Mijn hersenspinsels en gedachtekronkels

Meedeinen op het ‘gezonde volksgevoel’ van ‘Henk en Ingrid’; hoe islamofoob extreemrechts sluipenderwijs mainstream is geworden

Over opportunisten, fellow-travellers, alarmisten, complotdenkers, Eurabië-adepten, propagandisten en onze minister president

Opportunisten zijn er van alle tijden en alle culturen en bestaan in vele gedaanten en soorten. En hoe ogenschijnlijk vuil en lelijk ook, politiek bedrijven in een pluralistisch systeem kan bijna niet zonder een bepaalde mate van opportunisme. Een wetsvoorstel van GroenLinks of D66 wordt soms door de PVV gesteund en omgekeerd gebeurt ook weleens hetzelfde. Fleur Agema van de PVV kan – qua zorgbeleid – vaak goed zaken doen met de SP en vice versa. Al staan deze partijen nog zo tegenover elkaar in principiële kwesties, in de dagelijkse praktijk gaat men vooral pragmatisch te werk.

Al van een iets andere orde is de huidige ‘gedoogconstructie’, van VVD en CDA met de PVV. Dat een liberale partij (tenminste, ik dacht dat de VVD zichzelf zo ziet) op die manier samenwerkt met een uitgesproken onliberale nationalistische partij die willens en wetens bepaalde bevolkingsgroepen discrimineert (van ‘kopvoddentax’ tot anonieme ‘kliklijnen voor Oost-Europeanen’, weliswaar een oud –Hollandse traditie- zie ons nationale dossier 40-45, maar wat mij betreft buiten de beschaafde orde) vind ik, qua pragmatisme, over de grens. Dan verkwansel je echt je principes en ben je wat mij betreft geen liberale partij meer. Terecht dat Joris Voorhoeve zijn lidmaatschap van de VVD opzegde en zich heeft aangesloten bij D66. Er zijn nog een paar andere VVDers geweest, die zich tegen deze samenwerking hebben uitgesproken als Frans Weisglas en Pieter Winsemius, maar waren er maar meer echte liberalen in de VVD. Voor het CDA geldt wat mij betreft hetzelfde, maar daar was gelukkig wel veel oppositie- en terecht! Al heeft die oppositie het helaas niet gered tegenover de Verhagens en de Bleekers van die partij.

Windvaan van links naar rechts

Het grote ‘zoals de wind waait, waait mijn jasje spel’ is natuurlijk niet slechts voorbehouden aan politici. Het komt ook voor bij opiniemakers en journalisten. Ik wil hier een klein gevalletje aanhalen, niet omdat het zo uitzonderlijk is, maar omdat ik het toevallig goed gedocumenteerd heb. En wellicht is het aardig om het op dit blog nog een keertje terug te halen. Dat is van journalist Joost Niemöller, vroeger van de Groene Amsterdammer, later HP/De Tijd (waarvan hij ook alweer ‘vervreemd’ schijnt te zijn, zie hier) en sinds de laatste jaren van vooral rechtse anti-islamsites, zoals Het Vrije Volk, de Dagelijkse Standaard en nog een paar van dat soort blogs.

In HP De Tijd van 2-4-2004 schreef hij het voor dat moment nogal modieuze artikel ‘Monddood’, over niet-politiek correcte opiniemakers, die door ‘de linkse kerk’ monddood zouden worden gemaakt.

Zo schreef hij onder meer: ‘Een van hen was Gerry van der List, die in 1998 een storm van kritiek over zich heen had gekregen toen deze zich in zijn column in de Volkskrant had geërgerd aan exhibitionistische uitwassen van de Gay Games. Van der List trok zich terug uit het publieke debat en werd redacteur bij Elsevier’.

Het aardige is nu om te zien wat Joost Niemöller toentertijd zelf schreef over deze zaak in de Groene Amsterdammer, temeer omdat hij het in HP in 2004 zo opnam voor al die arme rechtse opiniemakers, die, in Niemöllers woorden, een ‘feitelijk spreekverbod’ was opgelegd door de ‘smaakbepalende linkse elite’. Zie hier trouwens de oorspronkelijke column van van de List uit de Volkskrant.

Vijf citaten van Niemöller uit zijn ‘Gerry en de gays’ (de Groene, nr. 35, 1998): ‘Saaie Gerry houdt gewoon niet van feestjes. Zelfs niet van de VVD-feestjes. Zo verklaarde hij ooit in een interview niet uit de voeten te kunnen met de gezelligheid van de bierpomp en het spreekwoordelijke dixielandorkestje op de partijbijeenkomsten. En dus houdt hij al helemaal niet van echt uitbundige feestjes. Met blote benen en uitbundige mensen enzo. Gatver. Zie je hoe die d’r bij loopt? Kijk nou, die kerels staan gewoon te tongzoenen!? (…) Zijn stukje eindigt in een gewaagde vergelijking met ‘de kinderporno uit Zandvoort’, en als uitsmijter komt dan nog de fascistische (oeps, dat ligt tegenwoordig heel gevoelig bij Niemöllers huidige medestanders, FS) slotzin: ‘Opgeruimd staat netjes.’ (…) Gerry van der List komt uit een katholiek gezin in de Alblasserwaard. Een beetje onhandig lijkt me, tussen al die hervormden of gereformeerden of hoe heet het daar. Maar Gerry draagt zijn Alblasserwaardse identiteit (geen gay-boot te bekennen) met trots uit (…) Over Pim Fortuyn is Gerry van der List afwisselend instemmend en plagerig; hij vindt dat gescheld op de islamisering van Holland terecht, maar minder terecht natuurlijk dat vieze gay-gedoe en dan zo open en bloot. (…) Het CDA-denken van Gerry over blote billen van mannen komt nog het meest overeen met wat de gewone man en vrouw onder de allochtonen vindt. Als er op gays werd gescholden in Amsterdam tijdens de spelen, dan was het door Marokkanen (gehoord op een station: ‘Gays weg uit Amsterdam’) of door Surinaamse huisvrouwen op de markt die vonden dat ‘die mensen’ maar eens een beetje normaal moesten doen’. En zo gaat het maar door.

Gerry van der List reageerde op dit artikel in de Groene (nr. 36, 1998), middels een ingezonden brief, als volgt: ‘Het deed mij vanzelfsprekend deugd dat De Groene deze week een heel artikel (‘Gerry en de gays’ van Joost Niemöller) wijdt aan mijn denkbeelden. Wel bevreemdde het mij dat ik getypeerd werd als ‘het orakel van de Alblasserwaard’ (omslag), ‘een katholiek uit de Alblasserwaard’ (inhoudsopgave) en als iemand die zijn ‘Alblasserwaardse identiteit’ met trots uitdraagt. Ik kom namelijk niet uit de Alblasserwaard’. Joost Niemöller schreef onder meer in zijn naschrift: ‘Dat was erg dom van mij. Mijn excuses aan alle inwoners van de Alblasserwaard’. Dat vond ook toen niet erg sportief van Niemöller (ik was het overigens toen wel met hem eens en vond het zelfs een leuk artikel, waar ik vooral erg om moest lachen), dus daarom heb ik deze passage onthouden en schoot hij me weer te binnen toen ik kennis nam van Niemöllers ‘draai’ in HP/deTijd .

Overigens was Gerry toentertijd nogal in nopjes met Niemöllers aanval. In 1999 liet hij een bloemlezing van zijn columns bundelen met de pakkende, in Niemöllers woorden ‘fascistische’ titel Opgeruimd staat netjes; burgerlijke bespiegelingen. Ik heb zo’n vermoeden dat hier inderdaad meer sprake is van kleinburgerlijkheid dan van fascisme. Van het niveau ‘zoenende mannen, getver’ ;)Of om met de lullo’s van Jiskefet te spreken: ‘Gatverdamme van Binsbergen, dat is vies man!’

Ondertussen houdt de inmiddels 180 graden gedraaide Niemöller zich vooral bezig met de modieuze activiteit ‘islam-bashen’. Zie vooral Het Vrije Volk of de extreem rechtse website Faith Freedom International (maar niet voor iedereen), een orgaan dat zichzelf aanprijst met de ronkende tekst: ‘Faith Freedom International is de stem van de waarheid. We hebben slechts één doel : de haat stoppen, de leugens van Islam blootleggen en het moslimexpansionisme aan banden leggen’ (het tegenovergestelde van ‘Faith Freedom’ dus). Ook heeft hij een nieuwe missie ontdekt: Pedo jagen! En dan bedoel ik niet dat hij zich in een concrete gevallen voor slachtoffers inzet, of dat hij desnoods een paar bisschoppelijke beerputten licht, nee, Niemöller houdt zich vooral bezig met het bij voorbaat verdacht maken van mannen die werkzaam zijn in de zorg voor kinderen. Hij bepleit zelfs een beroepsverbod ( hier en hier). Wat een timing weer. En ook zo ontzettend dapper. Joost Niemöller, gevoelig voor de tijdsgeest is hij wel. Misschien zelfs iets té gevoelig. Zie hier het werk van een onuitstaanbare rasopportunist. Wellicht een wat stevige kwalificatie van mijn kant, maar als je eerst Gerry van der List fascistoïde uitingen toedicht (vast ‘ironisch’ bedoeld) met zijn overigens misplaatste maar vooral onhandige ‘opgeruimd staat netjes’, om tien jaar later regelmatig voor een site te schrijven waarop oa jubelend staat vermeld ‘Het knieschot-voorstel van Wilders gaat eindelijk worden toegepast’ (zie hier, wat volgens mij onzin is, dit terzijde) ben je het stadium ‘voortschrijdend inzicht’ ruimschoots voorbij en ben je naar mijn bescheiden mening een opportunistische draaikont.

Dit alles gezegd hebbend wil ik nog een ding toevoegen. Wat mij betreft heeft Joost Niemöller (hoe conformistisch naar de mode van dat moment ik zijn opinies ook vind) op een buitengewoon eerlijke manier gereflecteerd op de moordpartij van Anders Breivik in Oslo. Daarbij is hij ook kritisch bij zichzelf en bij zijn medestanders te rade gegaan. Zie hier zijn overdenking. Daarvoor alle waardering, al vind ik het eigenlijk niet meer dan vanzelfsprekend.

Hoeiboei-geloei

Ook bepaalde blogs doen niets liever dan meedeinen op de golven van de gemoedstoestand des volks. Zie vooral de groepsblog Hoeiboei, opgezet door Annelies van der Veer, maar waar vooral veel stukken te vinden zijn van opiniemakers die op dat moment erg in de mode zijn (ook arabist Hans Jansen gebruikt Hoeboei geregeld als uitlaatklep, zoals inmiddels wel algemeen bekend zal zijn sinds het Wildersproces). Een leuk detail. Wie op dit moment deze site opent ziet in de rechterbovenhoek een banner waar het romandebuut wordt aangeprezen van niemand minder dan de door Joost Niemöller zo verguisde Gerry van der List, Altijd November (zie hier de Hoeboei –recensie, die overigens lovend is). Van der List heeft zijn debuut opgedragen aan…Henk en Ingrid! Juist… dan moet het haast wel een meesterwerk zijn, dat kan niet anders. Wel ernstig dat je zelfs als schrijver je zo gedienstig opstelt aan de grote blonde roerganger. In het Midden Oosten proberen de intelligentsia en de culturele sector zich juist aan dit soort opgelegde patronagesystemen te ontworstelen, maar onze locale Hoeiboei literatoren onderwerpen zich kennelijk vrijwillig aan zulks lakeiendom. Zou de romancier Gerry het verder ook eens zijn met Wilders opvattingen over kunst en cultuur (linkse hobby)? Het zou me niets verbazen. Het was me sowieso al opgevallen hoezeer de esthetiek van bijvoorbeeld de aanhang van Pim sterk overeenkwam met die van de Iraakse Ba’thpartij (en van verschillende andere dictaturen in het Midden Oosten). Een blik op de bronzen standbeelden van hun beider voorgangers is genoeg. Ideologisch zijn er natuurlijk grote verschillen (begrijp me niet verkeerd, al zijn beiden wel uitgesproken nationalistisch- misschien een ideetje om het verzamelde werk van Michel Aflaq een keertje te vergelijken met dat van Pim, nu het ook in de mode is om de Koran met Mein Kampf (!) te vergelijken?), maar de vorm waarin zowel de Ba’thi’s als de Fortuynisten zich visueel uiten vertoont verbluffende stilistische overeenkomsten. Beiden heel erg DDR, om het maar zo te formuleren, maar ja, kunst is ook een ‘linkse hobby’, dus misschien is het daarom wel zo, dat wanneer de Nederlandse Archie Bunkers zich dan toch aan ‘kunst’ moeten bezondigen, de keuze voor een stalinistische vormgeving voor de hand ligt (ik vermoed dat de Henk en Ingrids van de PVV de DDR kunst veel meer kunnen waarderen, dan die ‘decadente abstracte kunst uit het Westen’, zoals daar in het vroegere Oostblok over werd gedacht). Ironisch was verder, dat in precies hetzelfde weekend dat alle standbeelden van Saddam omver werden getrokken (tweede weekend van april 2003), ook het beeld van Pim per ongeluk werd onthoofd onder een viaduct, toen Zijn Discipelen (over opportunisten gesproken!) het in een aanhangwagen over de snelweg vervoerden.

Wat me nog wel een probleem lijkt is wanneer Henk en Ingrid Geert Wilders willen eren met een bronzen standbeeld. Want wat doe je met dat kapsel? Je kunt het negeren, maar dan herkent niemand Wilders (dat kapsel is nou juist de blikvanger). Maar als je het gaat patineren, wordt het zo idioot dat je dat als serieuze aanhanger simpelweg niet kunt maken. Dat verdient nog een aardige brainstormsessie om daar een intelligente artistieke oplossing voor te vinden. Het zou me niets verbazen als daar inmiddels al over is nagedacht. Dan maar geen beeld, zal de conclusie wel zijn geweest. Misschien is als huldeblijk een streekroman over Henk en Ingrid inderdaad een beter idee.

Verder weet ik ook zeker dat Henk en Ingrid diep in hun hart homo’s net zo ‘getver’ vinden als Gerry, al zien zij ook wel in dat ‘de homo’s’ een ideaal strijdmiddel tegen ‘de moslims’ zijn (‘want wij hebben wel Verlichting en hullie niet’) . Maar eerlijk is eerlijk, itt Joost Niemöller is Gerry wel consequent gebleven. Misschien zijn het nu wel dikke vriendjes geworden, je weet maar nooit. In ieder geval ben ik nu wel verplicht aan mezelf om die roman over Henk en Ingrid te gaan lezen (als het me lukt). Ben heel benieuwd hoe van der List zijn personages tegen zoenende mannen laat aankijken. Rooie oortjes ;)

Het is overigens niet eens de eerste keer dat Henk en Ingrid opduiken in sneue fictie, met een duidelijke onderliggende partijpolitieke boodschap (hoop niet dat het een nieuw literair genre gaat worden en dat er op een gegeven moment een hele reeks Henk en Ingridromannetjes verschijnt- ‘de mensen in het land kunnen zich er zo goed mee identificeren’). In De Onzichtbare Ayatollah (van Praag, 2010), met bijdragen van Hans Jansen , Nahed Selim en Carel Brendel, is van de laatste ook een vrij triest fictief verhaal opgenomen, over hoe mooi het zou zijn als ‘de islamisering’ een halt zou worden toegeroepen. ‘Hoogtepunt’ uit dat verhaal is de sloop van de Es Salam Moskee in Rotterdam, waarbij Henk en Ingrid samen met een inmiddels ontislamiseerde Ali en Fatima staan te juichen, alsof het de intocht van de Canadezen betrof in mei 1945. Ik heb dit stukje mierzoete propagandakitsch met plaatsvervangende schaamte gelezen. Vieze missionarissenlectuur vond ik het (begrijp me niet verkeerd, misschien moet ik ervan maken ‘vieze zendelingenlectuur’). Van wat zou het heerlijk zijn als die wilden eindelijk eens inzien dat onze God de beste is.

Terug naar Hoeboei zelf. De trend is sinds alweer een tijdje dat de islam of moslims door het ‘verlichte’ deel der Natie op de korrel worden genomen. En daar doet Hoeiboei graag aan mee. Soms gaat het wel heel ver, zoals onlangs in een column van Annelies van der Veer (die ook in Metro verschijnt), over het toneelstuk Wilders ontmoet Breivik van Theodor Holman, waarin zij oa het volgende te melden heeft:

‘Het gedachtegoed van Breivik zou je kort kunnen samenvatten met de stelling dat het cultuurrelativisme (alle culturen zijn gelijkwaardig) de oorzaak is van de huidige politieke correctheid waarin we verkeren. Daardoor is een open debat nauwelijks meer mogelijk.

Wie zich níet met dit gedachtegoed verwant voelt, zou zich eigenlijk na moeten laten kijken want inderdaad, niet alle culturen zijn gelijkwaardig. Een cultuur waarbij de schaamlippen en de clitoris van meisjes worden weggesneden, is niet gelijkwaardig aan de westerse cultuur. Of een cultuur waar de sharia, het islamitisch recht, de norm is, die is beslist ongelijkwaardig aan de onze. Vooral voor vrouwen, homo’s en andersdenkenden ziet het er dan niet best uit. Als je volkomen terecht niets van dat cultuurrelativisme moet hebben dan deel je het gedachtegoed van Breivik (of Breivik deelt jouw gedachtegoed) maar dan ben je nog geen moordenaar natuurlijk, net zo min als Geert Wilders dat is. Het wil overigens evenmin zeggen dat er niet meer Breiviks rondlopen bij wie de stoppen bijna al zijn doorgeslagen.

En dat komt allemaal door dat doorgeschoten cultuurrelativisme, het multiculturalisme, dat helaas gemeengoed is geworden in Nederland, in het ganse Westen beter gezegd. Het is de oorzaak dat de democratie onder druk is komen te staan maar daar mag het niet over gaan. Niet echt. ‘t Is een typisch moderne welvaartsziekte. Alle ziekteverschijnselen zijn er, talloze ontstekingshaarden (onderwijs, journalistiek, de kunsten, cabaret) en er zijn weinigen die de diagnose durven stellen terwijl je een heleboel ‘specialisten’ hebt die het probleem aanmerken als betrof het een patiënt met onverklaarbare klachten’ (http://www.metronieuws.nl/columns/knuppel-in-het-hoenderhok/SrZlcv!UKRV76XnQNgTc/ )

Dit is vrij representatief voor wat voor het geluid dat doorgaans op Hoeiboei klinkt. Wat moet je ervan zeggen? Ik geloof niet dat er iemand het had moeten wagen om in 2002 zo begripvol over Volkert van der G. te schrijven, dan was het land te klein geweest. Bovendien is het ook een redenering van niks. ‘Ben je tegen onverdoofd slachten? Dan deel je het gedachtegoed van van der G.’ Ik wil hier best verklaren dat ik zowel tegen onverdoofd slachten ben als tegen het besnijden van meisjes, maar dat maakt mij nog geen medestander van zowel Volkert van der G. als Anders B. Misschien denkt Annelies dat haar lezers zo dom zijn (waarschijnlijk flink wat PVV stemmers), maar kom met iets beters! En met alle afschuw voor wat van der G. gedaan heeft, hij beperkte zich tot het elimineren van zijn opponent, richtte geen bloedbad onder kinderen aan. Nog interessanter is dat toentertijd de aanhangers van Fortuyn mede de schuld legden bij zijn ‘linkse tegenstanders’, die Fortuyn zouden hebben gedemoniseerd. Het omgekeerde is in het geval van Breivik veel minder gebeurd (in Nederland althans) naar de islambashers, die misschien een voedingsbodem zouden hebben gecreëerd voor Breivik (terwijl Breivik zich op veel van hun geschriften beriep, wat ook een belangrijk verschil met Volkert van der G. was, die nergens heeft verklaard dat hij zich had laten inspireren door Melkert, Dijkstal, de Graaf, of Rosemöller). Geen misverstand, ik zeg dus niet dat degenen op wie Breivik zich beriep enige verantwoordelijkheid hebben voor zijn daden. Dat zou ik nog steeds onterecht vinden, tenzij er hard bewijs voor zou bestaan en dat is er niet. Maar wat als de Hoeiboeiers zelf zo begripvol zijn naar kinder- en massamoordenaar Breivik? Zelfs ‘Wie zich níet met dit gedachtegoed verwant voelt, zou zich eigenlijk na moeten laten kijken’, aldus Annelies van der Veer. Daar staat mijn verstand eerlijk gezegd een beetje bij stil. Want dit lijkt meer op begrip kweken dan op verklaren (wat altijd moet gebeuren, of het nu om Bin Laden, Volkert van der G, Ulrike Meinhoff, Mohammed Atta of Breivik gaat). Typisch Hoeiboei. Bij Volkert van der G. noemen we het ‘demoniseren van Pim’, bij Breivik noemen we het ‘stoutmoedig de knuppel in het hoenderhok gooien’. De wereld beschouwd door een ideologische mist, wellicht net zo erg als bepaalde dogmatische linkse organen dertig jaar geleden. Ook hier dringt zich de vergelijking met DDR sympathisanten op (tussendoor, ik vind dat ook Rita Verdonk wel een interessante ontwikkeling heeft doorgemaakt, van PSP naar populistisch rechts), of met degenen die best een beetje begrip hadden voor de acties van Ulrike Meinhoff. Alleen staan de daden van Breivik, zowel ‘kwalitatief’ als ‘kwantitatief’ niet in verhouding to die van de RAF, die zich in regel beperkte tot aanslagen op hoge functionarissen van de Bondsrepubliek, in plaats van op een groep kinderen. Ik kan eerlijk gezegd weinig respect opbrengen voor dit soort fellowtravellers-geneuzel, maar ja, ik heb het idee dat de Hoeiboeiers net zo fanatiek , net zo dogmatisch en vooral net zo ideologisch verblind zijn als vroeger drammerig oud links. Als je terecht verontwaardigd bent over Volkert van der G. of Mohammed B., maar Breivik ergens wel een beetje begrijpt, ben je wat mij betreft echt heel erg diep gezonken. Want hoe weerzinwekkend de daden van Volkert en Mohammed B ook waren, zij hebben geen groep kinderen afgeslacht. Dat maakt Breivik erger, misschien vergelijkbaar met de Tjetjeense terroristen die een bloedbad aanrichtten op die school in Beslan. Maar hoewel beide misdaden even erg zijn, vind ik het (als ik het moet ‘begrijpen’) nog net een beetje enger dat iemand in het welvarende en vreedzame Noorwegen zoiets doet dan in de Kaukasus, waar het Russische leger niet onderdoet aan de wreedheid van sommige Tjetjenen.

Wat de column van Annelies van der Veer helemaal bizar maakt is als je die afzet tegen haar column van kort na de de aanslagen , ‘Het is een ideeënstrijd stupids!’ (Metro, 2011-08-02, ) Daarin zegt zij oa: ‘Van geen enkele kant is er begrip voor Anders B.’s daad. Niemand draagt verzachtende omstandigheden aan voor de megalomane moordenaar. Nog niet. Het is natuurlijk volkomen terecht dat er geen begrip of sympathie is voor Anders B., maar ook dat is wel eens anders geweest. Denk aan de moordenaars van Pim Fortuyn en Theo van Gogh. Hoe snel klonk toen niet “het mag niet, maar…”

Pardon??? Fellowtravellers zijn flexibele mensen, laten we het daar maar op houden. ‘Nog niet’ zijn de enige twee woorden in bovenstaande passage die een grond van waarheid bevatten. Want een paar maanden later, als de slachtoffers begraven zijn, begint haar dweepzucht toch weer op te spelen. Zelfs zo erg, dat wie het niet eens is met Breiviks ideeën ‘zichzelf zou moeten laten nakijken’. Dat is volgens mij net zoiets als, of zelfs iets sterker dan het door Annelies gehekelde ‘het mag niet, maar…’ Als je in staat bent om binnen een paar maanden zo’n ommezwaai te maken, heb je de ‘Joost Niemöllertrofee voor opportunisme’ met stip gewonnen. En voor een vergelijking met de reacties na de moord op Fortuyn en die na de aanslag van Breivik, zie deze reportage van Nieuwsuur, een paar dagen na de aanslagen. Een nuttige opfrisser lijkt me, ook voor Annelies van der Veer. Zinvol commentaar overigens van Bart Jan Spruyt.

Overigens kan het altijd erger. Zie bijvoorbeeld de column van Afshin Ellian in Elsevier, van zondag 24 juli 2011,  nav de aanslagen van Breivik. Hij beweert daarin oa het volgende:

‘Anders Breivik wilde de islam bestrijden, maar hijzelf werd gegrepen door de gedachtewereld van de politieke islam. Ook zij voeren geen debatten en polemieken met tegenstanders. Ook zij zijn gewetenloos. En daarom is hij een exponent van een psychopathische vorm van zelf-islamisering’.

Tja…’Zelfislamisering’ dus. Hoe pathetisch kun je zijn? Misschien is het Ellian ontgaan, maar Breivik haalde juist zijn inspiratie uit diverse islamkritische geschriften, veelal uit neoconservatieve hoek, precies waar Ellians eigen sympathie ligt. Ik zeg daarmee dus niet dat de verenigde neoconservatieven en islamcritici collectief verantwoordelijk zijn, of zelfs schuld aan de aanslagen hebben, maar om Breiviks daden op het conto van islam te schrijven is natuurlijk wel een beetje verknipt.

Een soortgelijke reactie kwam op de website Het Vrije Woord, van de Fortuynistische jongerenorganisatie. Alleen werd daar ‘het socialisme’ als de grote boosdoener aangewezen, terwijl ik dacht dat Breivik juist een groep tieners van de Sociaal Democratische jongerenorganisatie had afgeslacht. En dan nog steeds zeuren over de demonisering van Pim. Maar goed, als zelfs rechtsfilosoof Afshin Ellian niet verder komt dan dit niveau, wat kun je dan verwachten van de volgens mij niet al te snuggere jonge Fortuynisten? ‘Hullie hebben Pim gedemoniseerd, dus nu mogen wij ook’. Ik heb niet het idee dat zich hier de grootste denkers van het rechtspopulistische smaldeel hebben verzameld. Op het Vrije Woord staan wel meer idiote dingen. De homofobie is er vaak ook niet van de lucht, en dat allemaal uit naam van Pim. Zie daarover dit eerdere blogitem.

Het bovenstaande is wat mij betreft ook enigszins van toepassing op het toneelstuk van Theodor Holman (gezien de leesvoorstelling van zondagavond 25 maart 2012 in de Balie, Amsterdam). Een goed geschreven en soms zelfs geestige dialoog over het ‘dilemma’ of je je doelstellingen in geval van een ernstige crisis langs democratische weg moet proberen te realiseren (Wilders) of dat je in het uiterste geval geweld mag gebruiken (Breivik). Van de figuur Wilders was overigens een net iets te reflecterend en vooral een te welsprekend personage gemaakt-de echte is meer van ‘in de knietjes schieten’, ‘kopvoddentax’, of ‘Doe es normaal, man’. Dat vond ik er soms irritant aan. Wilders is geen groot denker en ook geen groot redenaar, daar zullen toch zelfs zijn sympathisanten het mee eens zijn, zeker zijn ‘intellectuele fellowtravelers’? Als zijn huidige ‘grachtengordel-bewonderaars’ dat niet meer zien, of durven te zien, of dat wel zien maar niet durven te zeggen, heeft het DDR syndroom harder toegeslagen dan ik dacht. Zelfs Hans Jansen heeft het over ‘de Tokkies en de Takkies’. Laten we Wilders dus niet mooier maken dan hij is.

Holman heeft overigens verklaard zich in bepaalde opzichten verwant te voelen met Breivik, althans met zijn gedachtegoed (zie interview op de Dagelijkse Standaard ). Laat ik me niet meteen bij de verontwaardigden voegen, al kan ik me daar oprecht niets bij voorstellen. Ik waardeer zeker Holman als columnist (ik heb hem meer dan tien jaar in de Groene Amsterdammer gevolgd), al ben ik het lang niet altijd met hem eens, sinds de laatste jaren steeds minder zelfs. Maar het is niet aan mij besteed. Ik heb geprobeerd om dat vreschrikkelijke manifest van Breivik te lezen (2083 – A European Declaration of Independencehier te raadplegen). De in een soort avondland-romantiek gedrenkte vrijmetselaars/quasi esoterische kitsch staat me al tegen, laat staan dat ik dan enige empathie kan opbrengen voor zijn gebral over de Christelijke cultuur van het westen die in verval zou zijn, uitgehold door postmoderne multiculturalisten (in dit opzicht zag ik zelfs enige verwantschap met het extreem racistische en ook antisemitische Belgische antroposofische tijdschrift de Brug, waar ik op dit blog vaak tegen geageerd heb, zie hier, behalve dat Breivik een groot bewonderaar van Israël is). Dus waar heeft Annelies van der Veer het over? Ik zal nooit snel zeggen dat ‘iemand zich moet laten nakijken’ (psychologiseren is niet echt een hobby van me), maar ik kan met de beste wil van de wereld niet begrijpen waarom deze duistere eso-drap van een verknipte geest zo diepzinnig zou zijn.

Een interessant gesprek over deze voorstelling, met De Balie-directeur Yoerie Albrecht en de acteurs Thijs Römer (Breivik) en Hugo Koolschijn (Wilders) is hier te beluisteren (De Avonden, VPRO, link onderaan artikel uit HP de Tijd).

Mijn grootste probleem met dit stuk was dus dat het achterliggende wereldbeeld voor geen meter deugt. Wat mij betreft is er geen oorlog tussen ‘de islam’ en ‘het westen’ en is bijvoorbeeld de Eurabië-theorie van Bat Ye’or, waarnaar in de voorstelling verwezen wordt, volstrekte paranoïde onzin (‘The Protocols of the Elders of Brussels’, in de woorden van Adi Schwartz, in de Israëlische kwaliteitskrant Haaretz).  Natuurlijk, Theo van Gogh is op een beestachtige manier vermoord door Mohammed B, daar doe ik niets aan af (Holman was zo’n beetje de beste vriend van van Gogh, naar ik heb begrepen). Maar ook dat betekent niet dat de hele wereld nu verwikkeld is in een oorlog tussen het westen en de islam en al helemaal niet dat massamoordenaar Breivik iemand is die slechts de uiterste consequentie heeft getrokken en zijn afschuwelijke daad heeft begaan op basis van een op zich juiste analyse. Dat maakte deze voorstelling nogal grotesk. Wellicht overtuigend voor hen die geloven dat Wilders en met hem Bat Ye’or, Robert Spencer, Pamela Geller, Andrew Bostom en nog een paar van dat soort islamofobe activisten en complotdenkers (in dit filmpje van de inmiddels ook in Nederland bekende Pamela Geller, vanwege haar contact met Geert Wilders, zie je ze bijna allemaal bij elkaar), of zelfs Samuel Huntington met zijn Clash of Civilizations-theorie, gelijk hebben, maar voor de rest (en voor mijzelf) eigenlijk irrelevant. Je kan ook hele interessante toneelstukken schrijven over ‘dilemma’s’ als ‘moet de weg naar Het Ware Communisme via de Dictatuur van het Proletariaat afgedwongen worden met geweld, of kan de Wetmatigheid van de Geschiedenis zich ook zonder bloedvergieten voltrekken?’ of ‘op wat voor manier zorgen we ervoor dat alle Joden zich tot het Christendom bekeren, na hun terugkeer naar een volledig etnisch gezuiverd en ongedeeld Palestina/Groot Israël en mag er sprake zijn van dwang, zodat Jezus de Messias eindelijk kan terugkeren om het Koninkrijk Gods te brengen?’ Als je, zoals ikzelf, over dat soort vraagstukken je schouders ophaalt omdat je niets met het wereldbeeld daarachter hebt, is een toneelstuk daarover al snel ‘much ado about nothing’ (en dan heb ik het niet over het briljante stuk van Shakespeare). Dat had ik ook een beetje met deze dialoog van Theodor Holman. Een Hoeiboeistuk, over typische Hoeiboei-problemen voor echte Hoeiboei mensen. Maar dit terzijde. Zie verder het commentaar van Ewoud Butter Het ongelijk van Theodor Holman, Breivik en Wilders, waar ik me geheel in kan vinden.

Rest mij nog toe te voegen dat wat Annelies van der Veer in haar column te berde brengt over politieke correctheid en cultuurrelativisme totale quatsch is (en niet alleen haar formulering ‘de huidige politieke correctheid’- de ‘huidige politieke correctheid’ ligt eerder in de lijn van de Hoeboeiers). Ik ben zelf noch een voorstander van een doorgeschoten cultuurrelativisme (van ‘je moet niet zeuren als daar gemarteld wordt, want dat is gewoon hun cultuur’), noch van een doorgeschoten ‘universalisme’ (westers suprematisme, ‘onze God is de beste’). Ik ben het in deze overigens ook niet geheel eens met Paul Cliteur, die over deze kwestie trouwens een interessant boek schreef Moderne Papoea’s; dilemma’s van een multiculturele samenleving (de Arbeiderspers, 2002, van der Veer verwijst naar deze titel in de discussie onder haar column). Cliteur brengt deze dilemma’s veel beter voor het voetlicht dan Annelies van der Veer (alsof Breivik met zijn kruistochtenromantiek een goed voorbeeld is). Het boek van Cliteur is intellectueel zeker prikkelend en werpt nuttige vragen op, maar ik was het ook daar uiteindelijk niet mee eens. Het voert wat ver om dat nu hier toe lichten en ik doe dat liever misschien bij een andere gelegenheid, zonder de beladenheid van het geval Breivik. Een ding wil ik er wel over kwijt; Cliteur maakt naar mijn bescheiden mening niet duidelijk genoeg hoe hij ‘culturen’ definieert of afbakent. Is er sprake van een westerse cultuur en een islamitische cultuur? Of moeten we spreken van een Christelijke cultuur en zo ja, welke dan? En is alles wat er in bepaald gebied, gemeenschap, of staat gebeurt te verklaren uit het vage begrip ‘cultuur’? Zijn bijvoorbeeld de dictaturen van Saddam Hussein in Irak, de Assads in Syrië, of van Qadhafi in Libië te verklaren uit ‘de islamitische cultuur’? Of hebben die misschien (of juist vooral) ook iets te maken met twintigste eeuwse totalitaire ideologieën, die in Europa zijn ontstaan? Cliteur gaat mijns inziens te makkelijk voorbij aan deze wezenlijke punten. En soms gaat dat wringen. Een voorbeeld: Paul Cliteur haalt het verhaal van de West Side Story aan om uiteen te zetten hoe problematisch het multiculturalisme is (pp. 180-185). De strijd tussen de Jets en de Sharks zou je kunnen opvatten als een soort ‘mislukt multiculturalisme’. Ironisch is alleen dat Cliteur in deze bespreking de ‘opzwepende muziek’ van Bernstein prijst (mijns inziens volkomen terecht, want dat is zowel ritmisch als harmonisch hele uitdagende muziek, die ook muzikaal technisch heel spannend in elkaar zit). Alleen is ook die opzwepende muziek een resultaat van multiculturalisme. Die muziek zou nooit hebben bestaan als de westerse muziek van de twintigste eeuw, vooral in Amerika, niet was beïnvloed door elementen uit andere culturen. Dat is weer een bijzonder geslaagd voorbeeld van multiculturalisme. Zonder ‘multiculturalisme’ had de muziek van de West Side Story vooral bestaan uit marsen, walsen en menuetten en had het stuk bijvoorbeeld geen Rumba’s gekend, die de muziek juist zo bijzonder maakt.  Het laat ook zien dat culturen eigenlijk altijd in interactie met elkaar staan. Culturen zijn zelden gesloten systemen (wat Cliteur overigens ook erkent, met zijn titel Moderne Papoea’s maakt hij duidelijk dat er geen volledig monoculturele samenleving bestaat, zoals bijv. de traditionele Papoea-cultuur, als die niet ook al aan hybriditeit onderhevig was) . Maar juist de West Side Story laat wat mij betreft zien dat culturele interactie een fact of life is. Het kan positief uitpakken of negatief. Mijns inziens is de vraag dus niet of het wenselijk is, maar hoe je er op een juiste manier mee omgaat. Mijn eigen idee is dat er, net als dat er in een democratie ruimte moet zijn voor politiek pluralisme, er ook ruimte moet zijn voor cultureel pluralisme. Alleen wel binnen de marges van de democratische rechtstaat. Maar ik wil bij een andere gelegenheid graag nog een keer uitgebreid op Cliteurs boek terugkomen. Voor wie er iets meer over wil lezen kan ik vooral de vrij kritische recensie van Sjoerd de Jong uit NRC Handelsblad aanraden, Gelijker dan de rest, NRC, 4-10-2002, waar ik me zeer in kan vinden.

Over de kwestie universalisme versus relativisme; mijns inziens heel goed een middenweg te bewandelen van tolerantie, leven en laten leven, maar waarin de vrijheid van het individu boven die van de waarden van een groep gaat. Bijvoorbeeld wanneer het dragen van een hoofddoek, of zelfs een burka als een persoonlijke keuze wordt gezien. Net zoals het mij tegen de borst stuit om vrouwen te verplichten een burka te dragen, stuit het mij ook tegen de borst om iemand dat recht te ontzeggen, als die daar zelf voor kiest. Zie bijvoorbeeld een column van Annelies van der Veer zelf, waarin zij dit probleem aansnijdt. Het lijkt mij dat de enige lijn die je als leraar moet volgen is dat je de waardigheid van zo’n leerling boven alles stelt, met hoofddoek of zonder. Voor een docent staat toch op de eerste plaats dat zo’n kind een goed opgeleide, zelfredzame en mondige burger van deze samenleving wordt, die in staat is om zelf haar beslissingen te nemen? Het laatste wat je moet doen is natuurlijk oogluikend toestaan hoe de hoofddoek door haar klasgenootjes wordt afgerukt (in plaats van dat aan te moedigen, dat je zelfs op het idee komt!. Als ik kinderen zou hebben weet ik eerlijk gezegd niet of ik die aan Juf Annelies zou toevertrouwen).

Het betekent misschien schipperen en wellicht zullen er soms fricties zijn, maar dit lijkt mij te verkiezen boven de twee hiervoor genoemde absolute uitersten van dwang verus verbieden. Kortom, ouderwets liberalisme, maar daar hebben de Hoeboeiers denk ik niet zoveel mee, al zullen er ongetwijfeld redelijk wat VVD stemmers tussen zitten. Maar dan wel VVDers van het type Gerry van der List, die zeggen liberaal te zijn, maar homo’s eigenlijk vies vinden (ik ken er wel een paar, al is het openlijk belijden van homofobie aan de borreltafel, ook in die kringen langzamerhand een beetje passé). Of Moslims eng vinden, of misschien wel homo’s en moslims tegelijk, dat komt ook wel voor. Net zoals ‘Henk en Ingrid’ van de PVV, daar durf ik mijn hand wel voor in het vuur te steken .

Terug naar het DDR gehalte van Hoeboei, onbaatzuchtig alles voor de ideologie en strijdvaardig en zwaaiend met de zeis (sorry: ‘onafhankelijk en onbaatzuchtig’, ik vind ze alleen niet zo ‘onafhankelijk’ maar vooral heel erg slaafs, aan hun eigen rigide dogma’s dan). Het aardige is als er plotseling iets het nieuws gaat bepalen dat totaal niet in het ideologisch gedeformeerde wereldbeeld van Hoeiboei past, men daar hulpeloos begint te dobberen. Toen de demonstraties in Tunesië en iets later in Egypte begonnen hulde het normaal zo uitgesproken Hoeboei zich wekenlang in een pijnlijke stilte.

Wel verschenen er andere bijdragen met een hoogst maatschappelijke urgentie. Toen de demonstraties op het Tahrirplein op hun hoogtepunt waren en het erom ging spannen of Mubarak daadwerkelijk zou vallen, verscheen er op Hoeiboei een woedend stukje over ‘Boer zoekt Vrouw’ (zie hier, dus toch die kitscherige romantiek van een boerin op een trekker). Daar was van alles misgegaan, er was vals gespeeld, een van die boeren was niet leuk genoeg of er was iets anders van groot belang gebeurd (wie het wil weten moet het maar via de link nalezen). Ergens deed me dit denken aan de oude communistische krant ‘De Waarheid’. Toen in 1956 de Russische tanks Boedapest binnenrolden om de Hongaarse opstand neer te slaan, opende de Waarheid met de kop ‘Nasser bezet Suezkanaal’. Hoeiboei had het, net als de Waarheid destijds, een beetje moeilijk, maar dat krijg je als je teveel blind met de meute mee rent. Op de golven meedeinen is heerlijk, maar let wel op als ze onverwacht stukslaan op een rotsklif. In dit geval wel met een hele harde smak, als je begint te lallen: ‘Demonstraties voor democratie in de Arabische wereld?? Ja maar bij Boer zoekt vrouw gebeurde iets, waar ik het echt niet….’ enz. Op zich wel fascinerend dat als de scribenten en de lezertjes van Hoeboei met onzekerheden worden geconfronteerd- ik denk dat ‘moslims die voor democratie demonstreren’ voor behoorlijk wat verwarring heeft gezorgd- ze meteen teruggrijpen naar veilige folklore, iets waar Boer zoekt vrouw zich uitstekend voor laat lenen. Zoiets als een vlucht naar beelden van ‘potige boerinnen op tractors in golvende graanvelden’ terwijl het systeem langzaam maar zeker erodeert, totdat het definitief implodeert, zoals uiteindelijk in 1989 in verschillende Midden en Oost Europese landen.

omslagillustratie van Eurabia; the Euro-Arab Axis, van Bat Ye’or (pseud. van Giselle Litmann), in het Nederlands verschenen als Eurabië; de geheime banden tussen Europa en de Arabische wereld, Meulenhoff, 2005, met een voorwoord van Hans Jansen. De Europese Unie zou, middels een serie geheime conferenties en verdragen met de Arabische Liga, in ruil voor de gegarandeerde toevoer van olie, de deuren voor massa-immigratie wagenwijd hebben opengezet en een zg. anti-Israëlische politiek voeren, om zo de ongeconditioneerde en gerechtvaardigde steun van Amerika aan Israël te ondermijnen. Op die manier zou de ‘gecorrumpeerde politiek-correcte en pro-multiculturele Europese elite’ Europa in de uitverkoop hebben gedaan als islamitisch missiegebied, hoewel de aartsvader van dit plan Charles de Gaulle zou zijn geweest, in zijn zucht naar het vormen van een Eurposese/Mediterrane supermacht, die de Amerikaanse hegemonie over West Europa gedurende de Koude Oorlog zou kunnen ondermijnen. De ‘massa-immigratie’ uit de islamitische wereld is dan ook niet toevallig, maar maakt onderdeel uit van dit masterplan en is dus in feite aangestuurd door een samenzwering van Europese bureaucraten en Arabische dictaturen. Zoals Wilders het ongeveer omschrijft, die veel contact met Litmann heeft en duidelijk diepgaand door haar is beïnvloed: ‘Met steun van de gecorrumpeerde politiek-correcte en multiculturele elite zullen de ‘moslim-kolonisten’ het hier over komen nemen’. Dat is ongeveer de kern van de ‘Eurabië-theorie’ . In ‘islamkritische kring’, of zo je wilt in het ‘islamofobe extreemrechste circuit’, heeft dit boek een enorme cultstatus, daarbuiten wordt de Eurabië-these veelal als een complottheorie afgedaan (zie De Protocollen van de Wijzen van Brussel). In Nederland wordt Bat Ye’or vooral bewonderd door Geert Wilders. In zijn verdediging tijdens het proces vatte hij haar denkbeelden vrij effectief samen, zie hier. Verder door Hans Jansen, die zich inmiddels heeft ontpopt tot haar belangrijkste pleitbezorger in Nederland. Eerder probeerde hij haar aan Ayaan Hirsi Ali te koppelen, wat jammerlijk mislukte, en waarschijnlijk is hij degene geweest die Wilders met haar in contact heeft gebracht. Er zijn in Nederland nog een paar activisten die idolaat van haar zijn, zoals ghostwriter Barry Oostheim (pseudoniem), die haar uitgebreid interviewde (gepubliceerd op Hoeiboei). In Amerika vindt Bat Ye’or vooral in neoconservatieve kring bijval, zoals van Pamela Geller (van Atlas Shrugs), Robert Spencer (van Jihad Watch, zie voor de aardigheid ook de Amerikaanse site Robert Spencer Watch) en David Horowitz, van het activistische/extreem conservatieve David Horowitz Freedom Center, dat ook Wilders’ Amerikaanse tournee organiseerde en geld inzamelde voor de verdediging in zijn proces. Zie ook dit tamelijk geschifte en overduidelijk door Bat Ye’ors werk geïnspireerde  apocalyptische spotje, vermoedelijk uit Amerikaanse Christelijk-conservatieve kring (op Youtube geupload door iemand die zich heel subtiel Islam666AntiChrist noemt). Zie ook de korte bespreking (eerder aanbeveling) van Hans Jansen in ‘The Middle East Quarterly’, die hij vroom besluit met: ‘God blinds those whom he wants to destroy; Bat Ye’or’s Eurabia offers a powerful tool for those who wish to see’. Zie verder voor een heldere samenvatting en weerlegging van Bat Ye’ors Eurabië-theorie dit artikel van Eildert Mulder, Het echte Eurabië ligt aan de Middellandse Zee, Trouw, 11-9-2011 (ook opgenomen in Eildert Mulder, Anders Breivik is niet alleen, Meinema, Zoetermeer, 2012, een boekje dat ik bij deze van harte kan aanbevelen).

Arabist of alarmist?

Kortom, wat betreft de Arabische lente was het stil op Hoeiboei, totdat Hans Jansen een kort verhaaltje over Mubarak klaar had, zie hier (ze moesten wel wat). Wel was het dan zo dat Mubarak eigenlijk te vergelijken was met de ‘politiek correcte elite’ in Nederland en waren de demonstranten vooral te vergelijken met ‘de rebellen van de PVV’. Dat was zo’n beetje alles wat deze ooit gerespecteerde wetenschapper te melden had. Hoe ver kun je afglijden, denk ik dan, maar ja hij gelooft ook in de complottheorieën van Bat Ye’or  (overigens ook zeer geliefd op Hoeiboei, Jansen schreef overigens het voorwoord van de Nederlandse editie van Eurabië, zie hier) die door geen enkele wetenschapper serieus wordt genomen (Jansen wordt door de meeste van zijn Nederlandse vakgenoten ook niet meer serieus genomen waar hij nogal verbolgen over is, zie hier en hier). Bovendien had hij het op dat moment trouwens veel te druk met het Wildersproces, dus de gebeurtenissen in het Midden Oosten en Noord Afrika hadden voor deze ooit prominente arabist minder prioriteit. In plaats van met islamwetenschap of arabistiek houdt Jansen zich sinds de laatste jaren veel meer bezig met ‘contra-Jihad’, voornamelijk in de vorm van agitprop. Zie zeker zijn site waarop hij ook veel van zijn bijdragen voor Hoeboei heeft gepubliceerd en dan vooral hier (‘vernietigen gaat voor’) en hier (een pleidooi voor ‘gedisciplineerde rotzakken die in het verborgene vuile handen maken’). Een uitgebreid citaat uit het eerste stuk (‘De terreur van de brandende afgunst’, november 2004 www.arabistjansen.nl/afgunst.doc):

‘Het enige medicijn is dan ook tegen-consternatie. Niet, zoals bij oorlogvoering gebruikelijk, streven naar een overwinning met proportionele middelen die voor het doel dat bereikt moest worden net voldoende zijn, maar streven naar een totale verplettering met overdreven zware middelen en overmacht. Het gaat immers niet om een rationele oorlog maar om een irrationele strijd.

Angst aanjagen, en ruim voldoende reden geven om angstig te blijven, is van groot belang. Niet bang zijn zelf af te zakken tot het niveau van de terroristen. Voor minder doen ze het immers niet. Het is in de propaganda-oorlog bovendien van groot belang de terroristen als loosers voor te stellen die op allerlei manieren, ook seksueel, niet aan hun trekken zijn gekomen. Omdat dat meestal waar is, kan het niet zo moeilijk zijn.

De methoden die het strafrecht toestaat bij de bestrijding van wangedrag en misdaad gaan minder ver dan de veel ruwere methoden die door een oorlogsituatie worden opgedrongen. Het strafrecht is dan ook niet geschikt voor terrorismebestrijding. Hoe het ook tegen onze natuur en ons systeem ingaat, indien mogelijk moeten terroristen sneuvelen tijdens hun zelfgekozen acties. Het is niet nodig om bang te zijn ‘martelaren te maken’. Beter tien dode martelaren in de hemel dan één levende, gewapende terrorist op straat. Martelaren zijn immers geen bedreiging van de openbare orde, terroristen wel.

Laten we ons bij de bestrijding van terrorisme dat gepleegd wordt in de naam van de islam, alsjeblieft geen zorgen maken over wat de moslims er van vinden. Ook het raadplegen van moslims over wat de ‘ware’ islam hier voorschrijft, is uit den boze. Als de terroristen eenmaal zijn vernietigd, is dat voor de andere, niet-vernietigde moslims voldoende bewijs dat de terroristen er ook theologisch naast zaten, anders had God hen immers wel gespaard. Vernietigen gaat dus voor.

Wanneer er een grote terroristische aanval op een Nederlands doel wordt gepleegd, door terroristen die zich op de islam beroepen, zou dat kunnen leiden tot spontane acties van de bevolking waarbij bijvoorbeeld moskeeën in brand worden gestoken. Dat zal de moslims in Nederland er eerder toe brengen zich van de terroristen af te keren dan hen te steunen. De overheidsreacties op zulke spontane pogingen tot tegenterreur dienen daar dan ook mee rekening te houden.

De knappe strategen die Nederland rijk is, zullen nog wel meer kunnen bedenken. De Amerikaanse auteur Ralph Peters heeft in zijn boek Beyond Terror (2002) al heel wat suggesties gedaan waarvan ook in de alinea’s hierboven wel sporen te vinden zijn. Sinds 12 september 1683, het ontzet van Wenen, hebben we geen islamitische terreur meer gekend. Dat was een mooie adempauze. Sinds 11 september 2001 is de islamitische terreur tegen de niet-moslims hervat. De strijd die toen begonnen is, kan een aantal jaren duren, maar de kans dat het een aantal eeuwen gaat duren is niet geheel denkbeeldig.

Natuurlijk staan veel, wellicht de meeste, moslims hier geheel buiten, zoals ook toen de Turken in 1683 voor Wenen stonden, de meeste Turken gewoon thuis zaten. Maar dat maakt de strijd niet minder gevaarlijk. Zo lang er niets te bedenken is waardoor Nederland, of welk ander land dan ook, neutraal zou kunnen blijven in de strijd met mensen die zich op de islam beroepen wanneer ze zich schuldig maken aan terrorisme, is alles mogelijk en dienen we op alles voorbereid te zijn’.

Een ding kun je wel zeggen: Jansen is geen windvaan, want hij is hier alweer flink wat jaren mee bezig (bovenstaand stuk is uit 2004). Maar wat zegt hij hier eigenlijk? (ik moest het ook een paar keer lezen, voordat het echt tot me doordrong). Waar wil hij eigenlijk naartoe? Moeten we terroristen, of mogelijke terroristen, seksueel gaan vernederen? Hoe moeten we ons dat gaan voorstellen? En vooral, wie zou dat klusje moeten gaan klaren? Moeten we daar mensen voor gaan opleiden, richtlijnen voor gaan schrijven, procedures voor ontwikkelen? Als dit een serieus idee zou zijn, moet je ook over dit soort zaken nadenken. Het zou wel aardig zijn als een ambtelijke werkgroep zich hier zich wat meer op zou gaan oriënteren. Dat zullen wel interessante werkbesprekingen worden. Ik zie al voor me hoe ze hun bevindingen aan beleidsmakers gaan presenteren, die deze zullen moeten gaan omzetten in wetgeving. Het zal wel tot een paar Kamervragen leiden. Lijkt me interessant om daar een minister van justitie of van binnenlandse zaken op zien te reageren (of nu de minister van veiligheid Ivo Opstelten, al zie ik die geen pleidooi voor dit soort ranzige voorstellen houden, daar is Opstelten volgens mij veel te fatsoenlijk voor). En als het door de kamer is, wat dan? Misschien moeten we snuffmovies van het kaliber Lynndie England gaan produceren, of moet er een gangbang in een Guantanamo Bay achtige setting georganiseerd worden.

Of moeten we dit niet letterlijk opvatten en moet er slechts van overheidswege in de media verkondigd worden dat die terroristen prutsers tussen de lakens zijn? Wie moet dat dan gaan doen? Toch jammer dat Rita Verdonk weg is (zie hier haar laatste campagnespot, waarin ze schittert als nooit tevoren,). Ik had haar best op de nationale televisie willen horen verklaren: ‘Die rotjongens zijn loosers die seksueel niet aan hun trekken komen!’ O ja, hoe weet u dat mevrouw Verdonk? Bijna te mooi om waar te zijn.

Of, wellicht een beter plan, een ‘softer’ alternatief en moeten we die jongens gewoon wat meer te neuken geven, misschien neem je daar de voedingsbodem voor het terrorisme wel mee weg. Make love, not war. Het spijt me ontzettend, maar van dit soort oorlogstaal zou ik normaal gesproken alleen maar in de lach schieten, ware het niet dat de context wel wat serieuzer is. Jansen publiceerde dit artikel namelijk in november 2004. In april 2004 was het Abu Ghraib schandaal naar buiten gekomen. Had hij de beelden van Abu Ghraib voor ogen toen hij dit schreef?

En dan al dat gebral over de noodzakelijkheid van dodelijke slachtoffers. Jansen: ‘Hoe het ook tegen onze natuur en ons systeem ingaat, indien mogelijk moeten (curs. FS) terroristen sneuvelen tijdens hun zelfgekozen acties. Het is niet nodig om bang te zijn ‘martelaren te maken’. Beter tien dode martelaren in de hemel dan één levende, gewapende terrorist op straat. Martelaren zijn immers geen bedreiging van de openbare orde, terroristen wel’.

Dit lijkt wel een beetje op Jansens lievelingspassage uit de Koran, door hem te pas en te onpas aangehaald: ‘Doodt hen waar ge ze maar kunt vinden’. Alleen heeft het er ook de schijn van dat Jansen, althans als we af moeten gaan op wat hij in dit epistel te berde brengt, zelf deze slogan (in Jansens woorden ‘een licence to kill’) meer uitdraagt dan de overgrote meerderheid van de moslims.

En wat wil Jansen dat we gaan doen? Het folterverdrag opzeggen (elders bepleitte hij ook het inzetten van ‘gedisciplineerde rotzakken die in het verborgene vuile handen maken’, zie hier )? De conventie van Geneve verwerpen (dat wilden al een paar haviken in de regering Bush)? Dat al het oorlogsrecht op de helling moet? Het is niet te hopen dat er ooit een echt PVV kabinet komt, maar als dat er zou komen dan wil Jansen vast wel Wilders nieuwe veiligheidsadviseur worden die handenwrijvend zal toezien hoe het ene na het andere verdrag de wacht wordt aangezegd

Een van de meest bizarre passages vind ik deze: ‘Wanneer er een grote terroristische aanval op een Nederlands doel wordt gepleegd, door terroristen die zich op de islam beroepen, zou dat kunnen leiden tot spontane acties van de bevolking waarbij bijvoorbeeld moskeeën in brand worden gestoken. Dat zal de moslims in Nederland er eerder toe brengen zich van de terroristen af te keren dan hen te steunen. De overheidsreacties op zulke spontane pogingen tot tegenterreur dienen daar dan ook mee rekening te houden’.

Hoopt Jansen soms dat dit gaat gebeuren? En moet de staat een oogje toeknijpen als het gepeupel zijn gang wil gaan? Of discreet groen licht geven als ‘Henk en Ingrid’ de wapens opnemen? Net zoals de verschillende regimes in de islamitische wereld zelf bij tijd en wijle doen (zie de cartoonrellen)? In de lange geschiedenis van Europa hebben we ook wel ervaring met dit soort volksgerichten. De laatste keer was op de Balkan. Andere voorbeelden zal ik achterwege laten. Ik kan het eigenlijk niet geloven, maar wil Jansen dat dit allemaal weer terugkomt? Neem me niet kwalijk, maar wat een waanzinnige en ook opruiende tekst. Het spijt me heel erg, maar ik kan er niets anders van maken. Pijnlijk vind ik het overigens ook . Het is immers een oud-docent van mij en ik heb toentertijd ook veel nuttige dingen van hem opgestoken. Bovendien naar studenten toe een hele aardige man, altijd in voor een praatje en met wie je erg kan lachen, zoals ik hem zelf heb meegemaakt, toen we in de pauzes van de colleges vaak samen een sigaret stonden weg te paffen op de Cleveringaplaats, in de rookhoek bij het Lipsius (toen LAK) gebouw in Leiden.

Rest mij over dit fragment nog te vermelden dat Jansen wel heel selectief met de geschiedenis omgaat. Hij heeft het uitsluitend over pogingen vanuit de islamitische wereld om (delen van) Europa te veroveren. Hij vergeet echter te vermelden dat er, zeker in de recente geschiedenis, zacht uitgedrukt,  meer sprake was van tweerichtingsverkeer. Want ‘zij’ hebben niet alleen getracht om ‘hier’ te komen, ‘wij’ zijn ook weleens ‘daar’ geweest en niet altijd op een even zachtzinnige manier. En ik heb het niet over de kruistochten. Kijk naar wat er in de negentiende en twintigste eeuw gebeurd is of inmiddels in de eenentwintigste. Wellicht is uit die gebeurtenissen meer van het hedendaagse islamitische terrorisme te verklaren, dan uit een zogenaamde islamitische essentie. Het is maar een suggestie. De ‘westerse interventies’ in het Midden Oosten zijn ook niet louter bepaald door ‘ons Christen zijn’, al is het vaak als een ideologisch excuus ingezet. Net zomin als de inwoners van het Midden Oosten in alles door ‘de Islam’ worden aangestuurd, al is het eveneens een bruikbare ideologische kapstok. Maar Jansen gelooft, zo langzamerhand als enige onder de Nederlandse islamologen en arabisten, dat moslims vooral door hun (fundamentalistische) religie gedreven worden. In die zin is Jansen bijna ‘de laatste der essentialisten’, maar daarover verderop meer.

Tenslotte nog de passage over Gedisciplineerde Rotzakken, uit een artikel dat oorspronkelijk is gepubliceerd in Opinio:

‘We zijn collectief vergeten dat een vreedzame enclave als Nederland ter verdediging niet genoeg heeft aan haar eigen vreedzaamheid, maar ook een aantal gedisciplineerde rotzakken nodig heeft die zo nodig in het verborgene vuile handen maken bij het vechten voor vrede en vrijheid. Het zal niet meevallen om dat overtuigend uit te leggen aan al die brave en aardige mensen van het CDA en de Christenunie. En de rest.

We beseffen niet dat dreiging met geweld, en geweld zelf, alleen door gecontroleerde en sluwe toepassing van geweld gestopt kan worden. De onwaarachtige manier waarop bedreigingen half of geheel verzwegen worden, heeft verkeerde effecten op het openbare leven en is niet langer houdbaar. Dat dwingt ons te gaan zoeken naar methoden die kunnen bewerken dat Nederland op de lange duur, om het maar eens hardop te zeggen, zijn vrede en vrijheid terugkrijgt’.

Het is niet de leugen die regeert maar de duistere dreiging”, in: OPINIO, 23-29 maart 2007 (www.arabistjansen.nl/bedreigingen.doc)

Zie overigens ook deze toch wel geestige reactie op Geen Stijl.nl, Rotzakken gezocht. Ik denk dat het wel duidelijk is.

Dat Jansen met zijn extreme standpunten zo langzamerhand een eenzame buitenstaander is geworden binnen de Nederlandse arabistiek en islamwetenschap, mag geen verrassing zijn, gezien het voorgaande. Vrij recent vatte hij zijn opvattingen samen in zijn boekje met de veelzeggende titel Islam voor varkens, apen, ezels en andere beesten; Prof. Dr. Hans Jansen beantwoordt 250 vragen over de islam, van Praag, Amsterdam 2008. De ‘vragen’ zouden zijn bedacht door de redactie van uitgeverij van Praag, maar ik acht het niet uitgesloten dat Jansen daar zelf ook enigszins de hand in heeft gehad. Soms doet het boekje bijna Oost Europees voorgekookt aan, maar dan van voor 1989.

Op de ‘vraag’ Hoe degelijk is de studie van de islam aan westerse universiteiten? Hoe vaak verkopen westerse hoogleraren politiek correcte praatjes? Hoe vaak stellen zij zich kritisch op? geeft Jansen, ongetwijfeld met de grootst mogelijke tegenzin (want hij heeft die vraag zeker niet zelf bedacht en bovendien, dit boekje gaat toch over de islam en niet over de intercollegiale verhoudingen der Nederlandse islamwetenschappers?), het volgende antwoord:

‘De meeste westerse hoogleraren die de islam in hun portefeuille hebben, praten graag mee met de moslims, hoe reactionairder en multicultureler, hoe beter. Met wetenschap heeft het vaak niets meer te maken (dat van die ‘loosers die seksueel niet aan hun trekken komen’ gelukkig wel, net als het hierboven aangehaalde ‘vernietigen gaat dus voor’, FS). Het is pure misleiding, waarbij boze opzet niet altijd moet worden uitgesloten (! FS), zij het dat onnozelheid natuurlijk zoals overal gewoner is (oef, gelukkig dat we dan tenminste nog professor Jansen hebben, FS). Daarop zijn enkele lichtende uitzonderingen (?! FS). Veel onderzoekers denken dat ze de leden van de groep die zij bestuderen wel naar de mond moeten praten omdat ze anders hun contacten verliezen. Alsof de islamitische cultuur een dissidentloze eenheid is’. (p. 123-124)

Het eerste gedeelte van dit antwoord vind ik, neem me niet kwalijk, beneden ieder peil (eigenlijk vooral genant). Alleen de laatste opmerking snijdt wat mij betreft wel hout. Natuurlijk is het zo dat de islamitische wereld geen dissidentloze eenheid is. Sterker nog, de islamitische wereld is bijzonder divers. Daar hebben verschillende geleerden, zoals Edward Said, vaak op gewezen. En ook op het feit dat ‘de islamitische wereld’ door de traditionele oriëntalistiek (Lewis etc.) te vaak is afgeschilderd als iets dat tot een paar essenties kan worden teruggebracht. Gelukkig doet Professor Jansen daar niet aan mee ;)

Maar zonder ironie, er zijn inderdaad veel dissidenten in de islamitische wereld, ondanks dat de meeste islamitische landen dictaturen zijn. Dit is wel een probleem, alleen kun je je afvragen of dat uitsluitend met de islam te maken heeft, in plaats van met allerlei complexe historische factoren uit vooral de twintigste eeuw.

Is Jansen dan zo solidair met die dissidenten? Sommige echte dissidenten uit de islamitische wereld, zoals wijlen Nasr Abu Zayd, worden door Jansen juist met de grootste minachting bejegend, terwijl het juist Jansens ‘politiek correcte’ vakgenoten zijn geweest (de Groningse hoogleraar Fred Leemhuis bijvoorbeeld), die voor deze belangrijke denker hun nek hebben uitgestoken. Dissidenten van het type Abu Zayd passenechter niet in Jansens eigen rigide voorstelling van zaken en worden door hem dus afgestraft of belachelijk gemaakt. Zie bijv. hier waarin Jansen stelt: ‘Alles wat hij in zijn bijdrage over de Koran en de islam zegt, is apologetische verouderde flauwekul, ongeveer in overeenstemming met de stand van de westerse koranwetenschap in de jaren dertig tot vijftig van de vorige eeuw’. Het lijkt mij een volstrekt onzinnig argument want Abu Zayd is in zijn manier van wetenschap beoefenen vele malen progressiever dan Jansen. Abu Zayd, kortgeleden overleden, heeft baanbrekend werk gedaan voor een moderne lezing van de Koran. In zijn herlezing van de Heilige Schrift heeft hij nieuwe methoden geïntroduceerd, zoals de Hermeneutiek van Hans Georg Gadamar, daarvoor nooit eerder toegepast in het moderne Koranonderzoek. Oa Peter Sloterdijk, die hierop heeft voortgebouwd in Heilig Vuur, verwijst naar het werk van Abu Zayd. Toch iets anders dan Jansen, die vooral Snouck Hugronje en Bernard Lewis navolgt. Over apologetisch en verouderd gesproken. Het woord flauwekul vind ik overigens niet van toepassing. Bovendien is het wel aardig om erop te wijzen dat Abu Zayd, hoewel nauwelijks in de Nederlandse media verschenen en daardoor bij het grote publiek wat minder bekend, een wetenschapper was van grote internationale faam. Ik denk niet dat Jansen, of andere Nederlandse critici van Abu Zayd als Afshin Ellian of Paul Cliteur hier ook maar enigszins in de buurt komen (Jansen overigens nog het meest, want die heeft ook veel in het buitenland gepubliceerd). Maar dat terzijde. Zie voor meer over Abu Zayd hier op dit blog

Je bent volgens Jansen alleen maar een waarlijk dissident uit de islamitische wereld als je meegaat met zijn eigen essentialistische praatjes. Daarom zijn Ayaan Hirsi Ali, Afshin Ellian, of internationaal Ibn Warraq en zelfs de paranoia van Bat Ye’or, wel de moeite waard, maar Nasr Abu Zayd en Edward Said niet (laten we niet vergeten dat Saids boeken in veel islamitische landen verboden zijn). Dissidenten die ook kritisch naar het westen kijken of naar de soms kwalijke steun van het westen aan bepaalde praktijken in Islamitische landen of Israël, zijn voor Jansen geen echte dissidenten. Want dan komen ze ook aan Jansens wereldbeeld en dat verdraagt blijkbaar geen dissidenten.

Maar al wordt Jansen inmiddels door vrijwel al zijn Nederlandse collegae verguisd, gelukkig oogst zijn boekje wel grote bewondering in de kring van de vroegere LPF. Op de website ‘Het Vrije Woord’ van de Fortuynistische jongerenbeweging, waar het boekje ‘Islam voor varkens…’ etc. met veel tromgeroffel wordt aangeprezen, staat in het reactieforum onder meer:

Maarten

14 May, 2008

Wij hebben het boek al.
Maar ik vind Hans Jansen eigenlijk de enigste vrij goede arabist.
Hij is kwa politieke mening nog vrij rechts voor een arabist.
En dat zie je niet heel vaak vrij rechtse arabisten.
En hij wel dus dat maakt het ook al zo apart.

http://www.hetvrijewoord.org/?p=236

Op zo’n moment heb ik het wel met Jansen te doen. Want dit soort fans wil je toch niet? Ik kan me vergissen maar ik denk dat hij hier ook zelf niet bepaald gelukkig van wordt. Hoewel… als je gelukkig bent om met Martien Pennings gesignaleerd te worden kan dit er ook nog wel bij, maar daarover later meer. Tegen Maarten zou ik willen zeggen: Ga Bernard Lewis lezen, tenminste als je daar niet te stom voor bent. Want dat is zeker ‘een vrij rechtse’ en dus ‘een vrij goede arabist’ (alhoewel, Lewis is van huis uit turkoloog en historicus, maar ook een bekend oriëntalist. Een ‘vrij rechtse arabist’ is misschien HAR Gibb, en er zijn er nog wel wat meer). Jansen is dus zeker niet de enigste, al is het natuurlijk allemaal erg enig wat hij nu doet ;). Maar Jansen is vooral een Lewis apologeet dus daar zou je je hart aan kunnen ophalen. Er staat ook redelijk wat van Lewis op internet, zoals het roemruchte artikel ‘The Roots of the Muslim Rage’, de belangrijkste inspiratiebron voor Samuel Huntingtons ‘The clash of civilizations’. Huntington ontleende zelfs de titel van zijn essay aan een uitspraak van Lewis, die ergens in zijn stuk spreekt van een ‘clash of civilizations’. Ga maar lezen. Succes!

Altijd leuk om nog ergens een schare bewonderaars te hebben, maar dit soort types? Ik vond het overigens wel aardig om deze LPF kinderen Hans Jansens vroegere recensie van Pims Islamboekje onder de neus te wrijven, dus dat heb ik in het onderstaande forum gedaan.

De ‘wrevel’ met de manier waarop zijn vakgenoten islamwetenschap bedrijven is overigens niet van heel recente datum. Jansen heeft hier zelf uitgebreid verslag gedaan in een lange beschouwing, hier te raadplegen. De liefhebber kan ik zeker aanraden het hele verhaal te lezen. Jansen beschrijft uitgebreid zijn ervaringen als student Arabisch in Egypte. Dat was in de tijd dat Nasser daar aan de macht was en Jansen schetst zeker een boeiend beeld van die periode. Waar het mij hier om gaat is dat hij tegen het eind van dit lange verslag het volgende zegt:

‘Hoe ben ik nu van zo maar een politiek incorrecte twintiger tot een politiek incorrecte Arabist geworden? Dat heeft zeker te maken met de manier waarop Nederland de erfenis van Snouck Hurgronje verwerkt heeft. Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936) was een domineeszoon die in Leiden theologie ging studeren, en in zijn vakkenpakket naast het Bijbels Hebreeuws ook het Arabisch aantrof. (Toen ik zelf in Amsterdam theologie ging studeren, in 1960, overkwam me hetzelfde. Daarmee houdt de vergelijking tussen de carrière van Snouck en die van mij op.) In 1880 promoveerde Snouck op een onderwerp uit de islamwetenschap, in 1885 verbleef hij een half jaar in Mekka. Van 1889 tot 1906 werkte hij in Nederlands-Indië. Daar deed hij als zogenoemd adviseur volop mee aan de zogenoemde Atjeh-oorlog. Nederland heeft sindsdien nooit meer een oorlog gewonnen.

Het wordt Snouck nog steeds kwalijk genomen dat zijn adviezen en activiteiten daar relevant geweest zijn. Een wetenschapper hoort niet zoals Snouck dagenlang in oorlogstijd te paard door de Sumatraanse jungle te rijden, en zijn adviezen dienen academische bespiegelingen te blijven, van het enerzijds-anderzijds genre. Dat was bij Snouck niet het geval. Ergens schrijft hij dat de Islam een steeds weer de bestuurders verschalkende vijand is. Ook is hij van mening dat ‘met de Oelama’s [Imams in het hedendaagse Nederlands, HJ] niet te onderhandelen valt daar hun leer en eigenbelang meebrengen dat zij alleen voor geweld zwichten.

Snouck raadde de regering aan deze moslimleiders ‘zeer gevoelig te slaan’. Dat is weer eens wat anders dan de vraag of Imams een vrouwelijke minister een hand moeten geven. De academici die heden ten dage een overheidsinstantie adviseren, laten het wel uit hun hoofd de termen te gebruiken die Snouck gewoon vond. Alleen de koran en radicale moslims hebben het recht woorden als ‘vijand’ gebruiken, een recht waarvan ze overvloedig gebruik maken’.

Jansen is een groot bewonderaar van Snouck Hugronje. Wat overigens meer arabisten zijn en enigszins terecht, want Snouck Hugronje is de belangrijkste grondlegger geweest van de Nederlandse oriëntalistiek en islamwetenschap. Maar Snouck was natuurlijk ook een oriëntalist in de Saidiaanse zin van het woord; hij bedreef zijn oriëntalistiek mede in dienst van de koloniale macht. Precies hetgeen wat Edward Said met zijn invloedrijke werk Orientalism heeft blootgelegd. Niet voor niets is Jansen ook een fel tegenstander van Saids werk. Al is het voorbeeld van Snouck Hugronje een verpletterend bewijsstuk voor het gelijk van Edward Said.

Inmiddels is de ‘oriëntalistiek’ (die term wordt voor de hedendaagse islamwetenschappen eigenlijk niet meer gebruikt) sterk veranderd, niet in de laatste plaats door de grote invloed van Edward Saids Orientalism, al was het eigenlijk daarvoor. Maar Snouck Hugronje is een klassiek voorbeeld van wat Edward Said als een ‘oriëntalist’ heeft omschreven. En Jansen is dus verbitterd over hoe de hedendaagse islamwetenschap met Snoucks ‘koloniale lessen’ is omgesprongen (uitgerekend de Atjeh oorlog! ). Jansen vindt bovendien dat hij die erfenis niet verkwanselt, zie zijn (ongevraagde) adviezen voor bijvoorbeeld de behandeling van ‘mogelijke terroristen’ (de ‘loosers die seksueel niet aan hun trekken komen’ de ‘noodzaak dat mogelijke terroristen moeten sneuvelen’, de ‘professionele rotzakken’, etc.). Al was de vroege Hans Jansen stukken gematigder dan de late. Want sinds 11 september gooit hij werkelijk alle remmen los. Misschien is het ook wel Jansens tragiek dat de tijd van Snouck Hugronje voorbij is. Want tegenwoordig hebben we zo’n last van een ‘politiek correcte elite’, die niet meer op Jansens adviesjes zit te wachten. Behalve Wilders wellicht. En voor hem speelt Jansen met verve de rol van Snouck Hugronje. Alleen is Wilders een beetje een ranzige politicus en daarom wordt dit theater ook een beetje ranzig. Misschien is dat wel de kern van Jansens probleem. Of misschien zelfs wel ‘tragiek’.

Tragisch is in ieder geval zijn gespartel met het geval Breivik (hier te lezen op Hoeiboei). Natuurlijk, het lijkt mij afschuwelijk om door Breivik aangehaald te worden. Maar in plaats van dat Jansen uitlegt dat hij niets met de massamoordenaar van Oslo te maken heeft (wat ieder zinnig denkend mens begrijpt, tenminste dat lijkt mij wel), haalt hij pathetisch uit naar de ‘Groene Khmer’, die het vast wel met Volkert van der G eens zou zijn (Greenpeace!). En ook krijgen ‘de media’ de schuld want die zouden Jansen verkeerd hebben samengevat, of zelfs zijn woorden hebben verdraaid en daarom is het hun verantwoordelijkheid dat Breivik zich op hem beriep. Treurig is het wel; ‘de media’ hebben Jansen vaak uitvoerig een podium geboden en hem meestal zonder enig tegengas zijn zegje laten doen. Er is Nederland in de afgelopen tien jaar geen andere arabist geweest die zo uitgebreid en zonder enige tegenspraak het woord kon voeren als Jansen. Het is pas zeer recent misgegaan toen Jansen zichzelf klemzette in een discussie met Joris Luyendijk bij Pauw en Witteman. Maar dat deed hij echt helemaal zelf, daar had hij Pauw en Witteman of Luyendijk niet voor nodig (zie dit eerdere blogitem, waarin ik dat fragment heb opgenomen).

Jansen beweerde in Pauw en Witteman dat er in Nederland ‘steeds meer islamitische regels worden ingevoerd’, waarbij links behulpzaam zou zijn, of daar ‘in ieder geval vrede mee heeft’. Rechts (de PVV dus) zou zich hiertegen verzetten. Toen er werd doorgevraagd wat Jansen bedoelde (wordt hier sluipenderwijs de Sharia ingevoerd?) had Jansen geen antwoord, in zijn woorden ‘dit wordt een verschrikkelijke afgang, want ik weet zo snel niets te bedenken’. Het aardige is dat dit wel een verhaal is dat in extreemrechste kring op internet circuleert. Zie de extreemrechtse anti-islamblog Gates of Vienna (de titel verwijst natuurlijk naar de Osmaanse beleg van Wenen in 1683), van de anti-islamactivist ‘Baron Bodissy’ (uiteraard een pseudoniem) en uitvalsbasis van de Noorse blogger Fjordman, waarvan een tijdje gedacht is dat dit een pseudoniem van Breivik was- in het echt heet hij Peder Are Nøstvold Jensen, zie ook dit Engelstalige interview met hem in een Noorse krant.  Fjordman zegt precies hetzelfde als Jansen bij Pauw & Witteman, in een artikel met de alarmistische titel ‘Will Holland survive the 21st Century?’. Daarin beweert hij zoal:

“The Netherlands, which for centuries was a haven for those seeking more freedom of thought, is becoming an increasingly totalitarian society as a direct result of mass immigration in general and Muslim immigration in particular. This is the reason why the insightful Hans Janssen, Professor of Modern Islamic Ideology at Utrecht University, stated that a peaceful society that wishes to remain existent “will have to find a way to defend itself through non-peaceful means from people who are not peaceful.” According to Jansen, Muslim fundamentalists frequently make threats, but Dutch media remain silent about them”.

Ik heb soms het idee dat Jansen meer in de sfeer van de extreemrechtse agitprop zit, dan dat hij zich met serieus academisch onderzoek bezighoudt. Ontleende Jansen soms zijn informatie aan deze Fjordman? Of heeft Fjordman dit van Jansen? (Fjordman noemt Jansen trouwens en is blijkbaar goed op de hoogte van wat hij zoal beweert). Ik weet niet wat ik erger zou vinden. Al zouden zij geen contact hebben, de overeenkomst blijft wat mij betreft verontrustend groot. De lijntjes zijn sowieso kort, via ene H. Numan, die net als Jansen (en  Joost Niemöller) voor Faith Freedom International schrijft, en ook op Gates of Vienna, waar hij ‘Our Dutch correspondent’ wordt genoemd. Let trouwens op wat Jansen aan deze Numan zou hebben verklaard over ‘het etentje’:

‘In his own words, Jansen was shocked to meet Schalken during the dinner. The DA was co-writer of the court order of the Amsterdam court, which made the prosecution possible. According to Jansen, Schalken didn’t hesitate to show his contempt for Wilders. “I should realize very well that I disqualified myself by associating with Wilders. The actual sly wording I do not recall exactly. As an intellectual, I should have known better.” Jansen does not exclude the possibility Schalken carried the actual court order with him that evening. He insisted Jansen should read it. He grabbed some A-4 sized papers from his pocket. That may or may not have been the actual court order, Jansen wasn’t sure’.

‘I should realize very well that I disqualified myself by associating with Wilders’…. dat lijkt me toch iets anders dan ‘Schalken heeft mij niet proberen te beïnvloeden’, wat Jansen later onder ede voor de rechter verklaarde. Op Gates of Vienna is Jansen duidelijk weer op de agitproptour. En bij propaganda hoort liegen. Een vreemde activiteit voor een professor lijkt me,  maar dat is misschien niet meer zo verrassend, zie al het voorgaande. Tenzij H. Numan Jansen niet correct heeft geciteerd, maar dan zou Jansen hier zich per direct van moeten distantiëren. Het lijkt me sowieso verstandig om iets minder intiem te zijn met H. Numan, Gates of Vienna, Fjordman en al die andere ranzigheid, waar een ‘achtenswaardige professor’ niets te zoeken zou moeten hebben. Al is het niet verrassend, Jansen heeft zich ook al sterk geëngageerd met complotdenkster Bat Ye’or (van de Eurabië-theorie), dus dan kan dit er ook nog wel bij. Overigens gaat Fjordman nog een stapje verder en heeft hij een feuilleton geschreven met de wervende titel ‘The Eurabia Code’ (ook in het Nederlands vertaald, zie hier). Een soort Dan Brown en Bat Ye’or in één! Van Professor Jansen tot en met Henk en Ingrid, dit gaat er natuurlijk in als koek. Wellicht zit er een bestseller in, mocht iemand op het idee komen om dit gegeven uit te werken tot een gelikte thriller, met voor de Nederlandse editie Henk en Ingrid in de rol van Robert Langdon en Sophie Neveu. Beide werken hebben overigens wel een aardige overeenkomst; je zou kunnen zeggen dat het in beide gevallen om een bepaalde vorm van fictie gaat, zij het dat Dan Brown zijn lezers aangenaam wil verstrooien, terwijl Bat Ye’or er vooral op uit is om met haar duistere en hetzerige agitprop het ‘Vrije Westen’ te waarschuwen voor de nakende ondergang. Maar dat neemt niet weg dat zowel ‘Eurabië’ als ‘De Da Vinci Code’ een grote schare believers kent, vooral onder hen die geloven in ‘De Grote Samenzwering’. Het zou me niets verbazen als er onder hen zich er weer een paar bevinden die ook nog steeds geloven in de authenticiteit van ‘De Protocollen van de Wijzen van Zion’. Van het slag dat er ook van overtuigd is dat de Vrijmetselarij overal achter de schermen aan de touwtjes trekt (een paar van dit soort gekken heb ik ook op dit blog uitvoerig besproken- ik wil ook niet uitsluiten dat een megalomaan als Breivik zich juist daarom tot dit genootschap voelde aangetrokken en zich om die reden heeft aangesloten bij een Loge).

Verder grossiert Fjordman in theorietjes dat ‘fascisme’, ‘multiculturalisme’ en de ‘sociaaldemocratie’ sterke overeenkomsten vertonen (om het fascisme in zijn eigen wereldbeeld te makeren?) en dat de echte vrijheidsstrijders degenen zijn, die door ‘links’ het predicaat ‘islamofoob’ krijgen toegeworpen. Hij schrijft dit in ‘The Brussels Journal’, waar, o ironie, soms ook een zeker persoon voor schrijft met een sterke sympathie voor allerlei Holocaustontkenners  (met een voorliefde voor de Neo-Nazi historici David Irving, Ernst Zündel en Robert Faurisson, dat soort lieden), aan wie ik in een hele andere context op dit blog ruime aandacht heb besteed, zie hier, maar dit terzijde. Het verhaal van Fjordman doet me sterk denken aan de kromme theorieën uit het boek van Martin Bosma ‘De schijn-elite van valsemunters’, dat volgens Hans Jansen ‘een prachtboek’ is (zie hier). Fjordman besluit zijn betoog in The Brussels Journal met een inmiddels vetrouwd verhaal:

‘The European Union’s foreign policy chief Javier Solana has stated that Islamic terrorist organization Hamas wants to “liberate the Palestinians,” not to destroy Israel, thus ignoring decades of statements from Hamas leaders as well as the Hamas charter itself. As documented by brilliant scholar Bat Ye’or in her book Eurabia: The Euro-Arab Axis and confirmed by myself in The Eurabia Code this is all part of a concerted effort by EU authorities to radically alter the European continent in favor of an economic and cultural alliance with the Arab-Islamic world. The widespread use of the word “Islamophobia,” a concept which didn’t even exist a decade ago, should be seen in this light. “Islamophobia” is the veil the new Fascists use to cover themselves and their agenda. It is a ridiculous word, and we should all refrain from using it in any serious fashion’.

Terug naar ‘de mainstream’ en de positie die Jansen hierin heeft. Zie voor een heldere uiteenzetting over islamonderzoek en het publieke debat in Nederland dit artikel van Léon Buskens, hoogleraar Recht en cultuur in Islamitische samenlevingen aan de Universiteit Leiden. Hierin wordt ook duidelijk gemaakt welke positie Jansen inneemt binnen de Nederlandse arabistiek en islamwetenschap. Zie verder Onkunde of oplichterij? Hans Jansen als Islamkenner, door Michiel Leezenberg (UvA), waarin hij ook kort ingaat op Jansens fascinatie voor de ‘Eurabië-theorie’ van Bat Ye’or.

‘Nazislam’

Ook in de tijd toen hij nog pro-forma tegen Pim Fortuyn was (van eind jaren negentig , toen hij nog een hele leuke recensie schreef van Fortuyns anti-islamboek, onderaan dit blogbericht te lezen, tot ongeveer 2001), liep Hans Jansen al weg met zeer omstreden figuren van het kaliber Bat Ye’or, zoals de Amerikaanse auteur/propagandiste/ activiste Laurie Mylroie (Jansen verwijst nog naar haar in het artikel waar bovenstaand uit geciteerd is), de enige die nog steeds gelooft dat er massavernietigingswapens in Irak zijn en dat Saddam Hussein achter 9/11 zat. Jansens voorkeur voor dit soort types bleek weer tijdens zijn bijdrage aan het Wildersproces, met zijn idiote bewering dat de Koran meer antisemitische passages zou bevatten dan Mein Kampf. Later verklaarde hij onder ede voor de rechter dat hij zich slechts baseerde op een artikeltje van de obscure neoconservatieve agitator Bill Warner, in plaats van dat hij zelf (met zijn grote kennis van de Koran, dus waarom riep hij dit überhaupt?) de moeite had genomen om na te gaan of dit klopte. Want het is echt onzin, dat kan iedereen nagaan door heel simpel zelf de Koran en Mein Kampf te raadplegen en te vergelijken (zie het commentaar van Marcel Hulspas in De Pers en ik kan het uit eigen bevinding bevestigen). Zonder hier al te gedetailleerd op in te gaan, in de Koran is nergens sprake van racisme, niet naar Joden en niet naar anderen (toch de kern van antisemitisme). Er wordt zeker een paar keer gezegd dat de Joden (degenen die het Joodse geloof belijden) de oorspronkelijke boodschap van de Profeten (die grotendeels ook in de islam erkend worden, Mozes, David enz., allemaal namen uit de Joodse traditie) op een verkeerde manier hebben uitgelegd en toegepast. Idem voor de Christenen (Jezus wordt ook in de Koran als een belangrijke Gezant erkend). Daarom heeft God nog eenmaal een Gezant gestuurd, Mohammed. Een modern standpunt is dit zeker niet, maar het heeft niets te maken met bijvoorbeeld het racisme van de Nazi’s. Op dit blog heb ik hier een keer een itempje over gemaakt, waarin ik een aantal van deze passages uit de Koran, maar ook uit de Bijbel, zowel uit het Oude als het Nieuwe Testament, heb geciteerd (zie hier, waarin ik wat betreft de Koran, o ironie, gebruik heb gemaakt van de door Jansen zelf gemoderniseerde Kramersvertaling). Verder wil ik in dit verband wijzen op een bijdrage van de Groningse arabist Fred Leemhuis, die alle passages uit de film Fitna in context besproken heeft en daarmee aantoont dat er nogal wat valt af te dingen op de manier waarop Wilders bepaalde passages uit de Koran presenteerde, zie hier.

Mein Kampf daarentegen staat bol van racisme naar Joden. Dat is het eigenlijk. Bovendien staan daar meer passages in over ‘Joden’ dan in de Koran. Om het nog een keer kort uit leggen: in de Koran staan een paar zeer onvriendelijke passages over het Joodse geloof, terwijl Mein Kampf bulkt van haat naar het vermeende Joodse ras. Voor iedere geïnteresseerde is dit heel makkelijk na te gaan. Al is Mein Kampf niet heel simpel verkrijgbaar, dus misschien dacht Jansen (en Bill Warner) er makkelijk mee weg te komen.

Lees trouwens zeker het artikel van oud-diplomaat Niek Biegman in NRC Handelsblad van 18 oktober 2010, Mein Kamp is racistisch, de Koran niet. Biegman, die lange tijd goed met Jansen bevriend was, legt precies uit waarom Jansens bewering niet deugt. Zie http://www.nrc.nl/handelsblad/van/2010/oktober/18/mein-kampf-is-racistisch-de-koran-niet-11957521

En wat Bill Warner betreft, die vergelijkt stukken uit de Koran met stukken uit Mein Kampf. Laat dat nou net fragmenten uit de Koran zijn die over Joden gaan en minder vriendelijk zijn en net de stukken uit Mein Kampf die niet over Joden gaan. Warner verbindt daar vervolgens de conclusie aan de Koran ‘erger is dan Mein Kampf’. Topwetenschap! Nogmaals, wat moet Professor Jansen met dit soort propaganda? Misschien omdat hij nu ook is afgezakt tot een propagandist, is hij niet meer in staat om de propaganda van anderen te doorzien.

Warner goochelt verder met percentages van de Koran en percentages van Mein Kampf (daarbij negerend dat Mein Kampf een vreselijk langdradig boek is- als Warner het aantal woorden dat er aan Joden wordt besteed in beide boeken had vergeleken zou er een heel ander beeld ontstaan). Dus zowel kwalitatief als kwantitatief gaat de vergelijking mank. Bovendien haalt Warner in het geval van ‘de Koran’ er ook nog andere islamitische teksten bij, wat de vergelijking nog meer vertroebelt. Want waarom bij de Koran ook de Hadith meerekenen? Dan had Warner ook andere teksten van Hitler moeten meerekenen, zoals zijn brieven, zijn gebundelde ‘tafelgesprekken’ en zijn Politiek Testament. Maar dan zou het beeld nog schever worden, ten nadele van wat hij tracht te betogen. En nogmaals, de zevende-eeuwse Koran is, hoezeer in tegenspraak met onze huidige opvattingen, niet racistisch (hooguit tribalistisch, overigens zeker niet minder dan het Oude Testament), terwijl het twintigste-eeuwse Mein Kampf uit zijn voegen barst van racisme. Dat lijkt me een niet onbelangrijk detail. Verder spreekt Warner van een ‘Arabische Holocaust’ en stelt hij dat het belangrijkste probleem is dat ‘de Joden’en ‘Israël’ (Warner gooit ‘de Joden’ en ‘Israël’ op een hoop, net alsof dat hetzelfde is- ik ken genoeg mensen van Joodse afkomst die daar absoluut niet van gediend zijn) de ‘propaganda-oorlog’ aan het verliezen zijn. Dus moeten wij zijn bijdrage opvatten als propaganda? Het lijkt mij eerlijk gezegd van wel. Warner is hier zelf immers heel open over:

‘The Jews and Israel are losing the propaganda war. Modern wars are won in the propaganda arena, not with guns and bombs. It is the media that determines who is the victor, not the dead body counts. This started in Vietnam and has been true ever since’.

Dit is interessant (want wat heeft de geschiedenis van Mohammed uit de zevende eeuw met de discussie over het twintigste en eenentwintigste- eeuwse Israël te maken?) en ligt ook duidelijk in een lijn met wat er door beroepspleitbezorgers voor Israël geschreven wordt (de Hasbara, de Propaganda Zonder Grenzen-Brigade van Israël, waar ik ook op dit blog wat aandacht aan heb besteed, in het bijzonder aan de activiteiten van mevrouw Pelle, zie hier). Wie een beetje thuis is in de vreemde wereld van de Hasbara komt dit soort geluiden vaak tegen. Op Hasbara-sites valt vaak te lezen dat Israël de media-oorlog aan het verliezen is en dat het daarom voor het Israël noodzakelijk is om de bezetting beter ‘uit te leggen’ (te verkopen dus). Op dit blog heb ik veel links naar diverse Hasbara-sites opgenomen, maar als je het googlet stuit je er vanzelf op.

Overigens is dit alles ook voor Wilders bijzonder relevant, maar daar zal ik later in nieuwe bijdrage op dit blog nog een keer op terugkomen. Verder voert de staat Israël weliswaar een propaganda-oorlog, maar ‘de Joden’ doen dat niet. Er zijn een heleboel Joden die zich daar absoluut niet mee bezig houden en die zich ook niet vertegenwoordigd voelen door Propaganda-Brigades voor Israël. Kennelijk hebben velen grote moeite om dit onderscheid te maken. Zie hier de soms pijnlijke overeenkomst tussen antisemieten en de filosemitische vrienden van Israël. Voor beiden zijn het altijd ‘de Joden’.

Wat ik verder interessant vind is dat Warner beweert dat Amerika de Vietnam oorlog heeft verloren, omdat de propaganda van de tegenpartij zo sterk was. Dat is een hele hardnekkige mythe in rechtse Amerikaanse kring, net zoals de onzintheorie dat het Ronald Reagan was die de Sovjet Unie ten val heeft gebracht (de Sovjet Unie is aan zichzelf ten onder gegaan). De Vietnam oorlog was een van de grootste fouten die Amerika gedurende de twintigste eeuw gemaakt heeft en viel voor Amerika niet te winnen. Overigens wel heel boeiend dat een Amerikaanse neoconservatief de bezetting van Palestijns land vergelijkt met de voor Amerika zo rampzalig verlopen Vietnamoorlog. Want buiten het kleine segment (neo)conservatieve haviken, is er niemand die op deze oorlog terugkijkt als een gerechtvaardigde of succesvolle oorlog. Hetzelfde geldt natuurlijk steeds meer voor het kolonistenspel in de bezette gebieden. Misschien dat de Palestijnen uiteindelijk deze strijd toch gaan winnen. Maar dit terzijde.

Het gaat Warner dus om het bedrijven van propaganda, laten we dat hebben vastgesteld. Dat zal ook Jansen niet zijn ontgaan (zo naïef is hij niet). Goed om te weten en ook interessant dat hij deze propaganda tot in de rechtszaal blijft beoefenen. Maar ik denk eerlijk gezegd dat het bij Jansen ook vooral om propaganda gaat, al is hij nominaal wetenschapper. In Jansens eigen woorden: ‘We leven in een tijd van agitprop’ (zie hier). Ik denk dat ik het deze keer wel met Jansen eens ben, vooral wat betreft hemzelf.

Persoonlijk was ik geen voorstander van het Wildersproces. Ik vind, al ben ik nog zo tegen zijn opvattingen, als je Wilders wilt bestrijden je dat in de politieke arena behoort te doen en niet in de rechtszaal, om de triviale reden dat ook Wilders vrijheid van meningsuiting heeft en die mag wat mij betreft heel ver gaan (ik heb dit ook eerder op dit blog een keer duidelijk gemaakt, nog lang voordat het proces begonnen was). Toch heeft het proces wat mij betreft een voordeeltje opgeleverd. Dat is hoe ontzettend mager de onderbouwing is van zijn populistische retoriek, net als die van Jansen overigens. Ik vond het niet verkeerd dat iemand als Hans Jansen een keer onder ede over zijn bronnen werd gehoord. Dan blijkt het allemaal toch niet zo indrukwekkend te zijn als wij van de professor zouden mogen verwachten (zie nogmaals zijn ‘discussie’ met Joris Luijendijk bij Pauw en Witteman). Dat aspect vind ik veel interessanter dan die hele soap met etentjes, raadsheren die buiten hun boekje zijn gegaan, etc. Dat was vooral interessant voor juristen en wellicht is er met dit proces ook geschiedenis geschreven. Maar voor mij is vooral de leegte van de retoriek van Wilders en zijn entourage, die tijdens het proces zichtbaar werd, nog het meest veelzeggend geweest. Want het ging namelijk helemaal nergens over. Behalve dat de ‘getuigedeskundige’, de ‘objectieve hoogleraar’, die bovendien op geen enkele manier partij was in het proces, een wanstaltige theatershow kon opvoeren. Hij bediende overigens ook het buitenland, zie hier zijn bijdrage op de hiervoor al genoemde extreemrechtse Amerikaanse website ‘Jihadwatch’, van de anti-islamactivist Robert Spencer. Een onvervalst staaltje propaganda. Zie ook dit commentaar op Joop.nl, waarin ik me zeker kan vinden. Maar dat Jansen zo langzamerhand meer een activist, of een hysterische alarmist is dan een wetenschapper, wisten we al. Terecht dat hij door zijn vakgenoten niet meer serieus wordt genomen. Misschien is het een ideetje om een keer zijn teksten over ‘professionele rotzakken, die in het verborgene vuile handen maken’, of over ‘loosers die seksueel niet aan hun trekken komen’ in het Engels te vertalen. Dat kan dan het best op een soort site als die van de Wereldomroep geplaatst worden, zodat het een breed internationaal publiek heeft (zoiets is al een keertje eerder voorgevallen, zie hier en zie hier Jansens reactie op zijn site). Dan kan er wereldwijd kennis worden genomen van waar hij echt voor staat, ook in de islamitische wereld. Ik denk dat het vooral voor meer hilariteit dan verontwaardiging zal zorgen (zeker in academische kring), al zullen sommigen van zijn nieuwe Amerikaanse conservatieve vrienden, preuts als zij zijn, enigszins de wenkbrauwen fronsen. Ik denk dat ook zij hem dan niet meer zo serieus zullen nemen. Behalve dan de echte mafketels. En dat is in Jansens geval een heel interessant gezelschap. Zoals Filip Dewinter van het Vlaams Belang. Jansen zag er kennelijk geen enkel bezwaar in om mee te werken aan een manifestatie van deze extreemrechtse politicus.

Of met Het Vrije Volk blogger Martien Pennings. Die is pas echt extreem, in verschillende opzichten. Wie daar wat meer van wil vernemen kan ik dit artikel, ‘Prostaatpatiënt’, op de website ‘Frontaal Naakt’ aanbevelen. Pikant, vanuit welk gezichtspunt je het ook bekijkt. ‘Nette mensen doen zoiets niet’ zei Hans Jansen over Thom Schalken, de raadsheer met wie hij een bepaalde conversatie had gevoerd op het inmiddels beroemde etentje van Bertus Hendriks, dat grote gevolgen had voor het proces Wilders (zie Jansens verslag op Hoeiboei, waar ook deze Pennings regelmatig het forum vol schreeuwt). Alleen, vraag ik me dan af, behoort volgens Jansen deze Martien Pennings dan wel tot ‘de nette mensen’? Wat mij betreft is hier sprake van een wel erg hoog Scheepskamelen gehalte (zie dit onvergetelijke nummer van Michiel Romeyn in Jiskefet ). Maar lees zeker het verbijsterende artikel op Frontaal Naakt. Veel rooie oortjes, maar wel afdoende gedocumenteerd. Let ook op de foto, waar hij samen met Hans Jansen en Eddy Terstall poseert met een of ander Clownsmasker. Vrij pikant, als je zijn seksistische opmerkingen, zijn obsessie met zijn libido, zijn jaloezie (penisnijd of penisleed?) naar ‘andere rassen’ en zijn bekentenis van wat hij allemaal onder de ledenen heeft in je achterhoofd houdt. Kortom, een aanrader, dat stuk Frontaal Naakt. De onderbouwing is, voor zover ik die heb kunnen nagaan, volledig correct.

vlnr Eddy Terstall, Martien Pennings (met masker) en Hans Jansen (bron ‘Prostaatpatiënt’, Frontaal Naakt)

Ook ‘islam-basher omdat het in is’ Joost Niemöller heeft deze Martien Pennings regelmatig een podium gegeven. Al is hij daar kortgeleden op teruggekomen en zijn zij nu gebrouilleerd, zie bijv. hier en hier (vooral na de aanslagen van Anders Breivik, toen Niemöller op zijn schreden begon terug te keren).

Wie nog enige lust heeft om verder met deze Martien Pennings kennis te maken kan ik een stukje van hemzelf aanbevelen, zie hier . Daarin zou hij, naar eigen zeggen, Bas Heijne ontmaskeren. Maar ieder weldenkend mens ziet hier dat meneer Pennings hier vooral een inkijkje geeft in zijn eigen zielenroerselen. In plaats van Bas Heijne ontmaskert hij vooral zichzelf. Heel boeiend. Ook typisch voor Martien Pennings is dit verhaal, waarin hij spreekt van ‘Nazislam’ en zijn wereldbeeld als volgt samenvat: ‘… ze (in dit geval Femke Halsema en Claudia de Breij, FS) vertegenwoordigen de morele verrotting-tot-in-de-kern van een hele Westerse quasi-elite. Als we er niet in slagen die quasi-elite van hun sleutelposities te krijgen, is het Westen, althans West-Europa verloren’ en iets verderop weer ‘Óf we krijgen deze totaal verrotte quasi-elite uitgerookt uit hun subsidie-holen, en dan in heel Europa, of 2000 jaar Joods-Christelijk-Verlichte traditie zijn op termijn ten dode opgeschreven’. Zie hier een aardig stukje Henk en Ingrid-rancune, al wordt het, geheel volgens de mode van de afgelopen tien jaar, verpakt in de loze kreet de Joods Christelijke Humanistische Traditie. Zelf vind ik dit modieus gezeur, want net alsof er geen fricties zijn geweest of nog steeds bestaan tussen Jodendom, Christendom, Humanisme, of ‘de Verlichting’ (en dan vooral tussen Christenen en Joden, al is het erg in de mode om dat een beetje weg te moffelen, juist in de kring van Pennings). Wat mij betreft niets meer dan een retorische kunstgreep om de islam uit te sluiten.

De vraag is in hoeverre Pennings deze verheven en menslievende ‘Joods, Christelijke, Humanistische Traditie’ zelf heeft geïnternaliseerd. Op zijn eigen blog raaskalt hij bijvoorbeeld over de aanslagen van Breivik (http://martienpennings.wordpress.com/2012/03/10/breiviks-radicalisering-niet-door-geert-wilders-maar-door-de-politiek-correcte-muur/ ):

‘Ik heb me zelf ook nogal bezig gehoudenmet Breivik, want ook ik had in toenemende mate last van geweldsfantasieën, waarin ik haatbaarden, islam-collaborateurs en “anti-Zionisten” schuimbekkend sproeikogelvermassamoordde, dan wel een voor een hun strotten met mijn blote handen eruit rukte. Ja, ik vind dat óók heel erg dat er zoveel in mijn onderbuik geroerd wordt dat er prikkels ontstaan in het stukje reptielenbrein dat de evolutie bij alle mensen die niet links zijn heeft achtergelaten. De goede, linkse mensen hebben daar geen last van dus, maar ik zelf, als in de evolutie achtergebleven rechtserik, dan wel als regelrechte Hitler, heb er heel wat mee te stellen, al heb ik het tot nu toe aardig onder controle weten te houden. Natuurlijk word ik ouder, inmiddels alweer 66, en dus heb ik goede hoop dat ik ooit net zo geestelijk volwassen en mild word, net zoveel zelfkennis opdoe als Alexander Pechtold of Job Cohen’.

Dat dit niet de enige pathetische gewelddadige oprisping is blijkt uit een passage uit een blogbericht, van 10 maart jl, met de veelzeggende titel Hoe in de vroege morgen het verlangen kan opkomen om haatbaarden te mitrailleren:

“Oh ja, een gewetensvraag aan Leon de Winter: zou jij ‘klammheimliche Freude’ voelen als Dries van Agt, Jimmy Carter en Noam Chomsky worden opgeblazen tegelijk met een paar Hamas-leiders met wie ze zitten te konkelfoezen? We laten Anja Meulenbelt er maar even buiten, want die is geloof ik toch meer zwakbegaafd dan kwaadaardig. Eerlijk zeggen.”

Mijn antwoord lijkt me wel duidelijk. Maar nu moet ik toegeven als ik dit islamitisch haat-gajes zie provoceren, dan komt inderdaad – hoe zei ik dat ook alweer . . . . . .

“het diepe verlangen op naar sproeikogelende moord dat ook bij mij zich vaak in maag, borst en strot nestelt. Ik moet in gedachten op die manier dozijnen multikulse opiniemakers, politiek correcte politici en “anti-Zionistische” academici omgebracht hebben.”

Nou, aan dat rijtje ontbraken eigenlijk nog dit soort liefdes-baarden, erbarmings-theedoeken, aangelaten-van-de-Ander en diep-religieus-bewogenen’.

Tot zover deze passages van Pennings. De man is echt gestoord met zijn ‘reptielenbrein’ en zijn Breivikachtige natte dromen. Ik wil er verder niet teveel conclusies aan verbinden maar wat heeft Hans Jansen en had Joost Niemöller bij dit zware geval te zoeken? Maar ja, als voor Hans Jansen Filip Dewinter kennelijk geen probleem is, kan dit er misschien ook nog wel bij.

Ik kan over zijn blog eindeloos doorgaan, met artikelen als Het verschil tussen Obama (een immorele schurk) en Netanyahu (een fatsoenlijke realist) inzake Iran, waarin hij oa beweert:

‘Dus is islamofiele Obama weer eens bezig met waar-ie al zijn hele ambtstermijn mee bezig is: alle verantwoordelijkheden en schuld bij Israël leggen en quasi -naïef de islam (in dit geval Iran) ontzien, de islam mooi-praten en de islam een vertrouwen geven dat alle ratio tart. Je kan zo langzamerhand niet meer om de conclusie heen: die Obamais een schurk die een bedreiging is voor Israël, Amerika en de hele aardkloot’

Over Job Cohen, volgens Pennings een ‘collaborende Golem’ (! dit lijkt verdacht veel op ouderwets antisemitisme): ‘Terwijl de 4e Wereldoorlog (de 3e was de Koude) allang bezig is, was Job druk doende de 5e colonne van de oer- vijand van het Westen en het Jodendom, de nazislam, te faciliteren in zijn eigen stad en later in zijn eigen land. Vuilnisman! Kan die zak ook mee? En mag ik voor de rest ook alle quasi-linkse zelfmanifestanten, narcistische hedonisten, en . . . . eh . . . BMW-ers een hartelijk “sterft u maar!” wensen?’ (http://www.amsterdampost.nl/job-cohen-is-altijd-een-collaborerende-golem-gebleven/)

Zo zijn er nog veel meer voorbeelden. Het is een mix van Wilderiaanse fantasieën en ranzige ontboezemingen, die bovendien druipen van het seksisme. Dat hij seksistisch is, ziet Pennings ook wel. Maar wiens schuld is dat? Hoe pathetisch weer. Pennings:

‘We besluiten met Femke Halsema, aan wie ik zo’n godvergeten hekel heb dat ik, een waarachtige liefhebber van dames, bijna van de sóórt een afkeer kreeg. Ja, waarachtig! Femke heeft mij bijna de weg van het seksisme opgedreven. Verwijzing naar de regelrechte haat – (is een deugd, zei Flaubert) – die spreekt uit dit stuk van mij mag niet ontbreken in een opstel waarmee ik mijn verhouding tot “Breivik” bepaal’. (zie hier, helemaal onderaan)

Hij eindigt dan nog met een aan Halsema opgedragen gedicht, maar dat is zo genant dat ik geen behoefte heb om dat op mijn blog te plaatsen. Wie er kennis van wil nemen moet het maar via de link raadplegen. In een ander stuk zet Pennings een hard ‘huili huili’ op, omdat Femke Halsema niet met hem in ‘debat’ wil, zie hier. Gek hé?

Dit gerommel heeft kennelijk zoveel losgemaakt, dat het ook is komen bovendrijven in de mainstream. In HP de Tijd van 12 feruari 2012:

GroenLinks-politici doodgewenst door weblogger

Zorgwekkend bericht uit de krochten van het internet. Op de website Amsterdam Post verscheen gisteren een bizar artikel dat nog het meest wegheeft van een geweldsfantasie. De schrijver – Martien Pennings – heeft eerder dergelijke artikelen geschreven. “Nou nee, geen Breivik. Niet in mij. Ik zou nooit onschuldige kinderen, misleid door hun eigen cultuur, gaan lopen mitrailleren. Ik zou er toch voor kiezen de misleiders en geestelijk volwassenen die bewust met het Kwaad collaboreren . . . . . eh . . . . . op de korrel te nemen.”

De auteur fantaseert over de executie van ‘nazislamitische hoeren’ en noemt vervolgens de namen van GroenLinks-fractievoorzitter Jolande Sap, Kamerlid Ineke van Gent, GroenLinks-wethouder Karin Dekker en oud-GroenLinks fractievoorzitter Femke Halsema. Ook noemt hij comédienne Claudia de Breij. Daarnaast refereert Pennings meerdere malen aan Anders Breivik, de extreem-rechtse terrorist die vorig jaar twee aanslagen pleegde in Noorwegen.Halsema meldt op Twitter na te gaan of er stappen tegen Pennings kunnen worden ondernomen. De GroenLinks-politici hoeven niet op de steun van PVV-senator Marcel de Graaff te rekenen. Pennings heeft volgens hem een punt’.

Tot zover dit bericht van de site van HP De Tijd. Wat betreft die passage over Marcel de Graaff, ik denk dat dit genoeg zegt over hoe de bruine drap, die normaal slechts door de riolen stroomt, via de PVV een weg naarboven heeft gevonden. Dat vind ik nog het meest zorgwekkend. Hoe vervelend voor Femke Halsema en die anderen die door Pennings zijn bedreigd (ik wens ze het allerbeste voor een goede afwikkeling), zelf vind ik het nog het meest griezelige dat dit soort geluiden weerklank vindt in de politiek (bij de PVV althans) en wat we hiervoor hebben gezien, ook bij een schare fellowtravellers, die zich uit pure dweepzucht aan dit open riool laven. Zie alle modieuze interessantdoenerij over Anders Breivik door Theodor Holman en Annelies van der Veer. Of de pleidooien voor het schenden van de mensenrechten van Hans Jansen. Ook dat is volkomen van de pot gerukt, om het maar een keer diplomatiek te zeggen.

Laat ik het iets lichtvoetiger afsluiten (om het weer tot normale proporties terug te brengen) met nog een pareltje van Martien Pennings. Ik denk dat je hem daarmee wel kunt afdoen. Deze komt van de blog van Stan van Houcke (http://stanvanhoucke.blogspot.com/search?q=martien+pennings ):

‘Even ter informatie voor mensen die serieus ingaan op de beweringen van Pennings. De stijl van Martien Pennings is onbehouwen en leidt niet tot een dialoog. Dit schrijft hij op internet aan een dame:

‘Grote Filosofen Met Piemel zouden hier jaloers op kunnen worden. Goddomme, Nahed, meid, dit is wel castrerend hoor! Al moet ik aan de andere kant zeggen: ik kan hier ook best een stijve van krijgen. Niks verkrachtends bedoeld, overigens. Ik ben geen Arabier of Zuid-Afrikaanse neger! Nou ja, ik ben dus heel ambivalent: tussen een assertieve erectie (geen zwarte, zo groot is-i niet) en geïntimideerd verschrompelen in, dus. Mooi hoor. Je bent een vrouw voor een goed gesprek, Nahed. En dan heel langzaam aftasten . . . . God, wat zit ik literair mijn best te doen! Zou ik dan tóch homo zijn? Temeer daar jouw kalender aan mijn keukenmuur hangt. “Mijn keukenmuur”, dat schreef ik echt totaal gedachtenloos op . . . Geloof je me? Dag schatje. Martien Pennings.’ http://hoeiboei.web-log.nl/hoeiboei/2007/06/vorige_maand_an.html

Tenslotte heb ik misschien een aardige suggestie. Als Hans Jansen het zo belangrijk vindt dat ‘terrorisme-verdachten’ of ‘mogelijke terroristen’ moeten worden afgeschilderd als ‘loosers, die seksueel niet aan hun trekken komen’, denk ik dat ik wel de ideale kandidaat heb die dat klusje kan gaan klaren en die zeker bereid is om dat op zijn blog hard van de daken te schreeuwen: zijn wapenbroeder Martien Pennings. En laat hem daarbij dan ook maar weer een exposé houden over zijn ‘diepe verlangen naar sproeikogelende moord’ dat bij hem ‘zich vaak in maag, borst en strot nestelt’. Maar dan wel met dat clownsmasker op, waarachter zijn ‘reptielenbrein’ schuilgaat (gevoel voor horror heeft hij zonder meer). ‘Ik kan hier ook best een stijve van krijgen. Niks verkrachtends bedoeld, overigens. Ik ben geen Arabier of Zuid-Afrikaanse neger!’ En neem zeker kennis van ‘Prostaatpatiënt’, dan is het plaatje compleet. Zo’n bizarre samenklontering van griezeligheid en viezigheid had ik zelf nooit kunnen bedenken….

‘Om de vingers bij af te likken’

Van dit uitgebreide uitstapje naar de denkbeelden van Hans Jansen, met een zijweggetje langs Fjordman en een kleine toegift van strijdmakker en viezeman Martien Pennings (hoewel de alleenstaande vandaal ook op hem van toepassing is, want sinds hij Femke Halsema en Claudia de Breij is gaan bedreigen is zijn vriendenkring wel iets geslonken, zie hier), terug naar de ‘mainstream’. De grootste windvanen zijn vooral te vinden in de politiek. En zeker in het huidige kabinet, met Mark Rutte op eenzame hoogte (dat zeg ik niet omdat hij de premier is). Rutte is tegenwoordig de Moeder aller opportunisten. Wat ik daarmee bedoel is dat hij, omwille van regeringsmacht, de politieke manifestatie van bovenstaand beschreven vuiligheid- de PVV, gelegitimeerd heeft tot een serieuze partner om het land te regeren. Weliswaar in een gedoogconstructie, maar de PVV heeft aanzienlijke invloed op het regeringsbeleid.

Aan een kant kun je zeggen dat de PVV democratisch gekozen is en dat het dan democratisch volkomen gerechtvaardigd is dat zo’n grote winnaar van de verkiezingen de gelegenheid moet krijgen om mee te regeren. Wat mij hier echter niet aan beviel was dat, vooral de VVD, maar ook sommigen uit het CDA- al was het tegengeluid daar veel sterker, vrijwel alle alternatieven van de hand wees en met een nauwelijks verholen gretigheid bereid was om met deze extreemrechtse partij in zee te gaan. En daarvoor bereid was om een aantal essentiële principes van het liberalisme opzij te zetten.

Een van de meest schunnige dingen vind ik dat onze premier weigert afstand te nemen van het ‘Polenmeldpunt’ van de PVV. Terwijl hij wel weer verontwaardigd is over een boek van een partijgenoot Sybe Schaap, Het rancuneuze gif; de opmars van het onbehagen (zie hier de beschrijving van wikipedia en hier een interview met Schaap in Trouw). Schaap, voorheen docent filosofie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en nu lid van de VVD fractie in de Eerste Kamer schijnt de PVV met het fascisme uit de jaren dertig te vergelijken. Zijn boek moet ik nog lezen (het is sinds publicatie weer uitverkocht en inmiddels voor de derde keer weer in herdruk, een grote hit is het dus kennelijk wel). Wel ferm dat Rutte zo stelling neemt tegen een partijgenoot. Maar waarom doet hij dat niet tegen de PVV als die weer over de schreef gaan? Het Europees Parlement en de ambassadeurs van de betreffende Oost Europese landen doen er kennelijk niet toe. Ook partijgenoten, zoals Ed Nijpels, hebben hier hun ernstige bezwaren tegen geuit (zie hier). Wordt onze minister president zo door Wilders in de tang gehouden? Als het allemaal niet zo banaal zou zijn, zijn we hier bijna getuige van een Faustiaans drama. Omwille van de macht verkoopt Mark Rutte zijn ziel aan de spreekwoordelijke duivel. Vanuit echt liberale optiek zou het PVV gedachtegoed zo’n beetje het slechtste van het slechtste moeten zijn, alleen niet voor de quasi -liberalen van de VVD, de echte liberalen in die partij overigens uitgezonderd. Onder de laatste categorie zou ik ook oud-kamervoorzitter Frans Weisglas willen rekenen. Lees hier zijn recente commentaar op deze regering, zeer de moeite waard.

Maar nu heeft zelfs Hero Brinkman afstand genomen van de PVV kliklijn. Wanneer gaat de voorman van de grootste ‘liberale’ partij van Nederland zich achter de oren krabben? Likt Rutte nog steeds zijn vingers af bij dit regeerakkoord, nu zelfs ‘rechts’ daar inmiddels verdeeld over is? Voor het CDA geldt wat mij betreft hetzelfde. Maxime Verhagen en Henk Bleeker, met zijn genante briefje aan Mauro, allemaal tenenkrommend, maar binnen het CDA is de oppositie tegen deze regering vanaf het begin sterker geweest. In het recente beginselprogramma, opgesteld door de nieuwe voorzitter Ruth Peetoom, lijkt die partij ook een andere koers te willen gaan varen. Alleen wees dan ook consequent en laat dit project vallen.

Maar wat doet Rutte? Die gaat steun zoeken bij de meest onliberale partij van Nederland, de SGP. Het viel me nog mee dat er camera’s bij mochten zijn. Ik kan me herinneren dat in de jaren tachtig de SGP niet op televisie wilde verschijnen, omdat deze zich schuldig zou maken aan ‘zedenbederf en gezagsondermijning’. Zo liet de toenmalige fractievoorzitter Henk van Rossum het toen in een telefonisch interview aan Den Haag Vandaag tijdens een verkiezingsavond weten (aan de telefoon op televisie kon nog net wel, wat ik als kind toen zo grappig vond, dat ik het om die reden heb onthouden). Dit schoot me weer te binnen toen ik Mark Rutte populair zag doen met Rutger Castricum, het verwende huili huili kind van Powned. Dat zullen de mannenbroeders van de SGP vast wel kunnen waarderen.

Wat had de liberale Rutte daar aan die SGPers te melden? Modieus gezwets over de Joods/Christelijke/humanistische traditie die het liberalisme gemeen zou hebben met het streng gereformeerde gedachtegoed van de SGP. Hoe inhoudsloos dat containerbegrip is geworden hebben wij al gezien bij Martien Pennings. En is het niet zo dat het liberalisme zich juist heeft moeten ontworstelen aan het soort Christelijke dwingelandij waar de SGP voor staat?

Zelfs in Iran hebben vrouwen kiesrecht en zitting in het parlement. Dat Iran, ondanks dat het een nominaal parlement heeft, toch een religieuze dictatuur is, is weer een andere kwestie. Maar verder stond Rutte daar opportunistisch uit zijn nek te kletsen. De Joods Christelijke Humanistische Traditie en de Verlichting, alles om de islam erbuiten te houden, uitgedragen door Henk en Ingrid, Martien Pennings en nu ook de SGP. Rutger Castricum ongetwijfeld ook. Andreas Kinneging is natuurlijk een twijfelgeval, want die heeft de bij onze minister president zo populaire Rutger spreekwoordelijk op zijn bek geslagen (althans ‘geaaid’, dan wel zijn keel dichtgeknepen). Maar iedereen die ook maar een beetje van Kinnegings ideeën heeft kennisgenomen, weet dat deze rechtsfilosoof en vurig pleitbezorger van het conservatisme, zeer tegen de Verlichting gekant is. Dan hoort ie vast bij de politiek correcte linkse kerk, zullen Henk en Ingrid nu wel denken.

Op dit moment staat de gedoogcoalitie onder druk en wankelt het kabinet. Toen na verkiezingen de VVD de grootste partij was geworden, was het toen niet handiger geweest om te gaan onderhandelen met de PvdA over een midden of een Paars+ coalitie? In plaats van deze constructie waar ‘rechts zijn vingers bij zou aflikken’? Als dit kabinet valt is het misschien ook voor Rutte voorbij. En om bekend te staan als de leider van het mislukte meest rechtse kabinet uit de Nederlandse geschiedenis? Ik weet niet of je daar gelukkig van wordt. Aan de andere kant heeft de ogenschijnlijk zo rechtlijnige Balkenende het lang volgehouden met een reeks, overigens vroegtijdig gevallen kabinetten. Wellicht redt de veel flexibeler Rutte het ook nog wel een tijdje. Maar dit kabinet? Ik zou er niet trots op zijn.

Misschien moeten we Ratelband maar weer terughalen. Want dit is allemaal zo ongeloofwaardig dat wellicht NLP het enige is wat ons op de been kan houden. Het schijnt dat onze premier daar best welwillend tegenover staat. Met die onthulling kwam onlangs KRO’s Profiel naar buiten (zie hier de uitzending). NLP! Van je moet er gewoon in geloven. Als je het echt wil kan je alles! …. Tsjakka ;)

Alleen is Ratelband net gearresteerd voor het plaatsen van een brandbom. Een ironische samenloop van omstandigheden, voor wie er de onverwachte symboliek van inziet.

Floris Schreve

Tagged with: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Edward Said, Orientalism en de kritiek van Kanan Makiya

EEN BOTSING VAN BESCHAVINGEN OF EEN BOTSING VAN ONWETENDHEDEN?

 (fragment)

 

 

 

Nour-Eddine Jarram, zonder titel, olieverf op doek, 1991. Nour-Eddine Jarram is beeldend kunstenaar van Marokkaanse afkomst en woont en werkt sinds vijfentwintig jaar in Nederland (zie ook zijn site) .

 

 

 

 

11 SEPTEMBER, EDWARD SAID EN DE BEELDVORMING VAN HET ‘OOSTEN’ IN HET ‘WESTEN’

 

 

 

Floris Schreve

 

 

 

Inleiding

 

Op 11 september 2001 volgde ik, zoals vele andere Nederlanders, verbijsterd de gebeurtenissen in New York op televisie. In eerste instantie was ik zoals iedereen niet in staat om redelijk na te denken. Na de eerste schrik begon de vraag door mijn hoofd te spoken: wie heeft het gedaan en waarom? De beschuldigende vinger ging al heel snel naar Osama Bin Laden, hoewel er een enkel geluid was dat eventueel Irak erachter zou kunnen zitten.[i] De media namen de ‘Bin Laden-theorie’ echter klakkeloos over, al had niemand iets van bewijsmateriaal onder ogen gehad. Wat mij in de weken die volgden echter het meest frappeerde waren de vele ‘analyses’ en ‘meningen’ in de kranten en op de televisie van diverse ‘experts’ over de betekenis van dit conflict en hun oordeel wat betreft de Islam, het Midden Oosten of de Arabieren. Natuurlijk waren er vanaf het begin ook genuanceerde geluiden te horen, maar zij werden in regel overschreeuwd door een heilige verontwaardiging, of een regelrechte oproep tot wraak. In enkele gevallen werden tegengeluiden zelfs niet getolereerd, zie bijvoorbeeld Frits Bolkestein (‘niet mekkeren langs de zijlijn’), of de woedende uitval van Volkskrant-journaliste Anet Bleich naar Leila Jaffar van de Joods-Palestijnse Dialoog in het door de VPRO uitgezonden debat De onzichtbare vijand.[ii] “Wie niet voor ons is, is tegen ons”, had George Bush verklaard en sommige Nederlanders hadden kennelijk besloten om dit adagium na te volgen.

Voor mij persoonlijk was het najaar 2001 een vreemde periode. Een maand voor de aanslagen van 11 september had ik een punt gezet achter mijn afstudeerscriptie naar hedendaagse kunstenaars uit Arabische landen in Nederland. Naast dat ik vele van deze beeldende  kunstenaars, afkomstig uit Marokko, Egypte, Libanon, de Palestijnse gebieden en vooral Irak[iii] had geïnterviewd en inhoudelijk was ingegaan op hun werk heb ik het onderzochte materiaal tegen het licht gehouden van de beeldvorming de Arabische wereld in het westen. Hierbij ben ik ingegaan op de discussies over deze materie van de afgelopen twintig jaar. Alleen al voor de inhoud van het werk van enkelen van deze kunstenaars bleek de discussie over beeldvorming belang te zijn, zoals bijvoorbeeld voor het op de omslag getoonde werk van Nour-Eddine Jarram, laat staan voor de receptiegeschiedenis van deze veelal onbekende kunstenaars in Nederland.[iv] Het was daarom een vreemde ervaring dat het discours waar ik mij de voorgaande tijd zo intensief mee bezig had gehouden opeens het publieke debat bepaalde.

Het meest opvallende was dat veel van de reacties op de aanslagen feitelijk niets nieuws bevatten. Sterker nog, het soort geluiden dat na 11 september te horen was, was al drieëntwintig jaar eerder uitvoerig besproken en geanalyseerd. In 1978 publiceerde de Palestijns Amerikaanse hoogleraar literatuurwetenschappen Edward Said zijn studie Orientalism. Geheel tegen zijn eigen verwachtingen en die van de uitgever in, werd dit werk wereldberoemd. Het werd vertaald in veertien talen en maakte internationaal veel discussie los. Hoewel dit werk tot op de dag van vandaag niet onomstreden is, heeft het een grote invloed gehad op het aanzien van de cultuurwetenschappen.

Orientalism behandelt de beeldvorming van de ‘Oriënt’, het ‘Midden Oosten’ of de ‘Islamitische Wereld’ in het ‘Westen’ (Said stelt ook deze labels ter discussie). Aan de hand van een grote hoeveelheid wetenschappelijke, literaire en politieke teksten komt Said tot een vernietigend oordeel. Naar zijn mening zouden al deze teksten meer iets zeggen over koloniaal bepaalde vooroordelen van de auteurs dan over de werkelijkheid, die volgens Said veel dynamischer, complexer en pluriformer zou zijn dan het beeld zoals dat in het westen doorgaans bestaat. Sterker nog, hij stelt dat de ‘Oriënt’ als afgebakend gebied slechts een westerse constructie is;  bedoeld om het westen als een aparte en daarmee superieure entiteit te onderscheiden. Op die manier zou het beeld van ‘wij’ tegen ‘zij’ worden bevestigd.

Sinds Orientalism is er veel over deze kwestie verschenen. Aan de ene kant ontving Said veel bijval uit diverse sectoren van de cultuurwetenschappen (de literatuurwetenschap, de culturele antropologie, de filosofie, de sociologie, uit sommige sectoren van de arabistiek en een enkele keer uit de kunstwetenschap).  Saids ideeëngoed is zelfs cruciaal geweest voor het ontstaan van het fenomeen ‘postkoloniale studies’. In die zin is Orientalism dan ook discoursbepalend geweest.

Aan de andere kant ontving Said ook veel kritiek, met name vanuit de hoek van de arabistiek, de discipline die door Said in Orientalism juist het meest wordt bekritiseerd. Vooral de polemiek tussen Edward Said en de arabist Bernard Lewis in de New York Review of Books is zeer bekend geworden.

In dit verband zal ik vooral ingaan op de kritiek van de Irakese schrijver Kanan Makiya. Mijns inziens brengt Makiya’s kritiek een belangrijk verschijnsel aan het licht. Het laat zien dat Said, zowel met Orientalism maar ook met andere publicaties, duidelijk een bepaald doel voor ogen staat, maar andere doelen duidelijk niet. Zo is er wel degelijk een politieke crisis in de Arabische wereld (geen enkel Arabisch land kan bijvoorbeeld een democratie genoemd worden). Dit laatste wordt overigens ook door Edward Said niet ontkend (zoals in Culture and Imperialism), maar het zal in ieder geval duidelijk worden dat het Said vooral gaat om het ontzenuwen van het beeld dat er van de Arabische wereld in het westen bestaat, niet zo zeer om de problemen in de Arabische wereld zelf.[v] Sterker nog, Said heeft wel eens de neiging om dit laatste aspect te verdoezelen of te bagatelliseren. Om deze reden is hij zo heftig aangevallen door Kanan Makiya, die weer vanuit een ander perspectief spreekt, namelijk dat van de Irakese dissident en er dus wel degelijk belang bij heeft om ‘de vuile was’ buiten te hangen.

In deze kleine studie gaat het mij echter om de volgende probleemstelling: hoewel het gaat om nieuwe gebeurtenissen is de discussie over de Islam, de Arabieren of het Midden Oosten niet wezenlijk veranderd sinds de discussie over Orientalism. Naar aanleiding van de verschillende reacties op de aanslagen van 11 september kan worden geconcludeerd dat de verschijnselen die Edward Said in 1978 heeft beschreven in veel gevallen dezelfde zijn gebleven. Het gaat er mij duidelijk niet om de betekenis van de aanslagen zelf te analyseren; ik zal mij beperken tot de analyse van de beeldvorming in een aantal Nederlandse reacties, hoewel er een paar keer een vergelijking zal worden gemaakt met een buitenlandse reactie op de gebeurtenissen van 11 september zoals die Edward Said, Karen Armstrong, Benjamin Barber en Samuel Huntington.

De reacties op de aanslag die hier zullen worden besproken zijn wellicht niet representatief voor het totaal. Zo zijn er wel degelijk meer genuanceerde reacties verschenen. Genoemd moeten worden de hoogleraren P.S. van Koningsveld en Wasif Shadid, de arabist en jurist Maurits Berger en Ahmed Aboutaleb, directeur van Forum, voor multiculturele ontwikkeling. Het gaat mij echter vooral om de Nederlandse reacties die sterk generaliserend en anti-Islamitisch van aard waren. Deze waren echter niet alleen te vinden in de ‘obscure’ hoek; zo ging het hier vaak om prominente opiniedragers als Leon de Winter, Paul Cliteur, Frits Bolkestein en recentelijk Jan Peter Balkenende. Ik heb het dan nog niet eens over Pim Fortuyn, de inmiddels vermoorde lijsttrekker van de LPF, die o.m. met een sterke ‘anti-islamitische’ agenda een grote verkiezingswinst boekte. Ook de media waarin de te bespreken opinies werden gedebiteerd zijn allerminst discutabel en hebben een ‘degelijk’ imago. Zo ging het bijvoorbeeld om de NRC, Trouw, Vrij Nederland  en televisieprogramma’s als Het Journaal, Netwerk en Buitenhof.

Over de opzet het volgende: in het eerste hoofdstuk zal ik ingaan op Edward Saids Orientalism en beknopt de invloed bespreken van dit werk op de cultuurwetenschappen. In het tweede hoofdstuk zal er aandacht worden besteed aan de kritiek van Kanan Makiya, zoals hij die uiteen heeft gezet in zijn werk Cruelty and Silence. In hoofdstuk 3 wil ik beide visies naast elkaar leggen en zal er een poging worden gedaan om te analyseren wat de betekenis is van zowel Said, als Makiya. In het vierde hoofdstuk zullen de eerste reacties besproken worden op de aanslagen in de Verenigde Staten. Het vijfde hoofdstuk ten slotte, zal gaan over de invloed van de aanslagen op het Nederlandse discours, al zullen er ook parallellen worden gemaakt met internationale ontwikkelingen.

Dit vertoog heeft niet de pretentie volledig te zijn. Wel is het een eerste poging tot reflectie op hoe er in Nederland is gereageerd op de recente gebeurtenissen, die naar mijn mening hard nodig is, willen wij op een vreedzame wijze samenleven met verschillende migrantengroeperingen, die in Nederland aanwezig zijn. Hun aanwezigheid is immers een voldongen feit. Een klein beetje meer begrip voor elkaars positie kan daarom mijns inziens geen kwaad.

 

Hoofdstuk 1:

Edward Said, Orientalism en de postkoloniale denkrichting

Edward Wadie Said (Jeruzalem, 1935) studeerde in de Verenigde Staten literatuurwetenschappen en promoveerde op een proefschrift over Poolse/Engelse schrijver Joseph Conrad. In zijn proefschrift fascineerde hij zich sterk voor de vraag waarom een scherpe en kritische observator als Conrad in zijn roman Heart of darkness (1902) tot de volgende conclusie kon komen aangaande het westerse imperialisme: “Het veroveren van de aarde, wat meestal betekent dat ze wordt afgepakt van mensen met een andere huidskleur of met iets plattere neuzen dan wij, is geen fraaie aangelegenheid wanneer je het van al te dichtbij bekijkt. Wat het rechtvaardigt, is enkel en alleen het imperialisme als idee”.[vi] Kennelijk was het imperialisme zo diep verankerd in het culturele bewustzijn van de west Europeaan, dat zelfs iemand als Conrad dit ervaarde  als een vanzelfsprekendheid, hoewel hij, als een van de weinigen van zijn tijd, hier kritische kanttekeningen bij plaatste. Sterker nog, deze kritiek is een van de kernthema’s van Heart of darkness.

De vraag hoe dit allemaal mogelijk was en de uitgebreide studie die hierop volgde, culmineerde uiteindelijk in de publicatie van Orientalism in 1978. In dit werk, dat onverwacht zeer veel gelezen en besproken werd, opende Said de discussie over de verborgen koloniale aspecten in de westerse filologie en de cultuurwetenschappen. De belangrijkste inspiratiebronnen voor Said waren Discipline and Punishment (1972) en The archeology of knowledge (1975) van de Franse filosoof Michel Foucault en de publicaties van de Algerijnse psychiater Frantz Fanon, zoals de werken Les damnés de la Terre (1961) en White skins, black masks (1967).

Belangrijk is echter dat Saids denkbeelden sterk verschillen van deze twee denkers. Said beschouwt zichzelf als een overtuigde humanist. Dit in tegenstelling tot Foucault, die in navolging van Friedrich Nietzsche (zie Jehnseits von Gut und Böse, 1886), het vergaren van kennis zag als een instrument tot het verkrijgen van macht, waardoor hij de traditionele verlichtingsidealen deconstrueerde tot louter een instrument om de ander te overheersen. Hoewel Said zich distantieert van het antihumanisme van Foucault, is Orientalism wel degelijk een toepassing van zijn methoden om te analyseren hoezeer kennis en het vergaren van macht met elkaar samenhangen, waardoor er fundamentele vragen kunnen worden gesteld aangaande de objectiviteit van dit soort processen.[vii]

Wat betreft Fanon deelt Said zijn hevige antikolonialisme en de wil om de verborgen notie van de westerse superioriteit te ontzenuwen en een plaats te geven in het culturele bewustzijn van de gehele mensheid. Toch neemt hij afstand van de soms regelrechte oproep tot geweld, die Fanon in navolging van Marx en Sartre (met Sartre was hij goed bevriend) deed, in het kader van de grote wereldrevolutie, die hij nodig achtte voor de definitieve dekolonisatie van de wereld. Dit moet echter tegen het licht van de tijd worden gezien, toen ook door westerse intellectuelen dictators als Mao, als een redelijk alternatief werden gezien voor de oude kolonialistische structuur die de wereld van toen tot voor kort kende.

Orientalism is in de eerste plaats een studie van een ideeëngeschiedenis. Said stelt zelfs dat het concept Oriënt moest worden uitgevonden om de superioriteit van de west Europeaan zichtbaar te maken. De ‘westerling’ zou van nature een rationeel, door de verlichting geïnspireerd en altijd naar vooruitgang strevend wezen zijn, terwijl de ‘oosterling’ het tegendeel belichaamde in lethargie en enerzijds uitblinkt in romantische gepassioneerdheid, maar anderzijds zich van een wrede, despotische kant kan laten zien, vooral wat betreft religieuze dogma’s. Om dit aan te tonen deconstrueert Said de publicaties van de grondleggers van de arabistiek en islamologie, kortweg de oriëntalisten, als Sylvestre de Sacy, Ernest Renan, en de Leidse oriëntalist Christiaan Snouck Hugronje. Met name bij de laatste toont Said aan dat het hem wel degelijk te doen was om zijn opgedane kennis te laten inzetten om een machtsbasis op te bouwen in het Islamitische Nederlands Indië.[viii] Ook laat Said zien dat dit ideeëngoed niet beperkt was tot de wetenschappelijke oriëntalisten, maar ook zijn stempel drukte op de literatuur (Disraeli, Flaubert, Kipling en zelfs Dickens) en op een politiek denker als Karl Marx, op het eerste gezicht niet de grootste voorstander van het imperialisme. “Sie können sich nicht vertreten, sie müssen vertreten werden”, schreef Marx in Der ahtzehnte Brumaire des Louis Bonaparte in 1869.[ix]

Volgens Said drukken de ideeën van al deze geëerde filologen nog altijd hun stempel op de westerse beeldvorming aangaande de ‘oriënt’. In zijn analyse van twintigste-eeuwse arabisten als H.A.R. Gibb en Bernard Lewis ziet hij nog steeds de visie terugkeren van de irrationele ‘oosterling’, die maar het beste onder controle kan worden gehouden door de rationele en daarmee superieure ‘westerling’. Illustratief is een door Said aangehaald citaat van Gibb. Deze prominente arabist stelde, weliswaar in 1945, maar nog altijd zeer veel aangehaald, het volgende: “It is true that there have been great philosophers among the Muslim peoples and that some of them were Arabs, but they were rare exceptions. The Arab mind, whether in relation to the outer world or in relation to the processes of thought, cannot throw off its intense feeling for the separateness and the individuality of concrete events. I believe, one of the main factors lying behind that ‘lack of a sense of law’, which Professor Macdonald regarded as the characteristic difference in the Oriental. It is this, too, which explains –what is so difficult for the Western student to grasp (until it is explained to him by the orientalists)- the aversion of the Muslims from the thought processes of rationalism. The rejection of rationalist modes of thought and the utilitarian ethic which is inseparable from them as its roots, therefore, not in the so-called ‘obscurantism’ of the Muslim theologians but in the atomism and directness of the Arab imagination”.[x]

Een ander duidelijk voorbeeld is een citaat van de oriëntalist Morroe Berger uit 1967: “The modern Middle East and North Africa is not a center of great cultural achievement, nor is it likely to become one in the near future. The study of the region or its languages, therefore, does not constitute its own reward so far as modern culture is concerned”.[xi]

Volgens Said gaat het hier om Oriëntalisme in zijn meest pure vorm. Naar zijn mening ligt de misvatting aan deze visies ten grondslag in het feit dat de hele islamitische wereld over een kam wordt geschoren, van Marokko tot en met Indonesië. Belangrijk is dat Said aantoont hoe dit soort ideeën tot zeer recent hebben doorgewerkt in zowel de literaire als wetenschappelijke canon, als wel in de politieke visie aangaande de Arabische wereld van het ‘westen’.

Een van de beroemdste passages uit Orientalism is het commentaar van Edward Said op een tekst van de arabist Bernard Lewis The Islamic concept of revolution. Het leverde een heftige pennenstrijd op in The New York Review of Books. Lewis: “In the Arabic-speaking countries a different word was for (revolution) thawra. The root th-w-r in classical Arabic meant to rise up (e.g . of a camel), to be stirred or excited, and hence, especially in Mahgribi usage, to rebel”.[xii]  Said over deze constatering: “Lewis’s association of thawra with a camel rising and generally with excitement (and not with a struggle on behalf of values) hints much more broadly than is usual for him that Arab is scarcely more than a sexual neurotic being. Each of the words or phrases he uses to describe revolution is tinged with sexuality: stirred, excited, rising up. But for the most part it is a ‘bad’ sexuality he ascribes to the Arab. In the end, since Arabs are really not equipped for serious action, their sexual excitement is no more noble than a camel’s rising up. Instead of revolution there is sedition, setting up a pretty sovereignty, and more excitement, which is as much as saying instead of copulation the Arab can only achieve foreplay, masturbation, coitus interruptus. These, I think, are Lewis’s implications, no matter how innocent his air of learning, or parlorlike his language. For since he is so sensitive to the nuances of words, he must aware that his words have nuances as well.”[xiii]

Volgens Said hebben de neerbuigende clichés die er over de ‘Oriënt’ bestaan een grote invloed gehad op de westerse filologie, de literatuur en de politiek. Hij ziet deze dit vooral als een restant van het imperialistische denken en pleit er dan ook sterk voor de achterliggende betekenislagen te ontrafelen, om deze zo te identificeren en te ontzenuwen.

Het ‘oriëntalisme’ zoals Said het beschrijft kent twee componenten. Aan de ene kant is er het romantische gezicht. Het is het beeld van de irrationele en wellustige oosterling, met andere woorden de Arabier uit 1001 nacht. Hieruit vloeit de tweede component van het oriëntalisme voort, die imperialistisch van aard is. Doordat de Oosterling irrationeel is en een religie aanhangt, die volkomen statisch is, is hij niet instaat zichzelf verder te ontwikkelen en moet daarom door het westen onder controle gehouden. Het bovenstaande is wellicht een erg versimpelde samenvatting van dit complex aan vooroordelen, maar Said toont met zeer veel voorbeelden aan dat dit ideeëngoed de basis is voor een enorme hoeveelheid historische maar ook hedendaagse wetenschappelijke, literaire en politieke teksten. is het corpus van oriëntalisme. Volgens Edward Said is dit gebaseerd op vier dogma’s. Said: “Let us recapitulate them here: one is the absolute and systematic difference between the West, which is rational, developed, humane, superior, and the Orient , which is aberrant, undeveloped, inferior. Another dogma is that abstractions about the Orient, particularly those based on texts representing a ‘classical’ Oriental civilization, are always preferable to direct evidence drawn from modern Oriental realities. A third dogma is that the Orient is eternal, uniform, and incapable to defining itself; therefore it is assumed that a highly generalized and systematic vocabulary from describing the Orient from a Western standpoint is inevitable and even scientifically ‘objective’. A fourth dogma is that the Orient is at bottom something either to be feared (the Yellow Peril, the Mongol hordes, the brown dominions) or to be controlled (by pacification, research and development, outright occupation whenever possible)”.[xiv]

Orientalism bracht een storm van reacties teweeg. Aan de ene kant vormde het de basis van een hele nieuwe tak binnen de filologie en de culturele studies, namelijk de postkoloniale studies. De belangrijkste exponenten van deze richting zoals Homi Bhabha, Gayatri Spivak, Stuart Hall,  Kwame Anthony Appaih, Charles Taylor en James Clifford gebruiken vaak Orientalism  als een van hun belangrijkste inspiratiebronnen. Hoewel het begrip postkolonialisme vooral een rol speelt binnen de literatuurwetenschappen, de filosofie en de sociologie, heeft het geleidelijk aan ook zijn opwachting gemaakt binnen de kunstwetenschap. Naast Homi Bhabha en James Clifford, hebben critici en curatoren als Thomas McEvilley, Lucy Lippard, Rasheed Araeen en zeker tegenwoordig ook Jean Hubert Martin en Okwui Enwezor hier internationaal een belangrijke bijdrage aan geleverd.

Toch heeft Orientalism zeer zware kritiek gekregen, met name uit de hoek van de islamologie en de arabistiek. De belangrijkste criticaster is Bernard Lewis, de arabist die overigens in Orientalism het meest kritisch besproken wordt. De meest saillante kritiek die Said uit deze hoek ontving was die van de Franse oriëntalist Maxime Rodinson, die stelde dat Said geen ‘pure Arabier’ is. Het is een typerende reactie van iemand waar begrippen als culturele interactie of culturele hybriditeit geheel niet in het referentiekader voorkomen, wat nu weer juist een van de kritische punten van Orientalism is. Sterker nog, het boek is zelfs geschreven om het publiek van dit soort processen bewust te maken, waardoor reacties als deze kunnen worden afgedaan als een achterhoedegevecht. Natuurlijk is er ook kritiek geweest die wel hout snijdt, zoals de hier uitvoerig te bespreken opvattingen van Kanan Makiya. Verder is het kritische vertoog over het fenomeen postkoloniale studies in het algemeen van de Franse filosoof Alain Finkielkraut zeer interessant, dat naar mijn mening een aantal zeer terechte punten bevat. In zijn essay Tolerantie, de laatste tiran uit 1998 stelt hij dat het culturele debat van de laatste jaren is verworden tot een eisenpakket om erkenning, van allerlei minderheden, die zich in de loop der tijd gepasseerd voelen. Door verdraagzaamheid te ‘eisen’ en niet meer in discussie te willen gaan, heeft de tolerantie een tiranniek gezicht gekregen. Finkielkraut spreekt in dit verband dan ook van ‘de Verenigde Naties van identiteiten’.[xv] Dit laatste punt heeft niet direct wat met Edward Said te maken, maar  wel met een proces dat hij mede in gang heeft gezet.

Het debat over deze kwestie is tot op de dag van vandaag niet verstomd. Said heeft hier in de loop der jaren in verschillende publicaties natuurlijk zelf ook weer op gereageerd. Zijn belangrijkste werk op dit gebied is Culture and Imperialism (1993). Dit werk bespreekt overigens ook uitvoerig culturele uitingen uit de niet-Westerse wereld, zoals het oeuvre van Salman Rushdie. Wat betreft de uitvoerige kritiek op Orientalism zal ik me slechts beperken tot bronnen die verder ook voor dit onderzoek ook van belang zijn.

 

Hoofdstuk 2:

Verzwegen wreedheid

Kritiek op Saids Orientalism is er in de loop der tijd genoeg geweest, uit zeer diverse hoeken. Zoals eerder vermeld heeft ook Said weer gereageerd op deze kritiek en gaat de discussie tot op het moment van vandaag nog altijd voort. Overigens gaat het niet alleen om Orientalism; Said heeft ook over andere zaken uitvoerig geschreven en stelling genomen, met name wat betreft de Palestijnse kwestie. Zo nam hij voor een tijd zitting in de Palestijnse Raad, een belangrijk politiek adviesorgaan van Arafat.  Hoewel hij tegenwoordig een van de belangrijkste critici van Arafat en zijn PLO is, waarvan hij vooral getuigenis deed in zijn meest recente boek The end of the peace process; Oslo and after (2000), is dit een feit dat hem regelmatig wordt nagedragen. Over het in brand steken van zijn kamer door een orthodox Joodse student wil ik het niet hebben, net zo min over het feit dat hij in Israëlische media is afgeschilderd als ‘the professor of terror’.

In dit verband wil ik slechts een belangrijke criticus van Said bespreken, namelijk de Irakese schrijver Kanan Makiya.. Onder het pseudoniem Samir Al Khalil schreef hij naast The Monument; art, vulgarity and responsibility in Iraq (1991) een verhandeling over verstrengeling van kunst en propaganda in Irak, waardoor de kunsten binnen Irak volledig geperverteerd zouden zijn, ook  Republic of fear; the politics of modern Iraq (1989). Dit boek, dat de volle gruwelijkheid van het Irak onder het Ba’ath-regime van Saddam Hoessein beschrijft[xvi], bleef in de eerste jaren vrijwel onopgemerkt. Het werd opeens een bestseller toen in 1991 de golfoorlog uitbrak. Overigens werd er toen door veel Arabische intellectuelen gespeculeerd wie er achter Samir Al Khalil zat. Een Arabier kon immers onmogelijk zo kritisch zijn over mede Arabieren moest het wel in het beste geval een Irakese Jood zijn, of in het slechtste geval een agent van de Mossad. In juni 1992 maakte Kanan Makiya zichzelf bekend aan de Harvard University en bleek de verbijstering alom dat hij een Irakese Shiïet was. De ‘Mossad-theorie’ heeft overigens diep wortel geschoten; zelfs in 2000 wist nota bene een Nederlander, die veel door Irak heeft gereisd, mij nog te vertellen dat Samir Al Khalil waarschijnlijk een agent van de Israëlische geheime dienst was, waardoor zijn boeken ten zeerste gewantrouwd dienden te worden.

Op dit moment kan Kanan Makiya echter worden aangemerkt als een van de meest prominente intellectuelen van de Irakese dissidentengemeenschap in ballingschap. Tegenwoordig woont hij afwisselend in de Verenigde Staten en Engeland. Makiya werd geboren in Bagdad, als zoon van de beroemdste architect van Irak van voor de Ba’athistische dictatuur, Mohammed Makiya, thans wonend in Londen, maar nog altijd bekend als een van de belangrijkste vernieuwers van de Islamitische architectuur en ook werkzaam als kunstcriticus. Makiya trad in de voetsporen van zijn vader en werd eveneens architect. Sinds hij vanaf de jaren tachtig in het westen woont, is hij echter vooral bekend geworden als kunstcriticus en auteur over de huidige politieke situatie van Irak. Aanvankelijk was hij actief in de Palestijnse beweging, later zou hij zich ontwikkelen tot een van de meest principiële critici van de dictatoriale systemen die over de Arabische Wereld heersen. Hij geldt als een zeer felle polemist van het werk van Said, hoewel hij zelf veel minder bekend is dan zijn beroemde tegenspeler. Toch zou ik hem willen kenschetsen als een van de belangrijkste Arabische intellectuelen, die in het westen actief is. Zijn soms in pro-Palestijnse of pro-Arabische kring controversiële standpunten, die echter van een grondige intellectuele basis getuigen, gelden naar mijn mening als zeer belangrijk en ontlenen vooral hun importantie omdat dit het zeer zelden gehoorde geluid is van de grote groep Irakese ballingen in West Europa en de Verenigde Staten, veelal gepasseerd in het postkoloniale discours. Zijn stem moet worden gezien als de stem van de vergeten Irakese dissidenten van het hoogste intellectuele niveau. Zo was hij bijvoorbeeld de belangrijkste initiatiefnemer van Charter 91, een manifest dat in navolging van het Tsjechische Charta 77 (van Vaclav Havel), een demilitarisering van Irak bepleit en de opbouw van een ‘Civil Society’ op democratische wijze. In de jaren tachtig waarschuwde hij in Republic of fear zijn publiek al voor het Irakese Ba’athisme, waarvan het gewelddadige karakter bijzonder serieus moest worden genomen. De geschiedenis heeft hem uiteindelijk gelijk gegeven.

Het denken van Makiya staat haaks op het denken van Said. Het beste kan ik dit illustreren aan de door hemzelf aangehaalde beroemde introductie van Orientalism in Verzwegen Wreedheid. Het gaat hier om de eerste zinnen. Said: “On a visit to Beirut during the terrible war of 1975-1976 a French journalist wrote regretfully of the gutted downtown area that ‘it had once seemed to belong to the Orient of Chateaubriand and Nerval’. He was right about the place, of course, especially so far a European was concerned. The Orient was almost a European invention, and had been since antiquity a place of romance, exotic beings, haunting memories and landscapes, remarkable experiences. Now it was disappearing; in a sense it had happened, its time was over”.[xvii]

Juist dit eerste gedeelte van de introductie en de context waarin Makiya deze tekst bespreekt, toont het verschil aan tussen Said en Makiya. Terwijl Said zich vooral richt op de beeldvorming van de ‘Oriënt’ in het westen, vraagt Makiya zich af waarom de summiere beschrijving van de Libanese burgeroorlog letterlijk de enige beschrijving van de hedendaagse situatie van de Arabische Wereld is, in deze verder zeer omvangrijke studie. Hij stelt zelfs dat vanaf dat moment de werkelijke wereld van de Arabieren uit het boek verdwijnt en dat veel Libanezen deze al dan niet fictieve Oriënt van Nerval en Chateaubriand wellicht net zo missen als die Franse journalist.[xviii] Hiermee heeft hij een interessant punt te pakken; ikzelf heb in Orientalism niets kunnen vinden, dat naar de hedendaagse politieke situatie van de Arabische Wereld verwijst. In principe zou dit nog niet eens zoveel uitmaken, daar Orientalism vooral een uiteenzetting is van een historisch fenomeen in de westerse ideeëngeschiedenis, ware het niet dat Said deze inzet om hedendaagse verschijnselen te verklaren. Met deze redenering verwijdert Makiya enigszins de angel uit Saids betoog.[xix]

Hier komen wij op Makiya’s belangrijkste punt, namelijk de verzwegen wreedheid, zoals hij dit in het gelijknamige boek uiteen heeft gezet. Verzwegen Wreedheid (Cruelty and Silence) bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft een serie indrukwekkende interviews en beschrijvingen van slachtoffers van de golfoorlog en van wat er daarvoor in Irak is gebeurd, toen de wereld de andere kant uit keek. Aan het woord laat Makiya onder meer een Koeweiti, een sjiïetische opstandeling en een Koerdisch slachtoffer van de Anfal operaties uit 1988. Met name het laatste interview is buitengewoon indrukwekkend. Het gaat hier om de toenmalig twaalfjarige Koerdische jongen Taimoer, de enige die voor zover bekend de massa-executies op de Koerden overleefde, omdat hij weliswaar  zwaargewond maar toch onopgemerkt wist te ontsnappen uit de massagraven en hiervan getuigenis heeft gedaan. Na een vrijwel emotieloze en een soms bijna klinische uiteenzetting over aan welke gruwelijkheden hij is blootgesteld (Taimoer werd met zijn familie afgevoerd en naar zuid Irak gedeporteerd, de woestijn in gereden, waar iedereen in een kuil werd geworpen, om vervolgens geëxecuteerd te worden. Hij wist echter uit het nog niet gedichte massagraf te ontsnappen en vluchtte de woestijn in, waar hij onderdook bij een bedoeïenen familie, die ervoor zorgde dat hij na zijn herstel kon terugkeren naar Koerdistan), is vooral het eind van dit interview zeer veelzeggend en geeft het veel te denken. Makiya geeft het in de letterlijke interviewvorm weer en ik zal het dan ook als zodanig citeren: “Als je kon kiezen, wat zou je dan nu met je leven willen doen?” “Een bekend persoon zijn”. “Een bekend persoon?”. “Ja”. “Bekend om wat?”. “De Anfal”. “Wil je liever bekend staan om de Anfal of bekend zijn als een peshmerga?” (Koerdische guerrillastrijder, F.S.). “Om Anfal”. “Wat bedoel je met ‘bekend’ zijn om Anfal?”. “Ik wil dat de wereld weet wat er met mij is gebeurd”.[xx]

In het tweede deel beschrijft Makiya de reacties van Arabische intellectuelen op deze geschiedenis van onbeschrijfelijke wreedheden.  Volgens Makiya hebben Arabische intellectuelen, enkele uitzonderingen daargelaten, de neiging om excessen uit hun deel van de wereld te verzwijgen, of goed te praten, Edward Said voorop, maar bijvoorbeeld ook een schrijver als Abd ar-Rahman Moenif, de dichters Mahmoud Darwish en Nizar Khabani en, wat betreft de golfoorlog, zelfs een kritisch denker als de bekende dichter Adonis. Makiya stelt dat al deze schrijvers en wetenschappers vooral het westen de schuld geven van alles wat er mis is gegaan, terwijl ze de werkelijkheid onder ogen moeten zien en hun verantwoordelijkheid moeten nemen om deze misstanden aan te klagen.

De introductie van Verzwegen Wreedheid beschrijft het uitbreken van de golfoorlog en de reacties van Arabische intellectuelen of van het fenomeen ‘pro-arabische’ intellectuelen. Volgens Makiya betekende het uitbreken van de Koeweit-crisis een hectische periode voor de hele wereld, maar dwong tegelijkertijd vele Arabische intellectuelen kleur te bekennen. Makiya: “De wreedheid van het Irakese Ba’athisme werd plotseling zichtbaar en maakte de meest grove emoties los onder hen die zich geroepen voelden het woord te doen”. In dit verband is de reactie van Said interessant. Makiya: “Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan bekritiseerde Edward Said Republic of Fear als een project dat diende om ‘de stelling te verbreiden dat vetes en geweld in het Midden Oosten te wijten zijn aan, relatief gezien, prehistorische oorzaken die in de genen van deze mensen (de Arabieren) zijn verankerd’. Edward Said is hoogleraar aan de Columbia University en wellicht de meest prominente Arabische intellectueel van het westelijk halfrond. ‘Samir Al Khalil’, zei hij in een interview over de golfoorlog, ‘was in feite een ‘proefkonijn-getuige’ die de rol van autochtone informant op zich had genomen, maar daarmee in feite de belangen van Amerikaanse beleidsmakers diende’. In zulke woorden ligt meer wanhoop en hopeloosheid besloten dan in een hele bibliotheek met boeken gewijd aan de wreedheid van dictators in het Midden Oosten en de verschrikkelijke prijs die mensen betalen voor hun oorlogen. Politiek actief zijn, en de zin van politieke actie in de Arabische Wereld willen heroveren, betekent weigeren een gevangene van dit soort taal te worden”.[xxi]

Het is inmiddels duidelijk geworden, hoezeer deze twee denkers van elkaar verschillen. Dit ligt niet alleen in het feit dat zij beiden wat betreft dezelfde onderwerpen de nadruk leggen op hun eigen thema’s, maar ook dat zij een geheel andere ethiek hanteren. Said gaat in zijn nawoord bij de herdruk van Orientalism uit 1995 nauwelijks in op Makiya’s kritiek. Hij noemt hem slechts een ‘Bernard Lewis adept’ en dat hij slechts wil aantonen dat  Orientalism een poging is om het westen zwart te maken. Said: “It is benighted to say that Orientalism is a conspiracy or to suggest that ‘the West’ is evil: both are among the fatuities that Lewis and one of his epigones, the Iraqi publicist Kanan Makiya, have had the temerety to ascribe to me” [xxii]. Verder blijft Makiya onbehandeld. In Verzwegen Wreedheid wordt Lewis maar een keer aangehaald als “niet bepaald een vriend van de hedendaagse Arabische politiek”. Dat Makiya dit ook niet is moge duidelijk zijn. Toch lijkt het mij evident dat Said de argumenten van Makiya hiermee niet weerlegt. Sterker nog, het feit dat Makya hem dit soort zaken zou toeschrijven heb ik, althans in Verzwegen Wreedheid, niet kunnen terugvinden.

In dit kader wil ik de door Makiya aangehaalde opmerkingen van Said wat betreft de Anfal-operaties aanhalen. Said in de London Review of Books op 7 maart 1991: “De bewering dat Irak zijn eigen burgers vergaste is vaak herhaald. Dit is op zijn best onzeker. Er is tenminste een rapport van het War College, dat werd opgesteld toen Irak nog een bondgenoot van de V.S. was, dat beweert dat de gifgasaanval tegen de Koerden in Halabdja het werk was van Iran. Er zijn tegenwoordig maar weinig mensen die melding maken van zulke berichten in de media”.  Makiya stelt dat het wel heel erg ver gaat dat Said nota bene een document van het Amerikaanse defensie apparaat aanhaalt om de Anfal-operaties ter discussie te stellen, iets dat tegenwoordig niet meer ter discussie staat. Hij had er beter aan gedaan om op grond van dit document de hypocrisie van de Amerikaanse regering aan te tonen. Het bewijst immers de dubbele moraal van de Amerikaanse politiek om de Ba’athistische regering in Bagdad wel te steunen in een oorlog tegen ‘aartsvijand’ Iran, maar deze politiek wordt direct verlaten wanneer Irak ten strijde trekt tegen ‘oliepartner’ As Sabbah, de emirdynastie van Koeweit[xxiii] Het meest belangrijke is echter dat Saids opmerkingen wel zeer schrijnend zijn, als wij dit zien in het licht van Makiya’s interview met Taimoer.

  

Hoofdstuk 3

 

De kwestie Said versus Makiya

 

Het belangrijkste verschil tussen Said en Makiya zit hem vooral in het gebied waarop zij hun pijlen richten. Voor Said is dit de beeldvorming van de Arabische wereld in het westen, of de eurocentrische/ imperialistische visie op de geschiedenis. Daarbij komt kijken dat Said zich vaak heeft opgeworpen als een (ongebonden) belangenbehartiger van de Palestijnse zaak. Zeer belangrijk is Saids notie van ‘het recht op een eigen verhaal’.[xxiv]   Hij wijst er vaak nadrukkelijk op het belang van een tegengeluid inzake de Palestijnse kwestie, ten opzichte van de dominante westerse cultuur, die meestal slechts oor heeft voor het Israëlische standpunt. Natuurlijk is er in de loop van de tijd wel veel veranderd op dit gebied, voornamelijk door de Oslo akkoorden, maar zeker ook door de invloed van Saids ideeëngoed.

Belangrijk is om op te merken waar het er bij Said duidelijk niet om gaat, namelijk het aanklagen van misstanden in de Arabische wereld zelf. Hij verwijst in een aantal geschriften wel degelijk naar politieke uitwassen binnen de Arabische wereld, maar doet dit dan vooral binnen de context van de westerse ‘imperialistische’ belangen, vaak niet geheel ten onrechte. Zo werd voor de Koeweitcrisis het bewind van Saddam Hoessein door het westen gesteund, terwijl de mensenrechtenschendingen toen zeker niet minder waren, dan in de periode erna. In Culture and Imperialism heeft Said er op gewezen dat er tijdens de golfoorlog sprake was van een grootscheepse propagandaoorlog tegen Irak. Een door Said aangehaald citaat uit Foreign affairs spreekt voor zich: “No sooner had the Arab/Muslim world said farewell to the wrath and passion of the Ayatollah Khomeini’s crusade than an other contender rose in Bagdad. The new claimant was made of material different from the turbaned saviour from Qum: Saddam Hussayn was not a writer of treatises in Islamic government nor a product of high learning in religious seminaries. Not for him were the drawn out ideological struggles for the hearts and minds of the faithful. He came from a brittle land, a frontier country between Persia and Arabia, with little claim to culture and books and grand ideas. The new contender was a despot, a ruthless and skilled warden who had tamed his domain and turned it into a large prison”.[xxv]

Said wijst er fijntjes op dat Bagdad bijvoorbeeld de hoofdstad was van het rijk van de Abbasssidische Kaliefen, een van de hoogtepunten van de Islamitische beschaving. Dan hebben wij het nog niet gehad over dat Irak het land is van de Eufraat en de Tigris, waar ooit de Mesopotamische culturen bloeiden, de oudste beschavingen van de mensheid. Said stelt dat Saoedie Arabië, dat in hetzelfde artikel geprezen wordt wellicht meer een “brittle land, with a little claim to culture, books and new ideas” is dan Irak ooit in de geschiedenis geweest is (alhoewel Said er ook op wijst dat de heiligste plaatsen van de Islam in dit gebied liggen).[xxvi] Vanuit het perspectief van mijn eigen onderzoek naar de moderne Irakese kunst durf ik te stellen dat, ook wat betreft de twintigste eeuw, de beweringen in Foreign Affairs absurd zijn. Gedurende een aantal decennia was Irak zelfs een van de meest toonaangevende landen op het gebied van de moderne kunst in de Arabische wereld.[xxvii] Ook leverde Irak een van de grootste Arabische dichters van de twintigste eeuw, Mudhaffar Al Nawab, die sinds de Ba’ath revolutie van 1968 letterlijk als een nomade zwerft over de hele wereld.[xxviii] 

Dit wil niet zeggen dat er met Irak niets aan de hand is. De eerder aangehaalde bagatellisering van Edward Said wat betreft de Anfal-operaties kunnen als ridicuul worden afgedaan. Het argument dat Edward Said gebruikt om zijn bewering te staven, een document van de Amerikaanse regering, is weliswaar vaker gebruikt om de Anfal te ontkennen (met name in de links radicale/ anti-Amerikaanse hoek[xxix]), maar wordt duidelijk door de feiten tegengesproken. Inmiddels zijn er genoeg documenten door de Irakese oppositie verzameld die onomstotelijk aantonen dat de Anfal wel degelijk heeft plaatsgevonden, in opdracht van de Irakese regering, inclusief het bombarderen van de stad Halabdja. Het is inmiddels zelfs twee keer toegegeven door de neef van Saddam Hoessein, Ali Hassan Al Madjied, die de leiding had over deze genocide campagne, thans Iraks minister van Defensie.[xxx] Zelf wil ik hier nog aan toevoegen dat ik, vanwege mijn onderzoek, twee naar Nederland gevluchte Irakese kunstenaars heb leren kennen die in 1988 in Noord Irak waren. Zij hebben de chemische bombardementen ternauwernood overleefd.[xxxi]

Het ontkennen van de Anfal (in feite de vergeten Koerdische ‘Holocaust’ uit 1988) kan dan ook mijns inziens als zeer kwalijk worden gekenschetst. De directeur van het ‘Institut du Kurde’, te Parijs, Kendal Nezan, schreef in het voorwoord van de tentoonstelling Peintres d’ Anfal: “The tragedy, which burst in the world’s consciousness during the Exodus of April 1991, will mark the collective memory of the Kurdish people for a long time to come. Kurdish history will remain divided into ‘before’ and ‘after’ the Anfal (…) Western audiences are thus being given the opportunity to discover an artistic witness to one of the most tragic episode of the century, a century which invited genocide and which has been particularly rich in massacres and mass atrocities, dictated by fanaticism, intolerance, racism, and other ideological delusions”.[xxxii]

Wat betreft het bovenstaande heeft Edward Said zich van een heel ander gezicht laten zien, dan wat men in regel binnen de ‘progressieve’ sector van de alfawetenschappen van hem zou verwachten. Overigens staat Kanan Makiya niet alleen met zijn kritiek; er zijn meer oppositioneel gezinde Irakese intellectuelen die Said ronduit als hypocriet bestempelen.[xxxiii]

In Verzwegen Wreedheid wordt Orientalism zwaar onder vuur genomen. Makiya citeert Orientalism in de volgende context: “In een tijd dat grote delen van de rest van de wereld (Oost Europa, Latijns Amerika, China, Zuid Afrika) de mensenrechten en de democratie begonnen te ontdekken en het gevecht aangingen met de dictaturen van eigen bodem en de stalinistische bureaucratieën, waren de beste en begaafdste Palestijnen bezig geleerde boeken te schrijven die berustten op verklaringen als: ‘…alle academische kennis over India en Egypte is op de een of andere manier bevlekt met en gevormd door dit grove politieke feit (het imperialisme). Dat is wat ik beweer in deze studie van het oriëntalisme. Het is daarom juist, dat elke Europeaan in alles wat hij maar over de Oriënt te zeggen had, derhalve een racist, imperialist en bijna een totaal etnocentrist was’. Edward Saids boek Orientalism was een intellectueel project dat een hele generatie jonge Arabische wetenschappers beïnvloedde. Het bepaalde in de jaren tachtig ook de inhoud van westers universitair onderzoek naar het Midden Oosten. Het oorspronkelijke boek is nooit als kritiek op de huidige Arabische politiek bedoeld geweest, maar voedde de ingewortelde, populistische rancunepolitiek tegen het Westen. De in dat boek geanalyseerde verdraaiing van de werkelijkheid van het Midden Oosten dateerde uit de achttiende en negentiende eeuw, maar werd door jonge Arabische en ‘pro-Arabische’ wetenschappers omgesmeed tot een intellectuele en politieke agenda die geen voeling had met de werkelijke behoeften van de Arabieren. Die leefden immers in een wereld waar de wreedheid en niet het imperialisme hand over hand toenam”.[xxxiv]

Opmerkelijk is dat Edward Said nooit inhoudelijk gereageerd heeft op Makiya’s kritiek. Hij zwijgt zijn belangrijkste Arabische criticaster dood of doet hem slechts honend af. In Culture and Imperialism stelt Said bijvoorbeeld: On the one hand, no one in the dominant public space had paid much attention to Iraq as society, culture, or history until August 1991; then the outpouring quick-fix books and television programmes could hardly be stopped. Typically Republic of fear appeared in 1989, unnoticed. Its author later became a celebrity not because his book makes a scholarly contribution-he does not pretend otherwise-but because its obsessive and monochromatic ‘portrait’ of Iraq perfectly suits the need for dehumanized, ahistorical, and demonological representation of a country as the embodiment of an Arab Hitler. To be non-western (the reifying labels are themselves symptomatic) is ontologically thus to be unfortunate in nearly every way, before the facts, to be at worst a maniac, and at the best a follower, a lazy consumer who, as Naipaul says somewhere, can use but could never have invented the telephone”.[xxxv]

Los van de vraag of ik het eens ben met de algemene strekking van dit citaat, kun je je afvragen of dit alles wel op Kanan Makiya van toepassing is. Afgaande op het voorgaande (zoals de ‘Anfal-ontkenning’) kan er geconcludeerd worden dat Edward Said, wat betreft Irak, soms meer à-historisch te werk gaat dan Kanan Makiya. Over Saids bewering dat Republic of fear geen wetenschappelijke pretentie heeft, zou ik niet al te zeker zijn. De Leidse arabist Hans Jansen bijvoorbeeld noemt Republic of fear ‘het standaardwerk’ over het Irak van de Ba’ath.[xxxvi]

Elders doet Edward Said Kanan Makiya af als ‘Uncle Ahmed’. Het is tekenend hoe de discussie over het Midden Oosten, op Amerikaanse universiteiten althans, totaal is gepolitiseerd.[xxxvii]

Hoewel uit het voorgaande is gebleken dat Said en Makiya elkaar zeer hevig bestrijden denk ik dat hun beide visies waardevol zijn. Naar mijn mening sluiten ze elkaar niet uit maar vullen ze elkaar aan, los van alle polemieken. Belangrijk is om te realiseren dat beide auteurs twee volstrekt verschillende doelstellingen hebben. Het werk van Edward Said is zeker buitengewoon waardevol, zolang het de westerse beeldvorming van de ‘Oriënt’ betreft. Het moge duidelijk zijn dat Orientalism of Culture and Imperialism geen volledige verklaring bieden voor verschijnselen als Saddam Hoessein of Osama Bin Laden. Wel weet hij de vinger te leggen op het verwrongen beeld dat er in het westen bestaat van de Arabische wereld. Ik neig ertoe het niet eens te zijn met Kanan Makiya dat de verschijnselen die in Orientalism worden besproken geen geldigheid meer hebben, hoe belangrijk het werk van Makiya verder ook is. Door mijn afstudeeronderzoek bijvoorbeeld ben ik op vrij veel zaken gestuit die heel goed aan de hand van Orientalism zijn te verklaren. Alleen al het werk op zich van sommige kunstenaars uit Arabische landen (zoals het op de titelpagina getoonde voorbeeld van Nour-Eddine Jarram) laat zien dat deze thematiek wel degelijk relevant is. Dan heb ik het nog niet eens gehad over de receptiegeschiedenis van deze kunstenaars in Nederland. Uit eigen ervaring weet ik hoe onthutsend het beeld is, dat men in Nederland soms heeft van alles wat te maken heeft met de Arabische cultuur.[xxxviii] Het lijkt mij daarom buitengewoon zinvol om de reacties op de gebeurtenissen van 11 september te analyseren tegen de achtergrond van Orientalism.

Tot zover dit fragment van mijn verhandeling over Orientalism uit 2001. Zie hieronder een uitgebreid interview met Edward Said over Orientalism

Zie hieronder Edward Saids voordracht ‘The Myth of the Clash of Civilizations’, waarin hij het werk van Huntington behandelt:


[i] Zie Hans Jansen, Osama Bin Laden kan pion Irak zijn, het Financiëele Dagblad, 14-9-2001, of Ina Friedman, Aanval VS/wie steekt er achter?, Trouw, 17-9-2001 (interview met de Israëlische  Irakspecialist Amatsia Baram). Verder is er sterk gesuggereerd door de verenigde Irakese oppositie in ballingschap, het zogenaamde Irakese Nationaal Congres (INC), dat Saddam Hoessein achter de aanslagen zat. Bewijzen hebben zij echter niet kunnen leveren en er is dan ook sterke kritiek geleverd op het INC door verschillende Irak kenners als de historicus Charles Tripp en het voormalig hoofd wapen inspecties van de VN, Scott Ritter.

Wat in dit verband wel interessant is zijn de verbanden tussen de eerste aanslag op het WTC uit 1993 en de Irakese geheime dienst. De belangrijkste dader van deze aanslag, Ramzi Yussuf, zit inmiddels gevangen in de Verenigde Staten. Hoewel de bewijzen juridisch nooit zijn hardgemaakt, heeft arabiste Laurie Milroie, in haar publicatie The politics of revenge; Saddam’s never ended war (Washington, 1998), overtuigende argumenten aangeleverd dat Ramzi Yussuf een Irakese geheim agent was.

Update 2010. Bovenstaande opmerking schreef ik in 2001, nadat ik me uitgebreid had laten informeren door iemand die ik zeker een expert zou willen noemen (een bekende Nederlandse arabist, wiens kennis ik zeer hoog acht, al deel ik veel van zijn opinies niet). Achteraf blijkt dit verhaal niet steekhoudend te zijn en zat Laurie Milroie er in meer opzichten naast. Ze geloofde ook (maar wie niet?) dat Irak nog over  grote hoeveelheden massavernietigingswapens beschikte, al waren er toen ook al berouwbare tegengeluiden (bijvoorbeeld van iemand die het echt kon weten als Scott Ritter). Maar was dus allemaal onzin. Dus bij deze een kleine correctie op mijn opmerking uit 2001.

[ii] Uitzendingen Buitenhof, VPRO, 14-9-2001 en De onzichtbare vijand, VPRO, 14-9-2001

[iii] Er bevinden zich tegen de tachtig beeldende kunstenaars uit Irak in Nederland. De meeste van hen zijn begin jaren negentig naar Nederland gekomen als politiek vluchteling, hoewel er een klein aantal al eerder in Nederland actief was. De Irakese ballingengemeenschap is zeer complex, qua onderlinge verdeeldheid en politieke loyaliteit. Ik zag mij daarom ook genoodzaakt de Irakese journalist en kunstcriticus Ismael Zayer, de Koerdische politicoloog Fuad Hussein en Herman Divendal, coördinator van de mensenrechtenorganisatie AIDA, te raadplegen. Juist voor het onderzoeken van deze specifieke groep ballingen is het hele Midden Oosten debat zeer relevant, met name de kwestie Said versus Makiya. Simpel uitgedrukt gaat het hier om de kwestie ‘het westen heeft een imperialistische agenda in het Midden Oosten’ versus de slachtoffers van een ‘anti-imperialisch’ regime. In mijn scriptie heb ik de conclusie getrokken dat deze kunstenaars in feite in een gat vallen, tussen beide ‘tegenpolen’.

[iv] Floris Schreve, Van oriëntalisme naar een kans voor nieuwe ontmoetingen; hedendaagse kunstenaars uit Arabische landen in Nederland, afstudeerscriptie Universiteit Leiden, 2001. Voor een ander voorbeeld van een kunstenaar, voor wie de beeldvorming van het ‘oosten’ in het ‘westen’ ten zeerste relevant is verwijs ik naar de tentoonstellingscatalogus Saskia en Hassan gaan trouwen; Achnaton Nassar, een kunstenaar uit twee culturen, met bijdragen van Achnaton Nassar, Floris Schreve, Hans Sizoo, met een voorwoord van Kitty Zijlmans, Universiteitsbibliotheek Leiden, 2001.

[v] Edward Said, Culture and Imperialism, Chatto and Windus, 1993, p. 355.

[vi] Edward Said, denker over grenzen, (J. Rutten, red.), Boom, Haarlem, 1999, p. 16.

[vii] Edward Said, Orientalism; western conceptions of the orient, Londen 1978 (reprint 1995), p. 3, 14.

[viii] Ibidem, p. 209-210

[ix] Ibidem p. 21

[x] Ibidem, p. 105-106.

[xi] Ibidem, p. 288.

[xii] Ibidem, p. 314

[xiii] Ibidem p. 315-316

[xiv] Ibidem, p. 300-301

[xv] Alain Finkielkraut, De Terreur van de tolerantie, De Groene Amsterdammer, 2-12-1998.

[xvi] Ba’ath betekent in het Arabisch herrijzenis. De ‘Ba’ath’ ideologie werd in de jaren veertig ontwikkeld door de Christelijke Syriër Michel Aflaq. Uiteindelijk is de Ba’ath partij er in geslaagd om in Syrië en Irak de macht te grijpen. Ook in Libanon en Jordanië is de Ba’ath partij actief; zij het dat het daar om marginale groeperingen gaat. Overigens bestaat er een hardnekkig misverstand over deze ideologie, zij zou immers Islamitisch van aard zijn. Dit is niet juist. Deze stroming is van pragmatische seculiere aard en kenmerkt zich  door een extreem ‘Pan-Arabisch’ nationalisme.  Aflaqs voornaamste inspiratiebron was immers Mussolini’s fascisme. Aflaq: “Nationalism is love before anything else. He who loves doesn’t ask for reasons. And if he were to ask, he would not find them. He who cannot love except for a clear reason, has already had this love wither away in himself and die”. De ABSLP van Saddam Hoessein (Arabic Ba’athi Socialist Leaders Party) heeft er alles aan gedaan om het Islamitische fundamentalisme sterk te onderdrukken.

[xvii] Orientalism, p. 1

[xviii] Kanan Makiya, Verzwegen Wreedheid, Amsterdam, 1993, p. 294.

[xix] Ibidem, p. 341

[xx] Ibidem, p.207.

[xxi] Ibidem, p. 19.

[xxii] Orientalism, 346.

[xxiii] Makiya, p. 379-380.

[xxiv] Edward Said; denker over grenzen, p. 22

[xxv] Culture and Imperialism, p. 359

[xxvi] Ibidem, p. 359-360

[xxvii] Floris Schreve, Van Oriëntalisme naar een kans voor nieuwe ontmoetingen, hoofdstuk 1, p. 8-31

[xxviii] Mudhaffar Al Nawab heeft een keer opgetreden in Nederland op het festival Irak, een cultuur in ballingschap, georganiseerd door AIDA. Een lezenswaardig verslag van dit gebeuren is het artikel van Marijn van der Jagt, Een dichter die alle tegenstellingen overstijgt; Al Nawabs zintuigen functioneren het best bij gevaar, de Volkskrant, 13-12-1996.

[xxix] Een duidelijk voorbeeld van deze strategie wordt toegepast in Rendez-vous in Bagdad, EPO, Antwerpen, 1996. Het gaat hier om een verslag van links georiënteerde Belgische intellectuelen, die een bezoek aan Bagdad brengen om de kwalijke gevolgen van het embargo te ‘onderzoeken’. In hun unanieme veroordeling van het embargo achten zij het noodzakelijk om herhaaldelijk Saddam Hoesseins bewind te bagatelliseren of zelfs te prijzen. Zo worden de Koerdische opstandelingen ‘verraders’ genoemd, p. 20. De Anfal wordt slechts één keer besproken en wordt op grond van hetzelfde document ‘ontkend’,  p. 20-21. Saillant is ook dat in het ‘historisch overzicht’ bij het jaar 1988 de Anfal niet wordt vermeld, hoewel daar toch, in een periode van vier maanden, tussen de 100.000 (officiële cijfers van de regering in Bagdad) en de 180.000 (cijfers van de Koerdische oppositie) Koerden zijn vermoord, p. 235 (cijfers slachtoffers van de Anfal, Makiya, p. 175).

Voor verdere lectuur wat betreft de ‘Anfal-ontkenning’ wil ik verwijzen naar Ramsey Clark (voormalig minister van justitie van de V.S. in de regering Johnson, tegenwoordig een van de belangrijkste woordvoerders van extreem links in Amerika), The fire this time; US war crimes in the Gulf, Thundermouth Press, New York, 1992. Ook hij baseert zich op het desbetreffende document (Army War College Team, Department of Defence, Washington, 1988) om de Anfal te ontkennen.

[xxx] Makiya, p. 176-177

[xxxi] Het betreft de beeldende kunstenaars Aras Kareem en Qassim Alsaedy. De Koerdische kunstenaar Aras Kareem komt uit Suleimanya (Noord Irak) en heeft een groot deel van zijn familie verloren tijdens de Anfal-operaties. Na de golfoorlog was hij actief in de Koerdische opstand en werd hij gezocht door de Irakese geheime dienst, waardoor hij permanent moest onderduiken. In 1993 lukte het hem om met zijn vrouw en twee kinderen naar Nederland te vluchten.

Qassim Alsaedy komt oorspronkelijk uit Bagdad en is van Arabische afkomst. Hij was leerling van Shakir Hassan Al Sa’aid, een van de grootste vernieuwers van de Irakese kunst van de twintigste eeuw. Tijdens zijn studententijd (1969-1974) sloot Alsaedy zich aan bij de linkse oppositie tegen het Ba’ath bewind. Hiervoor heeft hij lange tijd in de gevangenis moeten doorbrengen. Alsaedy maakte eind jaren zeventig furore als kunstenaar in Libanon en Syrië. Begin jaren tachtig besloot hij terug te keren naar Irak, om samen met de Koerdische guerrilla mee te werken aan de bevrijding van zijn land. Na 1988 week Alsaedy uit naar Libië, werd docent aan de kunstacademie van Tripolie, maar raakte na zeven jaar opnieuw in politieke problemen. In 1995 vluchtte hij naar Nederland.

[xxxii] Art d’ Anfal, Institut du Kurde, Parijs, 1995, p. 3. Deelnemer aan deze tentoonstelling was o.m. de hier boven genoemde Koerdische kunstenaar Aras Kareem, die tegenwoordig in Nederland woont.

[xxxiii] De in Nederland werkzame Koerdische politicoloog, Fuad Hussein, verklaarde mij: “Edward Said is hypocriet. Op een symposium aan de Universiteit van Amsterdam verklaarde hij dat de Arabische wereld in het westen te negatief wordt afgeschilderd. Toen ik hem na afloop onder vier ogen sprak, zei hij mij dat hij nooit van zijn leven in Irak zou willen wonen, daar hij de dictatuur van Saddam Hoessein te verwerpelijk vindt. Zoiets zegt hij nooit in het openbaar”. De in Nederland wonende Irakese journalist Ismael Zayer (oa. politiek commentator van de Arabische krant Al Hayat, uitgegeven te Londen)  zei mij het volgende: “While he was playing the piano and writing books about the negative influence of imperialism, in the mean time, we were fighting against a regime which calls itself ‘anti-imperialistic’.  We risked our lives at the moment that he denied the crimes of the Ba’ath. When we were in prison, Said told the world, that Saddam was not the criminal, but mainly the west”. Overigens zijn zowel Fuad Hussein als Ismael Zayer goed bevriend met Kanan Makiya.

[xxxiv] Makiya, p. 337-338.

[xxxv] Culture and Imperialism, p.367-368

[xxxvi] Hans Jansen, Nieuwe Inleiding tot de Islam, Coutinho, 1998, p. 229.

[xxxvii] Norvell B. De Atkene, Daniel Pipes, Middle Eastern Studies; what went wrong?, ‘Academic Questions’, Winter 95-96.

[xxxviii] Ter illustratie kan ik vele kritieken noemen uit diverse kranten. Een belangrijk voorbeeld hiervan is Janneke Wesseling, kunstcritica van de NRC. Het is verbijsterend hoe zij telkens weer de plank weet mis te slaan wanneer het niet-westerse hedendaagse kunst betreft, zoals blijkt uit haar recensies van Kunstwelten im Dialog (1999), Continental Shift (2000), 12 Hedendaagse Arabische kunstenaars (2001) en Unpacking Europe (2002). Ook verschillende culturele instellingen (musea en galeries) hebben hier duidelijk moeite mee. Verder zijn sommige kunstenaars bij tijd en wijle behandeld op een wijze die dicht tegen het racisme aanschurkt. Als voorbeeld kan ik noemen de gemeente Vlaardingen die heeft getracht een expositie te verbieden van de Palestijnse kunstenaar Jamal Khamis en de openingstoespraak van een tentoonstelling van de Irakese kunstenaar Salman Al Basri, door Frits Bolkestein. Bolkestein verklaarde oa. dat hij hoopte dat de kunstenaar weer zo snel mogelijk naar Irak kon vertrekken. Verder zei hij niets van kunst te weten, maar wilde hij wel vertellen hoe hij persoonlijk Saddam Hoessein had ontmoet. Het meest extreme voorbeeld waar ik op ben gestuit is de kwestie van de Egyptische kunstenaar Achnaton Nassar en de vreemdelingenpolitie. Deze politiedienst achtte het nodig het werk van Nassar in een kluis te verstoppen omdat het gezagsondermijnend zou zijn.  Toen ik samen met Achnaton Nassar dit feit aan het licht had gebracht en het gepubliceerd kreeg in Trouw, verklaarde de politie van Amsterdam, bij monde van woordvoerder Klaas Wilting, dat het werk ‘aanstootgevend voor Moslims zou zijn’. Ook is de affaire rond de opera Aïsja is mijns inziens te verklaren uit een ‘goedbedoelde’ vorm van oriëntalisme. Waarom een imam raadplegen als het om het realiseren van een theaterproductie gaat? Het antwoord is simpel; puur omdat het met de islam te maken heeft. Ter vergelijking, geen uitgever zou op het idee komen om Bisschop Eyck van Groningen te raadplegen, wanneer het om een roman van Reve zou gaan. Al deze zaken heb ik echter uitvoerig in mijn afstudeerscriptie besproken. Het betreft het gehele vierde hoofdstuk en grote delen van het vijfde hoofdstuk.

// <![CDATA[
http://knockknock.punt.nl/knockknock/register_new.php?Site=10720“>

%d bloggers liken dit: