Mijn hersenspinsels en gedachtekronkels

Homo’s!…het gelijk van Komrij

Posted in homo-emancipatie/'homo-kwesties' by Floris Schreve on 13 oktober 2008

 

Homo’s!…het gelijk van Komrij

 

Een half jaar geleden schreef ik op mijn weblog het ietwat sneerderige en daarmee ‘typisch nichterige’ stukje ‘Warm badje met homo-moeder Rita’. Ik liet toen al merken dat ik de omarming van het platte Archie Bunker electoraat, opgezweept door foute politici, hoogst onaangenaam vond. Gelukkig bleek ik niet de enige te zijn. Kort geleden publiceerde Gerrit Komrij een mij uit het hart gegrepen essay ‘Waarom is Nederland zo dol op homo’s?’ (de Groene Amsterdammer, 26-09-2008). Vooral de passage over Rita Verdonk klonk mij als muziek in de oren. Komrij: ‘Omdat haar naam nu weldra vergeten zal zijn, ondanks haar robuuste aanwezigheid de laatste jaren en ondanks de amechtige kalverliefde waarmee de journalisten haar op een voetstuk plaatsten, wil ik even vastleggen wie Rita Verdonk is. Rita Verdonk is een in haar motoriek ietwat boerse vrouw met beperkte verstandelijke vermogens, afkomstig uit het gevangeniswezen waar men, boef of cipier, alles weet van onderdrukte seksuele verlangens’. Hoera, dacht ik, eindelijk iemand die dit ook vindt en dit veel mooier onder woorden kan brengen dan ik het ooit zou kunnen. Ik ben een groot liefhebber van Komrij, zolang hij maar geen dichter des vaderlands is of een ongelukkig gedicht schrijft over de ‘zittende politicus’, die het ‘echte monster niet ziet’ (rond de moord op Pim Fortuyn). Dat vond ik helaas een misser en ik was even bang dat hij zijn kunstenaarschap had verloren aan het platte volksgevoel en het gebrul van de meute. Maar gelukkig had Komrij daar ook snel ‘tabak van’, zoals hij middels een afscheidsgedicht liet weten.

Komrij als vrij kunstenaar heb ik echter zeer hoog zitten. Zijn roman ‘Verwoest Arcadië’ vind ik een van de hoogtepunten van de Nederlandse literatuur wanneer het homoseksualiteit betreft, net als alle boeken van de nog steeds geheel ten onrechte vrij onbekende schrijver Willem Melchior. Qua wat oudere Nederlandse literatuur de suggestieve juweeltjes van Louis Couperus tot het gewaagde directe van Jacob Israël de Haan. Moedig dat zij aan het begin van de twintigste eeuw deze verhalen durfden en zelfs konden schrijven rond dit thema, los van de grote literaire kwaliteit. Ook erg mooi is de serie ‘Geheim dagboek’ van Hans Warren. Ik ben zelf niet zo’n grote liefhebber van Reve, maar dat wil dat wel nederig aan mijn eigen beperktheid wijten. Misschien zie ik op dat gebied nog een keer het licht.

Maar goed, homo’s dus. Er is de laatste tijd rond mijn soort mensen veel te doen geweest dus wellicht moet ik zelf maar eens duidelijk maken hoe ik tegen mijn eigen soort aankijk en vooral, wat ik vind van hoe allerlei hetero’s er tegen aan kijken, van goedbedoeld tot kwaadwillig.

Aan een kant gaat het goed met de homo’s. Homo’s zijn populair, zijn lief, grappig en ze zouden zo je ideale schoonzoon zijn. De soppende huisvrouw heeft de homo ontdekt, wat dat betreft geheel eens met Komrij. Je zou haar bijna het liefst een darkroom in een van de donkerste holen van de Warmoestraat in willen sturen maar wat als ze dat ook enig vindt? Koot en Bie waren al profetisch met hun Frank en Carla van Putten, in hun scène ‘niet wijzen, moeder’ (hier terug te zien  http://www.youtube.com/watch?v=-xfTlBSqCQY ). Briljante sketch, maar dit lijkt zo’n beetje de prijs te worden die je moet betalen bij de algehele emancipatie. Alhoewel, homo’s zijn vooral leuk als ze weliswaar middelmatig zijn, maar toch net een beetje voldoen aan het clichébeeld dat veel hetero’s (en veel homo’s zelf overigens) van deze soort hebben. Dat is namelijk de januskop van de zo geliefde homo. De hetero’s moeten er wel hun eigen stereotype denkbeelden in bevestigd zien, anders is het niet meer leuk. Nederland houdt niet zozeer van homo’s, Nederland houdt van een cliché van homo’s. En laat dit nu net de valkuil zijn. In Komrij’s woorden: ‘Er loopt een directe lijn van de Canal Parade naar de Paralympics!’

Elders op mijn blog is het verschijnsel exotisme in verschillende bijdragen vaak langsgekomen. Exotisme wil zeggen dat het beeld van de ander belangrijker is dan de ander zelf. Het beeld kan naar hartenlust worden ingezet voor de eigen doeleinden. Arabieren zijn enerzijds wellustig en anderzijds gevaarlijk (handig als je een vijand nodig hebt, zie hier). Indianen zijn oud en wijs en hun ras representeert de ‘avondschemering der mensheid’ (handig in dit geval voor Rudolf Steiner en de antroposofie, als je een theorie nodig hebt waarin het Arische ras het summum en de bloei van de schepping zou moeten zijn, zie hier, sommige hedendaagse indianen zelf over deze stereotypen, zie hier). Rita Verdonk houdt ook van homo’s en host graag met ze mee (om de moslims te schoppen, we hebben het al eerder gezien). Allemaal vormen van exotisme. Zelfbevestigdend exotisme bestaat ook. Het is hier allemaal langsgekomen. ‘Zelfbevestigend oriëntalisme’, Ba’thisme (Saddams variant van Arabisch nationalisme) en négitude (Senghors oproep aan alle zwarten om je vooral heel erg je op je Afrikaanse ‘roots’ te richten). De ander is hoe dan ook anders, soms in positieve zin, soms in negatieve zin, uitsluitend omdat we dan zelf zo zeker weten hoe wij zijn. Zie ook alle overbodige debatten over Nederlandse identiteit, ook al zo’n stompzinnige trend (geheel eens met Prinses Maxima overigens). Een positieve bijkomstigheid is dat er opeens veel aan geschiedenis wordt gedaan. Hopelijk is dat een kans om juist uit te leggen dat zo’n eigen identiteit helemaal niet bestaat en dat wij/zij denken volkomen zinloos is. Zouden we van de geschiedenis kunnen leren, als je dit soort lessen uit de geschiedenis kunt leren. Ook dat is twijfelachtig.

Maar hoe dan ook, heel onlangs bleek dat de homo’s zo actueel zijn dat ook het NCRV discussie programma ‘Rondom tien’ er een aflevering aan wijdde (hier terug te zien http://player.omroep.nl/?serid=182). Aanleiding was het stuk van Komrij. Daar bleek het volgende: sommige ‘homo’s’ hebben zelf genoeg van die lading stereotypen die door die ‘domme hetero’s’ zo hartstochtelijk worden gekoesterd, ook als dat zogenaamde positieve stoplappen zijn. Dit waren hele gewone homo’s, maar ze hadden hetzelfde als Komrij. Ik kan mij hier geheel in vinden. Stemde me weer positief.

Maar dan die anderen in dat programma. Er waren namelijk ook boze homo’s. Zij waren minder gecharmeerd van Komrij’s speldenprikjes. Maar zien jullie het dan niet?  Hoe jullie gereduceerd worden tot een stereotype, een gebruiksartikel voor foute populisten. Soms handig om in te zetten, maar soms ook niet. En dat Geer en Goor zich daarvoor laten lenen is hun probleem. Geef mij dan maar Komrij’s hautaine vertoog. En laat de cliché-nichten maar aan de hetero’s, al zie ik het soms met lede ogen aan.

Wat mijn probleem is met ‘homo-exotisme’ is dat het altijd een agenda dient die niet de jouwe is (zeg ik als homo). Het is altijd iets interessants om voor buitenstaanders (hetero’s in dit geval) mee aan de haal te gaan. Dat kan soms bloedlink zijn. Hetero’s kunnen op die manier gaan uitmaken wat typisch homo is en wat niet. Er is zo sprake van een discours-vorming buiten jouw invloed om. Over jou en niet met jou. Uiteindelijk is het ook de hetero die de marges bepaald waarbinnen je wel of geen homo mag zijn (wat zag Michel Foucault dit soort zaken toch goed, zie hier een nog altijd huiveringwekkend goede en beroemde tweegesprek met Noam Chomsky http://www.youtube.com/watch?v=WveI_vgmPz8, een van de mooiste hoogtepunt van het ‘postmodernisme’ ). Discoursvorming hangt uiteindelijk samen met machtsuitoefening, wat dat betreft nog altijd eens met Foucault, al is deze denker tegenwoordig weer een beetje ‘uit’. Foucault was trouwens ook homo, maar dat heeft er voor mij niets mee te maken. Hooguit zou je dan sneller bewust kunnen zijn van dit soort processen van macht, van insluiting en uitsluiting, maar ik denk dat je dat ook heel goed kan als je tot een andere vreemde minderheid behoort. Ik zou ook kunnen verwijzen naar mijn eerdere artikel over de kunstenaar Jimmie Durham (zie Moderne kunst van Indiaans Noord Amerika), of wat verschillende kunstenaars uit de Arabische wereld hierover te vertellen hebben. Heb juist voor dat thema altijd een grote fascinatie gehad. Ga dat hier overigens niet psychologisch proberen te verklaren door aan oninteressante introspectie te doen, dat laat ik liever aan anderen. Ik heb trouwens een grondige hekel aan vrijblijvend amateur psycholoog spelen, naar mezelf en naar anderen.

Maar goed, om toch iets over mezelf te zeggen, hoe beleef ik mijn eigen homoseksualiteit? Aan een kant zou je mij bijna een ‘assimilant van de heterocultuur’ kunnen noemen, zoals dat in de jaren van radikale aksie heette (in die dagen diende je soms zo militant mogelijk je identiteit uit te dragen, net alsof je als mens een geworden was met je identiteitssjabloon). Zo beleef ik het dus duidelijk niet. Wat wel leuk is aan het postmodern homo zijn is dat je kan shoppen uit verschillende subculturen. Een soort prettige vorm van schizofrenie dus. Nu heb ik ook geen vaste relatie en ben ik nog relatief jong, dus heb daar volop gelegenheid toe. Het is dus veel vrijheid blijheid en veel mag, maar niets hoeft. Rare verkleedpartijtjes voor diverse gelegenheden, die weer heel erg komisch zijn als je er ook weer met gepaste afstand naar kan kijken. Dan kun je er ook vaak erg om lachen. Dat zo’n beetje. Zolang je maar niet door een kleine nalatigheid je eigen leven en dat van anderen in gevaar brengt. Die verantwoordelijk heb je namelijk wel en in dat opzicht ben ik erg rechtlijnig. Voor zo’n Groninger affaire dus geen greintje begrip. Voor ander onveilig gedrag ook niet. Dat is eigenlijk alles.

Wat dat ‘identiteits-shoppen’ betreft het is altijd weer grappig om te zien hoe er in diverse kringen aan groepsvorming wordt gedaan. Er is geen wereld zo trendgevoelig als de homowereld (ik kan beter zeggen ‘homowerelden’ want deze is verdeeld in allerlei verschillende soorten scenes). Trends komen en gaan daar bijna sneller dan in de ‘normale’ en ‘hetero’ boze buitenwereld. Of het nu om de leerscene gaat of om de meer trendy jongenscultuur van de Reguliersdwars. Er is vaak niets leukers dan met mede homoseksuelen badinerend te ouwehoeren over hoe lomp, onelegant en smakeloos die domme heterowereld is, die er vaak niets van heeft begrepen. Heel erg navelstaarderig is dat ook, zo niet bijna dorps. En ja, iedere kudde heeft een vijand van buiten nodig, dat is wel weer het jammere maar ook het onvermijdelijke er aan. Maar soms wel erg grappig, zolang je er niet in verzuipt.

Wat voor mij ‘typisch’ homo is, is iets wat ik zelf uitmaak. Dat hoeft mij niet te worden uitgelegd door opportunistische buitenstaanders, die menen in hun zelfverklaarde tolerantie en ruimhartigheid de grenzen te mogen bepalen. Het betreft ook mijn persoonlijke keuzes en zolang ik daar niemand mee benadeel gaat het ook niemand iets aan. Wel kan ik me erg storen aan sjabloondenken en kuddegedrag. ‘Dat jij niet op Pim stemt, jij als homo zou toch beter moeten weten’ heb ik een keer te horen gekregen van iemand, die net als ik lid was geweest van het Leidse corps Minerva. Hij had net ontdekt en bedacht dat homo’s ook leuke mensen zijn, zolang ze maar wel een beetje anders blijven. Dankzij Pim zijn homo’s op een gevaarlijke manier ‘in’ geworden. Dat is al iets om waakzaam voor te zijn. Want wat als je niet aan het beeld voldoet wat zo dodelijk wordt omhelsd? Wellicht is een nog sterkere afwijzing en uitsluiting het gevolg. Oppassen dus. De uitzending van ‘Rondom tien’ laat zien dat er nog altijd redenen zijn om oplettend te zijn. Voor je het weet word je in het hokje van de ‘Pride homo’s’ geduwd. Het volk vindt dat nu even fantastisch maar wee je gebeente als de stemming omslaat. Komrij heeft dus gelijk, al is het maar hoe hij instemmend wordt aangehaald op Geen Stijl: ‘Albert Verlinde, Geer & Goor en alle andere zogenaamd hilarische fladdernichten bukken jullie even? ‘s-Lands homoseksueelste mooischrijver Gerrit Komrij vraagt uw aandacht voor zijn gebalde vuist tot vér achter het schaambot’ (http://www.geenstijl.nl/mt/archieven/2008/09/komrij_poept_op_homos.html). Het is een bijna selffulfilling prophecy. Alleen het slot van dat stuk al: ‘Zo. En nu weer buttsecksen allemaal’ (met die spelling, laat staan dat die idioten weten waar ze het over hebben). Komrij waarschuwt ons juist voor dit geluid, alleen hebben die idioten van Geen Stijl dat niet eens door. Wel beangstigend, en hoe dom de meeste stukjes van geenstijl.nl ook zijn, zij komen meestal wel uit de diepste riolen van de samenleving en laten helaas wel zien hoe even later het ‘Gesundes Volksempfinden’ eruit ziet wanneer het bovengronds komt. Dat hebben we al in het geval van de moslims gezien.

Om geheel instemmend met Gerrit Komrij af te sluiten: ‘Macht blijft macht. Ik kan, als homoseksueel uit een verloren tijd, nog signalen lezen. En al die signalen geven te kennen dat er iets zwaait voor de homoseksuelen als ze niet langer aan de eis van knuffelbaarheid voldoen’. Wie kan zich nog Rotterdam Culturele hoofdstad 2001 herinneren? Het voorbeeld van multiculturele tolerantie, waar buurstad Antwerpen met zijn Dewinter een voorbeeld aan zou moeten nemen? Hoe ‘knuffelig’ er toen over Marokkanen werd gepraat? 11 september kwam en binnen een jaar was het de stad van de leefbaren en Pim Fortuyn.

De woorden op nationale onderbuik Geen Stijl geven genoeg te denken. Ga toch ‘buttsecksen’. Blijkbaar zowel een randdebiel achter het toetsenbord als tussen de lakens. En bemoei je verder niet met zaken waar je geen verstand van hebt.

gaypride, Amsterdam 2008

Het grote nagaans-lullo universum

 Nu meer dan tien jaar geleden schreef ik voor de Correl, het blad van de Leidse Studentenvereniging Minerva, het artikel ‘Het grote nagaanslullo-universum’. Ik had toen verschillende redenen om dit te schrijven. Hoewel ik aan mijn lidmaatschap van deze vereniging een deel van mijn allerbeste vrienden te danken heb (die dat ook nu nog zijn) en veel gezelligheid, leuke onzin, kansloos doorzakken en andere aangename ervaringen en herinneringen heb overgehouden, begon de cultuur, dat wil zeggen de leefregeltjes, de mentaliteit, de maniertjes, de alles overheersende groepsdwang, de intolerantie en de soms regelrechte excessen die ik in mijn omgeving waarnam, mij steeds meer tegen te staan.
Eigenlijk had ik al veel bedenkingen toen ik in 1992 lid werd van deze letterlijk roemruchte studentenvereniging, maar deze bedenkingen werden in de loop der tijd alleen maar sterker. Een paar concrete gebeurtenissen waar ik hier niet al te zeer op in wil gaan, deden mij in voorjaar 1997 besluiten om een beschouwing te schrijven voor het verenigingsblad Correl. Ik hield er aanvankelijk rekening mee dat mijn bijdrage geweigerd zou worden omdat ik een aantal zaken aan de orde wilde stellen die tot dan toe volstrekt onbespreekbaar waren. Maar ik wilde het hoe dan ook geprobeerd hebben. Ook vermoedde ik dat ik de wind wel eens een klein beetje mee zou hebben; door een voor mij gelukkige samenloop van omstandigheden zat er toen een collegium (verenigingsbestuur) dat zelf een aantal misstanden wilde aanpakken, zoals de vriendjespolitiek waar dit stuk overigens zijdelings over gaat (hoewel dit verhaal vaak is uitgelegd als een aanklacht tegen de vriendjespolitiek, beschouwde ik dit toen en nu nog steeds als een bijverschijnsel van iets anders, waar dit stuk wel over gaat). Dit laatste en toen zeker moedige en ongekend vernieuwende streven van dat toenmalige Collegium (zoiets was in die tijd bijna ondenkbaar) was overigens geen reden om juist toen dit stuk te schrijven, het kwam toevallig zo uit. Ik had er zelf schoon genoeg van en ik vond dat ik er een keer iets van moest zeggen, anders kon ik naar mezelf niet meer maken dat ik lid van deze vereniging was geweest.
Toen het stuk (eigenlijk meer een statement dan een artikel) eenmaal geplaatst was heb ik vanuit mijn directe vriendenkring eigenlijk alleen maar positieve reacties gekregen. Ik weet dat ik toen ook een paar mensen heel erg woedend heb gemaakt, maar deze hebben dit nooit direct aan mij gemeld. Die werden meestal aan vrienden en bekenden van mij medegedeeld, met het doel dat zij indirect mij bereikten (zo werkte dat toentertijd in die kringen). Naast in principe normale mensen kende Minerva ook veel kruiperige lakeien tot en met agressieve bullebakken, die overigens zelden een confrontatie aandurfden als het echt ergens over ging, dus ik had ook niets anders verwacht. Ook heeft er meegespeeld dat ik kort na het verschijnen (minder dan een maand) opeens de mogelijkheid kreeg om naar Amsterdam te verhuizen. Dit kwam totaal onverwacht maar ik heb die gelegenheid aangegrepen, dus ik heb een eventuele nasleep ervan niet eens direct mee kunnen maken. Ik was snel na het verschijnen (juni 1997) vertrokken, want diezelfde september zat ik al in Amsterdam.
Ik snakte dan ook naar iets meer ademruimte want de benepen groepscultuur in Leiden begon me steeds meer tegen te staan. Ik bedoel hiermee natuurlijk niet de universiteit en ook niet mijn huis, waar ik goede herinneringen aan heb (toen ik er kwam een Quintus/Minerva huis, later verbreed tot het hele scala van corps t/m Catena en van Blauwe Schuit t/m CM), maar de benepen cultuur en de ’sociale controle’ (een in mijn ogen per definitie onzinnig en zelfs fout begrip) van mijn studentenvereniging des te meer. Heb overigens ook nooit enig begrip gehad voor de roep om ‘meer sociale controle’ als er weer eens een gewelddadig exces tijdens de KMT of op een ander tijdsstip had plaatsgevonden, in regel angstig binnenskamers gehouden en gladgestreken, afhankelijk van de positie in de verenigingshiërarchie van de daders. Als iemand uit de lagere regionen zich te buiten ging werd er soms veel misbaar van gemaakt. Overigens werd dan vaak geroepen dat de dader ‘gefrustreerd’ was en zich alleen tijdens de KMT vertoonde (de zogenaamde ‘KMT leden’, die je de rest van het jaar nooit zag). Die mensen waren er zeker, ik heb daar ook altijd een hekel aan gehad, maar om dit verschijnsel als excuus te gebruiken om de aandacht van de eigen wandaden af te leiden was regelrecht grotesk en schaamteloos.
Minerva stikte van de ’sociale controle’ en kwam om in de ‘normen en waarden’, dichtgeplamuurd met allerlei semi-ethisch geneuzel. Dat was nu juist een deel van het probleem. Maar iets als meer individuele vrijheid of zelfs een humanistische basiswaarde als tolerantie of wellicht ‘leven en laten leven’, is nooit echt boven de horizon gekomen, al stemde de overgrote meerderheid wel op een liberale partij, vermoedelijk uit diep doorleefde liberale verlichtingsidealen.
Terugkijkend kan ik nu zeggen dat dit stuk bijna een soort afsluiting van een fase in mijn leven was. Hoewel ik mijn beste vrienden uit die periode nog geregeld zie en zelfs tot vrij korte tijd geleden met een aantal van hen in een huis woonde (mee verhuisd naar Amsterdam), ben ik sinds die tijd nog maar vijf keer op mijn oude vereniging terug geweest. Mijn verhuizing is een tamelijk radicale breuk geweest. Als ik nu op die periode terugkijk, denk ik dat mijn standpunt alleen maar meer uitgesproken is geworden. Ik vind dat ik mijn stuk toentertijd nog vriendelijk heb afgesloten, maar achteraf begrijp ik nauwelijks meer wat ik in die wereld te zoeken had, los van een aantal goede vriendschappen en een aantal andere bijzondere contacten en bekenden die ik daar heb opgedaan. Op Minerva lopen net zoveel goede en slechte mensen rond als daarbuiten, het ging mij dus om systeemkritiek, niet om personen. Mijn bezwaren gingen en gaan zelden om individuele mensen (echte vijanden die ik helaas ook heb gemaakt zijn op een hand te tellen) maar die wereld is, los van een aantal dierbare vriendschappen die ik daar heb opgedaan, nooit iets voor mij geweest en mijn leven van toen lijkt ook nauwelijks meer op mijn leven van nu.
Dit stuk is ook nooit bedoeld als een aanval op de ‘bovenlaag’ van het hier bekritiseerde systeem. Waar je terecht komt is vaak iets willekeurigs en hangt er net vanaf in welke kring je verkeert, direct na de kennismakingstijd. Ik heb in de loop der tijd ook gemerkt dat er ook net zoveel goede als slechte mensen rondlopen in de bovenlaag als in de onderlaag. In de toplaag kunnen hele prettige mensen voorkomen en onderaan de meest verschrikkelijke kruipers. Omgekeerd geldt natuurlijk hetzelfde. Wel speelt de bereidheid tot het doen van concessies aan het hier omschreven systeem een rol of je wordt toegelaten tot de hogere regionen. In die zin is het wel een kritiek, zij het dat die bovenlaag alleen kan bestaan bij de acceptatie van de onderlaag, die dat in regel ook doet, zij het dat er voortdurend over geklaagd werd, maar nooit publiek. ‘Officieel’ bestond het probleem niet, maar iedereen wist dat dit de allesbepalende factor was. Maar toentertijd werd opportunisme bijna als een deugd gezien, want ‘zo werkt het nu eenmaal, ook in de maatschappij. Dit is een speeltuin waar je dat kan oefenen’ (veelgehoorde mantra).
Een van de meest krankzinnige aspecten van ‘het systeem’ (hieronder ‘het grote nagaanslullo-universum’) was dat het ook allesbepalend was voor wat je wel en niet mocht doen en met wie je wel en niet mocht omgaan. Voor dit aspect heb ik nooit enig begrip gehad en het verbaasde me iedere keer weer. Ik heb daar de vijf jaar dat ik er rondliep nooit aan kunnen wennen, al werd je daar in de een of andere vorm continue mee geconfronteerd. Een goed voorbeeld is mijn eigen subvereniging Sempre (koor en orkest), waarvan ik een jaar in het bestuur heb gezeten. Ik heb vaak meegemaakt dat er druk werd uitgeoefend op potentiele nieuwe leden die goed een instrument konden bespelen, om zich niet bij ons aan te sluiten omdat Sempre laag stond aangeschreven in de pikorde. Sempre was dan ook een ‘open subvereniging’ waar ook niet-Minervaleden zich bij konden aansluiten. En met ‘knorren’ diende je natuurlijk niet om te gaan, wilde je een beetje belangrijk worden gevonden. Veelal bezweken deze mensen voor de alom aanwezige druk van hun nieuwe circuitje. Het gevolg was dat er dan weer eens een goede violist of cellist spreekwoordelijk het Rapenburg werd ingezogen, om het instrument de voor een paar jaar niet meer aan te raken. Een ander voorbeeld was het veelgehoorde ‘advies’ om met oude schoolvrienden te breken, omdat vrienden van vroeger per definitie ‘knorrig’ waren. Ook is er wel eens druk uitgeoefend op nieuwe eerstejaarsbewoners van mijn huis om weg te gaan, omdat het niet goed voor je status zou zijn om in huis te wonen met leden van andere verenigingen. De bovenstaande voorbeelden waren geen incidenten maar gebeurden structureel, telkens weer opnieuw. Geen van die veelal eerstejaars rekende ik het toen aan dat zij niet bestand waren tegen die druk, de vereniging als geheel des te meer. Een groepscultuur als deze haalde niet vaak het beste in de mens naar boven, eerder het omgekeerde. Het verbijsterende was dat dit door bijna iedereen als volstrekt normaal werd ervaren en als je dat niet kon, dan werd er wel voor gezorgd dat je het normaal ging vinden. Het ter discussie stellen van deze krankzinnigheid was volledig taboe. Daarom vond ik het juist leuk om het wel te proberen.
Overigens moet ik wel de nuance aanbrengen dat het omgekeerde ook bestond. Sommige vrienden van mij uit andere circuits (studie, koffiemaatjes van de letterenfaculteit, mensen uit de muziekscene) waren in het begin soms erg afhoudend omdat ze mij aanzagen voor zo’n vreselijke reactionaire corpsbal. Ik heb vaak te horen gekregen als ik iemand gedurende een wat langere periode wat beter had leren kennen: ‘Jij bent echt heel anders dan de rest, helemaal niet zo’n corpsbal als ik gedacht had’. Waarop ik me dan weer genoodzaakt voelde om uit te leggen dat de meerderheid van die corpsballen ook uit normale mensen bestond. Overigens waren de ergste ‘corpshaters’ in hun stijl, maniertjes en meningen vaak net zo eendimensionaal als de meest dichtgetikte corpsbal, en in hun zelfgenoegzame alternatieve identiteit net zo uniform en eenkennig (lekker alternatief en tegendraads zijn door zoveel mogelijk op elkaar te lijken). In die zin waren de verhoudingen soms wel eens wat gepolariseerd, maar het is voor mij duidelijk gebleken dat de naar binnen gekeerde groepscultuur van Minerva hier een grote bijdrage aan leverde. Kuddegedrag bestaat overal en iedere tribale groepering heeft zijn eigen dingetje, maar ik heb het nergens zo dwingend ervaren als bij Minerva, waar tribalisme tot levenskunst werd verheven. Ik heb het dan niet over de verschillende colloquia goede manieren en stijl, waar werd uitgelegd hoeveel gaatjes je in je brogues mag hebben (die waren, als het goed gebeurde, erg geestig), maar wel over het platte conformisme.
Het eindeloos emmeren over niets was trouwens wel een van de leukere aspecten van het corps. De beste voorbeelden die ik ervan heb meegemaakt waren de eeuwig durende ALV’s van mijn subvereniging Sempre, maar zeker ook de streekgezelschappen, waar allerlei corpskakkers elkaar toeschreeuwden in het dialect van de provincie waarin zij zelf toevallig waren opgegroeid en zelf eigenlijk niet beheersten (in mijn geval Twents, en bij deze excuses aan iedere echte Twentenaar). Ook was de helft van de KMT, voor de buitenwereld vaak het grimmigste aspect van dit hele gebeuren, een groot toneelstuk, waarin de dingen vaak niet waren zoals ze leken te zijn. Maar toch, heel vaak viel het mij op dat er juist een te groot gebrek aan ironie en relativeringsvermogen was. In ‘Soldaat van Oranje’ (het boek dus, niet de film, overigens heel belangrijk want gansch het Leidsche corps zat en zit potentieel bij het verzet, tenminste als je de dwepers van nu zou moeten geloven) schreef Erik Hazelhoff Roelfzema ‘Wat het Corps van onuitstaanbaarheid redde was dat het zichzelf nooit helemaal au sérieux nam. Het trok een ernstig gezicht, maar kon ieder moment in lachen uitbarsten’. Misschien was dit lachende gezicht er vroeger meer, maar ik heb het te weinig gezien. Daarvoor namen teveel mensen het allemaal te serieus, de vele uitzonderingen daargelaten. En zonder de nodige ironie werden de zaken soms wat onnodig grimmig.
Dat ik kort na mijn vertrek uit Leiden uit de kast ben gekomen wat betreft mijn homoseksualiteit heeft zeker een rol gespeeld in mijn persoonlijke proces van vervreemding; op een redelijk aantal tolerante individuen na is Minerva geen prettige omgeving voor homoseksuelen, althans niet in mijn tijd (al gebeurde daar ook genoeg in het geheim en bestaat er zelfs een corporaal homodispuut, dat echter wel bij de gratie van enige discretie functioneert, overigens hulde daarvoor). Maar los van de meeste normaal denkende leden heb ik een paar dingen meegemaakt of gezien (mijzelf een enkele keer overkomen en verder anderen) die meer dan schandelijk waren. Dit aspect is overigens nooit het hoofdmotief voor het schrijven van dit stuk geweest; het ging mij om het gebrek aan tolerantie in het algemeen. Minerva is in regel intolerant naar alles wat van de voor haar gangbare norm afwijkt, tenminste in de tijd dat ik daar rondliep. Ik kon de dominante cultuur van mijn studentenvereniging niet meer rijmen met de ontwikkeling die ik zelf doormaakte. Dat is voor mij het belangrijkste geweest. Al een jaar voor mijn verhuizing zocht ik mijn vertier vaker in Amsterdam dan in Leiden. Ik vond dat ik in een soort spagaat leefde met aan de ene kant de wereld buiten het corps (Universiteit en ook veel vrienden die niet aan Minerva gelieerd waren) en anderzijds nog steeds die paar goede vrienden en veel grotere groep bekenden, die deel uitmaakten van die voor mij steeds vreemdere wereld. En dat proces voltrok zich bij mij steeds sneller. ‘Je gaat het pas zien als je het door hebt’ zei universeel denker, nationaal orakel en koning van de diepzinnige oneliners Johan Cruijff ooit en in dit geval had hij zeker gelijk. ’s Middags volgde ik op de universiteit college over Michel Foucault en zijn theorie over discipline en straf en zijn idee van de mechanismen van macht en ’s avonds kon ik op ‘de Tent’ deze zelfde principes (zij het op betrekkelijke schaal) met eigen ogen waarnemen. Klinkt misschien wat extreem maar tot op bepaalde hoogte ging dit zeker op. Vond ik overigens best interessant. Voor mij was het steeds meer Hans Christian Andersen. Er moest een keer geroepen worden dat de keizer naakt was. Zal ook niet ontkennen dat toen ik eenmaal zover was, ik met veel plezier aan het onderstaande stuk gewerkt heb. Altijd leuk om de spreekwoordelijke knuppel in het spreekwoordelijke hoenderhok te deponeren, zeker als dat kippenhok Minerva heet. En een kippenhok was het, zoniet een legbatterij of zelfs een kippenflat, met vele verdiepingen van trapsgewijs gestapelde en dichtgetimmerde leghokjes, compleet met oorverdovend gekakel, gevuld met gouden, zilveren, koperen, ceramische, platina en houten kippen en haantjes, allen druk bezig met het organiseren en reorganiseren van hun ondoorzichtige en mysterieuze pikorde. Je zou er bijna anders van naar die bakstenen doos aan de Breestraat gaan kijken.
Mijn artikel was ik sinds mijn verhuizing naar Amsterdam kwijtgeraakt. In 1998 is mij een keer gevraagd door de redactie van het nieuw te verschijnen lustrumboek voor 1999 of zij het mochten plaatsen. Tot mijn grote verrassing had de redactie mijn verhaal tot ‘best of Correl, seizoen 1996-1997′ verklaard. Ik heb daar toestemming voor gegeven, maar heb dat lustrumboek nooit in handen gehad. Tot heel recent. In een antiquariaat in Amsterdam vond ik een exemplaar met inderdaad mijn stuk erin. Hoewel het toentertijd voor insiders geschreven was (ik denk dat je ook lid moet zijn geweest om het helemaal te begrijpen, omdat je de hier beschreven verschijnselen simpelweg zelf ervaren moet hebben en bovendien was het ook bedoeld als interne kritiek, niet voor een publiek buiten de vereniging), denk ik dat het meer dan tien jaar later wel op mijn blog kan verschijnen. De mensen die daar toen rondliepen zijn inmiddels wel uitgevlogen, hopelijk is alles goed gegaan met de hervormingen en het lustrumboek lag gewoon in de reguliere handel, dus ik zal er weinigen mee voor het hoofd stoten. Bij deze:

HET NAGAANSLULLO-UNIVERSUM (verschenen in ‘Correl’, LSV Minerva, Leiden, juni, 1997)

Het is alweer anderhalf jaar geleden dat Jiskefets geniale lullocreatie het levenslicht zag. Samen met de rest van Nederland kon Minerva minnend Leiden zien hoe de corpsstudent op onnavolgbare wijze gepersifleerd werd. Het begrip lullo is hierna een geheel eigen leven gaan leiden. Bijna iedereen van ons is dit predicaat wel eens een keer naar het hoofd geslingerd, door zo’n wandelend trainingspak in de Haarlemmerstraat. Er klopt alleen iets niet. Dat trainingspak snapt er niets van. Wat ongelooflijk naïef! Gelukkig maar, lief trainingspak, dat je de waarheid niet kent. Je zou eens moeten weten hoe het echt zit. In Leiden bestaat de lullo namelijk niet, helaas wel de nagaanslullo.

De nagaanslullo is een soort lullo die niet noodzakelijkerwijs zitting heeft in een nagaanscommissie; hij is immers zelf zijn eigen nagaansinstituut. Dat wil zeggen dat hij, vanuit zijn inquisitiestoeltje, constant bezig is met het ‘nagaan’ van anderen, vooral wat betreft de vermeende fouten. De spelregels zijn simpel; jij weet zelf niet wat goed voor je is, alleen anderen weten dat. Dit heeft het enorme voordeel dat jij over iedereen mag meebeslissen. Hanteert iedereen zo’n beetje dezelfde criteria, dan streven we gezellig naar hetzelfde ideaalbeeld en gaan we hopelijk op elkaar lijken. Wat democratisch! Wat ongelooflijk egalitair en nivellerend. Het lijkt wel jaren zeventig socialisme, maar dan in een reactionaire variant. Dit zorgt ervoor dat het in Leiden zo knus kan zijn en dat je tenminste weet wat je aan de ander hebt, omdat je hem direct in een hokje kunt plaatsen.
De nagaanslullo verdedigt zijn spelletje met de vreemdste argumenten. Zo spreekt hij graag van sociale controle, terwijl zijn handelingen weliswaar alles met controle te maken hebben maar toch zeker niet sociaal kunnen worden genoemd.  De nagaanslullo noemt zijn gedrag een oefening voor het later functioneren in de maatschappij. Een zeer onaangenaam vooruitzicht. Wanneer dit ook maar iets met de maatschappelijke realiteit te maken zou hebben, zou de wereld er direct een ecologische ramp bij hebben, die van een alles doordringende spruitjeslucht. Dit terwijl het lidmaatschap van het corps pretendeert van alles te zijn, zolang het maar niet burgerlijk is. Wanneer je slachtoffer bent geworden van een nagaanslullo offensief word je verteld dat je er iets van leert. Wat je dan leert kan niemand je uitleggen, maar het lijkt me ver af staan van academische vorming, toch het primaire doel van ons vertoeven in studentenstad Leiden.
Wanneer wij de ideeënwereld van de nagaanslullo, het grote nagaanslullo-universum, eens nader onderzoeken, vallen er vreemde dingen op. De zaligmakende beoordelingscriteria, die  de nagaanslullo hanteert voor de zieleheil van zijn medemens, zijn op zijn zachtst gezegd nogal vaag. Er is sprake van een ideaalbeeld waar naar gestreefd dient te worden, maar wat dat precies is wordt niet geheel duidelijk. Meestal wordt het aangeduid met fallisch gefixeerde begrippen als ‘Mooie Lul’ of ‘Geile Pik’, of soortgelijke pornografisch getinte koosnaampjes. Het gaat hier om de Godsfiguur van het nagaanslullo-universum. Onder dit archetype, dat het beste als ‘Zijne Geiligheid’ kan worden omschreven, bevinden zich vele rangen en standen, die in principe vast liggen. Non-descripte kreten als ‘ik zie jou mooi bezig’ (multi-toepasbaar), of ‘hij heeft er niets van begrepen’ (zeer typische nagaanslullopraat en helemaal multi-toepasbaar) illustreren niet zozeer niet zozeer een stijging of een daling op de hiërarchische ladder maar dienen vooral als een bevestiging van de bestaande orde. Een nagaanslullo-veroordeling of predicaat dient dan ook zeker niet het doel het lot van de ander te verbeteren, maar is slechts bedoeld om de eigen positie te herbevestigen en te versterken.
Zelfbevestiging is het belangrijkste voedsel van voor het nagaanslullo-universum. Hoewel de belijders van deze religie veel blaten over ‘Leidse relativerende humor’ weten zij maar al te goed dat iedere vorm van zelfspot funest kan zijn voor hun grootse wereldbeeld. Relativeringsvermogen laat immers zien dat de fundamenten van hun dogmatische visie op drijfzand zijn gefundeerd en moet dus tot elke prijs worden voorkomen. Critici hebben het niet begrepen en worden dan ook bestraft met een verbanning naar de meest duistere uithoeken van dit universum om vervolgens als ‘knor’ door het leven te gaan. Op deze wijze ontstaat er een soort verbod om het hoofd boven het maaiveld uit te steken. Leg dat maar eens uit aan dat eerder genoemde trainingspak.
Het moge duidelijk zijn; het grote nagaanslullo-universum is een groot luchtkasteel. Het is niet eens een leuk luchtkasteel, zoals een briljante fantasie, een mooie droom of een onhaalbaar ideaal, waar je tegen beter weten in toch voor wilt vechten. Het is fantasieloos, humorloos en vooral dodelijk voor iedere vorm van creativiteit. Deze schijnvertoning is slechts een manifestatie van narcisme, zelfbevlekkende navelstaarderij en, in bepaalde mate, van xenofobie (alles wat afwijkt wordt als een bedreiging gezien). Het is een kermis van uiterlijkheden en meer een cursus ja-knikken dan een zinvolle vorming voor de leden van de grootste en oudste studentenvereniging van een universiteit die Civitas Libertatis als lijfspreuk hanteert. Is het wel echt zo realistisch om aan te nemen dat de buitenwereld op deze muffe luchtballon zit te wachten?
Het hiërarchische systeem (clubje één, twee, drie, tien, achtenveertig, obscuur, enz.) is de laatste tijd binnen de muren van onze sociëteit weer een belangrijk punt van discussie geworden, omdat het leidt tot vriendjespolitiek en interne corruptie. Men moet zich echter wel realiseren dat de oorzaak van dit verschijnsel het onvermijdelijke gevolg is van de nagaanslullo mentaliteit. Het absurde nagaanslullo-universum ontleent niet zozeer haar bestaan aan de toplaag van deze gebakken luchthiërarchie; iedereen die het principe ‘Likken naar boven en trappen naar beneden, ellebogen niet geschuwd en conformisme tot elke prijs’ aanhangt, draagt hier mede verantwoordelijkheid voor.
Onze vereniging staat een periode van enorme hervormingen te wachten. Gelukkig wordt hier vooralsnog op een integere wijze aan gewerkt. Alles is op dit moment meer in beweging dan ooit tevoren. Kwesties die vroeger taboe waren worden nu openlijk uitgesproken. Het grote nagaanslullo-universum kraakt inmiddels in al zijn voegen. Hopelijk stort het in. Het zou in ieder geval onze vereniging een liberaler, eigentijdser en vooral een meer inspirerend gezicht geven. Als iedere nagaanslullo zichzelf per direct zou afschaffen om weer normaal mens te worden, ja dan zou ons corps, waar wij allen toch van houden, bruisend de volgende eeuw in kunnen gaan.

Tot zover mijn beschouwing uit 1997. Optimistisch ben ik niet echt, zie artikel uit het Universeitsblad Mare uit 2006: http://www.sleutelstad.nl/cgi-bin/news/gen1.pl?action=artikel&id=8416 Dit zijn de uiteindelijke verschijnselen, al ben ik niet op de hoogte van de details van dit specifieke geval en gaat dit over iets van lang na mijn tijd. Ik weet dus niet meer dan wat er in dit artikel staat, maar het komt me wel authentiek over, al gaat dat verhaal van die aanranding wel heel ver en kan ik me niets vergelijkbaars herinneren uit mijn eigen tijd. Dat lijkt me dus wel een uitzonderlijk exces, mocht het precies zo gegaan zijn. De rest is helaas wel herkenbaar en ik herinner me soortgelijke gevallen meer dan eens. De hier beschreven muziekrepetitie zal naar alle waarschijnlijkheid de Sempre repetitie zijn geweest, waarvoor je met je instrument langs de kolkende zaal waar alles gebeurde moest lopen. Was altijd een speciale ervaring voor de niet-Minervaleden van Sempre. Let verder vooral op wat leden anoniem melden over doofpotten, dat is wat mij het meest frappeerde. De achterliggende mechanismen van dit soort incidenten heb ik hierboven wel uitgelegd.

Literatuurtips:
Onno te Rijdt, ‘Mores’, uitgeverij Podium, Amsterdam, 2001. Een sterke, nietsontziende eerlijke en min of meer autobiografische roman, over de belevenissen van een eerstejaars in een prominent corpshuis in Leiden. Staat overigens heel ver van mijn ervaringen af. Ik was daarvoor te veel een buitenstaander en heb nooit zo diep in de inner circle verkeerd. Hij beschrijft de harde kern van Minerva (’Pallas’, in deze roman) van binnenuit. Een leuke bijkomstigheid is dat, hoewel alle namen van straten, studentenhuizen en andere locaties (een klein beetje) veranderd zijn, alles tot in de kleinste details klopt. Iedereen die in deze wereld heeft rondgelopen zal veel herkennen. Voor mijzelf en vrienden van mij die het gelezen hebben was het in ieder geval een sterke ‘O ja, zo was het’ ervaring. Hoewel zeker beklemmend vaak heel erg geestig.
Jos Versteegen, ‘De Roze Jonker; Floris Michiels van Kessenich, homo-activist in corps, kerk en politiek’, Schorer-boeken, Amsterdam, 2000. Biografie van de inmiddels overleden oprichter van de Donderdagavond Eet Club, het gezelschap voor homoseksuele corpsleden, die daar in betrekkelijke anonimiteit en veiligheid bijeenkomen.

%d bloggers liken dit: