgen er een aantal hoofdstukken waarin zowel het verre verleden als de verre toekomst behandeld worden. Deze gaan veelal over de periode van zelfs voor het ontstaan van de fysieke aarde (vanaf de ‘Oude-Saturnustoestand’) als over de tijd daarna, als de aarde in astrale toestand is overgegaan (Jupitertoestand, Venustoestand, Vulcanustoestand), al worden er tussendoor opmerkingen gemaakt over ontwikkelingen tijdens de aardefase. Ik zal nog een keer het totale schema weergeven waarin deze stadia van evolutie zijn opgenomen, overgenomen uit het artikel van Jana Husmann-Kastein, Schwarz-Weiß-Konstruktionen im Rassebild Rudolf Steiners:[137]

 

 

Zeitalter und Kulturepochen, “Wurzel”- und “Unterrassen” – Überblick 26

Planetarische Verkörperungen der Erde
1. Saturnzustand / Der alte Saturn
2. Sonnenzustand / Die alte Sonne
3. Mondenzustand / Der alte Mond
4. Erdenzustand / Die Erde
Zeitalter der Erde / Wurzel- und Unterrassen:
1.Polarisches Zeitalter / Polarische Wurzelrasse
2. Hyperboräisches Zeitalter / Hyperboräische Wurzelrasse
3. Lemurisches Zeitalter / Lemurische Wurzelrasse
4. Atlantisches Zeitalter

– 1. Atlantische Kulturepoche / 1. Unterrasse / Rmoahls
– 2. Atlantische Kulturepoche / 2. Unterrasse / Tlavatli-Völker
– 3. Atlantische Kulturepoche / 3. Unterrasse / Tolteken
– 4. Atlantische Kulturepoche / 4. Unterrasse / Ur-Turanier
– 5. Atlantische Kulturepoche / 5. Unterrasse / Ur-Semiten
– 6. Atlantische Kulturepoche / 6. Unterrasse / Akkadier
– 7. Atlantische Kulturepoche / 7. Unterrasse / Mongolen
5. Nachatlantisches Zeitalter / Arische Wurzelrasse
1. Nachatlantische Kulturepoche / Altindische Unterrasse (7227-5067 v.Ch.)
2. Nachatlantische Kulturepoche / Urpersische Unterrasse (5067-2907 v.Ch.)
3. Nachatlantische Kulturepoche / Ägyptisch-chaldäische Unterrasse (2907-747 v.Ch.)
4. Nachatlantische Kulturepoche / Griechisch-lateinische Unterrasse (747 v. Ch.-1413 n.Ch.)
5. Nachatlantische Kulturepoche / 5. Nachatlantische Unterrasse (1413-3573 n.Ch.)
6. Nachatlantische Kulturepoche (3573-5733 n.Ch.) zukünftig
7. Nachatlantische Kulturepoche (5733-7893 n.Ch.) zukünftig
 6. zukünftiges Zeitalter / zukünftige nachatlantische Wurzelrasse
 7. zukünftiges Zeitalter / zukünftige nachatlantische Wurzelrasse

 
 
 
 
 
  

 

Dit is het (bijna) complete schema van Rudolf Steiners weidse visie op de ontwikkeling van de kosmos, van het allereerste begin, tot het allerlaatste stadium (er zit hierachter nog een grotere kringloop). Daarvoor en daarna heerst er het zg. ‘Grote Pralaya’, een soort kosmische slaaptoestand, waarachter weer de kringlopen zitten van ‘minerale fase’ (naar wat bij ons de laagste orde is in de fysieke wereld, zitten wij nu in), ‘plantenfase’ (is dan de laagste orde en dan materialiseert er zich een vorm boven de fysieke mens, dus dan zitten ‘wij mensen’, in de fysieke wereld althans, op nummer twee), enz., maar dat voert heel ver. Steiner bespreekt uiteindelijk dit gehele schema in de Akasha-kroniek en nog iets uitvoeriger in ‘Geheimwissenschaft’ (waarin hij iets minder op allerlei plastische details ingaat, maar deze ontwikkeling beschrijft als een meer spirituele geschiedenis van verschillende kosmische krachten).

Nu het overzicht hier is weergegeven kunnen we verschillende beschreven periodes/ ontwikkelingsfases nader bekijken om te zien wat daar zoal over de ‘rassen’ is geschreven. Al eerder hebben we gezien dat Steiner het ontstaan van de rassen dateert in de Lemurische periode, het Lemurische wortelras. Nogmaals, wij  hebben gezien dat ‘wortelras’ niet samenvalt met het begrip ‘mensenras’, zo ook in dit geval, al heeft het er wel mee te maken. Het wortelras is als het ware de ‘hoofdstroom’ van de mensheidsontwikkeling, waar bepaalde onderrassen, maar ook mensenrassen  van zijn ingesloten maar soms ook uitgesloten. De laatste Atlantische onderrassen zaten op een dood spoor (het nieuwe huidige Arische wortelras kwam voort uit het vijfde Atlantische onderras). Zoals dat bij Atlantis is gebeurd, ging het ook in de Lemurische fase, waar nog steeds nazaten van zijn, ook in onze tijd, zoals we zullen zien. Ik geef hier nog een keer een stukje Helena Blavatsky, waarin zij uitlegt hoe zij dit zag:

‘The term “Atlantean” must not mislead the reader to regard these as one race only, or even a nation. It is as though one said “Asiatics.” Many, multityped, and various were the Atlanteans, who represented several humanities, and almost a countless number of races and nations, more varied indeed than would be the “Europeans” were this name to be given indiscriminately to the five existing parts of the world; which, at the rate colonization is proceeding, will be the case, perhaps, in less than two or three hundred years. There were brown, red, yellow, white and black Atlanteans; giants and dwarfs (as some African tribes comparatively are, even now).

† Says a teacher in “Esoteric Buddhism,” on p. 64: “In the Eocene age, even in its very first part, the great cycle of the fourth race men the (Lemuro) Atlanteans had already reached its highest point (of civilization), and the great continent, the father of nearly all the present continents, showed the first symptoms of sinking. . . .” And on page 70, it is shown that Atlantis as a whole perished during the Miocene period. To show how the continents, races, nations and cycles overlap each other, one has but to think of Lemuria, the last of whose lands perished about 700,000 years before the beginning of the Tertiary period (see p. 65 of the same work), and the last of “Atlantis” only 11,000 years ago; thus both overlapping – one the Atlantean period, and the other the Aryan’.[138]

Aan het gescherm met wetenschappelijke geologische termen is wel ongeveer te zien om over hoe lang geleden het hier gaat. Maar de ondertitel van HPB’s grote boek is dan ook ‘De synthese van wetenschap, godsdienst en wijsbegeerte’. En hoe ‘wetenschappelijk’ zij te werk gaat bij bijvoorbeeld de etymologie van het woord ‘Abraham’ hebben wij ook al mogen zien.

Maar goed, bovenstaand schetst zij een heel palet van verschillende rassen. We hebben alleen ook al gezien dat daarvan slechts een bepaalde selectie door mag. De rest sterft uit, of blijft achter als een decadent overblijfsel, dat bij een latere gelegenheid mag worden opgeruimd. Bij Steiner werkt het precies hetzelfde, ook in ons vijfde na-Atlantische tijdperk (zie het rassenklasje van Manu).

Maar laten wij een blik werpen op wat Steiner over het Lemurische ras te melden had, uit het vierde hoofdstuk Die lemurische Rasse. Ik geef hier het begin weer:

‘Hier wird ein Stück aus der Akasha-Chronik mitgeteilt, das sich auf eine sehr ferne Urzeit in der Menschheitsentwickelung bezieht. Diese Zeit geht derjenigen voraus, welche in den vorhergehenden Darstellungen geschildert worden ist. Es handelt sich um die dritte menschliche Wurzelrasse, von welcher in theosophischen Büchern gesagt wird, daß sie den lemurischen Kontinent bewohnt hat. Dieser Kontinent lag – im Sinne dieser Bücher – im Süden von Asien, dehnte sich aber ungefähr von Ceylon bis Madagaskar aus. Auch das heutige südliche Asien und Teile von Afrika gehörten zu ihm. – Wenn auch beim Entziffern der ,,Akasha-Chronik” alle mögliche Sorgfalt angewendet worden ist, so muß doch betont werden, daß nirgends für diese Mitteilungen irgendwelcher dogmatischer Charakter in Anspruch genommen werden soll. Ist schon das Lesen von Dingen und Ereignissen, welche dem gegenwärtigen Zeitalter so fernliegen, nicht leicht, so bietet die Übersetzung des Geschauten und Entzifferten in die gegenwärtige Sprache fast unübersteigliche Hindernisse. – Zeitangaben werden später gemacht werden. Sie werden besser verstanden werden, wenn die ganze lemurische Zeit und auch noch diejenige unserer (fünften) Wurzelrasse bis zur Gegenwart durchgenommen sein werden. – die Dinge, die hier mitgeteilt werden, sind auch für den Okkultisten, der sie zum ersten Male liest, überraschend – obgleich das Wort nicht ganz zutreffend ist. Deshalb darf er sie nur nach der sorgfältigsten Prüfung mitteilen.

Der vierten (atlantischen) Wurzelrasse ging die sogenannte lemurische voran. Innerhalb ihrer Entwickelung vollzogen sich mit Erde und Mensch Tatsachen von der allergrößten Bedeutung. Doch soll hier zuerst etwas über den Charakter dieser Wurzelrasse nach diesen Tatsachen gesagt und dann erst auf die letzteren eingegangen werden.

Im großen und ganzen war bei dieser Rasse das Gedächtnis noch nicht ausgebildet. Die Menschen konnten sich zwar Vorstellungen machen von den Dingen und Ereignissen; aber diese Vorstellungen blieben nicht in der Erinnerung haften. Daher hatten sie auch noch keine Sprache im eigentlichen Sinne. Was sie in dieser Beziehung hervorbringen konnten, waren mehr Naturlaute, die ihre Empfindungen, Lust, Freude, Schmerz und so weiter ausdrückten, die aber nicht äußerliche Dinge bezeichneten

Aber ihre Vorstellungen hatten eine ganz andere Kraft als die der späteren Menschen. Sie wirkten durch diese Kraft auf ihre Umgebung. Andere Menschen, Tiere, Pflanzen und selbst leblose Gegenstände konnten diese Wirkung empfinden und durch bloße Vorstellungen beeinflußt werden. So konnte der Lemurier seinen Nebenmenschen Mitteilungen machen, ohne daß er eine Sprache nötig gehabt hätte. Diese Mitteilung bestand in einer Art «Gedankenlesen». Die Kraft seiner Vorstellungen schöpfte der Lemurier unmittelbar aus den Dingen, die ihn umgaben. Sie floß ihm zu aus der Wachstumskraft der Pflanzen, aus der Lebenskraft der Tiere. So verstand er Pflanzen und Tiere in ihrem inneren Weben und Leben. Ja, er verstand so auch die physischen und chemischen Kräfte der leblosen Dinge. Wenn er etwas baute, brauchte er nicht erst die Tragkraft eines Holzstammes, die Schwere eines Bausteines zu berechnen, er sah dem Holzstamme an, wieviel er tragen kann, dem Baustein, wo er durch seine Schwere angebracht ist, wo nicht. So baute der Lemurier ohne Ingenieurkunst aus seiner mit der Sicherheit einer Art Instinktes wirkenden Vorstellungskraft heraus. Und er hatte dabei seinen Körper in hohem Maße in seiner Gewalt. Er konnte seinen Arm stählen, wenn es nötig war, durch bloße Anstrengung des Willens. Ungeheure Lasten konnte er zum Beispiel heben durch bloße Willensentwickelung. Diente später dem Atlantier die Herrschaft über die Lebenskraft, so diente dem Lemurier die Bemeisterung des Willens. Er war – der Ausdruck soll nicht mißverstanden werden – auf allen Gebieten niederer menschlicher Verrichtungen der geborene Magier.’[139]

Een paar dingen die interessant zijn. Wij zien dat Steiner hier alweer een concrete geografische aanduiding geeft van waar Lemurië gelegen zou hebben. Het ging, net als Atlantis, om een fysiek bestaand continent, dat ongeveer in de Indische Oceaan moet hebben gelegen, met inbegrip van Madagaskar en Sri Lanka (toen nog Ceylon) en wat stukken vasteland van Azië en Afrika. Over de mensen die daar toen rondliepen, zij bezaten nog geen geheugen, de belangrijkste kwaliteit van de Atlantiërs, net goed als het denken weer de belangrijkste kwaliteit van de Ariërs zou worden. Wel konden zij zichzelf ‘voorstellingen’ maken, die dan meteen weer vergeten werden. Maar met hun voorstellingsvermogen hadden zij wel een bijzondere kracht; zij konden daarbij hun omgeving (andere mensen, dieren, planten en levenloze dingen beïnvloeden). Een taal hadden ze niet maar ze konden wel elkaars gedachten lezen. Met hun voorstellingsvermogen kon de Lemuriër ook dingen begrijpen. Zo kon hij, als hij bijvoorbeeld een boomstam zag, zich meteen voorstellen hoeveel gewicht deze kon dragen. Zo kon hij bouwen zonder ingenieurskunsten. Ook kon de Lemuriër loodzware dingen optillen, puur door wilskracht. ‘Zoals later de Atlantiër over de levenskracht kon beschikken, zo was de Lemuriër volmaakt meester over zijn wil. Hij was- en men mag deze uitdrukking niet verkeerd begrijpen- op alle gebieden van lagere menselijke verrichtingen de geboren magiër’[140]

Ik weet niet wat wij niet verkeerd mogen begrijpen van een magiër zijn ‘op alle gebieden van lagere menselijke verrichtingen’. Laten we het maar netjes houden want anders wordt het al gauw erg banaal. En we hebben hiervoor gezien dat antroposofie juist verheven is (zie het rasklasje van Manu, dat zich niet vermengde met allerlei ongure elementen, die niet tot het klasje behoorden, al hield uiteindelijk maar een klein groepje dat vol). Maar goed, de Lemuriër had dus een groot voorstellingsvermogen, een bijzonder sterke wil (telekinetisch als je het zo leest) en had zelfs telepathische aanleg. Vervolgens komt de complete heemkunde van de Lemuriërs aan de orde (net als eerder bij de Atlantiërs), die ik hier oversla. Iedereen kan het op internet nalezen. Een al te vriendelijk volkje was het niet. De Lemuriër martelde erop los. Kleine kinderen kregen een keiharde opvoeding, middels het toepassen van allerlei martelingen. Overigens werden alleen de jongens gemarteld; de meisjes moesten juist hun fantasie prikkelen.

‘Die Knaben wurden in der kräftigsten Art abgehärtet. Sie mußten lernen, Gefahren bestehen, Schmerzen überwinden, kühne Handlungen vollziehen. Diejenigen, welche Martern nicht ertragen, Gefahren nicht bestehen konnten, wurden als keine nützlichen Mitglieder der Menschheit angesehen. Man ließ sie unter den Strapazen zugrunde gehen. Was die Akasha-Chronik in bezug auf diese Kinderzucht zeigt, übersteigt alles, was sich der gegenwärtige Mensch in der kühnsten Phantasie auszumalen vermag. Das Ertragen von Hitze bis zur versengenden Glut, das Durchstechen des Körpers mit spitzen Gegenständen waren ganz gewöhnliche Prozeduren. – anders war die Mädchenzucht. Zwar wurde auch das weibliche Kind abgehärtet; aber es war alles übrige darauf angelegt, daß es eine kräftige Phantasie entwickele. Es wurde zum Beispiel dem Sturm ausgesetzt, um seine grausige Schönheit ruhig zu empfinden; es mußte den Kämpfen der Männer zusehen, angstlos, nur durchdrungen von dem Gefühle für die Stärke und Kraft, die es vor sich sah. Die Anlagen zur Träumerei, zum Phantasieren entwickelten sich dadurch bei dem Mädchen; aber diese schätzte man besonders hoch’.

Het was dus niet raadzaam om in Lemurië feminist te zijn (de positie van de mannen was bepaald niet benijdenswaardig), al stonden fantaserende vrouwen juist in hoog aanzien, dus wellicht was het niet eens nodig. Verder was het feit dat men nog geen ontwikkeld geheugen had en alles meteen weer vergat, zo gek nog niet, want: ‘Und da ein Gedächtnis nicht vorhanden war, so konnten diese Anlagen auch nicht ausarten. Die betreffenden Traum- oder Phantasievorstellungen hielten nur solange an, als die entsprechende äußere Veranlassung vorlag. Sie hatten also insofern ihren guten Grund in den äußeren Dingen. Sie verloren sich nicht ins Bodenlose. Es war sozusagen die Phantastik und Träumerei der Natur selbst, die in das weibliche Gemüt gesenkt wurde’. Dus als de meisjes bij het martelen van de jongens aan het fantaseren waren, konden zij zich deze fantasieën later niet meer herinneren. ‘Ze verloren zich niet in het bodemloze’ (‘Sie verloren sich nicht ins Bodenlose’). En dat was maar goed ook.

Dit zijn natuurlijk fantastische details uit deze heerlijke rolbevestigende ‘Teutonen-idylle’ van het Lemurische paradijs en zo gaat het een heel hoofdstuk voort. Wagner zou er jaloers op zijn, gezien zijn onsterfelijke teksten als: ‘Weichherziges Weibegezücht!’ (‘weekhartig vrouwengebroed!’, Die Walküre, derde acte). Maar goed, ook de Lemuriërs bouwden tempels, hadden hun eigen scholen waar hun wijsheid werd onderricht, er waren ook bijzondere ingewijden, etc. De details zijn soms erg leuk en grappig, net zoals de passage hierboven. Waar ik hier op wil ingaan is een passage ruim over de helft van dit hoofdstuk. Daar zegt Steiner het volgende:

‘Man muß sich vorstellen, daß der Menschenleib zu dieser Zeit noch etwas sehr Bildsames und Geschmeidiges hatte. Er bildete sich noch fortwährend um, wenn das innere Leben sich veränderte. Nicht lange vorher waren nämlich die Menschen in bezug auf den äußeren Bau noch recht verschieden. Der äußere Einfluß der Gegend, des Klimas waren da noch für den Bau entscheidend. Erst in der bezeichneten Kolonie wurde der Leib des Menschen immer mehr ein Ausdruck seines inneren seelischen Lebens. Diese Kolonie hatte zugleich eine vorgeschrittene äußerlich edler gebildete Menschenart. Man muß sagen, durch das, was die Führer getan hatten, haben sie eigentlich erst das geschaffen, was die richtige menschliche Gestalt ist. Das ging allerdings ganz langsam und allmählich. Aber es ist so vor sich gegangen, daß zuerst das Seelenleben in dem Menschen entfaltet wurde, und diesem paßte sich der noch weiche und schmiegsame Leib an. Es ist ein Gesetz in der Menschheitsentwickelung, daß der Mensch mit dem Fortschritte immer weniger und weniger umgestaltenden Einfluß auf seinen physischen Leib hat. Eine ziemlich feste Form hat dieser physische Menschenleib eigentlich erst mit der Entwickelung der Verstandeskraft erhalten und mit der damit zusammenhängenden Verfestigung der Gesteins-, Mineral- und Metallbildungen der Erde. Denn in der lemurischen und noch in der atlantischen Zeit waren Steine und Metalle viel weicher als später. – (Dem widerspricht nicht, daß noch Nachkommen der letzten Lemurier und Atlantier vorhanden sind, die heute ebenso feste Formen aufweisen wie die später gebildeten Menschenrassen. Diese Überbleibsel mußten sich den geänderten Umgebungsverhältnissen der Erde anpassen und wurden so auch starrer. Gerade darin liegt der Grund, warum sie im Niedergang begriffen sind. Sie bildeten sich nicht von innen heraus um, sondern es wurde ihr weniger entwickeltes Innere von außen in die Starrheit gezwängt und dadurch zum Stillstande gezwungen. Und dieser Stillstand ist wirklich Rückgang, denn auch das Innenleben ist verkommen, weil es sich in der verfestigten äußeren Leiblichkeit nicht ausleben konnte.)’[141]

Hier zegt Steiner iets belangrijks, althans voor wat betreft de hier te bespreken thematiek. Hij spreekt hier zelfs van een ‘wet in de mensheidsontwikkeling’. Dus dat lijkt mij niet onbelangrijk. Het blijkt dat hier weer iets terugkomt dat we al eerder hebben gezien, zij het iets anders omschreven. Eerst zegt hij dat het mensenlichaam vroeger (in Lemurië dus)  nog soepel en kneedbaar was. De vaste vorm heeft de mens pas gekregen met de ontwikkeling van zijn verstandelijke vermogens. Ook de aarde was  in die tijd nog minder verdicht; stenen en metalen waren toen nog zachter dan nu. En dan het tussen haakjes gedeelte. Ik zal het letterlijk uit de vertaling weergeven: ‘Dit is niet in strijd met het feit dat er nog nakomelingen van de laatste Lemuriërs en Atlantiërs bestaan die momenteel net zulke vaste vormen vertonen als de groepen mensen die zich in later tijd hebben ontwikkeld. Deze moesten zich aanpassen aan de gewijzigde milieuomstandigheden op aarde en verhardden dus ook. En dat is nu juist de reden waarom ze achtergebleven zijn. Ze hebben zich niet van binnenuit omgevormd, maar hun minder ontwikkeld innerlijk werd van buitenaf in de verstarring gedrongen en daardoor tot stilstand gedwongen. En deze stilstand is werkelijk achteruitgang, want ook het innerlijk is achtergebleven omdat het zich in de verharde uiterlijke lichamelijkheden niet kon uitleven’.[142]

Het bovenstaande lijkt weer sterk op het verhaal van de indianen (verharde en verstarde Atlantiërs). Er bestaan dus nog steeds van die verharde Lemuriërs, die aan alle kanten in de verstarring zijn gedrongen. Wie zijn dat? In de Akasha-kroniek laat hij dit verder in het midden. Wie dit wel weet is Madame Blavatsky. Zij zegt onomwonden (nogmaals aangehaald):

‘The Malays and Papuans are a mixed stock, resulting from the intermarriages of the low Atlantean sub-races with the Seventh sub-race of the Third Root-Race. Like the Hottentots, they are of indirect Lemuro-Atlantean descent. It is a most suggestive fact – to those concrete thinkers who demand a physical proof of Karma – that the lowest races of men are now rapidly dying out; a phenomenon largely due to an extraordinary sterility setting in among the women, from the time that they were first approached by the Europeans. A process of decimation is taking place all over the globe, among those races, whose “time is up” – among just those stocks, be it remarked, which esoteric philosophy regards as the senile representatives of lost archaic nations. It is inaccurate to maintain that the extinction of a lower race is invariably due to cruelties or abuses perpetrated by colonists. Change of diet, drunkenness, etc., etc., have done much; but those who rely on such data as offering an all-sufficient explanation of the crux, cannot meet the phalanx of facts now so closely arrayed’.[143]

Volgens HPB zijn het dus de Papoea’s, de Hottentotten, de Maleisiërs, de Sri-Lankese Veddahs en andere ‘inboorlingen’ (behalve de indianen, want die zijn van Atlantis). Weliswaar zijn sommigen van ‘mixed stock’ (die hebben dus niet in een soort Manu-klasje gezeten, maar dat wisten we al, want daar zaten uitsluitend ‘Ariërs’ in), dus van gemengde Atlantische-Lemurische afkomst. Bedoelde Steiner dezelfde  bevolkingsgroepen? Dat is niet onwaarschijnlijk, al heeft hij in die termen nog nooit over de Maleisiërs gesproken. Die kennen we immers weer als het ‘Venusras’, waarbij ‘de zinnelijke Venuskrachten doorwerken in de ademhaling’ (uit de zesde voordracht van Die Mission einzelner Volksseelen). Maar laten we veilig aannemen, vooral de ‘inboorlingen’ van de eilanden uit en de gebieden rond de Indische Oceaan, dus Madagaskar, de Dravidisch sprekende bevolking van Sri Lanka (de Hindi bevolking daar is namelijk weer Arisch, in de werkelijke zin van het woord), eventueel de Papoea’s, de Aboriginals en de Maori’s en misschien nog wat anderen. Maar het laatste woord durf ik er, in het geval van Steiner, niet over te zeggen.

Tot zover Lemurië. Het gedeelte over Hyperborea en Polaris sla ik hier over, die ontwikkelingsstadia zijn voor de rassenkwestie niet zo relevant. Wat nu wel in beeld gaat komen (eindelijk) zijn de drie passages die in het van Baarda-rapport zijn opgenomen (cit. 16 en 55 derde categorie, dus geen sprake van rassenleer of discriminatie, en 54 warempel in de tweede categorie, dus wellicht een vorm van lichte, of de schijn van discriminatie, maar uitsluitend te begrijpen in de context van de antroposofie als geheel. En de citaten in die categorie blijken in regel de meest interessante te zijn, zo ook in dit geval). Want het hiervoor uiteen gezette verhaal over de wortelrassen, de Oer-Semieten, de Ariërs, de Atlantische Mongolen, waarvan een direct lijntje loopt naar de hedendaagse Mongolen en het ‘nieuwe ras’ van Manu achtte de van Baarda-commissie zo onbelangrijk dat zij het niet eens genoemd hebben (terwijl daar nu juist het systeem achter Steiners al dan niet vermeende rassenleer wordt uitgelegd).

De citaten die wel zijn opgenomen zijn de citaten 16, 54 en 55. De commissie heeft in de nummering overigens geen chronologische volgorde gehanteerd, althans niet volgens het verloop van het boek. Ik zal dat ook niet doen. Mijn volgorde wordt eerst citaat 16, vervolgens 55 en dan pas 54 (het laatste citaat is verreweg het meest belangrijk). Ik zal na de volledige citaten, het commentaar van de commissie citeren en ook zelf het nodige opmerken. Want deze drie citaten zijn allen op een bepaalde manier interessant. Er zullen weer wat elementen terugkomen uit Die Mission, maar verder zal ook veel van het bovenstaande (door de commissie onbesproken en zelfs weggelaten) opeens op hun plaats vallen, vooral bij citaat 54, waarbij juist de uitleg van de commissie (die misschien nog interessanter is dan het citaat zelf), wellicht onbedoeld, de eerdere conclusies bevestigt. Maar eerst citaat 16, uit het hoofdstuk 16 ‘Das Leben der Erde’:

‘Man muß sich eben durchaus klar darüber sein, daß die Entwickelungsformen sowohl in ferner Vorzeit, wie auch in der Zukunft von den gegenwärtigen so total verschieden sind, daß unsere gegenwärtigen Bezeichnungen nur als Notbehelfe dienen können und für diese entlegenen Epochen eigentlich allen Sinn verlieren. – im Grunde kann man von «Rassen» erst anfangen zu sprechen, wenn in dem gekennzeichneten dritten Hauptzustand (dem lemurischen) die Entwickelung etwa in ihrem zweiten Drittel angelangt ist. Da bildet sich erst das heraus, was man jetzt «Rassen» nennt. Es behält dann diesen «Rassencharakter» bei in der Zeit der atlantischen Entwickelung, im vierten Hauptzustand, und weiter bis in unsere Zeit des fünften Hauptzustandes». Doch schon am Ende unseres fünften Zeitalters wird das Wort «Rasse» wieder allen Sinn verlieren. Die Menschheit wird in der Zukunft in Teile gegliedert sein, die man nicht mehr wird als «Rassen» bezeichnen können. Es ist durch die gebräuchliche theosophische Literatur in dieser Beziehung viel Verwirrung angerichtet worden. Namentlich ist dies geschehen durch das Buch, welches auf der anderen Seite das große Verdienst hat, zuerst in der neueren Zeit die theosophische Weltanschauung populär gemacht zu haben, durch Sinnetts «Esoterischen Buddhismus». Da wird die Weltentwickelung so dargestellt, als ob ewig in gleicher Art durch die Weltenkreisläufe hindurch die «Rassen» sich so wiederholten». Das ist aber ganz und gar nicht der Fall. Auch das, was «Rasse» genannt zu werden verdient, entsteht und vergeht. Und man dürfte den Ausdruck «Rasse» nur für eine gewisse Strecke der Menschheitsentwickelung anwenden. Vor und nach dieser Strecke liegen Entwickelungsformen, die eben ganz etwas anderes sind als «Rassen».’[144]

Het commentaar van de commissie: ‘In de tijd dat Steiner in de Theosofische Vereniging werkzaam was nam hij het gebruik van het woord ras in de betekenis van tijdperk en geschiedenis van de mensheid met enig voorbehoud over. In het bijzonder keerde hij zich tegen het schematisme van het rasbegrip in de theosofie: de ontwikkeling van de mensheid zou een onafgebroken wederkeer zijn van ontwikkelingsperioden, die allen ras werden genoemd, zonder dat er rekening werd gehouden met het huidige begrip ras dat gehanteerd wordt voor een groep mensen met gemeenschappelijke erfelijke lichamelijke eigenschappen. Alleen als een tijdperk gedomineerd werd door een ras in de laatste zin, gebruikte Steiner voor dat tijdperk het begrip ras (en dit is het nu juist! Daarom hebben wortelrassen juist alles met rassen te maken, FS). Wat voor rassen in de huidige betekenis van het woord geldt, namelijk dat zij als zodanig slechts voor een beperkt deel van de geschiedenis een rol spelen, gold volgens hem ook voor rassen in de theosofische zin.

Het bovengenoemde citaat, een van de weinige die is opgenomen waarin het begrip ras in theosofische zin wordt gebruikt als aanduiding van een tijdperk in de mensheidsgeschiedenis (dat hebben we gezien, want voor de problematiek van de theosofische wortelrassen duikt de commissie weg, FS), laat zien dat Steiner weliswaar aansloot bij de theosofie, maar binnen de Theosofische Vereniging zijn eigen standpunten naar voren bracht’.[145]

De laatste opmerking is weer exemplarisch voor de antroposofie. Er kan nooit genoeg benadrukt worden hoe eigenlijk niets of nauwelijks Steiner iets met de theosofie te maken had (‘die Blavatsky onzin’, werd er op racisme-debat geroepen, vanuit de orthodoxe hoek). Suggereren dat het misschien een beetje anders lag is nog bijna erger dan beweren dat Steiner een rassenleer koesterde. Toch heeft hij een groot deel van de geschiedenis van Atlantis, Lemurië en Hyperborea gewoon van HPB overgenomen (pardon, hij heeft het allemaal zelf aanschouwd en dan net iets beter dan HPB, die het allemaal net een beetje verkeerd zag). Wat moet het vervelend zijn voor veel antroposofen dat het boek van Helmut Zander als ondertitel heeft ‘Theosophische Weltanschaung und Praxis’.

Het ging de commissie natuurlijk om deze zinsnede: ‘…was «Rasse» genannt zu werden verdient, entsteht und vergeht‘. Maar goed, dit is langzamerhand een beroemde passage, die vaak wordt aangehaald door antroposofische verdedigers van Steiner, die (ook op het racisme-debat is die al langsgekomen). Ook Helmut Zander heeft een soortgelijke passage aangehaald (deze uit Die Mission), toevallig in een van de weinige passages uit zijn boek die ik voorhanden heb. Zander: ‘Rassen seien ein Intermezzo der Menschheitsgeschichte. »Die Rassen sind entstanden und werden einmal vergehen, werden einmal nicht mehr da sein.« (GA 121,76 [1910]) Erneut artikulierte Steiner sein antimaterialistisches Leitmotiv, aber bei näherem Hinsehen bleibt dies ein gänzlich unpolitisches Argument. Die Rassenentstehung, die erst in der lemurischen Zeit begonnen habe, werde in der sechsten und siebten »Entwickelungsepoche« verschwinden (ebd.), das heißt: frühestens ungefähr im 9. Jahrtausend. Für eine politische Erledigung der Rassenfrage und für die Geltung von Steiners Rassentheorien ist dies eine lange, eine zu lange Zeit. Daß die Vielfalt von Völkern und Rassen ein Reichtum der Pluralität sein könnte, tritt im übrigen nicht in Steiners Blickfeld’.[146]

En Steiner zegt hetzelfde wat hij in Die Mission einzelner Volksseelen zegt, dus wederom blijkt dit argument niet op te gaan. Zoals Zander al aangeeft, Steiner zegt: ‘In der alten lemurischen Zeit müssen wir das Aufgehen der Rassenmerkmale, der Rasseneigentümlichkeiten suchen; wir müssen dann deren Sich-Fortpflanzen bis in unsere Zeit verfolgen, müssen uns dabei aber klar sein, daß, wenn unsere gegenwärtige fünfte Entwickelungsepoche von der sechsten und siebenten abgelöst wird, keine Rede mehr sein kann von einem Zustande, den wir als Rasse werden bezeichnen können.[147] (curs. F.S.) Het gaat hier dus om de toekomst, in Zanders woorden: ‘…das heißt: frühestens ungefähr im 9. Jahrtausend. Für eine politische Erledigung der Rassenfrage und für die Geltung von Steiners Rassentheorien ist dies eine lange, eine zu lange Zeit’.

De ironie is overigens dat ik zelf hiervoor een soortgelijk citaat heb aangehaald uit GA 99 (in noot 39), overigens niet opgenomen in het van Baarda-rapport (er staan wel twee andere citaten uit GA 99 in het rapport, cit. 17 en cit. 57, maar het is geen geautoriseerde voordracht). Maar ook dit is om verschillende redenen weer te relativeren.

Volgende passage, citaat 55: ‘Eine andere Stufe der Bewußtheit bietet dasjenige, was man gewöhnlich Volks- oder Rassengeist nennt, ohne sich viel Bestimmtes dabei vorzustellen. Für den Geheimforscher liegt auch den gemeinsamen, weisheitsvollen Wirkungen, die sich in dem Zusammenleben der Glieder eines Volkes oder einer Rasse zeigen, ein Bewußtsein zugrunde. Man findet durch die Geheimforschung dieses Bewußtsein ebenso in einer anderen Welt, wie das beim Bewußtsein eines Bienenstocks oder Ameisenhaufens der Fall ist. Nur sind für dieses «Volks-» oder «Rassenbewußtsein» keine Organe in der physischen Welt vorhanden, sondern diese Organe finden sich nur in der sogenannten astralischen Welt. Wie das Bienenstockbewußtsein seine Arbeit durch die physischen Bienen leistet, so das Volksbewußtsein mit Hilfe der Astralleiber der zum Volke gehörigen Menschen. In diesen «Volks- und Rassengeistern» hat man somit eine ganz andere Art von Wesenheiten vor sich wie im Menschen oder im Bienenstock. Es müßten viele Beispiele noch angeführt werden, wenn ganz ersichtlich gemacht werden sollte, wie es unter- und übergeordnete Wesenheiten in bezug auf den Menschen gibt. Das Angeführte aber mag genügen, um den in den folgenden Ausführungen beschriebenen Entwickelungswegen des Menschen eine Einleitung voranzusenden. Denn des Menschen eigener Werdegang ist eben nur zu begreifen, wenn man in Betracht zieht, daß er mit Wesen zusammen sich entwickelt, deren Bewußtsein in anderen Welten, als seine eigene ist, liegen. Was sich in seiner Welt abspielt, hängt von solchen Wesen anderer Bewußtseinsstufen mit ab, kann daher nur in Verbindung damit verstanden werden’.[148]

Commentaar Commissie: Zoals uit de bovenstaande passage blijkt, waren voor Steiner begrippen als ‘volksgeest’ of  ‘rasgeest’ geen abstracties, maar uitdrukkingen voor reële geestelijke wezens. In de middeleeuwse tegenstelling tussen nominalisten en realisten zou hij tot de laatste partij hebben behoord (staat dan een verwijzing naar maar die kan ik in dit verband wel overslaan). Zo is een volksgeest bijvoorbeeld niet de grootste gemene deler van de gewoontes en gevoelens van mensen uit een volk, maar een wezen dat in de zielen van de mensen van een volk werkzaam is’. En dan wordt er naar de  behandeling van Die Mission verwezen. Dat laatste is correct, hij behandelt deze thematiek in de eerste voordracht. Ik heb hier zelf niet zo heel veel aan toe te voegen. Het is een beschrijving van de ras- en volksgeesten. Ik verwijs hiervoor naar de eerdere bespreking van Die Mission. Die categorie 3 vind ik in dit geval wel terecht; het is slechts een beschrijvende passage en er worden geen complete mensenrassen geëtiketteerd of erger…Maar dit is wel een van de minst belangrijke citaten om op te nemen in het rapport. Hadden ze dat maar wel gedaan bij het stuk uit ‘Unsere Atlantische Vorfahren’, over het Arische wortelras, dat de taak heeft om de denkkracht te ontwikkelen. Dat is nog altijd de meest onthullende passage uit de Akasha-Kroniek. Alhoewel? Laten we naar het volgende citaat kijken, want zo nietszeggend als dit citaat is zo veelzeggend is de volgende passage. En de uitleg is regelrecht spectaculair.

Citaat 54 is wellicht de meest interessante, maar nog veel interessanter is hoe de commissie van Baarda meent dit citaat te moeten duiden. Citaat 54 dus, tegen het eind van hoofdstuk 6, Die letzten Zeiten vor der Geschlechtertrennung:

‘In diesen Tieren hat man also Wesen zu sehen, welche auf einer früheren Stufe der Menschenentwickelung stehenbleiben mußten. Nur haben sie nicht dieselbe Form behalten, die sie bei ihrer Abgliederung hatten, sondern sind zurückgegangen von höherer zu tieferer Stufe. So sind die Affen rückgebildete Menschen einer vergangenen Epoche. So wie der Mensch einstmals unvollkommener war als heute, so waren sie einmal vollkommener, als sie heute sind. – Was aber im Gebiet des Menschlichen geblieben ist, hat einen ähnlichen Prozeß, nur innerhalb dieses Menschlichen, durchgemacht. Auch in mancher wilden Völkerschaft haben wir die heruntergekommenen Nachfahren einstmals höher stehender Menschenformen zu sehen. Sie sanken nicht bis zur Stufe der Tierheit, sondern nur bis zur Wildheit’.[149]

Dan nu de uitleg van het van Baarda-rapport: ‘In het artikel (oorspronkelijk verscheen Aus der Akasha-Chronik als een serie artikelen in het tijdschrift ‘Luzifer-Gnosis’, FS) waar het bovenstaande citaat afkomstig is, werd een fundamenteel onderdeel van de antroposofische ontwikkelingsleer uiteengezet: de evolutie speelde zich niet alleen af als een ontwikkeling op aarde van lagere naar hogere organismen. De oorzaak van de evolutionaire ontwikkeling ligt in de geest.

De mens is van oorsprong een geestelijk wezen. In de lange wordingsgeschiedenis als aards wezen ontstonden als nevenontwikkeling naast en uit de mens het dierenrijk, het plantenrijk en minerale rijk (zie hiervoor weer het model van Poppelbaum om deze gedachtegang inzichtelijk te maken, FS). Zowel de aardse als de geestelijke mens maakten in deze lange wordingsgeschiedenis een ontwikkeling door. Het dier is in die zin niet de voorloper van de mens, maar de (geestelijke) mens is de voorloper van de aardse dieren en de aardse mens (zie hier het antropo-centrisme van Steiner, FS). De laatste blijft ‘im Gebiet des Menschlichen’, de dieren maken zich daarvan los.

Het ontstaan van de voorlopers van de huidige dieren speelde zich af in wat in de antroposofie de Lemurische tijd wordt genoemd. De oorspronkelijke diervormen waren van de toenmalige menselijke lichaamsvormen afgeleid en waren volgens Steiner hoger ontwikkeld dan de huidige diersoorten. De toenmalige menselijke lichamen lieten overigens nog geen fossiele resten na, omdat ze nog niet voldoende verhard waren (dit hebben we eerder gezien bij Steiner aan het begin van zijn beschrijving van Atlantis, FS). De huidige apen stammen op die manier af van relatief hoger ontwikkelde dieren, die zelf weer van de toenmalige mensen afstamden. In die zin noemde Steiner ‘die Affen rückgebildete Menschen einer vergangenen Epoche. So war der Mensch einstmals unvollkommener war als heute, so waren sie einmal volkommener als wie heute sind’. De mensen hebben zich verder ontwikkeld, de apen waren ‘in hun mens-stadium’ volmaakter dan ze nu zijn.

Ook met betrekking tot wat hij wilde volksstammen noemde keerde Steiner zich tegen het idee dat deze zich aan het begin van een ontwikkeling zouden bevinden. Het waren volgens hem juist de nakomelingen van groepen van toenmalige voorlopers van de huidige mensen die hoog ontwikkeld waren, maar daarna in hun ontwikkeling waren teruggegaan en primitief waren geworden’.[150]

Om deze tekst goed te kunnen volgen is het raadzaam om nog een keer een blik te werpen op fig. 1 en 2, maar dit is een hele goede uitleg van het antroposofische evolutiemodel. Alleen, waarom dan de conclusie ‘géén sprake van rassenleer?’ Want de wezenlijke kern van die rassenleer is bovenstaand eigenlijk wel uitgelegd. De consequenties van dit model zijn wel degelijk racistisch. Laten we het beestje maar bij de naam noemen. Zie hier het idee van de indiaan als een (te) vroege variant van de latere meer geperfectioneerde Arische mens, die nu decadent is geworden en zijn langste tijd gehad heeft. Hetzelfde geldt voor die paar restjes Lemuriërs die er nog zouden zijn. Als dit het wezen is van de antroposofische visie op de evolutie, dan kunnen we alleen maar concluderen dat die tot op het bot racistisch is. Waarom moesten de indianen sterven? Het van Baarda-rapport geeft antwoord: ‘Het waren volgens hem juist de nakomelingen van groepen van toenmalige voorlopers van de huidige mensen die hoog ontwikkeld waren, maar daarna in hun ontwikkeling waren teruggegaan en primitief waren geworden’. Zie hier de gedegenereerde indiaan. Klopt helemaal (volgens Rudolf Steiner dan), maar dit is dus racisme. Wederom sprake van rassenleer. Want de onderliggende basis is, neem me niet kwalijk, volstrekte gebakken lucht; ‘geesteswetenschap’, maw omdat meneer Steiner dit op helderziende manier meende te weten en er een massa gelovigen is die hem kritiekloos navolgen. De commissie noemt dit ‘een fundamenteel onderdeel van de antroposofische ontwikkelingsleer’. Dan is de rassenleer dus een fundamenteel onderdeel van deze ontwikkelingsleer en daarmee van de antroposofie, zoals die door Steiner is geformuleerd.

Wat misschien nog wel het meest bizarre is dat antroposofen kennelijk niet in staat zijn om dit als racisme te herkennen. Ik wil niet gaan speculeren over een moreel tekort, of volstrekte verdwazing etc. en ik ga er ook vanuit dat ieder vanuit zijn wereldbeeld te goeder trouw is, geen enkel misverstand, maar hier zit dus wel de spreekwoordelijke de kink in de kabel. Dat hebben we bovenstaand kunnen zien. Ik geef nog een voorbeeld van beweringen die er zijn gedaan op ‘racisme-debat’ in een ingestuurd essay:

‘Als je kijkt naar de verschillende types voertuigen dan zie je al dat de verschillen groot kunnen zijn terwijl ze allemaal aan dezelfde wezenskenmerken voldoende. Het zijn allemaal verlengmachines’ van menselijke mogelijkheden.

Laten we eens alleen maar kijken naar zoiets als auto’s.
Er bestaan betonauto’s, personenauto’s, ambulances, raceauto’s, vrachtauto’s, legervoertuigen, grote auto’s, kleine auto’s, tractoren, enzovoort. Welk voertuig is meer waard dan het andere als we alleen maar kijken naar het uiterlijk en de eigenschappen, waarbij in de meeste gevallen het uiterlijk de eigenschappen grotendeels laat zien. Een sportwagen in Hanoi of een bromfiets? Een fiets in de binnenlanden van Australië of een terreinwagen?.

Een vrachtwagen om mensen te vervoeren en een bus voor vervoer van betonnen liggers voor een brug? Een ambulance als zaaimachine voor de boer en een aardappelrooier voor het ophalen van de vuilnis? Het is wel duidelijk. De waarde van een voertuig staat in verhouding tot de betekenis voor de gebruiker.

Wat zou je nu een gedegenereerd voertuig kunnen noemen?
Een gedegenereerd of in die zin slecht voertuig is een voertuig dat zodanig is uitgevoerd dat mensen die niet meer aanschaffen, niet meer willen gebruiken, omdat er niemand meer is die voor hem of haar nog langer een betekenis aan die wagen toekent. Dit ontwerp ‘sterft’ uit. Een goed merk is een merk die heel veel betekenis heeft voor de gebruiker of gebruikster.

Er zijn voertuigen ‘uitgestorven’ terwijl ze nog steeds bestaan. Neem de auto met stoommotor. Destijds het mooiste wat er bestond, tegenwoordig bestaan ze alleen nog maar bij gratie van de liefhebbende en ze ook nog gebruikende verzamelaar. Maar de functie heeft echt geen cultuurbepalende waarde meer. Ze is van cultuurbepalende waarde opgeschoven naar een voor enkele individuen bepaalde waarde. Hier spreekt dan ook de tijdsgeest. Veel jongeren kennen de stoomauto niet eens en voor de meeste mensen is de stoomauto iets uit de voorbije geschiedenis toen vrouwen nog geen broeken droegen en mannen nog wel hoge hoeden.

Zoals hierboven al eerder vermeld, Rudolf Steiner beschrijft niet alleen het uitsterven van het
indianenras, hij beschrijft eveneens het uitsterven, of zo men wilt, het verdwijnen van de Lemurische menselijke bestaansvorm en de Atlantische menselijke bestaansvorm. Hij geeft bovendien ook aan dat beide culturen de ondergang zelf hebben veroorzaakt. Men zou dus kunnen gaan denken dat het behandelen van het uitsterven van grote groepen mensen, zoals de Indianen, door critici selectief wordt benaderd.

Steiner heeft echter gezegd dat het Indianenras zelf de krachten heeft verworven die geleid hebben tot het uitsterven van dat ras en daar wordt door de critici zwaar aan getild.
Dat wordt door een aantal daarvan opgevat als een zeer racistische benadering.
Binnen de antroposofie is het verdwijnen van bestaansvormen echter niets nieuws. Geheel Lemurië en later Atlantis zijn dus al eerder met bijna al haar bewoners verdwenen. Ik lees nergens dat iemand zich daar druk over maakt. Maar goed er zijn dan ook geen Lemuriërs en Atlantiërs meer.(…)

Steiner beschrijft het indiaanse ras als een ras dat in de rassenvorming de eigenschappen heeft
verworven en opgezocht die te maken hebben met het uitsterven van hun ras. Hij beschrijft dat afsterven, als een voor hem fysiek waarneembaar gegeven, blijkens zijn commentaar naar aanleiding van bepaalde foto’s van indianen. Eigenlijk beschrijft Steiner het indianenras in zijn verschijning als een ‘ziek’ ras, een ras wat in een proces van afsterven is terechtgekomen een proces dat begint met de rassenvoming onder voor indianen specifieke krachten die op een bepaalde plek vanuit de aarde op hen inwerken, een ziekteproces dat zich kenmerkt door een verharding van het organisme, een verknekeling, een proces dat eindigt met de dood. (…)

Steiner beschrijft door zijn uitspraken de Indianen in wezen als een ziek ras. Antroposofisch gesproken zegt hij van de Indianen dat hun zielen leven in een niet meer of steeds minder geschikt lichaam, in een voor de toekomst niet meer voor verdere ‘bewoning’ betekenisvolle lichaamsvorm. Daarbij moeten we ons realiseren dat de mensheid, de stoffelijke wereld en de geestelijke wereld, zich dynamisch verder ontwikkeld. De menselijke geestelijke individuen hebben de lichaamsvormen, zoals ze destijds in Noord Amerika zijn ontstaan in de eerste na-Atlantische periode, niet meer nodig zoals eerdere bestaansvormen in bijvoorbeeld Lemurië en Atlantis, voor de verdere ontwikkeling van de mensheid, daarna niet meer van betekenis bleken te zijn’[151].

Zie hier hetzelfde verhaal weer op een hele andere manier uitgelegd. En hoewel ik niet twijfel aan de beste bedoelingen van de auteur en er ook van uitga dat de schrijver geen indiaan een kwaad hart toedraagt (alhoewel er elders de nodige diskwalificaties in staan over de indianen van nu die casino’s runnen en daarom niet meer die bijzondere indianen van vroeger zijn, dus daar zijn gewoon lagere zielen in geïncarneerd[152]), maakt dit verhaal, in de beste traditie van Christoph Wiechert, Maarten Ploeger en zelfs het bovenstaande fragment uit het van Baarda-rapport, weer duidelijk zichtbaar waar de antroposofische kortsluiting zit, zodra het thema racisme in het algemeen en de indianen in het bijzonder ter sprake komt. Rest mij natuurlijk op te merken dat vrijwel niemand zich druk maakt om Lemurië of Atlantis, omdat er buiten de beweringen van Helena Blavatsky, Rudolf Steiner en nog een paar er geen enkele reden is om aan te nemen dat die continenten daadwerkelijk bestaan hebben. Dat die continenten met zo’n zinloos bloedbad ten onder zijn gegaan zegt meer iets over degenen die deze verhalen verkondigd/verzonnen hebben. En die verkondigers schrikken er ook niet voor terug om dit soort bedenkelijke verzinsels los te laten op echte menselijke tragedies als volkerenmoord, die dan recht worden gepraat om de spirituele superioriteit van het eigen ras te benadrukken. Dat is pas morbide.

Bovendien, er wordt bovenstaand gesteld dat de Lemuriërs en de Atlantiërs er zelf voor hebben gezorgd dat hun continent ten onder is gegaan. Valt over te twisten, maar goed, moeten wij dan geloven dat de indianen zelf verantwoordelijk zijn voor wat er met ze is gebeurd? Ik mag het niet hopen, maar de suggestie wordt wel gewekt.

Wat natuurlijk wel zo is en dat is en dat lijkt me de belangrijkste conclusie van deze bespreking van de Akasha-kroniek, is dat er een al dan niet fictieve kosmologie over gans de schepping wordt gelegd, waarin het behoren tot een ras cruciaal is. Van Steiners kernopvattingen over de evolutie loopt een rechte lijn naar zijn opmerkingen over mensenrassen, middels de leer van de wortel- en onderrassen. Het is dan ook regelrecht verbijsterend dat de Commissie van Baarda dit verhaal niet in het rapport heeft opgenomen. Het is echt niet meer dan de drie bovenstaande passages, waarvan de laatste meer dan terecht. De rest doet er kennelijk niet toe. Men heeft zich dus echt niet willen wagen aan de cruciale passages over het vijfde Arische wortelras en al die verbindingen die er volgens Steiner zijn van Atlantis en Lemurië met bestaande mensenrassen. Dat had dus wel in het rapport moeten staan! Maar dan was ook de conclusie ‘géén sprake van rassenleer’ onhoudbaar gebleken.

Ik geef nog een keer de tussentijdse conclusie weer die wat mij betreft overeind is gebleven, of zelfs versterkt:

  1. Wij hebben gezien dat wortelrassen en onderrassen cruciaal zijn in Steiners model van de aarde-evolutie en de lotsbestemming van de mens.
  2. Ieder aardetijdperk (wortelras) kent zeven cultuurperiodes (onderrassen), die elkaar opvolgen als de dominante cultuurdrager in de mensheidsontwikkeling. Resten van voorgaande onderrassen (‘vervallen’ of ‘verdwenen’ beschavingen) blijven nog wel bestaan, maar hebben hun leidende functie verloren, daar hun cultuurdragende inspiratie of ‘impuls’ is uitgewerkt.
  3. Na de cyclus van zeven onderrassen gaat het wortelras ten onder en maakt plaats voor een nieuw wortelras. Soms blijven er laatste restanten van voorgaande wortelrassen  achter als ‘decadente overblijfselen’, totdat het op dat moment heersende wortelras of de voorzienigheid ‘volgens een wetmatigheid’ (zie 4e voordr. Die Mission, cit. 102) er een eind aan maakt, of hun plaats verdringt, waardoor zij ‘de krachten moeten verwerven om uit te sterven’ (indianen en andere ‘wilden’, zie wederom Die Mission, cit. 103).
  4. Er kan ook worden geconstateerd dat de begrippen Wortelras/Zeitalter en Onderras/Kulturepoche alles te maken hebben met de mensenrassen. Zelfs het van Baarda-rapport kan er niet onderuit om de term Wortelras ‘gedeeltelijk’ als een ‘biologische aanduiding’ af te schilderen. Het wortelras van dit tijdperk (het vijfde) is het ‘Arische wortelras’, dat uiteindelijk de ‘denkkracht’ ontwikkelde. Net zoals Helena Blavatsky het heeft over ‘The White Aryan Root-race’, of ‘het blanke, Arische, vijfde wortelras’, dat zij afzet tegen het ‘gele ras en het Afrikaanse negerras, met hunne kruisingen’ (in mijn Nederlandse uitgave van De Geheime Leer), spreekt Steiner eveneens van het vijfde Arische wortelras.

Dan is de conclusie onvermijdelijk dat de rassenleer een wezenlijk onderdeel, zo niet een belangrijke pijler is van de totale antroposofie.

Het volgende gedeelte zal meer toegespitst zijn op de na-Atlantische tijd en dan vooral de geschiedenis van de onderrassen/cultuurperiodes (tot nu toe vijf) van het zg. Arische wortelras. Ook zal er nog een blik geworpen worden op het diepere occulte systeem van evolutie, zoals Steiner dit heef uiteen gezet in Geheimwissenschaft. Hierbij zal weer worden teruggegaan naar het verre verleden. Maar eerst een wellicht onthullende toelichting bij het begrip Ariër, dat we ook bovenstaand veel zijn tegengekomen.

De Ariërmythe

(overgenomen uit: Marcel Hulspas en jan Willem Nienhuys, Tussen waarheid en waanzin; een encyclopedie der pseudo-wetenschappen)

Ariërs

‘Verouderde aanduiding voor de zogeheten Indogermaanse volkeren die enige duizenden jaren voor Chr. vanuit het oosten Europa binnenkwamen en de basis legden voor de eerste vroeg-Europese beschavingen, zoals de Keltische (? Ben ik niet helemaal zeker van, FS) en de Germaanse. Het begrip Ariër is door overvloedig gebruik in de nationaal-socialistische propaganda in diskrediet geraakt.
De mythe van de superieure Ariërs is omstreeks 1800 ontstaan, toen in Europa behoefte ontstond aan een ‘wetenschappelijk’ alternatief voor het Bijbelse scheppingsverhaal. In navolging van de Franse astronoom Jean Sylvain Bailly (1736-1793) en zijn speculaties over de oerbeschaving van Atlantis, zochten filosofen de oorsprong van de westerse beschaving ergens in Azië. Met name de ontdekking dat veel Europese talen verwant waren aan het oeroude Indiase Sanskriet (en gerekend konden worden tot een ‘Indo-Europese’ taalfamilie) was hierbij van groot belang.
De Duitse filosoof Friedrich von Schlegel (1772-1829) wees er in zijn Über die Sprache und Weisheit der Indier (1808) op dat de oude Indiërs het noorden aanbaden, en hij veronderstelde dat ze daarom vast wel eens in die richting waren getrokken, en zo misschien in Noord-Europa waren terechtgekomen. In 1819 noemde hij deze wereldreizigers voor het eerst ‘Ariërs’. Die aanduiding was gebaseerd op Arioi, een naam voor een ander geheimzinnig ‘oosters’ volk, de Meden, die hij had aangetroffen in de ‘Historiëen’ van Herodotus ( de Meden zijn de waarschijnlijke voorouders van de hedendaagse Koerden, FS). Dat ‘Ariër’ hing volgens Schlegel samen met het Duitse ‘Ehre’, en daaruit bleek volgens hem al dat we hier te maken hebben met het einde van de mensheid.
Het was de (verder volstrekt obscure) taalkundige Christian Lassen die in zijn Indische Altertumskunde (1847) het idee opperde dat de geschiedenis geschreven kon worden als de eeuwige strijd tussen de hoogstaande Ariërs en de minderwaardige dragers van die andere scheppende traditie, de Semieten. Omstreeks 1860 was het in Europa algemeen bekend, onder andere op gezag van de filoloog Max Müller dat Ariërs, namelijk Europeanen, Perzen en Indiërs, afstamden van een volk dat de hoogvlakten van Azië had bewoond. Vanuit het werk van Lassen lopen er directe lijnen naar racistische cultuurpessimisten als Joseph Arthur de Gobineau, de occultiste Madame Blavatsky en de protonazistische filosoof Houston Stuart Chamberlain. De Ariërmythe beleefde haar meest krankzinnige uitwerking in het werk van occultisten als Jörg Lanz von Liebenfels en Guido von List (de grondleggers van de ‘Ariosofie’, FS). In 1943 kwam de antropoloog Gerhard Heberer tot de conclusie dat het Arische ras uit het Noordse Ras was ontstaan, en dat Duitsland de Überheimat van dat elitevolk was’.[153]

Het lijkt mij duidelijk dat het bovenstaande verhaal inmiddels zeer herkenbaar is. We zijn al veel elementen hieruit tegengekomen in de Akasha-kroniek. Maar ook voor de geschiedsopvatting van de na-Atlantische tijd is dit verhaal alleszins relevant. Ik zal er nog op terugkomen wanneer het verschijnsel Ahriman nader wordt toegelicht. Ik wil hier nog een ander artikel volledig weergeven, eigenlijk meer een samenraapsel van passages van de Duitse en grotendeels in Nederland werkzame antroposoof Sigismund von Gleich, uit zijn magnum opus Der Mensch, der Eiszeit und Atlantis. Deze kleine bloemlezing werd als artikel geplaatst in het inmiddels bekende Belgische antroposofische tijdschrift de Brug:

Afb. 10, de geschiedenis van de mondiale migratiegolven na Atlantis volgens Sigismund von Gleich (http://users.telenet.be/antroposofie/diabasis/b18chincul.htm)

Waarom geen Chinese cultuurperiode ?

(verschenen in de Brug, [154])
In de ontwikkeling van mens en aarde kunnen we verschillende grotere en kleinere tijdseenheden onderscheiden. Zo heeft de Aarde al stadia doorlopen die we aanduiden met de benaming van een hemellichaam, bvb. Saturnus, Zon, Maan. Zoals bekend leven we nu in de vijfde cultuurperiode van het vijfde tijdvak. Na het vierde tijdvak, Atlantis genaamd, volgde de zondvloed. Dan kwam de Oud-Indische cultuurperiode, de Oud-Perzische, de Egyptisch-Babylonische en de Grieks-Romeinse. Het lijkt erop dat de antroposofie alle grote, bekende culturen een plaats geeft, behalve een: de Chinese. Dat heeft te maken met de sterke nawerking van Atlantische elementen in deze cultuur. Sigismund von Gleich ging op zoek naar de oorsprong van verschillende volkeren, en legde daarbij interessante verbanden bloot. Een aantal begrippen die hij gebruikt, worden in de moderne antropologie niet meer gehanteerd (Indogermaans is bvb. Indo-Europees geworden), maar de moderne wetenschap vindt verklaringen uit de geesteswetenschap sowieso al onzin. We laten dus het verhaal maar beginnen, bij Noah:

Manoe of Noah leidde het bruikbaarste deel van het vijfde Atlantisras (de zgn. Oer-Semieten – fdw) uit het ondergaande Atlantis naar Binnen-Azië. Daarom representeert Noah de oerkiem die uit de zondvloed gered werd en verder ontwikkelde tot het vijfde wortelras (het na-Atlantische of Arische). Noah had drie zonen: Japhet, Ham en Sem. Hoe moeten we deze nu historisch-ethnologisch duiden vanuit de inzichten van de geesteswetenschap over ijstijd-wereldgeschiedenis ?

Japhet stelt de hoofdmoot van de Indo-Germaanse mensheid voor. De volkeren die in Genesis genoemd worden, laten dat duidelijk zien: “Javan” zijn de Ioniërs, “Madai” de Meden, “Gomer” de Cimbren. Eigenlijk is het de Europees-Kaukasische mensheid die door Japhet voorgesteld wordt. Bij de Grieken heet hij Japetos, wiens zoon Prometheus door Zeus-Jupiter aan de rotsen van de Kaukasus geketend werd. Dit beeld zegt ons: De prometheïsche denkkracht, die de Arisch-Kaukasische mensheid in de na-Atlantische periodes moest ontwikkelen, wordt vooreerst met het hoge rotsgebergte van het hoofd verbonden, het Jupiter-denken krijgt een zetel in de hersenen. Japetos en Prometheus staan aan de spits van de Griekse stambomen. In de Oudheid werden de Grieken en Ioniërs beschouwd als een Zeus-Jupitervolk, een denkervolk zonder meer. Rudolf Steiner beschreef Plato als een typische vertegenwoordiger van deze geest. De landstreek van de zee van Azow (of Asa-zee) tot aan de toppen van de Kaukasus, waar Europa overgaat naar Azië, werd in de Oudheid altijd Asia genoemd. “De Gotische en Scandinavische volkeren noemden de voet van de Kaukasus in hun Noorse heldenleer het Asaland, Asahaimur. Het is het oerverblijf der Asen, hun goden- en heldengeslacht, en in alle sagen trekt Odin van daar uit naar het Europese Noorden . . . Prometheus’ moeder of gemalin was Asia. De verheven Kaukasus zelf heeft als oerverblijfplaats der Asen nog het oerwoord ‘Asi’ in zijn laatste lettergreep. Alle volkeren aanzien hem als een heilige bergketen.” Asia is dus het land van de goden of engelen en wel speciaal van de Jupiterwezens waarmee de Arisch-Kaukasische of Indogermaanse volkeren van Europa zich verbonden voelden omdat deze goden in hen als vormkrachten vanuit de streek van de Kaukasus werkten

[…] De oorsprong van zowel Indogermanen als Semieten moet worden gezocht bij dat deel van het Atlantische wortelras, dat ooit het Noordwesteuropese deel van Atlantis bewoonde, tot aan het Hyperboreërgebied, en dat naar Binnen-Azië werd geleid. Deze volksgroep mag ‘Noah’ genoemd worden, voorzover ze de zondvloed overleefd heeft. Uit deze Noah, de kiem van de Eurazisch-Arische mensheid stamt Japhet af, het Indogermanendom. Sem of het Semietendom ontsprong weliswaar uit dezelfde kiem, maar vormde een aparte vertakking. In het Semietendom werkt namelijk het Toeraanse element verder* . De geesteswetenschap heeft vastgesteld dat op een bepaald moment de Noord-Atlantische volkerstroom samengekomen is met de zuidelijke stroom van Toeraniërs die alover Afrika Atlantis verlieten. Het Semietendom ontstond als een eigenaardige mengeling. “Alles wat bij de Toeraniërs decadent was, werkte eliminerend en omvormend bij het Hebreeuwse volk.” (Rudolf Steiner legt uit in het “Mattheus-Evangelie” dat de oude Atlantische helderziendheid bij de Hebreeuwen zich niet manifesteerde in een lager astraal helderzien, maar naar binnen sloeg en het innerlijk leven organiseerde – fdw). Sem is de pre-Ariërkiem die met de Noord-Aziatische, Toeraans-Mongoolse wereldstroming verbonden werd. Daardoor is Sem tegelijk datgene wat van het pre-Arische element, vooral in het Chinezendom verder leefde, hoewel daar het Mongoolse element sterker en doorslaggevender is geworden. Tenslotte is Sem het Semietendom van de latere tijd waarin het Eurazisch-Arisch element het Toeraanse element in de positieve zin heeft omgewerkt – dit in tegenstelling tot het Chinezendom.

Hieruit resulteert een zeer bijzondere polariteit tussen Semietendom en het Mongools-Toeraans Chinezendom. Het zijn twee verwante, maar polair tegengesteld-verwante elementen ! In deze beide volkergroepen, sterk in het bloed georganiseerd, werken naast de algemeen menselijke zonnekrachten vooral de Marskrachten der Toeraniërs. Maar bij de Mongolen overweldigen deze de zonnewerkingen, bij de Semieten is het omgekeerde het geval. Toch zijn beide rassen zeer oorlogszuchtig. Rudolf Steiner beschrijft dat in detail in de cyclus over de volkszielen (GA 121). Het is een van de belangrijkste signaturen van de tweede na-Atlantische cultuurperiode, die in het teken van de Tweelingen staat: het ontstaan van het Semietendom en het polair tegengestelde Chinezendom, die in veel opzichten als licht en schaduw samenhoren. De oudchinese cultuur, die dan rond 3100 vanuit Binnen-Azië (Toerkistan) oostwaarts stromend aan het daglicht kwam, wilde het Luciferische geesteslicht van Atlantis bewaren; maar de oerperzische en de oudsemitische -die er parallel mee loopt- doken moedig onder in het duister van de materie en streden met de aarde-donkerte. De lichte Irancultuur stond tegenover de donkere magie van Toeran en bereidde het Christendom voor. Tegenover het Perzische dualisme van Ormuzd en Ahriman stond het oerchinese van Yin en Yang – het hemelse en aardse in polariteit. Maar tegelijkertijd vormde zich uit de Toeraans-Arische vermenging de semitische Tweeling, wiens hebreeuwse tak het Christendom verder voorbereidde, terwijl de arabische tak als schaduw van het semitisme zich achteraf tegen deze laatste keerde. Maar ook in het Hebreeuwendom zelf, dat met Abraham begon, zoals het Arabierendom met Ismaël, openbaarde zich in de loop van de geschiedenis te allen tijde het Tweelingen-principe. Tegen het einde van de Tweelingen-periode verscheen het Semietendom -dat in de streek van de Kaspische Zee uit het contact met het Toeraniërdom ontstaan was- voor het eerst in Noord-Babylonië en veroverde door zijn oorlogszucht al vlug Voor-Azië, nadat het zich in Arabië, als in een secundair centrum, ingeburgerd had.

Ieder die het echte semitisch-hebreeuwse gezichtstype met bvb. het klassiek-turkse (Toeraanse) vergelijkt, zal de grote overeenkomst opvallen. Semieten en Chinezen zijn volkeren die enerzijds het rekenen en alle wiskunde, en anderzijds het geldwezen en alle handelsactiviteiten misschien wel het volmaakst beheersen ! Daarbij moet men in ’t oog houden dat bij de Semieten behalve de Hebreeuwen van oudsher de Assyriërs, de Babyloniërs (sinds 2000 v.C.), de Syriërs, en natuurlijk de Arabieren gerekend worden. Mathematisme en monisme zijn de wereldbeschouwingen die klassiek zijn geworden dank zij het Semietendom. Zo wordt het klaar en duidelijk hoe de leer van de atlantische Manoe vanuit Binnen-Azië enerzijds naar het Westen in het getoeraniseerde Semietendom en anderzijds in oostelijke richting in het arisch beïnvloede Toeraniërdom, d.i. Chinezendom, ingestroomd is. De Hebreeuwse Je-ho-va komt overeen met de Chinese naam van God “I-Hi-Wei”, wiens drieëenheid Lao-Tse diepzinnig verklaarde: “Naar wie ge kijkt en ge ziet hem niet, die wordt met de naam I genoemd. Naar wie ge luistert en ge hoort hem niet, die wordt met de naam Hi genoemd; naar wie ge met de handen grijpt en ge vat hem niet, die wordt met de naam Wei genoemd. Deze drie zijn ondoorgrondelijk; dusdanig zijn ze vereend.” [ … ]

Zo zien we maar weer hoe misleidend schema’s kunnen werken. Ze geven de indruk alsof ieder tijdvak of cultuurperiode een afgerond geheel is, terwijl in werkelijkheid voorlopers en achterblijvers tegelijk met de hoofdstroom actief zijn. Op de volgende bladzijde proberen we even in kaart te brengen wat hierboven besproken werd. Voor de volledigheid vermelden we nog dat uit Ham het Hamietendom is ontstaan, meer bepaald door een vermenging van het vijfde en zesde Atlantisras. Hugo Obermaier schrijft daarover: ” De Oud-Egyptenaren zijn de belangrijkste vertegenwoordigers der Hamieten, dat zijn blanke Noordafrikanen, gelijkend op Europeanen, die naar huidskleur, haartype en onnegroïde gelaatstrekken meer bij het westelijke, middellandsezee-ras, moeten gerekend worden.”

Von Gleich, Brüll en de ‘Nieuwe Reactionairen’; een kleine ‘tegentirade’

Tot zover dit artikel uit de Brug. Interessant is overigens dat het werk van de hier aangehaalde Sigismund von Gleich de inzet was van een hevige polemiek in de jaren tachtig tussen Gjalt Zondergeld en Evert van der Tuin enerzijds en Dieter Brüll anderzijds. Het werk en de persoon von Gleich was de belangrijkste inzet van Brülls artikel  ‘De nieuwe reactionairen’, in Driegonaal in 1986, tot in ten treuren aangehaald door antroposofische critici van mijn eerdere artikelen (Paul Heldens en Jan Luiten). Deze Sigismund von Gleich, onder vuur genomen door Zondergeld en van der Tuin, schijnt een principiële tegenstander geweest te zijn van de Nazi’s. Dat is natuurlijk lovenswaardig, maar maakt dat het bovenstaande verhaal minder racistisch? Het lijkt mij niet, maar ik heb ook elders aangegeven dat Steiners kijk op de rassen voor een belangrijk deel wezenlijk verschilde met die van het nationaal socialisme (los van het graduele verschil, want de nazi’s waren in hun visie ook ‘wat drastischer’, ik denk dat daar iedereen het wel over eens is).

Toch laat dit een  interessant punt zien. Voor de antroposofische partij, van Dieter Brüll tot en met critici van mijn artikelen, lijkt het bijna alsof  de stelling dat Steiner er racistische opvattingen op na hield, gelijk staat aan het op een hoop gooien met het nationaal socialisme.  Dat Sigismund von Gleich net zulke racistische opvattingen had staat overigens buiten kijf, al was hij een principieel tegenstander van het nationaal socialisme en heeft hij daar zelfs een hoge prijs voor moeten betalen (niets dan hulde voor zijn moed in deze, dat lijkt mij vanzelfsprekend). Maar dat pleit hem niet vrij van racisme. Ik zal Brüll hier citeren, uit zijn roemruchte artikel ‘De Nieuwe Reactionairen’ (zie het complete artikel hier): ‘Omdat de duvel met Zondergeld speelt, heeft hij precies de verkeerde ‘racist’ te pakken. Zeker, hij werkte Steiners ‘rassenleer’ uit voor de voor-Christelijke tijd (daarna hebben in de zienswijze van Steiner rassenverschillen hun betekenis verloren). Maar hij was juist een fervente Nazi-bestrijder van het eerste uur, die nimmer een steekje heeft laten vallen (..) Nauwelijks bevrijd, stort hij zich opnieuw in de bestrijding van het racisme. Voor een zaal vol rijkseenheders en andere kolonialisten betoogde hij dat Nederland aan een koloniale oorlog bezig was en dat er geen enkel argument te vinden was waaraan de blanken het recht ontleenden om de Indonesiërs zo te bevoogden.’ (Driegonaal, extra editie, p. 21).

Mooi van von Gleich, maar nou en? Rechtvaardigt dit zijn eerdere uitspraken over rassen uit de jaren twintig? Wellicht is hij later tot inkeer gekomen en dat lijkt mij een goede zaak. Dat hoeft van mij ook zeker niet verzwegen te worden. Maar het gaat hier wel om wat hij ruimschoots daarvoor heeft geschreven. En dat gaat toch echt over Joden die goed in de handel zijn, verwant aan de Chinezen (?!) al hebben deze Chinezen zich in een Luciferisch licht gehuld en zijn de Joden de aarde donkerte ingedoken en zijn zéér oorlogszuchtig (NB als ras! ). Let overigens hier ook op het verhaal van Manu/Noach en de zonen van Noach. Hierboven zien we dus dat de ‘Indogermanen’ van Japhet afstammen en de ‘Semieten’ van Sem. Dit is de traditionele voorstelling van zaken, maar zie ook weer de parallel met de Akasha-kroniek, het hoofdstuk ‘Übergang der Vierten in die Fünfte Wurzelrasse’ , waar Steiner stelde dat de ‘Oersemieten’ zowel de voorouders zijn van de Ariërs als van de Semieten.

Misschien is het goed om een keer toe te lichten waar het verhaal vandaan komt dat Joden zo goed in de handel zijn.  Wellicht helpt het om een aantal platte stereotypen, door deze en gene antroposoof zo dierbaar gekoesterd, te ontzenuwen. Gedurende de Middeleeuwen en grote delen van de moderne tijd (grotendeels tot in de negentiende eeuw) waren Joden in Europa uitgesloten van vele beroepen, zoals overheidsdiensten, maar ook andere sectoren. Hen restte meestal de vrije beroepen. Vandaar dat er in Europa een traditie is ontstaan dat Joden veelal ondernemers waren. Voor Joden in het Osmaanse Rijk en verder in de islamitische  wereld lag dit bijvoorbeeld heel anders. Daar was het ze wel toegestaan om overheidsfuncties te bekleden en soms ook hele hoge. Daar heeft de Joodse traditie zich ook heel anders ontwikkeld.  Ik hoop dat hiermee de lucht geklaard is voor eenieder die nog wat ziet in de antisemitische praatjes van von Gleich, al maak ik me wat betreft de Brug weinig illusies. Daar staan ook andere verhalen te lezen over ‘lelijke joden met rinkelende geldbuidels’ of ‘Joden die hun rasgenoten verraden wanneer het ze uitkomt’ (zie noot 93).

Goed, alle waardering voor von Gleichs principiële stellingname tegen de nazi’s, maar dat maakt het bovenstaande verhaal niet minder racistisch. Geheel overbodig dat Brülls opmerking over dat de rasverschillen voor Steiner geen rol van betekenis meer zouden spelen na het begin van de Christelijke jaartelling regelrecht onjuist is. ‘Diese Linie besteht auch für unsere Zeit’ en ‘In unserer Zeit wird der Rassencharakter aber allmählich überwunden’ staat er in de vierde voordracht van ‘Die Mission einzelner Volksseelen’, maar kennelijk verkiest dhr Brüll ook enige onzorgvuldigheid of selectieve woordblindheid als dat in zijn straatje past. En hoe verklaart meneer Brüll het citaat van dat indianenopperhoofd, aangehaald aan het slot van de zesde voordracht? Zijn die woorden soms ook uitgesproken voor de Christelijke jaartelling? Steiner heeft het zelfs over foto’s van indianen, waar de neergang van hun ras goed zichtbaar zou zijn. Moet ik begrijpen dat die foto’s in de Atlantische tijd zijn gemaakt, of op zijn laatst gedurende de Grieks Romeinse cultuurperiode? (bij Rudolf Steiner kon alles en is niets te gek). Maar nee hoor, het gaat toch echt allemaal over ‘Unsere Zeit’. Nogmaals de volledige passage:

‘Sehen Sie sich doch die Bilder der alten Indianer an, und Sie werden gleichsam mit Händen greifen können den geschilderten Vorgang, in dem Niedergang dieser Rasse. In einer solchen Rasse ist alles dasjenige gegenwärtig geworden, auf eine besondere Art gegenwärtig geworden, was in der Saturnentwickelung vorhanden war; dann aber hat es sich in sich selber zurückgezogen und hat den Menschen mit seinem harten Knochensystem allein gelassen, hat ihn zum Absterben gebracht. Man fühlt etwas von dieser wirklich okkulten Wirksamkeit, wenn man noch im neunzehnten Jahrhundert sieht, wie ein Vertreter dieser alten Indianer davon spricht, daß in ihm lebt, was vorher für die Menschen groß und gewaltig war, das aber die Weiterentwickelung unmöglich mitmachen konnte. Es existiert die Schilderung einer schönen Szene, bei welcher ein Führer der untergehenden Indianer einem europäischen Eindringling gegenübersteht’.

‘Wenn man noch im neunzehnten Jahrhundert sieht!’ Niks voor Christelijke jaartelling. Was toch leuk geweest als dhr Brüll dit in zijn argumentatie had meegewogen. Interessant, omdat dit artikel juist een tirade is tegen de vermeende onzorgvuldigheid van de critici van Steiner. Nu schijnt het artikel van Brüll in de ogen van sommige antroposofen (die zelfs het van Baarda-rapport afwijzen) bijna heilig te zijn, bijna nog heiliger dan de teksten van Steiner zelf, maar ik denk dat er aan het van Baarda rapport wel wat meer eer valt te behalen, dan deze gedateerde en volkomen doorzichtige zogenaamde verdedigingswal tegen de racisme-aantijgingen.[155] Het spijt me voor alle antroposofen die naast Steiner apologeet ook Brüll apologeet zijn, maar ik kan er slechts twee dingen uit halen. Of  meneer Brüll, van beroep hoogleraar belastingrecht, heeft Steiner niet goed gelezen, of dit was slechts een wanhopige tactische manoeuvre om de aandacht van de echte racisme-kwestie af te leiden. Ik kan er niets anders van maken. Niet heel erg sterk tegenover de hoogleraar geschiedenis Gjalt Zondergeld.  Gelukkig had professor Brüll meer verstand van belastingen en de sociale driegeleding. Maar zelfs los hiervan en ook los van de nagedachtenis aan Sigismund von Gleich, ik denk niet dat de bovenstaande racistische tekst in deze tijd nog enige verdediging verdient. Ondanks de persoon von Gleich gaat het hier om puur racisme en in dit geval zelfs ook antisemitisme. Het spijt mij maar ik ben van een andere generatie dan Brüll en ook Zondergeld (die zelfs zijn excuses aan Brüll heeft gemaakt omdat hij von Gleichs stellingname tegen de nazi’s niet heeft benadrukt). Ik voel me wat dat betreft vrij genoeg om de woorden van von Gleich te beoordelen. En dat gaat over Joden in de aardedonkerte, omgevormd door de decadente trekken der Toeraniërs en Luciferisch verlichte Chinezen. Of zelfs de algemene opmerking ‘het bruikbaarste deel van een ras’ (al heeft Steiner ongeveer hetzelfde in de Akasha-kroniek gezegd[156]).  Het gaat mij dus om die teksten. De persoon (net als bij Steiner overigens) laat ik er buiten.[157]

Ik hoop hiermee de kwestie ‘Nieuwe reactionairen’ nu definitief af te handelen. Mochten bepaalde antroposofen daar anders over denken, zet dat artikel van Brüll dan gewoon online. Kan iedereen het raadplegen en dan kunnen we ook zien hoe effectief het is in het pareren van welke racismeaantijging aan het adres van Steiner dan ook. Ik zal niets liever doen dan er op mijn site een linkje naar plaatsen. Geheel ten overvloede, met bovenstaande opmerkingen wil ik niets afdoen aan Dieter Brülls persoonlijke oorlogservaringen (dat staat vanzelfsprekend buiten kijf ), maar in het racisme-debat heeft hij de plank helaas volledig misgeslagen.

Dit is het enige van Brüll dat nog enigszins betrekking zou kunnen hebben op mijn artikelen. Verder is het vooral een tirade tegen de protestgeneratie van de jaren zestig en de actievoerders van de jaren zeventig en tachtig, die ook in de antroposofie het ‘fascisme’ meenden te herkennen. Nu ben ik van 1973 dus daar was ik echt te jong voor (begrijp ook niet waarom Paul Heldens en Jan Luiten mij dan onder die nieuwe reactionairen scharen).

Ik wil hier nog een ding over de zaak ‘nieuwe reactionairen’ kwijt. Als antroposofen zich nu druk maken over de nagedachtenis van deze Sigismund von Gleich, waarom  laten deze antroposofen dan zonder weerwoord toe dat deze in een blad juichend wordt aangehaald dat openlijk sympathiseert met neonazi’s? (David Irving, Ernst Zündel, Johannes Lerle, enz.) Dat lijkt me pas beschadigend voor zijn reputatie. Dit lijkt me veel ernstiger dan mij met het vergezochte argument om de oren te slaan dat ik de antroposofie op een hoop zou gooien met het nationaal socialisme. Maar kennelijk was deze Sigismund von Gleich, ondanks zijn zeer bedenkelijke opvattingen, wat principiëler dan zijn hedendaagse navolgers. Die schijnen er minder moeite mee te hebben dat zijn naam prijkt naast die van een echte nazi-sympathisant en Holocaustontkenner als David Irving. Dus antroposofen die het willen opnemen voor deze von Gleich, klim in de pen en gesel de Brug in de geest van Dieter Brüll, met het verwijt dat zij de godvergeten brutaliteit hebben om de woorden van deze tegenstander van de Nazi’s aan te halen, waar hij zelf in een later stadium van zijn leven wellicht niet meer achter zou hebben gestaan. ‘Halve waarheden zijn verwoestender dan kloeke leugens!’, aldus Paul Heldens. Dat zou pas van karakter getuigen en laten zien dat de antroposofische beweging het meent dat er geen sprake is van rassenleer, laat staan dat zij haar levensbeschouwing laat kapen door een stel gekken dat met neonazi’s dweept. Anders zijn die tirades over Dieter Brüll en de Nieuwe Reactionairen geen knip voor de neus waard.

Tot zover mijn ‘tegentirade’ en de jaren tachtig relletjes. Terug naar het gedachtegoed van Steiner zelf. Want wellicht is het de moeite waar om aan de hand van passages uit het van Baarda-rapport gedetailleerd te kijken naar wat Steiner zelf zegt over de ‘opheffing van de rasverschillen’.

Hebben de rasverschillen rond het begin van de christelijke jaartelling hun betekenis verloren (Brüll), of gebeurt dit pas over een paar duizend jaar? (Zander)

 

‘Ontlastende’ citaten van Rudolf Steiner uit ‘Oorsprong, heden en toekomst van rassen’; de selectie van het van Baarda-rapport (citaten 17 t/m 38)

 

Een van de heetste hangijzers van het rapport (en van de hele discussie over het belang van ‘rassen’ in het oeuvre van Steiner) is de kwestie wanneer de ‘rasverschillen’ worden opgeheven. Volgens veel antroposofen hebben de ‘rasverschillen’ in het verleden hun betekenis verloren en volgens Helmut Zander (zoals we al bij Die Mission einzelberVolksseelen hebben gezien) worden de verschillen tussen rassen pas in de verre toekomst opgeheven. Nu wil het van Baarda-rapport betogen dat de rasverschillen tegenwoordig geen betekenis meer hebben. Daarvoor heeft de commissie een grote verzameling citaten bij elkaar gezet, om deze stelling krachtig te onderbouwen.

Ik wil hier citaat 17 t/m 27 uit het rapport weergeven en kijken wie er het dichtste bij zit: de commissie, Dieter Brüll (vóór Christelijke jaartelling) of Helmut Zander (pas in het negende millennium). Het wordt een ingewikkelde puzzel, maar het lijkt me essentieel om hier enige klaarheid in te verschaffen. Dus met de door de commissie geselecteerde citaten nemen we de proef op de som:

Citaat 17 (uit Die Theosophie des Rosenkreuzers, 4 juni 1907, GA 99)

Es wird dahin kommen, daß alle rassen- und Stammeszusammenhänge wirklich aufhören. Der Mensch wird vom Menschen immer verschiedener werden. Die Zusammengehörigkeit wird nicht mehr durch das gemeinsame Blut vorhanden sein, sondern durch das, was Seele an Seele bindet. Das ist der Gang der Menschheitssetwickelung.

In den ersten atlantische Rassen bestand noch ein starkes Zusammengehörigkeitsband, so daß die ersten Unterrassen sich auch nach der Farbe gliederten, und dieses Gruppeseeleelement haben wir noch in den verschiedenfarbigen Menschen. Diese Unterschiede werden immer mehr verschwinden, je mehr das individuelle Element der Oberhand gewinnt. Es wird eine Zeit kommen, wo es keine verschiedenfarbigen Rassen mehr geben wird. Die Unterschied in Bezug auf die Rassen wird aufgehört haben, dagegen werden individuell die größten Unterschiede bestehen. Je weiter wir zurückgehen in alte Zeiten, desto mehr treffen wir das übergreifen des Rassenelements an. Das richtig individualisierende Prinzip beginnt überhaupt erst in der späteren atlantische Zeit. Bei den alten Atlantiern empfanden wirklich noch Angehörige der einen Rasse eine tiefe Antipathie gegen Angehörige der einer andere Rasse. Das gemeinsame Blut bewirkte die Zusammengehörigkeit, die Liebe. Es galt für unsittlich, einen Angehörigen eines anderen Stammes zu heiraten’.

Commentaar Commissie: ‘In dit citaat werden de huidige betekenis van het woord ras en de theosofische betekenis ervan door elkaar gebruikt. Dit wordt gerechtvaardigd door het feit dat Steiner het woord ‘ras’ in theosofische zin alleen gebruikte wanneer het daarmee beschreven tijdperk in de geschiedenis van de mensheid door een bepaald ras in de huidige betekenis van het woord werd gedomineerd (dus toch, wortelrassen en onderrassen zijn ‘rassen’, al is het niet helemaal hetzelfde en overlapt het elkaar eerder, zie bespreking van de Akasha-kroniek[158]. Maar sterker nog, als Steiner het woord ras gebruikt in de theosofische zin gebruikt, heeft het, naar zeggen van de commissie er juist mee te maken dat er dan ook ‘ras’ bedoeld wordt, FS).

Met Atlantische rassen werden  de tijdperken cq bevolkingsgroepen bedoeld van Atlantis, zie hieronder citaat 18′.

(De laatste opmerking bevestigt weer mijn eerdere conclusies nav de Akasha-kroniek, al is het theosofische rasbegrip niet helemaal hetzelfde als het gewone mensenras, zoals zal blijken uit het volgende citaat, FS).

Citaat 18 Lezing van 30 mei 1908 te Hamburg voor de leden van de Theosofische Vereniging in Das Johannes Evangelium, GA 103.

‘Es wird von mir absichtlich der Begriff ‘Unterrassen’ vermieden, weil eigentlich der Begriff Rasse sich nicht völlig deckt mit dem, um was es sich dabei handelt. Es handelt sich um Kulturentwickelungsperioden, und das, was wir als Rassengesetz in unserer heutigen Menschheit doch erleben, ist eigentlich ein Nachklang der Atlantische Entwickelung. Diejenigen Menschheitsentwickelung, die an der atlantischen Flut vorangegangen ist, also die sich zum großen teil abgespielt hat auf jenem Kontinente, der da war zwischen dem heutigen Europa und dem heutigen Amerika, der alten Atlantis, diese Menschheitsentwickelung teilen wir in sieben aufeinanderfolgende Abschnitte. Für diese sieben Abschnitte gilt noch der Ausdruck ‘Rassen-Entwickelung’. Denn diese sieben aufeinanderfolgenden Stufen der Menschheit auf der alten Atlantis waren auch noch körperlich, inner- und außer- körperlich rechnet man auch  die innere Konfiguration des Gehirns, des Blutes und der andere Säfte- sehr verschieden, während gar keine Rede davon sein kann, daß etwa die erste Menschheit der nachatlantischen Zeit, die alten Inder, von uns so weit verschieden waren, daß wir noch den Ausdruck ‘Rasse’ darauf anwenden dürften. Man muß ja immer die Kontinuität der Theosophie festhalten, und daher ist es ja oft notwendig, an diesen alten Begriff der Rassen anzuknüpfen. Aber man erweckt doch zu leicht falsche Vorstellungen durch das Wort Rasse, weil man übersieht, daß das Einteilungsmotiv für die Menschheit, das wir heute haben, ein viel innerlicheres ist als das welches mit dem Ausdruck Rasse zusammenhängt. Und gar auf das, was unsere Kultur ablösen wird, die Kultur nach der siebenten Unterabteilung, wird überhaupt der Ausdruck Rasse nicht mehr angewendet werden dürfen, weil die Menschheit sich dann gliedern wird nach ganz anderen Grundgesetzen’.

De commissie heeft hier geen commentaar gegeven maar het slot is regelrecht spectaculair te noemen. Steiner zegt hier precies hetzelfde als wat hij in de vierde voordracht van Die Mission zegt (de lezing is uit 1908, dus van twee jaar daarvoor).

Eerst de hele passage. Steiner stelt dat het begrip ‘onderras’ (in theosofische zin, later zou Steiner het begrip ‘cultuurperiode’ gaan gebruiken) in Atlantis nog verbonden was met een ‘ras’. Er waren dus verschillende Atlantische onderrassen. In het huidige tijdperk (het ‘Arische’, zoals hij het in de Akasha-kroniek noemt, overigens ook uit 1908) is er sprake van cultuurperiodes. Er zit alleen een addertje onder gras. Cultuurperiodes zijn geen aangelegenheid voor de hele mensheid, al zal dat in de toekomst wellicht anders liggen. Cultuurperiodes zijn voor Steiner ontwikkelingsfases van het blanke ras. Indianen en Afrikanen hebben geen cultuurperiodes, net als Chinezen. Dus dit verhaal klopt precies met wat hiervoor is beschreven. En wanneer zal het begrip ras haar betekenis hebben verloren en zal de mensheid zich niet meer naar ras verdelen? In de zevende cultuurperiode. En wat zegt hij in Die Mission? Het slot van citaat 97: ‘… müssen uns dabei aber klar sein, daß, wenn unsere gegenwärtige fünfte Entwickelungsepoche von der sechsten und siebenten abgelöst wird, keine Rede mehr sein kann von einem Zustande, den wir als Rasse werden bezeichnen können’.

En Helmut Zander zei hierover: ‘Die Rassenentstehung, die erst in der lemurischen Zeit begonnen habe, werde in der sechsten und siebten »Entwickelungsepoche« verschwinden (ebd.), das heißt: frühestens ungefähr im 9. Jahrtausend. Für eine politische Erledigung der Rassenfrage und für die Geltung von Steiners Rassentheorien ist dies eine lange, eine zu lange Zeit’.

En dan te bedenken dat de commissie dit citaat opvoert om het tegendeel te beweren. Even niet goed opgelet, lijkt mij althans.

Citaat 19: Lezing van 1 juni 1908 voor de leden van de Theosofische Vereniging in Das Hereinwirken geistiger Wesenheiten in den Menschen, GA 102.

Der Mensch ist herausgewachsen aus dem Gruppenseelentum, und immer mehr emanzipiert er sich davon. Wenn wir die Gruppen betrachten statt der Seelen, so haben wir Familienzusammenhänge, Stammes-, Volkszusammenhänge und endlich zusammengehörige Rassen der Menschen. Der Rasse entspricht eine Gruppenseele. Alle diese Gruppenzusammenhänge  der Vormenschheit sind solche, aus denen der Mensch herauswächst, und je mehr wir fortschreiten, desto mehr verliert der Rassenbegriff seine Bedeutung.

Heute stehen wir an einem Übergang, und nach wird das, was Rasse ist, ganz verschwinden, und etwas ganz anderes an die Stelle treten. Die Menschen, welche die geistige Wahrheit, wie es charakterisiert worden ist, wieder erfassen, werden durch freien Willen zusammengeführt werden. Das sind die Zusammenhänge der späteren Zeit. Die Zusammenhänge der früheren Zeit sind so, daß der Mensch in sie hineingeboren wird. In sein Volk, in seine Rasse wird der Mensch hineingeboren. Später werden wir in Zusammenhängen leben, die die Menschen selber machen, indem sie nach Gesichtspunkten gruppieren, wo sie unter völliger Wahrung ihrer Freiheit und ihrer Individualität Zusammenhänge bilden’.

Commentaar commissie: ‘Ook dit citaat is een voorbeeld van de zogeheten sociologische basiswet van Steiner die beschreven is in 7-3 (zie onze toelichting bij citaat 4)’.

Mijn commentaar: Ik ga hier niet ook citaat 4 en de hele toelichting bespreken (je ziet dat als je simpelweg wilt weten wat de commissie over twee voordrachten over Die Mission heeft geschreven je zo’n beetje een rondleiding krijgt door het complete rapport), maar bij citaat 4 wordt uitgelegd dat vanaf nu de mens zich steeds meer gaat losmaken van ras, stam, familie en andere groepsverbanden. Het gaat over het idee van de mens die de drempel over gaat en over de wachter bij de drempel, de ‘Hüter der Schwelle’. Maar ook hier zien we dat Steiner het weer heeft over de toekomst. Wellicht de nabije toekomst, al geeft hij hier, itt het vorige citaat, geen tijdsbepaling.

Citaat 20: Lezing van 24 juni 1908 te Neurenberg voor de leden van de theosofische vereniging in Die Apocalyps des Johannes, GA 104:

‘In unserem Zeitraum spielen ja Rasse und Kulturepoche noch durcheinander. Der eigentliche Rassebegriff hat seine Bedeutung verloren, aber er spielt noch immer hinein’.

Geen commentaar van de commissie, maar dit lijkt mij niet zo’n lastige. Het is maar hoe je het bekijkt; het glas is halfvol of half leeg. Dat het ras element zich op een bepaald moment oplost blijkt duidelijk uit verschillende teksten van Steiner, dat ben ik zeker met de commissie eens. De vraag is alleen wanneer? In Steiners tijd speelde het rasbegrip een nog zodanige rol dat de indianen net waren ‘ausgestorben’ (volgens Steiner althans). Wounded Knee was in 1890, dus niet eens zo gek lang daarvoor. Dus een niet geheel onbelangrijk deelaspect van zijn uiteenzettingen over de verschillende rassen, de ‘stervende indiaan’, was ook toen nog verrassend actueel (slechts 18 jaar na Wounded Knee, een zeer bekende gebeurtenis voor diverse Nederlandse antroposofen, al was Steiner waarschijnlijk wel precies op de hoogte van de feiten, die allemaal keurig worden opgesomd in Kuhlenbecks ‘Okkultismus der Nordamerikanische Indianer’, dat vrijwel zeker door Steiner geraadpleegd is). En dan te bedenken dat er door Dieter Brüll naar Zondergeld is geroepen dat het allemaal ging over de situatie van ‘vóór de Christelijke jaartelling!…’. Bovendien, het glas is pas echt leeg in het negende millennium (zie de passage van Zander). We hebben dus nog even de tijd.

Waar dit ook over gaat is dat de Atlantische tijd een indeling kende van zeven onderrassen. In de huidige tijd is er sprake van cultuurperiodes. Maar het is (althans tot nu toe) uitsluitend het blanke ras dat verschillende cultuurperiodes heeft gekend. Andere rassen, gedformeerd door de abnormale geesten van de vorm, deden daar niet aan mee, soms met dodelijke afloop. Wellicht dat er in de toekomst wel plaats is voor de hele mensheid, maar dan moeten de rasverschillen zijn opgeheven.

Citaat 21: Lezing van 16 augustus 1908 in Stuttgart voor de leden van de Theosofische Vereniging. Deze lezing is de 11 e in de lezingencyclus Welt, Erde und Mensch (GA 105):

‘Wenn man heute von Rasen spricht, bezeichnet man etwas, was nicht mehr ganz richtig ist, auch in theosophischen Handbüchern werden hier große Fehler gemacht. Man spricht davon, daß unsere Entwickelung sich so vollzieht, daß Runden, und in jeder Runden Globen, und in jedem Globus Rassen sich hintereinander entwickeln, so daß wir also in allen Epochen der Erdevolution Rassen haben würden. Das ist aber nicht so. Es hat zum Beispiel schon gegenüber der heutigen Menschheit keinen rechten Sinn mehr, von einen bloßen Rassenentwickelung zu sprechen. Von einer solchen Rassenentwickelung im wahren Sinne des Wortes können wir nur während der atlantische Entwickelung sprechen. Da waren wirklich in den sieben entsprechende Perioden die Menschen nach äußeren Physiognomien so sehr voneinander verschieden, daß man von anderen Gestalten sprechen konnte. Aber während es richtig ist, daß sich daraus die Rassen herausgebildet haben, ist es schon für die rückliegende lemurische Zeit nicht mehr richtig, von Rassen zu sprechen; und in unsere Zeit wird der Rassenbegriff in einer gewissen Weiser verschwinden, da wird aller von früher her gebliebener Unterschied nach und nach verwischt. Überbleibsel aus der Differenzierung sind, die sich in der atlantische Zeit herausgebildet hat. Wir können noch von Rassen sprechen, aber nur in einen solchen Sinne, daß der eigentliche Rassenbegriff seine Bedeutung verliert. -Was aber wird dann für ein Begriff an die Stelle des heutigen Rassenbegriffs treten?

Auch in der Zukunft, und mehr noch als in der Vergangenheit, wird die Menschheit sich sozusagen differenzieren, sich gliedern in gewisse Kategorien, aber nicht in aufgezwungene Kategorien, sondern die Menschen werden aus ihrer eigenen inneren geistigen Fähigkeit heraus dazu kommen, daß sie wissen, daß die Menschen zusammenarbeiten müssen zum gesamten sozialen Körper’.

Geen commentaar van de commissie. Wat ik hieruit afleid is dat Steiner zegt dat de onderrassen/cultuurperiodes van Atlantis duidelijk verdeeld waren naar ras. De Oer-Tolteken, de Oer-Semieten en de Oer-Akkadiërs zouden duidelijk raciaal van elkaar verschild hebben. Dat kun je natuurlijk moeilijk zeggen van de na-Atlantische cultuurperiodes/onderrassen (cultuurperiodes is inderdaad een meer correcte omschrijving). Wel zijn de na-Atlantische cultuurperiodes louter producten van het Arische/blanke ras, op de Egyptische-Chaldeeuwse cultuurperiode na (hoewel de cultuurperiodes van de oudheid vaak weinig te maken hebben met de echte geschiedenis van de oudheid, kun je moeilijk volhouden dat het Koptisch, de taal van het oude Egypte en de meeste talen van Mesopotamië Arisch of Indo-Europees waren. Dus dat zou je met recht een Semitische cultuurperiode kunnen noemen, daar de meeste talen van die beschavingen Semitisch waren). Maar Steiner zegt dat rassen dus overblijfselen zijn uit voorbije tijden. Het probleem blijft natuurlijk dat het enige ras dat er toe doet, het ras is dat de drager is van de achtereenvolgende cultuurperiodes. En dat is het blanke/Arische/Europese ras. Andere rassen doen er niet zoveel toe, zijn in regel ‘primitief’ en het loopt veelal slecht met ze af. Want de na-Atlantische culturen zijn in de antroposofie niet iets van de hele mensheid, maar uitsluitend van het blanke ras (met de nuance van de Egyptisch Chaldeeuwse cultuurperiode, die weer Semitisch zou moeten zijn, al vraag ik me af of Steiner dat zelf ook zo zag). Zie in dit verband ook zeker de Ariërmythe.

Als Steiner zegt dat er niet meer van rassen gesproken kan worden, bedoelt hij ‘rassen’ in de theosofische betekenis, om bij de terminologie van de commissie te blijven. Nu zijn er dus nog de gewone mensenrassen, die hij ook beschrijft in die Mission.

En ook hier zegt Steiner dat de rasverschillen pas in de toekomst verdwenen zullen zijn. Misschien dat dan de rest van de mensheid mag meedoen of wellicht zelf deel uitmaakt van een ‘cultuurimpuls’. Overigens, is het erg als er verschillende rassen bestaan? Het lijkt mij niet. Iets anders wordt het als je het ene ras bepaalde kwaliteiten gaat toedichten die het andere ras, op grond van het ‘rasmatige’ niet zou hebben. Dan kom je al redelijk snel in troebel vaarwater. En dat zie je bij Steiner voortdurend.

Citaat 22: Lezing van 12 juni 1909 te Boedapest voor leden van de Theosofische Vereniging in Das Prinzip der spirituellen Ökonomie im Zusammenhang mit Wiederverkörperungsfragen (deze lezing is de tiende in de cyclus Theosophie und Okkultismus des Rosenkreuzers, in Boedapest), GA 109:

‘Wenn der Mensch zum Beispiel den Impuls der Brüderlichkeit in sich entwickelt haben wird, dann wird die Rassenentwickelung aufhören, sie wird überwunden sein. In der sechsten Kultur werden die Menschen sich schon besser zu gliedern verstehen; die Rassebegriffe werden da nicht mehr gelten. Von innen heraus, vom Geistigen aus werden sich die Menschen da ordnen, und nicht mehr von außen her durch die physischen Zusammenhange’.

Geen commentaar van de commissie. Steiner zegt hier dat in de zesde cultuurperiode het ‘huidige rasbegrip’ (gewoon mensenrassen dus) niet meer zal gelden. Dat is iets eerder dan hij in Die Mission heeft gezegd (daar was het als de zesde cultuurperiode en de zevende cultuurperiode achter de rug zijn). Maar goed, wij zitten nu in het vijfde. Onze huidige vijfde cultuurperiode is begonnen in 1413 en zal eindigen in 3573 (de na-Atlantische cultuurperiodes duren 2160 jaar). De zesde cultuurperiode, waarin dit zou moeten gebeuren duurt dus tot 5733, al staat er in Die Mission einzelner Volksseelen zelfs dat dit proces pas na het zevende tijdperk voltooid zou moeten zijn. Volgens die berekening zou dat dus na 7893 moeten zijn, volgens Helmut Zander dus aan het begin van het negende millennium (komt het meest in de buurt). Kortom, we hebben nog even de tijd (op z’n aller vroegst in 3573, zoals je misschien uit dit citaat zou kunnen afleiden en volgens Zanders berekening, nav citaat 97 uit Die Mission, na 7893, dus rond 8000. Zander zegt ‘frühestens ungefähr im 9. Jahrtausend’, in het negende millennium, dus dat klopt wel ongeveer). Dan ziet de wereld er naar alle waarschijnlijkheid echt een beetje anders uit, met of zonder antroposofie.

Citaat 23: Lezing van 4 december 1909 te München voor leden van de Theosofische Vereniging, ‘Das Ich, der Gott im Innern und der Gott der äußeren Offenbarung’, in Die tieferen Geheimnisse des Menschheitswerdens im Lichte der Evangelien, GA 117:

Damit haben wir aber etwas ganz Wesentliches in der Entwickelung charakterisiert. Wenn wir es von einer andern Seite fassen wollen, zo können wir sagen, innerhalb der Entwickelung der Menschheit verliert immer mehr und mehr der Begriff, worin die Gruppenseelenhaftigheit am meisten ausdrückt, an Bedeutung, nämlich der Rassenbegriff. Wenn wir hinter die große atlantische Katastrophe zurückgehen, so sehen wir ja, wie sich die menschlichen Rassen vorbereiten. In der alten atlantische Zeit haben wir durchaus die Menschen gruppiert nach äußeren Merkmalen in ihrem Körperbau, noch viel starker als heute. Was wir heute Rassen nennen, das sind nur noch Überbleibsel jener bedeutsame Unterschiede der Menschen, wie sie in der alten Atlantis üblich waren. So recht anwendbar ist der Rassenbegriff nur auf die alte Atlantis. Daher haben wir, da wir rechnen mit einer wirklichen Entwickelung der Menschheit, für die nachatlantische Zeit gar nicht den Begriff der Rasse im eminentesten Sinne gebraucht. Wir sprechen nicht von einer indischen Rasse, persischen Rasse und so weiter, weil das nicht mehr richtig ist. Wir sprechen von einem altindischen Kulturzeitraum, von einem altpersischen Kulturzeitraum und so weiter’.

Een opmerking tussendoor: de voorbeelden die Steiner noemt, zowel de Indische als het Perzische volken zijn beide Arische bevolkingsgroepen, zowel in de werkelijke als de mythische zin van het woord (dat Duitsers Ariërs zouden zijn is dus een deel van de mythe) . En die verbinding werd ook in Steiners tijd, juist in Duitsland en Engeland (Brits Indië en zie ook Blavatsky) nadrukkelijk gelegd. Het woord Ariër komt er zelfs vandaan (‘Iran’ betekent in het Farsi ‘land der Ariërs’). Dus als er gesproken wordt van het Arische wortelras is dat ook niet zo vreemd dat beide ‘culturen’ tot dat ‘ras’ behoren en Steiner zag dat zelf ook zo, zie het slot van de vierde voordracht uit Die Mission, waar hij beide volkeren nadrukkelijk tot het blanke ras rekent. Ook in andere werken doet hij dat consequent. In vom Leben des Menschen zegt hij over het blanke ras: ‘Die weiße Rasse ist die zukünftige, ist die am Geiste schaffende Rasse. Wie sie nach Indien gezogen ist, bildete sie die innerliche, poe­tische, dichterische, geistige indische Kultur aus. Wenn sie jetzt nach dem Westen geht, wird sie eine Geistigkeit ausbilden, die nicht so sehr den innerlichen Menschen ergreift, aber die äußere Welt in ihrer Geistigkeit begreift’. Zie hier een effectieve samenvatting en toepassing van de Ariërmythe door Rudolf Steiner. De bovenstaand genoemde ‘Kulturzeiträume’ zijn dus verschillende manifestaties van dit ‘Arische ras’, althans dit verhaal volgt strikt de lijn van de Ariërmythe.
Verder met dit citaat:

‘Und vollends würde es jeden Sinn verlieren, wenn wir davon sprechen wollten, daß sich in unsere Zeit vorbereite eine sechste Rasse. Wenn noch in unserer Zeit Reste der alten atlantische Unterschiede, der alten atlantischen Gruppenseelen- haftigkeit vorhanden sind, so daß man noch sprechen kann davon, daß die Rassenentwickelung noch nachwirkt- was sich vorbereitet für den sechsten Zeitraum, das besteht gerade darinnen, daß der Rassecharakter abgestreift wird. Das ist das Wesentliche. Deshalb ist es notwendig, daß diejenige Bewegung, welche die anthroposophische genannt wird, welche vorbereiten soll den sechsten Zeitraum, gerade in ihrem Grundcharakter dieses abstreifen des Rassencharakters aufnimmt, daß sie nämlich zu vereinigen sucht Menschen aus allen Rassen, aus allen Nationen und auf diese Weise überbrückt diese Differenzierung, diese Unterschiede, diese Abgründe, die zwischen den einzelnen Menschengruppen vorhanden sind. Denn es hat in gewisser Beziehung physischen Charakter, was alter Rassenstandpunkt ist, und es wird einen viel geistigeren Charakter haben, was sich in die Zukunft hinein vollzieht.

Daher ist es so dringend notwendig, zu verstehen, daß unsere anthroposophische Bewegung eine geistige ist, die auf das Spirituelle sieht, und gerade das, was aus physischen Unterschieden herrührt, durch die Kraft der geistigen Bewegung überwindet. Es ist ja durchaus begreiflich, daß eine jede Bewegung sozusagen ihre Kinderkrankheiten hat und daß man in Anfang der theosophischen Bewegung die Sache so dargestellt hat, als wenn sozusagen die Erde in sieben Unterrassen; und daß das alles sich so stetig wiederholen würde, so daß man immer von sieben Rassen sprechen könnte und sieben Unterrassen. Aber man muß über die Kinderkrankheiten hinauskommen und klar sein darüber, daß der Rassenbegriff aufhört eine jegliche Bedeutung zu haben gerade in unsere Zeit.

Etwas anderes bereitet sich ferner vor- etwas, das mit der Individualität des Menschen in ganz eminentem Sinne zusammenhängt- im Individueller- Werden und immer Individueller- Werden der Menschen. Es handelt sich nur darum, daß diese Individualität es im rechten Sinne wird, und dazu soll nun die anthroposophische Bewegung dienen, daß die Menschen im rechten Sinne Individualitäten werden’.

Dit is een buitengewoon lang citaat, waar veel over te zeggen valt. Maar eerst het commentaar van de commissie. Wat heeft die te melden? ‘NB In1909 was de Antroposofische Vereniging nog niet opgericht. De uitgever heeft kennelijk in deze tekst twee keer ‘theosofische beweging’ veranderd in ‘antroposofische beweging’. Dit is waarschijnlijk gebeurd om aan te duiden dat Steiner in de antroposofische beweging, die onlosmakelijk met zijn naam verbonden is, hetzelfde nastreefde als daarvoor in de theosofische beweging’.

Dat is alles wat de commissie te melden heeft. We mogen vooral niet denken dat Steiner ooit theosoof is geweest, zelfs toen hij nog lid was van de theosofische vereniging. Wat een sektarisch haarkloverij. En het is jammer dat de commissie het hierbij laat, want in dit citaat wordt verder veel interessants gezegd. Maar eerder opperde ik op ‘racisme-debat’ dat het wellicht erger is om te beweren dat Steiner een theosoof is geweest of zelfs iets heeft overgenomen, of misschien geïnspireerd was door Helena Blavatsky, dan te beweren dat Steiner een racist was. Terwijl  er in beide beweringen een kern van waarheid zit, of iets voorzichtiger, voor beide valt wel een klein beetje wat te zeggen. Maar dat de commissie het bij een sektarische sneer laat, terwijl juist dit citaat zoveel mogelijkheden biedt, is wel fascinerend. Want Steiner zegt veel interessante dingen. De vraag is alleen of dit de eerdere conclusies onderuit haalt.

Er valt veel opmerkelijks uit te destilleren. Om te beginnen uit het eerste gedeelte. Steiner stelt dat er in de Atlantische tijd daadwerkelijk sprake was van onderrassen. De cultuurperiodes aldaar vertegenwoordigden veelal een ‘ras’, zoals de Oer Tolteken, de Oer Toeraniërs, de Oer-Semieten (de voorouders van zowel de Semieten als de Ariërs, waaruit, expliciet vermeld, het nieuwe ras of wortelras voortkwam) en de Oer Mongolen (voorouders van de huidige Mongolen). Dit is allemaal na te gaan in mijn eerdere bespreking van de Akasha-kroniek en dan vooral bij de behandeling van het hoofdstuk ‘Unsere Atlantische Vorfahren.’[159]

De na-Atlantische cultuurperiodes echter zijn vooral producten van het nieuwe ras dat uit de Oer Semieten was voortgekomen. Daarover is Steiner in de Akasha-kroniek bijzonder expliciet. Het gaat hier om het ‘Arische ras’. Nu wordt het begrip ‘Ariër’ door Steiner wel heel breed gehanteerd, maar de cultuurperiodes volgen de lijn van oost naar west, van India (waar de bron van het Ariërdom zou liggen), via Perzië, met een klein ‘Semitisch uitstapje’ naar de Chaldeeuwse en de oud-Egyptische cultuur (al vraag ik me af of Steiner dat zo zag), via Griekenland en Rome naar West en centraal Europa. Vandaar waaiert het uit naar Amerika, waar de indianen ondertussen zelf bezig zijn geweest om krachten te verwerven om uit te sterven. Maar de cultuurperiodes zijn (itt de onderrassen van Atlantis) het product van een ras, niet van meer rassen. Daar laat Steiner op vele plaatsen in zijn oeuvre geen misverstand over bestaan. De rest is, door de abnormale geesten van de vorm gedeformeerd restmateriaal, om het wat bot maar duidelijk uit te leggen, dat soms het lootje legt en soms in de schaduw van de toekomstige cultuurperiodes verder blijft bestaan. Pas in de toekomst zal dat smaldeel verdwijnen of opgaan in de algemene hoofdstroom en zal de verdere mensheidsontwikkeling volgens andere parameters verlopen.

Steiner heeft het over de gevaren van het denken in ‘rassen’ (verbeter de wereld begin bij jezelf zou je meteen denken), maar hij doet dit in de context van de ‘voorbereiding’ op de zesde cultuurperiode, de toekomst, waarin de factor ras uiteindelijk alle betekenis zal verliezen. Hij benadrukt ook dat er geen herhaling gaat plaatsvinden van bijvoorbeeld de ontwikkeling van Atlantis (zeven achtereenvolgende onderrassen, die de dominante cultuur vormden), maar dat de huidige ontwikkeling van cultuurperiodes (vooralsnog een nogal Arische aangelegenheid) er uiteindelijk voor gaat zorgen dat alle rasverschillen hun betekenis gaan verliezen en dat de antroposofie uiteindelijk tot heil van de hele mensheid is. Daar wordt nu een begin aan gemaakt, maar dit zal gerealiseerd worden in de zesde cultuurperiode. Daar komt dit verhaal op neer.

Alleen, het is wederom toekomstmuziek. Bovendien vraag ik me dan weer af of de antroposofie wel de weg zou kunnen zijn naar die ‘rasloze toekomst’ (weet ook niet of dat weer zo positief is), als er binnen diezelfde levensbeschouwing op zo’n botte manier onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende mensenrassen. Maar dat is slechts mijn idee. Vooralsnog blijkt ook hier dat het om toekomstmuziek gaat, al vindt Steiner zelf dat er nu alvast het goede voorbeeld moet worden gegeven (en als er een iemand dat niet doet is het Rudolf Steiner zelf wel, met zijn rassentheorieën). Tot zover deze opmerkelijke en alleszins interessante passage.

Citaat 24: Uit Die Geheimwissenschaft im Umriß, oorspronkelijk verschenen in maart 1910, GA 13, hoofdstuk Die Weltentwickelung und der Mensch (dit hoofdstuk, overigens ruim boven de honderd pagina’s, is online te raadplegen op http://www.anthroposophie.net/steiner/ga/bib_steiner_ga_013_04.htm#_Toc14861974 )

‘Es sind oben die Verhältnisse geschildert worden, welche in der Entwickelung der Menschheit seit der Wiederbevölkerung der Erde in der lemurischen Zeit gewirkt haben. Die Menschen sind demgemäß seelisch auf verschiedene Wesenheiten zurückzuführen, welche aus anderen Welten kommend in dem Leibesnachkommen der alten Lemurier sich verkörperten. Die verschiedenen Menschenrassen sind eine Folge dieser Tatsache. Und in den wiederverkörperten Seelen traten, infolge ihres Kharmas, die verschiedensten Lebebsinteressen auf. Solange alles das nachwirkte, konnte es das Ideal der ‘allgemeine Menschlichkeit’ geben. Die Menschheit ist von einer Einheit ausgegangen; aber bisherigen Erdenentwickelung hat zur Sonderung geführt. In der Christus-Vorstellung ist zunächst ein Ideal gegeben, das alle Sonderung entgegenwirkt, denn in dem Menschen, den Christusnamen trägt, leben auch die Kräfte des hohen Sonnenwesens, in denen jedes menschliche Ich seinen Urgrund findet. Noch da israelitische Volk fühlte sich als Volk, der Mensch als Glied seines Volkes. Indem zunächst in dem bloßen Gedanken erfaßt wurde, daß in Christus Jesus der Idealmensch lebt, zu dem Bedingungen der Sonderung nicht dringen, wurde das Christentum das Ideal der umfassenden Brüderlichkeit. Über alle Sonderinteressen und Sonderverwandtschaften hinweg trat das Gefühl auf, daß des Menschen innerstes Ich bei jedem den gleichen Ursprung hat. (Neben allen Erdenvorfahren tritt der gemeinsame Vater aller Menschen auf. ‘Ich und der Vater sind Eins’)’.

Commentaar Commissie: ‘In miniatuurvorm wordt hier verleden en toekomst van rassen geschilderd. Het ontstaan van de rassen ligt in de Lemurische tijd, het tijdperk vóór Atlantis, in een gebied tussen Afrika en Indië, dat nu door de Indische Oceaan bedekt wordt. De overwinning van het verschijnsel ras is volgens Steiner in de voorstelling van Christus te zoeken, die in wezen het ideaal vertegenwoordigt van ‘algemene menselijkheid’, onafhankelijk van ras- of andere onderscheidingen.

Deze passage komt wellicht nog het meest in de buurt van de stelling van Dieter Brüll, dat alle rasverschillen na de komst van Christus hun betekenis zouden hebben verloren. Maar nu een probleem. Wat te doen met de rassen die moesten uitsterven? Dat is namelijk niet gebeurd (voor zover die rassen ook daadwerkelijk zijn uitgestorven). Steiner zegt in hetzelfde hoofdstuk namelijk het volgende (elders in het rapport besproken). Eerst het citaat, dan het commentaar van de commissie en vervolgens het eerdere commentaar van mijzelf (eerder verschenen in ‘racisme-debat’):

Steiner in Geheimwissenschaft (Die Weltentwickelung und der Mensch): Citaat 48:

‘Diejenigen Menschen-Rassen-Formen, welche sich vor diesem Zeitraum verfestigt hatten, konnten sich zwar lange fortpflanzen, doch wurden nach und nach die in ihnen sich verkörpernden Seelen so beengt, daß die Rassen aussterben mußten. Allerdings erhielten sich gerade manche von diesen Rassenformen bis in die nach-atlantischen Zeiten hinein; die genügend beweglich gebliebenen in veränderter Form sogar sehr lange. Diejenigen Menschenformen, welche über den charakterisierten Zeitraum hinaus bildsam geblieben waren, wurden namentlich zu Körpern für solche Seelen, welche in hohem Maße den schädlichen Einfluß des gekennzeichneten Verrats erfahren haben. Sie waren zu baldigem Aussterben bestimmt.
Es hatten sich demnach seit der Mitte der atlantischen Entwickelungszeit Wesen im Bereich der Menschheitsentwickelung geltend gemacht, welche dahin wirkten, daß der Mensch sich in die sinnlich-physische Welt in einer ungeistigen Art hineinlebte. Das konnte so weit gehen, daß ihm statt der wahren Gestalt dieser Welt Trugbilder und Wahnphantome, Illusionen aller Art erschienen. Nicht nur dem luziferischen Einfluß war der Mensch ausgesetzt, sondern auch demjenigen dieser anderen Wesen, auf die oben hingedeutet worden ist und deren Führer nach der Benennung, die er später in der persischen Kultur erhalten hat, Ahriman genannt werden möge. (Der Mephistopheles ist dasselbe Wesen.) Durch diesen Einfluß kam der Mensch nach dem Tode unter Gewalten, welche ihn auch da nur als ein Wesen erscheinen ließen, welches den irdisch-sinnlichen Verhältnissen zugewandt ist. Der freie Ausblick in die Vorgänge der geistigen Welt wurde ihm immer mehr genommen. Er mußte sich in der Gewalt des Ahriman fühlen und bis zu einem gewissen Maße ausgeschlossen sein von der Gemeinschaft mit der geistigen Welt’.

Commentaar Commissie van Baarda: NB in het volgende citaat komen de woorden ‘Menschen-Rassen-Formen’ en ‘Rassenformen’ voor, dat wil zeggen de vormen van menselijke rassen. Het woord vorm staat hier voor, dat wil zeggen de vormen van menselijke rassen. Het woord vorm staat hier voor het uiterlijk van het menselijk lichaam. Door dit woord te verbinden aan het woord ras legde Steiner er nog eens de nadruk op, dat ras bij het uiterlijk van de menselijke vorm hoort, het is de (lichamelijke) vorm waarin hij incarneert, niet zijn eigenlijke wezen. Omdat er geen zielen meer konden incarneren stierven de meeste Atlantische rassen uit (p. 303)

Mijn commentaar: Steiner zegt nog iets weliswaar: ‘… doch wurden nach und nach die in ihnen sich verkörpernden Seelen so beengt, daß die Rassen aussterben mußten’, maar meteen daarna: ‘Allerdings erhielten sich gerade manche von diesen Rassenformen bis in die nach-atlantischen Zeiten hinein; die genügend beweglich gebliebenen in veränderter Form sogar sehr lange’. Dus dit gaat wel over ‘rassen van de na-Atlantische tijd’. En nogmaals, ‘uitsterven’ lijkt me vrij wezenlijk, ook als je in reïncarnatie gelooft.
Steiner in Die Mission (1910) 6e voordracht: ‘Man fühlt etwas von dieser wirklich okkulten Wirksamkeit, wenn man noch im neunzehnten Jahrhundert sieht, wie ein Vertreter dieser alten Indianer davon spricht, daß in ihm lebt, was vorher für die Menschen groß und gewaltig war, das aber die Weiterentwickelung unmöglich mitmachen konnte. Es existiert die Schilderung einer schönen Szene, bei welcher ein Führer der untergehenden Indianer einem europäischen Eindringling gegenübersteht. Denken Sie sich, was da Herz gegen Herz fühlt, indem sich zwei solche Menschen gegenüberstehen: Menschen, die von Europa herüberkamen, und Menschen, die in frühester Zeit, als die Rassen verteilt wurden, nach Westen hinübergegangen sind. Da haben die Indianer nach Westen hinübergenommen alles, was groß war in der atlantischen Kultur. Was war für den Indianer das Größte? Es war, daß er noch ahnen konnte etwas von der alten Größe und Herrlichkeit eines Zeitalters, das in der alten atlantischen Zeit vorhanden war, wo noch wenig um sich gegriffen hatte die Rassenspaltung, wo die Menschen hinaufschauen konnten nach der Sonne und wahrzunehmen vermochten die durch das Nebelmeer eindringenden Geister der Form. Durch ein Nebelmeer blickte der Atlantier hinauf zu dem, was sich für ihn nicht spaltete in eine Sechs- oder Siebenheit, sondern zusammenwirkte. Das, was zusammenwirkte von den sieben Geistern der Form, das nannte der Atlantier den Großen Geist, der in der alten Atlantis dem Menschen sich offenbarte. Dadurch hat er nicht mit aufgenommen das, was die Venus-, Merkur-, Mars- und Jupiter-Geister bewirkt haben im Osten. Durch dieses haben sich gebildet alle die Kulturen, die in Europa in der Mitte des neunzehnten Jahrhunderts zur Blüte gebracht wurden. Das alles hat er, der Sohn der braunen Rasse, nicht mitgemacht. Er hat festgehalten an dem Großen Geist der urfernen Vergangenheit

De opheffing van de rasverschillen door de komst van Christus is dus maar zeer betrekkelijk en geldt kennelijk niet voor de oorspronkelijke bevolking van Noord en Zuid Amerika. Dat waren blijkbaar restanten van de Atlantische tijd, die kennelijk te lang hebben doorgeleefd: Diejenigen Menschen-Rassen-Formen, welche sich vor diesem Zeitraum verfestigt hatten, konnten sich zwar lange fortpflanzen, doch wurden nach und nach die in ihnen sich verkörpernden Seelen so beengt, daß die Rassen aussterben mußten. Allerdings erhielten sich gerade manche von diesen Rassenformen bis in die nach-atlantischen Zeiten hinein; die genügend beweglich gebliebenen in veränderter Form sogar sehr lange. Diejenigen Menschenformen, welche über den charakterisierten Zeitraum hinaus bildsam geblieben waren, wurden namentlich zu Körpern für solche Seelen, welche in hohem Maße den schädlichen Einfluß des gekennzeichneten Verrats erfahren haben. Sie waren zu baldigem Aussterben bestimmt.

Over dit verraad spreekt Steiner iets daarvoor. Hij heeft het over het ‘verraad van de Vucanusgeheimen’, waardoor een deel van de mensheid onder invloed kwam te staan van ‘lagere geestelijke wezens’. Deze zorgden ervoor dat verschillende soorten mensen (rassen) zich te vroeg verhardden, waardoor zij weliswaar nog een tijd mee konden gaan, maar uiteindelijk voorbestemd waren om uit te sterven. Zie hier weer een andere omschrijving van wat er met de indianen gebeurd zou zijn.

De hier naar voren gehaalde passage uit Geheimwissenschaft door de commissie, wordt op andere plaatsen (in hetzelfde hoofdstuk) weer sterk gerelativeerd. Je zou er wel uit kunnen afleiden dat de komst van Christus eventueel de ontwikkeling in gang zet die zou moeten leiden tot het opheffen van de rasverschillen. Maar als we in andere teksten van Steiner zien wanneer dit voltooid zou moeten zijn, staan we nog maar aan het begin van die ontwikkeling (Christus leefde slechts 2000 jaar geleden, dus bijna verwaarloosbaar als we dat afzetten tegen de reusachtige tijdschalen waar Rudolf Steiner het normaal gesproken over heeft). En Steiner zegt in Die Mission einzelner Volksseelen ‘wenn man noch im neunzehnten Jahrhundert sieht’. En dan heeft hij het over het ‘te gronde gaan’ van de indianen, dus niet over een kleinigheidje.

Citaat 25: Dit citaat is de passage uit de vierde voordracht van Die Mission einzelner Volksseelen die ook door Helmut Zander besproken wordt (dus ook citaat 97, om het makkelijker te maken, kortom bijzonder praktisch dat de commissie geen eenduidige nummering hanteert). Nog een keer:

Aus dem, was ich jetzt gesagt habe, werden Sie erkennen, in welchem Zeiträume der Evolution es erst einen Sinn hat, von dem Rassenbegriff zu sprechen. Es hat keinen Sinn – im eigentlichen Sinne des Wortes -, vor der lemurischen Zeit von einem Rassenbegriff zu sprechen, denn in dieser Zeit steigt der Mensch erst auf die Erde herab. Vorher war er im Umkreis der Erde; dann kam er auf die Erde, und es vererbten sich die Rassenmerkmale in der atlantischen Zeit und bis herein in unsere nachatlantische Epoche. Wir werden sehen, wie in unserer Zeit die Volksmerkmale das sind, was die Rassencharaktere wieder auseinander bringt, was sie wieder auszulöschen beginnt. Das alles werden wir noch später sehen. Wir müssen uns jetzt nur hüten, die Welt so zu betrachten, als ob die Evolution nur wie ein Rad wäre, das anfangs- und endlos um sich herumrollte; die Vorstellung von dem rollenden Rad, die in mancher mystischen Weltanschauung so breit ausgeführt wird, bringt eine furchtbare Verwirrung in den Begriff der eigentlichen Menschheitsevolution. Wenn man sich den Vorgang so vorstellt, daß sich alles sozusagen wie um ein bleibendes Zentrum herum bewegt, wobei es in soundsoviele Rassen gegliedert ist, dann hat man eigentlich keinen Begriff davon, daß alles sich in Entwickelung befindet, und daß auch die Rassen sich entwickeln. Die Rassen sind entstanden und werden einmal vergehen, werden einmal nicht mehr da sein. Sie wiederholen sich nicht etwa immer in der gleichen Art, wie es bei Sinnett falsch im «Esoterischen Buddhismus» dargestellt wird. In der alten lemurischen Zeit müssen wir das Aufgehen der Rassenmerkmale, der Rasseneigentümlichkeiten suchen; wir müssen dann deren Sich-Fortpflanzen bis in unsere Zeit verfolgen, müssen uns dabei aber klar sein, daß, wenn unsere gegenwärtige fünfte Entwickelungsepoche von der sechsten und siebenten abgelöst wird, keine Rede mehr sein kann von einem Zustande, den wir als Rasse werden bezeichnen können.

De commissie geeft hier geen verder commentaar (waarom eigenlijk niet?? want dit citaat is bijzonder duidelijk, zoniet doorslaggevend. De commissie heeft dit ook niet gedaan op een andere plaats in het rapport). Mijn eerdere commentaar: ‘Bovenstaand zegt Steiner hier iets cruciaals: ‘In der alten lemurischen Zeit müssen wir das Aufgehen der Rassenmerkmale, der Rasseneigentümlichkeiten suchen; wir müssen dann deren Sich-Fortpflanzen bis in unsere Zeit verfolgen, müssen uns dabei aber klar sein, daß, wenn unsere gegenwärtige fünfte Entwickelungsepoche von der sechsten und siebenten abgelöst wird, keine Rede mehr sein kann von einem Zustande, den wir als Rasse werden bezeichnen können’.  Hij zegt dat in de oude Lemurische tijd, dus in een veel eerder ontwikkelingsstadium van de mens (een nauwkeurige toelichting volgt bij de bespreking van de Akasha-kroniek), de rassen op verschillende punten op aarde zijn ontstaan. De raskenmerken worden tot op heden overgeërfd. Maar als ons huidige tijdperk (het vijfde) wordt afgelost door het zesde en het zevende, zou er geen reden meer zijn om van ‘rassen’ te spreken. Dit is essentiële informatie. Veel antroposofen die voor Steiner in de bres zijn gesprongen, komen vaak met het argument dat de rasverschillen in het verleden een rol speelden, maar dat de betekenis daarvan zou zijn uitgewerkt. Bijvoorbeeld Dieter Brüll in zijn roemruchte artikel De Nieuwe Reactionairen, waarin hij zich niet zozeer met Steiner zelf bezighoudt, maar meer met de verdediging van de zeer omstreden antroposoof Sigismund von Gleich tegen de kritiek van historicus Gjalt Zondergeld: ‘Omdat de duvel met Zondergeld speelt, heeft hij precies de verkeerde ‘racist’ te pakken. Zeker, hij werkte Steiners ‘rassenleer’ uit voor de voor-Christelijke tijd (daarna hebben in de zienswijze van Steiner rassenverschillen hun betekenis verloren). Maar hij was juist een fervente Nazi-bestrijder van het eerste uur, die nimmer een steekje heeft laten vallen’.[160] Dit is alles wat Brüll over deze kwestie te zeggen heeft. Het lijkt mij een beetje mager voor een verdediging van Rudolf Steiner en bovendien is het ook nog incorrect’.

Tot zover mijn eerdere commentaar. Het commentaar van Zander sloeg dus op deze passage: ‘Die Rassenentstehung, die erst in der lemurischen Zeit begonnen habe, werde in der sechsten und siebten »Entwickelungsepoche« verschwinden (ebd.), das heißt: frühestens ungefähr im 9. Jahrtausend. Für eine politische Erledigung der Rassenfrage und für die Geltung von Steiners Rassentheorien ist dies eine lange, eine zu lange Zeit’.

Ik denk dat hiermee dit citaat wel genoeg behandeld is. Mijn eerdere bewering dat Brülls stelling incorrect is, lijkt vooralsnog geldig te zijn, al heeft Steiner elders wel gesuggereerd dat de komst van Christus het begin zou kunnen zijn, of hooguit een ontwikkeling in gang heeft gezet, die zou leiden naar de uiteindelijke opheffing van de rasverschillen in de verre toekomst. Maar zover zijn we dus nog lang niet.

Opvallend is, nogmaals, dat de commissie dit citaat zonder commentaar weergeeft. Elders in het rapport, bij de citaten uit Die Mission einzelner Volksseelen, wordt er naar deze plaats verwezen voor commentaar. Maar aan dit specifieke citaat wil de commissie kennelijk haar vingers niet branden, of heeft er geen antwoord op. Terwijl deze passage meer dan duidelijk is en ook nog afkomstig uit Steiners allerbelangrijkste cyclus over de rassenkwestie. En Steiner beschouwde deze cyclus ook als buitengewoon belangrijk, zoals de commissie elders duidelijk heeft aangegeven. Reden te meer om deze passage zwaar te laten meewegen. En Steiner is hier meer dan duidelijk.

Citaat 26: Lezing van 2 december 1911 te Neurenberg voor leden van de Theosofische Vereniging in Das esoterische Christentum und die geistige Führung der Menschheit, GA 130: ‘Das ist das Eigentümliche der Menschheitsentwickelung aber, daß alte, nicht so sehr mit der geistigen Entwickelung zusammenhängende Eigenschaften der Menschen immer mehr und mehr ihre Bedeutung verlieren. Wenn wir die Menschheitsentwickelung seit der atlantische Katastrophe überblicken, so können wir sagen: Von den großen Unterschieden, die sich in der atlantische Zeit vorbereitet haben, haben sich hereingelebt in die gegenwärtigen Menschen die Unterschiede, die wir als Rassenunterschiede bezeichnen, und wir können in einem gewissen Sinne noch sprechen von einer altindischen Rasse, von einer urpersische Rasse, von einer ägyptischen Rasse, von einer griechisch-lateinischen Rasse, selbst noch in unserer Zeit können wir von einer Art fünften Rasse sprechen. Aber jetzt schon hört der Rassenbegriff auf, in Bezug auf die Entwickelung der Menschheit einem rechten Sinn zu haben. Nicht wird es so sein, wie es zum Beispiel in früheren Zeiten war, daß das, was als sechster Kulturzeitraum auf den unserigen folgt, von irgendeinem räumlichen Zentrum aus die Verbreitung dieser Kultur im wesentlichen geschieht, sondern, was wichtig ist, das ist, daß Theosophie sich verbreitet unter der Menschheit, daß sie- wie man bei ihrem Ursprunge sagte, als man noch mehr ein dunkles Bewußtsein von dem gehabt hat, was als theosophische Bewegung notwendig ist- eine Lehre sein muß ohne Unterschied von Rasse, Nation und Geschlecht. Aus allen Rassen heraus werden diejenigen, die durch die Geisteswissenschaft gegangen sind, für die sechste Kulturepoche kommen und über die Erde hin eine neue Kulturepoche begründen, welche nicht mehr auf einen Rassenbegriff gegründet ist, gegenüber welcher Rassenbegriff nicht mehr seine Bedeutung hat. Kurz, das, was in der Welt der Maja, der äußeren Räumlichkeit, eine Bedeutung hat, schwindet dahin. Das müssen wir allmählich verstehen lernen, indem wir uns weiter entwickeln mit der geisteswissenschaftlichen Bewegung. Das wurde im Anfange noch nicht verstanden. Deshalb sehen wir, wie das sonst so verdienstvolle Buch ‘Der buddhistische Katechismus’ von Olcott, wenn wir es durchlesen, etwas hervorruft, als wenn sich Rassen immer gleichartig abwickeln wie Räder. Aber diese Begriffe verlieren ihre Bedeutung für die nächste Zeit, und wir müssen uns klar sein, daß diese Anfangsstadien der theosophischen Bewegung überholt sind und daß wir für die sechste Kultureperiode dem Rassenbegriff keinen rechten Sinn mehr beilegen können.

Geen commentaar van de commissie. Dit is op zich een interessant citaat, waarin veel ter sprake komt. Steiner spreekt weer van het theosofische rasbegrip en stelt zelfs dat de eerste na-Atlantische cultuurperiodes nog enigszins als ‘onderrassen’ konden worden omschreven. Alleen voor de ontwikkelingsgang van de cultuurperiodes verliest het rasbegrip alle betekenis.  Maar dit geldt natuurlijk alleen voor de ‘onderrassen’ of ‘cultuurperiodes’, in de na-Atlantische tijd allen producten van het ‘blanke ras’ (zelfs de commissie van Baarda is daar elders in het rapport buitengewoon expliciet over, zal ter sprake komen bij het laatste citaat van deze reeks). De indianen en anderen komen in dit verhaal niet voor, of spelen, als decadente overblijfselen van Atlantis, geen rol in deze prachtige ontwikkeling.

Het begrip ras heeft ook hier pas weer in de toekomst zijn betekenis verloren, in dit geval in de zesde cultuurperiode (wij zitten nu in de vijfde). Dat is iets eerder dan wat hij in Die Mission zegt, maar toch nog in de verre toekomst. Steiner herhaalt hier nog iets dat we eerder hebben gezien in de vierde voordracht van Die Mission. Hij bekritiseert wederom de theosoof Olcott en zijn ‘Esoteric Buddhism’, die stelt dat de rassenontwikkeling een cyclisch proces is, waarin alles wordt herhaald. Steiner stelt dat de ontwikkeling niet strikt cyclisch is en dat in de toekomst de mensheid zich volgens andere parameters zal ontwikkelen. Maar zover is het dus nog niet. Hooguit zitten we in een overgangsfase. En wederom, voor de indianen is het te laat, want die zijn ‘im neunzehnten Jahrhundert ausgestorben’. Tamelijk recent dus, als we kijken over wat voor kolossale tijdseenheden Steiner spreekt wanneer het over de ‘opheffing van de rassen’ gaat.

Citaat 27: Lezing van 20 juni te Berlijn voor leden van de Theosofische Vereniging in Der irdische und der kosmische Mensch, GA 133

Je weiter wir in die Zukunft hineingehen, desto mehr wird der äußere Mensch ein Ausdruck der Individualität werden, die von Inkarnation zu Inkarnation geht. Das heißt, in einer und derselben Familie werden sich- was jetzt schon bis zu einem hohen Grade der Fall ist, und niemand, der Augen dafür hat, kann es ableugnen- die Gesichter immer unähnlicher gestalten, und auch die sonstigen Ausdrücke der menschlichen Gestalt, und das aus dem Grunde, weil sie Ausdrücke der menschlichen Gestalt, und das aus dem Grunde, weil sie als Ausdrücke nicht mehr sein werden der Familienausdruck oder der Rassenausdruck, sondern immer mehr und mehr der Ausdruck der einzelnen menschlichen Individualität, die von Inkarnation zu Inkarnation geht. Heute schon kann derjenige, der mit diesem Wissen der Geisteswissenschaft ausgerüstet ist, wenn er nur wirklich die Menschen über die ganze Erde hin anschaut, soweit es ihm möglich ist, sehen, wie neben den vererbten Rassen, Familien und sonstigen Eigentümlichkeiten immer auftreten individuellere und individuellere Gesichts- und Kopfbildungen und so weiter, immer individuellere Physiognomien.

(…)

Es ist jeder wirklichen Erkenntnis der Geisteswissenschaft zuwiederlaufend, wenn davon gesprochen würde, daß in demselben Sinne, wie es in der Vergangenheit führende Rasse geben würde, die noch Naturmerkmale namentlich hervorgebracht würde. Die uralt Indische Kultur war getragen von einer führenden Rasse (Ariërmythe en het onjuiste idee dat de hoogste kastes blank zouden zijn, FS), die alte persische Kultur war getragen von einer führende Rasse, ebenso die ägyptische-chaldäische Kultur und die Griechisch-lateinische Kultur. Heute schon sehen wir, wie im Grunde genommen die Kultur nicht mehr getragen wird von einer führenden Rasse unmittelbar, sondern wie die Kultur sich über alle Rassen ausbreitet. Und die Geisteswissenschaft soll ja gerade dasjenige sein, was ohne Unterschied der Rasse und Stämme die Kultur über die ganze Erde trägt, insofern die Kultur Geisteskultur ist.

(…)

Und wenn Theosophie ihren guten alten Grundsätzen treu bleiben soll, so wird sie- trotzdem sie zu ihrem ersten Grundsatze hat, ohne Unterschied von Rassen- und Farbeigentümlichkeiten und so weiter, eine Kultur begründen- gar nicht darauf verfallen können, eine Zukunftskultur zu erhoffen von einer einzelnen besonderen Rasse.

Geen commentaar van de commissie. Eigenlijk zijn dit drie verschillende ‘citaten’, die over drie verschillende zaken gaan. Dus laten we de bespreking ook maar in drieën delen.

Het eerste gedeelte: Steiner beweert dat in de toekomst de rasverschillen worden opgeheven (we hebben het eerder gezien en het zal nog vaak terugkomen). Deze opheffing zou echter zo ver gaan dat alle uiterlijkheden, normaalgesproken doorgegeven door de erfelijkheid gaan verdwijnen. Dat gaat zelfs voor de ‘materialistische wetenschap’ wel heel ver. Want er worden wel eigenschappen door de erfelijkheid doorgegeven, al zit het niet zo simpel in elkaar dat het ene ras slimmer is dan het andere ras, om maar iets te noemen. Maar uiteindelijk zullen er theoretisch kinderen geboren kunnen worden, die in niets op hun ouders lijken. In die zin is ook Steiners erfelijkheidsleer wat vreemd. Misschien had Steiner, toen hij het voorbeeld noemde van dat zwangere vrouwen, als ze ‘negerromans’ zouden lezen, ze een mulattenkind zouden baren, het wel over die toekomstige situatie (dat blijf ik nog steeds een vreemd citaat vinden en wellicht was dat wel echt een ongelukkige uitglijder). Bij Steiner zijn op dat gebied de gekste dingen mogelijk. Maar hij spreekt hier wederom over de toekomst.

In het volgende stukje zegt Steiner dat de voorafgaande na-Atlantische cultuurperiodes werden gedomineerd door een ras (wellicht ‘onderras’ in de theosofische zin). Hij zegt dat de huidige cultuurperiode niet meer ‘zonder meer’, of ‘exclusief’ (‘unmittelbar’) wordt gedragen door een ras, omdat deze cultuur zich over andere rassen verspreidt. Maar hoe ontlastend is dit? Het feit dat de Europese cultuur (het ‘Arische ras’ heet het onvervalst in verschillende werken van Steiner) zich over de wereld aan het verspreiden is, zegt weinig over Steiners waardering van de andere rassen. En we hebben elders gezien hoe hij daarover dacht, ook in Die Mission einzelner  Volksseelen. Daar zegt hij in de zesde voordracht overigens hetzelfde; het is de Europese cultuur die zich over de wereld verspreidt en de drager is van deze nieuwe cultuur. Hetzelfde hebben we gezien in de arbeidersvoordracht uit 1923, waar Steiner het blanke ras het ras van de toekomst noemt (gek genoeg heeft de commissie de paar zinnen daarvoor ook in deze verzameling opgenomen, maar dit zal als laatste besproken worden).

Dit ligt ook in de lijn met het derde gedeelte van deze passage. Het interessante is, dat hij zelfs het motto van Blavatsky’s Geheime Leer aanhaalt. Dit luidt (in de Fricke vertaling): ‘Dit werk wijdt ik aan alle ware Theosofen van alle landen en alle rassen’. Klopt dus precies, alleen begint Blavatsky meteen na dit motto in het voorwoord als volgt (eerste alinea van het ‘voorbericht’ van De Geheime Leer): ‘Schrijfster- of veeleer opschrijfster (ook HPB was helderziend en fungeerde als doorgeefluik van alles wat uit gene zijde tot haar kwam, FS)-gevoelt zich verplicht hare verontschuldigingen aan te bieden voor de groote vertraging, die het verschijnen van dit werk ondergaan heeft. Deze is veroorzaakt door ongesteldheid en de uitgebreidheid der taak. Zelfs de thans uitgegeven twee delen omvatten nog niet het geheele onderwerp, ook worden daarin aangeroerde onderwerpen niet volledig behandeld. Reeds ligt een groote hoeveelheid stof klaar, die handelt over de geschiedenis van het occultisme in verband met de levensgeschiedenis van de groote Adepten van het Arische Ras (?! FS) en den invloed aantoont van de occulte wijsbegeerte op het levensgedrag, zooals dit is en zooals dit behoorde te zijn. Indien aan deze beide deelen een gunstig onthaal te beurt valt, zal geen moeite gespaard worden om het plan van dit werk in zijn vollen omvang uit te voeren. Het derde deel is geheel gereed, het vierde bijna’.[161]

Al is dit werk dus opgedragen aan ‘alle mensen van alle rassen’, in de eerste alinea, waarin verder vooral praktische mededelingen staan, windt HPB er geen doekjes om dat het Arische ras in haar verder omvangrijke werk centraal staat.

Tot zover Blavatsky en verder met Steiner. In dit citaat verwijst Steiner weer naar de toekomst, waarin er een nieuwe cultuur te verwachten is, van een apart en nieuw ras (wellicht het nieuwe ‘rasloze’ ras). Maar zover is het dus nog niet. Wederom toekomstmuziek.

Na deze reeks citaten en de bijbehorende commentaren van de commissie kan er een voorzichtige conclusie worden getrokken. Hoewel de commissie deze citaten heeft opgevoerd om aan te tonen dat in Steiners optiek het belang van het ‘rasmatige’ afneemt, blijkt dat Steiner beweert dat pas in de verre toekomst de factor ras zijn betekenis verliest. Dat de rasverschillen voor onze tijd, voor mijn part Steiners eigen tijd nog steeds een wezenlijke rol spelen, blijkt evident uit de elders besproken passages van Steiner over de indianen, die gaan over de situatie in de negentiende eeuw (Steiner spreekt in Die Mission einzelner Volksseelen zelf van ‘midden negentiende eeuw’). Kortom het ziet er inderdaad naar uit dat Zander de werkelijkheid meer benadert dan Dieter Brüll, die onomwonden stelde dat volgens Steiner de rasverschillen hun betekenis zouden hebben verloren met de komst van Christus. Het lijkt mij dat op basis van deze citaten het onmogelijk is om vol te houden dat Brüll in deze gelijk had. Zanders stelling op basis van  citaat 25 uit Die Mission einzelner Volksseelen, dat het nog een paar millennia gaat duren, is in zo’n beetje ieder citaat (17 t/m 27) bevestigd.

De na-Atlantische (Arische) cultuurperiodes/onderrassen

Een passage uit het zeer toegankelijke Antroposofie; een kennismaking, van Henk van Oort (Vrij Geestesleven, Zeist, 2006). Als zullen er direct weer de nodige merkwaardige dingen opvallen (maar daar is het ook de antroposofie voor), is dit boekje is compact en bijzonder helder geschreven en wellicht een goede inleiding alvorens er in de vrij lastige materie van Geheimwissenschaft kan worden gedoken. Van Oort:

‘Uit alle gebeurtenissen na de ondergang van Atlantis haalt Rudolf Steiner een aantal culturen naar voren. De genoemde volkeren zijn dermate cultuurdragend dat via hen de bewustzijnsontwikkeling van de mensheid in zijn totaliteit goed gevolgd kan worden (volstrekt arbitrair en bovendien volstrekt à-historisch, maar zie hier Steiners eurocentrisme, of zelfs aryo-centrisme, FS). De genoemde culturen zijn:

  • De Oer-Indische cultuur, 7227-5067 v. Chr.
  • De Oer-Perzische cultuur, 5067-2907 v. Chr.
  • De Egyptisch-Babylonische cultuur, 2907-747 v. Chr.
  • De Griekse-Romeinse cultuur, 747 v. Chr.-1413 n. Chr.
  • De vijfde na-Atlantische cultuur, 1413-3573 n. Chr’.[162]

Nog een stukje van Oort: ‘Na de Atlantische ramp beginnen de zogenaamde na-Atlantische cultuurperioden. De indeling verloopt aan de hand van het Platonische wereldjaar, dat 25.920 jaar duurt. In die tijd doorloopt het lentepunt de de twaalf tekens van de dierenriem. Eén dierenriemteken wordt dan in ongeveer 2160 jaar doorlopen. De genoemde jaartallen als aanduiding van de cultuurperioden (zie hierboven, FS) zijn afkomstig van deze indeling.

Degenen die de Atlantische ramp wisten te ontkomen, vluchtten naar hogere gebieden.

De voorouders van de oorspronkelijke Amerikaanse continenten moeten we zoeken in Atlantis.[163] Ook wijst Steiner op Manu, die met zijn heilige Rishi’s via het huidige Europa naar Azië vlucht, de Himalaya oversteekt en in het huidige India de zogenoemde Oer-Indische cultuur sticht, die door Steiner de eerste na-Atlantische cultuurperiode wordt genoemd en die duurde van 7227 tot 5067 v. Chr. (zie hier de parallel met de Ariërmythe, FS). De antroposofie hanteert de gedachte dat de huidige mens afstamt van de Atlantische voorouders. De oeroude menselijke skeletten die nu nog op uiteenlopende plaatsen gevonden worden, zijn alle afkomstiig van uiteindelijk uitgestorven mensensoorten’.[164]

Van Oort verwijst na deze passage terug naar een ander opmerkelijk fragment, een paar pagina’s terug. Op pp. 59-61 lezen wij het volgende: ‘De mens is géén eindproduct, maar was vanaf het begin betrokken bij de scheppingsdaad van de engelhiërarchieën’. (wat hebben die antroposofen toch met dat géén, zie ook de van Baarda-Commissie met haar hoofdconclusie. Volgens mij wordt deze spellingsvariant ingezet als er iets volstrekt ongeloofwaardigs wordt ingezet, zo ook in dit geval. Er is dan bijna zeker sprake van wel. Want natuurlijk de mens is geen eindproduct, maar gewoon een toevallig resultaat van de evolutie. Maar daar hebben ook de antroposofen, net als de orthodoxe Christenen, grote moeite mee, gezien de vermeende betrokkenheid bij engelenhiërarchiën en meer van dat soort hoogst ‘spirituele zaken’, FS) ‘Dr. Hermann Poppelbaum werkt deze antroposofische gedachte verder uit in zijn boek Mensch und Tier (1928)’. Zie in dit geval het model van Poppelbaum, hier eerder weergegeven, fig. 3. Van Oort: ‘Het volgende beeld kan de ingewikkelde gedachte enigszins helder maken: Laten we ons voorstellen dat de mensenkiem aanwezig is in een grote zwevende ballon. Deze mensenkiem moet zich blijkbaar in een bepaalde richting ontwikkelen voordat de ballon op de aarde landt. De ballon zweeft naar de aarde. Het moment van landing wordt steeds uitgesteld doordat zich elementen uit de mensenkiem afscheiden en als het ware uit de ballon worden gestoten. Ten eerste daalt de ballon dan minder snel en ten tweede komt er dan steeds meer ruimte vrij voor het ontwikkelen van de mensenkiem. Veel elementen worden achtereenvolgens uitgestoten: te beginnen met de mineralen, dan de planten, ongewervelde dieren, de vissen, de amfibieën, de reptielen, de vogels, de zoogdieren, de primaten en ten slotte de mens. Er zijn dus parallel twee niveaus waarop de ontwikkeling plaatsvindt: de geestelijke kern (= de ballon die naar de aarde daalt) en de lichamelijke drager die in al deze fasen zich uit de ballon verwijdert, zich materialiseert en op aarde belandt.

De in verharding getreden vormen ontwikkelen zich ieder op hun eigen aardse wijze. Als de planten en de dieren op aarde zijn beland, vindt het proces plaats dat Darwin ‘evolutie’ noemt. Steiner vult dus aan wat Darwin zegt, spreekt hem niet tegen (?, valt over te twisten, FS). De huidige diervormen zijn ontstaan uit eeuwenlange specialisatie. Elk dier is een specialist (…)dan komt het moment dat de primaten, de mensapen, de denkbeeldige ballon verlaten en incarneren op aarde. Daarna volgen de voorlopers van de mens. Onder deze voorlopersworden in dit verband verstaan onder andere de Pekingmens, de Pithecanthropus en de Neanderthalers. De huidige mens stamt niet af van deze voorlopers en al helemaal niet van de aapachtigen, zo moge duidelijk zijn uit het voorgaande. Toen al deze voorlopers al in de zichtbare wereld waren getreden, was er in de denkbeeldige ballon, in spirituele vorm, nog een laatste vorm over. Deze laatste vorm treedt geleidelijk aan in het zichtbare rond 50.000 v. Chr. en wordt homo sapiens genoemd. Volgens Rudolf Steiner waren deze eerste mensengestalten zo ijl als de geur van een bloem. Het verdichtingsproces zet zich voort. Langzaam verdicht het fysieke lichaam zich tot kraakbeen. Daarna treedt er een verharding in tot de huidige hardheid is bereikt.

Als inderdaad, teruggedacht in de tijd, de botten steeds zachter worden, kunnen er nooit fossiele resten gevonden worden van deze voorouders van de huidige mens. Kraakbeen, of nog zachter materiaal, lost nu eenmaal sneller op na het sterven, dan harde botten’.

Twee andere voordrachten van Rudolf Steiner over ‘rassen’, uit 1907 en 1923

 

Naast de twee voordrachten uit die Mission einzelner Volksseelen zijn er nog twee andere voordrachten uit het oeuvre van Rudolf Steiner die voor het grootste deel aan het thema ‘rassen’ zijn gewijd. Het gaat om een voordracht uit 1907, uit de cyclus ‘Das Johannes Evangelium’, gehouden te Basel en om een voordracht van anderhalf jaar voor zijn overlijden in 1923, uit ‘Vom Leben des Menschen und der Erde; über das Wesen des Christentums’, voor de arbeiders van de bouw van het Goetheanum in Dornach. Hoewel beide voordrachten verschillend zijn van inhoud en vooral van toonzetting, zullen we toch grote overeenkomsten zien, net als met de vierde en de zesde voordracht uit Die Mission. De belangrijkste karakteriseringen, door Steiner toegeschreven aan de verschillende mensenrassen, zullen ook hier weer terugkomen.

Het belangrijkste is wellicht dat de rasverschillen nog altijd van groot belang blijken te zijn voor de huidige tijd. Steiner gebruikt in beide voordrachten eigentijdse ‘voorbeelden’ en anekdotes om zijn stellingen te onderbouwen. Wel zal er in de voordracht uit 1907 iets passeren waarmee gesuggereerd zou kunnen worden, dat de komst van Christus de rasverschillen zou kunnen opheffen. Wellicht had Dieter Brüll deze passage voor ogen toen hij in zijn roemruchte artikel ‘De nieuwe reactionairen’ stelde dat de rasverschillen na de komst van Christus hun betekenis zouden hebben verloren. Toch zal juist op een pregnante wijze blijken dat deze stelling, juist op grond van deze voordracht, niet houdbaar is. Want Steiner verwijst wederom expliciet naar de eigentijdse situatie, wat hij overigens ook doet in de voordracht uit 1923. Bovendien stelt hij in die laatste voordracht: ‘…weil man eigentlich die ganze Gesichte und das ganze soziale Leben, auch das heutige soziale Leben nur versteht, wenn man auf die Rasseneigentümlichkeiten der Menschen eingehen kann’ (curs. FS).

Een andere parallel met Die Mission is dat zal blijken dat de indianen weer met decadentie en dood worden geassocieerd (in beide voordrachten). In de voordracht uit 1923 associeert hij het zwarte ras wederom met impulsiviteit en met het menselijke ‘driftleven’. De zwarten ‘koken van binnen’ en zijn zelfs te vergelijken met steenkool. De blanken zijn weer het meest ‘ontwikkelde ras’, waarbij het ‘denkleven’ tot volle ontplooiing is gekomen. Ook doet hij dan zijn beruchte uitspraak ‘het blanke ras is het ras van de toekomst’.

Er is echter een belangrijk verschil met hoe de Commissie van Baarda deze voordrachten heeft beoordeeld. Kwalificeerde de commissie geen van de uitspraken uit Die Mission einzelner Volksseelen als ernstig discriminerend, uit deze beide lezingen zijn wel degelijk een aantal uitspraken in de eerste categorie geplaatst. Uit GA 100 een en uit GA 349 maar liefst vijf. Dus zes van de zestien uitspraken die de commissie uiteindelijk als ernstig discriminerend classificeerde zullen hier uiteindelijk passeren.[165]

Toch zal er iets heel opmerkelijks zichtbaar worden. Alhoewel Steiner soms iets andere woorden gebruikt zegt hij nauwelijks iets anders dan dat hij in Die Mission einzelner Volksseelen al heeft gedaan. Dat maakt het zo opmerkelijk waarom dan wel deze lezingen vrij streng zijn beoordeeld en Die Mission niet. Dit zal echter vanzelf duidelijk worden wanneer beide lezingen gedetailleerd worden doorgenomen.

We beginnen met de lezing uit 1907:

 

Menschheitsentwickelung und Christus-erkenntnis

 

Das Johannes Evangelium (GA 100)

 

Siebenter Vortrag: Die Abstammung des Menschen – Das Wesen des Christus als Geist der Erde

Basel, 22 November 1907[166]

‘In einer Urkunde wie dem Johannes-Evangelium ist alles von Bedeutung und Wichtigkeit, und nichts könnte der gesagt werden, als es dort steht. Warum erscheint zum Beispiel der Heiligen Geist in Gestalt einer Taube? Es brauchte, um dies zu erklären, eine Reihe von Vorträgen. Aber man kann wenigstens eine Ahnung davon bekommen, wenn man die Menschheitsentwickelung von einem andern Gesichtspunkt aus betrachtet, als dies bis jetzt geschehen ist. Es wurde bereits in den früheren Vorträgen die für einen naturwissenschaftlich Denkenden ungeheuerliche Behauptung aufgestellt, daß der Mensch zu Anfang der Entwickelung bereits da war und daß er die Erdenentwickelung als seine eigene Entwickelung mitgemacht hat. Es darf aber selbstredend nicht vergessen werden, daß die früheren Menschen ganz anders organisiert und beschaffen waren als die heutigen. Schon der Atlantische Mensch ist seinem Außchen von dem heutigen sehr verschieden. Dieser Unterschied ist noch viel größer beim Menschen der lemurisichen Zeit und noch größer beim Menschen derjenigen Zeit, in welcher noch Mond und Sonne mit unserem Planeten verbunden waren’. [167]

Steiner stelt dat in de tekst van het Johannes Evangelie alles een diepere betekenislaag heeft. Niets staat er zomaar. Waarom verschijnt bijvoorbeeld de Heilige Geest in de gedaante van een duif? (zoals zal blijken ziet Steiner vogellichamen als mogelijke dragers voor hogere wezens, maar op dit punt komt hij later in deze voordracht terug). Het zou vele voordrachten vergen om alles uit het Johannes Evangelie te duiden. Maar dan komt hij op het centrale punt van deze voordracht. Steiner stelt dat de mens vanaf het begin bij de evolutie was betrokken, steker nog dat de hele evolutie van het leven op aarde eigenlijk de evolutie van de mens is. Dit is ook het centrale thema uit deze voordracht en overigens een wezenlijk concept uit de antroposofie (zie wederom Poppelbaum). We zijn dit al eerder tegengekomen in Die Mission einzelner Volksseelen en nog explicieter in de Akasha-kroniek, maar hier is deze notie van evolutie en het centrale thema van deze voordracht (heeft overigens veel met het Bijbelse Johannes-Evangelie te maken). Ik zal dit idee illustreren met een hedendaagse tekst (van Henk van Oort): ‘De mens is géén eindproduct, maar was vanaf het begin betrokken bij de scheppingsdaad van de engelhiërarchieën’. (wat hebben die antroposofen toch met dat géén,zie ook de van Baarda-Commissie met haar hoofdconclusie. Volgens mij wordt deze spellingsvariant ingezet als er iets volstrekt ongeloofwaardigs wordt ingezet, zo ook in dit geval. Er is dan bijna zeker sprake van wel. Want natuurlijk, de mens is geen eindproduct, maar gewoon een toevallig resultaat van de evolutie. Maar daar hebben ook de antroposofen, net als de orthodoxe Christenen, grote moeite mee, gezien de vermeende betrokkenheid bij engelenhiërarchiën en meer van dat soort hoogst ‘spirituele zaken’, FS) ‘Dr. Hermann Poppelbaum werkt deze antroposofische gedachte verder uit in zijn boek Mensch und Tier (1928)’. Zie in dit geval het model van Poppelbaum, al eerder weergegeven, maar hier fig. 1. Van Oort: ‘Het volgende beeld kan de  ingewikkelde gedachte enigszins helder maken: Laten we ons voorstellen dat de mensenkiem aanwezig is in een grote zwevende ballon. Deze mensenkiem moet zich blijkbaar in een bepaalde richting ontwikkelen voordat de ballon op de aarde landt. De ballon zweeft naar de aarde. Het moment van landing wordt steeds uitgesteld doordat zich elementen uit de mensenkiem afscheiden en als het ware uit de ballon worden gestoten. Ten eerste daalt de ballon dan minder snel en ten tweede komt er dan steeds meer ruimte vrij voor het ontwikkelen van de mensenkiem. Veel elementen worden achtereenvolgens uitgestoten: te beginnen met de mineralen, dan de planten, ongewervelde dieren, de vissen, de amfibieën, de reptielen, de vogels, de zoogdieren, de primaten en ten slotte de mens. Er zijn dus parallel twee niveaus waarop de ontwikkeling plaatsvindt: de geestelijke kern (= de ballon die naar de aarde daalt) en de lichamelijke drager die in al deze fasen zich uit de ballon verwijdert, zich materialiseert en op aarde belandt.

Fig. 1 Model Hermann Poppelbaum

De in verharding getreden vormen ontwikkelen zich ieder op hun eigen aardse wijze. Als de planten en de dieren op aarde zijn beland, vindt het proces plaats dat Darwin ‘evolutie’ noemt. Steiner vult dus aan wat Darwin zegt, spreekt hem niet tegen (?, valt over te twisten, FS). De huidige diervormen zijn ontstaan uit eeuwenlange specialisatie. Elk dier is een specialist (…) dan komt het moment dat de primaten, de mensapen, de denkbeeldige ballon verlaten en incarneren op aarde. Daarna volgen de voorlopers van de mens. Onder deze voorlopers worden in dit verband verstaan onder andere de Pekingmens, de Pithecanthropus en de Neanderthalers. De huidige mens stamt niet af van deze voorlopers en al helemaal niet van de aapachtigen, zo moge duidelijk zijn uit het voorgaande. Toen al deze voorlopers al in de zichtbare wereld waren getreden, was er in de denkbeeldige ballon, in spirituele vorm, nog een laatste vorm over. Deze laatste vorm treedt geleidelijk aan in het zichtbare rond 50.000 v. Chr. en wordt homo sapiens genoemd. Volgens Rudolf Steiner waren deze eerste mensengestalten zo ijl als de geur van een bloem. Het verdichtingsproces zet zich voort. Langzaam verdicht het fysieke lichaam zich tot kraakbeen. Daarna treedt er een verharding in tot de huidige hardheid is bereikt.

Als inderdaad, teruggedacht in de tijd, de botten steeds zachter worden, kunnen er nooit fossiele resten gevonden worden van deze voorouders van de huidige mens. Kraakbeen, of nog zachter materiaal, lost nu eenmaal sneller op na het sterven, dan harde botten’.[168]

Dit is een heleboel, maar hier is in feite uitgelegd waar deze voordracht over gaat. Alleen heeft Steiner het niet over de Pekingmens, de Pithecanthropus en de Neanderthalers, maar wel over de indianen, zoals direct hierna blijkt. Ik zal een lange passage laten zien. Dit fragment is overigens een van de zestien citaten  die de Commissie van Baarda uiteindelijk in de eerste categorie plaatste (ernstige discriminatie). Toch zullen we zien dat deze passage niet ernstiger is dan de meeste uit uitspraken van Steiner uit de Mission einzelner Volksseelen is, sterker nog, in bepaalde opzichten is deze vrijwel identiek. Het citaat zal hier vet worden weergegeven:

(cit. 152, cat. 1)  ‘Um uns hineinzuarbeiten in der Art und Weise, wie die Geisteswissenschaft über die Evolution denkt, müssen wir vom Nächstliegenden ausgehen. Nicht alle heute auf der Erde lebenden Menschen stehen auf derselben Stufe der Entwickelung. Neben den Völkern, die auf einer hohen Kulturstufe stehen, gibt es Naturvölker, welche in der Kultur weit zurückgeblieben sind. Es hat sich in der heutigen Naturwissenschaft die Anschauung herausgebildet-und sie wird mit großer Zähigkeit festgehalten, obschon neuere Tatsachen dagegen sprechen-, daß die höheren entwickelten Völkern abstammen. Diese Anschauung is den Ergebnissen der Geistesforschung nicht entsprechend. Erwähnen wir hier beispielweise die Völker, die durch Entdeckung Amerikas bekannt wurden, und schildern wir in Kürze eine Episode, die uns einen Einblick in das Geistesleben dieser Völker gewährt. Bekanntlich hatten die Weißen die Indianerbevölkerung immer weiter in das Innere des Landes Zurückgedrängt und das Versprechen, ihnen Ländereien zu geben, nicht gehalten. Ein Häuptling dieser Indianer sagte einmal zu Anführer eines europäischen Eroberungszuges: Ihr Bleichgesichter habt unsere Länder genommen und habt uns versprochen, uns andere zu geben. Aber der weiße Mann hat dem braunen Mann das Wort nicht gehalten, und wir wissen auch warum. Der bleiche Mann hat kleine Zeichen, in denen Zauberwesen stecken und aus denen erforscht er die Wahrheit, denn es ist nicht gut. Der braune Mann sucht nicht in solchen kleinen Zauberzeichen die Wahrheit. Er hört den ‘Großen Geist’ im Rauschen des Waldes, im Rieseln des Baches. Im Blitz und Donner gibt ihm der ‘Großen Geist’ kund, was recht und unrecht ist.

Wir haben in der amerikanischen Rasse eine primitive Urbevölkerung vor uns, die weit, weit zurückgeblieben ist, auch in bezog auf religiöse Weltanschauung. Aber sie hat sich bewahrt den Glauben an einen monotheistischen Geist, der aus allen Lauten der Natur zu ihr spricht. Der Indianer steht mit der Natur in so innigem Verhältnis, daß er noch in allen ihren Äußerungen die Stimme des hohen schöpferischen Geistes hört, während der Europäer so in der materialistischen Kultur steckt, daß er die Stimme der Natur nicht mehr wahrnehmen kann. Beide Völker haben denselben Ursprung, beide stammen von der Bevölkerung der Atlantis ab, die einen monotheistischen Glauben besaß, enstspungen aus einem geistigen Hellsehen. Aber die Europäer sind hinaufgestehen zu eine höhere Kulturstufe, während die Indianer stehengeblieben und dadurch in Dekadenz gekommen sind. Diesen Entwickelungsvorgang muß man immer beachten. Er läßt sich darstellen wie folgt. Im laufe der Jahrtausende verändert sich unser Panet, und diese Veränderung bedingt auch eine Entwickelung der Menschheit. Die Seitenzweige, die nicht mehr in die Verhältnisse hineinpassen, werden dekadent. Wir haben also einen geraden Entwickelungsstamm und abgehende Seitenzweige, die verfallen (siehe Zeichnung).

 

  

 

 

Fig. 2: Evolutiemodel GA 100 (7) nr. 1

 

Von dem Punkte der atlantische Zeit, wo Europäer und Indianer noch miteinander vereint waren, weiter zurückgehend, kommen wir in eine Zeit wo die Körper des Menschen noch verhältmäßig weich, von gallertartiger Dichtigkeit war. Da sehen wir wieder Wesen sich abzweigen und zurückbleiben. Diese Wesen entwickeln sich weiter, aber in absteigende Linie, und aus ihnen entsteht das Affengeschlecht.Wir dürfen nicht sagen, der Mensch stamme vom Affen ab, sondern beide. Menschen und Affen, stammen von einere Form ab, die aber eine ganz andere Gestalt hatte als die Affen und heutigen Menschen. Die Abzweigung erfolgte von einem Punkte, wo diese Uniform die Möglichkeit hatte, einerseits aufsteigen zum Menschen und andrerseits hinunterzufallen, zum Zerrbilde des Menschen zu werden. (einde cit. 152).[169]

Zie hier een van de zeldzame passages die door de Commissie van Baarda als ernstig discriminerend werd omschreven. Vanzelfsprekend heeft de commissie dit uitvoerig toegelicht. Ik zal in dit geval de annotatie en de motivering hier integraal weergeven:

‘Annotatie: In de boekuitgave van deze lezing is een tekening opgenomen waarin kort na elkaar van de hoofdlijn van de ontwikkeling van Atlantis-bewoner tot Europeaan twee aftakkingen lopen van respectievelijk het apengeslacht en de indianen. Bij beide aftakkingen staat: ‘Decadente aftakking’. De tekening is gemaakt naar schetsen van de bovengenoemde toehoorders. Een eventuele originele tekening is niet bewaard gebleven. Volgens de heer Kugler van de Rudolf Steiner Nachlassverwaltung mag men echter aannemen dat het om een getrouwe kopie van Steiners tekening gaat. In de lezing van 22 november 1907, waar het bovengenoemde citaat uit stamt, plaatste Steiner het evolutiebegrip van Ernst Haeckel naast het antroposofische evolutiebegrip (…) Kort samengevat houdt dit evolutiebegrip, dat naast het hele mineraal-, planten-, en dierenrijk zijn ontstaan als aftakkingen van de mensheidsontwikkeling. Geestelijk gesproken was de mens er het eerste en de andere rijken hebben zich successievelijk uit de mensheidsontwikkeling losgemaakt. In het antroposofische evolutiebegrip is niet de mens uit de aap ontstaan, maar is de aap het laatste dier dat uit de mensheidsontwikkeling is losgeraakt. Aan het begin van deze afstammingsgeschiedenis stond de aap nog dichter bij de mens dan nu. Dat is nu nog terug te vinden in het feit dat de uiterlijke overeenkomsten tussen pasgeboren apen en pasgeboren mensen veel groter zijn dan tussen volwassen apen en volwassen mensen. De ontwikkeling tot aan het huidige apengeslacht noemde Steiner in deze lezing een decadente aftakking van de ontwikkeling van de mens.

Geheel anders ontwikkelde zich meer dan 10.000 jaar geleden, gedurende de tijd van Atlantis en daarna, de ‘decadente aftakking’ van de indianen. Deze groep bleef binnen de grenzen van de mensheidsontwikkeling (?! FS) en kon daarom gelegenheid bieden aan zielen tot incarnatie. Zij werd in een later stadium gevormd dan het apengeslacht, reden waarom zij in de tekening tussen apen en Europeanen in staat.(de indianen staan er niet alleen ‘tussen’ ze worden ook weggezet als ‘decadent’, FS[170])

Het woord ‘decadente aftakking’ heeft betrekking op de bewustzijnsontwikkeling van de Atlantische bevolkingsgroep waaruit de indianen zijn voortgekomen. Deze bewustzijnsontwikkeling gaat van een stadium waarin de geestelijke wereld met een dromend helderziend bewustzijn als godenwereld werd waargenomen, naar het huidige stadium waarin dagbewustzijn en het denkvermogen dit droombewustzijn hebben afgelost. In de Atlantische tijd was de mens nog niet helemaal ontwaakt in de wereld van de zintuigen, in plaats daarvan kon hij de wereld van de geest bovenzinnelijk waarnemen. Pas in de tijd na Atlantis werden langzamerhand de zintuiglijke waarneming en het verstandelijke denken veroverd. De indianen behielden nog lange tijd het in Atlantis vanzelfsprekende vermogen om in de natuur werkzame geestelijke krachten helderziend waar te nemen. Zij vormden de Grote Geest (? FS). De Europeanen kunnen door hun materialistische cultuur deze stem van de natuur in het algemeen niet meer waarnemen.

Steiner noemde in deze lezing de indianen decadent, omdat zij deze bewustzijnsontwikkeling na Atlantis als ras niet hadden meegemaakt. Dat laatste zegt niets over de bewustzijnsontwikkeling van individuele indianen, helemaal niet over onze tijd, waar bovendien het oude Atlantische vermogen om tot de Grote Geest in de natuur helderziend waar te nemen is verdwenen (wie zegt dat?! Steiner zeker niet! FS).

Motivering: De schetsen die bij dit citaat  horen zijn doorslaggevend geweest om dit citaat in categorie I in te delen. Hierin worden blanken bovenaan in de evolutie vermeld, nadat eerst apen en indianen genoemd zijn. Dit suggereert een suprematie van het blanke ras, welke niet acceptabel is. Zoals blijkt uit par. 3.3.4.4 is niet met absolute zekerheid vast te stellen vanuit welke evolutieleer de schets begrepen dient te worden: vanuit die van Darwin of die van Haeckel zijn deze tekeningen niet correct en vanuit de evolutieleer van Steiner zijn de tekeningen incompleet. Zou de tekening vanuit Steiners visie compleet zijn geweest, dan had niet alleen de evolutie geschetst moeten worden, maar ook de involutie’.[171]

Tot zover de van Baarda-commissie. Om met de laatste opmerking te beginnen. Met het ontbreken van de ‘involutielijn’ heeft de commissie wel enigszins een punt, maar kijk dan goed naar de tweede tekening. Daar staat de involutie wel weergegeven, niet al een afdalende lijn, zoals bij Poppelbaum, maar weergegeven aan de linkerkant (de begrippen Polaris, Hyperborea, Lemurië, Atlantis). De tekening is dus wel zeer schematisch maar zeker niet incompleet. Ik zal nogmaals het model van Poppelbaum tonen (zie afb.1), maar alle ingrediënten zijn in principe weergegeven in de tweede tekening. Dus dit verontschuldigende argument gaat niet op.

Dan de bewering dat deze tekening niet zou gaan over hedendaagse indianen. Steiner sprak deze woorden uit in 1907. In december 1890 had het bloedbad van Wounded Knee plaatsgevonden, dus een kleine zeventien jaar daarvoor. Iets verderop zou blijken dat hij nog een keer verwijst naar een gebeurtenis uit de negentiende eeuw. Dus dat Steiner het niet over hedendaagse indianen zou hebben lijkt me erg onwaarschijnlijk. Bovendien, wat zijn hedendaagse indianen in Steiners visie?  In die Mission, vierde voordracht: ‘Nicht etwa deshalb, weil es den Europäern gefallen hat, ist die indianische Bevölkerung ausgestorben, sondern weil die indianische Bevölkerung die Kräfte erwerben mußte, die sie zum Aussterben führten’. Als het aan Steiner ligt zijn er dus geen hedendaagse indianen. ‘De enige hedendaagse indiaan is een dode indiaan’, vrij naar de beruchte uitspraak, toegeschreven aan generaal Sheridan ‘De enige goede indiaan is een dode indiaan’ uit 1869, dus nog niet eens zo gek lang daarvoor.[172] Dus dit lijkt me een niet ter zake doend argument van de commissie.

Maar wat misschien het allerbelangrijkste is: de indianen zijn een decadente afwijking ten opzichte van de lineaire evolutie van oerknal tot Ariër. Daar komt het wel op neer, zowel in de tekst als in de tekening. Steiner zegt: ‘Wir haben in der amerikanischen Rasse eine primitive Urbevölkerung vor uns, die weit, weit zurückgeblieben ist, auch in bezog auf religiöse Weltanschauung’. Dat is niet zomaar een kwalificatie. Lijkt me ook pijnlijk voor allerlei lieden die zowel met de antroposofie sympathiseren, als met de ‘Indiaanse spiritualiteit’ (ik ken er zelf genoeg, die overigens volstrekt oprecht zijn, omdat onder veel oppervlakkige sympathisanten met de antroposofie dit aspect van Steiners gedachtegoed niet zo algemeen bekend is). En dan is er nog steeds geen sprake van rassenleer? Want vergelijk dit nogmaals met Steiners eerder besproken uitspraken uit andere werken? Bovendien, wat wist de commissie zelf te melden bij citaat 54 uit de Akasha-kroniek? Het blijkt juist voor deze voordracht buitengewoon interessant te zijn:

‘De mens is van oorsprong een geestelijk wezen. In de lange wordingsgeschiedenis als aards wezen ontstonden als nevenontwikkeling naast en uit de mens het dierenrijk, het plantenrijk en minerale rijk (zie hiervoor weer het model van Poppelbaum om deze gedachtegang inzichtelijk te maken, FS). Zowel de aardse als de geestelijke mens maakten in deze lange wordingsgeschiedenis een ontwikkeling door. Het dier is in die zin niet de voorloper van de mens, maar de (geestelijke) mens is de voorloper van de aardse dieren en de aardse mens (zie hier het antropo-centrisme van Steiner, FS). De laatste blijft ‘im Gebiet des Menschlichen’, de dieren maken zich daarvan los.

Het ontstaan van de voorlopers van de huidige dieren speelde zich af in wat in de antroposofie de Lemurische tijd wordt genoemd. De oorspronkelijke diervormen waren van de toenmalige menselijke lichaamsvormen afgeleid en waren volgens Steiner hoger ontwikkeld dan de huidige diersoorten. De toenmalige menselijke lichamen lieten overigens nog geen fossiele resten na, omdat ze nog niet voldoende verhard waren (dit hebben we eerder gezien bij Steiner aan het begin van zijn beschrijving van Atlantis, FS). De huidige apen stammen op die manier af van relatief hoger ontwikkelde dieren, die zelf weer van de toenmalige mensen afstamden. In die zin noemde Steiner ‘die Affen rückgebildete Menschen einer vergangenen Epoche. So war der Mensch einstmals unvollkommener war als heute, so waren sie einmal volkommener als wie heute sind’. De mensen hebben zich verder ontwikkeld, de apen waren ‘in hun mens-stadium’ volmaakter dan ze nu zijn.

Ook met betrekking tot wat hij wilde volksstammen noemde, keerde Steiner zich tegen het idee dat deze zich aan het begin van een ontwikkeling zouden bevinden. Het waren volgens hem juist de nakomelingen van groepen van toenmalige voorlopers van de huidige mensen die hoog ontwikkeld waren, maar daarna in hun ontwikkeling waren teruggegaan en primitief waren geworden’.[173]

Deze uitleg zou perfect gepast hebben bij de hier te bespreken passage. Want bovenstaand legt Steiner het achterliggende systeem van zijn rassenleer uit, zo’n beetje wat de commissie ook doet met haar toelichting bij citaat 54 uit de Akasha-kroniek (wellicht onbedoeld, want er was juist géén sprake van rassenleer).

Wat verder nog interessant is aan dit citaat is dat Steiner wederom hetzelfde citaat gebruikt van een indiaans stamhoofd om zijn visie op de indianen te onderbouwen. De herkomst van dit citaat is inmiddels bekend, het ging om de woorden van een Choctaw hoofdman, gericht aan een commandant van het Amerikaanse leger in 1834, later opgetekend in Der Occultismus der nordamerikanischen Indianer van Dr. L. Kuhlenbeck, Leipzig, 1896. Maar wederom legt Steiner zijn eigen visie in deze woorden. Het feit dat deze Choctaw hoofdman sprak over de vernietiging van zijn volk en zijn cultuur, wil nog niet zeggen dat het Steiners theorieën over de indianen bevestigt.

Verder is dit citaat niet wezenlijk anders dan de verschillende passages uit Die Mission einzelner Volksseelen. Om nogmaals een fragment uit de zesde voordracht aan te halen: (cit. 116, cat. 2) ‘Auf das Drüsen-System endlich – nur auf dem Umwege durch alle anderen Systeme – wirkt dasjenige, was wir bezeichnen können als die abnormen Geister der Form, die im Saturn ihren Mittelpunkt haben. Da haben wir in allem, was wir als Saturn-Rasse zu bezeichnen haben, in allem, dem wir den Saturn-Charakter beizumessen haben, etwas zu suchen, was sozusagen zusammenführt, zusammenschließt das, was wieder der Abenddämmerung der Menschheit zuführt, deren Entwickelung in gewisser Weise zum Abschluß bringt, und zwar zu einem wirklichen Abschluß, zu einem Hinsterben. Wie sich das Wirken auf das Drüsensystem ausdrückt, sehen wir an der indianischen Rasse. Darauf beruht die Sterblichkeit derselben, ihr Verschwinden. Der Saturn-Einfluß wirkt durch alle anderen Systeme zuletzt auf das Drüsensystem ein. Das sondert aus die härtesten Teile des Menschen, und man kann daher sagen, daß dieses Hinsterben in einer Art Verknöcherung besteht, wie dies im Äußeren doch deutlich sich offenbart. Sehen Sie sich doch die Bilder der alten Indianer an, und Sie werden gleichsam mit Händen greifen können den geschilderten Vorgang, in dem Niedergang dieser Rasse. In einer solchen Rasse ist alles dasjenige gegenwärtig geworden, auf eine besondere Art gegenwärtig geworden, was in der Saturnentwickelung vorhanden war; dann aber hat es sich in sich selber zurückgezogen und hat den Menschen mit seinem harten Knochensystem allein gelassen, hat ihn zum Absterben gebracht. (einde citaat 116) of (citaat 117, cat. 2) ‘Man fühlt etwas von dieser wirklich okkulten Wirksamkeit, wenn man noch im neunzehnten Jahrhundert sieht, wie ein Vertreter dieser alten Indianer davon spricht, daß in ihm lebt, was vorher für die Menschen groß und gewaltig war, das aber die Weiterentwickelung unmöglich mitmachen konnte. Es existiert die Schilderung einer schönen Szene, bei welcher ein Führer der untergehenden Indianer einem europäischen Eindringling gegenübersteht. Denken Sie sich, was da Herz gegen Herz fühlt, indem sich zwei solche Menschen gegenüberstehen: Menschen, die von Europa herüberkamen, und Menschen, die in frühester Zeit, als die Rassen verteilt wurden, nach Westen hinübergegangen sind. Da haben die Indianer nach Westen hinübergenommen alles, was groß war in der atlantischen Kultur. Was war für den Indianer das Größte? Es war, daß er noch ahnen konnte etwas von der alten Größe und Herrlichkeit eines Zeitalters, das in der alten atlantischen Zeit vorhanden war, wo noch wenig um sich gegriffen hatte die Rassenspaltung, wo die Menschen hinaufschauen konnten nach der Sonne und wahrzunehmen vermochten die durch das Nebelmeer eindringenden Geister der Form. Durch ein Nebelmeer blickte der Atlantier hinauf zu dem, was sich für ihn nicht spaltete in eine Sechs- oder Siebenheit, sondern zusammenwirkte. Das, was zusammenwirkte von den sieben Geistern der Form, das nannte der Atlantier den Großen Geist, der in der alten Atlantis dem Menschen sich offenbarte. Dadurch hat er nicht mit aufgenommen das, was die Venus-, Merkur-, Mars- und Jupiter-Geister bewirkt haben im Osten. Durch dieses haben sich gebildet alle die Kulturen, die in Europa in der Mitte des neunzehnten Jahrhunderts zur Blüte gebracht wurden. Das alles hat er, der Sohn der braunen Rasse, nicht mitgemacht. Er hat festgehalten an dem Großen Geist der urfernen Vergangenheit. Das, was die anderen gemacht haben, die in urferner Vergangenheit auch den Großen Geist aufgenommen haben, das trat ihm vor Augen, als ihm ein Blatt Papier mit vielen kleinen Zeichen, den Buchstaben, von welchen er nichts verstand, vorgelegt wurde. Alles das war ihm fremd, aber er hatte noch in seiner Seele den Großen Geist. Seine Rede ist uns aufbewahrt; sie ist bezeichnend, weil sie auf das Angedeutete hinweist, und sie lautet etwa so: «Da in dem Erdboden, wo die Eroberer unseres Landes schreiten, sind die Gebeine meiner Brüder begraben. Warum dürfen die Füße unserer Überwinder über die Gräber meiner Brüder schreiten? Weil sie im Besitze sind dessen, was groß macht den weißen Mann. Den braunen Mann macht etwas anderes groß. Ihn macht groß der Große Geist, der zu ihm spricht in dem Wehen des Windes, in dem Rauschen des Waldes, dem Wogen des Wassers, in dem Rieseln der Quelle, in Blitz und Donner. Das ist der Geist, der für uns Wahrheit spricht. Oh, der Große Geist spricht Wahrheit! Eure Geister, die ihr auf dem Papiere hier habt, und die dasjenige ausdrücken, was für euch groß ist, die sprechen nicht die Wahrheit.» So sagte der Indianerhäuptling von seinem Standpunkte aus. Dem Großen Geiste gehört der braune Mann, der blasse Mann gehört den Geistern, die in schwarzer Gestalt als kleine zwerghafte Wesen -er meinte die Buchstaben – auf dem Papier herumhüpfen; die sprechen nicht wahr. – Das ist ein welthistorischer Dialog, der gepflogen worden ist zwischen den Eroberern und dem letzten der großen Häuptlinge der braunen Männer. Da sehen wir, was dem Saturn mit seinem Wirken angehört und was aus dem Zusammenwirken mit anderen Geistern in einem solchen Momente, wo zwei Richtungen sich begegnen, auf der Erde entsteht. (einde citaat 117)

De overeenkomsten zijn opmerkelijk, alleen heeft de Commissie van Baarda de passages uit Die Mission niet in de eerste categorie willen plaatsen, dat is eigenlijk het belangrijkste verschil (en natuurlijk de twee tekeningen, die de commissie in haar motivatie heeft meegewogen). Maar het is in dit verband misschien wel weer interessanter om de continuïteit van Steiners visie zichtbaar te maken. Want wederom is hier het verhaal verteld van te vroeg verharde mensvormen, die decadent zijn geworden en hun langste tijd gehad hebben. Daarom moesten de indianen sterven. In de woorden van Maarten Ploeger: ‘Met deze karakteristieken voor ogen kan Steiners uitspraak in de Volkszielen (vrij weergegeven): ‘De indianen moesten uitsterven en de kolonisten waren het uiteindelijke instrument’, in een juist daglicht worden gesteld. Het is allerminst een excuus voor het botvieren van de blanke moordcapaciteit; die schuld hebben wij hoe dan ook op ons geladen (evenmin kan de nog steeds voortgaande uitroeiing van de Amazone-indianen hiermee op welke wijze dan ook aanvaardbaar worden gemaakt). Zoals een ouder mens aan een op zichzelf niet zo dramatische ziekte licht kan bezwijken, zo betekende de confrontatie met de blanke expansiedrift voor de indianen meer dan een reeks ongelijke oorlogen. De indiaanse cultuur had à priori de bevattelijkheid om hieraan te gronde gaan (zie bijvoorbeeld de Wovoka-episode, uitmondend in de ‘zelfdestructie’ onder leiding van Sitting Bull bij Wounded Knee)’.[174]  Maar geef dan toe dat er sprake is van rassenleer.

Tot zover citaat 152. Verder blijkt deze lezing bijzonder verhelderend te zijn over hoe Steiner tegen de evolutie aankeek:

‘Wir wollen die Abstammungslehre nur so weit verfolgen, als nötig ist, um den Zusammenhang zu finden mit dem, was in früheren Vorträgen gesagt worden ist. Bei den alten Atlantische Menschen war der Ätherleib noch außerhalb des physischen Körpers. Heute ist nur noch der Astralleib des Menschen, und zwar im Schlafe, außerhalb des physischen Körpers. Heute ist daher der Mensch nur im Schlafe imstande, die Müdigkeit des physischen Körpers zu überwinden, weil da sein Astralleib außerhalb des physischen Körpers ist und so die Möglichkeit hat, sich an demselben zu betätigen. Weitere Einflüsse auf den physischen Körper sind jetzt nicht möglich. Nur die Überreste solcher Einwirkung sind noch geblieben in den Erscheinungen, wie Erröten bei Scham, Erblassen bei Angst und Schreck und so weiter. Je mehr wir aber zurückgehen in der atlantischen Zeit und je mehr der Ätherleib außerhalb des physischen Leibes war, desto mehr war er imstande, umgestaltend zu wirken auf den physischen Leib. Die Herrschaft des Ätherleibes über den physischen Leib war in früherer Zeit deshalb so groß, weil der physischen Leib noch viel biegsamer und geschmeidiger war als jetzt. Zu einer Zeit der menschlichen Entwickelung, wo der physischer Leib erst eine feigliedrige Anlage zum Knochengerüst hatte, war die Macht des Ätherkorpers über den physischen Leib so groß, daß der Mensch die Fähigkeit hatte, einen Arm, eine Hand beliebig zu verlängern, auch beliebig Finger  daraus hervorzustrecken und so weiter. Solches erscheint dem heutigen Menschen als etwas Absurdes. Es wäre ganz unrichtig, sich den Lemurische Menschen so zu denken wie den heutigen. Der lemurische Mensch ging nicht etwa wie ein Mensch von heute auf seinen Gliedern; er war mehr oder weniger ein Luftwesen. Alle Organe des heutigen Menschen waren nur andeutungsweise vorhanden; er konnte sich metamorphosieren. Es ist gänzlich unrichtig , sich vorzustellen, die lemurischen Menschen wären den heutigen, wenn auch grotesk, so doch ähnlich gewesen. Auch in der atlantischen Zeit war der menschliche Körper noch formbar und konnte durch den Willen von innen heraus umgestaltet werden. Dies hatte seine Begründung darin, daß der Ätherleib, teilweise noch außerhalb des physischen Körpers war. So hat der Ätherleib gearbeitet an der äußeren Gestalt, und die Wesen, welche nicht in der richtigen Art an ihrem Leib arbeiteten, haben sich zu dem entwickelt, was wir heute Affen nennen. So sind dies Karikaturen der heutige Menschen entstanden. Sie stammen von uns ab, nicht wir von ihnen. Man kann hier die Frage aufwerfen: Warum spalteten sich gerade die Affen ab, warum blieb ein Teil auf einer

Fig. 3: Evolutiemodel GA 100 (7), nr 2

niedrigen Stufe zurück als Seelenlose Wesen- hier ist die höhere Seele gemeint, nicht der Astralleib? Es kamen eben andere Verhältnisse. Der Mensch paßte sich denselben an, sie aber vermochten dies nicht. Ihr physischer Leib verhärtete, während der Mensch seinen physischen Körper weich und bildsam erhalten konnte. Im Begin der erdenentwickelung haben wir uns den Menschen vorzustellen mit einen feinen ätherischen Körper. Diesen hat er immer mehr umgebildet. Ein Hellseher hätte damals den Menschen in Form einer Kugel wahrgenommen. Die Zeichnung auf Seite 243 (zie fig. 3) soll den Stammbaum der Entwickelung erläutern’.[175]

Steiner verwijst hier naar het tweede evolutiemodel. Behalve dat eruit deze tekening blijkt dat volgens Steiner de Ariër een hogere mensvorm zou zijn dan de indiaan, laat deze tekening ook duidelijk de invloed zien van Ernst Haeckel op Steiners gedachtegoed (het van Baarda-rapport noemde Haeckel al in het commentaar). Steiner zal hem in de passage hierna ook nog aanhalen. Hij legt dan ook uit wat zijn belangrijkste verschil is met Haeckel. Maar het lijkt mij nuttig om eerst een beknopte inleiding te geven op Enst Haekels recapitulatietheorie (overgenomen uit Hulspas en Nienhuys):

 

Recapitulatietheorie

‘Een door de Duitse bioloog Ernst Haeckel ontworpen theorie die zegt dat alle levende wezens in de ontwikkeling voorafgaand aan de geboorte in kort bestek de stadia doorlopen die hun voorouders- volgens de evolutietheorie van Charles Darwin hebben doorlopen. Een

menselijke embryo doorloopt bijvoorbeeld tijdens zijn groei stadia waarbij het achtereenvolgens lijkt op een sponsachtig dier, een vis, een amfibie en uiteindelijk een mens.

Om het wat hoogdravender te zeggen: de ‘ontogenese’ recapituleert de ‘fylogenese’. Haeckel noemde dit in 1872 de fundamentele wet.

Fig. 4 Illustratie evolutiemodel Ernst Haeckel (recapitulatietheorie)

De recapitulatietheorie maakte volgens Haeckel al dat speuren naar fossielen overbodig: de ontwikkeling van het leven was in het ei of de baarmoeder te volgen. Darwin en zijn grote verdediger, Thomas Huxley, waren aanvankelijk wel gecharmeerd van het idee, maar later

bekroop hen de twijfel, vooral omdat Haeckel het gebruikte om aan te tonen dat de materie was doortrokken van een sturende Geist– een vorm van filosoferen waar beide Britten niets

van moesten hebben (en we weten nu dat dit bij Steiner en de antroposofie het tegenovergestelde is, zie alle tirades tegen het ‘materialisme’, FS). Een ander probleem was dat de stadia die Haeckel meende te zien, veel minder duidelijk waren dan gehoopt. Wanneer bij een bepaalde soort een lichaamsdeel of orgaan sterk ontwikkeld is, wordt dat deel al gevormd in een zeer vroeg (volgens de recapitulatietheorie té vroeg) stadium. Zo begint de groei van de menselijke hersenen veel ‘eerder’ dan men op grond van de recapitulatietheorie mag verwachten. De plaatjes van embryo’s waarmee Haeckel zijn theorie illustreerde (zie afb. 8 ), werden al spoedig als vervalsingen beschouwd. Kritiek hierop werd door vooraanstaande biologen al in 1909 weggewimpeld, omdat ze meenden dat die kritiek ook de evolutiegedachte ondermijnde.

Tegenwoordig beschouwen biologen de recapitulatietheorie als achterhaald. Er is duidelijk sprake van een uniformiteit in de ontwikkeling van het ongeboren leven, maar deze wordt veroorzaakt door de opeenvolgende activiteit van een beperkt aantal fundamentele genen die informatie bevatten over het ‘plan’ dat aan ieder dier ten grondslag ligt. De gelijkenis van de vroege ontwikkelingsstadia betekent slechts dat de mutaties in de afgelopen honderden miljoenen jaren het meest betrekking hebben op de veel grotere aantallen genen die de vorming van latere stadia besturen. De door Haeckel aangetoonde overeenkomsten vormen dus wél een sterke aanwijzing voor de gemeenschappelijke oorsprong van het leven op aarde.

Haeckels theorie gold decennia lang als een belangrijke ontdekking. Zij had grote invloed op het ‘wetenschappelijk racisme’ en de discussies over de ‘missing link’. Spoedig ontstond er een psychologische versie waarin de ontwikkeling die het kind doorliep, opgevat werd als de recapitulatie van de stadia der menselijke beschaving, die op hun beurt weer werd vergeleken met de leefwijzen van ‘primitieve volkeren’ (beide zeer herkenbaar in de antroposofie, FS). Kinderen doorliepen een ‘negerstadium’ en tijdens de puberteit een ‘mongoloïde stadium’, alvorens volwassen te worden en het stadium van de beschaafde blanke man te bereiken (zie hier een belangrijke bron voor Steiners uiteenzettingen in Die Mission, FS). Vrouwen bleven in het mongoloïde puberale stadium steken en waren daardoor behept met puberale trekjes als labiel, bijgelovig en emotioneel – eigenschappen die ook karakteristiek zouden zijn voor het mongoloïde ras (en aanleiding gaven tot de aanduiding ‘mongolisme’ voor het syndroom van Down).

Ook de pedagogiek van Rudolf Steiner en de theorie van Sigmund Freud dat het kind verschillende seksuele stadia doorloopt, zijn geïnspireerd op de recapitulatietheorie. Steiner koppelde de ontwikkeling van kind naar volwassene aan de ontwikkeling van beschaving. Pas in de hogere klassen mogen kinderen in aanraking komen met de ‘hogere’ Germaanse cultuur. Freud meende dat het universele verbod op incest, net als godsdienst en maatschappelijke regels, voortvloeide uit een dramatische gebeurtenis uit een ver verleden: de jonge mensen zouden ooit de leider vermoord hebben om zich toegang tot de vrouwen te verschaffen. Deze gebeurtenis wordt in ieder individu herhaald wanneer deze de oedipale fase in de ontwikkeling doormaakt’.[176]

Tot zover Hulspas en Nienhuys en verder met Steiner. In de volgende passage  laat Steiner duidelijk zien hoe hij Haeckels model heeft verwerkt:

‘Ziemlich spät in der atlantische Zeit zweigte die Art ab, die sich dann später zu den heutigen Affen gestaltete. Früher in der atlantischen Zeit haben sich gewisse höhere Säugtiere abgezweigt; gewisse niedere Saugtiere zweigten sich in der ältesten atlantische Zeit ab. Der physische Mensch war damals von Entwickelungswert eines Säugtiers; nur sind die Säugtiere auf dieser Stufe stehengeblieben, während der Mensch sich weiterentwickelt hat. In noch früherer Zeit stand der Mensch in Entwickelungswert eines Reptils. Der Leib war ganz andrs als der heutigen Reptils, aber das Reptil hat sich herausgebildet, indem seine leibliche Entwickelung in Dekadenz gefallen ist. Der Mensch hat hat seine inneren Glieder zur Entwickelung gebracht, das Reptil dagegen blieb zurück. Es ist ein zurückgebliebener Bruder des Menschen. Noch früher zweigte sich das ab, was die Vogelart wurde. Und noch weiter zurück stand der Mensch auf der Stufe, die im heutigen Fischengeschlecht bewahrt ist. Auf der Erde war damals nichts Höheres vorhanden als komplizierte Fischformen. In unferner Zeit stand der Mensch auf der Stufe eines wirbellosen Tieres. Und in die ältesten Zeit abgezweigt, und so auf unsere Zeit gekommen, ist das einzellige Wesen, das Haeckel Moneren nennt, das einen in der ältesten Zeit abgezweigten Bruder des Menschen darstellt. Wenn wir aus dieser Entwickelungsreihe den Stammbaum des Menschen bilden, so wird dieser genau übereinstimmen mit dem Stammbaum, den Haeckel in seinen Schriften aufgestellt hat:

  • 1. Moneren
  • 2. Einzellige
  • 3. Vielzellige
  • 4. Hohkugeln
  • 5. Urdarmtiere
  • 6. Plattentiere
  • 7. Schnurwürmer
  • 8. Kiemendarmwürmer
  • 9. Urchordatiere
  • 10. Schädellose
  • 11. Rundmäuler
  • 12. Urfische
  • 13. Smelzfische
  • 14. Lurchfische
  • 15. Kiemenlurche
  • 16. Schuppenlurche
  • 17. Proreptilien
  • 18. Säugereptilien
  • 19. Ursäuger
  • 20. Beuteltiere
  • 21. Halbaffen
  • 22. Hundsaffen
  • 23. Menschenaffen
  • 24. Affenmenschen
  • 25. Sprechende Menschen

Wir könnten auch ohne weiteres Haeckels Stammbaum übernehmen, der Unterschied ist nur der, daß Haeckel erst die Tierformen entstehen und diese sich dann bis zum Menschen hinaufeintwickeln läßt, während wir in der Uniform berietst den Menschen sehen und die Tierwelt nur als Abzweigung, als entartete Menschen betrachten. Tatsächlich is der Mensch der Erstgeborene der Erde; er hat sich gerader Linie weiterentwickelt, hat die andern Wesen an den verschiedenen Etappen zurückgelassen’.[177]

Zie hier Steiners toepassing van Haeckels evolutieleer, maar dan verpakt in een esoterische vorm. En er is nog een principiëler verschil. Waar Haeckel ook de mens ziet als een fase in de evolutie, is bij Steiner de mens zo’n beetje de essentie van de evolutie. Dieren zijn in Steiners visie ‘gedegenereerde mensvormen’ die in een vroeg stadium zijn uitgestoten. De mens is het absolute hoogtepunt van de evolutie, of, als we Steiners tekeningen serieus moeten nemen, de Arische mens. Alle andere dieren, inclusief de indianen, zijn mindere vormen van de schepping ondergeschikt aan de mens naar Arisch model. Ik denk niet dat het overdreven is om dit te stellen. Want pas bij de laatste vorm komen de geestelijke lijn van de involutie (hier weggelaten tot grote teleurstelling van de commissie van Baarda) en de materiële evolutielijn tot elkaar. In Poppelbaums model is dit wel goed te zien. Maar als dit volledig was uitgetekend, lijkt het me niet ontlastend voor de door Steiner uitgetekende evolutiemodellen, eerder het tegenovergestelde. Want ook dan zou, of misschien nog wel meer, gestipuleerd worden dat de Arische mens het ultieme hoogtepunt van de schepping is.

Hierna krijgt de lezing een meer esoterisch karakter. Steiner gaat nu wel enigszins op een paar elementen uit het echte Evangelie van Johannes in, maar past ze toe als analogieën voor zijn eigen scheppingsverhaal. Eerst nog wat meer toelichting bij zijn eigen variant op ‘Haeckels stamboom’. De vogels blijken hierin een unieke positie in te nemen, zoals ook te zien in de tweede tekening, waar de vogels de enige zijn die ‘naar boven aftakken’ van de hoofdstroom. Dit heeft echter een Bijbelse reden:

‘Wenn wir den Zeitpunkt betrachten, wo die Vögel und Reptilien sich abgezweigt haben, so sehen wir, daß damals tatsächlich physische Menschenformen vorhanden waren, die den späteren Vogelarten, und solche, die den späteren Reptilien ähnlich waren. Der Seher sicht zurück in jene ferne Zeit, in welcher die geistige Wesenheit des Menschen noch nicht von seinem Körper Besitz ergriffen hatte.  Er sieht die Gattungsseele des Menschen, die den vogelartigen Körper umschwebt. Hier blieben jene geistigen Wesenheiten zurück, die nicht nötig hatten, hinunterzusteigen in den physischen Plan. Nachdem sie bis zu dieser Stufe der physischen Welt heruntergekommen waren, entwickelten sie sich wieder zum Geistigen hinauf. Es sind die Wesenheiten des astralischen Planes, der Welt des Heiligen Geistes, die sich den Luftkreis als ihr Reich bewahrt haben, gleich wie der Mensch die physische Erde, den Erdkreis als sein Reich in Besitz nimmt.  Diese Wesen muß man sich auch in der Vogelgestalt vorstellen, wenn sie sich uns physisch sichtbar machen sollen. Daher muß der Schreiber des Johannes-Evangelium den Heiligen Geist, der in die Bewußtsinsseele des Jesus hinuntersteigt und sie erfüllt als Geistselbst, unter dem Symbolum einer Taube darstellen. Von Wunderbare Tiefe erscheint uns dieses Symbolum, wenn wir es im Zusammenhang mit der Menschheitsentwickelung betrachten’.[178]

Steiner zegt dus dat in de archetypische vorm die wij nu gedeeltelijk kennen als ‘vogels’, zich entiteiten afsplitsten van de evolutielijn van de wezens die het ‘aarde-domein’ moesten bevolken. Zoals de mens het aarde-domein in zijn bezit zou nemen, zo zou het domein van de lucht toebehoren aan de vogels. Ook dat heeft een functie. Wezens die wij als vogels waarnemen, zijn soms entiteiten uit de geestelijke wereld. Steiner noemt als voorbeeld de duif die Jezus tot Christus bezielde met de Heilige Geest, in het Evangelie van Johannes: ‘Verder getuigde Johannes: ‘Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen en Hij bleef op Hem rusten’ (Joh. 1: 32)[179]. Steiner gaat verder met het duiden van de evolutie aan de hand van Christelijke symboliek, zoals hij die meent te vinden in het Evangelie van Johannes:

‘Wir wollen das, was im Johannes-Evangelium geschrieben steht, noch von einem andern Gesichtpunkte aus Zusammenhang bringen mit der Menschheits-Erdenentwickelung. Wir sollen dabei eine Vorstellung der Rosenkreuzerschule in aller Kürze wiederholen. Dem Schüler wird auf einer gewissen Stufe der Entwickelung etwa folgendes gesagt: Betrachten wir die Pflanze in ihrem Verhältnis zum Menschen. Die Pflanze richtet die Wurzel nach unten, nach dem Mittelpunkt der Erde, dem sitze ihres Ich. Ihre Bevruchtungsorgane wendet sie keusch der Sonne, dem Licht zu. Im Lichte der Sonne erschließt sie ihre Blüte indem läßt sie die Frucht reifen. Diese befruchtende Wirkung des lichtes nennt man geheimwissenschaftlich die Berührung durch die heilige Liebeslanze der Sonne. Sie lockt hervor die Blüte und bewirkt die Fruchtbarkeit der Erde. Was die Pflanze in die Erde versenkt, die Wurzel, das entspricht dem Haupt des Menschen. Der Mensch richtet sein Haupt der Sonne, dem Licht entgegen. Und was die Pflanze dem Lichte zuwendet, die Befruchtsorgane, die neigt er schamhaft der Erde zu. Der Mensch ist das umgedrehte Bild der Pflanze. Das Tier steht mitten zwischen beide. Die Pflanze zeichnet man vertikal der Erde zugerichtet, den Menschen ebenso vertikal von der Erde abgewendet, das Tier horizontal. So erhält man die Form des Kreuzes. Plato drückt dies aus, indem er sagt: Die Weltenseele ist gekreuzigt am uralten Weltenkreuz. -Das Kreuz ist ein kosmisches Symbolum, hingestellt in die Weltentwickelung.  Tiefe Schauer durchwogten die Brust des Schülers, wenn er so hineinschauen konnte in das Werden der Weltentwickelung. So sehen wir auch in der Pflanze ein Bruderwesen aus unferner Vergangenheit. Ursprünglich war auch der Mensch nicht die pflanzliche Substanz zum Fleisch umgewandelt, so wäre er keusch und rein geblieben wie die Pflanze. Nicht kennengelernt hätte er Begierde und Leidenschaft. Aber dieser Zustand konnte nicht erhalten werden, denn der Mensch wäre dann auch nicht zum Selbst bewußtsein erwacht. Es wäre immer in dem Traumleben geblieben, in dem die Pflanze sich heute noch befindet. Der Mensch mußte durchdrungen werden von Begierden und Leidenschaften, mußte zum Fleischesdasein gebracht werden. Nicht alle Organe wurden zur gleichen Zeit aus Pflanzen- in Fleischessubstanz umgewandelt. Die Organe, welche die niedrigsten Triebe ausdrücken, die sind am spätesten einbezogen worden in die leischliche Entwickelung. Und sie befinden sich auch bereits in Dekadenz. Die Fortpflanzungorgane haben am längsten ihren pflanzlichen Charakter bewahrt. Alte Sagen und Mythen berichten uns noch von Hermaphroditen; das waren solche Wesen, die keine Geschlechtorgane von Fleisch und Blut, sondern solche von pflanzlicher Substanz besaßen. Manche glauben, das Feigenblatt, das die ersten Menschen im Paradies gehabt haben, sei ein Ausdruck der Scham. Nein, in dieser Erzählung hat sich die Erinnerung daran bewahrt, daß die Menschen an Stelle der fleischlichen Fortpflanzungsorgane solche pflanzliche Natur gehabt haben. Und nun einen Blick in die Zukunft: Was heute noch niedrige Organe im menschlichen Körper sind, was am spätesten eingezogen wurde in die Fleischlichkeit, das wird auch am ersten wieder abfallen, verschwinden, verdorren am menschlichen Körper. Der Mensch wird nicht auf seiner jetzigen Stufe stehenbleiben: Wie er von der reinen Keuschheit der Pflanze in die Sinnlichkeit der Begierdenwelt hinabsteigen ist, so wird er aus dieser wieder heraufsteigen mit reiner, geläuterte Substanz zum keuschen Zustande.

Gewisse Organe des menschlichen Körpers sind im Zerfall, anders sind auf der Höhe ihrer Entwickelungsfähigkeit angelangt; wieder andere sind erst im Beginne ihrer Entwickelung. Zu den ersteren gehören die Fortpflanzungorgane, zu den zweiten gehört das Gehirn; zu jenen, welche erst in der Keimanlage sich befinden, gehören das Herz und der Kehlkopf und alles, was mit der Bildung des Worten zusammenhängt. Aus ihnen werden Organe herausgebildet, welche die Fortpflanzorgane in ihren Funktionen ersetzen und weit úberragen werden. Sie werden im höchsten Sinne willkürliche Organe werden. Wenn der Mensch zu jener Keuschheit zurückgekehrt sein, welche die Pflanze bewahrt hat; aber es wird eine bewußte Keuschheit sein’.[180]

Hier wordt een heleboel beweerd. Steiner stelt de opbouw van het lichaam van een plant omgekeerd is aan die van een mens. De wortels, waar het ‘Ik’ van de plant zich zou bevinden (voor zover planten een ‘ik’ hebben), zijn diep de aarde ingedoken. Het onderlichaam, met bijbehorende bijzonderheden en organen priemen ‘kuis’ richting de zon. Bij de mens is natuurlijk het omgekeerde het geval. Daar hangen de delen naar beneden (soms) en richt het hoofd zich naar de zon. Bij het dier is alles horizontaal georganiseerd. Het dier complementeert deze vormen dan ook tot een kruis. Zie hier Steiners uitleg van dit bekende Christelijke symbool. Steiner meent ook dit symbool bij Plato te kunnen vinden en legt hem de volgende tekst in de mond: ‘Die Weltenseele ist gekreuzigt am uralten Weltenkreuz. -Das Kreuz ist ein kosmisches Symbolum, hingestellt in die Weltentwickelung’. Het aardige is dat Steiner wanneer hij iets aan anderen ontleent, hij ‘altijd zijn bronnen noemt’ (zo werd vanuit antroposofische zijde gesteld op ‘racisme-debat’[181]), maar het vervelende is dat hij dat hier dan kennelijk niet heeft gedaan. We weten dus niet waar en wanneer Plato dit gezegd zou hebben. En of hij dit gezegd zou hebben, want kruisigen was een typische Romeinse hobby en bestond niet bij de Grieken, laat staan in de tijd van Plato (die ruimschoots voor de opkomst van Rome leefde). Laat ik voorzichtig zeggen dat ik dit een beetje een vreemde bewering vind, maar als iemand weet waar Plato dit gezegd zou hebben, houd ik me ten zeerste aanbevolen.

Maar hierna wordt het pas echt interessant. Het lijkt een beetje flauw dat ik hier zoveel aandacht aan besteed, maar later zal blijken dat dit ook relevant is voor de beweringen over ‘mensenrassen’. Steiner: ‘Ursprünglich war auch der Mensch nicht die pflanzliche Substanz zum Fleisch umgewandelt, so wäre er keusch und rein geblieben wie die Pflanze. Nicht kennengelernt hätte er Begierde und Leidenschaft. Aber dieser Zustand konnte nicht erhalten werden, denn der Mensch wäre dann auch nicht zum Selbst bewußtsein erwacht. Es wäre immer in dem Traumleben geblieben, in dem die Pflanze sich heute noch befindet. Der Mensch mußte durchdrungen werden von Begierden und Leidenschaften, mußte zum Fleischesdasein gebracht werden. Nicht alle Organe wurden zur gleichen Zeit aus Pflanzen- in Fleischessubstanz umgewandelt. Die Organe, welche die niedrigsten Triebe ausdrücken, die sind am spätesten einbezogen worden in die leischliche Entwickelung. Und sie befinden sich auch bereits in Dekadenz. Die Fortpflanzungorgane haben am längsten ihren pflanzlichen Charakter bewahrt’.

Onze geslachtsorganen waren van plantaardige oorsprong en waren in eerste instantie rein en kuis gebleven, omdat deze nog geen begeerte kenden. En dan zou dat in plantaardige vorm nog niet zoveel kwaad kunnen, want planten hebben slechts een ‘droombewustzijn’. En ‘tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, en een weemoedigheid die niemand kan verklaren, maar die des avonds komt wanneer men slapen gaat’, schreef de grote dichter Willem Elschot.[182] Deze dichtregels krijgen in deze context wel een hele bijzondere betekenis. Fantaseren is dus beter dan het in de praktijk brengen, als we Steiner moeten geloven. Dit doet enigszins denken aan de fantaserende vrouwen van Lemurië uit de Akasha-kroniek.

Maar het wordt steeds interessanter. Het vijgenblad, waarmee Adam en Eva gekostumeerd het Paradijs verlieten, was geen teken van schaamte. Neen, het was nog een symbolische herinnering aan de vroegere plantaardige toestand der edele delen. Want het zijn deze delen van de mens die het laatst tot vleze zijn gekomen. En het zijn ook de eerste delen die: ‘wieder abfallen, verschwinden, verdorren am menschlichen Körper’. Een aangenaam vooruitzicht. Kortom, antroposofie is er niet voor bange mensen (in dit geval Freudiaanse castratieangst, om in de sfeer te blijven van het bovenstaande artikel over Ernst Haeckel, uit Hulspas en Nienhuys). Dit is allemaal niet erg, want: ‘Wie er von der reinen Keuschheit der Pflanze in die Sinnlichkeit der Begierdenwelt hinabsteigen ist, so wird er aus dieser wieder heraufsteigen mit reiner, geläuterte Substanz zum keuschen Zustande’. Het is maar waar je naar uitziet. Want, om het nog aangenamer te maken, een plant is zich niet bewust van zijn kuisheid, dus die weet niet beter. Wanneer de mens tot zijn hernieuwde kuise fase terugkeert, zal het echter een ‘bewuste kuisheid’ zijn. Dat betekent dat het afvallen van de geslachtsorganen een evenement wordt dat wij met ons volle bewustzijn zullen gaan ervaren… Kunnen we ons nog op gaan verheugen!

Steiner gaat nog wat verder over andere organen, wat ik hier oversla (twee alinea’s). Er worden wel een heleboel prikkelende dingen gezegd. Zo beweert Steiner dat het hart geen pomp is, zoals de materialistische wetenschappers het afschilderen. Nee de bloedsomloop wordt niet aangedreven door het hart, maar het zit precies andersom (‘Auch das Herz ist für den Geheimforscher erst im Beginne seiner Entwickelung. Es ist nicht jene Pumpe, als welche es seitens der materialistisch Denkenden hingestellt wird. De Glaube, das Herz sei die Ursache der Blutzirkulation, ist ein irrtümlicher. So horribel es auch klingen mag: die Bewegung des Herzens ist die Folge des Blutzirkulation’.[183]). Ik weet niet of deze constatering ook tot het curriculum van de antroposofische artsenopleiding behoort (zelf overigens geen slechte ervaring met antroposofische artsen, maar die zijn wel wat pragmatischer), maar het lijkt me ingewikkeld om iemand antroposofisch te reanimeren. Zo staan er nog wel meer interessante dingen, die ik hier niet ga bespreken, omdat het voor het racismeverhaal wat minder relevant is. Het komt er uiteindelijk op neer dat Christus, door zijn offer en het Mysterie van Golgotha, zowel de heer van hemel als van de aarde is geworden. Deze gebeurtenis is de belangrijkste geweest in de evolutie van onze planeet. Vanaf dit moment zal de involutie, de afdaling van geest naar stof, worden omgebogen in evolutie, d.w.z. de mens zal weer opstijgen uit het fysieke naar het geestelijke. Steiner heeft dit beeld in vele werken op verschillende manieren geschetst.

In dit verband  is de volgende passage weer van belang. Deze is ook opgenomen in het van Baarda-rapport. Steiner:

(cit. 78, cat. 3) Die Vier Hauptrassen teilen sich in den Besitz der Erdoberfläche: die weiße, gelbe, rote und schwarze Rasse. Der Luftkreis aber, der die Erde auf allen Seiten umgibt, ist ein einheitlicher. Darauf ist hingedeutet im Kapitel 19, 23: ‘Die Kriegsknechter aber, da sie Jesum gekreuzigt hatten, nahmen sie seine  Kleider und machten vier Teile, einem jeglichen Kriegsknecht einen Teil, dazu aus den Rock. Der Rock aber war ungenäht, von oben an gewirkt durch und durch’. Die Kleider des Christus sind das Symbolum für die Erdoberfläche, der aus einem Stück gewebte Rock dagegen symbolisiert den Luftkreis, der ungeteilt und unteilbar auf allen Seiten die Erde umspannt. Es muß aber nochmals betont werden, daß auch dieses Symbolum gleichzeitig eine historische Tatsache ist. (einde citaat 78) Nach dieser ist auch der folgende Ausspruch des Meisters verständlich. Er sagt: ‘Der mein Brot isset, der tritt mich mit Füßen’ (13, 18).  Wenn der Christus der Planetengeist ist, wenn die Erde sein Leib ist, ist es da nicht berechtigt, zu sagen, die Menschen essen sein Fleisch und trinken sein Blut und treten ihn mit Füßen? Wenn dieser Geist hindeutet auf die Früchte, die von der Erde gewonnen werden, kann er da nicht sagen: ‘Dies ist mein Leib’, und auf die reinen Pflanzensäfte weisend: ‘Dies ist mein Blut?’ (6, 56). Und wandeln nicht die Menschen auf dem Leibe dieses Planetengeist herum, indem sie ihn mit Füßen treten? Nicht im bösen Sinne hat er dies gesagt, sondern um auf die Tatsache hinzudeuten, daß die Erde der wahre Leib Christi ist. Auch diese Stelle des Evangeliums ist wörtlich zu nehmen. Und die Erinnerung an diese große Wahrheit soll durch das Mysterium des Abendmahles in der Nachwelt wach gehalten werden. Nur der weiß den tiefen Sinn des Abendmahles in der Nachwelt wach gehalten werden. Nur der weiß den tiefen Sinn des Abendmahles zu würdigen, der den Wert dieser gewaltigen Ereignisse für die ganze kosmische Entwickelung zu empfinden vermag. Er sieht aufsprießen die Kraft des Christus in den Pflanzen, welche die Erde im Frühjahr dem Lichte der Sonne entgegensendet; er weiß, die Menschwerdung Christi ist nicht nur ein menschliches Ereignis, sie ist ein kosmisches Ereignis’.[184]

Toelichting van het van Baarda-rapport bij dit citaat: ‘Naar het inzicht van Steiner is de komst van Christus op aarde een unieke gebeurtenis die van immens belang is voor de evolutie van de mensheid. De verbinding van Christus met de aarde na de dood op Golgotha wordt door hem zo gezien, dat Christus sinds die tijd letterlijk de geest van de aarde is, dat wil zeggen de aarde is sinds die tijd het lichaam van Christus. In het bovenstaande citaat wordt in die beschouwing ook de atmosfeer van de aarde betrokken, die te maken heeft de ‘Rock’ van Christus, in tegenstelling tot zijn ‘Kleider’, die met het oppervlakte van de aarde te maken hebben.

De laatste zin van het citaat: ‘Es muß aber nochmals betont werden, daß auch dieses Symbolum gleichzeitig eine historische Tatsache ist’, maakt duidelijk, dat het leven van Jezus Christus door Steiner zowel symbolisch als historisch wordt opgevat. In dit geval betekent dat, dat de verdeling van de kleren van Christus onder het kruis, die zich symbolisch afspeelde, tegelijk een symbool is voor de verdeling van de op aarde levende mensheid in vier rassen’.[185] Dit is alles wat het van Baarda-rapport erover te zeggen heeft. Je zou zelfs kunnen denken dat Steiner hiermee heeft willen zeggen dat het Christendom zich op die manier moest verspreiden over de vier hoofdrassen. Daar kennen we genoeg leuke voorbeelden vanuit de geschiedenis.[186]

Verder kan ik me bij deze passage een ding bedenken. Het zou mogelijk de bron kunnen zijn voor Dieter Brüll, in zijn tirade tegen Gjalt Zondergeld, De nieuwe reactionairen. Brüll: ‘Omdat de duvel met Zondergeld speelt, heeft hij precies de verkeerde ‘racist’ te pakken. Zeker, hij (Sigismund von Gleich, FS) werkte Steiners ‘rassenleer’ uit voor de voor-Christelijke tijd (daarna hebben in de zienswijze van Steiner rassenverschillen hun betekenis verloren).

Maar hij was juist een fervente Nazi-bestrijder van het eerste uur, die nimmer een steekje heeft laten vallen…’enz.[187] Het gaat mij dus wederom alleen om die ene opmerking. Want het bovenstaande citaat is het enige Steinercitaat dat ik heb gevonden dat een beetje in de buurt komt van Brülls stelling. En geloof me, als er een uitspraak van Steiner zou bestaan die dit verhaal van Brüll meer zou bevestigen zou het breeduit, of wellicht met klaroengeschal in het eindrapport zijn opgenomen. Maar dat is dus niet het geval. Het blijft dus een raadsel waarom dit artikel van Brüll zo heilig en belangrijk is voor de rechtzinnigen der Nederlandse antroposofen. Want dit is de enige opmerking over het werk van Steiner in het hele artikel (verder gaat dit stuk uitsluitend over deze of gene infame criticus, die de godvergeten brutaliteit heeft om Steiner en de verheven ‘anthroposophie’ ervan te betichten… enz., al is er aan het eind een losse opsomming van willekeurige citaten weergegeven die zich tegen racisme zouden uitspreken, want alle critici van Steiner zouden volgens Brüll per definitie met citaten manipuleren[188]).  Maar goed, er valt veel over deze lezing te zeggen, maar het lijkt me geen bevestiging voor Brülls wilde stelling. Brüll heeft dan ook geen literatuurverwijzing geplaatst, of voelde zich niet genoodzaakt om zijn opmerkelijke stelling verder te onderbouwen.

Wat we wel hebben gezien is dat de rassenleer een wezenlijk onderdeel is van het evolutiemodel van de antroposofie. De hier naar voren gebrachte inzichten over de indianen passen wederom precies in het beeld dat we al kennen uit Die Mission einzelner Volksseelen en de Akasha-kroniek. Ook hier is Steiner weer buitengewoon consistent. Maar ik denk niet dat je kunt zeggen dat die uitgetekende evolutiemodellen ‘uitglijders’ zijn in het oeuvre van Steiner. Hoe afschrikwekkend ook, ze zijn helaas een onderdeel van het grote verhaal van de antroposofie. En die antroposofie kent wel degelijk een rassenleer. Wellicht spelen de rassen in de toekomst geen rol meer (vierde voordracht Die Mission), maar zover is het nog niet. De rasvorming wordt vooralsnog voortgezet in de erfelijkheid, aldus Hans Peter van Manen[189].  Bovendien worden de rasverschillen op zijn vroegst pas in het negende millennium na Chr. opgeheven, aldus Helmut Zander:  ‘Die Rassenentstehung, die erst in der lemurischen Zeit begonnen habe, werde in der sechsten und siebten »Entwickelungsepoche« verschwinden (ebd.), das heißt: frühestens ungefähr im 9. Jahrtausend. Für eine politische Erledigung der Rassenfrage und für die Geltung von Steiners Rassentheorien ist dies eine lange, eine zu lange Zeit’.[190]  We hebben dus nog eventjes de tijd en voorlopig zullen er nog mensen met een ander kleurtje rondlopen en zitten onze geslachtsdelen nog vast aan ons lichaam. Maar misschien zal op het moment dat de vleselijke voortplanting een halt wordt toegeroepen, middels het afvallen van onze vitale organen, uiteindelijk ook dat verschil tussen de mensenrassen tot het verleden behoren. Zover is het echter nog niet. De ook weer in deze voordracht aangehaalde toespraak van de Choctaw hoofdman was ook in 1907 nog tamelijk recent. Kortom, uit ‘unsere Zeit’, waarin rasverschillen wel degelijk er toe doen. Dus zo’n vaart zal het niet lopen.

De arbeiderslezing uit 1923; Indianen zijn eigenlijk negers die te gronde gaan’

Een ander berucht werk van Steiner is ‘Vom Leben des Menschen und der Erde’ en dan vooral zijn voordracht ‘Farbe und Menschenrassen’, gehouden voor de arbeiders van de bouw van het Goetheanum in Dornacht. In verschillende kritische publicaties over Steiners visie op mensenrassen is erin de loop der tijd veel aangehaald uit deze lezing. Verder is er geen werk van Steiner dat zo streng door de commissie is aangepakt. Haalde uit Die Mission einzelner Volksseelen, toch Steiners ‘hoofdwerk’ over rassen, geen enkele uitspraak de eerste categorie, uit deze voordracht gaat het om maar liefst vijf van de zestien uitspraken. Ook zijn er veel uitspraken die door de commissie tot de tweede en derde categorie werden gerekend.

Onderstaand zal ik de tekst van deze lezing weergeven waarin de door de commissie beoordeelde citaten vet zijn weergegeven. Wanneer het de uitspraken uit de eerste categorie betreft, staat de volledige annotatie en motivatie van de commissie uit de eindconclusies van het rapport vermeld. Andere commentaar van de commissie zal ook aan bod komen. Ik zal soms ook opmerkingen van anderen weergeven en natuurlijk mijn eigen afwegingen. We zullen dus de complete tekst doorlopen, met daarin verwerkt: het volledige commentaar van de commissie bij de citaten uit categorie 1, commentaar van de commissie bij andere citaten, afgewogen tegen mijn eigen inzichten en de conclusies van eerdere commentatoren. Het wordt dus een heleboel ineen. De leidraad is echter het verloop van Steiners tekst. Daaraan zullen alle verschillende commentaren, gezichtspunten en opinies worden opgehangen. Er zal dus veel aan de orde komen, maar het wijst zich allemaal vanzelf uit. De chronologie van de tekst zal in onderstaande bespreking intact worden gehouden.

Interessant is hoe de commissie deze voordracht inleidt: ‘In september 1913 werd de grondsteen gelegd voor het Goetheanum, een gebouw dat bedoeld was als Vrije Hogeschool voor de Geesteswetenschap. Het zou een toneelzaal bevatten voor opvoeringen van euritmie en vier van de grote toneelstukken van Rudolf Steiner, de zogeheten mysteriedrama’s, en was op de betonnen onderbouw na, volledig in hout opgetrokken. Uit alle landen van Europa kwamen kunstenaars naar Dornach om aan dit gebouw te werken. Zij bewerkten het hout, beschilderden de koepels en slepen het glas voor de ramen.

De bouwarbeiders, die ook aan het Goetheanum werkten, konden deelnemen aan cursussen die door antroposofen in Dornach voor hen werden georganiseerd. Na enige tijd vroegen ze of Steiner voor hen wilde spreken. Hij ging hierop in en sprak zodoende vanaf  2 augustus 1922 regelmatig over onderwerpen die de arbeiders zelf aan de orde stelden. De lezingen werden in werktijd gehouden. De antroposofen in Dornach wilden die ook bijwonen, maar op een enkele uitzondering na werden die niet toegelaten. Behalve voor enkele medewerkers van het bouwbureau en een paar naaste medewerkers van Steiner waren de lezingen alleen toegankelijk voor de arbeiders. Ze waren op de praktijk gericht en hadden vaak een verhalend karakter; om duidelijk te maken wat hij wilde zeggen schuwde hij drastische beelden niet.

Deze lezingen, de zogenaamde arbeidersvoordrachten, zijn door hun stijl uniek in het verzamelde werk van Rudolf Steiner. Ze tonen duidelijk aan hoe hij bij zijn lezingen uitging van het referentiekader van zijn toehoorders. Het is om die reden onmogelijk om er een enkele zin uit te citeren en die buiten de context van de totale lezing te interpreteren’.[191]

Dit advies van de commissie ter harte genomen, zal de complete lezing worden weergegeven. Duidelijk zal worden dat er veel parallellen zijn met eerdere voordrachten, met de hier bovenstaande voordracht uit GA 100, maar ook met Die Mission einzelner Volksseelen en zelfs met de Akasha-kroniek. Samen met de vierde en de zesde voordracht uit Die Mission is deze voordracht wellicht de meest beruchte tekst van Rudolf Steiner geworden, wat ‘mensenrassen’ betreft. Maar, zoals de commissie het zelf zegt, deze lezing springt er absoluut uit door het gebruik van ‘drastische beelden’.

De commissie heeft, naast dat deze lezing van alle werken van Steiner het strengst is beoordeeld, ook heel veel aandacht aan deze voordracht besteed, veel meer dan aan de vierde en de zesde voordracht uit Die Mission einzelner Volksseelen (al staat er weer wel een apart hoofdstukje opgenomen als algemene inleiding op Die Mission). Hoewel er vijf citaten in de eerste categorie vallen en de beoordeling dus relatief streng is, worden de meeste citaten vooral verdedigd, vaak met de meest surrealistische argumenten (ik kan er niets anders van maken). En zelfs bij deze voordracht heeft de commissie een paar pittige uitspraken buiten het rapport gehouden. Een statement als: ‘Nun, in Amerika, da gedeihen diejenigen, die eigentlich zugrunde gehende Neger einmal waren, das heißt, sie gedeihen nicht, sie gehen zugrunde, die Indianer. Wenn man dahin kommt, da ist eigentlich immer ein Kampf zwischen Vorderhirn und Hinterhirn im Kopf’, vond de commissie zelfs niet nodig om in het rapport op te nemen. Het komt uit het weggelaten stuk tekst tussen citaat 131 en citaat 132, maar wellicht is dit een erratum, want wat ik ook van de bespreking van deze voordracht vind, de commissie is niet zuinig geweest in het behandelen en classificeren van diverse passages (veel uitvoeriger dan bij Die Mission einzelner Volksseelen en ook relatief strenger, alleen mijns inziens niet streng genoeg).  Naast dat ik de lezing bespreek, zal ook de verdediging van de commissie uitvoerig aan de orde komen. Ik zal nu alvast vermelden dat het een vrij stevig verhaal gaat worden, maar ik vind de verdediging van deze voordracht niet bepaald het hoogtepunt van het rapport. Er zijn gedeeltes van het rapport waar ik nog best positief over ben, maar dat is hier helaas niet het geval. Dus dit gedeelte zal tamelijk fors zijn.

Hieronder de (bijna) volledige tekst van de voordracht, waar de commentaren van de commissie, van eerdere verdedigers en critici van Steiner en mijn eigen commentaren zijn tussengevoegd. Het zal zich vanzelf wijzen.

Rudolf Steiner

 

Vom Leben des Menschen und der Erde; über das Wesen des Christentums

 

Dreizehn Vorträge vor den Arbeitern am Goetheanumbau in Dornach, vom 17. Februar bis 9. Mai 1923 (GA 349)

 

Dritter Vortrag; Farbe und Menschenrassen

Dornach, 3. März 1923[192]

‘Guten Morgen! Nun, meine Herren, die letzte Frage über die Farben habe ich natürlich noch nicht ganz beantwortet. Wir sollen sie noch etwas weiter oder zu Ende führen.

Da kommt heute für uns zunächst dasjenige in Betracht, was am meisten interessant ist, nämlich die menschliche Farbe selber. Sie wissen ja, daß über die Erde hin die Menschen verschiedene Farben zeigen. Von den Europäern, zu denen wir gehören, sagt man, sie seien die weiße Rasse. Nun, Sie wissen ja, eigentlich ist der Mensch in Europa nicht ganz gesund, wenn er käseweiß ist, sondern er ist gesund, wenn er seine naturfrische Farbe, die er im Innern selber erzeugt, durch das Weiße nach außen zeigt’.

Na deze opgewekte begroeting van de verzamelde bouwvakkers, poneert hij bij zijn ongetwijfeld ‘naturfrische’ gehoor de volgende stelling:

(cit. 120, cat. 3) ‘Nun haben wir aber außer dieser europäischen Hautfarbe noch vier hauptsächliche andere Hautfarben. Und das wollen wir heute ein bißchen betrachten, weil man eigentlich die ganze Gesichte und das ganze soziale Leben, auch das heutige soziale Leben nur versteht, wenn man auf die Rasseneigentümlichkeiten der Menschen eingehen kann. Und dann kann man ja auch erst im richtigen Sinne alles Geistige verstehen, wenn man sich zuerst damit beschäftigt, wie dieses Geistige im Menschen gerade durch die Hautfarbe hindurch wirkt’.[193] (einde citaat 120)

Dit citaat is heel vaak aangehaald door critici van de antroposofie, van Zondergeld en van der Tuin tot en met Toos Jeurissen[194]. De commissie zegt er overigens dit over: ‘NB Deze uitspraak aan het begin van de lezing is een typische overdrijving die kenmerkend is voor de stijl van de arbeidersvoordrachten. Uit ander werk van Steiner blijkt geenszins dat hij van mening is dat de hele geschiedenis en heel het sociale leven, ook dat van zijn tijd, uitsluitend te begrijpen is uit de raseigenschappen van de mensen. Hij wijdde talrijke lezingen aan het sociale leven en de geschiedenis zonder daarbij de raseigenschappen als uitgangspunt te nemen. De uitspraak heeft alleen betrekking op de wijze waarop hij het onderwerp raseigenschappen in déze lezing behandelt. In de lijn ervan gaf hij in het vervolg van de lezing enkele voorbeelden uit de geschiedenis en het sociale leven van de verschillende rassen waarvoor de specifieke eigenschappen van een ras een verklaring kunnen bieden’.[195]

Ik ben er zelf niet van overtuigd dat Steiner overdreef. Zelfs uit deze lezing is dat al af te leiden. Dat zal later duidelijk worden bij de passage ‘Die weiße Rasse ist die zukünftige, ist die am Geiste schaffende Rasse’ (uit citaat 132). De commissie geeft dan zelf toe dat het hier gaat om een beschrijving van de cultuurperiodes/onderrassen. Bij de Akasha-kroniek (zie mijn eerdere bespreking[196]) is gebleken dat de notie van de Wortelrassen/Zeitalter en de Unterrassen/Kultur-Epochen alles te maken heeft met de mensenrassen, althans dat voor dit aarde-tijdperk het blanke/ Arische /Kaukasische ras het cultuurdragende ras is. Dit is overigens ook al af te leiden uit de hiervoor besproken voordracht uit GA 100 en natuurlijk Die Mission einzelner Volksseelen. Want het is het blanke ras waaruit de cultuurperiodes ontspruiten en niet bijvoorbeeld het Aziatische, het zwarte of de indianen. De liefhebber zou ik wederom het artikel ‘Waarom geen Chinese cultuurperiode?’[197] (het zit al in de titel) uit het tijdschrift de Brug kunnen aanbevelen. Ik ben het dus niet eens met de commissie en we zullen zien dat later in de lezing deze ‘relativering’ door Steiner en uiteindelijk ook de commissie zelf volledig onderuit wordt gehaald (als de commissie zelf haar vingers brandt aan citaat 132). Maar dat komt later.

Wat wellicht nog het meest interessant aan deze passage is, is het woordje ‘heutige’. Dit hebben de eerdere critici van Steiner laten liggen en ook de Commissie van Baarda, maar dat lijkt me hoe dan ook van belang. Want waar zijn die verhalen dat de verschillen tussen de rassen in het verleden zijn opgeheven? Nogmaals Dieter Brüll: ‘Omdat de duvel met Zondergeld speelt, heeft hij precies de verkeerde ‘racist’ te pakken. Zeker, hij werkte Steiners ‘rassenleer’ uit voor de voor-Christelijke tijd (daarna hebben in de zienswijze van Steiner rassenverschillen hun betekenis verloren). Maar hij was juist een fervente Nazi-bestrijder van het eerste uur, die nimmer een steekje heeft laten vallen…’enz.[198] Wederom een beetje onnauwkeurig (of was het blufpoker?) van meneer Brüll en al die anderen die hetzelfde hebben beweerd.

Verder met de volgende passage:

(cit. 121, cat. 1) Ich möchte Ihnen nun die Farbigkeit der Menschen in der folgenden Wese auseinandersetzen. Gehen wir aus von Europa, wo wir selber wohnen. Da haben wir also-Ich kann es Ihnen nur ganz schematisch aufzeichnen-zunächst Europa (siehe Zeichnung), an Europa angrenzend. Also: Europa, Asien, Afrika. Nun wollen wir da einmal die Menschen, wie sie in den betreffenden Gegenden sind, hineinzeichnen. Wir selber in Europa nennen uns die weiße Rasse. Gehen wir nach Asien hinüber, so haben wir hauptsächlich in Asien die gelbe Rasse. Und wenn wir nach Afrika hinübergehen, da haben wir die schwarze Rasse. Das sind auch die ursprünglichen Rassen. Alle andere, was sonst noch in diesen Gegenden lebt, beruht eben auf Einwanderung. Also wenn wir fragen: Was gehört zu diesen Erdteilen für eine Rasse hinzu? – so müssen wir eben doch sagen: Zu Asien gehört die gelbe Rasse, die Mongolen, die mongolische Rasse, und zu Europa gehört die weiße Rasse oder die kaukasische Rasse, und zu Afrika gehört die schwarze Rasse oder die Negerrasse. Die Negerrasse gehört nicht zu Europa, und es ist natürlich nur ein Unfug, daß sie jetzt in Europa eine so große Rolle spielt. Diese Rassen sind gewissermaßen in diese drei Erdteilen heimisch (einde citaat 121).[199]

Uit het eindrapport: ‘Annotatie: NB het gele, het blanke en het zwarte ras is volgens Steiner oorspronkelijk thuis in Europa, Azië en Afrika. Zijn opmerking ‘es ist natürlich ein Unfug, daß sie jetzt in Europa eine so große Rolle spielt’ heeft wellicht te maken met de rol die negers in Europa speelden op het gebied van amusement, in het bijzonder de jazzmuziek. Steiner was niet de enige die daar negatief tegenover stond (zie M. Klausmann, ‘Zum Rassismus-Streit. II. Zu Rudolf Steiners Verständnis der negriden Rasse und des Negriden’, in Das Goetheanum, Wochenschrift fúr Anthroposophie 31, 3 november 1996, pp. 355-357. Daarin verwijst de auteur naar Über Jazz van Theodor W. Adorno en de roman Wendepunkt van Klaus Mann.

Motivering: Het gaat hier om de zin die begint met: ‘[…] und es ist natürlich ein Unfug’. Anders dan met citaat 138 het geval is, is het voor twijfel vatbaar of Rudolf Steiners opmerking betrekking heeft op het ronselen van zwarten door het Franse leger met het doel hen in Europa te laten vechten (net na WOI en bezetting van het Rijnland, volgens de bepalingen van de Vrede van Versailles, FS). Anders dan met citaat 138 is er in citaat 121 geen sprake van het bekritiseren van de Fransen.

Het Duitse woord ‘Unfug’ betekent in het Nederlands onbetamelijk of ongepast; Unfug treiben = misbruik maken. Met het woord ‘Unfug’ gebruikte Steiner een afkeurende morele kwalificatie. De kwalificatie heeft betrekking op ‘eine große Rolle’ van de zwarten in Europa, die niet anders wordt gemotiveerd dan met de opmerking dat de verscheidene raciale groeperingen thuishoren op het door hen van oudsher bewoonde gedeelte van de aarde. In de citaten 95 en 96 bespreekt Rudolf Steiner eveneens de geografische lokalisering van de rassen; in citaat 96 wijst hij er echter op dat de betekenis van deze geografische lokalisering vermindert’.[200]

In een eerdere bespreking ben ik al ingegaan op het punt van Adorno’s essay Über jazz. Ik zal dat hier nog een keer herhalen: ‘Dit citaat heeft de commissie in de eerste categorie geplaatst als ernstig discriminerend, al wordt er wel een heel bijzonder argument ter verdediging van Steiner aangevoerd. De commissie stelt dat het hier wellicht gaat over de invloed van ‘zwarten’, ‘negers’ zo je wilt, op de amusementscultuur, zoals bijvoorbeeld de jazz. En Steiner hield niet van jazz, net als de grote filosoof en muziektheoreticus Theodor Adorno van de Franfurter Schule[201]. De commissie verwijst naar Adorno’s essay ‘Über jazz’ ter verdediging van Steiner. Nu kun je lang over Adorno´s opvattingen over jazz praten (mijns inziens was deze grote filosoof wat dat betreft enigszins conservatief, of zelfs reactionair en bekrompen, zeg ik als jazzliefhebber, overigens hier niet echt relevant) het gaat hier vooral om zijn positie ten aanzien van het ‘Hight Art-Low Culture debat’ veelal aangeroerd door de Canadese socioloog en cultuurwetenschapper Thomas Crow (overigens pas jaren later), die een tegengestelde positie ten opzichte van Adorno inneemt en Adorno in deze aanvecht. Maar ook dit heeft niets te maken met huidskleur. Later zal ik Adorno nog een keer ter sprake brengen, overigens ten nadele van de antroposofie, bij de bespreking van Maarten Ploegers bijdrage aan het debat. Overigens, als de commissie constant klaagt over misbruik en uit de context halen, laat ze dan het goede voorbeeld geven en geen denkers als Edward Said en Theodor Adorno voor de kar van ‘hoe redden we de antroposofie’ spannen. Afgaande op mijn eigen bescheiden kennis en inzichten, durf ik de stelling wel aan dat beide denkers zich bij leven hier niet gelukkig bij hadden gevoeld’.[202]

Tot zover mijn commentaar uit een eerder artikel. Verder met Steiners voordracht. Hier volgt een buitengewoon interessant stukje:

Figuur 5: eerste afbeelding GA 349-3

‘Nun wollen wir uns einmal mit der Farbe dieser drei  Rassen beschäftigen. Ich habe Ihnen schon das letzte Mal gesagt: Die Farbe hat mit dem Licht zu tun. Wenn man durch das Beleuchtete des Weltenraumes hindurch das Schwarze des Weltenraumes sieht, so erscheint

es blau. Wenn man Licht, Beleuchtetes, durch die dunkle Luft hindurch sieht, so erscheint es rötlich, wie bei der Morgen- und Abenddämmerung’.[203]

Dit stukje is niet opgenomen in het van Baarda-rapport, wat op zich vreemd is, want ook hier wordt door Steiner nogal wat beweerd. Bovenstaande had tenminste in categorie 3 gemoeten (wat ook gebeurd is met het beruchte ‘Nicht deshalb…’ citaat uit Die Mission). Bovendien

staat er in dit stukje een mogelijk zeer belangrijke opmerking. Dat is dat er dag-, nacht- en schemeringsrassen zijn. Anderen, vooral critici van de antroposofie in Nederland en Duitsland (in dit geval Jan Willem de Groot en recenter Jana Husmann-Kastein) hebben wel eens geopperd dat Steiner wellicht zou zijn beïnvloed door ene Carl Gustav Carus, die de indeling maakte van dag-, nacht- en schemeringsrassen. Ik zal beide hier citeren. Eerst de Groot:

‘De antroposofische indeling van de mensheid volgens de delen van een etmaal, waarbij de huidskleur aan de zon, de nacht of de schemering wordt gerelateerd, zijn we in het schrift Rassenkunde van Juliette Oprinsen tegengekomen. De docent van De Berkel die Juliette deze indeling onderwees, baseerde zich daarbij op het door de antroposoof Max Stibbe samengestelde lesmateriaal. Stibbe, een antroposoof van het eerste uur en een trouw volgeling van Steiner, moet deze indeling weer aan Rudolf Steiner hebben ontleend.

Steiner zelf is echter niet de geestelijke vader van de classificatie van de mensheid volgens de delen van een etmaal. Zij stamt oorspronkelijk van de laat-romantische filosoof en professor in de anatomie Carl Gustav Carus (1789-1869), die bij de viering van Goethe’s honderdste geboortedag in 1849 een “Denkschrift” met deze indeling presenteerde. Dat Steiner dit geschrift van Carus moet hebben gekend, is meer dan waarschijnlijk. Ten eerste was Carus in de negentiende eeuw in Duitsland een invloedrijk romantisch filosoof.9) Daarnaast was Steiner, voordat hij na de eeuwwisseling aan een carrière als occultist begon en via de theosofie bij zijn eigen Antroposofische Vereniging uitkwam, in de jaren negentig zeven jaar werkzaam aan het Goethe-Schiller-archief in Weimar.10) In deze jaren zal hij zeker het bovengenoemde essay onder ogen hebben gekregen, dat Carus in 1849 bij de viering van Goethe’s honderdste geboortedag had uitgegeven.

De inhoud van Carus’ brochure, waaraan Steiner de indeling in dag- en nacht-volken heeft ontleend, kan men alleen maar als racistisch bestempelen. Carus’ opstel heeft als titel Über ungleiche Befähigung der verschiedenen Menscheitstämme für höhere geistige Entwickelung.11) In dit geschrift ontwerpt hij een antropologie, die zich op de stand van de zon jegens de aarde baseert. De lichtval van de zon op de aarde veroorzaakt een “dag,” een “nacht” en een “schemering.” Carus meent dat deze drie fundamentele “Lichtzustände”12) van beslissende invloed zijn op het functioneren van de verschillende menselijke rassen. Op grond van dag, nacht en schemering onderscheidt Carus “Tag-,” “Nacht-” en “Dämmerungsvölker,” welke laatste weer worden onderverdeeld in oosterse en westerse schemerings-volken. De nacht-volkeren, welke “dem Lichtmangel – der Nacht des Planeten entsprechen” zijn volgens Carus de donkergekleurde bewoners van Afrika, de westerse en oosterse schemerings-volken respectievelijk de Indianen en de Aziaten. Het dag-volk daarentegen wordt gevormd door het Kaukasische, dat wil zeggen blanke Arische ras.13)

De onderverdeling van de mensheid volgens de verschillende lichtfasen correspondeert volgens Carus met de vorm van de schedels van de verschillende rassen. Geheel in overeenstemming met de verschillende negentiende-eeuwse rassentheorieën, waarin de Ariërs op grond van hun langwerpige schedels -de zogenaamde dolichocefale schedel- een grotere herseninhoud werd toegeschreven, meent ook Carus dat de schedel van de Arische dag-volkeren de ideale vorm heeft; hij is regelmatig van opbouw en structuur en heeft de grootste herseninhoud. De schedels van de nacht- en schemerings- volkeren zijn daarentegen van een veel mindere kwaliteit; de vervormingen die hier geconstateerd kunnen worden, hebben een negatieve invloed op zowel vorm, inhoud en structuur van de hersenen. Vooral de schedel van de dag- en nacht-volken vertoont grote verschillen. Volgens Carus is deze bij de laastsen “am meisten thierähnlich,” terwijl die bij de dag-volken “am reinmenschlichsten” is.14)

Corresponderend met de grote fysiologische verschillen tussen de drie delen van de mensheid vertonen ook hun beschavingen grote onderlinge afwijkingen. De nacht-volken beschikken in de visie van Carus nauwelijks over cultuur; in hun primitieve samenlevingen ontbreken kunst en literatuur geheel. De cultuur van de verschillende schermings-volken is van een hoger niveau, wat vooral geldt voor de Aziatische volken. De Aziatische cultuur is volgens Carus echter een statische cultuur, die geen enkele ontwikkeling kent.15) In vergelijking met de nacht- en schemerings-volken bevindt de cultuur van het Arische dag-volk zich op eenzame hoogte. Hier domineren het “spirituelle Princip” en de “geistige Kraft,” wat tot uitdrukking komt in de “reine Schönheit” van de Arische fysiologie. De cultuur van de Arische dag-volkeren wordt bepaald door het principe van individualiteit en kenmerkt zich dan ook door een rijke veelzijdigheid.16) Met dit laatste bevindt Carus zich geheel in overeenstemming met de verschillende rassentheorieën van zijn tijd, waarin het Ariërdom tot de schepper van alle cultuur werd gebombardeerd.17)

Fundamenteel voor de ontwikkeling van de verschillende culturen zijn telkens de drie lichtfasen van dag, nacht en schemering. Het is de mate van “Sonnenerleuchtung” die het spirituele niveau van een ras bepaalt en waarvan de fysieke verschijningsvorm een directe weerspiegeling is. In het systeem van Carus vormen de blonde Ariërs dan ook het eigenlijk zonneras, die als “Blüthe der Menschheit”18) de hoogste trede van de spirituele ladder bezetten.

De verbinding van de Ariër als schepper van alle cultuur met de zon als symbool van hogere spiritualiteit zou aan het einde van de negentiende eeuw een grote verbreiding kennen. De associatie van de Ariër met de zon kon daarbij direct aansluiting vinden bij een ander aspect van de zonnecultus en wel het oude Germaanse zonnewendefeest. Dit feest mocht zich rond de eeuwwisseling in het kader van het opkomende “nieuw-heidendom” in Duitsland in een grote populariteit verheugen. Verbonden met het “Arische zonnemotief” waren de zogenaamde Arische kleuren, goud -of geel- en blauw, die een grote verbreiding in het völkische en antisemitische kamp kenden. Het goud stond symbool voor de Ariër zijn blonde haren, die zich in het licht van de zon weerspiegelden, terwijl het blauw voor de kleur van zijn ogen stond, die weer een afspiegeling waren van het blauw van de hemel.19)[204]

Nu Jana Husmann-Kastein: ‘Steiners viergliedriges System entspricht farblich dem im 18. Jahrhundert entwickelten System des Botanikers Carl von Linné: “Erinnern Sie sich daran, wie es Rassen gibt, die schwarze, rote, gelbe und weiße Rasse, und wie diese Rassen ursprünglich verknüpft sind mit gewissen Gebieten unserer Erde.”38 Er beschreibt das viergliedrige Farbsystem entlang von vier Entwicklungsstadien. In diesem Kontext analogisiert er Bilder vom Individual- und Kollektivkörper und lehnt sich an das Modell des Naturphilosophen Carl Gustav Carus an. Bei Steiner ergibt sich entsprechend folgende Zuordnung: “Afrika” und die “schwarze Rasse” stünden für “Kindheitsmerkmale”, “Asien” und die “gelbe” oder “bräunlichen Rassen” für “Jugendmerkmale”, Europa für “reifste Merkmale” und Amerika assoziiert Steiner mit dem “Absterben der Menschheit”40. Aus Carus’ ‘planetarischem Modell’ der “Tag-, Nacht- und Dämmerungsvölker”41 , übernimmt Steiner unter anderem auch die Identifizierung der sogenannten ‘Indianer’ durch das Bild der Abenddämmerung sowie Carus’ Gedanken ihres vermeintlich naturgemäßen Aussterbens. Bei Steiner wird dies mit seinem karmisch spiritualistischen System verknüpft:
“Nicht etwa, weil es dem Europäer gefallen hat, ist die indianische Bevölkerung ausgestorben, sondern weil die indianische Bevölkerung die Kräfte erwerben musste, die sie zum Aussterben führte (…) Die Typologisierung entlang der Haare entspricht der Rassensystematik des Sozialdarwinisten Ernst Haeckel, lässt sich aber etwa auch an Thesen von Carl Gustav Carus und des ‘Ariosophen’ Lanz von Liebenfels anbinden. Hier ist der farbsymbolische Zusammenhang von Weiß, Geist und Rationalität entlang des blonden Haars in die menschliche Natur verlagert, zur vermeintlich biologischen Wahrheit und entsprechend verweltlicht worden’[205]

Jana Husmann verwijst bovenstaand natuurlijk vooral naar Die Mission einzelner Volksseelen. Zij verwijst naar de vierde voordracht, maar ik zou ook een passage uit citaat 116 uit de zesde voordracht kunnen aanhalen: ‘Da haben wir in allem, was wir als Saturn-Rasse zu bezeichnen haben, in allem, dem wir den Saturn-Charakter beizumessen haben, etwas zu suchen, was sozusagen zusammenführt, zusammenschließt das, was wieder der Abenddämmerung der Menschheit zuführt, deren Entwickelung in gewisser Weise zum Abschluß bringt, und zwar zu einem wirklichen Abschluß, zu einem Hinsterben’.[206]

Zie hier ook de analogie met de etmalen. Steiner zegt hier immers: ‘Nun wollen wir uns einmal mit der Farbe dieser drei  Rassen beschäftigen. Ich habe Ihnen schon das letzte Mal gesagt: Die Farbe hat mit dem Licht zu tun. Wenn man durch das Beleuchtete des Weltenraumes hindurch das Schwarze des Weltenraumes sieht, so erscheint

es blau. Wenn man Licht, Beleuchtetes, durch die dunkle Luft hindurch sieht, so erscheint es rötlich, wie bei der Morgen- und Abenddämmerung’. Hoewel ik zelf geen onderzoek naar deze specifieke materie heb verricht lijkt het mij de verklaring van de Groot en Husmann buitengewoon plausibel. Zie voor de door Husmann genoemde invloed van Haeckel de bespreking van GA 100.

‘Wollen wir uns einfach an gewöhnlichen Gegenständen die Farben betrachten. Da unterscheiden Sie zunächst, sagen wir, Schwarz und Weiß. Das sind ja die auffälligsten Farben, Schwarz und Weiß. Wie steht es denn nun mit einem schwarzen Körper? Mit einem schwarzen Körper steht  es so, daß er all das Licht, das auf ihn fällt, in sich verarbeitet und gar kein Licht zurückspiegelt. Wenn Sie also hier einen schwarzen Körper haben, so nimmt der

alles Licht, das auf ihn fällt, in sich auf, und gar nichts gibt er zurück. Daher erscheint er schwarz, weil er kein Licht spiegelt. Wenn Die einen weißen Körper haben, der sagt: Ich brauche das Licht nicht; ich will nur das verarbeiten, was mir selber ist. Ich schicke alles Licht zurück. -Daher ist er weiß. (cit. 122, cat. 3) Also ein weißer Körper, der schickt alles Licht zurück. Wir sehen daher seine Oberfläche hell, weiß. Ein schwarzer Körper nimmt alles Licht auf, und auch alle Wärme mit dem Licht, und er wirft gar kein Licht, gar keine Wärme zurück; also erscheint er schwarz, dunkel. (einde citaat 122)

Sehen Sie, Sie können das näher studieren, wenn Sie sich folgendes überlegen. Nehmen Sie an, hier ist ein Körper auf der Erde; der nimmt alles Licht auf. Zunächst gibt er ein bißchen Licht zurück, erscheint also hell. Aber er läßt sich Zeit und nimmt möglichst viel Licht in sich auf. Nun hat er möglichst viel Licht in sich. Wenn er nun keines mehr aufnehmen kann, und man bringt ihn ins Licht, so erscheint er Schwarz.

Nun nehmen Sie einen Baum an. Der steht zunächst auf der Oberfläche der Erde, nimmt etwas Licht auf, aber viel Licht verschluckt er, viel Wärme verschluckt er. Nun, das geht solange, bis er unter der Erde hinunterstürzt. Wenn er nu ein Zeitlang- das bedeutet aber Jahrtausende oder Jahrmillionen- unter die Erde geblieben ist, was wird er? Schwarze Kohle! Schwarz wird er, als ein Baum war, Licht und Wärme in sich aufgenommen hat. Er gibt das nicht her, wenn wir ihn nicht vernichten. Wenn wir ihn verbrennen, dann gibt er es her. Da hat er so viel von Licht und Wärme aufgenommen, daß er nichts hergibt. Wir müssen ihn vernichten. Das ist der Zustand der Kohle.

Nehmen wir an, daß der Körper das Licht nicht weiter aufnimmt, er schickt jetzt alles wieder zurück: dann wird dasjenige, was so beschaffen ist, weiß sein. Das ist der Schnee im Winter. Er schickt alles Licht zurück, nimmt kein Licht und Wärme auf. Also wird er weiß. Sie sehen an dem Unterschied zwischen Kohle und Schnee, wie das eigentlich ist mit dem Verhältnis der Gegenstände auf Erden zum Weltenraum’.[207]

Bovenstaand gedeelte, ook niet opgenomen in het van Baarda-rapport, op het hele korte citaat in het midden na (cit. 122) is wat mij betreft een van de meest  bizarre passages uit de hele voordracht en dan vooral de laatste twee alinea’s. Wat mij betreft ook een belediging voor de intelligentie van zijn toehoorders. Want al zijn deze voordrachten uit deze cyclus bedoeld als ‘volksverheffing’, dit lijkt mij meer het tegenovergestelde. Hoe dan ook, dit zullen wel die ‘drastische beelden’ zijn, waarvan ‘hij het gebruik niet schuwde’ (zie inleidend gedeelte uit het van Baarda-rapport). ‘Zwarte kolen en wit als sneeuw’. De wereld is een groot sprookje, net als de antroposofie. Toch vreemd dat deze passage niet in het rapport staat. Maar misschien is het te gênant. Racistisch is het overigens ook.

Wenden wir das auf den Menschen selber im Weltenraum an. (cit. 123, cat. 1) Sehen wir uns zunächst die Schwarzen in Afrika an. Diese Schwarzen in Afrika haben die Eigentümlichkeit, daß sie alles Licht und Wärme vom Weltenraum aufsaugen. Sie nehmen das auf. Und dieses Licht und diese Wärme im Weltenraum, die kann nicht durch den ganzen Körper durchgehen, weil ja der Mensch immer ein Mensch ist, selbst wenn er ein Schwarzer ist.  Es geht nicht durch den ganzen Körper durch, sondern hält sich an die Oberfläche der Haut, und da wird die Haut dann selber schwarz. So daß also ein Schwarzer in Afrika ein Mensch ist, der möglichst viel Wärme und Licht vom Weltenraum aufnimmt und in sich verarbeitet.[208] (einde citaat 123)

Annotatie: NB Het lijkt of Steiner met de hierboven geciteerde zin: ‘weil ja der Mensch immer ein Mensch ist, selbst wenn er ein Schwarzer ist’ aan zijn gehoor meende te moeten uitleggen dat negers ook mensen zijn, omdat het zich wellicht bij zwarten in Afrika exotische, onderontwikkelde volksstammen voorstelde (zie hier een effectieve omschrijving van ‘exotisme’, FS[209]).

Het kan echter ook zo zijn, dat hij met deze zin het verschil tussen een zwart menselijk lichaam en een zwart voorwerp wilde benadrukken. Hij had hiervoor uitgelegd dat licht en warmte helemaal door een zwart voorwerp heendringen zonder dat er iets wordt teruggekaatst, waarbij in dat geval met licht ook het onzichtbare bovenzinnelijke deel van het licht moet worden bedoeld; gewoon licht dringt immers nooit door ondoorzichtige voorwerpen heen. Een plant die tot steenkool geworden is, is daarom ook door en door zwart. Bij een mens wordt alleen de huid zwart (suggereert dit een mogelijk oorzakelijk verband?? Volgens Sigismund von Gleich duiken ‘de Joden de aarde-donkerte in’[210], dus die zouden dan ook pikzwart moeten zijn, FS). In het menselijk lichaam dringen licht en warmte volgens Steiner op een andere manier door dan bij een plant. Het menselijke lichaam heeft andere eigenschappen dan een plant, ook als het zwart is (zou helemaal mooi zijn, vegetatieve en comateuze negers, en ze rennen juist zoveel, zie verderop in de lezing, citaat 123, FS). Het wordt niet door en door zwart, maar alleen de oppervlakte. Een zwart menselijk lichaam is niet een willekeurig zwart voorwerp, maar een zwart mens. Met andere woorden, een mens blijft een mens, ook als hij zwart is (met die laatste open deur natuurlijk eens, maar waarom zo’n uitleg??? FS).

Motivering: De zinsnede die begint met ‘weil ja der Mensch…’ is voor beide interpretaties die in ons commentaar genoemd worden vatbaar: enerzijds de mogelijkheid dat Steiner het nodig vond om ten behoeve van het publiek dat nog nooit een zwarte gezien had te benadrukken dat ook zwarten mensen zijn (en om die arme bouwvakkers dan maar meteen vol te pompen met racistische denkbeelden, FS), anderzijds de mogelijkheid dat Steiner het verschil tussen een zwart menselijk lichaam en een zwart voorwerp wilde benadrukken, met betrekking tot het absorberen van licht. Het lijdt echter geen twijfel, dat de lezer die deze uitspraak vijfenzeventig jaar na dato leest, de betreffende zinsnede als ernstig beledigend kan ervaren, omdat er de denigrerende suggestie in gelezen kan worden dat het kennelijk nodig is uit te leggen dat ook zwarten mensen zijn. In par. 3.6.1 hebben wij echter opgemerkt dat de opmerking van Steiner mede gelezen kan worden tegen de achtergrond van een hetze -‘la honte noire’, die destijds in Frankrijk gevoerd werd (kom ik in een later verband, buiten de bespreking van deze voordracht, op terug).[211]

(cit. 124, cat. 2) Dadurch, daß er das tut, wirken über den ganzen Menschen hin die Kräfte des Weltenalls (Zeichnung, links). Überall nimmt er Licht und Wärme auf, überall. Das verarbeitet er in sich selber. Da muß etwas da sein, was ihm hilft bei diesem Verarbeiten. Nun, sehen Sie, das, was ihm da hilft beim verarbeiten, das ist namentlich sein Hinterhirn. Beim Neger ist daher das Hinterhirn besonders ausgebildet. Das geht durch das Rückenmark. Und das kann alles das, was da im Menschen drinnen ist an Licht und Wärme, verarbeiten. Daher ist beim neger namentlich alles das, was mit dem Körper und mit dem Stoffwechsel zusammenhängt, lebhaft ausgebildet. Es hat, wie man sagt, ein starkes Triebleben, Instinktleben.  Der Neger hat also ein starkes Triebleben. Und weil er eigentlich das Sonnige, Licht und Wärme, da an der Körperoberfläche in seiner Haut hat, geht sein ganze Stoffwechsel so vor sich, wie wenn in seinem Innern von der Sonne selber gekocht würde. Daher kommt sein Triebleben. Im Neger wird da drinnen fortwährend richtig gekocht, und dasjenige, was dieses Feuer schürt, das ist das Hinterhirn.

Manchmal wirft die Einrichtung des Menschen noch solche Nebenprodukte ab. Das kann man gerade beim Neger sehen. Der Neger hat nicht nur dieses kochen in seinem Organismus, sondern er hat auch noch ein furchtbar schlaues und aufmerksames Auge. Er guckt schlau und sehr aufmerksam. Das könnten Sie leicht als Widerspruch auffassen. Aber das ist so; Wenn da vorne der Nerv des Auges (Zeichnung), so gehen die Nerven just in Hinterhirn hinein; die kreuzen sich da. Der Nerv, der geht also ins Hinterhirn. Und weil der Neger das Hinterhirn besonders ausgebildet hat, deshalb guckt er auch so schlau, deshalb ist er ein so schlauer Beobachter der Welt. (einde citaat 124)

Wenn man das anfängt zu verstehen, so wird einem alles klar. Aber solche Betrachtungen, wie wir sie jetzt wieder machen, die macht die heutige Wissenschaft gar nicht. Sie versteht daher nichts von all dem’. [212]

 

Het is wellicht interessant om deze opmerkelijke omschrijving van de inwendige processen, waar onze donker gekleurde medemens uit Afrika aan zou lijden te vergelijken met een bewering uit Die Mission einzelner Volksseelen. Uit de zesde voordracht:  ‘Sie sehen hier, daß des Menschen physischer Leib von innen bestimmt wird, so bestimmt wird, daß diese verschiedenen geistigen Wesenheiten eingreifen in die Glieder im physischen Leibe, welche die Projektionen, die Schattenbilder der höheren Glieder sind. Wo greift nun zum Beispiel der Merkur ein? – ich sage Merkur, um das zusammenzufassen, was sich als abnorme Geister der Form im Merkur befindet. Er greift so ein, daß er mit anderen zusammenwirkt, namentlich in das Drüsensystem. Er kocht in dem Drüsensystem drinnen, und da leben sich die Kräfte aus, die durch jenes Übergewicht der Merkurkräfte entstehen, die in der äthiopischen Rasse wirken. Alles, was der äthiopischen Rasse ihre besonderen Merkmale verleiht, das kommt davon her, daß die Merkurkräfte in dem Drüsensystem der betreffenden Menschen kochen und brodeln. Das kommt davon her, daß sie auskochen, was die allgemeine, gleiche Menschengestalt zu der besonderen der äthiopischen Rasse macht mit der schwarzen Hautfarbe, dem wolligen Haar und so weiter. Diese Modifikation der allgemeinen Menschengestalt kommt also von diesen Kräften her’. [213] Mijn eerdere commentaar: ‘En zo kwam, onder invloed van de planeet Mercurius, het Afrikaanse ras aan zijn zwarte huid en zijn kroeshaar. Het lijkt mij dat hier sprake is van rassenleer, of kan iemand dit nog steeds zien als niet meer dan een beschrijving van uiterlijke kenmerken, zoals de commissie van Baarda?’  Waar het mij nu hier om gaat, is dat Steiner in de periode 1910-1923 kennelijk op dezelfde manier mededelingen deed over de ‘eigenschappen van het zwarte ras’. Het lijkt mij dat er sprake is van een sterke continuïteit en neem me niet kwalijk, in beide gevallen lijkt mij ook sprake van een nogal bizarre, zo niet denigrerende en racistische typering (hoewel het zo surrealistisch is dat je het nauwelijks beledigend kunt opvatten). Tot zover de passage uit Die Mission. Wat zegt de commissie over citaat 124 uit deze arbeidersvoordracht? (over surrealisme gesproken, maar dat zal zo blijken). De commissie:

‘Samengevat heeft een donkere huidskleur volgens Steiner de volgende betekenis voor de mens: het licht en de warmte uit de omgeving van de mens worden totaal opgenomen. Door de intensieve inwerking op de huid bij een bijna loodrechte zonnestand werd deze zwart (NB Hiermee wordt dus een ander proces beschreven dan de tijdelijke verandering van de huidskleur onder invloed van de zon in de huidige tijd). Het aandeel van de warmte en het licht dat niet door de zintuigen kan worden waargenomen, worden dieper in de mens verteerd door de stofwisseling. De stofwisselingspool en daardoor ook het instinct- en driftleven (het onbewuste wilsleven dat zijn oorsprong heeft in de stofwisselingspool) zijn om die reden extra ontwikkeld. De achterste hersenen spelen daarbij een belangrijke regulerende rol en als gevolg van het feit dat de oogzenuwen in deze hersenen uitmonden kijkt hij ‘schlau’ uit zijn ogen, wat in het Nederlands opmerkzaam en slim, maar ook sluw kan betekenen ( en deze onzin geldt uitsluitend voor het zwarte ras?? Neem me niet kwalijk, maar dit is bijna van hetzelfde kaliber als ‘schedelmeten’, FS).

NB De formuleringen van Steiner wekken wel enige bevreemding (??!! FS). Zelf liet hij de volgende opmerking op het bovenstaande volgen: ‘Wenn man das anfängt zu verstehen, so wird einem alles klar. Ber solche betrachtungen, wie wir sie jetzt wieder machen, die macht die heutige Wissenschaft gar nicht. Sie versteht daher nichts von all dem’. Antroposofie gaat zoals gezegd niet alleen over zintuiglijk waarneembare feiten, maar verbindt deze met bovenzinnelijke waarnemingen’.

Nu volgt de meest begrijpelijke en heldere en vooral de meest zinvolle en constructieve passage uit het hele rapport: ‘Bovenstaande uiteenzettingen

Figuur 6: tweede afbeelding GA 349-3. Let op de weergave van de ogen en de oogzenuw bij ‘de neger’. Steiner: ‘Wenn da vorne der Nerv des Auges (Zeichnung), so gehen die Nerven just in Hinterhirn hinein; die kreuzen sich da. Der Nerv, der geht also ins Hinterhirn. Und weil der Neger das Hinterhirn besonders ausgebildet hat, deshalb guckt er auch so schlau, deshalb ist er ein so schlauer Beobachter der Welt’. En dit zou alleen gelden voor de anatomie van het zwarte ras

over de regulerende werking van de achterste hersenen bij de verwerking van licht en warmte in de stofwisseling beschrijven processen die zich voor een deel in het bovenzinnelijke deel van de mens afspelen en zijn daarom alleen in dat licht te begrijpen. Door fysiologisch onderzoek zou kunnen worden nagegaan of ook op materieel niveau zulke verbindingen te leggen zijn, maar dat valt buiten het kader van dit rapport’.[214]  (zie van Baarda Rapport 382-384 voor degenen die niet kunnen geloven dat dit er echt staat)  Guten Morgen! Je zou er bijna zelf van gaan koken, ware het niet dat je er vooral van in de lach schiet.

Waar gaat dit eigenlijk over? In de eerste plaats vindt de commissie het de normaalste zaak van de wereld dat ‘negers’ (dus niet mensen in het algemeen) licht en warmte opzuigen. Dit wordt door het ruggenmerg gezogen en het achterhoofd ingepompt. Daardoor is hij wat heetgebakerd (letterlijk, of  beter ‘heetgeblakerd’), heeft hij een sterk drift- en instinctleven en wordt door de achterhersenen voortdurend het vuurtje opgepookt, zodat hij vanbinnen kookt. Daardoor kijkt de neger ook wat sluw en opmerkzaam uit zijn ogen en heeft hij een zwarte huidskleur (de roet moet ergens neerslaan). Dit alles gebaseerd op ‘geesteswetenschappelijk onderzoek’ (moeten we dus serieus nemen). Sterker nog, de commissie doet een aanbeveling aan de medische wereld om te onderzoeken of dit eventueel bewezen kan worden via de wetten van de ‘materialistische wetenschap’. En dit alles geldt uitsluitend voor de ‘neger’, dus niet voor een Japanner (daar is weer wat anders mee aan de hand, zij het van dezelfde surrealistische orde, maar dat zullen we zo zien). En omdat eruit Steiners ‘enigszins bevreemdende opmerkingen’ misschien iets zinvols is te halen, is deze uitspraak ingedeeld in categorie 2, d.w.z. ‘Citaten waarbij er: hetzij sprake is van een lichte vorm van discriminatie als gevolg van een tijdgebonden en gedateerde woordkeuze, hetzij geen sprake van discriminatie, maar waarbij er gemakkelijk het misverstand kan ontstaan dat er wél sprake is van discriminatie (…) een grondige kennis van de antroposofie is noodzakelijk om het betreffende citaat te kunnen duiden’.  En dan moeten wij geloven dat er géén sprake is van rassenleer in het werk van Steiner, omdat een commissie alles voor ons heeft uitgezocht en heeft opgeschreven in een dik rapport dat nauwelijks vrij toegankelijk is en dus moeilijk is te controleren? (zie dit artikel.[215] Dat ik het in bezit heb, is echt een gelukkige toevalstreffer). We kunnen er dus op vertrouwen dat er  ‘géén sprake is van rassenleer’, omdat een hele wijze commissie met dit soort fantastische verklaringen komt? Ik heb deze er gedetailleerd uitgelicht en het is ook een van de meest surrealistische passages die ik in het rapport ben tegengekomen, maar het is zeker niet de enige van dit kaliber. Kortom, bijzonder geloofwaardig. Maar laten we verder gaan met de lezing zelf:

(cit. 125, cat. 2) Gehen wir jetzt vom Schwarzen zum Gelben herüber. Beim Gelben- das ist schon verwandt mit dem Roten- ist es so, daß das Licht etwas zurückgeworfen wird, viel aber aufgenommen wird. Also da ist es schon so, daß der Mensch mehr Licht zurückwirft als beim Schwarzen. Der Schwarze ist ein Egoist, der nimmt alle Licht und Wärme auf. [216](einde cit. 125)

De commissie: NB Op zichzelf beschouwd kan deze laatste zin allerlei misverstanden oproepen. Toch wordt hier alleen maar herhaald dat iemand met een zwarte huidskleur het licht en warmte van de omgeving totaal in zich opneemt (is dat zo? FS). Hij is bij wijze van spreken in fysiologisch opzicht een egoïst. Verderop in de lezing, zie citaat 128 gebruikte Steiner hetzelfde verschijnsel voor het woord ‘vriendschappelijk’: ‘Die Neger, die leben auf einem Erdstück, wo die Sonne sie sehr, sehr belästigt, eindringt in sie. Also geben sie sich ihr hin, nehmen sie ganz ihren Körper auf, werden freundschäftlich mit ihr, werfen nichts zurück’.

Op  3 mei 1909 had hij dit proces ook al eens van een ander gezichtspunt beschreven. Wat op 3 maart 1923 ‘egoïstisch’ werd genoemd, heette toen ‘zwak’ en ‘passief’. Ook dat zijn uitdrukkingen van fysiologische processen (zie citaten 96 en 87 en de commentaren daarop): ‘Diejenigen Menschen aber, die ihre Ich-Wesenheit zu schwach entwickelt hatten, die den Sonneneinwirkungen zu sehr ausgesetzt waren, sie waren wie Pflanzen: sie setzen unter Ihrer Haut zuviel kohlstoffartige Bestandteile ab und wurden schwarz. Daher sind die Neger schwarz’ en ‘… von der ganz passiven Negerseele angefangen, die völlig der Umgebung, der äußeren Physis hingegeben ist (…)’[217]

Deze laatste passage zou overigens perfect in deze voordracht passen, maar ontlastend lijkt mij dit niet. Hooguit maakt het dit alles nog  ‘bevreemdender’ (woordkeuze commissie) dan het al is.

(cit. 126, cat. 2) Der Gelbe, von der mongolischen Bevölkerung, der gibt schon etwas Licht zurück, aber er nimmt noch viel Licht auf. Das macht, daß er eigentlich ein solcher Mensch ist (ziehe Zeichnung, Mitte). Also er nimmt viel Licht auf, gebt aber einiges zurück. Er begnügt sich mit weniger Licht. Dieses wenigere Licht, das kann nun nicht im ganzen Stoffwechsel arbeiten. Da muß der Stoffwechsel schon auf seine eigene Kraft angewiesen sein. Das arbeitet nämlich in der Atmung und in der Blutzirkulation. Also beim Gelben, beim Japaner, beim Chinesen, da arbeitet das Licht und Wärme hauptsächlich in der Atmung und in der Blutzirkulation. Wenn Sie je einem Japaner begegnet sind, so werden Sie bemerkt haben, wie er auf seine Atmung achtet. Wenn er mit Ihnen redet, hält er sich immer zurück, daß die Atmung so recht in Ordnung ist. Er hat ein gewisses Wohlgefühl an der Atmung. Da ist es also so, daß da drinnen im Innern schon weniger verarbeitet wird. Da wird hauptsächlich in der Brust alles verarbeitet. Und das bewirkt, daß der Gelbe Mensch nicht sein Hinterhirn so stark ausbildet, sondern da Mittelhirn. Da hat er das, was seine Atmung und seine Blutzirkulation versorgt. Er lebt also doch ziemlich im Innern, der gelbe Asiaten. Sie können das auch seinem Gang anmerken; er hat einen mehr lässigen Gang. Er arbeitet nicht so stark mit den Gliedmaßen und dem Stoffwechsel. Der Neger ist viel mehr auf Rennen und auf die äußere Bewegung aus, die von den Trieben beherrscht ist. Der Asiate, der Gelbe, der entwickelt mehr ein innerliches Traumleben, daher die ganze asiatische Zivilisation dieses Träumerische hat. Also er ist nicht mehr so in sich bloß lebend, sondern er nimmt schon vom Weltenall etwas auf. Und daher kommt es, daß die Asiaten so wunderschöne Dichtungen über das ganze Weltenall haben. Der Neger hat das nicht. Der nimmt alles in seinen Stoffwechsel herein und eigentlich verdaut er nur das Weltenall. Der Asiate eratmet es sich, hat es in seiner Blutzirkulation. Daher kann er es auch Worten vor sich geben. Denn die Sprache ist ja nur eine umgestaltete Atmung. Ja, es sind schöne, wunderschöne Gedichte. Er sind überhaupt innerliche Menschen. Der Asiate verachtet den Europäer heute, weil er sagt: Das sind äußerliche Menschen. -Wir werden gleich sehen, warum. Das also ist die gelbe Rasse, und sie hängt zusammen mit der Farbe, wie es Ihnen gesagt habe.[218] (einde citaat 126) 

Over het bovenstaande zou ik maar een ding kwijt kunnen: exotisme! Het laat wel heel mooi zien hoe vals het romantische gedweep en het gratuite geprojecteer op het vreemde kan werken. Prachtig, die ‘Wunderschöne’ gedichten. Maar of ze zo goed kunnen denken als wijzelf is natuurlijk de vraag (want dat zal ook blijken). En wellicht was Steiner niet op de hoogte van diverse Afrikaanse literaire tradities, maar om die dan meteen zo resoluut uit te sluiten? Het lijkt me een beetje voorbarig.

Verder zijn de bijzonderheden over de Japanners en hun ademhaling wel weer fantastische details. Komt allemaal omdat het werk vooral in de borst zit en niet in de maag. Heel anders dan bij de negers, die weer door hun driftleven  worden aangestuurd. En wat kunnen die zwarten toch rennen! Maar om hier nu geesteswetenschap van te maken? De commissie zegt namelijk het volgende:

‘NB Ook deze formuleringen van Steiner kunnen bevreemding wekken. Hier geldt hetzelfde als wat in het commentaar op 124 is gezegd, dat met dit soort uitspraken ook aspecten worden aangeduid die niet met zintuigen zijn waar te nemen en dat de manier waarop ze te verifiëren zijn buiten het kader van dit rapport valt’.[219]

En bij citaat 124 heb ik al duidelijk aangegeven hoe ik daar tegenover sta, dus dat hoef ik hier niet te herhalen.

Alvorens verder te gaan wil ik toch zeggen dat ik het soms een beetje met de commissie te doen heb. Het lijkt me ook niet simpel om een geesteswetenschappelijk, oftewel esoterisch gedachtegoed (noem het dan zo, dan ben je van een heleboel moeilijkheden af en bovendien is het terecht), met ‘wetenschappelijke’ criteria kritisch tegen het licht te houden, als je zelf ook nog sympathisant bent van dit esoterische gedachtegoed. Het lijkt mij een bijna schizofrene activiteit. En bovendien gaat het niet om zomaar iets, want de grondlegger van de antroposofie is herhaaldelijk van racisme beticht. En dan moet je dat als antroposoof ‘wetenschappelijk’ en ‘objectief’ gaan uitzoeken. Ik denk dat dit zich bij deze lezing genadeloos wreekt. En ik zeg hierbij niets over de competentie van de commissie in het algemeen (ik schat ze ook echt niet laag in, etc.), maar juist in dit geval lijkt het mij dat er sprake is van de verkeerde mensen voor de verkeerde taak. Want uit het bovenstaande blijkt al dat er geen sprake is van onafhankelijkheid, althans niet van onafhankelijkheid naar deze levensbeschouwing (ik heb het dus niet over georganiseerde verbanden, als de antroposofische vereniging e.d.). Het lijkt mij dat dit het grootste euvel is. Bovendien was er aan de ene kant de pressie van de buitenwereld om toch eens kritisch naar die uitspraken over rassen te gaan kijken tegenover een (deel van) de conservatieve achterban, die van kritiek op Steiner niets wilde weten en voor wie kritische vragen stellen bij dit gedachtegoed al heiligschennis is. Dat is ook gebleken uit de nasleep van het rapport en ook uit de bijdragen op het racismedebat, juist van deelnemers uit dat smalle deel. Het is nu eenmaal zo dat dit rapport het officiële antwoord is van de Nederlandse antroposofie, waar ik het in hoge mate niet mee eens ben. Daarom vecht ik het ook aan, en wellicht soms ook wat stevig, maar dat wil niet zeggen dat ik dit soort zaken niet zou zien. Laat ik zeggen dat ik het dus nog wel te prijzen vind dat deze commissie tenminste haar tanden in deze onmogelijke materie heeft gezet. Anderen, die werkelijk ieder kritisch onderzoek afwijzen, hebben zich daar niet aan gewaagd, dat bleek nog zelfs uit onze discussie in het racismedebat. Dus daarvoor zeker mijn waardering. Nu ik dit gezegd heb zal ik op dezelfde manier doorgaan met het bespreken van deze voordracht en wat de commissie ervan gemaakt heeft.

De commissie heeft nog iets te zeggen over het bovenstaande citaat 126, over de Aziaten: ‘Volgens Steiner werken in het gele ras hoofdzakelijk de krachten van het ritmische gebied van ademhaling en hartslag, dat in de antroposofische menskunde de grondslag vormt voor het voelen. De graad van bewustzijn bij gevoelens is niet dezelfde als bij gedachten. Gevoelens kunnen vaag en onbenoembaar zijn. Wat we voelen is lang niet altijd duidelijk onder woorden te brengen. Bij een logische gedachtegang daarentegen kunnen alle stappen helder beschreven worden. Ten opzichte van het wakkere bewustzijn overdag, als we helder kunnen denken, is het voelen meer een droomachtig beleven. Door een relatief sterke verbinding van het gele ras met het ritmische systeem en daardoor met het gevoel, legde Steiner bij hen ook de nadruk op het droomleven’.[220]

Mijn commentaar. Dit is toch net zulke racistische onzin, net als die praat over het zwarte ras, al is het misschien minder beledigend? En dan te bedenken dat de commissie Edward Said als bron heeft gebruikt voor het rapport. Dit is toch ‘romantische’ en ‘oriëntalistische’ clichépraat? Dat Steiner er nog in geloofde, snap ik nog wel ergens, maar dat hoeven wij toch niet meer? Maar in dit geval is de categorie 2 wel terecht, ik denk precies passend, dus daarop zeker geen kritiek.

(cit. 127, cat. 2) Nun, meine Herren, betrachten wir uns selber in Europa. Wir sind in der Tat dem Weltenall gegenüber eine weiße Rasse, denn wir werfen alles äußere Licht zurück. Wir werfen alles äußere Licht und im Grunde genommen auch alle Wärme zurück. Die Wärme muß schon ganz mächtig werden, wenn wir sie in uns aufnehmen wollen. Und wenn sie nicht da ist, so verkümmern wir, wie es sich an den Eskimos zeigt. Da ist er also so: Da ist der Mensch so, daß er im Grunde genommen alles Licht und Wärme zurückwirft- nur wenn sie mächtig wird, nimmt er sie auf -; er wirft sie zurück und entwickelt nur dasjenige an Licht und Wärme, was in seinem Innern durch seine eigene innere Arbeit entsteht. Ja, meine Herren, da kommt ihm nicht das Atmen und die Blutzirkulation zu Hilfe und nicht die Wärme-Erzeugung, sondern da muß er durch sein Gehirn, durch seinen Kopf selber dasjenige ausarbeiten, was Licht und Wärme ist. Wir müssen also mit unserem Kopf auch das erarbeiten, was Licht und Wärme ist. Wir werfen eigentlich alles äußere Licht und Wärme zurück. Wir müssen unserem Blut selber die Farbe geben. Das dringt dann durch das Weiße durch, und dadurch bekommen wir diese europäische Menschenfarbe. Die ist also vom Innern. Daher sind wir schon so wie ein weißer Körper. Und während der Mongole das Mittelhirn hauptsächlich braucht, müssen wir Europäer das Vorderhirn anwenden (sehe Zeichnung, rechts). Dadurch aber stellt sich das Folgende heraus: Der mit dem Hinterhirn, der hat vorzugsweise das Triebleben, das Instinktleben. Der da hier mit dem Mittelhirn hat das Gefühlsleben, das indem Brust sitzt. Und wir Europäer, wir armen Europäer haben das Denkleben, das im Kopfe sitzt. Dadurch fühlen wir gewissermaßen unseren inneren Menschen gar nicht. Dadurch aber nehmen wir die ganzen Außenwelt auf, werden dadurch leicht Materialisten. Der Neger wird schon kein Materialist. Der bleibt schon innerlich Mensch. Nur entwickelt er innerlich das Triebleben. Der Asiate wird auch nicht Materialist. Der bleibt beim Gefühlsleben. Der kümmert sich nicht so ums äußere Leben wie der Europäer. Von dem sagt er: Der wird nur ein Ingenieur, der sich nur mit dem äußeren Leben beschäftigt. (einde citaat 127) Er ist eben dadurch, daß er sein Vorderhirn entwickeln muß, hauptsächlich aus die Außenwelt hingewiesen. Und mit dem hängt nun zunächst alles zusammen.[221]

Het is vreemd dat de laatste twee zinnen niet in het rapport zijn opgenomen, want die horen er namelijk wel bij. Maar wellicht zijn die er per ongeluk uitgevallen. Maar goed, de commissie legt hier iets belangrijks uit, over een belangrijk leerstuk van de antroposofie en over hoe zij deze lezing interpreteert (waar overigens veel voor te zeggen valt, alleen maakt dit het niet minder racistisch). Hier de uitleg van de commissie: ‘Het uitgangspunt van Steiner voor de beschouwing van 3 maart 1923 is kennelijk het volgende. In de antroposofische menskunde worden anatomisch en fysiologisch drie systemen van elkaar onderscheiden: het stofwisselings-ledematensysteem, het ritmische systeem en het zenuw-zintuigensysteem. Zij vormen de lichamelijke grondslag voor respectievelijk het willen, het voelen en het denken (zie in dit verband zeker fig. 2, FS). In de voordracht laat hij zien dat deze drieledigheid ook van toepassing is op de mensheid als geheel. De drie systemen zijn als het ware over de hoofdrassen verdeeld. Bij het zwarte ras ligt de nadruk op het stofwisselings-ledematensysteen, bij het gele ras op het ritmische systeem en bij het blanke ras op het zenuw-zintuigensysteem’.[222]

Juist, dus is er sprake van rassenleer. Het feit dat je dit soort fysiologische accenten gaat projecteren op mensenrassen is rassenleer, temeer daar deze ‘inzichten’ niets met de werkelijkheid te maken hebben, maar louter fictie van Rudolf Steiner zijn. Maar de commissie gaat door:

‘NB Voor Steiner is een dergelijke beschouwing over rassen geen reden om de superioriteit van het ene ras boven het andere ras aan te tonen (valt over te twisten, FS). Hij laat zien dat de mensheid een geheel is en dat de verschillende rassen elkaar net zo aanvullen als in een mens willen, voelen en denken een geheel vormen.

De eenzijdigheid van het blanke ras komt er in dit opzicht niet beter van af dan die van het gele en het zwarte ras. De blanken dreigen volgens hem het contact met hun innerlijke mens te verliezen; zij richten zich meer op de buitenwereld en worden daarom makkelijk materialist (en die exotische wilden gelukkig niet want die zijn nog zo spiritueel en zo puur, wat romantisch, wederom sprake van exotisme, FS). Wat dat betreft heeft de neger in Steiners beschouwing iets voor op de blanken, omdat hij innerlijk mens blijft en geen materialist wordt (wederom exotisme en leg dat een keer uit in een sloppenwijk in Afrika). Ook een Aziaat is in dit opzicht beter af dan een blanke’.[223]

Wel toevallig dat het denken weer is toebedeeld aan de blanken (maar dat ‘willen’ van die driftige zwarten is ook belangrijk, echt waar).

Dat de blanken erin dit verhaal niet beter vanaf komen is simpelweg niet waar. Want iets verderop zal nog een passage langskomen waarin het blanke ras tot het absolute superieure ras wordt uitgeroepen (het ras van de toekomst, terwijl er expliciet bij wordt vermeld hoe slecht het met de andere rassen gaat aflopen). Ook zou ik nog een citaat uit Die Mission einzelner Volksseelen terug kunnen halen. Uit citaat 102 (vierde voordracht): ‘Da alle Menschen in verschiedenen Reinkarnationen durch die verschiedenen Rassen durchgehen, so besteht, obgleich man uns entgegenhalten kann, daß der Europäer gegen die schwarze und die gelbe Rasse einen Vorsprung hat, doch keine eigentliche Benachteiligung’.[224]

Verder doet deze tekst van de commissie mij enigszins denken aan de woorden van cabaretier Hans Teeuwen, die in een van zijn programma’s de volgende tekst uitkraamde:

Kijk, het ene ras is bijvoorbeeld heel goed in leidinggeven, terwijl het andere ras weer veel beter is met hardlopen en ritmes.
En als iedereen zich daar gewoon aan houdt is er niks aan de hand.
Da’s de natuur en je bent niet sterker dan de natuur.
En ik zeg heel eerlijk, ik houd me daaraan, ja, ik houd me daaraan.
Ik zal geen wc’s gaan schoonmaken, dat gaat niet, dat zit niet in mijn roots.
Da’s belangrijk, je roots.

Hans Teeuwen (cabaretier), in zijn theaterprogramma ‘Met een Breierdeck’, 1997

Het spijt me heel erg, maar ik zie veel overeenkomsten met de voorgaande tekst van de commissie van Baarda. Ik kan het niet leuker maken dan het is, al is in ieder geval die tekst van Hans Teeuwen wel heel erg grappig, dus dat zou ondoenlijk zijn.

Maar over de tekst van Steiner zelf (hierboven ging het meer over het commentaar van de commissie), we moeten dus begrijpen dat de zwarte (die egoïst) vooral al het licht opzuigt en het inwendig verteert tot hij kookt, dat de Aziaat licht en warmte opneemt, maar ook een beetje teruggeeft en dat de Europeanen al hun licht en warmte teruggeven aan de wereld om hen heen (zie hiervoor ook figuur 6). Het is nogal bizar, maar dit is ongeveer wat Steiner beweert.

(cit. 128, cat. 2) Wir sind also die weiße Rasse. Innerlich ist das Weiß durch unser Blut gefärbt. Dann ist da die gelbe Rasse, die Mongolen, und dann ist da die schwarze Rasse. Und wir können ganz gut begreifen, wenn wir von den Farben ausgehen. Da erklärt sich die ganze Gesichte.

Nun brauchen Sie sich aber nur zu überlegen, wie das ist. Die Neger, die leben auf ein