Mijn hersenspinsels en gedachtekronkels

Afshin Ellian, Barack Obama en de neocon propaganda

Afgelopen week schreef Afshin Ellian een nogal negatief stuk over de verkiezing van Obama (http://www.elsevier.nl/web/10210272/Afshin-Ellian/Barack-Obama-is-vooral-een-reclameproduct.htm). Ellian staat vooral bekend als een vurige criticaster van bepaalde uitingsvormen van de islam. Itt Wilders en Verdonk ben ik zelf altijd erg vriendelijk geweest voor Ellian (en ook voor Ayaan Hirsi Ali). Reden is dat ik ze ergens wel begrijp en toch een bepaald ontzag heb voor hun ervaringen die mij enigszins nederig hebben gestemd in het vellen van een al te streng oordeel. Zij hebben een levensgeschiedenis die er niet om liegt. Door omstandigheden ken ik zelf veel mensen die te maken hebben gehad met brute repressieve regimes uit het Midden- Oosten of de islamitische wereld, al volgen weinigen van mijn contacten de lijn van het radicale verlichtingsfundamentalisten van beide publieke intellectuelen. Maar ik heb alle begrip voor iemand die na een ‘behandeling’ in de beruchte Iraanse Evin gevangenis een diepe afkeer heeft gekregen voor bepaalde uitingen van de islam (al heeft Ellian zelf een andere geschiedenis, maar nogmaals, mijn oordeel is mild). Overigens ken ik genoeg Iraniërs, ook die een verschrikkelijke geschiedenis hebben meegemaakt, die vinden dat Ellian soms wel erg op hol slaat.

Maar goed, politiek en Midden Oosten betekent automatisch polarisatie. Dat heeft alles te maken met de turbulente geschiedenis van dat deel van de wereld van sinds de val van het Osmaanse Rijk aan het eind van de Eerste Wereldoorlog tot het heden. Een voortdurende aanjager is het Israëlische Palestijnse conflict, maar ook de westerse steun aan diverse foute regimes gedurende de twintigste eeuw. Zeer complex allemaal.

Van Iraakse vrienden van mij heb ik weleens gezien hoe heftig de reacties soms waren als niet-Iraakse Arabieren (vooral Palestijnen, maar soms ook Marokkanen) Saddam Hussayn eigenlijk wel een mooie provocateur van het westen vonden. Net alsof het leven onder die despoot zo prettig was. Bovendien ook dom, want was Saddam niet ooit een prettige verdedigingswal tegen de islamitische republiek Iran? En vooral, nog wat langer geleden en dat weet bijna niemand meer, was de seculiere maar radicaal rechtse Ba’thpartij niet een aantrekkelijk alternatief voor het dreigende rode gevaar in Irak gedurende de koude oorlog? Irak kende een grote communistische partij en men vreesde in de westerse wereld eerder een linkse overname dan een rechtse. Dus het steunen van een ultra-rechtse, gedeeltelijk op het fascisme van Mussolini leunende, nationalistische partij was niet eens zo onaantrekkelijk om de invloed van de Sovjet Unie in het olierijke Midden Oosten tegen te gaan. Ook deze geschiedenis is wel heel vakkundig weggemoffeld. Een ‘overblijfsel’ van deze vergeten geschiedenis is dat er veel vroegere Iraakse communisten nu in Nederlandse ballingschap wonen. Ik ken er velen.

Maar dat de nuance soms ver te zoeken is in standpunten van mensen die het Midden Oosten hebben moeten ontvluchten begrijp ik wel. Alleen soms slaat het door.

Een duidelijk geval van doorslaan vond ik Ellians tirades tegen Barack Obama. Ellian weet er in een Elsevier column er zelfs een punt van te maken dat Obama’s tweede naam Hussain is. Natuurlijk heel geestig om te verwijzen naar een belachelijke toespraak die Saddam ooit heeft gehouden waarin hij aankondigde ooit het Witte Huis plat te zullen lopen (en nu krijgt Saddam postuum gelijk, lachen, gieren, brullen) maar het gehak op het feit dat Obama weleens moslim-roots zou kunnen hebben is wel een beetje pijnlijk. Osama Obama, dat soort onzin. Die heeft meneer Ellian zelf toch ook? Of moet ik nu heel erg op mijn tenen lopen om Ellians gevoelens niet te kwetsen. Heb er recent, maar voordat ik deze column van Ellian las, nog grappen over gemaakt met een Iraniër, ook een vluchteling uit de islamitische republiek. Die vond het alleen maar prachtig. We hebben trouwens hard gelachen om de felicitaties van Ahmeddine Najad, of is dat ook voor Ellian een bewijs dat Obama stiekeme banden onderhoudt met moslimfundamentalisten? Maar goed, die Iraanse vriend van mij was er gelukkig mee. Het kan dus toch, iemand met zo’n hybride achtergrond lukt het om president van Amerika te worden. Als Ellian daar nu eens blij mee zou zijn? Hij zou er meteen een prachtig argument bij hebben van hoe mooi, tolerant, etc. het vrije westen is in tegenstelling tot dat despotische, achterlijke, etc. Midden Oosten. Aanleiding genoeg voor een standaard Ellian riedel. Maar nee, Ellian houdt meer van de neocons. Goed is goed en kwaad is kwaad. Rechtlijnigheid, daar gaat het om. Dat ook Bush tot op zekere hoogte een religieus fundamentalist is, lijkt in Ellians geval bijna een pré. Maar wellicht was Ellian gelukkiger geweest met Sarah Palin.

Het toppunt vind ik wel dat Ellian Obama verwijt een scriptie (?!) te hebben geschreven bij de ‘Palestijnse radicaal’ Edward Said (een beroemde hoogleraar literatuurwetenschappen van Palestijnse afkomst aan de Columbia University, inmiddels overleden). Goed, in sommige kringen is Edward Said wat omstreden, niet in de laatste plaats bij de neoconservatieve hardliners. Maar Said was geen fundamentalist, juist een zeer strikte secularist van NB Christelijke Palestijnse afkomst. Wel was hij zeer kritisch naar Israël en het Amerikaanse Midden Oosten beleid. Ik heb in mijn eerdere bijdragen op mijn blog uitvoerig aandacht besteed aan Saids gedachtegoed en werken, sla die er ter achtergrond informatie maar op na.

Maar nu het vreemde, Obama is jurist en afgestudeerd aan Harvard. Edward Said was literatuurwetenschapper, verbonden aan de Columbia University. Heeft dus weinig met elkaar te maken. Het zou best kunnen zijn dat Obama een keer een keuzevak bij hem heeft gevolgd, maar op internet is daar niets van terug te vinden. Dat is vreemd, want als dit zo zou zijn zou Ellian vast niet de enige zijn die hier van gewag heeft gemaakt. Een zoektocht op internet levert één resultaat op. Op een schreeuwerige weblog ‘The Neocon’ staat een foto van Obama zittend naast Edward Said, geanimeerd converserend bij een diner van de Arab Community in Chicago in 1998, waar Edward Said blijkbaar ‘guest of honour’ was (http://neoconexpress.blogspot.com/2008/03/obama-edward-said-quick-question.html). Wat verschrikkelijk. Obama is dus toch een moslim die met ‘extremistische islamieten’ omgaat. De schreeuwerige tekst liegt er niet om.

Ik vrees dat Ellian toch één nare gewoonte uit het Midden Oosten niet heeft afgeleerd, hoe opzichtig hij ook met zijn westerse ‘reborn’ identiteit pronkt. Dat is zijn gevoeligheid voor paranoïde propaganda. Daarvan is in de dictatoriaal bestuurde landen in het Midden Oosten namelijk genoeg te vinden.

En dan Ellians opmerking dat de Amerikaanse media nogal links zijn. Welke media? The Nation is een links blad, maar wordt door een hele kleine minderheid gelezen. CNN? Lijkt me toch meer rechts van het midden voor Europese maatstaven. En Fox is natuurlijk extreem links.

Ik vind het geen onprettige gedachte als Obama inderdaad een keer zijn licht heeft opgestoken bij Edward Said. Wat je ook van zijn standpunten mag vinden, het was wel een van de meest markante denkers over de postkoloniale machtsverhoudingen. Voor een toekomstige president van de Verenigde Staten lijkt mij dat alleen maar gunstig. Als een president van de Verenigde Staten kritisch kan reflecteren op de westerse dominantie ten opzichte van de derde wereld. Beter kan toch niet? Wat moet dat een verademing zijn na het platvloerse wij/zij denken van George W Bush. En hopelijk valt het dan toch wel mee met Obama’s eenzijdigheid naar Israël en kan hij als Amerikaanse president een werkelijke rol van betekenis spelen als bemiddelaar voor vrede in het Midden Oosten.

Maar nee Ellian houdt meer van schreeuwerige clash of civilizations fundamentalisten. Zwart wit denken tot alles in een rokende puinhoop is veranderd. Het zijn nu juist dat soort fundamentalisten die het Midden Oosten kapotmaken, van kortzichtige Amerikaanse bezetters van Irak, krankzinnige kolonisten op de Westbank, despotische Arabische dictators en koningen t/m fanatici als Ahmeddine Najad. De ‘normale’ bewoners van dat deel van de wereld hebben daar sterk onder te lijden, iets waar Edward Said wel oog voor had. Hopelijk de nieuwe president van de Verenigde Staten nu ook.

En Ellian heeft zich in dit geval vergelijkbaar opgesteld als een dame die op een moment in de campagne McCain in grote verlegenheid bracht met de woorden: ‘He ’s an Arab’, Waarop MacCain haar terecht wees met de onhandige formulering: ‘No Mam, he is a decent citizen’(http://www.youtube.com/watch?v=0YIq5Q15L1o).

Er zijn veel Arabische Amerikanen, ook die er al generaties wonen. Allemaal good citizens. Edward Said was een van hen, maar voor Ellian blijkbaar een moslim extremist, terwijl Said nog Christen was ook. Misschien moet Ellian ook terecht gewezen worden door McCain.

Verder zal ik van Obama geen heilige maken. We moeten afwachten hoe zijn beleid zal zijn, maar het lijkt me een verademing na Bush. We zullen wel zien.

Floris Schreve

 

De gewraakte foto van Obama met Edward Said, tijdens een diner van de Arab American Community in Chicago in 1998.

‘GLAMORAMA’ VAN BRET EASTON ELLIS; EEN MOGELIJKE DUIDING

Posted in cultuurtheorie, literatuur by Floris Schreve on 20 oktober 2008

Recent vond ik mijn oude beschouwing over Glamorama, een roman van Bret Easton Ellis, weer terug (zie voor synopsis en meer de Nederlandse officiële site). Ik had dit toentertijd (2002) geschreven voor een aantal mensen in mijn vriendenkring, die dit boek hadden gelezen en met wie ik er veel over discussieerde. Zelf vond ik het een briljant boek. Het was overigens het eerste wat ik van deze auteur las (later heb ik ook American Psycho en Lunar Park gelezen, die mij eigenlijk alleen maar hebben gesterkt dat mijn interpretatie van toen wel degelijk klopte). Vanwege de vele gesprekken besloot ik mijn gedachten erover op papier te zetten. Het gaat dus om een mogelijke interpretatie van mijn kant, niet meer dan dat, al heb ik er wel enige redenen voor dat het dicht bij de auteur zelf staat. Zelf laat hij zich zelden eenduidig uit over zijn werk. Wel heeft hij gezegd dat Glamorama over ‘de werkelijkheid’ gaat, meer dan over het beschrijven van de New Yorkse glamourwereld op zich. Het opduiken van de bepaalde kunstenaars en de twee motto’s die hij zijn boek meegeeft geven hier des te meer reden toe. ‘Het gaat vooral om de dingen die je niet weet’. Maar nogmaals, dit is niets meer dan een persoonlijke interpretatie. Het gaat slechts om een paar ideeën die ik had opgeschreven kort nadat ik het gelezen had. Maar eerst een korte synopsis (van de Nederlandse uitgever, Ambo/Anthos) daarna mijn eigen beschouwing:

Victor Ward -‘It Boy of the Moment’ – is jong, mooi en gelukkig. Hij staat op het punt om eigenaar te worden van de hipste nachtclub in Manhattan, kent de juiste mensen in de wereld van ‘The Rich and Famous’ en woont samen met supermodel Chloe. Het leven lijkt Victor toe te lachen, totdat in Engeland de actrice Jamie Fields verdwijnt. Een geheimzinnige opdrachtgever belooft Victor een bedrag van 300.000 dollar als hij zijn ex opspoort en heelhuids terugbrengt. Zonder veel moeite vindt hij Jamie in Londen, hopeloos verstrikt in de netten van haar biseksuele vriendje Bobby. Bobby’s passies zijn geld, wapens en de wereld verbeteren. Langzaam maar zeker glijdt ook Victor af tot de duistere wereld van Bobby, waar de wetten gelden van roem, afkomst en terrorisme en waar geloof en principes er niet toe doen. Kwade machten dreigen Victor te vermorzelen: hij zit in de val, er is geen uitweg, geen andere wereld dan deze, waarin hotels ontploffen en vliegtuigen neerstorten.

Op briljante wijze schetst Bret Easton Ellis de obsessieve wereld van de glamour, waar alles draait om geld, macht en roem; een schijnwereld vol illusies en valkuilen. Glamorama is een zwart-humoristische aanklacht tegen de oppervlakkigheid, hebzucht en ijdelheid van de jaren tachtig en negentig, geschreven door een van de belangrijkste stemmen uit de hedendaagse literatuur.

Jeff Koons, ‘Ushering in Banality’, sculptuur/object, 1986.

Het hier getoonde houten beeld is niets anders dan een reusachtige uitvergroting van een klein kitschbeeldje, gevonden op een folkloristische markt in Duitsland. Koons heeft het ook laten maken, dus zelfs de ‘hand van de meester’ ontbreekt. Door dit object als museumkunst te presenteren zaagt Koons aan de poten van iedere vaste aanname van wat goede smaak is en wat niet. Maar met dit bijna cynische statement wil Koons ons laten zien dat alles van waarde betrekkelijk is en slechts berust op afspraken tussen smaakmakers, oftewel machtsverhoudingen. Overigens geen aanklacht maar een constatering; hij doet er zelf immers aan mee (moraliseren is Koons, net als Easton Ellis, wezensvreemd) Op een bepaalde manier is het zelfs ultiem nihilistisch, net als Glamorama. Maar de vragen die het oproept zijn wel indringend. Beide, dit kunstwerk en de roman, vertegenwoordigen het ultieme postmodernisme van de jaren tachtig en negentig, zich beroepend op de ideeen van de Franse postmoderne filosofen Lyotard, Foucault, Lacan en Beaudrillard (vooral de laatste)


‘GLAMORAMA’ VAN BRET EASTON ELLIS; EEN MOGELIJKE DUIDING

De structuur van de roman

Het verhaal wordt verteld vanuit het zeer dwingende ‘ik’ perspectief van de hoofdpersoon, die waarschijnlijk Victor heet. ‘Waarschijnlijk’ omdat al snel blijkt dat zijn waarneming van de realiteit notoir onbetrouwbaar is. Het verhaal blijkt vol inconsistenties en onwaarschijnlijkheden te zitten. De lezer moet het slechts met de waarnemingen van Victor doen en omdat er nooit van het perspectief van de hoofdpersoon wordt afgeweken, blijft het tot het eind onduidelijk wat er werkelijk gebeurt. Overigens worden hier genoeg toespelingen op gemaakt. Zinnen als ‘het gaat vooral om de dingen die je niet weet’ of ‘Let’s slide down the surface of things’ lijken vooral hints aan de lezer te zijn, maar ook dit is niet zeker. We hebben immers met de versie van Victor te maken en al snel blijkt dat Victor zijn greep op de realiteit volledig is kwijtgeraakt.

Dit wil niet zeggen dat het boek niet logisch is, de structuur is zelfs in een zeer dwingende vorm gegoten, al lijkt het verhaal vanaf het begin tamelijk chaotisch. Er worden drie verschillende verhalen verteld, die door elkaar heen lopen en in elkaar grijpen, maar die alle drie hun eigen logica bevatten. Om Glamorama werkelijk te begrijpen is het noodzakelijk om de drie verhaallijnen uit elkaar te trekken, te analyseren en te interpreteren, om vervolgens deze elementen weer met elkaar in verband te brengen. Naar mijn inzicht is dit de beste manier om het boek te duiden en uiteindelijk de betekenis ervan bloot te leggen.

De eerste verhaallijn is de beschrijving van de New Yorkse glamourwereld. Het betreft hier vooral een opeenstapeling van allerlei details zoals uiterlijke beschrijvingen, de soms eindeloze opsomming van namen van celebreties en niet te vergeten het altijd benoemen van merknamen, ook als dit voor het verhaal volstrekt niet relevant is. De ogenschijnlijke irrelevante dwangmatigheid hiervan wordt pas echt duidelijk wanneer de tweede verhaallijn zichtbaar wordt (dit begint bij het opduiken van de figuur F. Fred Palakon). Het boek lijkt zich te ontwikkelen tot een spionagethriller, waarin de meest onwaarschijnlijke zaken gebeuren, maar waarvan de ontknoping uiteindelijk consistent blijkt te zijn, al zijn er wel wat ongerijmdheden. Het belangrijkste hiervan zijn de gemanipuleerde foto’s, al is hier logischerwijs is hier nog wel een verklaring voor te vinden. Wat in het hele verhaal het meest verhullend werkt, hoewel dit uiteindelijk veel verklaart, is de derde verhaallijn, namelijk de ongerijmde waarnemingen van de hoofdpersoon Victor. Hieruit kan worden geconcludeerd dat hij schizofreen is. Dit gegeven speelt vanaf het begin een grote rol, al kom je daar als lezer niet meteen achter. In het eerste deel zijn er wel een aantal aanwijzingen, al zijn zij niet direct als zodanig herkenbaar. Toch kan de oplettende lezer in het begin al een aantal symptomen waarnemen. Zo duikt er tussen de namen van alle filmsterren, welhaast tussen neus en lippen, de figuur Huckleberry Finn op, een romanpersonage van de negentiende-eeuwse Amerikaanse schrijver Mark Twain. Ook het gegeven van de zwarte jeep, waarin de ene keer de gewapende achtervolgers van Victor in zitten en volgende dag opeens is gevuld met paparazzi, werken sterk bevreemdend. Verder komen er in het begin veel elementen voor, die in de context van de New Yorkse Glamourwereld nog wel te verklaren zijn, maar later een belangrijke bijdrage leveren aan het vervreemdende effect. Genoemd moeten worden de overal aanwezige confetti en het gegeven dat er vaak iemand in de buurt is die het oude jazznummer neuriet of fluit On the sunny side of the street. Tenslotte is het zeker opmerkelijk dat de hoofdpersoon het in het eerste deel continue koud heeft, ook als hij op de catwalk van een verhitte modeshow loopt.

Later in het verhaal wordt de vervreemdende werking van al deze elementen steeds manifester. Als de hoofdpersoon alleen is hoort hij bijvoorbeeld On the sunny side fluiten (‘en achter mij stond natuurlijk niemand’) en als hij aan boord van het schip staat, buiten in de regen en de wind, moet hij toch nog steeds de confetti van zijn schoenen vegen. Deze twee elementen lijken steeds vaker een soort vooraankondiging te zijn van waanzin; in het een na laatste deel bijvoorbeeld neemt hij deze verschijnselen weer waar als hij opeens in zijn eigen appartement wordt aangevallen door twee gemaskerde mannen. Verder blijken de elementen confetti en ongerijmde kou nadrukkelijk aanwezig tijdens het hoogtepunt van de spionage intrige en worden deze gecombineerd met nieuwe elementen, zoals een nadrukkelijke poeplucht en een enkele keer een sterke popcornlucht, zelfs als hij midden tussen de mensen champagne staat te drinken. Ook de permanente aanwezigheid van camera’s en regisseurs, maken deel uit van de schizofrene fantoomwereld van Victor. Deze elementen worden afgewisseld met de vele gruwelijke details van de daden van de terroristengroep rond ex-model Bobby Hughes, die uiteindelijk, hoe extreem en onwaarschijnlijk ook, toch weer lijken te passen in de plot van de spionagethriller. De confetti, de poeplucht, het gegeven van On the sunny side of the street en de overal aanwezige cameraploegen horen hier echter niet in thuis; zij zijn slechts onderdelen van de geesteszieke wereld van de hoofdpersoon.

De structuur van het verhaal wordt gekenmerkt door een typische ‘vlechtvorm’. Een traditionele vlecht bestaat in regel uit drie strengen, die samen het geheel vormen. De drie ‘strengen’ van dit verhaal bestaan uit de thema’s ‘glamour’, ‘thriller’ en ‘schizofrenie’. Zij zijn los van elkaar volstrekt consequent, qua opbouw en coherentie. Om tot een juiste analyse van dit werk van Brett Easton Ellis te komen dienen deze afzonderlijke verhaallijnen los van elkaar begrepen te worden, waaruit blijkt dat de narratieve structuur van de verschillende delen logisch in elkaar zit en daarmee gewoonweg ‘klopt’ . Toch hebben deze ‘strengen’ een gezamenlijke eigenschap en vormen zij daarmee het geheel. Dit geheel kan alleen geïnterpreteerd worden als een product van de hersenspinsels van de hoofdpersoon ‘Victor’.

Wie is Victor?

Dit is misschien wel de meest interessante vraag die je naar aanleiding van het boek kunt stellen, maar hij is tegelijkertijd niet te beantwoorden. Het verhaal wordt consequent vanuit het perspectief van de hoofdpersoon verteld en met de perceptie van deze hoofdpersoon is van alles mis, niet in de laatste plaats met wie of wat hij zelf is. Dit blijft zo tot aan de laatste alinea van het boek, dus de vraag is principieel onbeantwoordbaar, daar dit buiten het domein van de roman blijft. Voor zover de hoofdpersoon een eigen identiteit heeft, is deze vooral een geconstrueerde, die geen enkele voeling meer heeft met de werkelijkheid. Ook over wat hem precies drijft, of zelfs waar hij zich precies bevindt valt niets met zekerheid te zeggen, omdat het hier slechts subjectieve gebeurtenissen betreft, die zich bovendien in een ziekelijke fantoomwereld afspelen. Er kan zelfs weinig tot niets gezegd worden over zijn eigen emoties en afwegingen, omdat hij zich volledig heeft geïdentificeerd met een ander persoon. Hoewel daarvoor in het hele verhaal aanwijzingen zijn, blijkt uit een passage uit het laatste deel vrijwel onomstotelijk dat dit zo is. Het gaat hier om het fragment wanneer Victor zijn ‘zus’ belt. Sally, de zus van ‘Victor Johnson’ geeft aan de hoofdpersoon niet te kennen en laat haar ‘broer’, Victor Johnson dus, aan de lijn komen. Als je deze passage als betrouwbaar beschouwt, wat gezien het hele boek enigszins twijfelachtig is, zou je ervan uit moeten gaan dat Victor in ieder geval niet ‘Victor Johnson’ is. Dan zou deze scène het enige moment zijn dat de ‘echte’ Victor Johnson aan het woord komt, zei het door de telefoon en dan ook nog via de getroebleerde waarneming van de hoofdpersoon. Toch zijn er aanwijzingen dat het laatste deel van het boek nog het dichtst bij de realiteit staat. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de hoofdstuknummering. Alle andere delen kennen een aflopende nummering (deel 1 begint bijvoorbeeld met hoofdstuk 33 en eindigt met hoofdstuk 0), behalve het laatste deel, dat een oplopende nummering kent. Hoewel het laatste deel vol met ongerijmdheden zit, met chaotische flashbacks en vreemde zelfbespiegelingen, en vooral dat het verhaal volkomen stuurloos lijkt te zijn geworden zonder dat het zich ergens naartoe ontwikkelt (daardoor wijkt dit deel ook af van alle voorgaande delen, zelfs het verloop is, in tegenstelling tot de andere delen, niet chronologisch), heeft het er alle schijn van dat de virtuele realiteit van het verhaal enige barsten begint te vertonen en dat de ‘werkelijke realiteit’ af en toe doorsijpelt.

Een ander voorbeeld hiervan is een scène uit dit laatste deel wanneer Victor in de spiegel kijkt. Hij ziet een spookachtig gezicht met grijs haar, terwijl hij in het hele verhaal is weergegeven als een fotomodel met een onberispelijk uiterlijk. Mijns inziens ziet hij hier voor het eerst ‘zichzelf’. Een andere tekende passage uit dit deel is het moment dat Victor opeens tot zelfreflectie komt. Dit is een te belangrijk detail om terzijde geschoven te worden; in het vrijwel het gehele verloop van het verhaal gebeurt dit immers nooit, hoewel daar, gezien de vele absurde wendingen en gebeurtenissen, soms alle reden voor zou zijn. Uit de roman blijkt dat Victor een persoon is die zich slechts laat leiden door de gebeurtenissen en slechts anticipeert op het moment. Hier kom ik later op terug, maar van belang is dat hij in deze kleine passage voor de eerste en laatste keer van dit patroon afwijkt. Zijn overpeinzing aan het eind van het laatste deel bevat onder meer de volgende passages: “Er zat geen systeem in dit alles. Chloe Byrnes bestond op dit moment nog niet echt voor me en er moesten die middag in het huis op Ocean Drive een paar beslissingen worden genomen, waarvan de voornaamste was: ik zou er nooit meer over piekeren dit alles achter me te laten (…) ik leerde veel toffe lui kennen en ik begon beroemd te worden en op dat moment was ik niet in staat één ding te begrijpen: dat als ik deze middag niet uit mijn geheugen zou wissen en niet gewoon de deur uit zou lopen en Chloe Byrnes achter me zou laten, fragmenten van deze middag als nachtmerries terug zouden komen”.

Naar mijn mening beschrijft de hoofdpersoon hier het moment waarin hij zijn schizofrene wereld binnenstapt en vormen de genoemde ‘nachtmerries’ het verhaal Glamorama. Wat hier in essentie gebeurt is dat de hoofdpersoon zichzelf ontwerpt naar zijn beeld van het model en senatorszoon Victor Jonnson, die al dan niet een relatie heeft met het fotomodel Chloe Byrnes. Zelfs daar kun je je twijfels bij hebben. Uit het bovenstaande blijkt zelfs dat Chloe Byrnes op een gegeven moment ‘geconstrueerd’ is, waarna het verhaal zijn aanvang neemt.

Wie is Victor dan eigenlijk? Victor Ward, alias Victor Johnson, is een geconstrueerd alter-ego van een schizofrene patiënt. Overigens is het heel goed mogelijk dat deze schizofreen ook in werkelijkheid Victor Ward heet. Deze vreemde namenkwestie komt veel ter sprake maar wordt nooit opgelost. In eerste instantie lijkt ‘Victor Johnson’ zich te willen distantiëren van zijn vader, de senator Samuel Johnson. In de laatste delen lijkt hij hier echter geen probleem meer mee te hebben. Volgens de lijn van de spionagethriller klopt dit beeld, en zelfs is dit nog te verklaren vanuit een andere ‘streng’, die van de glamour. Het staat echter volledig in contrast met de derde lijn, die van het gegeven ‘schizofrenie’. Aan het eind van de roman gaat dit ook hard botsen (zie de scène waarin Victor zijn ‘zus’ belt). Mijns inziens is het zelfs heel waarschijnlijk dat Victor niemand anders is dan Victor Ward, die zich heeft laten samensmelten met zijn eigen projectie van de werkelijke Victor Johnson, waardoor er een virtueel personage is ontstaan. Dit personage blijkt zich ook als zodanig te gedragen, in zijn eigen virtuele wereld.

De wereld van Victor Ward

Natuurlijk is het zo dat personages in een geheel fictieve roman verzonnen zijn. Bij Glamorama zit dit echter iets gecompliceerder in elkaar. Het gaat hier immers om fictie op fictie. De hoofdpersoon is een ‘bedachte constructie’ en beweegt zich ook in een wereld die virtueel is. Toch heeft deze wereld wel raakvlakken met de werkelijke wereld, en zou het zelfs zo kunnen zijn dat de ‘werkelijkheid’ vanuit deze virtuele wereld wordt becommentarieerd. Zoals eerder vermeld kent deze wereld wel zijn eigen logica, al gebeuren er veel absurde dingen (zie de ‘vlechtstructuur’). Laten wij eerst kijken naar de wereld waarin Victor Ward zich beweegt en wat hij daar zoal waarneemt en beschrijft. En vooral, hoe hij zich daarin gedraagt.

De wereld van Victor Ward wordt bevolkt door allerlei personages die maar wat doen, zonder zich af te vragen wat de zin van dit alles is. Er bestaat wel iets van een oppervlakkige spiritualiteit, maar deze beperkt zich tot primaire zelfhulp (diepzee visualisatie) en Victors favoriete goeroe en spiritueel adviseur Deepak[1], met Donna Karan pak en Diesel zonnebril, met wie hij van gedachten wisselt over een nieuw trendy restaurant (acht, het zijn er zoveel). De afwezigheid van zingeving maakt dat deze personages gespeend zijn van iedere vorm van geweten, ethiek of moraal. Ook kennen zij geen werkelijke emoties, behalve primaire instincten zoals seksuele driften, angst, begeerte, woede, wreedheid, egoïsme, etc. Grotere emoties als ‘liefde’, ‘idealisme’, ‘verdriet’, ‘berouw’ of ‘geluk’ zijn simpelweg afwezig. Er is maar één een grote constante, namelijk ‘verveling’. Rationele afwegingen worden er zeker gemaakt, maar omdat er geen grotere zingeving is, dienen deze slechts om de primaire instincten te bevredigen. Dit alles geldt ook voor Victor. Dat hij op een gegeven moment besluit om de Amerikaanse ambassade in Parijs in te lichten over de activiteiten van de terroristengroep rond Bobby Hughes, komt zeker niet voort uit idealisme of gewetensbezwaren, maar uit angst, of omdat het gewoon in het ‘script’ staat. Wie nog enige illusie heeft dat hij in de verte iets diepers voelt voor Chloe Byrnes, komt bedrogen uit. Nadat zij op een gruwelijke wijze aan haar eind is gekomen, gaat Victor, terug in New York, weer vrolijk aan de haal met Alison Poole met haar twee honden Mr. en Mrs. Chow, en maakt hij een eetafspraak met Eva, alias Lauren Hynde, waarvan gebleken is dat zij een voormalig agente is van de inmiddels opgerolde groep van Bobby Hughes en bovendien Alisons doodsvijand (zie de afloop van het feest aan het eind van het eerste deel). Hij ergert zich zelfs aan de vele opmerkingen ‘wat erg van Chloe’. De enige moraal die Victor kent is dat je moet houden van jezelf, zoals hij die uiteen zet in een interview met MTV in het eerste deel. Achteraf weet je dat het erop neerkomt dat de schizofreen slechts houdt van zijn alter-ego.

Victor is iemand die slechts anticipeert op wat hem voor de voeten komt en lijkt geen noemenswaardige problemen te hebben met de gevolgen. Het past zelfs niet eens in zijn referentiekader om daarover na te denken. Tekenend is zijn relatie met Marina op het cruiseschip de QE2. Victor wil slechts seks met haar en is niet geïnteresseerd in wat zij hem te vertellen heeft, al blijkt dan al dit wellicht een relatie heeft met zijn mysterieuze missie Londen om het ‘verdwenen’ model Jamie Fields te zoeken. Uiteindelijk heeft hij seks met haar, maar net voordat hij, door de invloed van champagne en cocaïne, in slaap valt, heeft hij door dat hij is gepijpt door een man met een pruik op, die verwoed zijn kamer begint te doorzoeken, op zoek naar de hoed van Lauren Hynde. Deze blijkt later gevuld te zijn met ‘remform’, een materiaal waarmee de ‘ideale kneedbom’ kan worden gemaakt (de echte Marina is dan waarschijnlijk vermoord). De volgende ochtend is dit geen issue meer en denkt hij er zelfs niet meer over na. In eerste instantie denk je als lezer dat dit met Victors gekte te maken heeft, maar degene die het boek uit heeft, weet inmiddels dat die hele Victor een nepcreatie is, dus op dat moment doet het er gewoonweg niet meer toe.

Typerend is een uitspraak van ex-model en ‘meta-terrorist’ Bobby Hughes: “Victor, ik weet dat ik je kan vertrouwen, want als je van de Gaza Strook hoort, denk je dat het gaat om een onderdeel van een jurk”. Nu zegt Bobby Hughes dit niet omdat Victor dom is, dat is hij namelijk zeker niet. Het kan Victor gewoon niets schelen. De werkelijke problematiek van de Gaza Strook, past simpelweg niet ‘in zijn script’, om een typische Glamorama-term te gebruiken.

Dit aspect werpt ook een interessant licht op Victors reacties (aan het eind van het derde deel), wanneer hij plotseling is geconfronteerd met de afschrikwekkende martelingen van de groep rond Bobby Hughes. Hoe indringend en afgrijselijk de intrige beschreven is, wanneer Victor, in opdracht van Bobby, Sam Ho ophaalt uit een Londense nachtclub, waarna blijkt dat Sam Ho door Bobby op een gruwelijke manier wordt doodgemarteld (dit is wellicht de meest shockerende scène uit het hele boek), in feite wijkt het niet wezenlijk af van wat hij eerder heeft waargenomen.

Het begin van het derde deel, waarin Victor Jamie Fields ontmoet, is niet heel anders dan de beschrijving van de latere terreuraanslagen van Bobby Hughes. In beide gevallen vliegen de verbrande ledematen in het rond, alleen is het de eerste keer een special effect van een filmopname, terwijl de latere bomexplosies ‘echte’ terroristische aanslagen zijn.

Hoe beeldend de vele gruwelijkheden uit Glamorama ook zijn beschreven, het heeft weinig te maken met de werkelijkheid. De manier waarop Victor dit alles registreert en beschrijft lijkt meer op een film met overtuigende special effects. Niet voor niets zijn er overal en altijd regisseurs, cameraploegen en fotografen in de buurt. Het is dan ook opvallend dat Victor alle gruwelijkheden waarneemt op een filmische manier, zonder dat hij werkelijk iets ondergaat. De gruweldaden, die een soort climax bereiken in de dood van Chloe zouden voor ieder mens een traumatiserend effect hebben. Voor Victor niet, een paar pagina’s verder ligt hij weer bovenop Alison Poole.

Wellicht is het meest typerende voorbeeld van de manier waarop Victor de wereld om hem heen registreert de beschrijving van de vliegtuigramp, de laatste terroristische daad van Bobby Hughes. Op 4300 meter komt de bom tot ontploffing. Het gebeuren wordt omschreven in zinnen als: “Het voorstuk van de 747 – met inbegrip van de cockpit en een gedeelte van de eersteklascabine – breekt af en stort ter aarde terwijl de rest van het vliegtuig voortraast, aangedreven door de nog onbeschadigde motoren. Een complete rij in de buurt van de ontploffing wordt – terwijl de mensen die in de stoelen zitten vastgegespt het uitschreeuwen – het vliegtuig uitgezogen. (…) Één rij wordt bespat met het bloed en de ingewanden van de passagiers voor hen, die doormidden zijn gekliefd. Een andere rij wordt onthoofd door een enorme plaat aluminium, en overal in de cabine blijft bloed rondkolken dat zich vermengd met de vliegtuigbrandstof. De brandstof maakt iets los, dwingt de passagiers een simpel feit onder ogen te zien: dat ze mensen moeten laten gaan – moeders hun zonen, ouders hun kinderen, mannen hun vrouwen – en dat ze, binnen luttele seconden misschien, onvermijdelijk zullen sterven”. Als het vliegtuig is neergestort, wordt er onder meer het volgende beschreven: “Om de een of andere reden waren de meeste passagiers op deze vlucht onder de dertig, en dat is aan de overblijfselen te zien: zaktelefoons en laptops en Ray-Ban zonnebrillen en honkbalpetten en samengebonden rollerblades en camrecorders en verbrijzelde gitaren en honderden cd’s en modebladen (zoals YouthQuake met Victor Ward op de omslag) en hele garderobes van Calvin Klein en Armani en Ralph Lauren hangen in brandende bomen…”

In de wereld van Victor Ward zijn zinloze details als merknamen net zo belangrijk, zo niet nog belangrijker, dan de gruwelijke gebeurtenissen op zich. De manische wijze waarop al deze gegevens worden opgesomd zijn typerend voor de stijl het hele boek, te meer een teken dat dit alles niets te maken heeft met de realiteit, maar met de ziekelijke fantoomwereld van de schizofrene hoofdpersoon. Naar mijn mening gaat het hier om de kern van de thematiek van Glamorama. Ik bedoel niet het gegeven dat de hoofdpersoon schizofreen is, dat is slechts de randvoorwaarde die de wereld van Victor Ward mogelijk maakt. Zonder zijn ziekte had het verhaal niet kunnen plaatsvinden en had zijn ‘virtuele realiteit’ nooit bestaan. Dat wil niet zeggen dat het in deze roman om de ziekte van Victor gaat. Alles wijst erop dat het juist gaat om de waanwereld die hij beschrijft. De essentie van Glamorama is ‘de wereld van Victor Ward’ zelf.

Glamorama als ‘simulacrum realiteit’

Laten we eerst proberen vast te stellen wat Glamorama niet is. Het is zeker geen psychologische roman over iemand die schizofreen is. We weten immers niet waarom hij schizofreen is geworden. Mogelijke achtergronden als een moeilijke, jeugd seksueel misbruik uit het verleden, een complex om zijn uiterlijk waardoor hij zich is gaan verbeelden dat hij een fotomodel is, al dit soort zaken worden niet behandeld en zijn dan ook niet relevant. Ook komen we niet te weten of er kans op genezing mogelijk is of juist niet. Tekenend is dat er in de roman geen enkele sprake is van karakterontwikkeling. Victor blijft gewoon Victor. Het laatste deel wijkt hier enigszins vanaf, maar dit lijkt mij meer een gegeven om aan te tonen dat de perceptie van Victor gebaseerd is op waanzin, dan dat het de achtergronden van die waanzin toelicht. De toespelingen op Victors ziekte zijn dan ook minimaal. Het gaat er dus nogmaals alleen maar om dat hij ziek is, niet waarom hij ziek is.

Is Glamorama eventueel op te vatten als een cultuurkritiek? Hier valt iets meer voor te zeggen. Eventueel zou je de waanvoorstellingen van Victor symbolisch kunnen opvatten. Als hij bijvoorbeeld op de zoveelste champagneparty staat en het tegelijkertijd koud heeft en het naar poep stinkt, zou dit iets over de aard van deze champagneparty kunnen vertellen. De gegevens ‘poeplucht’ en ‘kou’ zou je als metaforen kunnen zien dat het op deze feestjes in werkelijkheid niet echt aangenaam toeven is, ondanks alle schone schijn. Op deze manier zou je ook de verschijnselen ‘confetti’ en het liedje On the sunny side of the street kunnen interpreteren. Confetti is te associëren met wegwerpmateriaal, pulp dus, ondanks de schijn van ‘glamour’. De tekst The sunny side wordt vaak gezongen door iemand die er niet blijkt te zijn, wat wellicht de suggestie wekt dat ook ‘the sunny side’ slechts schijn is. Inderdaad blijkt vaak dat de hele glamourwereld vaak niets meer is dan een vernislaagje. Jonge, knappe en hippe fotomodellen blijken vaak aan de drugs te zijn, of ze zijn psychopaat of levensgevaarlijke terroristen. Verder slikt iedereen aan de lopende band xanax om op de been te blijven. Ook zijn de gesprekken in het glamourwereldje in regel stuitend oppervlakkig. Je zou in een aantal opzichten dus kunnen concluderen dat deze roman een satire of een aanklacht tegen de New Yorkse modellenwereld is.

Toch doe je naar mening hiermee het boek geen recht. Daar is de compositie te geraffineerd voor (zie de ‘vlechtstructuur’ waarvan ieder deelaspect volstrekt logisch in elkaar zit). De complexiteit van deze roman is zo doorwrocht dat je deze niet zomaar terzijde kunt schuiven, wil je de betekenis ervan duiden. Bovendien is de metaforische waarde van ‘poeplucht’, ‘kou’ of ‘confetti’ wel erg voor de hand liggend. Het boek lijkt mij iets te intelligent om het slechts op deze wijze te interpreteren. Naar mijn stellige overtuiging is Glamorama dan ook geen psychologische roman, noch zozeer een cultuurkritiek of een satire, maar een filosofische roman.

Om de betekenis van Glamorama te begrijpen moet deze in de context worden gezien van de zogenaamde simulacrum-theorie van de Franse postmoderne filosoof Jean Baudrillard. Eind jaren tachtig en begin jaren negentig was het ideeëngoed van Baudrillard van zeer grote invloed op de New Yorkse kunstwereld. Het werk van de beeldende kunstenaars Jeff Koons en Haim Steinbach zijn hier duidelijke voorbeelden van. Deze New Yorkse kunstwereld is ook de achtergrond van Brett Easton Ellis. Tekenend is dat de namen van Koons en Steinbach vaak op de gastenlijsten met celebraties prijken, in het eerste deel.

In zo simpel mogelijke bewoordingen komt Beaudrillards simulacrum-theorie op ongeveer het volgende neer. Een simulacrum is een schijnrealiteit, die parallel loopt aan de werkelijkheid, maar waarin het onderscheid tussen waarheid en leugen zijn opgeheven. Dit is echter niet meer zichtbaar voor degenen die zich binnen het simulacrum bevinden, waardoor zij zich qua gedrag, cultuur, smaak, ethische afwegingen, politieke voorkeuren en zelfs qua wetenschappelijke aannames, aanpassen aan de randvoorwaarden die het simulacrum biedt, al is de basis hiervan nog zo twijfelachtig. Het in twijfel trekken van een simulacrum is echter praktisch onmogelijk voor degenen die zich erin bevinden; het bepaalt immers al je rationele, emotionele en spirituele of filosofische aannames, waardoor het vrijwel kansloos is om je daaraan te onttrekken. Een simulacrum kan onder verschillende omstandigheden optreden en is in principe van alle tijden en culturen, maar Baudrillard heeft erop gewezen dat het optreden van dit verschijnsel in een maatschappij, die wordt bepaald door massacommunicatie en nieuwe media, een levensgroot risico is. Door de vele informatiestromen is de mens gedwongen keuzes te maken. Omdat de mens nu eenmaal een sociaal kuddedier is worden deze keuzes gekenmerkt door de hypes en trends van het moment. De informatie voorziener is hierdoor gedwongen om mee te gaan in deze behoefte. Op deze wijze is het mogelijk dat zowel de ‘boodschapper’ als de ‘ontvanger’ dit systeem in stand houden, in een steeds neerwaarts gaande spiraal. Hierdoor kan er een ‘totaal-simulacrum’ of een ‘hyperrealiteit’ ontstaan, die weliswaar wordt gevoed door impulsen van buitenaf, maar automatisch worden aangepast aan de randvoorwaarden van het simulacrum. Zowel de top van een simulacrum (in regel de brenger van de boodschap) als de consument (de ontvanger) zijn op dat moment de regie volkomen kwijtgeraakt, waardoor dit proces stuurloos om zich heen kan slaan, en wellicht vele rampen kan veroorzaken, zeker in een ‘geglobaliseerde wereldorde’.

De ideologie van Osama Bin Laden en de daarmee samenhangende aanslagen van 11 september, zou je heel goed vanuit deze theorie kunnen verklaren, net zo goed als de opgeklopte retoriek van de regering Bush over ‘The war on terrorism’ en de ‘Axis of Evil’. Met name het laatste punt lijkt zich te ontwikkelen tot een simulacrum van ongekende omvang, waarover zowel de top (Bush en zijn regering) als de onderlaag (de burgerslachtoffers uit de komende oorlogen, maar ook de inwoners van de westerse wereld, die de informatie van de mediaoorlog ‘consumeren’) de regie zullen kwijtraken.

Beroemd is Baudrillards analyse van de berichtgeving van CNN van de Golfoorlog uit 1991. Baudrillard stelt dat er tijdens deze oorlog een geheel nieuwe vorm van nieuwsgaring is uitgevonden. We hadden natuurlijk Peter Arnett, die vanaf het dak van het Rasheed Hotel te Bagdad, de bombardementen versloeg alsof het een grote vuurwerkshow was. Ook liet CNN live beelden zien van de bombardementen op ‘militaire installaties’ (overigens weten wij nu dat het ook civiele doelen waren, zoals bruggen, elektriciteitscentrales en zelfs ziekenhuizen), maar goed, op dat moment deed het er weinig toe. De oorlog werd ‘live’ in beeld gebracht, waardoor het allemaal veel echter leek, maar daardoor was het juist bedrieglijker. Het belangrijkste kenmerk van de berichtgeving van CNN was dat deze oorlog leek op een groot Nintendo-computerspel. En de wereld geloofde het. Zie hier de werking van het ‘simulacrum-effect’.

Baudrillard constateerde op een gegeven moment zelfs een soort ‘simulacrum-kortsluiting’. Een dag lang zond CNN beelden uit van Amerikaanse soldaten in de woestijn van Saoedi-Arabië, die naar CNN aan het kijken waren, in afwachting van nieuws over het verloop van de oorlog. Dit lijkt enigszins hilarisch, maar bij nadere beschouwing is dit gebeuren tamelijk onheilspellend. Baudrillard heeft erop gewezen dat hier miljoenen mensen naar gekeken hebben, wat hij aantoonde door middel van het opvragen van de kijkcijfers. Dit had een scène uit Glamorama kunnen zijn, zij het dat de Saoedische woestijn niet echt een typische locatie is voor Victor Ward, maar dit gegeven zou zo in zijn schizofrene wereldbeeld passen. Nogmaals het ging hier om miljoenen kijkers, die aan het staren waren naar soldaten, die naar hetzelfde beeldscherm aan het kijken waren, in afwachting van nieuws over de oorlog. Het was het klassieke ‘Droste-effect’ maar dan in een zeer sinistere context. Elders ging de oorlog gewoon voort, maar dit was op dat moment niet relevant. Inderdaad, om met Glamorama te spreken, ‘het gaat vooral om de dingen die je niet weet’, alleen is het niet eenvoudig om deze te achterhalen, daar de ‘dingen die je niet weet’ zich in regel buiten het veld bevinden waarin het simulacrum opereert.

Overigens moet simulacrum niet verward worden met politieke propaganda. Propaganda in haar meest succesvolle vorm, kan hooguit gezien worden als een geslaagde vorm van een beperkt soort simulacrum, waarbij machthebbers of instituties hier nog enige controle over hebben (zie bijvoorbeeld Joseph Goebbels). Simulacrum gaat veel verder. Het zuigt mensen mee in een pandemonium van schijnrealiteiten, zonder dat er iemand nog controle op heeft. Toch passen mensen hun verwachtingspatronen, hun voorkeuren , hun levensstijl, en vooral hun ethiek en moraal hieraan aan. Een duidelijk aantoonbaar voorbeeld is de ‘mediacratie’ in de Verenigde Staten, die de democratie vrijwel lijkt te hebben vervangen. Overigens is Europa en ook Nederland aangestoken met het virus van simulacrum-realiteiten of neprealiteiten. Naar mijn mening was het anders niet mogelijk dat een programma als Big Brother hier zo populair is geworden, om met John de Mol te spreken: “Het is ons gelukt om Nederland massaal te laten kijken naar een programma, dat net zo saai is als het staren naar een vissenkom”. Het beeld dat men van iets of iemand heeft is belangrijker dan de realiteit, als deze al in absolute vorm kenbaar is. Beaudrillard gelooft, als postmodernist, namelijk van niet.

Terug naar Glamorama. Ik durf de stelling aan dat de essentie van deze roman een simulacrum is van kolossale proporties, die veel verder gaat dan Beaudrillard het ooit geformuleerd heeft.

Baudrillard heeft het overigens nooit bedoeld dat zijn theorie letterlijk werd toegepast in de kunsten, zoals Koons en Steinbach dat deden. Het ging hem erom het probleem te benoemen, niet om het in de praktijk te brengen. Een kunstenaar als Jeff Koons heeft het simulacrum principe echter omhelst door het toe te passen, en zie, het werkte. Baudrillard heeft hierop gereageerd met de uitspraak: “Het is nooit mijn bedoeling geweest om een Gotische spitsboog naast een Dorische zuil te zetten en ons in verveling kapot te amuseren”. Brett Easton Ellis heeft, net als Jeff Koons, de simulacrum theorie in zijn literatuur toegepast, maar hij levert er indirect ook commentaar op. Dit doet hij niet in de roman zelf (nogmaals, dit is de meest radicale vorm van simulacrum, die ik ooit in een kunstwerk heb waargenomen, zelfs in vergelijking met Koons), maar in de twee motto’s die hij de lezer meegeeft, alvorens zij Glamorama gaan lezen. Het gaat hier om twee citaten. De eerste uitspraak is van Krishna, de tweede van Adolf Hitler.

Eerst de uitspraak van Krishna: “Er is geen tijd geweest waarin jij of ik of deze koningen niet bestonden”. Het gaat hier om een citaat uit de Bhagavat Gita, het ‘oergeschrift’ van het Hindoeïsme en, samen met het Mesopotamische Gilgamesh-epos, wellicht de oudste geschreven bron uit de wereldliteratuur. Om dit citaat in de context van de betekenis van Glamorama te begrijpen is enige uitlegging van dit uit het oude India afkomstige heldenepos noodzakelijk. Krishna is de tot mens geïncarneerde god Vishnu. Vishnu heeft besloten om zich tot mens te laten incarneren, om de held van de Bhagavat Gita, Arjoena, terzijde te staan, in een door oorlogen geteisterde wereld. Doordat Vishnu hiermee zijn goddelijke natuur heeft opgegeven, door mens te worden in de persoon Krishna, heeft hij een belangrijk offer moeten brengen, namelijk zijn perceptie op de realiteit. Hoewel Krishna, in dit oude heldenepos, beschikt over grote krachten, kan hij, door zijn ‘mens’ zijn, niet meer naar het ‘totaal’ kijken, wat hij wel kon toen hij nog de god Vishnu was, hoewel hij anderzijds toen weer slechts een abstracte kracht was, die geen concrete dingen in de fysieke wereld tot stand kon brengen. Daardoor was zijn ‘vleeswording’ in de mens Krishna noodzakelijk, om Arjoena in zijn moeilijke queeste te vergezellen. Juist omdat Krishna weet dat hij ooit over een soort goddelijk ‘totaalperspectief’ beschikte, maar dit nu is kwijtgeraakt, probeert hij Arjoena tot inzichten te brengen, maar relativeert tegelijkertijd ook zichzelf. Krishna en Arjoena zijn twee ronddolende figuren in een wereld vol twijfel, haat en redeloze oorlogen. Koningen, of andere despoten, jagen hun eigen macht, belangen, of ziekelijke idealen na. Het is aan Krishna om Arjoena dit proces te laten doorzien, hoewel Krishna zelf ook weer twijfelt, omdat hij er zich bewust van is dat hij geen god meer is, maar mens. Het in Glamorama aangehaalde citaat is dan ook een raadgeving van Krishna aan Arjoena. In de hele Bhagavat Gita zegt Krishna tot Arjoena feitelijk niets anders dan: “Let’s slide down the surface of things”.

Overigens zijn er nauwelijks psychologische overeenkomsten te bedenken tussen de personen Krishna en Arjoena enerzijds en Victor Ward anderzijds. De eerst genoemden zijn een soort twijfelende ‘Hamlets’, die in een wereld ronddolen die wordt gekenmerkt door wreedheid. Victor Ward is weliswaar ook iemand die in een uitgesproken wrede wereld leeft, maar nooit last heeft van welke vorm van twijfel dan ook. Er is dus niet zozeer een psychologische link te leggen, maar wel degelijk een filosofische, temeer een teken dat Glamorama in de kern een filosofische roman is. Dit blijkt zeker uit het tweede ‘motto’, afkomstig van Adolf Hitler: “U vergist zich als u denkt dat wat wij doen alleen een kwestie van politiek is”.

Wellicht is Hitler een van de grootste ‘simulacrum bouwers’ uit de geschiedenis van de mensheid geweest, daarom is hij ook voor vele historici zo’n ongrijpbare figuur en is het zo moeilijk om te doorgronden wat hem werkelijk bezielde. In deze context moet dan ook de in Glamorama aangehaalde uitspraak worden geplaatst. Hitler hield zich niet zozeer met concrete politiek bezig, dit liet hij zelfs over aan ondergeschikten, maar met het realiseren van zijn eigen ideale fantoomwereld. Dit verklaart zijn meest ogenschijnlijk irrationele daden, zoals het ten uitvoer laten brengen van de holocaust. Ian Kershaw, heeft in zijn Hitler-biografie, Nemesis, laten zien dat aan het eind van de Tweede Wereldoorlog de gebeurtenissen in Hitlers bunker niets meer te maken hadden met het verwoeste Duitsland daarbuiten. Ondanks al zijn retoriek was het niet zo dat Hitler van Duitsland hield, hij hield slechts van zijn eigen beeld van Duitsland. Het werkelijke lot van het Duitse volk liet hem koud. Hitlers motivatie voor het nemen van zijn meeste beslissingen was zeker niet irrationeel, integendeel zelfs, alleen dienen zij begrepen te worden in de context van zijn wereldbeeld. Dit wereldbeeld was gebaseerd op waanzin. In dit opzicht is Victor Ward te vergelijken met Adolf Hitler, niet qua misdadigheid, maar wel wat betreft de meedogenloze consequentie, waarmee zij beide hun eigen schijnrealiteiten najagen, geheel in de ban van hun eigen obsessies (zie de beschrijving van de vliegtuigramp uit Glamorama).

Tot slot lijkt het mij interessant om de wereld van Victor Ward te vergelijken met hoe Vaclav Havel de maatschappij van de post-Stalinitische dictaturen uit het Oostblok van jaren zeventig heeft beschreven. Hoewel het communistische Tsjecho-Slowakije, door haar grauwe armoede en mistroostigheid, wel het tegenovergestelde lijkt van de wereld van glitter en glamour van Victor Ward, blijken er op een dieper niveau verrassend veel overeenkomsten te zijn. In zijn essay Poging om in waarheid te leven (alleen de titel al is mijns inziens het radicaal tegenovergestelde van Victors rol in Glamorama), dat hij in 1978 in de gevangenis schreef, beschrijft Havel de volgende situatie. In de etalage van zijn winkel, heeft een groenteboer een kaartje neergezet met de tekst ‘Proletariërs aller landen, verenigt U!’ Havel filosofeert over de motieven van zo’n groenteman om dit specifieke kaartje in zijn etalage te plaatsen. Havel: “Dat kaartje was onze groenteboer toegestuurd door de centrale van de onderneming, samen met de uien en de worteltjes. Hij had alles in de etalage gelegd, gewoon omdat hij dat al jaren heeft gedaan, omdat iedereen het doet en omdat het zo hoort. (…) Het ligt voor de hand dat de groenteman onverschillig staat tegenover de semantische inhoud van de slogan in zijn etalage; hij zet dat kaartje daar niet neer op grond van enig persoonlijk verlangen om het publiek op de hoogte te stellen van het ideaal dat daar wordt uitgesproken. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat zijn daad geen enkele zin of betekenis heeft, of dat de slogan niets te zeggen heeft tot wie dan ook. De slogan is eigenlijk een teken, en als zodanig bevat hij een onderbewuste, maar zeer welomschreven boodschap. (…) Het moet de groenteman in staat stellen te zeggen: “Wat kan ik er op tegen hebben dat de proletariërs aller landen zich verenigen?” Op die manier helpt het teken de groenteboer – hij kan voor zichzelf de vernederende grondslag van zijn gehoorzaamheid verbergen, en tegelijkertijd verbergt het teken de vernederende grondslag van de macht. Het verbergt zich achter de façade van iets verhevens. En dat iets is ideologie. Ideologie is een misleidende manier om met de wereld om te gaan. Zij biedt mensen de illusie van een identiteit, van waardigheid en moraal. Als draagster van iets ‘suprapersoonlijks’ en objectiefs stelt ze mensen in staat hun geweten te bedriegen en hun ware modus vivendi te verbergen, zowel voor de wereld als voor zichzelf. (…) Ideologie is een excuus dat iedereen kan gebruiken, van de groenteboer, die zijn angst om zijn baantje kwijt te raken verbergt achter een zogenaamde belangstelling voor de eenwording van de proletariërs aller landen, tot aan de hoogste functionaris, wiens belang om aan de macht te blijven beschermd kan worden door holle frasen over het dienen van de arbeidersklasse. De voornaamste verontschuldigende functie van de ideologie is dan ook dat zij de mensen, als slachtoffers en als steunpilaren van het post-totalitaire systeem, de illusie biedt dat het systeem harmonieert met de menselijke orde en de orde van het heelal. (…) Doordat de ideologie een brug van verontschuldigingen slaat tussen het systeem en het individu, overspant zij de afgrond die gaapt tussen de doelstellingen van het systeem en de doelstellingen van het leven. Zij doet het voorkomen alsof de vereisten van het systeem ontleend zijn aan de eisen van het leven. De ideologie is een schijnwereld die tracht door te gaan voor werkelijkheid”.

Vaclav Havel schreef deze woorden voordat Baudrillard met zijn simulacrum-theorie was gekomen, maar naar mijn mening wordt hier een huiveringwekkend simulacrum beschreven, voortgekomen uit Stalins erfenis. Iedereen is slachtoffer en dader, van groenteman tot minister. Doordat men collectief een waanwereld in stand houdt, waarvan iedere legitimiteit ontbreekt, is zij ook zo intens leeg (elders wordt deze leegte ook door Havel besproken). Het is de meest indringende beschrijvingen van simulacrumwerking onder een dictatuur die ik ken.

Wie echter denkt dat een ingewikkeld systeem van leugens en drogredenen het menselijke leven tot in de kleinste details kan beheersen, uitsluitend mogelijk is onder een dictatuur, heeft het mis. Ook in een uitgesproken niet ‘ideologische’ wereld kunnen mensen leven gebaseerd op een wijze, die gefundeerd is op leugens en manipulatie. Hier gaat Glamorama over. Ondanks alle schone schijn is de wereld van Victor Ward, doordat zij is gefundeerd op nihilisme en leegheid, in haar diepste essentie totalitair. Het is een soort Orwelliaans1984, in een confettiregen, gebaseerd op bedrog, waaruit iedere vorm van menselijkheid is verdwenen. Dit maakt het lezen van Glamorama niet altijd tot een aangename ervaring. Soms grijpt het boek je bij de strot, maar dat maakt het niet minder briljant.

Floris Schreve

22-10-2002

voor een bondige uitleg van de simulacrumtheorie kan ik de het volgende boekje aanraden: Jean Baudrillard, ‘Simulations’, uit, ‘Semio(texte)’, MIT Press/New York, 1983.

Lees zeker ook: Andrew Robinson, Jean Baudrillard: Hyperreality and Implosion, Ceasefire Magazine, augustus, 2012

Homo’s!…het gelijk van Komrij

Posted in homo-emancipatie/'homo-kwesties' by Floris Schreve on 13 oktober 2008

 

Homo’s!…het gelijk van Komrij

 

Een half jaar geleden schreef ik op mijn weblog het ietwat sneerderige en daarmee ‘typisch nichterige’ stukje ‘Warm badje met homo-moeder Rita’. Ik liet toen al merken dat ik de omarming van het platte Archie Bunker electoraat, opgezweept door foute politici, hoogst onaangenaam vond. Gelukkig bleek ik niet de enige te zijn. Kort geleden publiceerde Gerrit Komrij een mij uit het hart gegrepen essay ‘Waarom is Nederland zo dol op homo’s?’ (de Groene Amsterdammer, 26-09-2008). Vooral de passage over Rita Verdonk klonk mij als muziek in de oren. Komrij: ‘Omdat haar naam nu weldra vergeten zal zijn, ondanks haar robuuste aanwezigheid de laatste jaren en ondanks de amechtige kalverliefde waarmee de journalisten haar op een voetstuk plaatsten, wil ik even vastleggen wie Rita Verdonk is. Rita Verdonk is een in haar motoriek ietwat boerse vrouw met beperkte verstandelijke vermogens, afkomstig uit het gevangeniswezen waar men, boef of cipier, alles weet van onderdrukte seksuele verlangens’. Hoera, dacht ik, eindelijk iemand die dit ook vindt en dit veel mooier onder woorden kan brengen dan ik het ooit zou kunnen. Ik ben een groot liefhebber van Komrij, zolang hij maar geen dichter des vaderlands is of een ongelukkig gedicht schrijft over de ‘zittende politicus’, die het ‘echte monster niet ziet’ (rond de moord op Pim Fortuyn). Dat vond ik helaas een misser en ik was even bang dat hij zijn kunstenaarschap had verloren aan het platte volksgevoel en het gebrul van de meute. Maar gelukkig had Komrij daar ook snel ‘tabak van’, zoals hij middels een afscheidsgedicht liet weten.

Komrij als vrij kunstenaar heb ik echter zeer hoog zitten. Zijn roman ‘Verwoest Arcadië’ vind ik een van de hoogtepunten van de Nederlandse literatuur wanneer het homoseksualiteit betreft, net als alle boeken van de nog steeds geheel ten onrechte vrij onbekende schrijver Willem Melchior. Qua wat oudere Nederlandse literatuur de suggestieve juweeltjes van Louis Couperus tot het gewaagde directe van Jacob Israël de Haan. Moedig dat zij aan het begin van de twintigste eeuw deze verhalen durfden en zelfs konden schrijven rond dit thema, los van de grote literaire kwaliteit. Ook erg mooi is de serie ‘Geheim dagboek’ van Hans Warren. Ik ben zelf niet zo’n grote liefhebber van Reve, maar dat wil dat wel nederig aan mijn eigen beperktheid wijten. Misschien zie ik op dat gebied nog een keer het licht.

Maar goed, homo’s dus. Er is de laatste tijd rond mijn soort mensen veel te doen geweest dus wellicht moet ik zelf maar eens duidelijk maken hoe ik tegen mijn eigen soort aankijk en vooral, wat ik vind van hoe allerlei hetero’s er tegen aan kijken, van goedbedoeld tot kwaadwillig.

Aan een kant gaat het goed met de homo’s. Homo’s zijn populair, zijn lief, grappig en ze zouden zo je ideale schoonzoon zijn. De soppende huisvrouw heeft de homo ontdekt, wat dat betreft geheel eens met Komrij. Je zou haar bijna het liefst een darkroom in een van de donkerste holen van de Warmoestraat in willen sturen maar wat als ze dat ook enig vindt? Koot en Bie waren al profetisch met hun Frank en Carla van Putten, in hun scène ‘niet wijzen, moeder’ (hier terug te zien  http://www.youtube.com/watch?v=-xfTlBSqCQY ). Briljante sketch, maar dit lijkt zo’n beetje de prijs te worden die je moet betalen bij de algehele emancipatie. Alhoewel, homo’s zijn vooral leuk als ze weliswaar middelmatig zijn, maar toch net een beetje voldoen aan het clichébeeld dat veel hetero’s (en veel homo’s zelf overigens) van deze soort hebben. Dat is namelijk de januskop van de zo geliefde homo. De hetero’s moeten er wel hun eigen stereotype denkbeelden in bevestigd zien, anders is het niet meer leuk. Nederland houdt niet zozeer van homo’s, Nederland houdt van een cliché van homo’s. En laat dit nu net de valkuil zijn. In Komrij’s woorden: ‘Er loopt een directe lijn van de Canal Parade naar de Paralympics!’

Elders op mijn blog is het verschijnsel exotisme in verschillende bijdragen vaak langsgekomen. Exotisme wil zeggen dat het beeld van de ander belangrijker is dan de ander zelf. Het beeld kan naar hartenlust worden ingezet voor de eigen doeleinden. Arabieren zijn enerzijds wellustig en anderzijds gevaarlijk (handig als je een vijand nodig hebt, zie hier). Indianen zijn oud en wijs en hun ras representeert de ‘avondschemering der mensheid’ (handig in dit geval voor Rudolf Steiner en de antroposofie, als je een theorie nodig hebt waarin het Arische ras het summum en de bloei van de schepping zou moeten zijn, zie hier, sommige hedendaagse indianen zelf over deze stereotypen, zie hier). Rita Verdonk houdt ook van homo’s en host graag met ze mee (om de moslims te schoppen, we hebben het al eerder gezien). Allemaal vormen van exotisme. Zelfbevestigdend exotisme bestaat ook. Het is hier allemaal langsgekomen. ‘Zelfbevestigend oriëntalisme’, Ba’thisme (Saddams variant van Arabisch nationalisme) en négitude (Senghors oproep aan alle zwarten om je vooral heel erg je op je Afrikaanse ‘roots’ te richten). De ander is hoe dan ook anders, soms in positieve zin, soms in negatieve zin, uitsluitend omdat we dan zelf zo zeker weten hoe wij zijn. Zie ook alle overbodige debatten over Nederlandse identiteit, ook al zo’n stompzinnige trend (geheel eens met Prinses Maxima overigens). Een positieve bijkomstigheid is dat er opeens veel aan geschiedenis wordt gedaan. Hopelijk is dat een kans om juist uit te leggen dat zo’n eigen identiteit helemaal niet bestaat en dat wij/zij denken volkomen zinloos is. Zouden we van de geschiedenis kunnen leren, als je dit soort lessen uit de geschiedenis kunt leren. Ook dat is twijfelachtig.

Maar hoe dan ook, heel onlangs bleek dat de homo’s zo actueel zijn dat ook het NCRV discussie programma ‘Rondom tien’ er een aflevering aan wijdde (hier terug te zien http://player.omroep.nl/?serid=182). Aanleiding was het stuk van Komrij. Daar bleek het volgende: sommige ‘homo’s’ hebben zelf genoeg van die lading stereotypen die door die ‘domme hetero’s’ zo hartstochtelijk worden gekoesterd, ook als dat zogenaamde positieve stoplappen zijn. Dit waren hele gewone homo’s, maar ze hadden hetzelfde als Komrij. Ik kan mij hier geheel in vinden. Stemde me weer positief.

Maar dan die anderen in dat programma. Er waren namelijk ook boze homo’s. Zij waren minder gecharmeerd van Komrij’s speldenprikjes. Maar zien jullie het dan niet?  Hoe jullie gereduceerd worden tot een stereotype, een gebruiksartikel voor foute populisten. Soms handig om in te zetten, maar soms ook niet. En dat Geer en Goor zich daarvoor laten lenen is hun probleem. Geef mij dan maar Komrij’s hautaine vertoog. En laat de cliché-nichten maar aan de hetero’s, al zie ik het soms met lede ogen aan.

Wat mijn probleem is met ‘homo-exotisme’ is dat het altijd een agenda dient die niet de jouwe is (zeg ik als homo). Het is altijd iets interessants om voor buitenstaanders (hetero’s in dit geval) mee aan de haal te gaan. Dat kan soms bloedlink zijn. Hetero’s kunnen op die manier gaan uitmaken wat typisch homo is en wat niet. Er is zo sprake van een discours-vorming buiten jouw invloed om. Over jou en niet met jou. Uiteindelijk is het ook de hetero die de marges bepaald waarbinnen je wel of geen homo mag zijn (wat zag Michel Foucault dit soort zaken toch goed, zie hier een nog altijd huiveringwekkend goede en beroemde tweegesprek met Noam Chomsky http://www.youtube.com/watch?v=WveI_vgmPz8, een van de mooiste hoogtepunt van het ‘postmodernisme’ ). Discoursvorming hangt uiteindelijk samen met machtsuitoefening, wat dat betreft nog altijd eens met Foucault, al is deze denker tegenwoordig weer een beetje ‘uit’. Foucault was trouwens ook homo, maar dat heeft er voor mij niets mee te maken. Hooguit zou je dan sneller bewust kunnen zijn van dit soort processen van macht, van insluiting en uitsluiting, maar ik denk dat je dat ook heel goed kan als je tot een andere vreemde minderheid behoort. Ik zou ook kunnen verwijzen naar mijn eerdere artikel over de kunstenaar Jimmie Durham (zie Moderne kunst van Indiaans Noord Amerika), of wat verschillende kunstenaars uit de Arabische wereld hierover te vertellen hebben. Heb juist voor dat thema altijd een grote fascinatie gehad. Ga dat hier overigens niet psychologisch proberen te verklaren door aan oninteressante introspectie te doen, dat laat ik liever aan anderen. Ik heb trouwens een grondige hekel aan vrijblijvend amateur psycholoog spelen, naar mezelf en naar anderen.

Maar goed, om toch iets over mezelf te zeggen, hoe beleef ik mijn eigen homoseksualiteit? Aan een kant zou je mij bijna een ‘assimilant van de heterocultuur’ kunnen noemen, zoals dat in de jaren van radikale aksie heette (in die dagen diende je soms zo militant mogelijk je identiteit uit te dragen, net alsof je als mens een geworden was met je identiteitssjabloon). Zo beleef ik het dus duidelijk niet. Wat wel leuk is aan het postmodern homo zijn is dat je kan shoppen uit verschillende subculturen. Een soort prettige vorm van schizofrenie dus. Nu heb ik ook geen vaste relatie en ben ik nog relatief jong, dus heb daar volop gelegenheid toe. Het is dus veel vrijheid blijheid en veel mag, maar niets hoeft. Rare verkleedpartijtjes voor diverse gelegenheden, die weer heel erg komisch zijn als je er ook weer met gepaste afstand naar kan kijken. Dan kun je er ook vaak erg om lachen. Dat zo’n beetje. Zolang je maar niet door een kleine nalatigheid je eigen leven en dat van anderen in gevaar brengt. Die verantwoordelijk heb je namelijk wel en in dat opzicht ben ik erg rechtlijnig. Voor zo’n Groninger affaire dus geen greintje begrip. Voor ander onveilig gedrag ook niet. Dat is eigenlijk alles.

Wat dat ‘identiteits-shoppen’ betreft het is altijd weer grappig om te zien hoe er in diverse kringen aan groepsvorming wordt gedaan. Er is geen wereld zo trendgevoelig als de homowereld (ik kan beter zeggen ‘homowerelden’ want deze is verdeeld in allerlei verschillende soorten scenes). Trends komen en gaan daar bijna sneller dan in de ‘normale’ en ‘hetero’ boze buitenwereld. Of het nu om de leerscene gaat of om de meer trendy jongenscultuur van de Reguliersdwars. Er is vaak niets leukers dan met mede homoseksuelen badinerend te ouwehoeren over hoe lomp, onelegant en smakeloos die domme heterowereld is, die er vaak niets van heeft begrepen. Heel erg navelstaarderig is dat ook, zo niet bijna dorps. En ja, iedere kudde heeft een vijand van buiten nodig, dat is wel weer het jammere maar ook het onvermijdelijke er aan. Maar soms wel erg grappig, zolang je er niet in verzuipt.

Wat voor mij ‘typisch’ homo is, is iets wat ik zelf uitmaak. Dat hoeft mij niet te worden uitgelegd door opportunistische buitenstaanders, die menen in hun zelfverklaarde tolerantie en ruimhartigheid de grenzen te mogen bepalen. Het betreft ook mijn persoonlijke keuzes en zolang ik daar niemand mee benadeel gaat het ook niemand iets aan. Wel kan ik me erg storen aan sjabloondenken en kuddegedrag. ‘Dat jij niet op Pim stemt, jij als homo zou toch beter moeten weten’ heb ik een keer te horen gekregen van iemand, die net als ik lid was geweest van het Leidse corps Minerva. Hij had net ontdekt en bedacht dat homo’s ook leuke mensen zijn, zolang ze maar wel een beetje anders blijven. Dankzij Pim zijn homo’s op een gevaarlijke manier ‘in’ geworden. Dat is al iets om waakzaam voor te zijn. Want wat als je niet aan het beeld voldoet wat zo dodelijk wordt omhelsd? Wellicht is een nog sterkere afwijzing en uitsluiting het gevolg. Oppassen dus. De uitzending van ‘Rondom tien’ laat zien dat er nog altijd redenen zijn om oplettend te zijn. Voor je het weet word je in het hokje van de ‘Pride homo’s’ geduwd. Het volk vindt dat nu even fantastisch maar wee je gebeente als de stemming omslaat. Komrij heeft dus gelijk, al is het maar hoe hij instemmend wordt aangehaald op Geen Stijl: ‘Albert Verlinde, Geer & Goor en alle andere zogenaamd hilarische fladdernichten bukken jullie even? ‘s-Lands homoseksueelste mooischrijver Gerrit Komrij vraagt uw aandacht voor zijn gebalde vuist tot vér achter het schaambot’ (http://www.geenstijl.nl/mt/archieven/2008/09/komrij_poept_op_homos.html). Het is een bijna selffulfilling prophecy. Alleen het slot van dat stuk al: ‘Zo. En nu weer buttsecksen allemaal’ (met die spelling, laat staan dat die idioten weten waar ze het over hebben). Komrij waarschuwt ons juist voor dit geluid, alleen hebben die idioten van Geen Stijl dat niet eens door. Wel beangstigend, en hoe dom de meeste stukjes van geenstijl.nl ook zijn, zij komen meestal wel uit de diepste riolen van de samenleving en laten helaas wel zien hoe even later het ‘Gesundes Volksempfinden’ eruit ziet wanneer het bovengronds komt. Dat hebben we al in het geval van de moslims gezien.

Om geheel instemmend met Gerrit Komrij af te sluiten: ‘Macht blijft macht. Ik kan, als homoseksueel uit een verloren tijd, nog signalen lezen. En al die signalen geven te kennen dat er iets zwaait voor de homoseksuelen als ze niet langer aan de eis van knuffelbaarheid voldoen’. Wie kan zich nog Rotterdam Culturele hoofdstad 2001 herinneren? Het voorbeeld van multiculturele tolerantie, waar buurstad Antwerpen met zijn Dewinter een voorbeeld aan zou moeten nemen? Hoe ‘knuffelig’ er toen over Marokkanen werd gepraat? 11 september kwam en binnen een jaar was het de stad van de leefbaren en Pim Fortuyn.

De woorden op nationale onderbuik Geen Stijl geven genoeg te denken. Ga toch ‘buttsecksen’. Blijkbaar zowel een randdebiel achter het toetsenbord als tussen de lakens. En bemoei je verder niet met zaken waar je geen verstand van hebt.

gaypride, Amsterdam 2008

Antroposofie II; een repliek

VAN DE PROPAGANDA, HALVE WAARHEDEN EN DE KLOEKE LEUGENS

ANTROPOSOFIE DEEL II (zie ook deel I, deel III, deel IV, deel V, deel VI en deel VII)

Over de kunst van het vermeend selectief citeren ter bewijs van een ‘vermeende’ rassenleer

waarin een gedeeltelijke repliek op Paul Heldens ‘9/11 Heikele kwesties’ en met een verwerking van zijn belangrijkste literatuursuggesties

Afgelopen voorjaar publiceerde ik op mijn blog een nogal polemisch artikel ‘Geloof in kabouters, Atlantis, Volkszielen en Wortelrassen en pas op voor Dark Lord Ahriman, zwart-magische constructies, de Luciferische Verleiding, overkokende kliersystemen en de ‘Finsteren Saturn’;  Rudolf Steiner en de antroposofie’ (inderdaad, de titel was wat lang). Hoewel het op sommige plaatsen enigszins ironisch getoonzet was, was het wel degelijk bedoeld om aan te tonen dat er wat duistere kanten aan de antroposofie kleven. Sterker nog, dat deze duistere kanten zich ook in de kern van de door  Rudolf Steiner geformuleerde ‘Weltanschauung’  bevinden.
Zoals ik ook in dat stuk al heb aangegeven, waren mijn motieven voor het schrijven van deze beschouwing vooral persoonlijk. Van de kleuterklas tot de zevende klas heb ik zelf op de Vrije School gezeten en kom ik uit een achtergrond die de antroposofie aanvankelijk zeer welgezind was. Het was bij ons de BD, de Jonas en mijn ouders lazen Bernard Lievegoed en Jelle van der Meulen. Wel was het altijd de gematigde kant van de antroposofie, het radicale gezicht ben ik pas later gaan ontdekken.
Na mijn lagere schooltijd ben ik nog slechts sporadisch met de antroposofie in aanraking geweest. Bij ons in de buurt (Twente) was geen bovenbouw en ik ben naar een niet antroposofische middelbare school gegaan. Eigenlijk was het pas tijdens mijn verblijf  in Leiden dat ik weer in aanraking kwam met deze levensbeschouwing. Ik wilde er zelf wat meer van weten dus heb een paar inleidende boeken gelezen, over de antroposofie (vooral de inleiding van Jacob Slavenburg) en verder over esoterie in het algemeen, vaak publicaties van min of meer antroposofisch georiënteerde uitgeverijen als ‘Ankh Hermes’ en ‘Christofoor’ (vooral de boeken van Thorwald Dethlefsen en Jan Karel Hylkema staan mij nog bij, maar ook Castaneda en Gurdieff). Ook heb ik me wat georiënteerd op andere stromingen, als de Vrijmetselarij en de esoterische kant van het Boeddhisme. Dat laatste was vaak meer geschiedenis, net als de uitstapjes naar het ’vermeend oorspronkelijk Christendom’, Katharen, etc, ook een tijdelijke hobby (lang voor ‘de Da Vinci Code’ overigens). Verder heb ik me enigszins beziggehouden met sommige esoterische uitleggingen van de opera’s van Mozart (‘Die Zauberflöte’), Richard Strauss (‘Die Frau ohne Schatten’) en Richard Wagner (‘Der Ring des Nibelungen’) en heb op dat gebied het een en ander aan overigens zeer boeiende lezingen gevolgd, van iemand die dat ook op een hele goede manier vanuit theosofisch/antroposofisch perspectief wist te belichten (vooral rond de tijd dat ‘de Ring’ van Wagner in de Nederlandse Opera werd uitgevoerd).
Vanuit de universiteit kreeg ik echter volstrekt ander soort denkbeelden mee (vooral veel postmodernisme en later ook het ‘postkolonialisme’ als ik het zo kan omschrijven, gezien mijn interesse voor hedendaagse kunst en cultuur uit de niet-westerse wereld). Ik ben me ook veel meer daarop gaan richten en heb de esoterie gelaten voor wat die was. Uiteindelijk vond ik het ook veel te megalomaan en, wat betreft de antroposofie, een idee als bijvoorbeeld de Aarde Evolutie en het bestaan van Wortelrassen (en ik verwar deze niet met de huidige mensenrassen, al blijf ik erbij dat het wel wat met elkaar te maken heeft, zie Blavatsky en overigens ook Steiner) werd voor mij een regelrechte absurditeit. Maar goed, ieder zijn geloof. Mijn interesse in de antroposofie werd weer gewekt toen de berichten van de kwesties Toos Jeurissen en Angelique Oprinsen in de Volkskrant verschenen en later uitgebreider in de Groene Amsterdammer. Het ging om twee vrije school ouders die waren gestuit op racistische elementen in het lesmateriaal van hun kinderen en een verband legden met de opvattingen van Rudolf Steiner zelf (zie hier de brochure van Toos Jeurissen, die deze naar alle vrije scholen in Nederland stuurde). Voor mij was het toen nog steeds dat de antroposofie op zich geen probleem was. Hooguit waren de opvattingen van Steiner ouderwets koloniaal, inderdaad precies wat de Commissie van Baarda met Edward Said in de hand ‘juridisch’ probeert aan te tonen (wel origineel gevonden, wat je er verder van mag vinden) en natuurlijk dat veel antroposofen van nu, dogmatisch als ze soms zijn, rigide de gedateerde opvattingen van Steiner letterlijk navolgden, zonder een greintje historisch besef (dat laatste vind ik overigens nog steeds).
Voor mij kwam een paar jaar geleden de kentering, na het lezen van het artikel van de historicus Jan Willem de Groot (gespecialiseerd in de, net als de antroposofie, aan de theosofie verwante ariosofie), gevonden op de site van Simpos (http://www.stelling.nl/simpos/antro1.htm). Dat was voor mij het breekpunt ‘voordeel van de twijfel/nadeel van de twijfel’. Uit zijn beschrijving van Steiners rassenleer herkende ik veel elementen die ik vroeger vanuit de Vrije school of antroposofische lectuur had meegekregen. Vanaf dat moment was het voor mij duidelijk dat de antroposofie echt een serieus racisme probleem heeft.

Nogmaals ‘Die Mission einzelner Volksseelen’; de sleutel tot Steiners occulte en zelfs ‘Hermetische’ rassenleer

Vooral het denken in analogieën (nacht=zwarte ras, ochtend =Aziaten, dag=blanke ras, avond=indianen) was voor mij een schok van herkenning, al had ik het zelf nooit meegekregen dat dit soort modellen ook op mensenrassen werden geprojecteerd. Maar het antroposofisch wereldbeeld (overigens net zo goed andere esoterische denksystemen, maar bijvoorbeeld ook de astrologie) hangen aan elkaar van analogieën, in plaats van causaliteiten. Wat ik hiermee bedoel is dat in de antroposofie het hermetische principe wordt toegepast, het ‘zo boven zo beneden’ beginsel , oorspronkelijk afkomstig van de Smaragden Tafel van Hermes Trismegistus, waarop zo’n beetje de hele westerse esoterische traditie is gebouwd (zie hier een Nederlandse en verschillende Engelse versies van de tekst, waaronder de vroegste middeleeuwse Arabische varianten tot de versies van Newton, Bacon en Helena Blavatsky). Deze korte tekst is grotendeels tamelijk cryptisch maar zou slechts door ‘ingewijden’ volledig te begrijpen zijn. Het gaat mij hier vooral om stelling 2, die van ‘wat lager is en wat hoger is’ (zie voor meer uitleg deze informatieve website of deze link naar de Ritman Bibliotheek), vergelijk ook met de hier later te bepreken notie van ‘evolutie en involutie’. Het belang van Hermes Trismegistus voor Rudolf Steiner blijkt uit een passage uit zijn cyclus ‘Het Mattheus Evangelie’ (p. 42). Daarin noemt hij Hermes Trismegistus een incarnatie van Zarathustra, een niet geheel onbelangrijk figuur voor de antroposofie ( de grondlegger van het Perzisch dualisme en de ‘uitvinder’ van Ahriman). Steiner heeft aan dit Hermetische concept (’zo boven, zo beneden’) overigens nog een keer een aparte voordracht gewijd, getiteld ‘Makrokosmos und Mikrokosmos : Die grosse und die kleine Welt – Seelenfragen, Lebensfragen, Geistesfragen’ (GA 119). Ook de titel ’Die Chymische Hochzeit des Christian Rosenkreutz’ uit 1917, spreekt al voor zich; het Hermetische gedachtegoed heeft Steiner, evenals Blavatsky, diepgaand beïnvloed en is wellicht essentieel om de antroposofie echt te begrijpen. De Tabula Smaragdina geldt immers als de belangrijkste oertekst, zoniet de ‘grondwet’ van de alchemisten en de Rozenkruisers. Wie hier meer van zou willen weten zou ik Gilles Quispel, ‘Hermetische Gnosis’, (Haarlem, Rozekruis Pers, 2003) willen aanraden. Ook het verband met Rudolf Steiner wordt hier duidelijk uitgelegd (p. 592-594). En Quispel is niet de minste autoriteit op dit gebied.
Wat houdt dit ‘zo boven zo beneden beginsel’ in? Krachten en verhoudingen die in de macrokosmos werkzaam zijn, bijvoorbeeld de sterren of de loop van de planeten, zijn ook aanwezig in de microkosmos, bijvoorbeeld de levensloop van de mens, en in het geval van de antroposofie, de mensenrassen. Steiners ‘de Volkszielen’ is gebouwd op analoge causaliteiten of Hermetische ‘zo boven, zo beneden’ redenaties.  De Volkzielen is mijns inziens dan ook pas echt te begrijpen als je dit Hermetische aspect meeweegt. Zoals Steiner zijn rassenleer in astrologische termen heeft gegoten (in mijn artikel weergegeven in een wat ludiek overzichtje, maar hier dan maar voluit geciteerd):

Figuur 1: ‘Die Mission einzelner Volksseelen’, p. 80, bij het citaat ‘Diese Linie besteht auch für unsere Zeit. Der Afrikanische Punkt…’ enz. (http://www.anthroposophie.net/steiner/ga/bib_steiner_ga_121.htm). Deze schets is van de hand van Rudolf Steiner zelf.
 

‘Wenn wir den Punkt, den wir vor einigen Tagen in unseren Darlegungen in Afrika gefunden haben (zie bovenstaande afbeelding), uns jetzt näher dadurch charakterisieren, daß, weil die normalen Geister der Form zusammenwirken mit denjenigen abnormen Geistern der Form, die im Merkur zentriert sind, die Rasse der Neger ensteht, bezeichnen wir okkult ganz richtig das, was in der schwarzen Rasse herauskommt, als die Merkur- Rasse. Jetzt verfolgen wir diese Linie weiter, die wir dazumal durch die Mittelpunkte der einzelnen Rassenausstrahlungen gezogen haben. Da kommen wir nach Asien und finden die Venus-Rasse oder die malayische Rasse. Wir kommen dann durch das breite Gebiet Asiens hindurch und finden der mongolischen Rasse, die Mars Rasse. Wir gehen dann herüber auf europäischen Gebiet und finden die europäischen Menschen, in ihrem Ur-Charakter die Jupiter Menschen. Gehen wir über das Meer hinüber nach Amerika, wo der Punkt, der Ort ist, an dem die Rassen oder Kulturen sterben, so finden wir die Rasse des Finsteren Saturn, die ursprüngliche indianische Rasse, die amerikanische Rasse. Die Indianische Rasse ist also die Saturn Rasse. Auf diese Weise Sie, wenn Sie sich okkult die Sache immer genauer vorstellen, die Kräfte, die diesen Weltenpunkten, diesen fünf Planeten, ihre äußere materielle Offenbarung erfahren haben. (Die Mission, p. 113).

Hierna gaat Steiner overigens uitgebreider op ieder ras in, zoals de door Mercurius ingegeven kokende klieren bij de zwarten, de Venuskrachten in de zinnelijke ademhaling van de Maleisiërs, de Jupiterkrachten in het rotsgebergte van het hoofd van de Europeanen, enz. Een greep uit enkele uitspraken op de daarop volgende pagina’s: ‘Alles, was der äthiopische ihre besonderen Merkmahle verleiht, das kommt davon her, daß die Merkurkräfte in dem Drüssensystem des betreffende Menschen kochen und brodeln. Das kommt davon her, daß sie auskochen, was die allgemeine, gleiche Menschengestalt zu besonderen der äthiopischen Rasse macht-mit der schwarzen Hautfarbe, dem wolligen Haar usw.’ (p. 116, heb dit laatste citaat trouwens ook gebruikt in de Nederlandse vertaling, in mijn vorige artikel). Over het ‘Maleisische Ras’: ‘Es wird also in diesem Teile des Nervensystems auf der Umwege durch das Atmungsystem gewirkt, der unserem Sinne noch nicht zu der höheren geistigen Tätigkeit gehört. Es wird tief im unterbewußten Organismus durch diese Venuskräfte gewühlt, die in diesem Rassenteile der Menschheit wirke’ (p. 117).
Aan de door ‘Mars’ bezielde Mongolen wijdt Steiner onder meer de volgende woorden: ‘Jetzt gehen wir über die breiten, mongolischen Flächen herauf. Das sind diejenigen Flächen, in denen die Geister der Form vorzugweise wirken, die den Umweg durch das Blut genommen haben. Da wird im Blut dasjenige ausgekocht, was die eigentliche Modifikation aus der menschheit heraus, den grundcharakter der Rasse bewirkt. Nun ist aber bei dieser mongolischen Rasse etwas höchst Eigentümliches vorhanden. Da gehen ins Blut hinein die Marsgeister’ (p.118). De planeet Mars werkt trouwens ook in op het Hebreeuwse Volk: ‘Wie das Mongolische hinein die sechs Elohim von der Sonne, Jahve vom Monde und ihnen entgegen die Marsgeister wirken, so müssen wir in einem anderen Falle annehmen, daß von der Mondrichtung her die Jahvekräfte wieder zusammentreten und zusammenwirken mit den Marsgeistern, und daß dadurch eine besondere Modifikation entsteht. Hier haben Sie, aus dem okkultesten Hintergrunde heraus geklährt, eine besondere Modifikation der Menschheit, nämlich diejenige, die zum Semietentum gehört. Im Semitentum haben Sie eine Modifikation des gesamten Menschentums, so, daß sich anschließt von den anderen Elohim Jahve oder Jehova und dieses Volk mit einem besonderen Charakter veranlangt, indem er zusammenwirkt mit den Geistern des Mars, um die besonderen Modifikation dieses Volkes hervorzubringen. Jetzt werden Sie auch das Besondere einsehen, das den semitischen Volk und seiner Mission liegt. In einem gewissen, tiefen okkulten Sinn konnte der Schreiber der Bibel sagen, daß Jahve oder Jehovah dieses Volk zu seinem Volk gemacht habe, und wenn Sie jetzt das dazu nehmen, daß hier eine Zusammenwirken stattfindet mit den Marsgeistern, und daß die Marsgeister ihre Angriffe vorzugweise auf das Blut richten, dann werden sie auch begreifen, warum gerade die fortgehende Wirkung des Blutes von Geschlecht zu Geschlecht, von Generation zu Generation für das semitisch-hebräische Volk von ganz besonderer wichtigkeit ist….’enz (p. 118). Wij zien dus hier dat Steiner de oorspronkelijk nomadische traditie van het Joodse Volk, waarin familieverbanden essentieel waren (uit het Oude Testament blijkt dat meer dan eens) te wijten zijn aan de werking van de planeet Mars op de bloedbanden, zodat het bijna een fysiek anatomisch tintje krijgt.
Dan de Europeanen. ‘Wir haben noch weiter zu verfolgen, wie die Geister und Wesenheiten, die im Jupiter ihren Mittelpunkt haben, in dem Menschen kochen und brodeln. Diese wählen sich nun den Zweiten Angriffspunkt, um ummittelbar auf das nervensystem zu wirken, und zwar geht durch alles das, was die Sinne des Menschen sind, der eine Angriffpunkt; der andere Angriffspunkt, der das Nervensystem  zu wirken; und zwar geht durch alles das, was die Sinne des Menschen sind, der eine Angriffspunkt; der andere Angriffspunkt, der das Nervensystem hineinwirkt, geht auf dem Umwege durch das Atmungsystem in das Sonnengeflecht. Der Angriff, der  von dem Jupiter ausgeht, geht auf dem Umweg durch die Sinneseindrücke und strömt  von da auf die Teile des Nervensystems, die im Gehirn und Rückenmark zentriert sind. Da hinein fließen also bei denjenigen Rassen, die zur Jupiter-Menscheit gehören, jene Kräfte, die den Rassencharakter besonders ausprägen. Das ist bei den arischen, vorderasiatischen und europäischen Völkern, bei denen, die wir zu Kaukasiern rechnen, mehr oder weniger der Fall’ (p. 119). Drie pagina’s gaat het zo verder, een grote jubelzang op de Jupiterkrachten in de hersenen van het Kaukasische ras, waardoor het zo ‘wakker in het hoofd is’. ‘Das ist das Kollegium, das sich, unter der Führung eines noch Größeren, die Aufgabe gesetzt hat, die Geheimnisvollen Kräfte zu untersuchen, welche ausgebildet werden müssen für die Evolution der Menschheit, der Ausgangpunkt genommen worden ist von jenige Punkte, der ursprüngliche zusammenhängt mit der Jupiter-Kráften und in der erwähnten Landkarte der Erde voherbestimmt war’. (p.121)
Maar aan al het goede komt een eind en na de bloei volgt de neergang. Dit zien wij terug in een ander ras, aan de overkant van de Oceaan. ‘Auf das Drüsen-System endlich, nur auf dem Umweg durch alle Systeme, wirkt dasjenige, was wir bezeichnen können als die abnormen Geister der Form, die im Saturn ihren Mittelpunkt haben. Da haben wir allem, was die Saturnrasse zu bezeichnen haben, etwas zusuchen, was sozusagen zumsammenführt, zusammenschließt das, was wieder  der Abenddämmerung der Menscheit zuführt, deren Entwickelung in gewisser Weise zum Abschluß bringt, und zwar zu einem wirklichen Abschluß, zu einem Hinsterben. Wie sich das Wirken auf das Drüsensystem ausdrückt, sehen wir an der indianischen Rasse. Darauf beruht die Sterblichkeit derselben, ihr Verschwinden. Der Saturn-Einfluß wirkt durch alle anderen Systeme zuletzt auf das Drüsensystem ein. Das sondert aus die härtesten Teile des Menschen, und man kann daher sagen, daß dieses Hinsterben in einer Art Verknöcherung besteht, wie dies im Äußeren doch deutlich sich offenbart. Sehen Sie sich doch die Bilder den alten Indianer an, und Sie werden gleichsam mit Händen greifen können den geschilderten Vorgang, in dem Niedergang dieser Rasse. In einer solchen Rasse ist alles dasjenige gegenwärtig geworden, auf eine besondere Art gegenwärtig geworden, was in der Saturnentwicklung vorhanden war; dann aber hat es in sich selber zurückgezogen und hat den Menschen mit seinem harten Knochensystem allein gelassen, hat ihn zu Absterben gebracht’. (p. 122)
Bijna temerig gaat Steiner door over de ‘zwanenzang’ van het ‘rode ras’: ‘Was war für den Indianer das Größte? Es war, daß er noch ahnen konnte etwas vonder alte Größe und Herrlichkeit eines Zeitalters, welches in der alten Atlantische Zeit vorhanden war, wo noch wenig um sich gegriffen hatte die Rassespaltung, wo Menschen hinaufschauen konnten nach der Sonne und wahrzunehmen vermochten durch das Nebelmeer eindringenden Geister der Form. Durch ein Nebelmeer blickte der Atlantier hinauf zu dem, was sich für ihn nicht spaltete in eine Sechs-oder Siebenheit, sondern zusammenwirkte. Das, was zusammenwirkte von den sieben Geistern der Form, das nannte der Atlantier  den großen Geist, der in der alten Atlantis dem Menschen sich offenbarte. Dadurch hat er nicht mit aufgenommen das, was die Venus-, Merkur-, Mars- und Jupiter-Geister bewirkt haben im Osten. Durch dieses haben sie gebildet all die Kulturen, die in Europa in der Mitte des neunzehnten Jahrhunderts zur Blüte gebracht wurden. Das alles hat er, der Sohn der braune Rasse, nicht mitgemacht. Er hat festgehalten an dem großen Geist der unfernen Vergangenheit. Das, was die anderen gemacht haben, die unfernen Vergangenheit auch den großen Geist aufgenommen haben, das trat ihm vor Augen, als ihm ein Blatt papier mit vielen kleinen Zeichen, den Buchstaben, von welchen er nichts verstand, vorgelegt werden’. (p. 123). Direct hierna volgt de zg toespraak van een indiaans oppperhoofd,die Steiners visie op het ‘rode ras’ zou moeten bevestigen, al besproken in mijn vorige artikel.

figuur 2: afbeelding bij Anthrowiki; Rassen (http://wiki.anthroposophie.net/Rassen), Let op de bijgevoegde astrologische tekens. Beide modellen uit ‘De Volkszielen’ (het vierdelige leeftijdsfasemodel en het vijfdelige planetaire model) zijn hier geïntegreerd. Het feit dat iemand zo’n model heeft uitgewerkt en zeer recent op internet heeft gezet, met het doel de antroposofie uit te leggen, zegt denk ik wel genoeg.
 

Tot zover deze citatenreeks uit de Volkszielen. Nog even ter herinnering, volgens de van Baarda commissie waren er in het totale oeuvre van Steiner slechts zestien ernstig discriminerende uitspraken te vinden, waarvan er geen één uit ‘Die Mission einzelner Volksseelen’ afkomstig was. En vooral dat er geen sprake was van rassenleer. Concluderend kan er mijns inziens het volgende gesteld worden: Steiners rassenleer uit de Volkszielen is de bijna volmaakte synthese van:

1. Het Hermetische ‘zo boven zo beneden principe’ en het denken in analogieën (planeten, leeftijdsfases, etc.). Voor de indeling naar de leeftijdsfases nog eenmaal (in mijn vorige artikel al geciteerd): ‘Der Afrikanische Punkt entspricht denjenigen Kräften der Erde, welche dem Menschen die ersten Kindheitsmerkmale aufdrücken, der asiatische Punkt denjenigen, welche dem Menschen die Jugendmerkmale geben, und die reifsten Merkmale drückt dem Menschen der entsprechende Punkt im europäischen Gebiete auf. Das ist einfach ein Gesetzmäßigkeit. Da alle Menschen in verschiedenen Reinkarnationen durch die verschiedenen Rassen durchgehen, so besteht, obgleich man uns entgegenhalten kann, daß der Europäer gegen die schwarze und die gelbe Rasse einen Vorsprung hat, doch keine eigentliche Benachteilung’ (’Die Mission’, p. 80-81, zie figuur 1 en 2) en ‘Dann sehen wir später eine Herüberbewegung des Menschen nach der westlichen Richtung, und in der Verfolgung der rassebestimmende Kräfte nach Westen können wir dann das Absterben in den Indianen beobachten. Nach Westen mußte die Menschheit gehen, um als Rasse zu sterben’ (p. 81-82). Ik zou het overigens eerder een racistische aberratie van het Hermetisme willen noemen.

2. De recapitulatie-leer van Ernst Haeckel (1834-1919) waar Steiner diepgaand door beïnvloed was, zie ‘Waarheid en wetenschap’, maar ook de uitleg in het van Baarda rapport, p. 113-115 (de leeftijdsfases van de mens, zie hiervoor ook Poppelbaum). Haeckels nu algemeen verworpen theorie komt er op neer dat de menselijke foetus alle stadia van evolutie doormaakt tot de geboorte (ongewerveld dier, vis, reptiel, zoogdier, mens, zie afb. ). Steiner, die een enthousiast aanhanger van Haeckel was, trekt dan na de geboorte een parallel met de verschillende rassen (zwarte als kind, Aziaat als puber tot en met als meest rijpe fase, het Arische ras, waarna de degeneratie volgt met de Indianen, zie bovenstaand citaat). Overigens was de relatie met Haeckel een gecompliceerde. Ik verwijs hier naar een informatief artikel van de website Defending Steiner (ik doe niet alles af), waarin deze relatie gedetailleerd wordt uitgelegd. Ook komt daar de notie van Evolutie en Involutie ter sprake, waar ik later nog op terugkom. De invloed van Haeckel op Steiner blijkt overigens duidelijk uit deze tekening van Steiner uit 1907.

3. Plat negentiende eeuws racisme en arische superioriteitswaan, ingebouwd (gerationaliseerd zo je wilt) in bovendstaande modellen. Zie voor de Europese superioriteitsgedachte vanzelfsprekend Edward Saids notie van Oriëntalisme (westen = rationeel, oosten=irrationeel, westen=volwassen, oosten = kinderlijk, enz.), of het 19e eeuwse Amerikaanse Manifest Desteny (indiaanse ras is voorbestemd te verdwijnen voor de superieure westerse beschaving). Zijn vanzelfsprekend nog veel meer voorbeelden van te noemen. Ik zou het overigens ongekend progressieve maar toch zeer koloniale ‘Max Havelaar’ van onze eigen Multatuli kunnen noemen, tot en met de beschrijvingen van Alexis de Tocqueville, ook niet de minste, over de indianen uit 1831. Verschil is wel dat Steiners geschriften van veel recentere datum zijn. En Multatuli (bepleitte een krachtig Nederlands bestuur tov de corrupte Javaanse vorsten) en de Tocqueville (de indianen, met wie hij zeker begaan was, gingen ten onder aan een concurrentiestrijd met de blanke nieuwkomers), niet geheel vrij van koloniale smetjes, zijn vele malen progressiever dan Rudolf Steiner.

Wij hebben hier kennisgemaakt met het vijfledige (planetair) en het vierledige (naar leeftijdsfase) rassenmodel van Steiner. Wij zullen hierna zien dat er ook een drieledig model bestaat, gemodelleerd naar de indeling ‘hoofd’, ‘hart’ en ‘buik’, oftewel ‘dag’, ‘schemering’ en ‘nacht’.

‘Der Schwarze ist ein Egoist’ in ‘Farbe und Menschenrassen’; Steiner op zijn grofst

Ik wil hier nog een andere publicatie van Steiner behandelen, de uitgeschreven voordrachtencyclus ‘Vom Leben des Menschen und der Erde; über das Wesen des Christentums’ die hij in 1923 hield voor de arbeiders van de bouw van het Goetheanum in Dornach (dus dertien jaar na de Volkszielen). Deze cyclus is bijna net zo berucht geworden als de Volkszielen (veel aangehaald in zowel Jeurissen als Moerland, maar ook elders). Het gaat hierbij vooral om de derde lezing, ‘Farbe und Menschenrassen’, gehouden op 14 maart 1923. Hij hield deze voordracht twee jaar voor zijn dood op 30 maart 1925, toch van belang om op te merken, omdat er in antroposofische kring weleens gezegd wordt dat de late Steiner afstand had genomen van zijn eerdere rassentheorieën. Als dat zo is moet dat gebeurd zijn in die laatste twee jaar. Overigens wordt dit vaak beweerd, zonder een concrete literatuurverwijzing. Wie mij kan vertellen waar Steiner dat gedaan zou hebben (in de periode 1923-1925), aarzel niet en laat het mij weten. In 1923 was hij nog net zo’n racist als in 1910, zoniet erger, zoals we hier zullen zien.
Overigens zijn er uit deze lezing wel uitspraken door de van Baarda commissie als ernstig discriminerend aangemerkt (maar liefst vier van de zestien). Dit is een opmerkelijk verschil. Toegegeven, de toonzetting van ‘Farbe und Menschenrassen’ is aanmerkelijk ruwer dan die uit ‘de Volkszielen’. Zoals de commissie zelf zegt: ‘Deze lezingen, de zogenaamde arbeidersvoordrachten, zijn door hun stijl uniek in het verzamelde werk van Rudolf Steiner. Ze tonen het duidelijkst aan hoe hij bij zijn lezingen uitging van het referentiekader van zijn toehoorders. Het is om die reden onmogelijk er een enkele zin uit te citeren en die buiten de de context van de hele lezing te interpreteren’ (eindrapport, p. 380).
Goed, met andere woorden, een vorm van volksverheffing. Wat betreft de context en de lezing als geheel valt overigens zeker wat interessants te melden, maar dat is wel wat anders dan wat de commissie er van heeft gemaakt. Kom ik later op terug. Wat Steiner onder deze ‘volksverheffing’ verstond wordt meteen duidelijk. Na het ‘Gutemorgen’ brandt hij als volgt los: ‘Da kommt heute für uns zunächst dasjenige in Betracht, was am meisten interessant ist, nämlich die menschliche Farbe selber. Sie wissen ja, daß über die Erde hin die Menschen verschiedene Farben zeigen. Von den Europäern, zu denen wir gehören, sagt man, sie seien die weiße Rasse. Nun, sie wissen ja, eigentlich ist der Mensch in Europa nicht ganz gesund, wenn er käseweiß ist, sondern er ist gesund, wenn er seine naturfrische Farbe, die er im Innern selber erzeugt, durch das Weiße nach außen zeigt’. Hij vervolgt met: ‘Nun haben wir aber außer dieser europäischer Hautfarbe noch vier hauptsächliche andere Hautfarben. Und das wollen wir heute ein bißchen betrachten, weil man eigentlich die ganze Gesichte und das ganze soziale Leben, auch das heutige soziale Leben, nur versteht wenn man auf die Rasseneigentümlichkeiten der Menschen eingehen kann. Un dann kann man ja auch erst im richtigen Sinne alles Geistige verstehen, wenn man sich zuerst damit beschäftigt, wie dieses Geistige im Menschen gerade durch die Hautfarbe hindurch wirkt’ (p. 52).
Over dit laatste citaat is veel te doen geweest. Het is door alle critici van Steiner aangehaald, om het belang van zijn rassenleer te onderstrepen. De Commissie van Baarda ziet het overigens als een ‘typische overdrijving’, die Steiner wel vaker toepaste als hij op een specifiek onderwerp inging. In dit geval de rassen dus, dus zou dat ook op dat moment van wezenlijk belang zijn. Ik wil dit in het midden laten. Wat ik hier interessanter vind is dat Steiner spreekt van ‘das heutige soziale Leben’. In veel vertalingen, of verkorte weergaves van deze passage is dit vaak weggevallen, maar dit lijkt mij cruciaal. Hij zegt namelijk hetzelfde in de Volkszielen ‘Diese Linie besteht auch für unsere Zeit’ (p. 81).  ‘Unsere Zeit’ of ‘das heutige soziale Leben’, Steiner bespreekt de contemporaine situatie en dus niet een ver verleden. Veel antroposofen van nu (heb ik ook laten zien in ‘Geloof in Kabouters…’) beweren namelijk dat alle kwalificaties voor mensenrassen over een ver verleden zouden gaan (zullen we ook later terugzien bij Geuljans en van Manen). Dat blijkt dus wederom niet het geval. Bernd Hansen van de Junge Antroposophen in Duitsland heeft dit argument overigens ook al eens overtuigend weerlegd. Hansen: ‘Die oft betonte Aussage Rudolf Steiners ‘Rassen haben ab jetzt keine Bedeutung mehr oder verlieren an Bedeutung’ wird durch den Satz ‘Die weisse Rasse ist die zukünfige, die am Geiste schaffende Rasse’ relativiert. Auch stehen die pauschalen, öfter herablassenden und teilweise unbegreiflichen Äusserungen über Japaner, Franzosen, Malaien, Schwarze und Indianer im Widerspruch zu dieser Äusserung’ (geciteerd uit Jan Willem de Groot).
Verder is deze voordracht wat betreft racistische kwalificaties regelrecht grof te noemen, uitzonderlijk grof voor Steiners doen. De Volkszielen is gematigder getoonzet, maar ook veel geraffineerder. Dit is een opeenstapeling van lompe kwalificaties. Ik zal er een paar uitlichten, waarvan sommige zijn gekwalificeerd als ernstig discriminerend maar sommigen gek genoeg niet, terwijl die soms nog ernstiger zijn. Dat laatste is buitengewoon vreemd; het gaat hier om een korte voordracht (slechts zestien pagina’s in pocket uitgave), dus ik kan me niet voorstellen dat die niet gesignaleerd zijn. Een paar zijn overigens wel gesignaleerd (staan ook in het rapport vermeld), maar de selectie van de commissie van welke wel en welke niet discriminerend zijn, vind ik wel wat vreemd en wellicht willekeurig.
Een paar voorbeelden: ’Zu Asien gehört die gelbe Rasse, die Mongolen, die Mongolische Rasse, und zu Europa gehört die Weiße Rasse oder die kaukasische Rasse, und zu Afrika die schwarze Rasse oder die Negerrasse. Die Negerrase gehört nicht zu Europa, und es ist natürlich nur ein Unfug, daß sie jetzt in Europa eine so große Rolle spielt. Diese Rassen sind gewissermaßen in diesen drei Erdteilen heimisch’ (Vom Leben des Menschen, p. 53, van Baarda rapport 380). Dit citaat heeft de commissie in de eerste categorie geplaatst als ernstig discriminerend, al wordt er wel een heel bijzonder argument ter verdediging van Steiner aangevoerd. De commissie stelt dat het hier wellicht gaat over de invloed van ‘zwarten’, ‘negers’ zo je wilt, op de amusementscultuur, zoals bijvoorbeeld de jazz. En Steiner hield niet van jazz, net als de grote filosoof en muziektheoreticus Theodor Adorno van de Franfurter Schule. De commissie verwijst naar Adorno’s essay ‘Über jazz’ ter verdediging van Steiner. Nu kun je lang over Adorno´s opvattingen over jazz praten (mijns inziens was deze grote filosoof wat dat betreft enigszins conservatief, of zelfs reactionair en bekrompen, zeg ik als jazzliefhebber, overigens hier niet echt relevant) het gaat hier vooral om zijn positie ten aanzien van het ‘Hight Art-Low Culture debat’ veelal aangeroerd door de Canadese socioloog en cultuurwetenschapper Thomas Crow (overigens pas jaren later), die een tegengestelde positie ten opzichte van Adorno inneemt en Adorno in deze aanvecht. Maar ook dit heeft niets te maken met huidskleur. Later zal ik Adorno nog een keer ter sprake brengen, overigens ten nadele van de antroposofie, bij de bespreking van Maarten Ploegers bijdrage aan het debat.
Overigens, als de commissie constant klaagt over misbruik en uit de context halen, laat ze dan het goede voorbeeld geven en geen denkers als Edward Said en Theodor Adorno voor de kar van ‘hoe redden we de antroposofie’ spannen. Afgaande op mijn eigen bescheiden kennis en inzichten, durf ik de stelling wel aan dat beide denkers zich bij leven hier niet gelukkig bij hadden gevoeld.
Interessanter is overigens om naar een ander citaat van Steiner te kijken, iets verderop. Deze werd niet als ernstig discriminerend aangemerkt, bijzonder vreemd want deze is nog een beetje ernstiger. Steiner: ‘Und weil er eigentlich das Sonnige, Licht und Wärme, da an der Körperoberfläche in seiner Haut hat, geht sein ganzer Stoffwechsel so vor sich, wie wenn in seinem Innern von der Sonne selber gekocht würde. Daher kommt sein Triebleben. Im Neger wird da drinnen fortwährend richtig gekocht, und dasjenige, was dieses Feuer schürt, das ist das Hinterhirn (..) Der Neger hat nicht nur dieses Kochen in seinem Organismus, sondern er hat auch noch ein furchtbar schlaues und aufmerksames Auge. Er guckt schlau und sehr aufmerksam’ (p. 55). Deze lijkt me iets ernstiger dan de vorige uitspraak. Waarom deze uitspraak niet in de eerste categorie, Commissie van Baarda? Het laat ook meteen iets interessants zien. Je zou deze uitspraak bijna op de uitspraken over het ‘zwarte ras’ uit de Volkszielen kunnen leggen. Conclusie er is sprake van een sterke continuïteit, oftewel dit is geen uitglijder. Tussen de Volkszielen en deze voordracht zit immers dertien jaar. Tweede conclusie, er is inderdaad sprake van rassenleer.
Ook uit andere passages blijkt de continuïteit met de Volkszielen. Alleen gaat het er hier wat ruiger aan toe. Zo vergelijkt Steiner ‘negers’ met ‘steenkool’, want ‘Wenn er nun eine Zeitlang in der Erde geblieben ist, was wird er? Schwarze Kohle! Schwarz wird er, weil er, als ein Baum war, Licht und Wärme in sich aufgenommen hat’ (p. 54). En negers nemen ook licht en warmte op, dat hebben we eerder gezien.
Iets verder staat: ‘Gehen wir jetzt vom Schwarzen zum Gelben herüber. Beim Gelben-das ist schon verwandt mit dem Roten-ist es so, daß das Licht etwas zurückgeworfen wird, viel aber aufgenommen wird. Also da ist es schon so, daß der Mensch mehr Licht zurückwirft als beim Schwarzen. Der Swarze ist ein Egoist, der nehmt alles Licht und Wärme auf’ (p. 56). Steiner had er zin in. Waarom heeft niemand eerder deze eruit gelicht? Dit is pas echt een oneliner. Wat heeft de commissie van Baarda hierop te melden? Eerst ‘De formuleringen van Steiner wekken wel enige bevreemding op’. Dat lijkt mij ook, maar dan: ‘Door fysiologisch onderzoek zou kunnen worden nagegaan of ook op materieel gebied zulke verbindingen te leggen zijn, maar dat valt buiten het kader van dit rapport’ (p. 384). Weet niet of ik zo’n onderzoek wel zo verstandig zou vinden, laten we het daar maar bij houden. Als het een antroposofisch initiatief zou zijn en je zou met deze motivatie van Steiner komen heb je pas echt een rel, lijkt mij tenminste.
Steiner vervolgt: ’Der Gelbe, von der mongolischen Bevölkerung, der gibt schon etwas Licht zurück, aber er nimmt auch viel Licht auf. Er begnügt sich mit weniger Licht, das kann nun nicht im ganzen Stoffwechsel arbeiten. Da muß der Stoffwechsel schon auf seine eigene Kraft angewiesen sein. Das arbeitet nämlich in der Atmung und in der Blutzirkulation. Also beim Gelben, beim Japaner, beim Chinesen, da arbeitet das Licht und die Wärme hauptsächlich in der Atmung und der Blutzirkulation. Wenn Sie je einem Japaner begegnet sind, so werden Sie bemerkt haben, wie dr auf seine Atmung achtet. Wenn er mit Ihnen redet, hält er sich immer zurück, daß die Atmung so recht in Ordnung ist. Er hat ein gewisses wohlgefühl an die Atmung (…) Der Neger ist viel mehr auf Rennen und auf die äußere Bewegung aus, die von dem Trieben beherrscht ist. Der Asiate, der Gelbe, der entwickelt mehr ein innerliches Traumleben, daher ganze asiatische Zivilisation dieses Träumerische hat. Also ist er nicht mehr so in sich bloß lebend, sondern er nimmt schon vom Weltenall etwas auf. Un daher kommt es, daß die Asiaten so wunderschöne Dichtungen über das ganze Weltenall haben. Der Neger hat das nicht’ (p. 57).
Ik denk niet dat dit is recht te praten, met wat voor kunst en vliegwerk dan ook. Dit is puur racisme, oftewel rassenleer in de meest elementaire vorm. Ook dat verhaal van de ademhaling bij de Aziaten hebben we al gezien bij de Volkszielen, dus wederom een sterke continuïteit. Op deze manier gaat het door tot het eind.
Goed, de Europeanen dan. Wat heeft Steiner daar over te melden? ‘Nun, meine Herren, betrachten wir uns selber in Europa. Wir sind in der Tat dem Weltenall gegenüber eine weiße Rasse, den wir werfen alles äußere Licht zurück. Wir werfen alles äußere Licht und im Grunde genommen auch alle Wärme zurück’. Dus de Europeaan geeft en de Afrikaan neemt. Interessante theorie, zeker in Steiners tijd, toen het kolonialisme op zijn hoogtepunt was.
Maar goed, Steiner stelt dat wat de Afrikanen met hun ‘Triebleben’ hebben en de Aziaten met hun ‘Traumleben’ heeft de Europeaan met zijn ‘Denkleben’, gezeteld in zijn ‘Vorderhirn’ (schematisch uitgetekend op p. 56, waar ook is weergegeven dat de zwarten meer hun ‘Hinterhirn’ hebben ontwikkeld en de Aziaten hun ‘Mittelhirn’, zie afb. hieronder). Steiner resumeert: ‘Dadurch aber stellt sich das Folgende heraus: Der mit dem Hintergehirn, der hat vorzugweise das Triebleben, das Instinktleben. Der da mit der Mittelgehirn hat das Gefühlsleben, das inder Brust sitzt. Und wir Europäer, wir armen Europäer haben das Denkleben, das im Kopf sitzt. Dadurch fühlen wir gewissermaßen unseren inneren Menschen gar nicht’ (p. 58).

figuur 3: afbeelding uit Vom Leben des Menschen und der Erde, ‘Farbe und Menschenrasse’, ‘Tafel 6’, p. 56. (bron  http://wiki.anthroposophie.net/Rassen )

fig. 4: tekening van Juliette Oprinsen bij de periode ‘Rassenkunde’ op de Vrije School ‘de Berkel’, in Zutphen, later de omslagillustratie van de brochure van Toos Jeurissen. Hoewel deze tekening al vaak is vertoond, is nu de achterliggende idee duidelijk geworden. De inspiratie ligt onmiskenbaar in Steiners ideeën zoals hij die in ‘Vom Leben des Menschen’ uiteen heeft gezet, gebaeerd op de rassentheorie van Carl Gustav Carus. Hoewel deze stelling van Jan Willem de Groot sterk in twijfel is getrokken door de Nederlandse antroposofen Hugo Verbrugh en Arnold Sandhaus en later ook in het van Baarda rapport, is dit ook de mening van Jana Husman-Kastein en naar ik begrepen heb ook die van Helmut Zander (kom ik later op terug). Wat toch in het nadeel van deze antroposofen spreekt (Verbrugh en Sandhaus) is dat zij uitsluitend naar Steiner zelf kijken en daarbij het idee uit het oog verliezen dat Steiner ook ideeën zou kunnen hebben overgenomen van tijdgenoten.  (bron: http://www.stelling.nl/simpos/antro1.htm).

Sprake van rassenleer

Laten we dus vaststellen dat er wel degelijk sprake is van rassenleer en wel volgens een zeer doordacht en consequent model, al zijn de grondslagen van dat model regelrecht absurd te noemen volgens iedere ‘normale’ logica. Fysionomie, astrologie, geografie en huidskleur, alles samengebracht tot een geheel. Hoe ‘mooi’ de theorie ook in elkaar lijkt te zitten, deze manier van redeneren staat haaks op iedere vorm van academisch of filosofisch redeneren in de wetenschappelijke traditie, zoals die sinds Descartes gebruikelijk is. Dit plaatst de antroposofie ook buiten de wetenschap, hoezeer er in antroposofische kring wordt gesproken van ‘wetenschap’. Correcter is het om te zeggen dat het om een geloof gaat, al wil ik mij hier niet uitspreken over de mogelijkheid tot schouwen in de Hogere Werelden, zoals Rudolf Steiner zijn ‘Geesteswetenschap’ heeft omschreven (vooral Steiners ‘Wetenschap van de Geheimen der Ziel’ is op dit gebied zeer onthullend). Het gaat mij er hier overigens niet om, om een uitgebreide beschouwing te houden over wat wetenschap is en wat niet (dat is filosofisch nogal complex en voert dus wat ver), maar ik denk dat de vaststelling dat de antroposofie vooral een ‘geloof’ is en geen ‘wetenschap’ hier volstaat. In de woorden van Jan Willem de Groot:

“De antroposofie presenteert zich graag als een ‘wetenschap’. Zij meent dat haar uitspraken over ‘kosmische wetmatigheden’ en de invloed van deze ‘wetten’ op het functioneren van hele volken en culturen een objectieve basis hebben. De antroposofen zelf spreken hier van een specifieke antroposofische ‘geesteswetenschap’, een methode, waarmee objectief inzicht in de (bovenzinnelijke) ‘geesteswereld’ zou kunnen worden verkregen (voor antroposofen een vaststaand gegeven). Op deze wijze zou ook het metafysische lot van volken en rassen ‘objectief’ kunnen worden bepaald. De pretentie van de antroposofie een ‘wetenschap’ te zijn, is natuurlijk onzinnig. De grandioze kosmologische veronderstellingen van de antroposofie over de ontwikkeling van de mensheid in de richting van een ‘hogere’ bestemming (het teleologische aspect van de antroposofie) en de rol van de verschillende rassen daarin kunnen op geen enkele wijze worden geverifieerd of gefalsifieerd. De antroposofie is een typisch voorbeeld van een speculatieve metafysica en daarmee een geloof”.

Beter zou ik het niet kunnen formuleren. Overigens heb ik hier wel wat aan toe te voegen. De algemene generalisaties en de welhaast monolithische voorstellingen van niet alleen ‘rassen’ maar ook ‘culturen’ zijn een gruwel voor iedereen die vandaag de dag een beetje geschoold is in een historische of cultuurwetenschap. Ook in de culturele antropologie is dit soort etnocentrisch, laat staan racistisch denken (want dat is het) terecht volstrekt uit den boze. De hele theorie van de rassen, maar ook de cultuurperiodes kan wat mij betreft afgedaan worden als negentiende eeuwse eurocentrische rassenwaan, maar helaas tot op de dag van vandaag wordt het binnen sommige antroposofische kringen verkocht en beleden als een diepe mystieke en essentiële waarheid.
Toen dit voor mij duidelijk was geworden heb ik het onderwerp een tijd lang laten liggen. Voor mij was het langzamerhand wel klaar. Dat veranderde toen ik op internet (min of meer toevallig) het Belgische internet tijdschrift ‘de Brug’ ontdekte. De opvattingen die daar geventileerd werden waren wat mij betreft zo extreem (ik herkende het in eerste instantie ook nauwelijks als antroposofie, gezien de Holocaustontkenningen in diverse artikelen. Leek meer op neo-fascisme) dat ik in ieder geval er meer van wilde weten en er desnoods iets mee wilde doen. Toen ik uiteindelijk ‘Die Mission einzelner Volksseelen’ in handen heb gekregen en Steiners woorden in de oorspronkelijke taal kon bestuderen, viel alles op zijn plaats. Natuurlijk, het soms duistere, wollige en archaïsche taalgebruik van Steiner en de niet al te rabiate toon van de meerderheid van de vooraanstaande Nederlandse antroposofen vielen in het niet bij de soms drieste scheldkanonnades van de Brug, maar de inhoudelijke overeenkomsten waren er zeker. Vandaar dat ik uiteindelijk in de pen ben geklommen (de directe aanleiding was een platform voor oud-vrije schoolleerlingen op hyves, waar iemand zei eigenlijk geen idee te hebben wat de antroposofie als levensfilosofie inhoudt, terwijl ze  onder en bovenbouw had gedaan. Overigens begrijpelijk, want een vak antroposofische levensbeschouwing krijg je niet, dat komt pas op de Vrije Hoge School).
De reacties op mijn stuk zijn wisselend geweest. Vanuit de sfeer van bekenden waren die meestal positief, ook als mensen, veelal in beperkte mate, zich verwant voelden aan de antroposofie. Een enkeling reageerde met ongeloof en zelfs afwijzing en een ander (overigens een groot kenner van het werk van Steiner en Blavatsky, wiens mening ik zeer hoog acht, maar niet gelieerd aan de antroposofische vereniging of een soortgelijk georganiseerd verband) was het niet eens met mijn uitleg van de wortelrassen, vooral het verband dat ik legde Steiners theorieën over de bestaande mensenrassen in de Volkszielen. Op grond van de literatuur (‘de Akasha Kroniek’ en Blavatsky’s ‘De Geheime Leer’) ben ik tot een andere conclusie gekomen. We zijn het voorlopig oneens maar moeten hier wellicht een keer over van gedachten wisselen.

Heikele Kwesties

Een zeer negatieve maar uitvoerige reactie heb ik gekregen van Paul Heldens, onder meer docent aan de Rudolf Steiner Academie in Gent. Aanvankelijk aarzelde ik een beetje of ik het moest noemen, want hij heeft zijn tegenartikel na twee dagen weer ingetrokken, wegens de negatieve reacties die hij ontving, ook van antroposofische zijde. Toch heeft hij zijn stuk op de site van Antrovista geplaatst (een grote Nederlandse antroposofische website), met een duidelijke en zelfs ronkende banner op de homepage met de titel ‘Heikele kwesties; zeven jaar  9/11′. Hij hekelde daarin vooral Michel Gastkemper, voormalig redacteur van ‘Motief”, het blad van de Antroposofische Vereniging in Nederland, en mede redacteur van een project voor de nieuwe Rudolf Steiner vertalingen (is overigens een ander project dan de Pentagon vertalingen, die ik in mijn vorige stuk sterk heb bekritiseerd), die een welwillende bespreking van mijn stuk had geschreven op zijn blog, overigens in het midden latend of ik gelijk had of niet. Heldens: ‘Als dan ook nog een goudeerlijke oud-vrijeschoolleerling luisterend naar de naam Floris, maar die niets heeft met Blanchefleur, Rudolf Steiner en zijn leerlingen voor racistische idioten uitmaakt en een van die ‘idioten’ daar welwillend zijn oren naar laat hangen, krijg ik ondanks al mijn goede voornemens om vanwege een RSI niet meer te schrijven, hevige jeuk. Drie heikele thema’s binnen één week kan zelfs een zachtmoedig mens teveel worden. Tijd om even op het toetsenbord mijn jeuk weg te krabben. Die RSI loopt toch niet weg, die komt vanzelf wel terug’.
Tot mij zelf heeft hij zich niet direct gericht, al is zijn verhaal voor het grootste deel een aanval op mijn artikel. Ik heb wel en poging ondernomen om direct met hem te communiceren maar daar wilde hij niet op ingaan (hij reageerde slechts op Michel Gastkemper en had het daarbij vooral ‘over mij’, maar hij weigerde mij te woord te staan).  Na een paar dagen heeft hij zijn tekst verwijderd met de volgende boodschap: Naar aanleiding van zeven jaar “9/11″ heb ik enkele dagen geleden een artikel gepubliceerd over “heikele kwesties”. De reacties hierop waren zodanig, dat mijn artikel contraproductief heeft uitgepakt. Daarom heb ik de webmaster gevraagd het artikel van de site te verwijderen. Ik wens de heren Michel Gastkemper en Floris Schreve van harte succes met de voortzetting van hun weblog’.
Ik wil niet op alle details van zijn tekst ingaan, al heb ik de volledige tekst wel bewaard. Hij heeft hem niet voor niets teruggetrokken, dus het lijkt me dan ook niet zo zinvol en wellicht ook niet helemaal fair om hem volledig van repliek te bedienen (al vroeg zijn verhaal er wel om). Toch zijn er allerlei flarden van zijn verhaal op internet bewaard gebleven, veelal in weblogs van anderen, die hem hebben geciteerd en vervolgens bekritiseerd. Ik heb al deze fragmenten als reactie onder de tekst van mijn oorspronkelijke artikel geplakt, dus daar zijn ze nog te lezen (het was oorspronkelijk een verhaal van acht pagina’s, maar de stukken met kritiek op mij zijn ook elders in zijn geheel bewaard gebleven, dus dat gedeelte is compleet). Ik denk dat ik op wat ervan over is gebleven wel een reactie kan geven, dat lijkt me niet ongepast. Bovendien betrof zijn kritiek vooral mijn verhaal, dus het lijkt me dat ik gerechtigd ben om iets terug te zeggen.
Wat in dit verband zeker interessant is, is dat hij mij een heleboel literatuur van antroposofische zijde heeft aangeraden (die ik zou hebben ‘verzuimd’ te raadplegen). Heldens, in een elders (op de weblog van Michel Gastkemper nog bewaard gebleven fragment):

“Op zaterdag 6 september 2008 bracht Michiel Gastkemper op zijn weblog het verhaal van een 35-jarige oud-vrijeschoolleerling en kunsthistoricus, die door zelfstandig onderzoek tot de kloeke conclusie is gekomen dat de antroposofie racistisch en sektarisch is. Punt uit. Gastkemper is duidelijk ingenomen met Felix Schreve, want zo heet de persoon in kwestie. En ik lees graag de informatieve en goed geschreven weblog van Michiel Gastkemper. Maar ook het beste paard laat wel eens een vijg vallen, nietwaar?
“Volkomen integer” en “eerlijk onderzoekend en afwegend” noemt Gastkemper het lange stuk van Schreve met de al even lange titel: “Geloof in kabouters, Atlantis, Volkszielen en Wortelrassen en pas op voor Dark Lord Ahriman, zwart-magische constructies, de Luciferi-sche Verleiding, overkokende kliersystemen en de ‘Finsteren Saturn’; Rudolf Steiner en de antroposofie”.
Nieuwsgierig geworden, heb ik mij de moeite getroost – zo mag ik dat wel noemen – om dat onderzoeksverhaal over antroposofie helemaal uit te lezen. Afgaand op de titel dacht ik eerst nog dat het om een hilarische column ging, maar dat bleek niet het geval. Zo ‘open minded’ Floris Schreve is als het gaat om allerlei interessante vormen van kunst over de hele wereld – zijn website is een kleine goudmijn op dit terrein -, zo kleingeestig wordt hij als het gaat om antroposofie. Een veel voorkomend verschijnsel; een mens zit vol tegenstrijdigheden.
Schrijvers van het Belgische tijdschrift voor antroposofie, De Brug, blijken in de ogen van Floris lachwekkend domme Belgen te zijn. Op grond van passages in de zogeheten volkeren-cyclus wordt Steiner door hem ontmaskerd als een overtuigd racist. Niks ‘slip of the tongue’, niks koloniale tijdgeest van destijds of andere slappe excuses. Geen wonder dat veel antroposofen zich tegenwoordig geen raad meer met Steiner weten, meent hij. De naar zijn mening halfslachtige benadering in de eindrapportage van de z.g. Commissie van Baarda, ziet hij als een voorbeeld van die verlegenheid.
Michiel Gastkemper is duidelijk gecharmeerd van de fermheid van Schreve’s denkwijze. Het is sowieso overal ‘recht voor je raap’ wat de klok slaat. De nuance zoeken, ‘that’s just boring man!’ Maar als een kwieke jonge hond mij tegen de broek aanpiest, ben ik toch niet zo charmant om te zeggen ‘dank u wel, ga gerust uw gang!’ Ik ben in zo’n geval meer van “hee joh, doe effe normaal zeg!’
Floris Schreve noemt zichzelf “agnost/atheïst”. Ieder zijn meug natuurlijk, maar die overtuiging valt moeilijk te rijmen met onbevangenheid als het om ‘bijgeloof in iets bovennatuurlijks’ gaat. Zijn lange tirade tegen de antroposofie is dan ook geheel in de stijl van Simpos, die linkse bikkels van de harde actie tegen discriminatie, fascisme en racisme. Simpos staat voor “Stichting Informatie over Maatschappelijke Problemen rond Occulte Stromingen”. Samen met de wat chiquere academici van de Stichting Skepsis vormen zij de ‘ghostbusters’ van elke New-Agestroming die door middel van slimme indoctrinatie onschuldige burgers van hun gezonde verstand berooft. De antroposofie valt vanzelfsprekend ook onder die kwalificatie. Wat de Vereniging tegen de Kwakzalverij is op het gebied van de gezondheidszorg, zijn Simpos en Skepsis op het gebied van de levensbeschouwing.
‘Floris Schreve blijkt zich erg thuis te voelen bij de geschriften van Toos Jeurissen, Bram Moerland en Simposman Jan Willem de Groot. Tegen het eind van zijn stuk bedankt hij Bram Moerland en de weduwe van August de Roode vriendelijk “voor het aanleveren van hun materiaal”.
Wijlen August de Roode was vader van een kind op de Vrije School Meppel medio jaren tachtig. Hij stuitte meer of minder toevallig op passages in het werk van Rudolf Steiner die hij erg discriminerend vond. Hij eiste van de schoolleiding opheldering. Dat liep in 1985 uit op een vreselijke rel en August de Roode nam zijn kind van school. Inmiddels had hij zijn licht opgestoken bij ‘pacifist’ Gjalt Zondergeld, die hem volledig inwijdde in de geheime fascistische trekjes van Steiner en zijn aanhangers. August de Roode werd in 1986 samen met Evert van der Tuin en Gjalt Zondergeld auteur van het boekje: “Antroposofisch racisme. Als de blonden uitsterven zouden de mensen steeds dommer worden”. Aangezien mijnheer de Roode bij leven een ‘donkergekleurde medemens uit Suriname’ was, betekende alleen al zijn medewerking aan die publicatie een luide aanklacht tegen Steiner die ieder normaal denkend mens moest overtuigen. De kunst van propaganda maken verstonden Gjalt Zondergeld en ook Bram Moerland altijd uitstekend. In dit opzicht hebben zij in 1995 ook Toos Jeurissen – een pseudoniem overigens – doeltreffend geadviseerd.
‘Antroposofisch racisme’, dat is naar mijn mening een contradictie in terminis. Precies dat feit maakt de hele kwestie zo heikel. Er staan in Steiners werk immers passages die nu vanzelfsprekend heel anders beleefd worden dan in de tijd, dat deze werden uitgesproken. Floris Schreve meent echter – en hij is bepaald niet de enige – dat antroposofie identiek is met racisme.
Floris Schreve schijnt niet bekend te zijn met of niet geïnteresseerd te zijn in de artikelen van bijvoorbeeld Fred Beekers, Mark Bischot, Mouringh Boeke, Dieter Brül, Edith de Clerq Zubli, Stephan Geuljans, Walter Heijder, Hans Peter van Manen, Maarten Ploeger, Arnold Sandhaus en Wim Veltman, waarin de feitelijke onjuistheden en de tendentieuze interpretatie van de gewraakte teksten van Rudolf Steiner worden belicht, die bij Toos Jeurissen, Bram Moerland, Gjalt Zondergeld e.a. schering en inslag zijn. Halve waarheden zijn verwoestender dan kloeke leugens. Dieter Brüll karakteriseerde deze geestesstroming daarom treffend als “de nieuwe reactionairen”.

Een viertal correcties op de beweringen van Floris Schreve wil ik de lezer niet onthouden.

Wat de kritiek van Schreve op “De volkzielen” betreft, vind ik het artikel van Hans Peter van Manen: “Rudolf Steiners visie op volken en rassen” in de bundel “Antroposofie ter discussie” nog altijd zeer ‘to the point’. Niettemin schijnt die bundel in antroposofische kringen inmiddels als hopeloos gedateerd te worden beschouwd. Maar elk nadeel heeft z’n voordeel: in de ‘ramsj’ zijn nog enkele exemplaren te koop.
Wat het vaak bekritiseerde citaat betreft, waarin Steiner spreekt over de invloed van ervaringen van de moeder tijdens de zwangerschap op het embryo, waarbij hij als voorbeeld het lezen van destijds in de mode zijnde ‘negerromans’ noemde, zie Lorenzo Ravagli: “Negerromane – was meinte Steiner wirklich?“. Der Europäer, jrg. 5, nr. 5, pag. 19-21, maart 2001.
Over de eindeloos herhaalde zogenaamde antisemitische uitlating van Steiner uit 1888 schreef Boris Bernstein in het tijdschrift Der Europäer recent een verhelderend artikel met de titel: “Apropos 44: Wie gegen Rudolf Steiner agitiert wird“. De uitgever van het tijdschrift, Perseus Verlag te Bazel, bracht dit jaar een herdruk uit van de boeiende studie van Karl Heyer: “Wie man gegen Rudolf Steiner kämpft“.
En wat het vermeende ‘jatten’ van Steiner bij andere, eeuwenoude geestesstromingen betreft, leze men het slot van de Voorwoorden van juni 1913 en januari 1925 in Steiners boek “De wetenschap van de geheimen der ziel
Tot slot de hamvraag: welke vitale samenhang bestaat er tussen “De volkszielen” van Rudolf Steiner en de preventie van (staats)terrorisme? Als een epidemisch verschijnsel zie je op de Balkan, in Irak en in de Kaukasus immers niet langer meerdere volken, culturen en godsdiensten samenleven binnen één staatsvorm, maar elke etnisch-religieuze groep zijn eigen ministaatje opeisten in naam van het zelfbeschikkingsrecht der volkeren. Het zionistische Israël, dat het nagenoeg onoplosbaar geworden Palestijnenvraagstuk voortbracht en daardoor aan de wieg stond van het Arabisch terrorisme, lijkt het prototype te zijn geworden voor een nieuw verdeel-en-heers-systeem, dat door George Bush senior op 11 september 1990 in de aanloop naar de z.g. Golfoorlog in 1991 in een rede voor het Amerikaanse Congres en de Senaat te samen, The New Order werd genoemd. Niet het zelfbeschikkingsrecht van het menselijke individu, maar het misleidende ‘zelfbeschikkingsrecht der volkeren’ vormt de grondslag van die nieuwe wereldorde, die op zijn beurt de basis heeft gelegd voor de ‘botsende beschavingen’. Een gewaarschuwd mens telt voor twee!” (zie hier de literatuurverwijzingen van Paul Heldens)

Tot zover Paul Heldens. Op het bovenstaande heb ik wel wat aan te merken, los van dat Felix Schreve mijn neefje van een jaar oud is. Het gaat hier echt om Floris Schreve. Er is een ding waarmee ik het roerend eens ben met Paul Heldens. Dat is dat het zelfbeschikkingsrecht van het individu ten principale voorop staat. Ben ik persoonlijk een groot voorstander van, al heb ik mijn twijfels of de antroposofie de weg is om die te realiseren. Maar dat is mijn ‘meug’.  En we hebben nu eenmaal te maken met volkerenrecht (toch handig om uiteindelijk het Midden Oosten probleem op te lossen), maar goed het gaat er nu niet om wat de beste weg naar de wereldvrede is.
Nu de kanttekeningen: Het citaat van de negerromans en de zwangere vrouwen heb ik inderdaad niet zelf gevonden bij Steiner. Wel is dit een van de weinige uitspraken van Steiner die door het van Baarda rapport is gekwalificeerd als ‘ernstig discriminerend’. Het gaat om het volgende citaat: ‘Aber wir haben ja sogar schon diesen Negerroman. Er ist urlangweilig, greulich langweilig, aber die Leute verschlingen ihn. (…) Da entsteht durch rein geistiges Lesen von Negerromanen eine ganze Anzahl von Kindern in Europa, die ganz grau sind, Mulattenhaare haben werden, die mulattenähnlich aussehen werden’. Ik heb dit teruggevonden in het artikel waar Paul Heldens naar verwijst, te lezen op http://www.perseus.ch/PDF-Dateien/batuala.pdf
Het oordeel van de Commissie van Baarda  luidde overigens: ‘Bezwaarlijk is Steiners opmerking dat blanke zwangere vrouwen mulattenkinderen zouden krijgen indien zij een ‘negerroman’ zouden lezen. Bovendien wordt de indruk gewekt dat het krijgen van een mulattenkind iets ergs is. Het is een verkeerd gekozen voorbeeld, in de context van een betoog over gevoelsbelevingen van de moeder tijdens de zwangerschap op de ongeboren vrucht. Het voorbeeld is zeer beledigend voor zwarten’ ( Eindrapport onderzoekscommissie p. 688). Hier wordt dus in antroposofische kring kennelijk verschillend over gedacht. Ook Thomas Höfer, van de wat meer progressieve lichting der antroposofen in Duitsland, noemt dit citaat en verwerpt het. Höfer: ‘Indianen stierven aan hun eigen natuur, vrouwen baarden door het lezen van negerrromans mulattenkinderen, de Franse taal is een leugentaal: Met het oog op deze en andere uitspraken kan men moeilijk ontkennen dat Steiners kennis van zwarten, Indianen en anderen, zelfs voor de toenmalige tijd, mild uitgedrukt niet bijzonder vooruitstrevend was’ (Jeurissen, p. 12, geciteerd uit ‘Flensburger Hefte’, no 41).
Maar heeft meneer Heldens gelezen wat ik over dit citaat heb geschreven? In ‘Geloof in kabouters…’: ‘De enige twee in opspraak geraakte Steinercitaten dat ik als uitglijders kan zien, dat wil zeggen, niet kan inpassen in zijn totaalvisie zijn: ‘Ik ben er persoonlijk van overtuigd, dat als we nog een paar negerromans te verwerken krijgen, en we geven die negerromans in de eerste tijd van de zwangerschap aan zwangere vrouwen te lezen, dan hoeven er helemaal geen zwarten meer naar Europa te komen om voor mulatten te zorgen – dan ontstaat puur door het geestelijk lezen van die negerromans een groot aantal kinderen in Europa die helemaal grijs zijn, mulattenhaar hebben, die er als mulatten uit zullen zien!’ (uit een lezing in Dornach uit 1922) en ‘Het Jodendom heeft zichzelf al lang overleefd, heeft geen rechtvaardiging binnen het moderne leven der volkeren, en dat is een fout van de wereldgeschiedenis, waarvan de gevolgen niet kunnen uitblijven. We bedoelden hier niet alleen de vormen van de joodse religie, maar vooral ook de geest van het Jodendom, de joodse manier van denken’ (bespreking van Baarda rapport p. 693-697). Nogmaals, wat betreft antisemitisme bij Steiner lopen de meningen uiteen (zie hierover dit Zwitserse artikel http://www.cjp.ch/artikel/anthroposophie.htm. Zie ook dit artikel over de kwestie in het Zwitserse Solothurn http://www.welt.de/welt_print/article1411569/Wie_antisemitisch_war_Rudolf_Steiner.html)’. Met de laatste opmerking is ook het door meneer Heldens aangezwengelde punt van dat ik Steiner van antisemitisme beticht afgehandeld. Ik laat die kwestie dus in het midden. Elders heb ik gezegd ‘Steiner heeft antisemitische uitlatingen gedaan, maar hij heeft zich ook tegen het antisemitisme uitgesproken’ (ik heb namelijk nog wat andere uitspraken gevonden, zie ‘Geloof in kabouters…’). Tamelijk genuanceerd toch? Eerst goed lezen, dan stampij maken, lijkt me. Antroposofen kunnen er soms ook wat van om willekeurige stukjes tekst eruit te plukken en vervolgens een keel opzetten, dat is niet slechts voorbehouden aan die vermalijde critici, ‘propagandisten’ en die ‘nieuwe reactionairen’. Zal ik hier later nog een paar leuke gevalletjes van laten zien.
Om verder nog een keer terug te komen op de ‘negerromans’, in een veel recentere publicatie (2002) stelt de door Paul Heldens zo gehekelde historicus Gjalt Zondergeld (verbonden aan de VU) dat er van plat racisme bij Steiner meestal geen sprake is. Alles is ingebouwd in zijn totale kosmologie. Alleen met dit citaat ‘valt hij echt door de mand’ (in ‘Goed en kwaad; vijftien opstellen’, p. 82). Ik moet zeggen dat ik me hier zeker in kan herkennen. Ik ben inderdaad tot dezelfde conclusie gekomen, overigens geheel onafhankelijk van Zondergeld, omdat ik toen dit recentere essay van hem nog niet kende.
Dan mijn opmerkingen over het ‘jatten’ van Steiner. Ik heb mij daar niet over uitgesproken. Ik heb verwezen naar een opmerking van Bram Moerland en daarbij gezegd dat dit de enige verklaring is, als je de mogelijkheid tot helderziende waarneming uitsluit. Je zou inderdaad kunnen stellen dat Helena Blavatsky helderziend was en de ‘waarheid’ heeft aanschouwd. Wat betreft Steiner, mocht hij over dezelfde talenten beschikken, dat hij dan ook die waarheid heeft gezien. En omdat ze beide ongeveer hetzelfde hebben gezien is het dus waar. Ik ben alleen bang dat ik dat zelf niet kan geloven en feit is dat Steiner niet aan bronvermelding doet. Het zou trouwens wel toevallig zijn dat allerlei modieuze ideeën van toen net de universele waarheid zijn. Is dan wel een uniek moment in de wereldgeschiedenis geweest, de trends in occulte kring rond het fin du siècle. Ook dat die dan zo eurocentrisch is. Maar het blanke ras is het ras van de toekomst, dat hebben we zojuist bij Steiner zelf gezien. Goed, ik heb daar zeker mijn persoonlijke gedachten over, maar dat laat ik liever aan ieder voor zich. Wat ik wel frappant nieuws vind (weet ik ook nog maar sinds heel kort) dat er in Duitsland een hoogleraar geschiedenis, Helmut Zander, net een omvangrijke studie heeft gepubliceerd (het schijnt een kolossaal werk te zijn van 1800 pagina’s), waarin hij schijnt te kunnen aantonen dat Steiner zich uitsluitend op schriftelijke bronnen heeft gebaseerd, dus niet op helderziende waarneming. Ik heb dat boek nog niet gelezen, dus ik kan er niets over zeggen. Wel heb ik begrepen via anderen, die ook op mijn blog hebben gereageerd (terug te lezen in de reacties), dat dit een boek is dat buitengewoon serieus moet worden genomen en dat er zelfs antroposofen zijn die dat doen (vooral in Duitsland). Even tussendoor, Zander krijgt, vanwege een eerdere publicatie (in ‘Handbuch zur Völkische Bewegungen 1871-1918’), er stevig van langs in het van Baarda-rapport wegens… onzorgvuldig of verkeerd citeren (p. 652). Volgens mij zijn alle contemporaine historici echte sloddervossen wanneer het de antroposofie betreft. Gelukkig zijn antroposofen dat niet. Dat belooft dus wat, als zijn nieuwe boek in Nederland uitkomt (zie voor een televisie interview met Zander deze link of deze bespreking van zijn boek). Maar los van Zanders nieuwste stelling, wat mij betreft ieder zijn geloof ( en de antroposofie is wat mij betreft een geloof) zolang het maar wel binnen de grenzen van het betamelijke blijft en geen racistische uitspattingen kent, om maar een voorbeeld te noemen. En dat kan ik helaas van de antroposofie als leer niet zeggen (ik heb het dus niet over individuen die de antroposofie belijden).
Misschien moet ik me op dit punt wat duidelijker uitspreken, om ieder misverstand te voorkomen. Ik heb geen enkel probleem met welk geloof dan ook, ook niet als dat geloof het mijne niet is. Ik zal u een voorbeeld geven. Ik ben zelf geen moslim, maar ik heb een grote bewondering voor de manier waarop de Egyptische hoogleraar Nasr Hamid Abu Zayd, vroeger in Cairo, nu verbonden aan de Universiteit Leiden, vanuit de nieuwste taalfilosofische inzichten (hij baseert zich op de hermeneutiek van Hans-Georg Gadamer, voert hier wat ver om dat toe te lichten), opnieuw de Koran weegt. Hij weet op een intellectueel doortimmerde wijze, die ook aansluit bij de behoefte van deze tijd, het grote erfgoed van de islam en de Profeet Mohammed opnieuw te wegen en komt tot waardevolle inzichten. Op grond van de Koran bepleit hij bijvoorbeeld meer tolerantie en gelijkheid tussen man en vrouw. Dit doet hij zeer overtuigend. Ik heb daar een diep ontzag voor, al ben ik zelf geen moslim. Zo zou je ook tegen Albert Schweitzer aan kunnen kijken, die door de van Baarda commissie, wat mij betreft geheel ten onrechte, wordt gelijkgesteld met Rudolf Steiner. Dus als er antroposofen zijn die werkelijk tot vernieuwing kunnen komen, mijn zegen hebben ze zonder meer.
Dan ‘de Brug’ het tijdschrift dat in mijn vorige beschouwing een prominente rol speelt. Ik geloof niet dat ik ergens de schrijvers van de Brug afdoe als ‘domme Belgen’. Mijn kritiek is inderdaad soms wat pittig, maar dat heeft meer te maken met de systematisch gebezigde Holocaustontkenningen, de regelmatig terugkerende antisemitische opmerkingen (’Joden die hun rasgenoten verraden’), de homohaat en andere plezierige geluiden in dat blaadje. Ook het permanente ge-Ahriman  (komt terug in zo’n veertig artikelen) maakt een ietwat sektarische, zo niet obsessief diabolisch gefixeerde indruk, toch wat grimmiger dan de schapenwollen engelen, het houten speelgoed en de zelfgedoopte waskaarsen, of zelfs de briljant geschminkte duivel van het Paradijsspel en het Driekoningenspel van mijn eigen vroegere Vrije School (heeft een grote indruk gemaakt). Ik kan hard lachen om de volgende tekst (wanneer het fenomeen ‘complot-theorieën’ ter sprake komt), maar het maakt wel een beetje een geschifte indruk: ‘Het verschil van al deze theorieën met de antroposofische interpretatie is dat wij aannemen dat er een geestelijk wezen aan de basis ligt van deze gang van zaken, terwijl niet-antroposofen de schuldigen ofwel zoeken binnen de aardesfeer (Vrijmetselaars, Loge, Illuminati, Zionisten, Kapitalisten) ofwel buiten de aardesfeer waar ze activiteiten van min of meer materiële intelligenties veronderstellen (UFO’s e.d.). Volgens ons zijn de organisaties en groeperingen die we zien werken in de richting van een wereld-termietenstaat ook maar uitvoerders van een bovenmenselijke intelligentie, nl. Ahriman’ (http://users.pandora.be/antroposofie/vanaf40/b48met/b48.htm#ahr). Ik wil hier als niet-antroposoof best verklaren dat ik in mijn hele leven nog nooit een UFO of de Illuminati ergens de schuld van heb gegeven en ik ken genoeg niet-antroposofen die dat ook nog nooit gedaan hebben, daar durf ik mijn hand voor in het vuur te steken. Had trouwens geen idee dat er een organisatie of een groepering achter de UFO’s zit. Zou best wel willen weten wie dat zijn. Maar ik moet dus begrijpen dat het die dekselse Ahriman weer is. Een soort Blofeld dus. Arme Zoroaster, had hij ooit kunnen vermoeden dat er eeuwen later dit soort teksten zouden circuleren toen hij het begrip Ahriman lanceerde? Voor wie mij nog steeds niet gelooft dat het er bij de Brug er zo woest aan toe gaat, bekijk zeker deze site, alleszins de moeite waard: http://users.telenet.be/antroposofie/diabasis/inhaztot.html. Lees anders als voorproefje het artikel met de titel ‘Ahriman; staat, multicultuur en Holocaust’ (directe link:  http://users.telenet.be/antroposofie/vanaf40/b46met/b46.htm) . Voor de duidelijkheid een uitgebreide uitsnede/citaat:

“ Het bijna vensterloos gebouw, opgetrokken in Grieks-Egyptische stijl …”Behalve het seksuele aspect duikt hier terug een verwijzing naar het oude Egypte op :

In de opeenvolging der na-Atlantische cultuurperiodes zien we een spiegeling tussen de eerste en de zevende, de tweede en de zesde, en de derde (Egyptische-Babylonische) met onze vijfde na-Atlantische periode. Dat betekent niet dat de vijfde cultuurperiode een herhaling moet zijn van de Egyptische periode. Het moet een spiegeling zijn waarin het nieuwe element, de Christus-impuls, is opgenomen.

Ahriman doet zijn best om er een herhaling van te maken waarin iedere verwijzing naar Christus ontbreekt. Het lijkt er sterk op dat hij, de antichrist, daartoe zelfs een soort anti-religie in het leven heeft geroepen met als centrale geloofsartikelen : multicultuur en holocaust.

– multicultuur : de leugenachtigheid van dit ‘begrip’ werd nog maar eens gedemonstreerd n.a.v. de eventuele toetreding van Turkije tot de E.U. Overspel mocht er niet langer strafbaar zijn. Verschillende commentatoren wezen erop dat in het zakendoen en handeldrijven het naleven van een verbintenis vanzelfsprekend is terwijl nu ineens – wanneer het een persoonlijke vrijwillige verbintenis betreft o.m. tot huwelijkstrouw – een contract juist niet zou moeten nageleefd worden.
Matthias Storme in Doorbraak (nr. 9-oktober 2004):

”De grote meerderheid van de culturen beschouwt de naleving van de vrijwillig aangegane getrouwheidsplicht nog steeds als belangrijk voor de maatschappelijke orde en indien niet voor de materiële dan minstens toch voor de immateriële geestelijke huishouding des mensen. Maar de nieuwe hogepriesters van de “Eureligie” weten het natuurlijk veel beter: hun materialistische en familievijandige ideologie is de enige die nog toegelaten wordt. Dat een democratisch verkozen volksvertegenwoordiging in een ander land daar anders over denkt kan niet worden aanvaard; het begrip multicultuur mag immers alleen worden gebruikt om traditionele maatschappelijke instituties terzijde te schuiven, niet om ze te behouden natuurlijk.In de nieuwe “Eureligie” passen deugden als loyauteit natuurlijk niet meer en is trouw een verdacht idee uit een obscurantistisch verleden. Het idee dat men zich verbindt tot het vormen van een mede op trouw gebaseerd gezinsverband is voor die religie immers ondraaglijk: een mens moet immers geëmancipeerd worden uit al die knellende banden en voortdurend voor nieuwe consumptie-ervaringen kunnen open staan, voortdurend bereid zijn om op de markt zijn gebruikte goederen te vervangen door nieuwe, mooiere, modernere.”

– het fenomeen “holocaust”.
In de Westerse wereld staat het iedereen vrij om over een bepaald geschiedkundig feit te denken hoe hij wil. Komt iemand op het idee dat Napoleon nooit een veldtocht naar Rusland heeft ondernomen, en hij schrijft een boek met argumenten om die stelling te onderbouwen, dan kan hij dat doen. Maar er is 1 onderwerp dat niet meer mag onderzocht worden, en dat is de “holocaust”, het dogma van de systematische uitmoording van 6 miljoen Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Het is in de meeste Westerse landen bij wet verboden om aan dit “feit” te twijfelen.
Waarom alleen aan dit ‘feit’ ? Stalin en Mao zijn verantwoordelijk voor de dood van miljoenen mensen, maar niemand schijnt zich daar nog aan te storen. Waarom dan dit systematisch oprakelen en in beeld brengen van alleen de Duitse oorlogsdaden ?
Het kan niet anders of de Angelsaksische occulte loges weten dat voor hen een gevaar alleen uit Midden-Europa kan komen, en om bij voorbaat iedere werking van een spirituele impuls uit te sluiten werd en wordt Duitsland als de oorsprong van alle kwaad afgeschilderd.

Waar het Mysterie van Golgotha als centraal geestelijk gegeven in de ontwikkeling van de mensheid voor alle mensen een lichtend baken zou kunnen zijn dat iedereen verenigt in een gezamenlijk zoeken naar de juiste weg om de Christusimpuls in de wereld te realiseren, krijgen we nu een centraal on-geestelijk afstotingspunt, het zwarte gat in de mensheidsgeschiedenis waar iedereen in een grote boog moet omheen lopen en dat de mensheid verenigt in een gezamenlijke haat tegen …. de geestelijke impuls uit Midden-Europa ! Want het is niet toevallig dat met de holocaust een voortdurende haat tegen het Duitse volk in leven wordt gehouden, tegen Duitsland als een gebied waarvoor de mensheid moet oppassen en waakzaam blijven. Zelfs vóór de oorlog begon die haatpropaganda al.
Vroeger werden in de bioscopen altijd nieuwsfilmpjes getoond vóór de eigenlijke film begon. In 1981 overleed Jack Glenn, de man die deze filmpjes maakte in de Verenigde Staten. Af en toe liet deze man wereldgebeurtenissen door acteurs naspelen in een toneeldecor. Eén ervan was het filmpje “Inside Nazi Germany”, gedraaid in 1938. Het bevatte een scène van een concentratiekamp, voor een stuk gefilmd op Staten-Island met New-Yorkse acteurs. Een groot deel van de film was opgenomen in het Derde Rijk door een free-lance cameraman, maar Louis Rochement, de producer, had het gevoel dat die film gecensureerd was door de Duitse autoriteiten en beval Glenn om de Nazi-brutaliteiten zelf in scène te zetten. Miljoenen Amerikanen die deze nieuwsfilmpjes in hun plaatselijke bioscoop bekeken waren overtuigd dat ze de realiteit zagen. Hoeveel dergelijke realiteiten die we tegenwoordig voorgeschoteld krijgen zouden niet het werk zijn van filmkunstenaars ?
Feit is dat de Geallieerden na de oorlog Hollywood-producers huurden om propagandafilms te maken in plaats van het filmmateriaal van het leger te gebruiken.

David Irving geeft daarop volgende commentaar :

“Enkele jaren geleden kwam er op BBC2 geloof ik, een programma over de ‘documentaires’ van deze Glenn. Daarin werd onder meer onthuld dat de scènes van SA-bruinhemden die hun vijanden molesteerden in de straten van Berlijn en die de Joden in Wenen het voetpad deden opkuisen, gefilmd waren in de decors van Hollywood. Ook de Japanse soldaten die baby’s op hun bajonetten staken en andere wreedheden waren haatpropagandascènes uit Hollywood. Ik zeg niet dat die feiten zich niet werkelijk voorgedaan hebben. Maar moderne televisiemakers gebruiken nu die opnamen om hun eigen reportages mee te vullen, net zoals ze materiaal van de vroegere Sovjet-GPOE gebruiken als authentiek. Jarenlang hebben ze het publiek bedrogen en hun steentje bijgedragen opdat het wiel van de haat blijft draaien.”

Op de website van David Irving kan men overigens ook lezen hoe een filmploeg van het Amerikaanse leger de “ontdekking”van een zak met de gouden tanden van concentratiekampslachtoffers in de (lege) kluizen van de Reichsbank regisseerde. Een ander knap propagandastaaltje.

Waarom draaide Spielberg zijn film “Schindlers List” in zwart-wit ? Kort na het uitkomen van de film verklaarde de eerste cameraman in een Duits vaktijdschrift dat men opzettelijk een documentaire-indruk wou creëren opdat latere (nóg minder kritische – fdw) generaties gemakkelijker overtuigd zouden worden van het realiteitsgehalte.
De film is nochtans gebaseerd op een roman, het product van de fantasie van een schrijver dus, van Thomas Kenneally. Maar daar is ook iets raar mee gebeurd. Vooraan in de eerste editie van het boek, vóór de film gemaakt werd, leest men vijf keer het woord ‘fictie’. In de tweede editie nog drie keer, in de derde editie is er geen sprake meer van fictie, het boek verschijnt in de weekendbijlage van sommige kranten zelfs in de lijst “non-fictie” !

Waarom worden zgn. negationisten als Norman Finkelstein, David Irving, Robert Faurisson, Ernst Zündel zo hardnekkig vervolgd als de ketters destijds door de Inquisitie ? Om dezelfde reden als toen : ze hebben zichzelf buiten de gemeenschap der gelovigen geplaatst, de gelovigen die het dogma aanhangen : Duitsland is de bron van alle kwaad.

In Canada zit Ernst Zündel al 22 maanden (december 2004) in eenzame opsluiting wegens zijn overtuiging, hij heeft nog nooit een vlieg kwaad gedaan, maar wel zijn mening geuit. De rechtszaken tegen hem lijken zo uit boeken van Kafka te komen: de voormalige chef van de geheime dienst die hem jarenlang geschaduwd heeft is nu zijn rechter. Iedere vraag van de verdediging wordt verworpen omdat ze de nationale veiligheid in gevaar zou brengen.

De antichrist, die zo handig de zaken in hun tegendeel kan verkeren, probeert ook de Heilige Geest te vervangen door een zeer aards, zeer leeg gegeven, dat de naam holocaust heeft gekregen, weerom niet toevallig in het Engels klinkend als Holy Ghost.

Tot zover deze passage uit ‘de Brug’. Hier hebben we het dus over. Dus hier kritiek op hebben betekent kennelijk voor sommigen dat ik de auteurs van de Brug weglach als ‘domme Belgen’. Ik denk dat het bovenstaande voor zich spreekt. Ik hoop ook dat de meeste antroposofen, inclusief Paul Heldens, zich verre houden van dit soort praatjes over Ahriman, de multicultuur en de Holocaust. Sterker nog, het lijkt mij genoeg reden voor de gemeenschap der antroposofen om zich definitief van tijdschrift de Brug te distantiëren. Hoe je ook over de kwestie ‘wel of geen rassenleer’ mag denken, dit heeft niets meer met Steiner te maken en is wat mij betreft niets anders dan ‘revisionisme’, zoals dat in extreem rechtse kring heet. David Irving is overigens een beruchte Holocaustontkenner en wordt normaal alleen in neo-nazi kringen serieus genomen. Hij werd onlangs in Oostenrijk voor drie jaar gevangenisstraf veroordeeld (zie  http://nl.wikipedia.org/wiki/David_Irving of http://www.skepsis.nl/irving.html, in het laatste artikel wordt ook verwezen naar de bovengenoemde zaak van Ernst Zündel). Los van wat je daar weer van mag vinden,  zegt het wel iets over in welk vaarwater de Brug zich begeeft. Bijna alle andere hier aangeprezen auteurs zijn overigens van dezelfde slag, behalve Norman Finkelstein, die niet in dit rijtje thuishoort. Finkelstein is een Amerikaanse schrijver van Oost Europese Joodse afkomst, waarvan de ouders in Auschwitz hebben gezeten, maar die vindt dat de Holocaust wordt misbruikt om de Israëlische politiek naar de Palestijnen te vergoelijken, zoals hij uiteen heeft gezet in zijn boek ‘The Holocaust Industry’. Een soort Amerikaanse versie van ‘Een ander Joods geluid’ dus. Weerzinwekkend trouwens dat hij in dit Holocaustontkenners verhaal wordt misbruikt (zie hier overigens een uitgebreid interview met hem, waarin hij ook uitgebreid ingaat op hoe hij door echte Holocaustontkenners wordt misbruikt, zoals Ernst Zündel, van wie hij niets heel laat) . Over propaganda gesproken. Wat dit verhaal nog enigszins geraffineerd maakt  (propaganda-technisch dan), is dat Thomas Keneally een historische roman schreef over Oskar Schindler (inderdaad een roman, maar gebaseerd op nauwkeurig verzameld feitenmateriaal, zoals bijvoorbeeld ook de Nederlandse schrijver Arthur Japin te werk is gegaan, met bijvoorbeeld ‘de Zwarte met het witte hart’). ‘Schindler’s List’ is dus een roman, maar de feiten kloppen wel. Wat de Brug hier doet is echt het toppunt van manipulatie en propaganda. Toch nog knap van ze, want het meeste wat er verder op die ranzige website staat is tamelijk doorzichtig recht toe rechtaan racisme, antisemitisme, etc. Tamelijk walgelijk, maar geraffineerd is het meestal niet. Maar die vondst van Schindler’s list is dus echt heel smerig. Het zou me overigens niets verbazen als ze die niet zelf hebben bedacht, maar gewoon hebben overgenomen van een echte neo-nazi bron. Van David Irving bijvoorbeeld, die is op dat gebied bijzonder uitgekookt en zo slim zijn ze bij de Brug meestal niet; met hun schreeuwerigheid brengen ze mijns inziens de antroposofie alleen maar grote schade toe, dan dat ze die handig weten te verdedigen. Eerder regelrecht stompzinnig dus, want om met neo-nazi’s proberen je punt te maken lijkt me zeer beschadigend voor Rudolf Steiner en de antroposofie en doe je zelfs de antroposofie een groot onrecht aan. Meneer Heldens, u zou bijna blij moeten zij dat ik de opvattingen uit de Brug, waar nodig, weet te scheiden van de werkelijke antroposofie. Maak het dan niet nog erger door het weer voor de Brug op te nemen, door hard te gaan roepen dat ik de auteurs van deze schrijfsels weg zet als domme Belgen.
Vanzelfsprekend heeft mijn  kritiek dus niets te maken met de Belgische afkomst van de auteurs, voor mij beslist geen reden om iemand als ‘dom’ te kwalificeren. Dan zou ik immers hetzelfde doen als wat ik nu juist de antroposofen verwijt: generaliseren naar ras, etnische afkomst of in dit geval nationaliteit. Bij de Brug wordt er juist op meer plaatsen over geklaagd dat België geen ‘Volksstaat’ is  Zie bijvoorbeeld het artikel ‘België, een zwart magische constructie’, waar overigens gesproken wordt van Baälgië, een leuke toespeling op de Phoeninische God Baäl, overigens geen vriend van de sofen, maar dat weet meneer Heldens vast ook wel (http://users.telenet.be/antroposofie/vanaf40/b45.htm). Deze site is dus eerder beledigend voor de Belgische nationaliteit, dan mijn beschouwing  Maar goed, daar gaat het mij dus niet om. Het gaat wel mij om de bijna ‘neo-nazistische’ inhoud. Moet ik het een keer herhalen? Over ‘Joden’ die ‘als het ze uitkomt even goed hun rasgenoten verraden’, in het artikel ‘Het Ahrimanisch menstype’ (http://users.telenet.be/antroposofie/vanaf40/b45.htm).  Waarom zegt niemand uit antroposofische kring hier iets van? Dit lijkt me veel besmeurender dan die paar kritische stukjes van mij,  van ‘die linkse bikkels van Simpos’ of de ‘propaganda’ van Zondergeld en Moerland. En waarom staat dit blad gewoon op antrovista aangeprezen, onder media/tijdschriften? Stel dat er eens een argeloze bezoeker komt. Voor je het weet wordt er gedacht dat antroposofie synoniem is met Holocaust ontkennen. Ik zou het er maar heel snel afgooien, nog voortvarender dan wat er met onze polemiek is gebeurd.
Dan de connectie met  August de Roode. Ik ben, door een toevalligheid die zelfs geheel los staat van de kwestie ‘antroposofie’, goed bevriend met de vroegere echtgenote van August de Roode, (August de Roode zelf heb ik overigens niet gekend) en ik meen te weten hoe deze ‘rel’ echt in elkaar heeft gezeten. Dat is een beetje anders gegaan dan Paul Heldens het weergeeft, maar dit lijkt me niet de plek om daarop in te gaan. De kwestie is bijna te ordinair, juist vanuit antroposofische zijde. Bovendien zijn de belangrijkste betrokkenen inmiddels overleden (August de Roode zelf en de belangrijkste, overigens prominente persoon uit de antroposofische beweging in Nederland met wie hij een ‘conflict’ heeft gehad), dus het lijkt me voor alle betrokkenen beter dat ik deze kwestie op deze plek in het midden laat. Toos Jeurissen heeft deze affaire overigens geheel naar waarheid beschreven (en ik heb hele goede redenen om te zeggen dat dit de juiste versie is)  in ‘Antroposofie en racisme’, in de Groene Amsterdammer van 5 februari 1997. Wie wil weten hoe dit allemaal echt is gegaan moet dat artikel nog maar eens lezen (te vinden in het digitale archief van  de Groene Amsterdammer, moet overigens wel opgevraagd worden: http://www.groene.nl/1997/6/Een_kruistochtantroposofie_en_racisme/4 ).
In ieder geval wil ik Paul Heldens  wel bedanken voor zijn uitvoerige literatuursuggesties, hoewel het moeilijk was om een aantal artikelen nog te bemachtigen (zijn literatuurlijst is ook niet echt up to date te noemen en het meeste is meer dan tien en soms zelfs meer dan twintig jaar oud). Ik neem de uitdaging graag aan. In de meeste gevallen is mij dit wel gelukt om de door hem aangeprezen bronnen in handen te krijgen. Het gaat om de bundel ‘Antroposofie ter discussie’ (onder redactie van Jelle van der Meulen) en om een serie gebundelde artikelen uit het Nederlandse antroposofische tijdschrift ‘Driegonaal’ over de racisme kwestie, waar Heldens veelvuldig naar verwijst. Het lijkt me interessant om dit materiaal te wegen tegen de bronnen die ik in ‘Geloof in kabouters …’ heb gebruikt, al zal vaak genoeg blijken dat deze artikelen grotendeels niet relevant zijn voor mijn stuk. Het gaat vooral om oude polemieken tegen een artikel van Evert van der Tuin en Gjalt Zondergeld, ‘De schaduwkanten van de antroposofie’, verschenen in ‘t Kan anders, in najaar 1984 (?!). Net alsof het debat toen is stil blijven staan. Met andere woorden, geen Jeurissen, geen Wiechert met Ajax en Wounded Knee op de radio en geen van Baarda Rapport. Het zeer gedateerde aspect van Paul Heldens repliek zal via deze bronnen vanzelf zichtbaar worden. Maar ik vrees dat ook de accenten op iets anders komen te liggen dan waar Paul Heldens het over heeft.  Er is één door Heldens aanbevolen bijdrage die er zo uitspringt in extremiteit, dat die een geheel aparte bespreking verdient, al is er al veel vaker kritiek op afgevuurd (vooral door Moerland en Jeurissen). Het betreft de bijdrage van Maarten Ploeger in ‘Antroposofie ter discussie’, eerder ook verschenen in de ‘Jonas’. De kritiek van Jeurissen en Moerland betrof vooral verschillende losse uitspraken, maar het is ook absoluut de moeite waard om het geheel een keer te behandelen. Dit stuk is zo uniek dat ik er een apart gedeelte aan zal wijden (direct hieronder). Zoiets krijg je zelden in handen. Bij deze mijn follow up. Met dank aan Paul Heldens.

De bijdrage van Maarten Ploeger in ‘Antroposofie ter discussie’

In 1985 verscheen ‘Antroposofie ter discussie’ , onder redactie van onder meer Jelle van der Meulen ( in het Nederlandse antroposofische circuit vooral bekend als redacteur van het tijdschrift ‘Jonas’), met bijdragen van een aantal auteurs die actief waren in verschillende antroposofische werkgebieden, als Willem Veltman, Bernard Lievegoed ea. De bundel behandelt verschillende thema’s en werkgebieden waarin de antroposofie actief is en waarin deze ook niet vrij is van enige controverse. Al deze verschillende hoofdstukken zijn toenterijd ook als artikel in de Jonas verschenen. Omdat er toen ook al enige ontwikkelingen waren in de racisme affaire, zijn er ook twee bijdragen die deze thematiek behandelen, een van Maarten Ploeger ‘Racisme en antroposofie’ en een van Hans Peter van Manen ‘Rudolf Steiners visie op volken en rassen’ (zie de beide bijdragen van deze auteurts hier). Hoewel de titel van deze bundel ‘Antroposofie ter discussie’ is, wordt op alle gebieden door de diverse auteurs uitsluitend het antroposofische standpunt verdedigd. In de woorden van Bram Moerland: ‘In het boek Antroposofie ter discussie heb ik niets kunnen terugvinden van enige kritische zin jegens Steiner. De antroposofie staat in dat boek helemaal niet ter discussie. Die wordt door dik en dun verdedigd. Steiner heeft gewoon gelijk. Maarten Ploeger beklaagt zich in zijn bijdrage zelfs over de kritiek op de racistische uitspraken van Steiner die hij in de antroposofie ontmoet en schrijft: ‘Het valt niet mee om tegendraads te blijven nadenken over kwesties als het ontstaan en de betekenis van rassen en volkeren’ (Moerland, Rassenleer met charisma, p. 16, citaat Antroposofie ter discussie, p. 37). Ik vrees dat Moerland hier inderdaad weer een punt heeft. Overigens, speciaal voor de Commisie van Baarda, Moerland citeert hier tot op het niveau van de spaties correct. Tot zover Moerland en verder met de bijdrage van Ploeger, want daarna wordt het pas echt interessant: ‘Iedereen die zich op de hoogte stelt van de levensomstandigheden van bijvoorbeeld de Derde-Wereldburgers, weet dat het behoren tot een bepaald ras niet zonder gevolgen is. Maar het is al een taboe geworden daar anders over te spreken dan in puur economische-materiële zin. De oorzaak daarvan moet worden gezocht in de wijd verbreide opvatting dat iedereen zich in principe op dezelfde wijze kan ontplooien, mits de milieufactoren als opvoeding, onderwijs en materiële welvaart over de hele wereld volledig wordt gelijkgeschakeld. Dit geldt gelijkelijk voor twee Nederlanders, als voor een zwarte en een blanke. Een vergelijkbare opvatting kan worden gevonden in het radicale feminisme: corrigeer met alle kracht het foute denkbeeld dat de vrouw qua menselijke mogelijkheden verschillend zou zijn van de man (de ideologie van ‘het kleine verschil’, dat is verschil in louter voortplantingsfunctie)’ (p. 37-38).
Ploeger houdt hier verder een pleidooi voor het opwaarderen van de erkenning dat er rasverschillen zijn. Het wegkijken ziet hij als een vorm van struisvogelpolitiek. Het gaat hem er niet om dat het ene ras beter is dan het andere, hij stelt wel dat ieder ras over verschillende kwaliteiten beschikt. Zolang wij dat niet durven inzien of benoemen zullen wij op mondiaal niveau voor dezelfde problemen blijven staan en zijn we dus op een verkeerde manier bezig. ‘Problemen worden niet opgelost door ze te ontkennen, maar onder ogen te zien’ vindt Ploeger, wat betreft de verschillen tussen rassen (p. 39-40).
Ploeger meent een bondgenoot te vinden in Leopold Sédar Senghor (1906-2001), de eerste president van Senegal. En zijn notie van ‘négritude’ ziet Ploeger als een bevestiging van de antroposofische kijk op het zwarte ras. Dit punt is interessant en verdient wellicht serieuze aandacht, al ben ik van mening dat Ploeger hier een cruciale denkfout maakt. Allereerst was Senghors notie natuurlijk ingegeven om zich af te zetten tegen het onvermijdelijke racisme van de koloniale tijd. Dit was overigens niet uniek voor Senegal, of zelfs Afrika, maar soortgelijke idealen of ideologieën hebben overal in voormalig koloniaal bestuurde landen bestaan Zie bijvoorbeeld zelfs een soort opgelegde ‘1001 nacht romantiek’ in de kunsten van het Irak van Saddam Hoessein tot en met de krankzinnige herbouw van Babylon met portretten van Saddam als Nebukhadnezar, de zg turath-cultuurpolitiek (‘turath’ betekent ‘erfgoed’ in het Arabisch), die ik elders weleens ‘zelfbevestigend oriëntalisme’ heb genoemd. Idi Amin, met zijn gebral dat de Egyptische beschaving in Oeganda is ontstaan, is ook een goed voorbeeld, al kun je Senghor overigens niet op een hoop gooien met beide dictators. Bovendien was Senghors notie van Negritude ‘cultureel’ van aard en niet ‘raciaal’ of racistisch, althans niet bedoeld. Dat zijn Steiners opvattingen over het zwarte ras namelijk wel. Ik denk niet dat de tekst: ‘Alles, was der äthiopische Rasse ihre besonderen Merkmahle verleiht, das kommt davon her, daß die Merkurkräfte in dem Drüssensystem des betreffende Menschen kochen und brodeln. Das kommt davon her, daß sie auskochen, was die allgemeine, gleiche Menschengestalt zu besonderen der äthiopischen Rasse macht-mit der schwarzen Hautfarbe, dem wolligen Haar usw.’ (die Mission, p. 116) in overeenstemming zijn met Senghors ideologische notie van ‘négritude’.
Waar stond Senghor dan wel voor? Négritude was voor Senghor een attitude, een cultuuruiting, voor degenen die oorspronkelijk stammen uit het Afrikaanse continent om zich af te zetten tegen de Europese cultuur, die vanwege het kolonialisme zo lang dominant geweest was. Eigenlijk een onderdeel van een bevrijdingsideologie, vergelijkbaar met Ghandi’s oproep om weer traditionele kleding te gaan dragen in plaats van  westerse. Daarmee overigens ook een neo-beweging, niet zozeer een voortzetting van een oorspronkelijke locale traditie. Het was namelijk bedoeld voor iedereen met ‘Afrikaanse roots’. Een soort ‘Pan-Afrikanisme’ dus. Kortom, ondenkbaar zonder het Europese imperialisme, al zette het zich er wel tegen af. Senghors vond dat négritude zich vooral cultureel moest manifesteren. Vreemd genoeg noemde hij als voorbeeld de kunst van Pablo Picasso. De manier waarop Picasso zijn Catalaanse wortels in zijn modernistische kunst wist te vertalen vond hij de ideale manier waarop zwarten, waar dan ook ter wereld, hun roots zouden moeten onderzoeken, om vervolgens een vertaalslag te maken naar de eigen tijd (uit: Petra Heemskerk, Moderne kunst uit Senegal1960-1980, in Decorum, nr. 1+2, vakgroep kunstgeschiedenis, Universiteit Leiden, p. 57). Senghor beschouwde négritude in de eerste plaats als een keuze en een levenshouding, natuurlijk niet als iets dat biologisch, laat staan astrologisch bepaald was (zie Steiners opvattingen).
Van belang is wellicht om kennis te nemen van de kritiek op Senghors identiteits- en cultuurpolitiek. In Culture and Imperialism wijdt Edward Said  hier een lange passage aan Hij haalt hier onder meer de kritiek van de beroemde Nigeriaanse schrijver Whole Soyinka aan, Nobelprijswinnaar voor de literatuur in 1986. Said: ‘Nativism (een begrip van de Duitse filosoof Theodor Adorno, daar is ie weer, en ik denk dat de term voor zich spreekt, FS), alas, reinforces the distinction even while revaluating the weaker or subserviant partner. And it has often led to compelling but demagogic assertions about a native past,  narrative or actuality that stands free from worldly time itself. One sees this in such enterprises as Senghor’s négritude, or in the Rastafarian movement, or in the Garveyite back-to-Africa project for American Blacks, or in the rediscoveries of various unsullied, pre-colonial Muslim essences (…) A useful way of getting a better hold of this analytically is to look at an analysis of the same problem done in the African context: Whole Soyinka’s withering critique of négritude published in 1976. Soyinka  notes that the concept of négritude is the second, inferior term in an opposition-European versus African-that  ‘accepted the dialectical structure of European ideological confrontations but borrowed from the very components of its racist syllogism’. Thus Europeans are analytical, Africans ‘incapable of analytical thought. Therefore the African is not highly developed’ whereas the European is. The result is, according to Soyinka, that ‘Négritude trapped itself in what was primarily a defensive role, even though its accents were strident, its syntax hyperbolic and its strategy aggressive…Négritude stayed within the pre-set system of Eurocentric intellectual analysis of both man and his society, and tried  to re-define the African and his society in those externalized terms’ (Culture and Imperialism, p.276-277).
Duidelijk is dat, ondanks de fundamentele kritiek van Said en Soyinka, Senghors opvattingen meer te maken hebben met identiteitspolitiek (en wellicht een spiegelbeeld is geworden van de racistische opvattingen van de kolonisator) en toch echt onmogelijk gezien kunnen worden als een rechtvaardiging van Steiners rassenleer, die ‘biologisch’ en occult van aard is. Ploeger weet nog te melden: ‘Senghor was naar westerse maatstaven een ontwikkeld man; hij studeerde in Parijs. Hij kende de westerse cultuur van binnenuit en begreep dat het westen zijn negroide cultuurfilosofie, door het structurele onvermogen om zijn ervaringen mee te beleven, haast wel moest afwijzen. Hij vroeg echter ruimte voor zijn cultuurideaal: het naast elkaar waarderen van verschillende bewustzijnskwaliteiten’ (p. 42). Het spijt me voor Maarten Ploeger maar ik denk dat Edward Said en Whole Soyinka de ‘Négritude’ beter weten te verklaren (namelijk vooral als iets typisch ‘westers’) dan dat de verklaring of rechtvaardiging moet worden gezocht in Steiners rassenleer uit de Volkszielen. En bovendien, sinds wanneer is de oproep tot cultureel pluralisme en diversiteit een rechtvaardiging voor determinisme naar raciale achtergrond? Net alsof multiculturalisme hetzelfde is als Apartheid.
Wat heeft Ploeger ons nog meer te vertellen? ‘We lichten er hier drie van de vijf rassen uit: negers, blanken en indianen. Want met name de passages uit De Volkszielen die hiernaar verwijzen, blijken vaak op onbegrip te stuiten. Het negerras beheerst bij uitstek de psychische vermogens van het heel jonge kind. Het blanke ras die van de middelbare leeftijd. Het indiaanse ras sluit de rij met de ouderdom. Let wel: niet de neger is een kind, maar de mens met een lichamelijk instrument dat ontleend is aan het zwarte ras, heeft innerlijke mogelijkheden die we kunnen begrijpen als we kijken naar het karakteristieke van de leeftijdsfase tot het zevende jaar’ (p. 42). Dit is dus weer een herhaling van wat er in de Volkszielen staat in wat andere formulering. Steiner:  ‘Das was wir Schwarze Rasse nennen, ist im wesentlich durch diese Eigenschaften (die Kindheitsmerkmahle) bedingt’ (‘Die Mission’, p. 79).Waarom wil iemand (Paul Heldens) dat ik deze uitleg van Ploeger lees of meeweeg om tot een afgewogen oordeel te komen?  Dit is toch al behandeld door Jeurissen? Die Ploeger overigens ook weer tot op de letter correct citeert (je moet het er bij blijven vermelden). Terecht commentaar van Jeurissen: ‘Hier wordt dus eenvoudigweg beweerd dat het geestelijke ontwikkelingsniveau van volwassen zwarten te vergelijken is met dat van blanke kinderen van zeven jaar. Hij zegt het wel zo ingewikkeld dat je het bijna niet begrijpt, maar dat is wel wat er staat’ (Jeurissen p. 5). Punt gemaakt en ik ben het er roerend mee eens.
Verder is de bijdrage van Ploeger niet meer zo bijster spannend. Het is heel veel van hetzelfde en ook nog flinterdun. Ik kan het hier wel allemaal gaan uitschrijven, maar dat zal niet zoveel veranderen. Het is gewoon een racistisch verhaal, geschreven ter verdediging en met onvoorwaardelijke instemming van Steiners rassenleer uit ‘de Volkszielen’. Dat is eigenlijk alles. Ik heb ook een vermoeden dat het misschien wel vanwege deze verkwikkende  bijdrage is, dat deze bundel inmiddels in antroposofische kring als verouderd wordt gezien. Er is al zo vaak op geschoten en iedere keer met succes. Zo gênant is dat verhaal van Ploeger namelijk wel. Misschien was die truc met Senghor nog het enige slimmigheidje, maar die is bij deze ook uit de lucht geschoten. Alleen een Paul Heldens ziet er kennelijk nog wat in. Maar het stuk van Ploeger is zo slecht dat het ook al het andere uit deze bundel de nek omdraait. Alleen bij ‘de Brug’ maken ze het nog bonter.
Vooruit, uit een passage valt nog wat eer te behalen. Net als Christoph Wiechert brandt ook Maarten Ploeger zijn vingers aan Wounded Knee. Eerst legt Ploeger uit dat de Indiaan, zelfs al op jonge leeftijd, opvallende gelijkenissen vertoont met een bejaarde. Ploeger: ‘Er blijkt zelfs een opmerkelijke affiniteit te bestaan tot grensoverschrijding tussen leven en dood. Al in een vroeg leeftijdsstadium vertonen indianen scherp getekende gelaatstrekken. Bij de prairie-indianen werd een belangrijkste krijgers inwijding gevonden in strijdsituaties met een welhaast zeker dood voor ogen (de eer behalen door een gewapende vijand aan te tikken met een stok)…(…) Met deze karakteristieken voor ogen kan Steiners uitspraak in de Volkszielen (vrij weergegeven): ‘De indianen moesten uitsterven en de kolonisten waren het uiteindelijke instrument’, in en juist daglicht worden gesteld. Het is allerminst een excuus voor het botvieren van de blanke moordcapaciteit; die schuld hebben wij hoe dan ook op ons geladen (evenmin kan de nog steeds voortgaande uitroeiing van de Amazone-indianen hiermee op welke wijze dan ook aanvaardbaar worden gemaakt). Zoals een ouder mens aan een op zichzelf niet zo dramatische ziekte licht kan bezwijken, zo betekende de confrontatie met de blanke expansiedrift voor de indianen meer dan een reeks ongelijke oorlogen. De indiaanse cultuur had à priori de bevattelijkheid om hieraan te gronde gaan (zie bijvoorbeeld de Wovoka-episode, uitmondend in de ‘zelfdestructie’ onder leiding van Sitting Bull bij Wounded Knee)’. (p.43-44)
Wellicht is het zinvol om een paar foto’s te tonen van de  dode lichamen die na de slachting op karren naar het massagraf werden gereden (zie link ), overigens geheel ten overvloede, de foto’s zijn schokkend. Maar misschien dat het dan wat minder een abstractie wordt waar de heren Ploeger en Wiechert vrijblijvend hun semi-wijsheidjes over menen te moeten spuien. Wat de Belgische antroposofen van de Brug met de Holocaust hebben, hebben sommige Nederlandse antroposofen met Wounded Knee. Verder blundert Ploeger al in het vermelden van de juiste feiten (het was niet onder leiding van Sitting Bull, want die was daarvoor al vermoord), laat staan dat hij dan in staat zou kunnen zijn om de ‘kosmische noodzaak’ van ‘Wounded Knee’ uit de doeken te doen. Er was ook geen sprake van zelfdestructie, want de kogels kwamen uit twee Hotchkiss kanonnen, op bevel van Kolonel James W. Forsyth opgesteld op de heuvel boven de vallei, waar een ongewapende menigte van tussen de driehonderd en driehonderdvijftig Minneconjou Lakota werd uitgemoord, zonder aanzien des persoons, op 29 december 1890 (feiten zijn toch belangrijk, al lijkt meneer Ploeger daar niet zoveel om te geven. Die zoekt het meer in de ‘grote lijnen’ en de achterliggende ‘wetmatigheden’).  Stamhoofd Big Foot, want die was het, dus niet Sitting Bull, leed op dat moment aan een zware longontsteking en was eigenlijk doodziek. Berucht is de foto van zijn door de strenge vorst bevroren lichaam, in een verwrongen houding in de sneeuw. Ik zou wellicht wat literatuur en andere bronnen kunnen aanraden over de toedracht en de achtergronden van deze massaslachting, maar het lijkt mij het beste en ook wel zo kies als bepaalde Nederlandse antroposofen voortaan hun mond houden over de kwestie Wounded Knee. Dan gebeuren er tenminste geen ongelukken.
Aan het eind van dit onfrisse verhaal zegt Ploeger, nu kennelijk in de hoedanigheid van rassenveredelaar: ‘De opheffing van de fysieke verschillen tussen de rassen gaat onherroepelijk door. Er is nog maar weinig tijd om hier juist op te antwoorden. Dit antwoord moet grotendeels nog gevonden worden. Schrijver dezes heeft het voornemen tot een uitvoeriger publicatie te komen, in een poging hieraan verder te werken’.
Bij mijn weten is die publicatie er nog niet gekomen. Houder van deze webstek heeft echter het voornemen om die publicatie op gepaste wijze te recenseren, mocht het ooit zover komen, al denk ik dat de heer Ploeger het maar beter kan laten.

 
figuur 5: Illustratie bij Gjalt Zondergeld, Evert van der Tuin, ‘De schaduwkant van de antroposofie’,  in ‘t Kan anders, najaar 1984. Oorspronkelijk uit Hermann Poppelbaum, Zur Metamorphose der Menschengestalt, in ‘Gäa-Sophia, Jahrbuch der Naturwissenchaftlichen Section der Freien Hochschule für Geisteswissenschaft am Goetheanum Dornach’, Band 3, Volkerenkunde, Stuttgart, Den Haag, Londen, 1929. Dat deze tekening al op een suggestieve manier racistisch is lijkt mij niet moeilijk aan te tonen. Ik denk dat ik voor uitleg slechts naar de bovenstaande citaten uit de Volkszielen hoef te verwijzen, hoewel Maarten Ploeger het ook kernachtig weet te verwoorden. Hoezo is er ‘géén sprake van rassenleer’ of sterker, is ‘antroposofisch racisme een contradictio in terminis’ (in de woorden van Paul Heldens)?

Antroposofie ter discussie 2; de bijdrage van Hans Peter van Manen

Dan nu de belangrijkste bijdragen die mij door Paul Heldens zijn aanbevolen. Het gaat hier om een vracht aan reacties uit de antroposofische hoek uit de jaren tachtig op slechts één artikel, dat ik overigens niet voor ‘Geloof in kabouters’ heb gebruikt. Het betreft een beschouwing van de historici Gjalt Zondergeld en Evert van der Tuin, ‘De schaduwkant van de antroposofie’ in ‘t Kan Anders , een tijdschrift van de Vredesbeweging. Hoewel het hier niet eens om een heel uitvoerig artikel gaat, is er vanuit antroposofische hoek een stortvloed van reacties gekomen. De bijdragen van de door Paul Heldens genoemde auteurs Hans Peter van Manen, Mark Bischot, Dieter Brüll (die van de ‘nieuwe reactionairen’), Jan Luiten, Fred Beekers, Mouringh Boeke en Arnold Sandhaus gaan over dit ene stuk. Verder is er ook wat kritiek op Bram Moerland, wiens brochure ik wel als bron heb gebruikt in ‘Geloof in kabouters…’. Het is wel ronduit verbijsterend dat in 2008 deze reacties op een artikel uit 1984 voor Paul Heldens nog steeds zo belangrijk zijn, omdat het debat sinds die tijd zich wel een beetje verder heeft ontwikkeld, tot en met het omvangrijke van Baarda rapport. Het gaat hier voorlasnog om de bijdrage van Hans Peter van Manen, expliciet aanbevolen door Paul Heldens, zoals we eerder hebben gezien.
Eerst het gewraakte artikel van Zondergeld en van der Tuin zelf (van Manens verhaal is een reactie op dit artikel). Zij beginnen met de stelling dat steeds meer ‘progressieve mensen’ zich aangetrokken voelen tot de biologisch dynamische landbouw (zij schrijven overigens hier ‘biologies dynamies’, in die zin is het wel erg gedateerd, gezien de ‘ideologiese’ spelling uit die dagen. Ze zijn dus heel erg ‘krities’). Daardoor is er steeds meer belangstelling gekomen voor andere aspecten van de antroposofie, zoals de vrije scholen, waarvan het aantal ‘eksplosief’ is toegenomen (ik zal er nu mee ophouden, maar het geeft wel aan van hoe lang geleden dit is en dat deze beschouwing enigszins onderhevig was aan de mode van die tijd). Zij noemen verder nog dat er een opinieblad is (Jonas), een kinderziekenhuis, instellingen voor gehandicapten, etc.
‘De Volkskrant (3-11-1984) spreekt terecht van een kleine antroposofische zuil. En dat in een tijd van ontkerkelijking en ontzuiling. De laatste jaren oefent de antroposofie een grote aantrekkingskracht uit op linkse en progressieve mensen’.
Over het Vrije School onderwijs schrijven zij: ‘De leerlingen krijgen een totaalpakket aangeboden, waaraan zij zich nauwelijks kunnen onttrekken. Een onderwijspakket, waarin geloof in reïnkarnatie, karma (Indisch noodlot), aura (onzichtbare uitstraling van ieder mens als ‘tastbaar’ bewijs van zijn geesteslichaam) en allerlei andere totaal onbewezen occulte zaken langzaam maar heel zeker de kinderen wordt ingegoten’ (p. 49).
Hans Peter van Manen zegt in ‘Antroposofie ter discussie’ terecht: ‘Dit is van a tot z de allergrootste kolder. De enige vraag zou kunnen zijn wie dit uit zijn duim heeft gezogen: de auteurs of een kwaadwillende informant’ (p. 47). Hierin moet ik van Manen gelijk geven, als ervaringsdeskundige kan ik mij niet herkennen in het bovenstaande beeld. Zonder meer een punt voor van Manen.
Maar dan vervolgen Zondergeld en van der Tuin: ‘Ook het geschiedenisonderwijs- voor zover dat volgens de voorschriften van Steiner gegeven wordt en dat is volgens ons onderzoek niet altijd het geval- kenmerkt zich door de meest onwaarschijnlijke onzin. Atlantis heeft een miljoen jaar bestaan. Een reeds lang en breed achterhaald bijgeloof dat ook door Mellie Uyldert wordt aangehangen, die zich daarbij beroept op nazi-historicus/charlatan Hermann Wirth’ (p. 49).
En nu het meest interessante, over deze laatste passage zwijgt van Manen, terwijl het in de direct opvolgende zin staat. Dit laatste is namelijk wel waar. Dat van die Nazi historicus en Mellie Uyldert weet ik niet direct (de schrijfter en astrologe Mellie Uyldert is een beruchte randfiguur binnen het Nederlandse esoterische spectrum, overigens niet eens een antroposofe, die de Holocaust ‘kharmisch’ weet te rechtvaardigen omdat ‘Joden er zijn om te lijden’ en van ‘Christus stierf voor ons en zij sterven nog steeds met hem mee’. Kom ik later op terug). Maar dat je leert dat Atlantis heeft bestaan klopt, zeg ik wederom als ervaringsdeskundige (al ligt de bron daarvan natuurlijk bij Steiner zelf en niet bij een of andere Nazi-historicus, al wil ik meteen geloven dat Mellie Uyldert zich daar maar al te graag op beroept. Overigens stellen Zondergeld en van der Tuin dat Zeylmans van Emmichoven zich wel op deze Hermann Wirth beroept. Als dat zo is verdient dat zeker nader onderzoek). Zo begon mijn eerste periode geschiedenis in de vijfde klas van de lagere school. Over Manu die het verzinkende Atlantis wist te ontkomen en de beschaving naar het oude India bracht.
Wat laat dit voorbeeld van close reading van deze twee bronnen ons zien? In ieder geval dat van Manen hier selectief citeert. Nu is citeren per definitie selectief, maar dit is overduidelijk ‘opzettelijk’ selectief citeren. Zoiets heet manipuleren. Van Manen had ook kunnen zeggen: ‘wat zij over occultisme op school uitkramen is van a tot z de grootste kolder, maar wij leren onze kinderen wel over het bestaan van Atlantis. Wij antroposofen geloven namelijk dat Atlantis heeft bestaan, zoals Rudolf Steiner dit talloze malen uiteen heeft gezet in oa zijn ‘Akasha Kroniek’. Het is misschien een kinderachtig voorbeeld en in dezelfde zin wordt na een zij het niet onbelangrijk detail (dat je op de lagere school leert dat Atlantis heeft bestaan is wel significant) dat gewoon wel klopt meteen weer onzin beweerd. Heel erg spijkers op laag water zoeken dus, maar dat doe ik hier met een reden. Ik doe dit omdat antroposofen die zich voelen aangevallen door critici, soms wel terecht en soms niet terecht, altijd klagen dat er verkeerd geciteerd wordt, selectief geciteerd wordt, gemanipuleerd wordt of dat er zaken worden beweerd zonder bronvermelding etc. Het zijn altijd de critici die manipuleren en die Steiner niet gelezen hebben (de meeste antroposofen wel, want die kunnen in regel goed uit de voeten met Steiners vaak ondoorgrondelijke taalgebruik, leert mijn ervaring…). Over de inhoud wil men vaak het debat niet aangaan. Dat hele dikke van Baarda rapport is voor een deel een lange litanie van klachten over hoe verkeerd, slecht of onzorgvuldig er geciteerd wordt en zelfs kwaadwillig gemanipuleerd wordt. Maar in dit geval is het dus een beetje het verhaal van de waard, het vertrouwen en zijn gasten, etc. Dat maakt het verhaal van van Manen er niet geloofwaardiger op; zijn verdere betoog is trouwens ook een lange klaagzang op het verkeerd citeren en het daarmee verkeerd voor het voetlicht brengen van de grote meester Rudolf Steiner. De critici zijn altijd de grootste charlatans, toch?
Dit is overigens niet alleen een Nederlands probleem, ook in Duitsland roepen antroposofen dit aan de lopende band (zie voor een interessant artikel hierover van Jana Hussmann van de Berlijnse Humboldt Universiteit http://www.religio.de/dialog/106/29_22-29.htm ). Hooguit is het alleen iemand als Thomas Höfer die daar een keer openlijk heeft gezegd dat het een keer afgelopen moet zijn met de eeuwig terugkerende mantra dat er verkeerd of selectief geciteerd wordt als er een racistische passage uit het werk van Steiner voor het voetlicht wordt gebracht, tenzij zo’n klacht terecht is natuurlijk. Maar hier kunnen we dus vaststellen dat van Manen welhaast opzettelijk ‘selectief citeert’. Fouten en onzorgvuldigheden zijn er om gecorrigeerd te worden, maar dat is dit overduidelijk niet. Meneer Heldens, u sprak toch van propaganda?  Van ‘schering en inslag’ en van ‘verwoestend’, van ‘halve waarheden’ en ‘kloeke leugens’.  Een beetje grote woorden nietwaar? Maar op deze manier weet ik er nog wel een.
Dat het niet alleen van Manen is blijkt wel uit de verschillende bijdragen uit Driegonaal. Daar wordt door de verschillende auteurs alleen maar gezeurd over verkeerd en selectief citeren. Het woord ‘propaganda’ en de vergelijkingen met ‘nazi-propaganda’ vliegen je van het papier tegemoet (zijn ‘schering en inslag’). Critici die wijzen op racistische passages in het werk van Steiner hanteren ‘nazi-methodes’, of er moet gespeculeerd worden over hun persoonlijk welbevinden. Ik denk dat het wellicht veel zinvoller en interessanter is om dit aspect zichtbaar te maken, dan om allerlei oude koeien uit de jaren tachtig weer uit een muffe sloot te gaan vissen, omdat Paul Heldens die zo belangrijk vindt.
Om nog even terug te komen op van Manen. Naast dat zijn stuk vooral een reactie is op het verhaal van Zondergeld en van der Tuin legt hij ook uit hoe het nu wel zit met Rudolf Steiner en zijn uitspraken over rassen (dat is waarschijnlijk de reden waarom Paul Heldens mij dit oude stuk heeft aanbevolen). Van Manen: ‘Men kan Steiners visie op de rassen als volgt samenvatten. 1. Door een samenspel van storende bovenzinnelijke invloeden en aardse krachtwerkingen zijn er in het verleden vijf rassen ontstaan. 2. Door de erfelijkheid zijn de raskenmerken voortgeplant en tegelijk losgekomen van de plaats van ontstaan. 3. Binnen enkele duizenden jaren zullen rasverschillen gaan verdwijnen en hun betekenis verliezen. 4. De ontwikkeling van de volkeren en culturen, die sterk vanuit Europa geïmpulseerd is, is een belangrijke eerste stoot tot de doorbreking van de verstarring in rassen. 5. De tijdelijke verdeling van mensen in rassen is niet los te zien van de reïncarnatiegedachte’. (Antroposofie ter Discussie, p. 54).
Ja en? Is er dan geen sprake van rassenleer? Eerder lijkt mij dat er inderdaad sprake is van rassenleer, ongeveer zoals van Manen het hierboven heeft samengevat. Zie hiervoor alle eerdere citaten uit ‘Die Mission’. Ik zou alleen toch wel de correctie willen aanbrengen dat die visie op rassen soms wat drastischer is dan hoe van Manen het hier voorspiegelt. Het moeten verdwijnen van de indianen bijvoorbeeld. Of moet ik begrijpen dat die toch weer incarneren in een ander ras, dus niets aan de hand? Van Manen is over dit soort kwesties niet duidelijk, zijn verhaal blijft sterk in het vage. Wel aardig dat hij nog een keer instemmend het verhaal van Maarten Ploeger aanhaalt (p. 52). En Ploegers verhaal is in zijn lompheid en recht voor zijn raap racisme meer dan duidelijk, dat hebben we eerder gezien. Van Manen: ‘Wat de rassen betreft, gaat het niet om de vraag of rassendiscriminatie juist is of niet. Daarop is het antwoord bekend. De vraag waar het om gaat is: bestrijdt men het leed en het onrecht, dat met rassenverschil verbonden wordt, het beste door alle rassenverschillen te ontkennen? (zie de bijdrage van Maarten Ploeger). Of is het wijzer om de stenen die hier liggen wel te zien? Niet om ze op te rapen om als projectielen te gebruiken, dat wil zeggen als argumenten voor superioriteitsaanspraken, maar om er overheen of er langs te stappen. Wie weigert de stenen te zien, kan er makkelijker over struikelen dan hij die ze wel ziet’. Mooi gesproken meneer van Manen, ook die beeldspraak, maar moeten we nu de ‘rasverschillen’ zien? Op de manier van Maarten Ploeger? Het lijkt me beter om te zwijgen en een paar goede boeken te gaan lezen (en daar bedoel ik vooral niet-antroposofische literatuur mee), voordat u over stenen begint met een verwijzing naar Maarten Ploeger. Het klinkt allemaal heel charmant, bijna parmantig, maar de uiteindelijke inhoud is dat toch wat minder. ‘Schwarze Kohle und der Neger ist ein Egoist’. Daar hebben we het namelijk wel over en u bent zeker bekend met deze voordracht getuige een ander citaat op dezelfde pagina. Van Manen: ‘Het kan inderdaad als een voordeel of een voorrecht van het blanke ras beschouwd worden dat deze rasuitwissende werking primair van de Europese volkeren uitgaat. Alleen in emanciperende zin beschouwde Rudolf Steiner het blanke ras als het ras van de toekomst, een uitdrukking die hij niet in de Volkszielen (als correctie op Zondergeld en van der Tuin, FS) gebruikte maar in een arbeidersvoordracht van 3 maart 1923’. Heel knap gevonden en vooral prachtig dat u de heren van der Tuin en Zondergeld zo toespreekt, maar we hebben het wel over dit citaat: ‘Auf der einen Seite hat man die Schwarze Rasse, die am meisten irdisch ist. Wenn sie nach Westen geht stirbt sie aus. Man hat die gelbe Rasse, die mitten zwischen Erde und Weltenall ist. Wenn sie nach Osten geht, wird sie braun, gliedert sich sich zu viel dem Weltenall an, und stirbt aus. Die Weiße Rasse ist die zukünftige, ist die am Geiste schaffende Rasse’ (vom Leben des Menschen.., p. 67 ). Ik heb het hierboven aangehaald. Het is maar wat je onder emancipatie verstaat. Geloof niet dat er veel van die emancipatie te genieten valt voor ‘Gelben und Swarzen’. Dus als u zich op dit citaat beroept, meneer van Manen, valt u toch een beetje door de mand.
Dit kleine polemiekje heeft wel een mooie geschiedenis. U dacht met uw opmerking iets slims te zeggen tegen Zondergeld en van der Tuin. Jeurissen haalt u slechts aan met ‘..zoals de antroposofische leerkracht Hans Peter van Manen het uitdrukt: ‘Dat kan inderdaad als een voordeel of een voorrecht van het blanke ras worden beschouwd, dat deze rassenuitwissende werking primair van de Europese volkeren uitgaat’ (Uit de Vrije School geklapt, p. 12). Uw vriend Paul Heldens, met wie u samen het boekje ‘Wanneer verwachtte Rudolf Steiner de komst van Ahriman’ samenstelde (waar het cultuurpessimisme à la Oswald Spengler overigens vanaf druipt), slaat mij jaren later met uw scherpzinnige verhaal om de oren en ik betrap u weer vervolgens op selectief, zoniet dubieus citeren. Terwijl het allemaal met uw slimme correctie op Zondergeld en van der Tuin was begonnen. Zo haarkloven wij allen weer in een rondje en uiteindelijk komt alles als een boemerang weer bij u terug. Alleen het racisme van Steiner blijft.
Van Manen besluit zijn beschouwing met: ‘Van der Tuin en Zondergeld proberen hun zonder meer absurde aantijgingen in een progressief kader te plaatsen en kiezen daarvoor een antimilitaristisch blad. Geweldloosheid is, hoe men het ook bekijkt, een edele zaak. Er is echter sprake van een tragische vertoning als juist de geweldloosheid als kader moet dienen voor een aanval, die op zo’n plompe wijze de waarheid geweld aandoet’ (p. 57-58). Toch vraag ik mij af wie de waarheid hier nu zo’n geweld aandoet, door weliswaar half toe te geven dat het blanke ras het ras van de toekomst is, maar daarbij niet vermeldt wat Steiner in de zin ervoor heeft gezegd. Een massaal uitsterven van twee mensenrassen, Gelb oder Schwarz, lijkt me geen onbelangrijk detail. ‘Halve waarheden zijn verwoestender dan kloeke leugens’, meneer Heldens.
Verder is het mij een beetje een raadsel waarom Paul Heldens het zo belangrijk vond dat ik deze bijdrage zou moeten meewegen. Van Manen legt nauwelijks iets uit over de visie van Steiner op rassen en volken en het is vooral gericht tegen een artikel van Zondergeld en van der Tuin, dat ik voor ‘Geloof in kabouters…’ niet heb gebruikt. Nu kan het zijn dat Paul Heldens vindt dat ik dezelfde argumenten gebruik als Zondergeld en van der Tuin, maar ik geloof dat ik wat betreft Steiner niet vaak vergelijkingen maak met het fascisme (om maar een voorbeeld te noemen). Ik heb het wel gehad over neo-nazi elementen (David Irving dus), maar dat was in verband met de Brug. Dit laatste lijkt meneer Heldens wel erg hoog te zitten, wat we zullen zien in de artikelen uit Driegonaal. Daar gaat het heel vaak over nazisme en de Tweede Wereldoorlog. Maar ik heb het in verband met de persoon Steiner geen relatie gelegd met het nationaal socialisme. Wel goed lezen, meneer Heldens.
Natuurlijk heb ik het wel over Steiners rassenleer zelf gehad. Over dat laatste is van Manen ronduit vaag; niet een keer citeert hij Steiner zelf, wat ik wel uitvoerig doe. Dus voor mijn eigen bevindingen kan ik het als grotendeels irrelevant terzijde schuiven, tenzij het gaat om de kwestie selectief citeren, daarvoor was het weer wel een aardige eyeopener.
Overigens heb ik nog iets toe te voegen wat betreft Zondergeld en van der Tuin. Vrij recent hebben zij een nieuw stuk geschreven over de rassenleer van Rudolf Steiner (in Gjalt Zondergeld, ‘Goed en kwaad; vijf opstellen, van fascisme tot pacifisme, van Rudolf Steiner tot Colijn’, Antwerpen, 2002, grote gedeeltes hier online te lezen . Zij nemen hierin afstand van hun vroegere vergelijkingen met het nazisme. Het jaren zeventig denken is er echt uitgezeefd. Hoewel ik dit nieuwe stuk van hen niet kende (ik heb het ook niet voor ‘Geloof in kabouters..’ gebruikt) blijkt dat hun inzichten van nu verrassend overeen komen met wat ik geschreven heb. Onze conclusies zou je bijna op elkaar kunnen leggen. Dus meneer  Heldens, als u zich zo druk maakt om wat beide historici hebben geschreven, neem dan eerst daar kennis van. Wellicht zouden we dan een ander soort discussie kunnen voeren. Zou wel wat actueler zijn geweest.

Antroposofie versus (anti)racisme; de speciale editie van ‘Driegonaal’

Weer van een heel andere aard zijn de artikelen uit de speciale editie van het Nederlandse antroposofische tijdschrift ‘Driegonaal; tijdschrift voor sociale driegeleding’, de ‘extra editie’, (anti)racisme versus anthroposofie; een bijdrage tot oordeelsvorming, maart 1996, gevestigd te Hemrik, met ‘artikelen die al verschenen waren vanaf 1985, aangevuld met een tweetal recente artikelen’. De bijdragen zijn van Fred Beekers, Mark Bischot, Mouringh Boeke, Dieter Brüll, Stephan Geuljans, Jan Luiten, Arnold Sandhaus en Liesbeth Takken. Let overigens op de spelling van het woord ‘anthroposofie’, dit vertegenwoordigt, samen met het Willehalm Instituut voor ‘Graalonderzoek en sociale driegeleding’ het geharnaste en ongenaakbare gezicht van de antroposofie in Nederland. Het tegenovergestelde van ‘krities’ dus. En dat blijkt meteen te kloppen. Geen knieval voor progressieve nieuwlichterij, maar ook niet zo ordinair radicaal als ‘de Brug’. Toch valt het me op dat men hier wel van wanten weet en van het op de man spelen is men hier niet altijd vies van (dat is soms een beetje beschamend).
Eerst het redactionele ten geleide van deze speciale editie. Daar staat onder meer: ‘De aantoonbare onwetenschappelijkheid van de anti-racisten, hun hardnekkige vasthouden, ook aan stellingen die onhoudbaar zijn, en de over ruim tien jaar uitgestrekte ‘jacht’ op de in hun ogen ‘racistische anthroposofie’, vormen een pijnlijk adequate illustratie van een uitspraak die Rudolf Steiner op 16 juni 1923 deed: ‘Wij hebben tegenover degenen die heden de anthroposofie bestrijden, slechts de opgave duidelijk aan te tonen waar zij de onwaarheid verkondigen. Daarover kunnen wij spreken. Maar over het meer rhetorische (curs. FS), over het inhoudelijke kunnen we natuurlijk niet spreken met mensen  die zich niet alleen niet willen laten overtuigen, maar die zich ook in wezen niet willen laten overtuigen, omdat het fundament hen ontbreekt’ (Driegonaal, p. 2).
Dit begint stevig. Toch vraag ik mij af wat zij met dat wetenschappelijke bedoelen. Ik zou de antroposofie toch niet erg wetenschappelijk willen noemen, althans volgens de normen die er binnen de normale academische wereld gelden. Ik vraag me namelijk serieus af of bijvoorbeeld Steiners visie op rassen, in de woorden Hans Peter van Manen, binnen de gebruikelijke wetenschap veel kans van slagen zou hebben: ‘Men kan Steiners visie op de rassen als volgt samenvatten. 1. Door een samenspel van storende bovenzinnelijke invloeden en aardse krachtwerkingen zijn er in het verleden vijf rassen ontstaan. 2. Door de erfelijkheid zijn de raskenmerken voortgeplant en tegelijk losgekomen van de plaats van ontstaan. 3. Binnen enkele duizenden jaren zullen rasverschillen gaan verdwijnen en hun betekenis verliezen. 4. De ontwikkeling van de volkeren en culturen, die sterk vanuit Europa geïmpulseerd is, is een belangrijke eerste stoot tot de doorbreking van de verstarring in rassen. 5. De tijdelijke verdeling van mensen in rassen is niet los te zien van de reïncarnatiegedachte’.  Noem het alsjeblieft levensbeschouwelijk, dit heeft namelijk niets met wetenschap te maken. Zie ook het eerder aangehaalde citaat van Jan Willem de Groot over antroposofische definitie van wetenschap, die ik alleen maar kan onderschrijven. Vraag me ook af hoe ‘aantoonbaar onwetenschappelijk’ de methodes van de antiracisten zijn. Hangt er natuurlijk vanaf wie je voor ogen hebt. Maar het lijkt me dat je heel wetenschappelijk verantwoord antiracistische kritiek kunt formuleren op de antroposofie.
Maar tot zover de wetenschap en de antroposofie. Wat staat er zoal in de verschillende bijdragen? Om te beginnen is het dus allemaal pre-van Baarda Commissie en zelfs pre-Jeurissen. De diverse auteurs richten vooral hun pijlen op wederom het artikel van Zondergeld en van der Tuin en een enkele keer op Bram Moerland. Erg actueel is het dus niet. Helemaal niet zelfs. Maar wellicht is het interessant om hier een blik op te werpen.
Het blad opent met een artikel van Stephan Geuljans, getiteld Antroposofie en Darwinisme. Geuljans is een bekende uit de artikelen van Jeurissen overigens en een later verklaard ‘rechtzinnig’ tegenstander van het van Baarda rapport, in zijn mening een knieval voor de niet-antroposofische kritische buitenwereld, zie bijvoorbeeld zijn artikel uit ‘Motief’ http://www.antroposofie.nl/literatuur/antroposofische_literatuur/artikelendatabase/ms/antver/df/motief33-3. Wat beweert hij daar zoal? Dat ook de van Baarda Commissie selectief citeert, die overigens weer alle critici van de antroposofie van selectief citeren beschuldigt. Driewerf hoera, of in dit geval driegeleed hoera. Net de Dordtse Synode.
Verder stelt Geuljans: ‘Citaten bewijzen niets’. Hangt er maar net vanaf in welke context. Ik ben het er wel mee eens dat een citaat zonder context niets bewijst (dat lijkt me niet meer dan een fatsoenlijk uitgangspunt voor iedere alfa- of cultuurwetenschap). En het duiden van een context is geen exacte wetenschap. Die zou je dus enigszins in een betoog moeten hard maken. Toch valt het me vaak op dat als je bij Steiner de context erbij betrekt het erger wordt in plaats van minder erg (zie mijn vorige stuk). Veel losse uitspraken van Steiner zijn juist heel goed in te passen in zijn gehele vertoog (behalve dus die uitspraak over de negerromans, daar kon ik verder niet mee uit de voeten).
In zijn beschouwing voor ‘Driegonaal’ begint Geuljans met een uiteenzetting over hoe de Nazi’s de antroposofie afwezen en zelfs een poging hebben ondernomen Steiner te vermoorden. Ook werd er in de Völkische Beobachter opgeroepen om Steiners komst naar München te verhinderen. ‘In die tijd werd Steiner al verdacht gemaakt’. Geuljans vervolgt met: ‘In onze tijd wordt Steiner opnieuw verdacht gemaakt, deze keer door de antiracisten. De aanklacht wordt onderbouwd met op zichzelf staande citaten zonder het door Steiner ontwikkelde mensbeeld erbij te betrekken’ (p. 3). Het spijt me maar ik kan dit alleen maar demagogisch vinden. Maar laten we verder het artikel van Geuljans verder serieus bekijken, die aandacht verdient het namelijk wel.
Vervolgens komt er een uiteenzetting over het verschil tussen Darwinisme en Steiners opvattingen: ‘Bij Darwin staat de evolutie der soorten centraal, waarbij de mens zich als hoogste diersoort heeft ontwikkeld. Het sociaal darwinisme past dit mensbeeld toe op de sociale verhoudingen, waarbij de mens zich in een ‘strijd der soorten’ zou bevinden waarbij het sterkste ras of diersoort in de ‘struggle for life’ overleeft, en in mindere mate het sterke ras het onderspit delft. Afgezien van alle nuances is de gangbare opvatting dat een mens, als lid van het ‘menselijk ras’ bepaalde universele rechten kunnen worden toegekend’. Daarna komt hij met ‘Filosofie der Vrijheid’ waarin Steiner stelt dat er één menselijk ras is. Ook spreekt Geuljans van een ‘ethisch individualisme’ bij Steiner.
Een belangrijk punt bij Geuljans is, wat hij trouwens ook uiteen zet in zijn artikel in Motief dat er bij Steiner sprake is van ‘evolutie’ en ‘involutie’. Als Steiner spreekt van het degeneren van de Indianen, is dit volgens Geuljans dat de ‘raskenmerken’ sterven, met andere woorden ‘involutie’ maar dat de mens als individu zich verder evolueert. Dus het belang van het ‘ras’ neemt af terwijl het belang van de individuele mens toeneemt. Geuljans besluit zijn artikel met: ‘Iemand die Steiner als filosoof serieus neemt en de zaak vanuit zijn ethisch individualisme beoordeelt weet dat Steiner in alle wetenschappen die hij becommentarieert, het individu centraal stelt. Als Steiner daar volgens enkelen niet geheel in geslaagd zou zijn, is dat een reden om die delen van de wetenschap alsnog met het menselijke te verbinden. Alleen iemand die de antroposofie als onfeilbaar systeem ziet, zal eisen dat distantiëren op zijn plaats is wanneer het citaat niet heilig genoeg is’(p. 7).
Ik ben met hele grote sprongen door dit verhaal gegaan (dat is wel te zien aan mijn verwijzingen) maar ik moet toegeven dat dit op zich serieuze stof tot nadenken oplevert (ik doe dus niet alles af). Wat betreft de notie van evolutie en involutie denk ik misschien weer het mijne, maar goed, de antroposofie is nu eenmaal mijn levensbeschouwing niet (eerlijk antwoord). Toch moet ik wel zeggen dit verhaal voor het eerst (van alle lectuur die ik inmiddels verwerkt heb) iets zie van een mogelijkheid om uit die volstrekt absurde rassjablonen te breken. Alleen bij die laatste opmerking heb ik wel weer mijn kanttekeningen. Juist als je het niet als onfeilbaar ziet kun je je er makkelijker van distantiëren lijkt me. Geuljans haalt veel van Steiner zelf aan, maar in zijn noten verwijst hij alleen naar jaartallen, er staan ook geen GA nummers, dus voor mij is het onduidelijk naar welke titels of voordrachten hij verwijst. Het jaartal 1910 ontbreekt, dus de Volkszielen zit er niet tussen. Ik heb trouwens nog wel meer vraagtekens. Wat er ook door veel antroposofen gezegd wordt (de rassenkwestie is iets van het verleden), Steiner zegt in de Volkszielen een keer expliciet dat zijn rassenverhaal ‘ook voor onze tijd’ geldt. Ik herhaal het in mijn vorige artikel aangehaalde citaat uit Die Mission Einzelner Volksseelen: ‘Diese Linie besteht auch für unsere Zeit (cursivering FS). Der Afrikanische Punkt entspricht denjenigen Kräften der Erde, welche dem Menschen die ersten Kindheitsmerkmale aufdrücken, der asiatische Punkt denjenigen, welche dem Menschen die Jugendmerkmale geben, und die reifsten Merkmale drückt dem Menschen der entsprechende Punkt im europäischen Gebiete auf. Das ist einfach ein Gesetzmäßigkeit. Da alle Menschen in verschiedenen Reinkarnationen durch die verschiedenen Rassen durchgehen, so besteht, obgleich man uns entgegenhalten kann, daß der Europäer gegen die schwarze und die gelbe Rasse einen Vorsprung hat, doch keine eigentliche Benachteilung. Hier ist die Wahrheit zwar manchmal verschleiert; aber Sie sehen, man kommt mit Hilfe der Geheimwissenschaft doch auf merkwürdige Erkentnisse”( Die Mission, p. 80-81). Dat ‘unsere Zeit’ lijkt me nog een ingewikkelde kluif om op te lossen en daar heb ik tot nu toe nog nooit een overtuigend antwoord op gehoord. Zie ook de eerder genoemde citaten uit ‘Vom Leben des Menschen und Erde’.  Zie verder het eerder aangehaalde commentaar van Bernd Hansen van de Junge Antroposophen..
Verder vind ik dat wat Geuljans in dit artikel naar voren brengt meer stof tot nadenken (en zelfs mogelijkheden tot eventuele vernieuwing) brengt, dan bijvoorbeeld de beschouwing van van Manen (en Ploeger laten we maar zitten). Maar erken dan wel dat er sprake is van racisme, want die is er en niet zo’n beetje ook. En ook de bespiegelingen over de innerlijke kwaliteiten van de indianen, aan de hand van Steiner, het zou kunnen. Maar daar tegenover staan ook de zeer negatieve kwalificaties. Alleen al dat sjabloon denken over rassen is al iets waarvan ik denk dat de antroposofie zich zou moeten bevrijden.  Verder is er natuurlijk een vracht aan postkoloniale literatuur die ik zou kunnen bedenken, maar dat voert een beetje ver. Zijn ook erg mijn eigen stokpaardjes en die zal ik er hier maar buiten laten. Alleen het gefixeerde denken in ‘cultuurperiodes’ al, het is het iets dat iedereen die een beetje geschoold is in de hedendaagse cultuurwetenschappen volstrekt wezensvreemd. Maar goed, antroposofie is dan ook geen wetenschap maar esoterie, mijns inziens althans. Erken dat gewoon en doe dan verder geen algemene uitspraken met wetenschappelijke pretenties over rassen meer.
Verder moet ik zeggen dat de verdere inhoud van het blad zeer achterhaald is en ook niet altijd even netjes is naar de critici van de antroposofie, sterker nog, zwaar onder de gordel. Ik ga hier niet alle sneren weergeven die er worden uitgedeeld naar Moerland en Zondergeld, maar beschamend is het wel. Het gaat echt tot en met speculaties over persoonlijke zaken. En meer dan speculeren is het niet. Had het dan bij dat ene stuk van Geuljans gehouden. Op zaak spelen mag wat mij betreft stevig en soms hard, maar dat op de man spelen is wel een beetje ranzig. Lijkt me ook een teken dat er dan niet zo’n sterke zaak is. En inderdaad, er is wel een probleem. Een racisme probleem bijvoorbeeld.
Een voorbeeld wil ik er wel uitlichten. Het betreft het artikel ‘Het bruine denken van Frans van de Ven; het karakter van fascistoïde propaganda’, door Arnold Sandhaus. Ook dit is een repliek op een oud artikel. Het gaat om ‘De bruine kanten van het groene denken’, door Frans van de Ven in de Groene Amsterdammer van 23 maart 1988 (op p. 35). Overigens kan ik niet op de inhoud van dat artikel ingaan, ik heb dit niet boven water gekregen. Ik ben dus wel beperkt in mijn inhoudelijke behandeling, maar ik kan er wellicht iets over de argumentatie van Sandhaus zelf uithalen (we zijn eurythmie docent Arnold Sandhaus al eerder tegen gekomen bij zijn kritiek op Jan Willem de Groot). Het komt erop neer dat Sandhaus van der Ven beschuldigt van Nazi-methodes, nav de opmerking ‘Wanneer verdwijnt Atlantis voor goed in de zee?’ (lijkt me trouwens geen drama, die opmerking althans). Maar wat ik het kwalijke van Sandhaus vind is dat hij anderen van ‘bruin denken’ beschuldigt, maar zelf jaren later een keer goed door de mand is gevallen. Toen de Antroposofische Vereniging in Nederland na een buitengewone ledenvergadering had besloten de Commissie van Baarda in te stellen om Steiners werk op mogelijk racisme door te lichten, behoorde Sandhaus tot de rechtzinnige tegenstanders. Hij ging daarin zo ver, dat hij zelfs bij de radicale antroposofen in Begië (we kennen ze van de Brug) een voordracht kwam houden over ‘Michaëlische moed’. Daar zou het de Nederlandse antroposofische vereniging aan ontbreken, vond Sandhaus. Hij was daar tamelijk duidelijk over. In de Brug staat een uitgebreid verslag van deze bijeenkomst. Ik had dit al bij het schrijven van mijn vorige artikel gesignaleerd, maar heb toen Sandhaus niet met naam en toenaam genoemd. Maar als meneer Sandhaus een journalist van de Groene Amsterdammer van ‘bruin denken’ beschuldigt, wat doet hij dan bij een blad waar grof antisemitisme en holocaustontkenningen ‘schering en inslag zijn’? En we hebben gezien, op meer plaatsen wordt er in dat blaadje gedweept met neo-nazi elementen. Dus als ik meneer Sandhaus was, zou ik een beetje terughoudend zijn met het beschuldigen van journalisten van de Groene van ‘bruin denken’. Dan moet hij eerder bij zijn vrienden van de Brug zijn; daar vind je pas echt ‘bruin denken’. De grootste klapper is toch wel, meneer Sandhaus, dat er in deze speciale editie van Driegonaal een ander artikel van u is verschenen (Paul Heldens verwijst er in ‘Heikele kwesties’ ook naar) met de titel ‘Het nazisme waart nog steeds rond maar waar?’ (p. 41). Ik zal het u laten zien: daar. Lees verder nog maar het hierboven aangehaalde artikel ‘Ahriman; staat, multicultuur en holocaust’, waar een hele trits holocaustontkenners wordt aangeprezen. Gaat u daar maar eens kijken. Uw vrienden van de Brug lusten er wel spreekwoordelijke pap van. Ik heb geen idee hoe die relatie verder zit, ik constateer alleen dat u opdook in dat Blad, met een verhaal dat het de Nederlandse Antroposofische Vereniging aan ‘Michaëlische Moed’ ontbrak. Maar ik zou hoe dan ook het bruine element eerder daar zoeken dan bij ‘de Groene Amsterdammer’ (ik was er ook niet over begonnen als u niet die beschuldiging naar van de Ven had geuit). En de bewijslast voor dat bruine element is in het geval van de Brug overstelpend. Zo kun je er lezen dat de Holocaust ‘nog onderzocht’ moet worden, in het artikel ‘De Christelijke impuls uit Midden Europa’. Verder zit je vanaf die site met twee muisklikken op de ergste neo-nazi sites die je maar kunt bedenken (kijk maar onder de W van ‘Wereldoorlog II’, of de H van ‘Holocaust’).
Gezien de krachtige kwalificatie in het verhaal van Paul Heldens wil ik tot slot nog kort ingaan op het artikel van Dieter Brüll, ‘De nieuwe reactionairen’ (p. 14-24, De Nieuwe Reactionairen (def)te raadplegen, inclusief naschrift). Wat bedoelt meneer Brüll daarmee?  Het is vooral een tirade tegen het werk van Zondergeld en de Groningse hoogleraar pedagogiek JD Imelman, auteur van het toen actuele ‘Hoe vrij is de Vrije School’, uit 1983 waarin hij kritiek heeft geuit op het Vrije School onderwijs (is net zoveel over gereld als over Zondergeld, ook in ‘antroposofie ter discussie’). Is het voor mijn verhaal relevant? Totaal niet zelfs, dus begrijp ook niet waarom Paul Heldens ermee aan kwam zetten. Brülls betoog is verder dat de antiracisten van de generatie jaren zestig/zeventig net zo reactionair zijn als de fascisten van de jaren dertig/veertig. Lijkt me onwaarschijnlijk, maar is weer een hele andere discussie. Wat wilde u hiermee, meneer Heldens? Hoor ik daar soms ook bij? Nu ben ik geboren in de jaren zeventig maar ik leef er niet in.
Een van de zeldzame keren dat Brüll het (terloops) echt over Steiner zelf heeft (hij heeft het veel te druk met Zondergeld, Immelman en het verdedigen van Sigismund von Gleich, zie voor de laatste dit afschrikwekkende voorbeeld): ‘Omdat de duvel met Zondergeld speelt, heeft hij precies de verkeerde ‘racist’ te pakken. Zeker, hij (von Gleich) werkte Steiners ‘rassenleer’ uit voor de voor-Christelijke tijd (daarna hebben in de zienswijze van Steiner rassenverschillen hun betekenis verloren)’. (Dieter Brüll, ‘De Nieuwe reactionairen, met een bijzondere aandacht voor het verschijnsel Zondergeld’, Driegonaal, 1986, no. 1). Laten we dit maar eens afwegen tegen de volgende passage van Steiner uit Die Mission: ‘Sehen Sie sich doch die Bilder der alten Indianer an, und Sie werden gleichsam mit Händen greifen können den geschilderten Vorgang, in dem Niedergang dieser Rasse. In einer solchen Rasse ist alles dasjenige gegenwärtig geworden, auf eine besondere Art gegenwärtig geworden, was in der Saturnentwickelung vorhanden war; dann aber hat es sich in sich selber zurückgezogen und hat den Menschen mit seinem harten Knochensystem allein gelassen, hat ihn zum Absterben gebracht. Man fühlt etwas von dieser wirklich okkulten Wirksamkeit, wenn man noch im neunzehnten Jahrhundert sieht, wie ein Vertreter dieser alten Indianer davon spricht, daß in ihm lebt, was vorher für die Menschen groß und gewaltig war, das aber die Weiterentwickelung unmöglich mitmachen konnte. Es existiert die Schilderung einer schönen Szene, bei welcher ein Führer der untergehenden Indianer einem europäischen Eindringling gegenübersteht’ (p. 122).
Er staat ‘neunzehnten Jahrhundert’. En er zijn ook nog foto’s van gemaakt! Als dit artikel van Brüll de ultieme verdediging moet zijn, vrees ik dat de antroposofie echt met lege handen staat.
Brüll concludeert overigens met: ‘In 1932 verscheen Karl Heyers studie ‘Wie man gegen Rudolf Steiner kämft’. Sindsdien is er weinig veranderd. De onderwerpen en de termen zijn aangepast. En wat vroeger meer van de kerken uitging, komt nu van hun opvolgers, de nieuwe reactionairen. Ook zij kunnen ongetwijfeld op vele gelovigen rekenen. Toch is één ding anders geworden. Werd destijds iemand op een onwaarheid betrapt, dan placht hij zich, weliswaar met smoesjes, te excuseren. dat was minder het gevolg van fatsoen, dan wel van ’social control’. Tegenwoordig hoeft dat niet meer. Je kunt anderen, zonder een spoor van bewijs, van indoctrinatie van kinderen beschuldigen, van racisme en antisemitisme’. Een beetje pijnlijk… De cursivering is overigens mij. Die uitsmijter over Karl Heyer heeft Paul Heldens dus gewoon letterlijk van Brüll overgeschreven. Interessant. Heel effectief, tegen welke racisme-aantijging dan ook. Brüll sluit af met: ‘Daarbij hoort ook het recept van Lenin: liquideer gerust honderd mensen, waarvan er negenennegentig onschuldig zijn, als dat een manier is om de schuldige te vernietigen. Het is ook de methode van onze technocratie. En op het peil van Zondergelds artikelen overgebracht: gooi gerust honderd modderkogels naar de vijand; als er ook maar een raak is, is het de moeite waard. Omdat ik geen zin heb om de edelsten onder dit modderbad vandaan te (blijven) slepen, is voor mij hier de casus Zondergeld gesloten’. Wat een theater. Bovendien blijkt die zaak voor anderen (zie Paul Heldens) helemaal niet gesloten. Iedere keer als er iets gezegd wordt over racisme in de antroposofie wordt er weer op de trom Brüll/Zondergeld geroffeld. Net alsof er daarna nooit meer een zinnig argument is uitgewisseld. Of is dat soms te bedreigend, want deze polemiek was tenminste overzichtelijk? Maar daarmee is Steiner niet ontlast, dus ik vrees dat je het daarmee niet redt.
Concluderend kunnen we toch wel stellen dat het hier allemaal om erg verouderd materiaal gaat. Het stuk van Geuljans vond ik er op een bepaalde manier wel uitspringen (zie er zelfs een openingetje voor vernieuwing in, al is dat een zaak van de antroposofen zelf), maar verder denk ik dat het verder allemaal niet meer erg van belang is.

Update januari 2009: Walter Heijders ‘Rudolf Steiner versus nationaal socialisme’

Het lijkt mij nuttig om nog kort aandacht te besteden aan twee andere door Paul Heldens aanbevolen bronnen. Het betreft de VOK Cahiers (nu pas in handen) over de racisme-kwestie van Walter Heijder ‘Rudolf Steiner versus nationaal socialisme’ en Willem Frederik Veltman ‘Van je ras, ras, ras rijdt de koning door de plas’ (humor, maar we zullen kijken of de inhoud net zo geestig is).
Eerst de meest serieuze. De bioloog Walter Heijder schrijft vaker voor antroposofische media. Hij behoort niet bepaald tot de rekkelijken (eerder de preciezen). Zijn bijdragen zijn in regel erg degelijk, met veel gemier op de letter (vaak terecht, zie overigens ook dit artikel uit Skepter http://www.skepsis.nl/steinercommissie.html). Dat lijkt ook zijn insteek te zijn in deze publicatie. We zullen kijken of hij het hier ook bij het rechte eind heeft.
Hij begint met een uiteenzetting dat er in het afgelopen decennium (de publicatie is uit 1997) veel onjuiste beweringen zijn gedaan inzake Rudolf Steiner en de rassenkwestie, zowel door de critici (vooral Moerland en Jeurissen) maar ook door enkele antroposofen (in dit geval Jelle van de Meulen). Zijn focus ligt sterk op de relatie van Rudolf Steiner en het antisemitisme/nationaal socialisme. Ik heb mij tot nu toe altijd vrij neutraal in deze zaak opgesteld, dus ik wil in dit verband ook niet uitgebreid ingaan op wat Heijder hierover beweert. Heb ik bij de andere partij ook niet gedaan, dus ik laat dat hier vooralsnog in het midden. De inleding op deze VOK uitgave is overigens hier te lezen.
Wat in dit verband wel interessant is, is Heijders kritiek op Bram Moerland en Toos Jeurissen wat betreft de passage ‘geen persoonlijke sympathie’ en de ‘grote wetmatigheden in het mensdom’ uit de vierde voordracht uit Die Mission einzelner Volksseelen (al vaak langsgekomen). Heijder citeert Moerland: ‘Hoe ziet Rudolf Steiner de voorzienigheid? Hij wijdt daar in zijn boek ‘De Volkszielen’ een lange passage aan. Ten eerste waarschuwt hij ons ervoor dat, als we de kosmische betekenis van de indianen willen begrijpen, wij geen persoonlijke sympathie of persoonlijk enthousiasme moeten laten meespelen, want daar komt het niet op aan. Het komt slechts aan wat besloten ligt in de grote wetmatigheden van het mensdom. Wie zich tegen het noodzakelijke zou uitspreken, zou niets bereiken. Zich daartegen uitspreken betekent dat er hindernissen worden opgesteld. (Heijder p. 11, geciteerd uit Moerland p. 18-19). Jeurissen heeft deze passage van Moerland overigens letterlijk overgenomen in haar brochure (p. 18, http://www.antroposofia.be/wordpress/uit-de-vrije-school-geklapt.pdf). Zij bespreekt trouwens de algemene intentie van dit citaat en koppelt dat aan het beruchte ‘Jodendom-citaat’. Het gaat dus bij Jeurissen om de algemene ethiek die uit die woorden spreekt, niet om het specifieke voorbeeld.
Walter Heijder stelt dat Jeurissen hier wel erg kort door de bocht is gegaan en zich heeft laten inpakken door Bram Moerland. En Moerland flest de boel, blijkens de bewijsvoering van Walter Heijder. Heijder maakt dit hard door een bijna anderhalve pagina uit Die Mission voluit te citeren. Daaruit blijkt het volgende. Het ‘citaat’ van Moerland blijkt een samenstelling te zijn van twee losse zinnen, waar drie alinea’s tussen staan. Deze zijn ook nog eens in omgekeerde volgorde weergegeven. Dus eerst komt: ‘Wie zich tegen het noodzakelijke zou uitspreken, zou niets bereiken. Zich daartegen uitspreken betekent dat er hindernissen worden opgesteld’, dan drie alinea’s en dan pas ‘…geen persoonlijke sympathie of persoonlijk enthousiasme moeten laten meespelen, want daar komt het niet op aan. Het komt slechts aan wat besloten ligt in de grote wetmatigheden van het mensdom’. Heijder laat ook zien dat in de zinnen voor deze passages, er tussen en erna, het woord ‘indianen’ niet eens voorkomt. Conclusie, Moerland bedriegt de boel.
Laat ik beginnen om mijn complimenten aan Walter Heijder te maken, want wat je er verder van mag vinden, slim is het wel. Er zijn alleen twee kanttekeningen te maken. In de eerste plaats parafraseert Moerland. Misschien had hij dat duidelijker moeten aangeven (wellicht is die kritiek wel terecht), maar bij zowel Moerland als Jeurissen gaat het om de context van het hele betoog van Steiner. En nergens geeft Moerland aan dat het een letterlijk citaat is.
Verder gaat het hier niet om de letter maar om de intentie. Heijder laat namelijk de context van het hele betoog van Steiner buiten beschouwing (in dit geval de vierde voordracht), al wekt hij de schijn dat hij dit niet doet, middels een lange uitsnede (waarin heel precies de cruciale passages zijn weggelaten). Dat betoog komt, in mijn eigen woorden, dus geen enkel misverstand, op het volgende neer:
Er zijn sinds de Lemurische tijd storende krachten actief, de zogeheten ‘abnormale geesten van de vorm’.Deze hebben op verschillende plekken op aarde invloed doen geleden en hebben ervoor gezorgd dat bij de locale bevolking aldaar een paar storingen in de ontwikkeling hebben plaatsgevonden. In Afrika hebben deze krachten ervoor gezorgd dat de accenten van het kind doorwerken op de plaatselijke bevolking, in Azië dat de puberale accenten dominant zijn. In Europa is alles betrekkelijk harmonisch verlopen. Daar hebben deze krachten vooral de volwassenheid geaccentueerd, maar dat is niet zo erg, blijkens de woorden: Diese Linie besteht auch für unsere Zeit. Der afrikanische Punkt entspricht denjenigen Kräften der Erde, welche dem Menschen die ersten Kindheitsmerkmale aufdrücken, der asiatische Punkt denjenigen, welche dem Menschen die Jugendmerkmale geben, und die reifsten Merkmale drückt dem Menschen der entsprechende Punkt im europäischen Gebiete auf. Das ist einfach eine Gesetzmäßigkeit. Da alle Menschen in verschiedenen Reinkarnationen durch die verschiedenen Rassen durchgehen, so besteht, obgleich man uns entgegenhalten kann, daß der Europäer gegen die schwarze und die gelbe Rasse einen Vorsprung hat, doch keine eigentliche Benachteiligung. Hier ist die Wahrheit zwar manchmal verschleiert, aber Sie sehen, man kommt mit Hilfe der Geheimwissenschaft doch auf merkwürdige Erkenntnisse. (p. 79-80)
Verder zegt Steiner dat deze eigenschappen zich voortzetten in de erfelijkheid en dat deze zich dus los van de plaats van het ontstaan voorplanten. Maar de lijn loopt door; er is immers ook een ras dat met de ouderdom en de dood wordt geassocieerd, in dit betoog een niet onbelangrijk detail: ‘Wenn wir dann diese Linie weiterziehen, so kommen wir weiter nach Westen nach den amerikanischen Gebieten hinüber, in jene Gebiete, wo diejenigen Kräfte wirksam sind, die jenseits des mittleren Lebensdrittels liegen. Und da kommen wir — ich bitte das nicht mißzuverstehen, was eben gesagt wird; es bezieht sich nur auf den Menschen, insofern er von den physisch-organisatorischen Kräften abhängig ist, von den Kräften, die nicht sein Wesen als Menschen ausmachen, sondern in denen er lebt -, da kommen wir zu den Kräften, die sehr viel zu tun haben mit dem Absterben des Menschen, mit demjenigen im Menschen, was dem letzten Lebensdrittel angehört. Diese gesetzmäßig verlaufende Linie gibt es durchaus; sie ist eine Wahrheit, eine reale Kurve, und drückt die Gesetzmäßigkeit im Wirken unserer Erde auf den Menschen aus. Diesen Gang nehmen die Kräfte, die auf den Menschen rassebestimmend wirken. Nicht etwa deshalb, weil es den Europäern gefallen hat, ist die indianische Bevölkerung ausgestorben, sondern weil die indianische Bevölkerung die Kräfte erwerben mußte, die sie zum Aussterben führten. Von der Eigentümlichkeit dieser Linie hängt das ab, was auf der Oberfläche unserer Erde mit den Rassen sich abspielt, was von den Kräften, die nicht unter dem Einfluß der normalen Geister der Form stehen, bewirkt wird. Wo Rassencharaktere in Betracht kommen, da wirken sie in dieser Weise. In unserer Zeit wird der Rassencharakter aber allmählich überwunden.
We kunnen dus ook concluderen dat de ‘wetmatigheden’ ervoor gezorgd hebben dat de Indiaanse bevolking’ is ‘uitgestorven’, net voordat ‘in onze tijd het rassenkarakter langzaam wordt overwonnen’.
Als wij dan nu weer gaan kijken naar de verknipte ‘citaten’ van Bram Moerland, waar gaan die dan wel over, geplaatst in de oorspronkelijke context? Zij gaan over de ‘wetmatigheden’ die in het voorgaande besproken zijn. Het zijn concluderende opmerkingen aan het slot van een betoog, of zelfs een bevestiging van wat er eerder is gezegd. De meest in het oog springende zaken van dat betoog zijn hierboven weergegeven. En het meest pregnante detail zijn toch wel de beweringen over de indianen. Moerland heeft de intentie van de tekst dus correct weergegeven, die is weggelaten uit de lange uitsnede van Walter Heijder.
Laten we duidelijk zijn dat Moerland niet correct heeft geciteerd. Maar heeft Moerland dan de suggestie gewekt dat hij letterlijk citeerde? Er staan namelijk nergens aanhalingstekens. Moerland parafraseert dus. Wel heeft Jeurissen dit later als een ‘citaat’ opgevat. Zij schrijft: ‘Bram Moerland citeert in zijn boekje Rassenleer met charisma Rudolf Steiner in zijn boek de Volkszielen over het lot van de indianen: ‘ Ten eerste waarschuwt hij (Steiner) ons ervoor dat…’ enz. We kunnen dus wel zeggen dat Jeurissen er te makkelijk vanuit is gegaan dat Moerland letterlijk citeert. Die kritiek op Jeurissen is dus wel terecht. Moerland zou je kunnen verwijten dat hij misschien iets duidelijker had moeten zijn dat hij niet citeerde maar parafraseerde (dan is het in dit geval minder ernstig dat beide opmerkingen van Steiner in omgekeerde volgorde zijn weergegeven). Maar dat dit ook over het lot van de indianen gaat is zonder meer waar. En precies dat detail laat Walter Heijder weg. Die is in zijn lange uitsnede wel zo slim geweest om net die passages niet mee te nemen (het scheelt een paar regels). De laatste opmerking over de indianen staat in een paar zinnen daarboven. Kortom, bijzonder slim, maar uiteindelijk niet slim genoeg. Voor degenen die het willen nakijken, de uitsnede van Heijder loopt van:

Dies hängt alles mit dem geistigen Gang der Entwickelung zusammen (Nachlassverwaltung, Dornach, 1950, p. 84).
Vertaling Heijder: ‘Dat hangt allemaal met de geestelijke ontwikkeling samen’.
Vertaling Pentagon-uitgave (De Volkeren van Europa, 2006): ‘Dit hangt allemaal met de geestelijke ontwikkeling samen’ (p. 116)

tot

‘Wenn man den Boden, auf dem man steht, erkennt bis zur Insel- und Halbinselbildung, dann wird man fühlen, welche Empfindung einen überkommen muß, wenn man im Sinne der Menschheitsentwickelung wirken will’ (p. 86).
Vertaling Heijder: ‘Als men de grond waarop men staat leert kennen, tot en met de vorming van eilanden en schiereilanden, dan zal men ervaren welk gevoel men moet ontwikkelen wanneer men in positieve zin voor de mensheidsontwikkeling wil werken’.
Vertaling Pentagon-uitgave: ‘Wanneer je de grond waarop je staat leert kennen, tot en met de vorming van eilanden en schiereilanden, zul je gaan ervaren welk gevoel zich van je meester moet maken als je in de zin van de mensheidsontwikkeling wilt werken’ (p. 118).

In een fatsoenlijke tekstinterpretatie (althans zoals ik dat gewend ben), wordt er goed gekeken naar de letter, maar ook naar de context en de intentie. Misschien is Heijder, met zijn achtergrond als bioloog, wat anders gewend, maar dat is normaal gesproken de correcte gang van zaken. En naar de intentie en naar de letter staat er dat wij ons niet moeten uitspreken tegen de wetmatigheden van het mensdom, of ons moeten laten leiden door persoonlijke sympathie (voor alle duidelijkheid, ik parafraseer dus). En wat houden die wetmatigheden in? Onder meer dat de indianen zich de krachten moesten verwerven om uit te sterven, net voordat er een heerlijke ‘rasloze’ toekomst wordt beloofd. En het zijn de Europeanen die daar de vruchten van zullen plukken. Zij hebben alle voordelen en lijden niet aan de nadelen, waar de andere rassen wel aan lijden. Voor de indianen is het jammer, maar te laat. Conclusie, uiteindelijk (in de context van het hele betoog, in zijn geheel na te lezen op http://www.anthroposophie.net/steiner/ga/bib_steiner_ga_121_04.htm) komt Moerlands beschrijving meer in de buurt van wat Steiner beoogt met deze voordracht dan Walter Heijder, al doet zijn lange uitsnede anders vermoeden. Wie hier nog aan twijfelt zou ik willen verzoeken om de vierde voordracht uit Die Mission in zijn geheel precies na te lezen. Ik denk dat er dan geen andere conclusie mogelijk is. Het betoog is duidelijk.
Ik moet zeggen dat ik deze truc (iets anders kan ik er niet van maken) wel erg doorzichtig vind. Als Heijder echt wilde aantonen dat de door Moerland aangehaalde citaten niet over de indianen gingen, had hij die passages die wel over de indianen gaan gewoon moeten meenemen en op basis daarvan zijn gelijk moeten aantonen. Maar dat was stukken moeilijker geweest, zo niet onmogelijk. En dan die eeuwige klacht van antroposofen dat critici bijna per definitie ‘selectief citeren’. Op die manier wordt het wel heel pathetisch. We zullen bovendien bij de volgende ‘verdediging’ van Steiner zien, die van Veltman (ook een VOK uitgave) dat die passages weer nadrukkelijk wel over de indianen gaan, alleen wordt er daar weer een volstrekt nieuw argument verzonnen waarom die passages niet racistisch zouden zijn. Slim van Paul Heldens dat hij mij beide publicaties heeft aangeraden. Want hoewel Veltman Steiner ook probeert vrij te pleiten zijn argumenten staan haaks op die van Heijder, zoals we zullen zien. Beide verdedigingen van Steiner ondergraven elkaar. Dat hebben ze bij Vrije Opvoedkunst dus niet handig op elkaar afgestemd. Het is dus of het een of het ander. Of allebei niet natuurlijk, maar dat zal zo duidelijk worden.

Update januari 2009: Van je ras, ras, ras…Een jongensboek; waarin een olijke meneer Veltman monter van leer trekt tegen die ‘schreeuwende mevrouw Toos’

Van een iets andere orde is de publicatie van Willem Frederik Veltman ‘Van je ras, ras, ras, rijdt de koning door de plas; een rechtzEtting’ (met die spelling, subtiel), uit 1997. Zijn verhaal is vooral een reactie op Jeurissen (waarin hij ook gebruik maakt van het bovenstaand behandelde betoog van Heijder) en hij hekelt de slappe knieën van het bestuur van de antroposofische vereniging na de ‘affaire Wiechert’. Het meeste van wat hij tegen Jeurissen in stelling brengt is afkomstig uit twee andere geschriften; het in beperkte oplage verschenen ‘Commentaar op ‘Uit de Vrije School geklapt’ van Herman Boswijk en een (toen nog niet verschenen) tekst van Mees Meeussen. Ik heb het idee dat de serieuze gedeeltes vooral afkomstig zijn uit beide publicaties. Die passages maken ook een degelijke indruk en vormen een schril contrast met Veltmans eigen uitleg van een paar fragmenten van Steiners werk. Die is soms bijna schokkend benedenmaats. Als hij andere teksten van Steiner bespreekt leunt hij meestal op de uitleg van anderen. De enige twee keren dat hij, naast een verwijzing naar Steiners autobiografie ‘Mein Lebensgang’ waarmee hij afdoende meent te verklaren dat Steiner nooit van zijn leven een ‘theosoof ’is geweest, wel iets aanhaalt en probeert uit te leggen (beide uit Die Mission einzelner Volksseelen) blijkt dat hij de tekst in het eerste geval niet goed gelezen of begrepen heeft (laat ik ervan uit gaan dat het niet moedwillig is) en in het tweede geval (in een eindnoot) geeft hij er wel zo’n aparte draai aan dat het regelrecht lachwekkend wordt. Dat lijkt me wel moedwillig, maar zijn lezing is de meest wanhopige uitvlucht die ik tot nu toe ben tegengekomen. Als er een iemand Steiners woorden weet te misvormen of te verdraaien dan is het meneer Willem Frederik Veltman wel. Dat zullen we later zien. Veltman lijkt het verder het een buitengewoon jolig onderwerp te vinden (gezien de titel, maar ook sommige uitspraken). Zo spreekt hij steeds van Mevrouw Toos Jeurissen. We zullen zien of dit werkje van meneer Willem Frederik Veltman ook zo’n vrolijke behandeling verdient. De passages die duidelijk van Meeusen of Boswijk zijn (ik heb overigens het idee dat Veltman dat niet altijd even duidelijk aangeeft, wat van hen is en wat van hem zelf) zal ik hier vooralsnog buiten beschouwing laten. Ik heb het idee dat ik die meer recht zou doen en echt een serieuze bespreking verdient als ik hun complete artikelen in de oorspronkelijke vorm zou lezen, dus daarin hou ik me op de vlakte. De focus ligt op de inbreng van Veltman zelf, waar al genoeg over te zeggen valt.
Meneer Veltman begint: ‘Van je ras, ras, ras, rijdt de koning door de plas. Wat gebeurt er als de koning door de plas rijdt? Hij wordt overdekt met modderspatten. Als hij in een koets rijdt, zitten die spatten op de koets, als hij te paard door die plas draaft, zal hij zelf ook wel onder de modderspatten raken. Hoe dan ook, er moet worden schoongemaakt, koets of koning, het vuil moet eraf! Je kunt natuurlijk ook vragen: waarom rijdt hij door de plas, of hoe komt het dat hij door de plas rijdt? Het antwoord is betrekkelijk eenvoudig: omdat hij of de koetsier niet goed hebben uitgekeken’ (p. 4). Het statement is duidelijk. Het blazoen is dus besmeurd en meneer Veltman, die ongetwijfeld wel goed zou hebben uitgekeken, gaat poetsen. We gaan rijden met koetsier Meneer Veltman op de bok.
Wie in de ogen van Veltman de vervuiler is wordt al vrij snel duidelijk: ‘En toen kwam mevrouw Toos Jeurissen en zij schreef haar brochure ‘Uit de Vrije School geklapt; over antroposofie en racisme; een stellingname’(…) Hoewel haar betoog zwak was en slecht gedocumenteerd, emotioneel geschreven en op veel plaatsen volstrekt gespeend van iedere logica bracht deze publicatie veel te weeg. Het was duidelijk dat zij haar steun zocht bij enkele scribenten en ook gevonden, die reeds tien jaar tevoren een aanval hadden gedaan op Rudolf Steiner, de antroposofie en de Vrije Scholen met beschuldigingen van racisme, antisemitisme en nazisme. Deze beschuldigingen waren destijds op overtuigende wijze weerlegd in Driegonaal (dat hebben we gezien, FS), maar deze weerleggingen had Toos Jeurissen kennelijk niet gelezen of indien wel, naast zich neergelegd. Na het verschijnen van de brochure waarin de Vrije Scholen met nadruk werd aangeraden zich van Steiners rassenleer te distantiëren, volgde een merkwaardige reeks gebeurtenissen’ (p. 4-5). Hierna komt een korte beschrijving van de radio-uitzending met Christoph Wiechert en de advertentie van het bestuur van de antroposofische vereniging, waar Veltman het niet mee eens was.
Over de radio-uitzending en de ‘kwestie Wiechert’: ‘Zijn uitspraak over de vitaliteit van bepaalde Ajax-spelers kan je moeilijk opvatten als negatief discriminerend. Zijn woorden die betrekking hebben op de indianenvolken van Amerika konden daarom zoveel stof op doen waaien omdat een zeker de Bruyn van het ANP de term ‘uitroeiing’ van de indianen introduceerde, terwijl in werkelijkheid gesproken van afsterven of het te gronde gaan van deze volken’ (p. 7-8). Meneer Willem Frederik Veltman toch, Wiechert had het over ‘Wounded Knee’! Nooit van gehoord? Dat was pas gezellig te gronde gaan (is niet erg volgens meneer Veltman), althans voor die driehonderd slachtoffers. Maar de indianen zijn nog niet allemaal te gronde gegaan. Gelukkig niet, of moet ik begrijpen dat dit misschien jammer is omdat Steiner dan geen gelijk heeft? Ga eens een goed boek lezen over de geschiedenis van de indianen in plaats van het kritiekloos napraten van Rudolf Steiners racistische praatjes uit Die Mission. En ga aan je zwart gekleurde medemens maar eens een keer vragen hoe zij aankijken tegen de ‘vitaliteitsoverschotten’ van Wiechert, of nog beter, de ‘Kindheitsmerkmalen’ van Rudolf Steiner. Ben benieuwd of er dan ook beleefd meneer Willem Frederik Veltman wordt teruggezegd. Voor de duidelijkheid over wat Wiechert nu wel of niet gezegd heeft, hier de transcriptie van de radio-uitzending (http://florisschreve.web-log.nl/mijn_hersenspinsels_onder/transcriptie-.html overgenomen uit het van Baarda-rapport, p. 634-637 ).
Een belangrijke kwestie waar Veltman bij Jeurissen over valt is de passage over van Wettum. Jeurissen: ‘zoals de Vrije Schoolleerkracht J. van Wettum concludeerde in zijn artikel over vrije schoolonderwijs in Zuid Afrika (op dat moment nog zuchtend onder het apartheidsregime) ‘Vijftig jaar ontwikkeling’ in de jubileumuitgave van Vrije Opvoedkunst: ‘..dat het zwarte kind nog niet een gelijkwaardige partner is in de ontwikkeling van de mensheid’ (Jeurissen, p. 6).
Meneer Veltman weet hierop te melden dat hij het artikel aan zijn klas ter lezing heeft voorgeschoteld en dat er niet een leerling was die er iets racistisch in kon vinden. En dat terwijl zijn klas niet gevuld was met kinderen die zich knollen voor citroenen liet verkopen. ‘Kortom, een typische Vrije Schoolklas’, aldus meneer Veltman.
Een leerlingentribunaal dus? Tegen die mevrouw Toos Jeurissen? Toe maar. Dat lijkt ook een beetje op een heksenjacht. Of raak ik nu een hele gevoelige snaar, want antroposofen zijn goed te vergelijken met de Tempeliers? (uw woorden op p. 16). Dat sommige vrije schoolleerlingen redelijk mondig zijn ben ik wel met u eens, ook inzake de racisme-kwestie. Ga maar kijken op deze Duitse site http://namenstaenzer.de/2008/08/28/die-philosophie-der-un-freiheit-zu-rudolf-steiners-rassismus/. Daar wordt hartstochtelijk gediscussieerd over Steiners racisme, een onderwerp dat uw generatie Nederlandse antroposofen in een krampachtige ‘state of denial’ doet schieten. En die Duitse vrije schoolleerlingen (‘Waldi’s’) doen het goed. Konden meer antroposofen dat maar.
Maar als die leerlingen niets racistisch konden vinden zou het wel aardig zijn om te vernemen wat hun argumenten waren. Nog aardiger zou zijn als meneer Veltman zelf met argumenten kwam in plaats van zich achter zijn klas te verschuilen. Ik ken het bewuste artikel van van Wettum niet, althans niet meer dan wat er in verschillende publicaties uit geciteerd is, dus ik zal me in deze van een oordeel onthouden, maar ik vind Veltmans onorthodoxe wijze van polemiseren wel heel bedenkelijk. Zo’n zaak moet dus collectief worden uitgemaakt door een groep opgehitste kinderen, NB door hun eigen klassenleraar. Ga onderwijs geven in plaats van met je kinderen politiek bedrijven. En een ‘mevrouw Jeurissen denk erom, de kinderen vinden het ook’ vind ik geen indrukwekkend statement, al helemaal niet van een leraar. Of wordt in de klas van meneer Veltman alles collectief bepaald? Lijkt mij geen prettige omgeving om je kind tot een vrij en onafhankelijk denkend mens te laten ontwikkelen, toch een doelstelling van de vrije school, waar zelfs cijfers taboe zijn en ieder kind een individueel getuigschrift meekrijgt? En bovendien, zou u het in de eindexamenklas bijvoorbeeld aandurven om een paar van de meest controversiële teksten van Steiner door te nemen? Die arbeidersvoordrachten lijken mij voor de dertiende klas wel te doen (ik ken er wel een). Of durft u dat niet aan, want uw kinderen laten zich geen knollen voor citroenen verkopen? Maar dat is natuurlijk weer taboe, want tot de vrije hoge school worden kinderen niet geacht zelfstandig over de woorden van Steiner na te denken, of zelfs te reflecteren op de levensbeschouwelijke achtergrond van hun eigen school, laat staan kritiek hebben. Vraag me trouwens af wanneer dat dan wel mag. Als het aan u ligt volgens mij nooit.
‘In de geschiedenis van de kettervervolgingen en de Tempelieren- dan besef je hoe essentieel het is om zulke onjuistheden en vervalsingen recht te zetten’ (p. 16). Eigenlijk zijn antroposofen gewoon de Tempelieren van deze tijd. Mochten ze willen. Hoewel ontstaan uit de kruistochten waren die uiteindelijk stukken kosmopolitischer, ook in hun contacten met ‘heidenen’, dan waar de antroposofen ooit van zouden kunnen dromen. Of de catacombenchristenen (zie de Brug). Ook al zo’n goede vergelijking. Wel heerlijk slachtofferig, want wat zijn die sofen zielig. In dit stuk staat een nog heerlijker holocaustontkenning, dus een belangrijke voorwaarde voor dit knusse catacombenbestaan (uitgekotst worden door de meerderheid) is meteen geregeld.
Bovendien weet ik nog wel een relevantere parallel, dan het roeren van de tempelierentrom: In de geschiedenis van progroms en koloniale moordpartijen, zie je dat racistische misvattingen vaak een belangrijke basis vormden- dan besef je hoe essentieel het is om eurocentrische rassenwaan te corrigeren. Kijk maar naar Wounded Knee! Vooral dat laatste ligt kennelijk een beetje moeilijk. Het is bijna de universele bananenschil geworden van de Nederlandse antroposofie (zie Maarten Ploeger en Christoph Wiechert).
Over verschillende critici van de antroposofie weet Veltman te melden: ‘Citaten hoeven niet op juistheid te worden onderzocht, de context doet er niet toe. Er mag geïnsinueerd worden, vermeende verbanden worden gelegd, gevaarlijke strekkingen, enz.’ Heel belangrijk meneer Willem Frederik Veltman, maar vindt u dat serieus gelden voor het volgende? Veltman: ‘Bram Moerland, op wiens ‘Rassenleer met charisma’ Toos Jeurissen zich baseert, suggereert dat de uitspraak van Rudolf Steiner over het niet laten meespreken van persoonlijke sympathie bij de beschouwing van kosmische wetmatigheden inhoudt, dat je de vernietiging van de indianenstammen door de kolonisten in Amerika gevoelloos moet aanzien en daardoor eigenlijk met deze vernietiging instemt. Daar gaat mevrouw Jeurissen dan emotioneel van leer trekken: elke vezel van haar lichaam schreeuwt het uit. Maar geen enkele vezel in haar hersenen helpt haar op het idee komen deze uitspraak van Moerland eerst te verifiëren, voordat je je onsterfelijk blameert door dit niet alleen als zoete koek te slikken, maar ook nog eens te publiceren’. Wie zich hier vervolgens totaal blameert is meneer Veltman zelf, wanneer hij het gelijk van Jeurissen en Moerland bevestigt als hij eindelijk zelf iets durft te citeren uit Die Mission. Veltman: ‘Rudolf Steiner zegt totaal iets anders (?!) in zijn lezing over de volkszielen (hoezo is de vierde voordracht uit Die Mission een lezing over de volkszielen? De titel van deze voordracht is immers ‘Rassenentwickelung und Kulturentwickelung’, de ‘volkszielen’ komen pas later aan bod, FS). Hij wijst op een beweging die de mensheid heeft gemaakt vanuit Afrika over Azië naar Europa en Amerika: ‘Waar de grote beweging van de mensheid in aanmerking komt, mag geen persoonlijke sympathie en geen persoonlijk enthousiasme meespelen’.
Veltman licht toe met: ‘Deze wetmatigheid, zo legt hij eerder in de lezing uit, houdt in dat de naar het westen reikende beweging gepaard gaat met een ‘verouderende’ invloed; krachten werken in, die verhardend zijn, zodat dit to uitsterven kan leiden. Dit proces is een gegeven dat je niet kunt veranderen door het prettig of niet prettig te vinden, evenzeer als het proces dat de individuele mens doormaakt, dat ook tot verharding, veroudering en uiteindelijk tot afsterving leidt’ (p. 27). Meneer Willem Frederik Veltman, nu u zo aan het speculeren bent geslagen over de hersenvezels van anderen, is het weleens tot uw eigen hersenvezels doorgedrongen dat u niets anders doet dan het slaafs napraten van een speculatie, van iemand die van zichzelf beweerde helderziend te zijn? En uw eigen hersenvezels vinden dat genoeg grond om blindelings aan te nemen dat er daarom maar een heel mensenras moet worden weggevaagd? Dat die mevrouw Jeurissen het daarbij uitschreeuwt lijkt mij een gezondere reactie dan uw slaafse apologetendom. Want u neemt kritiekloos aan dat er zo’n wetmatigheid bestaat, uitsluitend omdat Steiner het gezegd heeft. Al bestaat er voor die wetmatigheid geen enkele grond en al levert het een heleboel dode indianen op. Je zou maar eens gaan twijfelen aan zo’n ‘wetmatigheid’.
Bovendien wordt er nu iets interessants zichtbaar. We hebben gezien dat in een andere VOK uitgave (die van Walter Heijder, net hiervoor besproken) juist is gepoogd om aan te tonen dat deze wetmatigheden niet over indianen gaan. ‘Steiner noemt de indianen niet eens’, meent Walter Heijder, althans niet wanneer hij het over de ‘wetmatigheden’ heeft (iets daarvoor wel, maar dat laat Heijder weg). Maar volgens Veltman gaat het dus wel over de indianen. Verschil van inzicht is natuurlijk altijd interessant, maar het is toch wel leuk om te zien dat bij Vrije Opvoedkunst de neuzen niet altijd dezelfde kant op wijzen. Lang leve de diversiteit, maar dit is wel heel pluralistisch. Waarom zijn Walter Heijder, Veltman en anderen er dan wel zo eenduidig over dat er geen sprake is van racisme of rassenleer? Het is opvallend hoe eensgezind antroposofen over die laatste stelling zijn maar hun argumenten (zie ook eerdere bijdragen) lopen nogal uiteen en zijn vaak regelrecht met elkaar in tegenspraak.
Meneer Willem Frederik Veltman heeft tot slot nog een paar uitsmijters in petto in zijn concluderende opmerkingen en in een regelrecht spectaculaire voetnoot. Eerst het slot van de brochure: ‘Door zinnen weg te laten en de anderen uit hun context te lichten doet Moerland voorkomen of Steiner zonder enig mededogen het uitmoorden van de indianen beschouwt. De suggestie wordt gewekt dat het objectieve inzicht in een wereldproces (? Cursivering FS) een goedkeuring betekent van gewelddadigheid, volkerenmoord en dergelijke. Maar deze gedachte is net zo onmogelijk als de mening dat je iemand mag doodslaan, omdat hij toch doodgaat. Over het indianencitaat zie noot 16. En mevrouw Jeurissen schreeuwt het uit omdat ze gelooft wat Bram Moerland zegt. En Bram Moerland omdat hij het zelf gelooft? Of omdat hij weet dat hij tendentieus aan de gang is?’ Meneer Veltman, Bram Moerland heeft een correcte beschrijving gegeven. En ik heb wel een idee wie hier tendentieus aan de gang is, als je het tenminste al zo kunt noemen. Mij lijkt hier eerder sprake te zijn van regelrechte fictie, zoals we zo zullen zien. Laten we eens kijken wat u in die noot 16 zoal te melden hebt: ‘Dit proces van ‘overwinning van het raselement’ kwam op gang met het doorbreken van de afzondering tussen de continenten als Afrika en Amerika gedurende duizenden jaren hadden geleefd (?) Vanuit Europa vonden de zogenaamde ontdekkingsreizen plaats, die pas de confrontatie van verschillende rassen mogelijk maakten, maar die tevens het tijdperk inluidden waarin de rassenonderscheiden moeten worden overwonnen.
Dit proces waarin wij nog volop staan, is veelal door ongelijke machtsverhoudingen in negatieve zin verlopen. Het doorbreken van de afzondering van rassen en volken leidde ten aanzien van de indianen bijvoorbeeld tot massale slachting en vernietiging. Het gaat er nu om dat men een onderscheid maakt tussen een ontwikkelingswetmatigheid: verdwijnen van het rasmatige ten gunste van het individu en de manier waarop zich dat voltrekt. Dit laatste kan zeer afkeurenswaardig, anti-menselijk, dus verwerpelijk zijn. Maar men mag aan niet aan iemand die op een wetmatigheid wijst, het verwijt richten dat hij de verwerpelijke wijze waarop mensen rassen tot vernietiging hebben gebracht, goedkeurt omdat hij zegt dat dit wetmatige zonder sympathie of antipathie moet worden beschouwd’ (Veltman, p. 34). Juist, meneer Veltman, ik moet dus begrijpen dat u echt meent dat de indianen ‘toch dood gaan’ (als ras!) en dat dit een wetmatigheid is omdat Steiner het gezegd heeft.
Van alle mogelijke lezingen van Steiners vierde voordracht is dit wel de meest bizarre die ik tot nu toe ben tegengekomen. Meneer Veltman, u speculeert misschien graag over de vezels van mevrouw Jeurissen, maar uw vezels lijken bijna dronken van de jongensboekenromantiek. De grote ontdekkingsreizen! En dan vraag ik me toch af wat is er hier wetmatig aan is, los van Steiners opmerking: ‘Das ist einfach eine Gesetzmäßigkeit’ (vierde voordracht Die Mission)? Wetmatig omdat Steiner het zegt? Bijzonder sterk. Geloof ook niet dat de geschiedenis volgens ‘wetmatigheden’ verloopt. Wie het weet mag het zeggen. Maar goed, Veltman gaat er dus vanuit dat het wel zo is. En om het nog erger te maken, itt Moerland, die Steiner wel goed heeft gelezen, bedenkt meneer Veltman opeens dat het over de veertiende en vijftiende eeuw gaat. Waar zegt Steiner dat? Het raskarakter wordt in onze tijd langzaam overwonnen (‘In unserer Zeit wird der Rassencharakter aber allmählich überwunden’, Die Mission p. 81). Iets daarvoor zegt hij het wellicht nog explicieter: ‘…müssen uns dabei aber klar sein, daß, wenn unsere gegenwärtige fünfte Entwickelungsepoche von der sechsten und siebenten abgelöst wird, keine Rede mehr sein kann von einem Zustande, den wir als Rasse werden bezeichnen können’ (p. 78). Helmut Zander heeft volgens de antroposofische tijdrekening uitgerekend dat dit op zijn vroegst in het negende millennium zal gebeuren. Zander: ‘Rassen seien ein Intermezzo der Menschheitsgeschichte. »Die Rassen sind entstanden und werden einmal vergehen, werden einmal nicht mehr da sein.« (GA 121,76 [1910]) Erneut artikulierte Steiner sein antimaterialistisches Leitmotiv, aber bei näherem Hinsehen bleibt dies ein gänzlich unpolitisches Argument. Die Rassenentstehung, die erst in der lemurischen Zeit begonnen habe, werde in der sechsten und siebten »Entwickelungsepoche« verschwinden (ebd.), das heißt: frühestens ungefähr im 9. Jahrtausend. Für eine politische Erledigung der Rassenfrage und für die Geltung von Steiners Rassentheorien ist dies eine lange, eine zu lange Zeit. Daß die Vielfalt von Völkern und Rassen ein Reichtum der Pluralität sein könnte, tritt im übrigen nicht in Steiners Blickfeld’ (Helmut Zander, ). Dat duurt dus nog wel een poosje. Niks veertiende en vijftiende eeuw. Toen werd het pas echt gezellig!
Het lijkt leuk en inderdaad bijna een jongensboek; van de kinderliedjes, ras ras ras naar de ontdekkingsreizen. Maar de geschiedenis verloopt niet volgens hetzelfde schema als de vertelstof in het vrije schoolonderwijs.
Ontdekkingsreizen, slavernij, t/m de moordpartijen op de indianen. Waar zullen we beginnen? U kent de geschiedenis van Cortez en Montezuma? Of van Pizarro en Atahualpa? Dat was in de tijd dat volgens u de rasverschillen werden opgeheven. Dan vraag ik me af wat u onder opheffing van rasverschillen verstaat. Grootschalige volkenmoord lijkt me meer op zijn plaats, een verschijnsel dat wel meer optrad met die ‘rasopheffende ontdekkingsreizen’ van u. kolonialisme ter bevordering van de wereldwijde gelijkheid, alleen zijn sommige rassen gelijker dan anderen, naar Orwells ‘Animal Farm’.
En waar denkt u dat Steiner naar verwijst in Die Mission, als hij een hoofdman van de indianen aan het woord laat? Naar de Azteken en de Inca’s in de zestiende eeuw? Ik zal het nog een keer voor u terughalen. Het wordt wel weer hetzelfde argument dat bij Brüll is gebruikt, maar wellicht is het wederom noodzakelijk. Uit de zesde voordracht: ‘Durch dieses haben sich gebildet alle die Kulturen, die in Europa in der Mitte des neunzehnten Jahrhunderts zur Blüte gebracht wurden. Das alles hat er, der Sohn der braunen Rasse, nicht mitgemacht. Er hat festgehalten an dem Großen Geist der urfernen Vergangenheit. Das, was die anderen gemacht haben, die in urferner Vergangenheit auch den Großen Geist aufgenommen haben, das trat ihm vor Augen, als ihm ein Blatt Papier mit vielen kleinen Zeichen, den Buchstaben, von welchen er nichts verstand, vorgelegt wurde. Alles das war ihm fremd, aber er hatte noch in seiner Seele den Großen Geist. Seine Rede ist uns aufbewahrt; sie ist bezeichnend, weil sie auf das Angedeutete hinweist, und sie lautet etwa so: ‘Da in dem Erdboden, wo die Eroberer unseres Landes schreiten, sind die Gebeine meiner Brüder begraben’ (Die Mission, p. 123).
Dit gaat dus niet over een gesprek tussen Cortez en de Aztekenkeizer Montezuma in 1519, of Pizarro en de Incakeizer Atahualpa in 1533. Dit gaat over een gebeurtenis die zich in een paar decennia voordat Steiner deze woorden uitsprak heeft afgespeeld. Als we ook meewegen dat Steiner het over foto’s heeft die er van indianen zijn gemaakt, dan gaat het over gebeurtenissen van ten minste na 1860.
Het bovenstaande is een wat burlesk geheel geworden, maar het is geheel in dezelfde stijl waarmee meneer Willem Frederik Veltman die mevrouw Toos Jeurissen toespreekt. Een spreekwoordelijk koekje van eigen deeg dus. De hier naar voren gebrachte argumenten zijn neem ik aan wel overgekomen. Met dank aan Paul Heldens, die mij op het bestaan van dit cahier heeft geattendeerd. Wellicht was het anders aan mijn aandacht ontsnapt. En nogmaals de mogelijke serieuze kritiek van Herman Boswijk en Mees Meeussen op Toos Jeurissen heb ik hier buiten beschouwing gelaten. Er worden wat flarden van weergegeven in Veltmans tekst. Toch denk ik dat die allebei een apparte en ook een ander soort bespreking zouden verdienen. Ik heb mij hier beperkt tot de opmerkingen die evident van Veltman zelf afkomstig zijn.

SLOT

Beste Paul Heldens, wat mijn probleem met de antroposofie is, is dat het zich allerlei uitspraken permitteert over onbewijsbare grootheden, met een air en een pretentie alsof het de universele waarheid is. Nu doen ook alle religies dat, maar erken dan tenminste dat de antroposofie geen wetenschap is maar een geloof. En voor als je er in kan geloven (en dat kan ik niet meer) waag je dan niet aan allerlei theorieën en uitspraken over rassen, homoseksualiteit (zijn ze bij de Brug heel goed in), over hoe de geschiedenis in rigide sjablonen van cultuurperiodes is in te delen, over de geschiedenis van de aarde, etc.
Ik zie ook wel de goede dingen (bepaalde kanten van het onderwijs en ik ben ook zeker voor ecologische landbouw), maar wat betreft het duiden of classificeren van rassen en culturen en de megalomane visie op de geschiedenis zijn voor mij persoonlijk moeilijk te verteren.
Ik wil nog een voorbeeld laten zien, om mijn punt expliciet te maken. Het gaat weliswaar om een randfiguur binnen het Nederlandse antroposofische spectrum, maar ook in dit geval wordt het mij te vaak door de mainstream serieus genomen. Ik bedoel de astrologe en natuurgenezeres Melly Uyldert. Ik moest er weer plotseling aan denken, omdat ik ontdekte dat in de noten van een artikel van uw hand op internet over ‘elementswezens’ (http://www.antrovista.com/artikelen/ingezonden/heldens-elementenwezens.pdf, ik was natuurlijk wel nieuwsgierig naar u geworden toen u me zo van repliek had bediend, dus heb u even ‘gegoogled’ zoals dat heet) het verder in brede antroposofische en zelfs in New Age kringen populaire boek van Kees Zoeteman ontdekte ‘Over Moeder Aarde, dertien spirituele visies op de natuur’,  Rotterdam, 1996. Daar heeft deze Melly Uyldert gewoon een bijdrage aan geleverd, staat ook nog expliciet in uw noten vermeld. Ik wil u overigens op geen enkel beding, begrijp me niet verkeerd, verder in verband brengen met deze mevrouw, alleen viel het me op dat haar naam viel in uw noten. Toen wist ik me haar ook weer te herinneren.
In antroposofische kring wordt er gedaan alsof er niets met dit ‘fenomeen’ aan de hand is. Het is zelfs zo dat ik in de zevende klas, bij ons op school, een boekje van haar heb gelezen over een mogelijke symbolische uitleg van Tolkiens ‘Lord of the Rings’ (voor alle duidelijkheid, we kregen dit niet expliciet aangeboden, maar het lag ergens tussen wat andere boeken, wellicht niet eens met opzet). Ik las dit op mijn dertiende, vond dit heel fascinerend en het was voor het eerst dat ik echte esoterische lectuur las. Ook haar ‘Verborgen Wijsheid van het Sprookje’ circuleerde bij ons op school en het lag ook prominent in de locale antroposofische boek en levensmiddelenwinkel, gerund door diverse ouders van kinderen van mijn vroegere Vrije School (was bijna een soort verlengstuk, begrijpelijk in een middelgrote provincieplaats in het oosten van het land). Ik had toen natuurlijk geen vermoeden en wellicht wist niemand dat, ook niet de leerkrachten van mijn school, dat deze Melly Uyldert ook met grote regelmaat wat vreemde uitspraken deed over bijvoorbeeld het Jodendom en ‘de Joden’. Ik weet eigenlijk wel zeker dat niemand dit toen wist, omdat wij in de zevende klas NB een keer uitgebreid aandacht aan dit onderwerp hebben besteed naar aanleiding van Jan Terlouws ‘Oorlogswinter’, onder leding van een leraar die dat heel goed deed (nogmaals dit alles heeft niets met mijn school te maken). Pas veel later is Melly Uyldert in de publiciteit gekomen. Het was pas in de jaren negentig toen ik een verbijsterende passage las, in een artikel van Toos Jeurissen in de Groene Amsterdammer. Daar stond ondermeer het volgende citaat. Melly Uyldert over ‘de Joden’, oorspronkelijk in haar eigen blad ‘De Kaarsvlam’ (staan overigens ook een aantal nummers van online op http://www.uyldert.nl/):

‘Men is het geboren slachtoffer, de martelaar, of men wil of niet. Vaak neemt zo iemand vrijwillig de voor anderen bestemde slagen op zich, kiest altijd het naarste plekje in vervoermiddelen of schouwburg en neemt de schuld van een ander op zich (…) Zij zuigen als het ware de disharmonieën van hun omgeving in zich op en boeten die uit met hun lichaamslijden. (…) Dit type komt bijzonder veel voor onder het joodse volk, dat, in wezen wars van alle geweld en agressie, het lijden van de gehele volkerengemeenschap op onze planeet op zich genomen heeft en de collectieve schuld uitboet, niet alleen in haar grote zoon Jezus van Nazareth, maar in de miljoenen bij pogroms en in concentratiekampen gemartelde en in onzegbaar lijden vernietigde en toch onsterfelijke joden. Zij zijn het grote voorbeeld van dit aspect: het verlossen van anderen door hun eigen ondergang. Daardoor kunnen zij ook onmogelijk kerkchristen worden, dus het dogma aannemen dat Jezus voor hen gestorven zou zijn – zij sterven zelf met hem mee voor dezelfde zaak.’

Voor wat meer (beknopte) informatie zie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Mellie_Uyldert. Een zoektocht op internet over haar levert veel saillants op, tot en met contacten met het Consortium ‘De Levensboom’ van wijlen mevr. Florrie Rost van Tonningen-Heubel, de Zwarte Weduwe. Ik kan me nog het verhaal uit de krant herinneren dat zij een ruilabonnement op elkaars blaadjes hadden. Florrie ontving Mellie’s ‘De Kaarsvlam’ en Mellie kreeg dan Florrie’s  ’Manuscripten’. Ik weet niet of dit allemaal waar is, maar het feit dat zij ook schedelmeten promoot (gewoon open en bloot in ‘de Kaarsvlam’) geeft wel te denken. De Duitse bezetting was ‘een heerlijke tijd’ en de bevrijding in 1945 betekende een ‘terugval in het materialisme’. Verder schijnt zij een ‘wijze maagd’ te zijn. Teveel seksueel genot bij de conceptie trekt slechte geesten aan, waardoor er een grote kans is op de geboorte van een gehandicapt kind. Zij is overigens een groot voorstander van abortus, vooral als het om dit soort ‘gehandicapte lustkinderen’ gaat. Goed, ook mevrouw Uyldert kan worden afgedaan als een marginale randfiguur, maar waarom wordt er in antroposofische kringen weer gedaan alsof er niets aan de hand is, net als met die neo-nazipraat uit ‘de Brug’? Overigens besteedt het van Baarda Rapport kort aandacht aan haar met de mededeling dat zij ‘geen antroposofe is’ (p. 601). Ik moet zeggen dat ik hierin wel enigszins kan meegaan (is natuurlijk een kwestie van definitie), althans ze verwijst bij mijn weten nooit naar Rudolf Steiner en ik zou haar qua opvattingen, wanneer je het antisemitische element eruit zeeft, eerder tot de New Age rekenen. Zoals op haar website staat vermeld: ‘Slechts weinigen begrepen, dat zij op al deze gebieden slechts toepaste wat haar het naast aan het hart ligt: het nieuwe denken, dat past in de nieuwe tijd die is aangebroken. Ze voelt het als haar taak, om op elk gebied het licht van dat nieuwe denken, het denken in analogieën, te laten schijnen. Ze houdt haar toverlamp bij elke verschijningsvorm van de dagelijkse werkelijkheid, om de straling te doen doordringen tot in het wezen daarvan: “Kijk, dat is waar het om gaat! Daar komt het patroon uit de kosmos en drukt zich uit in het vormmateriaal dat op dat speciale gebied voorhanden is.” Zo toont ze aan, op haar cursussen, in haar boeken en in haar maandblad, dat alle opvattingen tegelijk waar zijn, want het zijn verschillende vormen voor één en hetzelfde wezen’. Dit is inderdaad meer New Age dan antroposofie al zijn er zeker overeenkomsten. Het denken in analogieën bijvoorbeeld. Een verschijnsel uit de kosmos dat zich op aarde uitdrukt, we hebben het al eerder gezien, bij ‘de Volkszielen’. Van Manen heeft het nog een keertje goed samengevat en uitgelegd, zoals hiervoor besproken. Verder is deze tekst weinig meer dan de Tabula Smaragdina van Hermes Trismegistus teruggebracht tot het niveau van Efteling kitsch (haar website is ook in die stijl vormgegeven).
Ook is in het algemeen de overeenkomst van de antroposofische notie van het ‘Michaëlstijdperk’ met het ‘Aquariustijdperk’ van de New Age erg groot te noemen, al zeg ik hier niet dat dit hetzelfde is. Beide behelsen echter wel de belofte van een nieuw tijdperk en een hernieuwd spiritueel ontwaken. Een voorzichtige parallel mag je in deze wel trekken. De Brug heeft een buitengewoon ‘leuk’ artikel aan dit komende Michaëlstijdperk besteed (http://users.telenet.be/antroposofie/diabasis/b32bewaareng.htm).
Maar neem dan een keer van antroposofische zijde duidelijk stelling tegen haar standpunten, in plaats van haar boeken gewoon in antroposofische winkels aan te prijzen, om maar een voorbeeld te noemen. In de praktijk blijkt ze gewoon geaccepteerd te zijn in antroposofische circuits. Tot voor kort kon ze nog overal lezingen komen geven, in diverse spirituele en antroposofische centra en instellingen en werd haar spiritueel centrum ‘Oasis’ in het Belgische Kalmhout gewoon aangeprezen (zij verblijft nu in een antroposofisch verpleeghuis in Bilthoven). Het feit dat zij een bijdrage kan leveren aan zo’n boek van Kees Zoeteman is (haar naam duikt op naast die van Bernard Lievegoed, om maar iets te noemen), is hoe je het ook bekijkt, op z’n vriendelijkst gezegd een flater van jawelste en met een beetje kwade wil zelfs regelrecht ‘fout’ te noemen.
Overigens wordt er in een van de door u aanbevolen bronnen duidelijk stelling genomen tegen Melly Uyldert. Het gaat om de bijdrage van Edithe Boeke  (onlangs overleden, zie een herdenkingsartikel op de blog van Michel Gastkemper) in ‘Antroposofie en mythisch denken’. Voor mijn eerdere artikel was deze bijdrage niet echt relevant, dus ik weet niet waarom u haar artikel op uw lijstje hebt gezet (en om Mellie Uyldert was het zeker ook niet, want u heeft daar, blijkens uw artikel, niet zo’n moeite mee), maar zij doet het. Zij beschrijft een congres van verschillende occulte stromingen, dat in 1984 in Brussel heeft plaatsgevonden. Boeke: ‘De nieuwe ideologieën concentreren zich tijdens dit congres rond neo-matriarchale verheerlijking van het oorspronkelijk vrouwelijke, en de daar natuurlijk direct bij aansluitende mythe van de dionysische ‘wild man’. In een rationele, koude en verburgerlijkte samenleving is de erotiek uiteraard in de marge geschoven, wat zich dan weer wreekt met harde seks- en pornobusiness. Wanneer we de mythologieën al te letterlijk nemen en daarmee ‘ideologiseren’ valt er niet alleen voor de erotiek veel te halen, maar worden er sluizen open getrokken voor anachronismen van allerlei soort. Iemand die daar rijkelijk uit put is Mellie Uyldert. In een betrekkelijk recent verleden werden bloedbandtheorieën van de nationaal socialisten en het Derde Rijk direct op de oude Germaanse mythologieën geënt; daar liggen gevaarlijke interpretaties, waar men de historische dimensie van de mythe wil terughalen’ (Antroposofie ter discussie, p.65). Hulde, het kan dus wel. Maar waarom moest ik dit stuk lezen meneer Heldens? Beter had u een ingezonden brief in de Brug kunnen plaatsen, waarin u gewag maakt van deze bijdrage. De door u blijkbaar enigszins gewaardeerde Brug (althans, u vond het de moeite waard om het voor dit blaadje op te nemen) zou deze kritiek beter passen. Want daar gaan de ‘sluizen pas echt open’, zoals we eerder hebben gezien. Edithe Boeke zegt Mellie Uyldert de wacht aan, nu de rest nog. En dan het liefst en-masse gaarne hetzelfde doen met de Brug. Daar is de antroposofie in de Lage Landen alleen maar mee geholpen. Gooi het antrovista af, laat het ‘Willehalm Instituut voor Graalonderzoek’ er geen banner meer op plaatsen (kijk maar op de thuispagina) en zeg dat blad luid en duidelijk de wacht aan. Ik denk dat iedereen daar alleen maar beter van wordt.
Om toch nog een ander interessant aspect uit uw artikel aan te halen (ik wil u niet alleen met Melly Uyldert om de oren slaan, en zij figureerde slechts in een voetnoot), U schrijft op een positieve manier over ‘de Indianen’ en u baseert zich  op een passage uit de Volkszielen. U stelt: ‘Eén bron vormt de natuurreligie van bepaalde Noord-Amerikaanse indianenstammen. Deze vorm van religie is een laatste rest van wat eens uitging van de grootse Atlantische mysteriën’. Waarschijnlijk verwijst u naar deze uitspraak, hier eerder aangehaald: ‘Was war für den Indianer das Größte? Es war, daß er noch ahnen konnte etwas vonder alte Größe und Herrlichkeit eines Zeitalters, welches in der alten Atlantische Zeit vorhanden war, wo noch wenig um sich gegriffen hatte die Rassespaltung, wo Menschen hinaufschauen konnten nach der Sonne und wahrzunehmen vermochten durch das Nebelmeer eindringenden Geister der Form. Durch ein Nebelmeer blickte der Atlantier hinauf zu dem, was sich für ihn nicht spaltete in eine Sechs-oder Siebenheit, sondern zusammenwirkte. Das, was zusammenwirkte von den sieben Geistern der Form, das nannte der Atlantier  den großen Geist, der in der alten Atlantis dem Menschen sich offenbarte’. Maar U weet toch wat hij in de zin erna zegt? Ik heb het hierboven aangehaald, tot en met de ‘Buchstaben’ die hij niet zou begrijpen. Overigens historisch onjuist, het oude Amerika kende diverse schriftculturen, tot en met het volledig fonetische alfabet van de Maya’s (was overigens in Steiners tijd nog niet bekend). Dit is de januskop van het exotisme. Prachtig die Indianen, maar ’hun tijd was wel om’, in de woorden van Helena Blavatsky, uit de ‘Geheime Leer’ (’Antropogenesis’, p. 687) . Elders wat explicieter (nadat zij gesproken heeft van ‘het vijfde Arische wortelras, het zwarte negerras en het Aziatische ras en hunne kruisingen’): ‘Roodhuiden, Eskimo’s, Papoea’s, Australiërs, Polinesiërs, enz. enz. zijn allen aan het uitsterven. Zij die inzien dat elk wortelras een toonladder van zeven onderrassen doorloopt zullen het ‘waarom’ begrijpen. De incarnerende ego’s zijn aan hen voorbij gegaan, om ondervinding te doen in een beter ontwikkelde en minder door ouderdom versleten stammen, en hun vernietiging is derhalve een Kharmische Noodzakelijkheid’ (geciteerd uit Bram Moerland, p. 13, uit ‘De Geheime Leer’, ‘Antropogenesis’, p. 688, door Moerland geheel correct geciteerd, dus meneer Heldens, die propaganda vlieger van u blijkt steeds meer een krachteloze losse flodder. Zie voor meer uitleg ‘Geloof in kabouters…’). En Steiner was het daar klaarblijkelijk roerend mee eens. Dat plaatst die met de mysteriegodsdiensten van Atlantis verbonden indiaan opeens in een heel ander licht.
Wat u schrijft over de indianen klinkt verder heel mooi en bijna bewonderend, maar het is wel exotisme, maw een veelal uit de negentiende eeuw (enigszins achttiende zie Rousseau) stammende notie van de romantiek van de nobele wilde. Als de van Baarda commissie nu toch met Edward Said aan komt, dan kan ik zeggen dat dit nu juist een kant van de medaille is van het koloniale superioriteitsdenken, waar ook de antroposofie mee doordrenkt is. Juist door de ‘ander’ als iets exotisch en iets mysterieus af te schilderen, is het ook makkelijker om die ander te ontmenselijken. Door hem slechts te zien als een representatie van iets dat mysterieus en spannend en misschien wijs is, maar daarmee ontmenselijkt. Enige studie van postkoloniale literatuur leert vaak dat het ophemelen van het mysterieuze van de ander twee gezichten heeft. Dit gaat vrijwel altijd gepaard met het idee dat de ander toch niet zo rationeel is als wijzelf en dus politiek, economisch etc. beter onder controle moet worden gehouden. Dit is ongeveer de kern van Edward Saids betoog in Culture and Imperialism en vooral in zijn nog veel bekendere Orientalism, maar ook wat specifiek de indianen betreft is hier interessante literatuur over verschenen, veelal van auteurs van indiaanse afkomst. Een grote oude klassieker is Custer died for your sins van Vine Deloria jr. (1973), in het Nederlands verschenen als Custer stierf voor jullie zonden . Hij maakt hierin gehakt van het stereotype en romantische beeld dat veel westerlingen, ook degenen die zo’n ‘bewondering’ voor de natuurvriendelijke indiaan hebben. Hij ziet deze stereotypen als buitengewoon badinerend en ontmenselijkend. Om in de woorden van een andere prominente intellectueel van Indiaanse afkomst te spreken, Pam Colorado, hoogleraar aan de universiteit van Toronto: ‘In the end non Indians will have complete power to define what is and what is not Indian, even for Indians… When this happens, the last vestiges of Indian Society and Indian rights will disappear. Non Indians wil then ‘own’ our heritage and ideas as thouroughtly as they now claim to own our land and resources’ (geciteerd uit Lucy Lippard, Mixed Belessings; new art in multicultural America, Pantheon Books, New York, 1990, p. 117). Door megalomane sjablonen op de ander te leggen, zal de ‘ander’ altijd de ‘ander’ blijven.
Ook van dit soort koloniaal gedachtegoed is de antroposofie doordrenkt, zij het dat er een dikke esoterische saus overheen is gegoten, verpakt in een universele en eeuwig geldende kosmologie. Het zou interessant zijn om dat te doorbreken, dan kan de antroposofie zich ook van het racisme bevrijden. Want dat racisme duikt constant in verschillende vormen op.
Ik denk dat dit het probleem is, hoewel het door Geuljans geopperde ‘ethisch individualisme’ wellicht een uitweg biedt. Verder is het in verschillende antroposofische uitingsvormen, in talloze gedaantes, telkens weer raak. De vorm is vaak verschillend, maar de inhoud is steeds dezelfde. Of het nu gaat om de mysterieuze op astrologie en aardkrachten gebaseerde rassenleer van Rudolf Steiner in de Volkszielen (en dat is wel de bron), het kwakkelende betoog voor ‘rasbewustzijn’ van Maarten Ploeger ( zwabberend tussen Senghor en Wounded Knee, waarvan hij de eerste niet begrepen heeft en van het tweede de feiten niet kent), het gezwam van meneer Wiechert over Ajax en wederom Wounded Knee, de agressieve vlucht naar voren methode van de auteurs van de Brug die er allerlei neo-nazi elementen bij sleuren (David Irving), of de kruidenvrouwtjespraat van Mellie Uyldert over het Jodendom en de concentratiekampen; keer op keer steekt het racisme de kop weer op. Dat is precies het probleem, en dat maakt voor mij de antroposofie onverteerbaar en uiteindelijk verwerpelijk. Ik denk dat aan dat racisme probleem echt iets gedaan moet worden. Verder natuurlijk ‘ieder zijn meug’ (in uw woorden).
In de discussie die volgde nadat u uw repliek op mijn artikel had geplaatst zei u: ‘Ik weiger  pertinent om in het openbaar een inhoudelijke discussie aan te gaan die alle argumenten slechts in één richting waardeert: de publieke bekentenis dat Steiner een racist was. Dat is m.i. de reactionaire kant van zo’n enorm eerlijke discussie. In China is de ‘culturele revolutie’ godzijdank voorbij, nu in antroposofenland nog, zeg ik maar. Héél kort samengevat: ‘antroposofisch racisme’ is een contradictio in terminis’.  Ik zal u gerust stellen, al vindt u mij ‘een jonge hond die tegen uw broek aanpiest’ (uw woorden), ik ben geen rode gardist. Ik zeg ook niet dat antroposofen per definitie racisten zijn, alleen dat de antroposofie een ernstig racisme probleem heeft. En dat van die contradictio in terminis is helaas onhoudbaar en onjuist. Dit blijkt uit vrijwel alle bronnen die u mij NB hebt aangeprezen. Hoewel ik de oude VOK cahiers helaas niet geraadpleegd heb (heb ik niet meer in handen weten te krijgen), laten het door u aangeprezen ‘Antroposofie ter discussie’ en de artikelen uit ‘Driegonaal’ het tegenovergestelde zien van wat u wellicht bedoeld had. Ik denk dat het de zaken alleen maar erger maakt dan minder. Dan is het van Baarda Rapport (al geraadpleegd voor mijn eerste artikel) toch vele malen beter inzetbaar als de verdediging van de antroposofie, dan die zeer gedateerde en meteen het tegendeel bewijzende bijdragen waar u mee bent komen aanzetten. Want daarmee schiet de antroposofie zich wel heel erg in eigen voet. Dus als we wederom de oogst van het bovenstaande eerlijk onder ogen durven te zien lijkt mij een discussie niet meer dan normaal. Maar deze zal vooral door de antroposofen zelf gevoerd moeten worden, want een antroposoof ben ik niet. Maar het positieve nieuws is dat er in Duitsland antroposofen van mijn generatie zijn, dus weer nog een nieuwere lichting dan Thomas Höfer ea, die hier echt serieus werk van maken (heb ik begrepen althans). Wellicht moet het van hen komen.
Nu Thomas Höfer toch ter sprake is gekomen wil ik hem aan het eind van dit verhaal nog een keer aanhalen. Höfer: ‘De door Steiner vertegenwoordigde meningen, dat de indianen stierven aan hun eigen natuur en dat de blanken het eigenlijk zijn die het menselijke in zich ontwikkelen, passen bij de racistische superioriteitstheorieën, die de Europese expansie, kolonialisme, agressieve kerstening en volkerenmoord moreel moesten rechtvaardigen. Vooruitstrevender zou het zijn geweest de superioriteitsaanspraak van de blanken en de daarbij horende racistische rechtvaardigingstheorieën kritisch aan te kaarten in plaats van ze ook nog eens occult te onderbouwen’ (geciteerd uit Jeurissen, p. 12).
Zie hier de kern van de zaak. Het koloniale superioriteitsdenken heeft allang afgedaan, ik neem aan ook voor de meeste antroposofen (een aantal eerder aangehaalde dolgedraaide fanatici daargelaten). Alleen de occulte onderbouwing van Steiner blijft, waardoor antroposofen van nu zich in allerlei bochten moeten wringen om de racistische uitspraken, die gezamelijk een welomschreven en coherente rassenleer vormen, te bagatelliseren of te ontkennen (zie het van Baarda rapport). Want de rassenleer is inderdaad ingemetseld in het gehele occulte bouwwerk van de antroposofie en het zal niet makkelijk zijn om die uit het bouwwerkje te slaan zonder dat er instortingsgevaar voor de rest dreigt. Toch lijkt mij dat het enige wat er op zit, al zal het niet makkelijk zijn. Degenen die zich daar toch aan willen wagen hebben mijn bescheiden zegen, al heb ik als (inmiddels) een buitenstaander makkelijk praten.
Nu heb ik zelf geen hekel aan antroposofische mensen en ik meen te weten dat er genoeg rondlopen die dit probleem eigenlijk ook verschrikkelijk vinden, maar het probleem blijft als er niet een keer een gemeende en verinnerlijkte verandering optreedt. En de plaat van het verkeerd citeren, uit de context halen, etc. is langzamerhand wel grijs gedraaid. De tijd van de ontkenningsfase lijkt me nu wel voorbij.

Het was een eer u te mogen riposteren,

Verder vriendelijke groet,

Floris Schreve

Geraadpleegde literatuur

(anti) racisme versus antroposofie; een bijdrage tot oordeelsvorming, ‘Driegonaal; tijdschrift voor sociale driegeleding’, extra editie, maart 1996 (artikelen vanaf 1985).

Commissie van Baarda, Antroposofie en het vraagstuk van de rassen; eindrapport van de onderzoekscommissie Antroposofische Vereniging in Nederland, Zeist, 2000.

Helena P. Blavatsky, De Geheime Leer; de synthese van wetenschap, godsdienst en wijsbeerte, Ned. Theosofische Ver. (jubileum uitgave), JJ Couvreur, Den Haag, 1968 (oorspr. 1888, Londen).

Dee Brown, Begraaf mijn hart bij Wounded Knee, Jos Knipscheer/Hollandia, Baarn, 1971

Vine Deloria jr., Custer stierf voor jullie zonden; een indiaans manifest, De Indiaanse Bibliotheek/In de Knipscheer, Haarlem, 1973

Jan Willem de Groot, Kosmisch racisme; over racistische elementen in de antroposofie, Skript, zomer 1996 (zie http://www.stelling.nl/simpos/antro1.htm )

Walter Heijder, Rudolf Steiner versus nationaal-socialisme, Vereniging voor Vrije Opvoedkunst, Den Haag, 1997.

Toos Jeurissen, Antroposofie en racisme,  de Groene Amsterdammer, 5 februari 1997

Toos Jeurissen, Uit de vrije school geklapt, Baal producties, Sittard, 1996 (online te lezen op http://www.antroposofia.be/wordpress/uit-de-vrije-school-geklapt.pdf)

Jelle van der Meulen (red.), Antroposofie ter discussie,  uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist, 1985 (Bijdragen Maarten Ploeger en Hans Peter van Manen in Antroposof)

Bram Moerland, Rassenleer met charisma; over het racisme van Steiner en Blavatsky, Haagse academie Pers, Den Haag, 1989.

Gilles Quispel, De Hermetische Gnosis in de loop der eeuwen; beschouwingen over de invloed van de Egyptische religie op de cultuur van het Westen, Tirion, Baarn, 1997.

Edward W. Said, Culture and Imperialism, Vintage, Londen, 1994

Rudolf Steiner, De Akashakroniek; de ontwikkeling van mens en aarde (verzamelde bijdragen, gebundeld door Marie von Sievertz), oorspr. uitg. Dornach 1939, Pentagon, Amsterdam, 2004. (de Duitse tekst van ‘Aus der Akasha-Chronik’ is hier te lezen)

Rudolf Steiner, Het Evangelie naar Mattheüs; esoterische achtergronden, oorspr. 1910, Vrij Geestesleven, Zeist, 1983.

Rudolf Steiner, Die Mission einzelner Volksseelen in zusammenhange mit der Nordisch Germanische Mythologie, Vortragzyklus gehalten in Christiania (Oslo), 1910, Nachlassverwaltung Dornach, 1950 (op internet: http://www.anthroposophie.net/steiner/ga/bib_steiner_ga_121.htm)

Rudolf Steiner, Vom Leben des Menschen und der Erde; über das Wesen des Christentums, Rudolf Steiner Taschenbücher aus dem Gesamtwerk,  Dornach, 1993 (oorspronkelijk Dornach 1923)

Rudolf Steiner, De wetenschap van de geheimen der ziel (‘Geheimwissenschaft’, 1920), Rotterdam, 1924.

Evert van der Tuin,  Gjalt Zondergeld, De schaduwkant van de antroposofie,  in ‘’t Kan anders’, najaar 1984

Willem Frederik Veltman, Van je ras, ras, ras, rijdt de koning door de plas; een rechtzetting, VOK Cahiers nr. 19, Vereniging voor Vrije Opvoedkunst, Den Haag, 1997 (tweede herziene druk).

Gjalt Zondergeld, Goed en kwaad; vijftien opstellen, van fascisme tot pacifisme, van Rudolf Steiner tot Colijn, Antwerpen, 2002. Het essay ‘Steiners leer over rassen en volken’ (samen met Evert van der Tuin) is grotendeels online te lezen op: http://books.google.nl/books?id=dJKIrS-B_hEC&pg=PA9&lpg=PA9&dq=Gjalt+Zondergeld+Goed+en+Kwaad&source=web&ots=yTxqjefED7&sig=Xfs5I5XMahD_wEo5qPMxsHL_CPE&hl=nl&sa=X&oi=book_result&resnum=1&ct=result#PPA69,M1

Voor een uitgebreider literatuuroverzicht zie de literatuurlijst van mij vorige artikel: https://fhs1973.wordpress.com/2008/06/23/

zie voor verdere discussie: Het racisme-debat op Steinerscholen.com (Ramon de Jonghe, België)

http://antroposofie.wordpress.com/2008/10/30/racismedebat/

Update april 2012

Tot mijn grote verrassing ontdekte ik vrij onlangs dat Paul Heldens wel degelijk goed op de hoogte was van de activiteiten van de Brug en Jos Verhulst. En ook heel goed begrepen heeft waar zij mee bezig zijn (qua het aanprijzen van Holocaust ontkennen). Maar misschien nog verrassender, Paul Heldens heeft op een voorbeeldige manier stelling genomen tegen deze tendens.

Een klein zoektochtje in het archief heeft een aantal opzienbarende zaken opgeleverd. Het blijkt dat Driegonaal steeds meer dezelfde kant opgaat als de Brug. De zeer omstreden en met neonazi”s sympathiserende/antisemitische Russische antroposoof Gienady Bodarev wordt in Driegonaal de hemel ingeprezen, iets wat overigens duidelijk ingaat tegen het offieciële styandpunt van de Nederlandse Antroposofische Vereniging. Ook Jos Verhulst heeft in Driegonaal alle ruimte gekregen om zijn eigen antisemitisme te verk0pen (wat hij doet in een artikel waarin hij poogt Steiner van antisemitisme te ontzetten). Die ruimte krijgt hij ook in het door Driegonaal uitgegeven thema-boekje ‘Het Verbod op Denken’, waarvoor Verhulst twee bijdragen schreef, hier: (Jos Verhulst in Het Verbod op denken (Driegonaal, 2001) te raadplegen)

In een nieuw artikel over de kwestie ‘antroposofie en racisme’ zal ik uitgebreid op deze kwestie terugkomen. Maar Paul Heldens verdient voor zijn stellingname alle lof. Dat geldt niet voor Driegonaal. Maar ook dat zal ik nog toelichten. Wie zich er alvast een beeld van wil vormen kan ik wijzen op een kleine compilatie van verschillende bijdragen die er in Driegonaal vanaf 1999 zijn verschenen. Zie Neonazisme in Driegonaal (eerste lichting). En dit is nog maar het topje van de ijsberg. De rest volgt later in een nog te verschijnen bijdrage

Moderne kunst van Indiaans Noord Amerika

English version: ‘Living in exile in their own land; Contemporary Native American Artists’ click  here 

Jimmie Durham, ‘Pocahontas’ underwear’, mixed media, 1985

In 1996 volgde ik met een klein groepje medestudenten aan de vakgroep kunstgeschiedenis van de Universiteit Leiden de projectgroep ‘Kunst in de multiculturele samenleving’ onder leiding van Dr. Willemijn Stokvis. Hoewel er binnen de kunstgeschiedenis als discipline al iets daarvoor steeds meer aandacht was ontstaan voor moderne en hedendaagse kunst buiten de westerse wereld (dus Europa en na de Tweede Wereldoorlog de Verenigde Staten) stond dit mondiale perspectief, binnen Nederland althans, nog sterk in de kinderschoenen. Er waren een paar musea voor volkenkunde die hier soms aandacht aan besteedden en in Amsterdam was net de Gate Foundation opgericht. Vanuit de universiteit waren wij echt de eersten.
Het werd een buitengewoon spannende projectgroep, waarbij iedereen echt alles zelf moest ontdekken. Na een voordracht van Els van Plas (oprichtster en toenmalige directeur van de Gate Foundation, tegenwoordig directeur van het Prins Claus Fonds) besloot zo’n beetje iedere deelnemer om een verschillend cultuurgebied in de wereld ter hand te nemen om een eerste verkenning te doen wat daar op artistiek gebied gedurende de twintigste eeuw zoal had plaatsgevonden. Het was natuurlijk een eerste kennismaking. Aan bod kwamen China, India, de Afrikaanse landen Nigeria, Zuid Afrika en Senegal, Aboriginal Australië en ik wilde iets doen met Indiaans Noord Amerika. Omdat het gebied dat wij onderzochten nog zo onontgonnen was besloten wij als methodische leidraad de publicatie Africa Explores, 20th Century African Art, New York, 1991, van Susan Vogel te nemen. Vandaar dat ik aan het eind van mijn artikel op haar indeling terugkom, die ik overigens niet geheel toepasbaar (logisch) vond voor mijn specifieke onderzoeksgebied, al bood het wel de gelegenheid om nog eens duidelijk uit te leggen wat het verschil is tussen de ‘derde wereld’ (voormalig gekoloniseerde landen) en de ‘vierde wereld’ (inheemse volkeren die nog steeds ‘gekoloniseerd’ zijn) .
Zonder dat we het van tevoren konden weten kwam er een mooi en rijk geschakeerd geheel uit. De opbrengst was zo onverwacht interessant dat het tijdschrift van de vakgroep kunstgeschiedenis, ‘Decorum’ ons vroeg om een thema nummer te maken. In 1997 verscheen het nummer ‘Wereldkunst’ dat al snel uitverkocht raakte en nu nergens meer te krijgen is, al hebben veel bibliotheken toen een exemplaar aangeschaft (het onderwerp bleek opeens waanzinnig hot en onze projectgroep van zeven deelnemers, olv Willemijn Stokvis, kwam zelfs boven de horizon van Rick van Ploeg, staatssecretaris van OCW in Paars II, die vijf jaar later nog een keer naar dit nummer van Decorum heeft verwezen).
Zelf heb ik dit onderwerp nooit meer los kunnen laten. De onderzoeksvraag van hoe de twintigste en inmiddels eenentwintigste eeuwse kunst zich ontwikkelde en ontwikkelt in niet-westerse gebieden heeft mij sinds die tijd sterk beziggehouden. Twee jaar na deze projectgroep heb ik stage gelopen bij het Prins Claus Fonds voor Cultuur en Ontwikkeling en daar ben ik op het idee gekomen om onderzoek te doen naar de hedendaagse kunst van de Arabische wereld.

              
Mijn artikel voor het tijdschrift Decorum was verder mijn eerste echte publicatie. Nu dit nummer nergens meer te krijgen is denk ik dat het wel aardig is als het jaren later op mijn blog verschijnt, met hier en daar een kleine update of herformulering en wat extra beeldmateriaal, al heb ik de oorspronkelijke tekst grotendeels intact gelaten. Bij deze mijn oude verhaal over de moderne en hedendaagse kunst van Indiaans Noord Amerika (voornamelijk de Verenigde Staten), met een sterke focus op het werk van de kunstenaar Jimmie Durham.

Hieronder ‘Man zoekt tuin’, een portret van Jimmie Durham in het VPRO programma RAM, uitgezonden op 26-10-2003 http://www.vpro.nl/programma/ram/afleveringen/14595478/items/14595726/

Jimmie Durham, ‘We have made progress’, mixed media, 1991

MODERNE KUNST VAN INDIAANS NOORD AMERIKA (English version here)
(verschenen in ‘Decorum’ (thema-nummer ‘Wereldkunst’), Tijdschrift voor kunst en cultuur, jaargang XV, nummer 1+2, maart 1997)

‘Ik wist toen nog niet aan hoeveel een einde was gekomen. Als ik nu terugkijk vanaf deze hoge heuvel van mijn ouderdom, kan ik de neergemaaide vrouwen en kinderen, die daar opeengehoopt verspreid langs het bochtige ravijn lagen, nog even duidelijk zien als toen ik hen zag met de ogen die nog jong waren. En ik kan zien dat er nog meer stierf daar, in de met bloed doordrenkte moddersneeuw en begraven werd in de sneeuwstorm. De droom van een volk stierf daar. Het was een prachtige droom. De band van de Natie is uiteen gevallen. Er is geen middelpunt meer en de gewijde boom is dood‘[i]

Black Elk

‘Terwijl de hele wereld zich in een identiteitscrisis bevindt, weet de Nieuwe Indiaan nog altijd wie hij is’[ii]

Fritz Scholder

Beide citaten, het eerste van de Lakota Black Elk over het bloedbad van Wounded Knee uit 1890 en het tweede van kunstenaar Fritz Scholder (Luseno) uit begin jaren zeventig, laten zien dat de Noord-Amerikaanse Indianen in deze eeuw een opmerkelijke ontwikkeling hebben doorgemaakt. Nadat alle verschillende indiaanse volkeren en stammen waren onderworpen en weggestopt in reservaten, dacht men dat Amerika’s oorspronkelijke bewoners spoedig zouden verdwijnen. Bijna een eeuw later blijkt dat de Indianen ondanks de grote sociale en economische problemen, een duidelijke identiteit hebben gevonden in een totaal veranderde wereld.
Ook op artistiek gebied manifesteren de Indianen zich op diverse wijze. Zo valt er in de reservaten die relatief geïsoleerd zijn van de rest van de Amerikaanse maatschappij, een grote opleving waar te nemen van de traditionele kunsten. Dit geldt vooral voor de volkeren in het zuid-westen van de Verenigde Staten (Navaho, Pueblo, Hopi) en voor de volkeren van de Canadese westkust (Haida, Tlingit, Kwakiutl). Elders in Noord Amerika is er eveneens een opleving van diverse tribale tradities.
Deze kunstuitingen beperken zich overigens niet tot nostalgie. Veel van deze kunstenaars experimenteren met nieuwe materialen en vormen om de traditionele beeldtaal een eigentijds gezicht te geven. De bekendste kunstenaars die op deze wijze te werk gaan zijn zijn de ‘zandschilder’ Joe Ben jr. (Navaho) en de beeldhouwer en edelsmid Bill Reid (Haida).

345773885_6_b1zN[1]

Joe Ben Jr., The Four Arrow-people, zand en pigment op een aarden vloer (http://www.tribalexpressions.com/painting/ben.htm)

In dit verband zullen de meer recent opgekomen kunstuitingen centraal staan. Naast kunstenaars van Indiaanse afkomst die vanuit de traditionele kunst werken, is er een vanaf de jaren vijftig een nieuw verschijnsel opgekomen, het zogenaamde ‘pan-indianisme’, een stroming die nau w verbonden is met de toenemende politieke en emancipatoire strijd van de oorspronkelijke bewoners van Amerika. Dit nieuwe activisme vond vooral zijn oorsprong bij Indianen die buiten de reservaten leven en een veelal universitaire opleiding hadden genoten.
Hoewel de eerste en lange tijd de enige indiaan met een universitaire opleiding, de beroemde commissaris voor Indiaanse aangelegenheden Donehogawa of Ely Parker, in de negentiende eeuw leefde, vormen de indianen nog steeds een onderklasse in de Amerikaanse samenleving. Vanaf de jaren vijftig zijn er echter steeds meer indianen die een academische opleiding hebben gevolgd.
Het zijn vooral representanten van deze groep die zich gaan herbezinnen op de eigen identiteit. Ook werden er verschillende politieke organisaties opgericht, zoals ‘The National Congress of American Indians’ en militante bewegingen als de ‘American Indian Movement’ (AIM) en ‘Red Power’. Ook worden er politieke acties georganiseerd die soms de wereldpers haalden, zoals de bezettingen van Alcatraz (1969) en Wounded Knee (1973, zie deze reportage van Roelof Kiers voor de VPRO). In beide gevallen ging het om stamoverschrijdende acties, georganiseerd door AIM.
Deze activiteiten zijn wellicht niet los te zien van de algemene protsestbeweging van de jaren zestig. De opkomst van de belangenorganisaties van de oorspronkelijke Amerikanen vond op hetzelfde moment plaats als die van de Civil Rights Movement en de Vietnam demonstraties. Toch neemt de belangrijkste Indiaanse auteur uit die tijd, Vine Deloria jr. (Lakota), in de jaren zeventig voorzitter van het ‘National Congress of American Indians’ en auteur van onder andere We talk, you listen, God is red en Custer died for your sins , juist afstand van de belangenorganisaties van bijvoorbeeld de zwarte Amerikanen. Hoewel hij duidelijk zijn sympathie uitspreekt voor de Civil Rights Movement, stelt hij in Custer died for your sins (de titel verwijst naar de Amerikaanse generaal Custer die in 1876 met het zevende cavalerie regiment van het Amerikaanse leger werd afgeslacht door de Lakota, de Westelijke Sioux, onder leiding van Sitting Bull bij de Little Bighorn) dat de Indianen andere doelen nastreven dan bijvoorbeeld de zwarte Amerikanen. De Indianen zijn er volgens hem niet op uit om te integreren in de Amerikaanse maatschappij, omdat de westerse cultuur hen onvrijwillig is opgelegd. In zijn manifest eist Vine Deloria jr. zoveel mogelijk autonomie voor de Indiaanse bevolking op, inzake zelfbestuur, landbezit en vooral het behoud van het eigen culturele erfgoed. Wat dat betreft hekelt hij vooral de romantische houding van bepaalde westerlingen naar de ‘nobele wilde’. Van een modieuze belangstelling voor Indiaanse mystiek vanuit de westerse wereld moet hij weinig hebben; naar zijn mening gaat het ronduit om ideeëndiefstal, vanuit een hypocriete houding nadat er eerst massaal genocide op de Indianen is gepleegd. [iii] Deze ideeën sluiten ook aan bij die van Pam Colorado (Oneida en hoogleraar aan de Universiteit van Toronto): ‘In the end non Indians will have complete power to define what is and what is not Indian, even for Indians… When this happens, the last vestiges of Indian Society and Indian rights will disappear. Non Indians wil then ‘own’ our heritage and ideas as thouroughtly as they now claim to own our land and resources’[iv]

345773727_6_uZUo[1]

Bill Reid (Haida), The Raven and the First Men, ceder hout, 1980 (Vancouver, British Columbia’s Museum of Anthropology)

De protestkunst van de New indians

Het was tegen de achtergrond van het hernieuwde Indiaanse activisme dat het ‘Pan-Indianisme’ opkwam, als artistieke beweging. Het gaat hier niet om kunst die zich baseert op een bepaalde culturele of tribale traditie. De eerste Pan-Indiaanse kunstenaars of New Indians zoals zij zichzelf noemen, maakten vooral protestkunst, geïnspireerd door de Pop Art. Vaak gewapend met een dosis cynische humor stelden zij een aantal sociale misstanden aan de kaak.
De bekendste vertegenwoordiger van deze richting is de eerder aangehaalde Fritz Scholder. Scholder was van 1964 tot 1969 docent aan het Indian Art Institute in Santa Fe (Arizona), een kunstacademie waar gedoceerd wordt in zowel traditionele Indiaanse kunst als westerse kunst. In zijn Pop Art-achtige werken legt Scholder op een cynische manier misstanden bloot en stelt hij tegelijkertijd westerse stereotype denkbeelden aan de kaak.

345774715_5_WrSB[1]

Fritz Scholder, Super Indian 2# (with Ice-cone), acryl op doek, 1971

Een typerend werk is Super Indian #2 (with Ice-cone). In dit werk laat Scholder een ‘prototype prairie Indiaan’ zien met een ijslollie. Dit humoristische en paradoxale werk is op twee manieren te interpreteren: of het gaat hier om de traditionele Indiaan die een onderdeel is geworden van de consumptiemaatschappij en daarmee verworden is tot een soort merk, of het gaat hier om de zelfbewuste indiaan, die met behoud van tradities zich weet te handhaven in de huidige samenleving. Met dit soort werken wil Scholder de ‘Amerikaanse geschiedenis herschrijven’.[v]

T.C. Cannon, Andrew Myrick, olieverf op doek, 1974

Een ander zeer treffend voorbeeld van de geëngageerde kunst van de New Indians is een werk van Tommy Cannon (Caddo/Kiowa), getiteld Andrew Myrrick. Dit werk verwijst naar een beruchte anekdote ten tijde van de oorlog van de Oostelijke Dakota of Santee Sioux in Minesota uit 1862. De Santees waren, als de meest oostelijke groep van het Dakota/Sioux volk, itt tot de westelijke tak waar de grote en meer dan twintig jaar durende strijd nog moest beginnen, al geruime tijd ingelijfd in Amerikaanse reservaten en waren afhankelijk van voedselleveranties van de Amerikaanse regering. Doordat de distributie in handen was van corrupte kooplieden kregen de Santees bijna niets. Dat was de reden voor stamhoofd Little Crow om te gaan klagen. Als reactie hierop antwoordde een van de kooplieden, Andrew Myrick: ‘Wat mij betreft, laat ze gras eten als ze honger hebben, of hun uitwerpselen’. Deze uitspraak vormde de directe aanleiding voor de grote opstand in Minesota. Myrick was een van de eersten die omkwam. Toen de Santees hem gedood hadden stopten zij zijn mond vol gras en bespotten hem met de woorden ‘Myrick eet nu zelf gras’.[vi]Ook het werk van Wayne Eagleboy (Onondaga), We- the people is een duidelijk voorbeeld van de stijl van de New Indians. De titel verwijst naar de tekst van de Amerikaanse grondwet. Wij zien hier de Amerikaanse vlag, maar in plaats van de stars zien we een prikkeldraadversperring met daarachter de gezichten van Amerika’s oorspronkelijke bewoners. Een duidelijke metafoor voor het buitenstaander zijn in eigen land, een gegeven dat vaker een rol speelt in de hedendaagse kunst van de oorspronkelijke Amerikanen.

Wayne Eagleboy, We-the people, acryl en prikkeldraad op bizonhuid, 1971

Ballingen in eigen land

Naast de New Indians zijn er andere kunstenaars opgekomen die refelcteren op hun Indiaanse afkomst. In dit verband moet de schrijver N. Scott Momoday (Kiowa) genoemd worden. Deze schrijver en hoogleraar Engelse literatuur aan de Stanford University (Californië) is een van de meest invloedrijke theoretici op het gebied van de moderne Indiaanse cultuur in de Verenigde Staten. Hoewel hij zelf geen nazaat is van een van de verschillende volkeren van de Pueblo Indianen (de Kiowa waren prairie nomaden, al zijn zij wel taalkundig verwant aan bijv. de Tewa, die wel in Pueblo’s leefden), heeft hij een deel van zijn leven gewoond in Jemez Pueblo, een oude heilige plaats die een belangrijke rol speelt in zijn werk. Dit uit zich sterk in zijn romans, als House made of Dawn, waarmee hij in 1969 de Pulitzer Prize won. De centrale thematiek van zijn werk is ‘ballingschap in eigen land’. Hij stelt dat de Indianen ondanks de Amerikaanse overheersing, nog altijd een spirituele verbinding hebben met het land van hun voorouders. Beperkt in hun vrijheid, door politieke, bureaucratische en economische factoren, wordt het de indianen moeilijk gemaakt om in vrijheid hun relatie met een bepaalde plaats voort te zetten.[vii]
Volgens Vine Deloria jr. is dit de centrale problematiek van de ‘Vierde Wereldvolkeren’, een begrip dat hij als volgt definieert: ‘The Fourth World are all aboriginal and native peoples whose lands fall within national boundaries and techno-bureaucratic administrations of countries of the First, Second or Third Worlds. As such, they are peoples without countries of their own, people who are usually in the minority, and without the power to direct the course of their collective lives’.[viii]
Verschillende hedendaagse kunstenaars van Indiaanse afkomst houden zich bezig met deze problematiek. Veelal zijn deze kunstenaars in reservaten geboren, maar hebben in de stedelijke gebieden hun opleiding gevolgd. De hier te bespreken kunstenaars zijn weer teruggekeerd om vanuit hun nieuwe perspectief hun wortels te onderzoeken. De relatie tussen volk, geschiedenis en land is voor hen een belangrijk thema. De kunstenaar George Longfish (Seneca/Tuscarora) introduceerde voor deze thematiek de term ‘landbase’. Longfish: ‘…the interwoven aspects of place, history, culture, physiology, a people and their sense of themselves and their spirituallity and how the characteristics of the place are all part of the fabric. When rituals are integrated into the setting through the use of materials and specific places and when religion includes the earth upon one walks-that is landbase’.[ix]
Zo ziet Longfish bijvoorbeeld de Navaho zandschilderkunst als een duidelijk voorbeeld van landbase omdat ‘zand als artistiek medium een microkosmos is van de omringende woestijn’[x], een vorm waarin kunst, religie en plaats een geheel zijn geworden.

1000113330_5_k9fW_1[1]

George Longfish, You can’t rollerskate in a Buffalo-herd, even if you have all the Medicine, acryl op doek, 1979 (Lippard, p.110)

In zijn werk You can’tskate in a Buffalo Herd, even if you have all the Medicine is het ‘landbase’ element zeer duidelijk aanwezig. In dit abstracte werk vallen de centrale cirkel en de weergave van de vier windstreken op. Ook zijn er pictografische tekens te zien, verwijzend naar berglanschappen en voetsporen. De cirkelvorm en de tekens doen sterk denken aan het type schild dat vroeger wer gebruikt door de nomadische stammen van de Great Plains. De weergave van de vier windstreken is zeer kenmerkend voor de zandschilderkunst van de Navaho’s , zoals die wordt toegepast door Joe Ben jr., een traditioneel werkende Navaho kunstenaar, die in 1989 exposeerde op de beroemd geworden tentoonstelling van Jean Hubert Martin Magiciens de la Terre, in het Centre Pompidou te Parijs.[xi]
You can’t rollerskate… zou je een typisch pan-Indiaans werk kunnen noemen, omdat er elementen zijn opgenomen uit twee totaal verschillende Indiaanse culturen (die van de Great Plains nomaden en die van de Navaho’s uit de canyongebieden van Arizona). Deze hebben overigens weer weinig te maken met Longfish eigen afkomst; de Seneca en de Tuscarora waren weer sedentaire landbouwvolkeren van de Amerikaanse oostkust.. Longfish gebruikt hier het cirkelmotief, omdat hij ‘geïnteresseerd was in de cirkelfilosofie van de oorspronkelijke Amerikanen’. De titel werd gekozen om wat ‘lichtvoetigheid te brengen in een serieus schilderij’. [xii]
In het verband met deze cirkelfilosofie is het misschien verhelderend om de woorden van de Lakota dichter/mysticus Black Elk aan te halen, begin van de twintigste eeuw. Black Elk: ‘In alles wat de Indiaan doet vindt U de cirkelvorm terug, want de Kracht van de Wereld werkt altijd in cirkels en alles tracht rond te zijn…De bloeiende boom was het levende middelpunt van de kring en de cirkel van de vier windstreken deed hem gedijen…De hemel is rond en ik heb gehoord dat ook de aarde rond is als een bal en de sterren eveneens. De wind draait rond als hij op zijn allersterkst is. Vogels bouwen ronde nesten omdat hun geloof gelijk is aan het onze. De zon komt op en gaat onder in een boog. De maan doet hetzelfde en beide zijn rond’.[xiii] Een aardig detail is overigens dat het nu ook duidelijk wordt waarom indianen uit sommige gebieden (dit geldt vooral voor de nomadische prairievolkeren en niet voor de sedentaire landbouwers) er een probleem mee hadden om, net als de blanke kolonisators, in vierkanten en rechthoekige huizen te gaan wonen. Hier zijn vele voorbeelden van bekend.

Jaune Quick To See Smith, Osage Orange, olieverf op doek, 1985 (Lippard, p. 20). See also this dissertation Beyond Sweetgrass; the life and work of Jaune Quick-To-See Smith, by Joni L. Murphy, University of Kansas, 2008.

Een kunstenares die zich bezig houdt met een zelfde soort thematiek is Jaune Quick to See Smith (Salish). In haar abstracte werk is zij zowel beïnvloedt door de Indiaanse pictografische schilderstijl als door de ‘klassieke moderne meesters’ als Klee, Gris, Picasso en Miró. Quick to See Smith’s kleurgebruik is geïnspireerd op de woestijn van New Mexico, waar zij nu woont. Dit is niet het gebied waar haar voorouders vandaan kwamen (het oorspronkelijke leefgebied van de Salish lag in de noordwestelijke staten Idaho en de State of Washington), maar zij ziet zichzelf eveneens als een pan-Indiaanse kunstenares. Regelmatig neemt zij dan ook deel aan de zogenaamde powwows, een twintigste eeuws intertribaal ritueel, waarin allerlei elementen van verschillende stammen en culturen uit heel Noord Amerika op een eclectische manier zijn samengevoegd. Dit laat overigens zien hoe betrekkelijk recent veel rituelen van de huidige Native Americans zijn. ‘Invented identity’ zou Edward Said het noemen, of een ‘invented tradition’, naar de notie van de Britse historici Eric Hobsbawm en Terence Ranger.
Quick to See Smith noemt haar min of meer abstracte werk ‘narratieve landschappen’, waarin het verhaal alleen zichtbaar is voor ‘degene die in staat is het leven in het kale, lege landschap zelf waar te nemen’. Qick to See Smith: ‘When we talk, we talk in the past, pesent and future. When I paint I do the same. When you grow up in this environment, life is not romantic…Thus language and living are not embellished but simple and direct. I feel that in my paintings as well…I paint in a stream of conciousness so that pictographs on the rocks behind me muddle together with shapes of rocks I find in the yard, but all made over into my own expression. It’s not copying what’s there, it’s writing about it.’[xiv]
Het hier getoonde werk Osage Orange is een duidelijk voorbeeld van zo’n ‘narratief landschap’. Tussen de abstracte lijnen en kleurvlakken zijn allerlei pictografische tekens zichtbaar, verwijzend naar herkenbare figuren, zoals mensen, paarden, slangen, een eland, hemellichamen en een kano. Het geheel is een combinatie van natuurkrachten en de historische gebeurtenissen, die in de landbase filosofie altijd hun stempel drukken op het totaal. De titel verwijst naar een bepaalde kleine boomsoort waarvan het hout vroeger werd gebruikt om bogen te maken. Toen de eerste kolonisten kwamen werden de Osage Oranges gebruikt om als paaltjes voor prikkeldraadversperringen. ‘Dus dit kleine bosje vervulde twee verschillende functies in twee verschillende culturen’, aldus Quick to See Smith. [xv] Dus ook dit ogenschijnlijke a-politieke werk is niet los te zien van de politieke situatie waarin Amerika’s oorspronkelijke bewoners zich nu bevinden.

Jimmie Durham

‘Don’t worry-I’m a good Indian. I’m from the West, love nature, and have a special, intimate connection with the environment. I can speak with my animal cousins, and believe it or not I’m appropriately spiritual (even smoke the pipe). I hope I am authentic enough to have been worth of your time, and yet educated enough that you feel your conversation has been intelligent. I ‘ve been careful not to reveal to much; understanding is a consumers product in your society; you can buy some for the price of a magazine… I feel fairly sure that I could address the entire world if only I had a place to stand. You (White Americans) made everything your turf. In every field, on every issue, the ground has already been covered’.[xvi]

Met deze enigszins cynische woorden begint Jimmie Durham zijn essay ‘The Ground has already been covered’, in Artforum, zomer 1988. Het stuk beschrijft verder de totale bezetting van het oorspronkelijke Indiaanse land door de blanke dominante cultuur, zowel materieel als geestelijk. Het land is doortrokken met afgebakende grenzen en aan alles is de bezetting te merken, zelfs wat betreft de ideeën en in de taal. Hierbij sluit Durham zich aan bij de notie van ballinschap in eigen land van Scott Momoday en Deloria jr. De toon is echter tamelijk sarcastisch en doorspekt met zwarte humor, een belangrijk strijdmiddel van deze kunstenaar.
Jimmie Durham (Arkansaw 1940) is een Cherokee, een volk dat in 1934 is verdreven uit het oorspronkelijke leefgebied (ong. in het huidige Georgia) en langs het beruchte ‘Spoor der Tranen’ is gedeporteerd naar het ‘Indian Territory’, het huidige Oklahoma, meer dan duizend kilometer naar het westen. De Cherokee zijn, in de woorden van Durham ‘een volk van verliezers’, een gegeven dat een belangrijke rol speelt in het werk van deze kunstenaar.[xvii]
Jimmie Durham begon zijn carrière als politiek activist in AIM, totdat deze beweging begin jaren tachtig werd opgeheven. Vanaf dat moment heeft hij zich uitsluitend beziggehouden met kunst, waarin overigens altijd sprake is van engagement. Durham: ‘It would be impossible, and I think immoral, to attempt to discuss American Indian art sensibly without making polical realities central’. [xviii]
Na een tijd in New York te hebben gewoond (‘de enige plaats in de Verenigde Staten die voor een indiaan enigszins leefbaar is’), verhuisde Durham in 1989 naar Mexico, omdat in de VS het thuisland van de Cherokee ligt begraven waar het ons niet is toegestaan om te verblijven’. Na zijn Mexicaanse periode heeft Durham het Amerikaanse continent verlaten en woonde hij achtereenvolgens in Japan, België en Ierland.[xix]

345773273_6_5oBy[1]

Jimmie Durham, Selfportrait, mixed media, 1986

Belangrijke thema’s in Durhams werk zijn identiteit en afkomst, taal, de ‘subjectieve en ideologisch beladen geschiedenis’ (vergelijk met Fritz Scholder), het stereotiepe beeld dat niet-Indianen van Indianen hebben en het postmoderne idee dat bijna alles al gezegd en geschreven is (zie ‘The Ground has already been covered’). Vooral wat betreft het laatste schuwt hij pittige uitspraken niet. Zo ziet hij het enorme oeuvre van Picasso als een ‘vorm van millieuvervuiling’. De enorme overdaad aan beelden komt de uit te dragen ideeën niet ten goede, vindt Durham. [xx]
In zijn kunst wil hij de toeschouwer confronteren met zijn eigen vooringenomenheden en vooroordelen door hem als het ware een spiegel voor te houden. Niet voor niets betrekt hij in ‘The Ground has already been covered’ alle vooroordelen, stereotiepen en romantische falsificaties die niet-Indianen veelal over Indianen hebben op zichzelf. Op deze wijze confronteert Durham de lezer op ironische wijze met allerlei dubbelzinnigheden om bepaalde vastgeroeste ideeën bloot te leggen en ze te ontzenuwen. Veel hoop op verbetering heeft Durham niet. In een gesprek met de Cubaanse kunstenaar Ricardo Brey, aan de vooravond van de Documenta IX te Kassel, noemt hij zichzelf een ‘anti-optimist’. Hij legt uit dat dit niet hetzelfde is als een pessimist; het verschil hiertussen is een nuance die hij alleen uit de taal van de Cherokee kent. Het komt er op neer dat de uitdrukking ‘waarschijnlijk niet’ een ‘misschien wel’ impliceert; de hoop van een ‘volk van verliezers’. Durham noemt dit zijn levensfilosofie: ‘Ons leven is op een absurde manier niet te tolereren. Alles is zo onnozel, zo absurd, dat je erom moet grinniken. Ik ben gen doemdenker, maar ik neig ertoe te zeggen probably not‘.[xxi]
Durhams werk bestaat uit installaties, ready-mades en tekst, waarin hij zoveel mogelijk dubbelzinnigheden en paradoxen laat zien. Het gebruik ban ready-mades ziet hij als een van de meest ‘Indiaanse elementen’ in zijn werk. Al vanaf de eerste confrontatie met de Europeanen wisten de Indianen de door ruilhandel verkregen goederen een ‘Duchamps-achtige’ metamorfose te laten ondergaan. Kookpotten, kralen en dekens werden zo getransformeerd dat ze direct te identificeren waren als ‘Indiaanse objecten’. Museum Boymans van Beunigen heeft hier met de tentoonstelling ‘One man’s trash is another man’s treasure’ in de winter van 1996 aandacht aan besteed.

345776752_5_MpJv[1]

Jimmie Durham, Karankawa, mixed media, 1983 (Lippard, p. 217)

Het hier getoonde werk Karankawa uit 1983, is een goed voorbeeld van Durham’s ready-made objecten. De in dit object verwerkte schedel is afkomstig van een Karankawa, een uitgestorven indianenvolk, die Durham op het strand van Texas heeft gevonden. Door de schedel op een sokkel te zetten krijgt deze gestorven indiaan zijn waardigheid weer terug. Opvallend zijn de door Durham toegevoegde ogen, een naar buiten gericht (door een schelp) en de ander naar binnen (door een lege kaarsenhouder).
Eeen ander werk waar het naar buiten en naar binnen gekeerde oog terugkeert is Selfportrait uit 1986. Het is een van zijn meest macabere objecten. Wij zien hier het sjabloon van een menselijk lichaam, bezaaid met littekens en wonden en volgeschreven met teksten, met daarboven een masker. Durham wekt met dit verwarring zaaiende werk de schijn op dat hij zich introduceert bij de toeschouwer. Onder de teksten bevinden zich ook enkele fragmenten van zijn essay The ground has already been covered, maar zijn vermengd met andere tekstflarden. Ironie en zelfspot ontbreken hier niet.
In het najaar van 1995 exposeerde Durham voor het eerst in Nederland met zijn installatie The Center of the World, in de Vleeshal in Middelburg. Durham bracht in de grote ruimte minimale veranderingen aan. Als eerste viel een netwerk van staalkabels langs de muren op, waaraan kleine voorwerpen waren geregen zoals, botten, walnoten en ijzerafval. In de hoek stond een kruk met daarop een telefoon. De telefoon kwam weer terug in een video, vertoond op een kleine monitor in een andere hoek. Hier werd een videoperformance getoond, waar te zien was hoe Durham midden in een weiland een telefoon probeerde te installeren. Terwijl hij hiermee bezig was, klonk er een aanhoudend gerinkel. Op een gegeven moment wordt er van buiten het beeld met een steen de hoorn van de haak gegooid. Het geluid van het gerinkel bleef.
Ergens op de muur was een klein briefje geplakt met de volgende boodschap: ‘Please understand that, in spite of all appearances I am not your ennemy. It is my duty to find the truth and I will. I hope it will cause as little trouble as possible’.[xxii]
Bij deze installatie schreef Durham een klein tekstenboekje met gedichten, korte verhalen, losse beweringen en anekdotes. De teksten zijn geschreven in het Cherokee[xxiii], Engels, Japans en Frans; de talen die gesproken worden op de diverse plaatsen waar de kunstenaar heeft gewoond. De teksten werken eerder verwarrend dan verhelderend; zo staat er bijvoorbeeld: ‘Grandmother Spider said: “When I die bury me with my face to the East”. The Spring after, tobacco grew where her vagina was. That is the reason we smoke tobacco’. Dit lijkt me weer een voorbeeld hoe Durham de toeschouwer pest (en dan vooral de toeschouwer die op zoek is naar exotische en diepe mystieke waarheden van een pure en wijze indiaan) door hem op te zadelen met semi-diepzinnige wijsheden, zoals hij dat ook deed in zijn essay The ground has already been covered.
In het voorwoord van het tekstenboekje ligt Durham een tipje van de sluier op. Het belangrijkste thema van deze bevreemdende installatie zijn wellicht associatieve en onlogische ‘verbindingen’. Durham: ‘Als je een lijn volgt lijkt het logisch, als je een tweede volgt klopt het nog steeds, maar bij een derde begrijp je het niet meer’.
De tekstenbundel eindigt met het gedicht ‘The Center of the world’. Hier haalt Durham het woord invisibilité uit elkaar, zodat er weer nieuwe ‘verbindingen’ ontstaan, zoals visite en visibilité. Tot slot suggereert hij dat zijn thema voor een plaats als Middelburg niet willekeurig gekozen is, waar de telescoop is uitgevonden (door Zacharias Jansen en Johannes Lipperhey, in 1608), een instrument dat weer ‘nieuwe verbindingen’ tot stand heeft gebracht.
De toeschouwer is in deze installatie het ‘Centrum van de Wereld’. Om hem heen bevinden zich logische en niet-logische ‘verbindingen’ het is aan hem of hij gebruik maakt van deze lijntjes om tot interactie te komen. Durham maakt het hem niet gemakkelijk en geeft regelmatig het signaal ‘verkeerd verbonden’ af. Mijns inziens representeert de rinkelende telefoon op de monitor Durhams vergeefse pogingen om contact te leggen, zoals hij dat ook probeert in The Ground has already been covered in ‘Artforum’ (‘I could address the entire world if only I had a place to stand’). Hoewel alle mogelijkheden openliggen past dit weer duidelijk in Durhams levensfilosofie ‘probably not’.

Jimmie Durham, The Center of the World, at ‘De Vleeshal’ (detail)

Jimmie Durham, The Center of the World, at ‘De Vleeshal’ (detail)

Slot

Het eerste dat opvalt na het bespreken van deze kunstenaars is de enorme diversiteit. Nu is dit feit op zich niet zo opzienbarend omdat van oudsher Indiaans Amerika een grote lappendeken was van totaal verschillende volkeren, talen en culturen. Wel is het opvallend, nadat men in eerste instantie verwachtte dat de gedecimeerde Indiaanse bevolking aan het begin van de twintigste eeuw spoedig zou verdwijnen, er sinds de jaren zestig een grote opleving is waar te nemen van allerlei politieke en culturele manifestaties, zonder noodzakelijkerwijs gebonden te zijn aan een een specifieke tribale of culturele traditie. In die zin kent het ook een sterk ‘neo’element.
Rest ons nog te kijken of de categoriën, die Susan Vogel ter indeling van de hedendaagse Afrikaanse kunst heeft ontwikkeld, ook toepasbaar zijn voor de hedendaagse kunst van Indiaans Amerika. Op het eerste gezicht misschien enigszins. In de traditionele reservaten is er soms sprake van Traditional Art en New Functional Art. Verder zijn er natuurlijk legio voorbeelden van Extinct Art (bijv. toeristische totempalen in Vancouver, gefixeerde ‘zandschilderijen’ van de Navaho of kralensouverniers van de hedendaagse Lakota).
Toch schuilt er naar mijn mening een gevaar in het toepassen van deze categorieën voor Afrikaanse kunst toe te passen op die van de Native Americans. De situatie van Amerika’s oorspronkelijke bewoners is een totaal andere dan die van zwart Afrika. Afrika bestaat grotendeels uit oud-koloniale landen, die nu tot de derde wereld behoren. De Indianen van Noord Amerika behoren tot de zogenaamde ‘Vierde Wereld’, oorspronkelijke bewoners die nu worden gedomineerd door een geïmporteerde cultuur, in dit geval binnen de grenzen van een ‘Eerste Wereldland’. Dit gegeven is, zoals eerder aangetoond, veelal essentieel voor de thematiek van hun hedendaagse kunst. Hoewel de Vierde Wereld problematiek in sommige gebieden van zwart Afrika wel een rol zal spelen, zoals misschien in zuidelijk Afrika, waar een zeer kleine minderheid van Bosjesmannen wordt gedomineerd door Blanke Afrikaners, Aziaten, Bantoengs en Zulu’s, is in het algemeen de Afrikaanse problematiek een andere dan die van de Noord Amerikaanse Indianen.
Hoe dan ook, de geschiedenis en de huidige positie van de Indianen in Canada en de Verenigde Staten (een minderheid en vaak een balling in eigen land) is een wezenlijk aspect om tot een juist begrip en interpretatie te komen van de hedendaagse Indiaanse kunst en cultuur.

Floris Schreve

English version: ‘Living in exile in your own land; Contemporary Native American Artists’ click  here 

Click here for a larger version

Jimmie Durham, Dead Deer, 1986. At the moment this work is exhibited in Het Stedelijk Museum Bureau in Amsterdam. Exhibition ‘In Between Things’, from 12 June – 8 August 2010, Stedelijk Museum Bureau, Rozenstraat 59, Amsterdam (see http://www.smba.nl/en/exhibitions/)

——————————————————————————–
[i]Dee Brown, Begraaf mijn hart bij de bocht van de rivier, New York, 1970, p. 381.]

[ii]Axel Schultze, Indianische malerei des Nord Amerikas 1830-1970, Stuttgart, 1973, p. 75.]

[iii]Lucy Lippard, Mixed Blessings; New art in multicultural America, New York, 1990, p. 117.]

[iv] Lippard (op. cit.) p. 117

[v] Schultze (op. Cit.), zie noot 2.

[vi] Brown (op .cit.) p. 44, 48

[vii] Zie over deze geschiedenis (zoals die van de beruchte Indian Removal Act uit 1830) de informatieve website http://www.loc.gov/rr/program/bib/ourdocs/Indian.html[

viii] Lippard, op cit., p. 109

[ix] ibidem

[x] Lippard (op. Cit.), p. 109

[xi] Catalogus Magiciens de la Terre, Musee Nationale dÁrt Moderne Centre Pompidou, Parijs, 1989, p. 92-93

[xii] Lippard (op. Cit., zie noot 10)

[xiii] Ton Lemaire, Wij zijn een deel van de Aarde, Utrecht, 1988, p. 22

[xiv] Lippard (op. Cit.) p. 119.

[xv] Lippard, (op .cit.) zie noot 14

[xvi] Jimmie Durham, The ground has already been covered, in ‘Artforum’, summer 1988, New York, p. 101.

[xvii] Domenic van den Boogaard, Let Geerling, ‘Outsiderart betekent uitsluiting; een gesprek tussen Ricardo Brey en Jimmie Durham, ‘Metropolis M’, nr. 4, Utrecht 1992, p. 24.

[xviii] Lippard (op cit.) p. 204

[xix] Hans Hartog Jager, Durham verstrikt bezoekers in netwerk van draad en botten, NRC Handelsblad, 20-5-1995.

[xx] Metropolis M (op. Cit.), zie noot 17, p. 24.

[xxi] Ibidem, p. 25

[xxii] Jimmie Durham, The Center of the World, Middelburg, 1995.

[xxiii] Hoewel de Noord Amerikaanse Indianenculturen grotendeels schriftloos waren (op de Delaware uit het oosten van de VS na, die een alfabet ontwikkelden en een heilig boek , de Walam Olum kenden) ontwikkelden de Cherokee na de komst van de Europeanen een eigen alfabet. De bedenker was een zekere Sequoya (1760-1843, waar later een woudreuzensoort in de redwoods van Californië is genoemd, heeft overigens niets te maken met de persoon Sequoya) die zich had laten inspireren door de Europese nieuwkomers. Het alfabet van Sequoya wordt nog steeds door de Cherokee gebruikt (zie http://www.britannica.com/EBchecked/topic/535250/Sequoyah).

Het grote nagaans-lullo universum

 Nu meer dan tien jaar geleden schreef ik voor de Correl, het blad van de Leidse Studentenvereniging Minerva, het artikel ‘Het grote nagaanslullo-universum’. Ik had toen verschillende redenen om dit te schrijven. Hoewel ik aan mijn lidmaatschap van deze vereniging een deel van mijn allerbeste vrienden te danken heb (die dat ook nu nog zijn) en veel gezelligheid, leuke onzin, kansloos doorzakken en andere aangename ervaringen en herinneringen heb overgehouden, begon de cultuur, dat wil zeggen de leefregeltjes, de mentaliteit, de maniertjes, de alles overheersende groepsdwang, de intolerantie en de soms regelrechte excessen die ik in mijn omgeving waarnam, mij steeds meer tegen te staan.
Eigenlijk had ik al veel bedenkingen toen ik in 1992 lid werd van deze letterlijk roemruchte studentenvereniging, maar deze bedenkingen werden in de loop der tijd alleen maar sterker. Een paar concrete gebeurtenissen waar ik hier niet al te zeer op in wil gaan, deden mij in voorjaar 1997 besluiten om een beschouwing te schrijven voor het verenigingsblad Correl. Ik hield er aanvankelijk rekening mee dat mijn bijdrage geweigerd zou worden omdat ik een aantal zaken aan de orde wilde stellen die tot dan toe volstrekt onbespreekbaar waren. Maar ik wilde het hoe dan ook geprobeerd hebben. Ook vermoedde ik dat ik de wind wel eens een klein beetje mee zou hebben; door een voor mij gelukkige samenloop van omstandigheden zat er toen een collegium (verenigingsbestuur) dat zelf een aantal misstanden wilde aanpakken, zoals de vriendjespolitiek waar dit stuk overigens zijdelings over gaat (hoewel dit verhaal vaak is uitgelegd als een aanklacht tegen de vriendjespolitiek, beschouwde ik dit toen en nu nog steeds als een bijverschijnsel van iets anders, waar dit stuk wel over gaat). Dit laatste en toen zeker moedige en ongekend vernieuwende streven van dat toenmalige Collegium (zoiets was in die tijd bijna ondenkbaar) was overigens geen reden om juist toen dit stuk te schrijven, het kwam toevallig zo uit. Ik had er zelf schoon genoeg van en ik vond dat ik er een keer iets van moest zeggen, anders kon ik naar mezelf niet meer maken dat ik lid van deze vereniging was geweest.
Toen het stuk (eigenlijk meer een statement dan een artikel) eenmaal geplaatst was heb ik vanuit mijn directe vriendenkring eigenlijk alleen maar positieve reacties gekregen. Ik weet dat ik toen ook een paar mensen heel erg woedend heb gemaakt, maar deze hebben dit nooit direct aan mij gemeld. Die werden meestal aan vrienden en bekenden van mij medegedeeld, met het doel dat zij indirect mij bereikten (zo werkte dat toentertijd in die kringen). Naast in principe normale mensen kende Minerva ook veel kruiperige lakeien tot en met agressieve bullebakken, die overigens zelden een confrontatie aandurfden als het echt ergens over ging, dus ik had ook niets anders verwacht. Ook heeft er meegespeeld dat ik kort na het verschijnen (minder dan een maand) opeens de mogelijkheid kreeg om naar Amsterdam te verhuizen. Dit kwam totaal onverwacht maar ik heb die gelegenheid aangegrepen, dus ik heb een eventuele nasleep ervan niet eens direct mee kunnen maken. Ik was snel na het verschijnen (juni 1997) vertrokken, want diezelfde september zat ik al in Amsterdam.
Ik snakte dan ook naar iets meer ademruimte want de benepen groepscultuur in Leiden begon me steeds meer tegen te staan. Ik bedoel hiermee natuurlijk niet de universiteit en ook niet mijn huis, waar ik goede herinneringen aan heb (toen ik er kwam een Quintus/Minerva huis, later verbreed tot het hele scala van corps t/m Catena en van Blauwe Schuit t/m CM), maar de benepen cultuur en de ’sociale controle’ (een in mijn ogen per definitie onzinnig en zelfs fout begrip) van mijn studentenvereniging des te meer. Heb overigens ook nooit enig begrip gehad voor de roep om ‘meer sociale controle’ als er weer eens een gewelddadig exces tijdens de KMT of op een ander tijdsstip had plaatsgevonden, in regel angstig binnenskamers gehouden en gladgestreken, afhankelijk van de positie in de verenigingshiërarchie van de daders. Als iemand uit de lagere regionen zich te buiten ging werd er soms veel misbaar van gemaakt. Overigens werd dan vaak geroepen dat de dader ‘gefrustreerd’ was en zich alleen tijdens de KMT vertoonde (de zogenaamde ‘KMT leden’, die je de rest van het jaar nooit zag). Die mensen waren er zeker, ik heb daar ook altijd een hekel aan gehad, maar om dit verschijnsel als excuus te gebruiken om de aandacht van de eigen wandaden af te leiden was regelrecht grotesk en schaamteloos.
Minerva stikte van de ’sociale controle’ en kwam om in de ‘normen en waarden’, dichtgeplamuurd met allerlei semi-ethisch geneuzel. Dat was nu juist een deel van het probleem. Maar iets als meer individuele vrijheid of zelfs een humanistische basiswaarde als tolerantie of wellicht ‘leven en laten leven’, is nooit echt boven de horizon gekomen, al stemde de overgrote meerderheid wel op een liberale partij, vermoedelijk uit diep doorleefde liberale verlichtingsidealen.
Terugkijkend kan ik nu zeggen dat dit stuk bijna een soort afsluiting van een fase in mijn leven was. Hoewel ik mijn beste vrienden uit die periode nog geregeld zie en zelfs tot vrij korte tijd geleden met een aantal van hen in een huis woonde (mee verhuisd naar Amsterdam), ben ik sinds die tijd nog maar vijf keer op mijn oude vereniging terug geweest. Mijn verhuizing is een tamelijk radicale breuk geweest. Als ik nu op die periode terugkijk, denk ik dat mijn standpunt alleen maar meer uitgesproken is geworden. Ik vind dat ik mijn stuk toentertijd nog vriendelijk heb afgesloten, maar achteraf begrijp ik nauwelijks meer wat ik in die wereld te zoeken had, los van een aantal goede vriendschappen en een aantal andere bijzondere contacten en bekenden die ik daar heb opgedaan. Op Minerva lopen net zoveel goede en slechte mensen rond als daarbuiten, het ging mij dus om systeemkritiek, niet om personen. Mijn bezwaren gingen en gaan zelden om individuele mensen (echte vijanden die ik helaas ook heb gemaakt zijn op een hand te tellen) maar die wereld is, los van een aantal dierbare vriendschappen die ik daar heb opgedaan, nooit iets voor mij geweest en mijn leven van toen lijkt ook nauwelijks meer op mijn leven van nu.
Dit stuk is ook nooit bedoeld als een aanval op de ‘bovenlaag’ van het hier bekritiseerde systeem. Waar je terecht komt is vaak iets willekeurigs en hangt er net vanaf in welke kring je verkeert, direct na de kennismakingstijd. Ik heb in de loop der tijd ook gemerkt dat er ook net zoveel goede als slechte mensen rondlopen in de bovenlaag als in de onderlaag. In de toplaag kunnen hele prettige mensen voorkomen en onderaan de meest verschrikkelijke kruipers. Omgekeerd geldt natuurlijk hetzelfde. Wel speelt de bereidheid tot het doen van concessies aan het hier omschreven systeem een rol of je wordt toegelaten tot de hogere regionen. In die zin is het wel een kritiek, zij het dat die bovenlaag alleen kan bestaan bij de acceptatie van de onderlaag, die dat in regel ook doet, zij het dat er voortdurend over geklaagd werd, maar nooit publiek. ‘Officieel’ bestond het probleem niet, maar iedereen wist dat dit de allesbepalende factor was. Maar toentertijd werd opportunisme bijna als een deugd gezien, want ‘zo werkt het nu eenmaal, ook in de maatschappij. Dit is een speeltuin waar je dat kan oefenen’ (veelgehoorde mantra).
Een van de meest krankzinnige aspecten van ‘het systeem’ (hieronder ‘het grote nagaanslullo-universum’) was dat het ook allesbepalend was voor wat je wel en niet mocht doen en met wie je wel en niet mocht omgaan. Voor dit aspect heb ik nooit enig begrip gehad en het verbaasde me iedere keer weer. Ik heb daar de vijf jaar dat ik er rondliep nooit aan kunnen wennen, al werd je daar in de een of andere vorm continue mee geconfronteerd. Een goed voorbeeld is mijn eigen subvereniging Sempre (koor en orkest), waarvan ik een jaar in het bestuur heb gezeten. Ik heb vaak meegemaakt dat er druk werd uitgeoefend op potentiele nieuwe leden die goed een instrument konden bespelen, om zich niet bij ons aan te sluiten omdat Sempre laag stond aangeschreven in de pikorde. Sempre was dan ook een ‘open subvereniging’ waar ook niet-Minervaleden zich bij konden aansluiten. En met ‘knorren’ diende je natuurlijk niet om te gaan, wilde je een beetje belangrijk worden gevonden. Veelal bezweken deze mensen voor de alom aanwezige druk van hun nieuwe circuitje. Het gevolg was dat er dan weer eens een goede violist of cellist spreekwoordelijk het Rapenburg werd ingezogen, om het instrument de voor een paar jaar niet meer aan te raken. Een ander voorbeeld was het veelgehoorde ‘advies’ om met oude schoolvrienden te breken, omdat vrienden van vroeger per definitie ‘knorrig’ waren. Ook is er wel eens druk uitgeoefend op nieuwe eerstejaarsbewoners van mijn huis om weg te gaan, omdat het niet goed voor je status zou zijn om in huis te wonen met leden van andere verenigingen. De bovenstaande voorbeelden waren geen incidenten maar gebeurden structureel, telkens weer opnieuw. Geen van die veelal eerstejaars rekende ik het toen aan dat zij niet bestand waren tegen die druk, de vereniging als geheel des te meer. Een groepscultuur als deze haalde niet vaak het beste in de mens naar boven, eerder het omgekeerde. Het verbijsterende was dat dit door bijna iedereen als volstrekt normaal werd ervaren en als je dat niet kon, dan werd er wel voor gezorgd dat je het normaal ging vinden. Het ter discussie stellen van deze krankzinnigheid was volledig taboe. Daarom vond ik het juist leuk om het wel te proberen.
Overigens moet ik wel de nuance aanbrengen dat het omgekeerde ook bestond. Sommige vrienden van mij uit andere circuits (studie, koffiemaatjes van de letterenfaculteit, mensen uit de muziekscene) waren in het begin soms erg afhoudend omdat ze mij aanzagen voor zo’n vreselijke reactionaire corpsbal. Ik heb vaak te horen gekregen als ik iemand gedurende een wat langere periode wat beter had leren kennen: ‘Jij bent echt heel anders dan de rest, helemaal niet zo’n corpsbal als ik gedacht had’. Waarop ik me dan weer genoodzaakt voelde om uit te leggen dat de meerderheid van die corpsballen ook uit normale mensen bestond. Overigens waren de ergste ‘corpshaters’ in hun stijl, maniertjes en meningen vaak net zo eendimensionaal als de meest dichtgetikte corpsbal, en in hun zelfgenoegzame alternatieve identiteit net zo uniform en eenkennig (lekker alternatief en tegendraads zijn door zoveel mogelijk op elkaar te lijken). In die zin waren de verhoudingen soms wel eens wat gepolariseerd, maar het is voor mij duidelijk gebleken dat de naar binnen gekeerde groepscultuur van Minerva hier een grote bijdrage aan leverde. Kuddegedrag bestaat overal en iedere tribale groepering heeft zijn eigen dingetje, maar ik heb het nergens zo dwingend ervaren als bij Minerva, waar tribalisme tot levenskunst werd verheven. Ik heb het dan niet over de verschillende colloquia goede manieren en stijl, waar werd uitgelegd hoeveel gaatjes je in je brogues mag hebben (die waren, als het goed gebeurde, erg geestig), maar wel over het platte conformisme.
Het eindeloos emmeren over niets was trouwens wel een van de leukere aspecten van het corps. De beste voorbeelden die ik ervan heb meegemaakt waren de eeuwig durende ALV’s van mijn subvereniging Sempre, maar zeker ook de streekgezelschappen, waar allerlei corpskakkers elkaar toeschreeuwden in het dialect van de provincie waarin zij zelf toevallig waren opgegroeid en zelf eigenlijk niet beheersten (in mijn geval Twents, en bij deze excuses aan iedere echte Twentenaar). Ook was de helft van de KMT, voor de buitenwereld vaak het grimmigste aspect van dit hele gebeuren, een groot toneelstuk, waarin de dingen vaak niet waren zoals ze leken te zijn. Maar toch, heel vaak viel het mij op dat er juist een te groot gebrek aan ironie en relativeringsvermogen was. In ‘Soldaat van Oranje’ (het boek dus, niet de film, overigens heel belangrijk want gansch het Leidsche corps zat en zit potentieel bij het verzet, tenminste als je de dwepers van nu zou moeten geloven) schreef Erik Hazelhoff Roelfzema ‘Wat het Corps van onuitstaanbaarheid redde was dat het zichzelf nooit helemaal au sérieux nam. Het trok een ernstig gezicht, maar kon ieder moment in lachen uitbarsten’. Misschien was dit lachende gezicht er vroeger meer, maar ik heb het te weinig gezien. Daarvoor namen teveel mensen het allemaal te serieus, de vele uitzonderingen daargelaten. En zonder de nodige ironie werden de zaken soms wat onnodig grimmig.
Dat ik kort na mijn vertrek uit Leiden uit de kast ben gekomen wat betreft mijn homoseksualiteit heeft zeker een rol gespeeld in mijn persoonlijke proces van vervreemding; op een redelijk aantal tolerante individuen na is Minerva geen prettige omgeving voor homoseksuelen, althans niet in mijn tijd (al gebeurde daar ook genoeg in het geheim en bestaat er zelfs een corporaal homodispuut, dat echter wel bij de gratie van enige discretie functioneert, overigens hulde daarvoor). Maar los van de meeste normaal denkende leden heb ik een paar dingen meegemaakt of gezien (mijzelf een enkele keer overkomen en verder anderen) die meer dan schandelijk waren. Dit aspect is overigens nooit het hoofdmotief voor het schrijven van dit stuk geweest; het ging mij om het gebrek aan tolerantie in het algemeen. Minerva is in regel intolerant naar alles wat van de voor haar gangbare norm afwijkt, tenminste in de tijd dat ik daar rondliep. Ik kon de dominante cultuur van mijn studentenvereniging niet meer rijmen met de ontwikkeling die ik zelf doormaakte. Dat is voor mij het belangrijkste geweest. Al een jaar voor mijn verhuizing zocht ik mijn vertier vaker in Amsterdam dan in Leiden. Ik vond dat ik in een soort spagaat leefde met aan de ene kant de wereld buiten het corps (Universiteit en ook veel vrienden die niet aan Minerva gelieerd waren) en anderzijds nog steeds die paar goede vrienden en veel grotere groep bekenden, die deel uitmaakten van die voor mij steeds vreemdere wereld. En dat proces voltrok zich bij mij steeds sneller. ‘Je gaat het pas zien als je het door hebt’ zei universeel denker, nationaal orakel en koning van de diepzinnige oneliners Johan Cruijff ooit en in dit geval had hij zeker gelijk. ’s Middags volgde ik op de universiteit college over Michel Foucault en zijn theorie over discipline en straf en zijn idee van de mechanismen van macht en ’s avonds kon ik op ‘de Tent’ deze zelfde principes (zij het op betrekkelijke schaal) met eigen ogen waarnemen. Klinkt misschien wat extreem maar tot op bepaalde hoogte ging dit zeker op. Vond ik overigens best interessant. Voor mij was het steeds meer Hans Christian Andersen. Er moest een keer geroepen worden dat de keizer naakt was. Zal ook niet ontkennen dat toen ik eenmaal zover was, ik met veel plezier aan het onderstaande stuk gewerkt heb. Altijd leuk om de spreekwoordelijke knuppel in het spreekwoordelijke hoenderhok te deponeren, zeker als dat kippenhok Minerva heet. En een kippenhok was het, zoniet een legbatterij of zelfs een kippenflat, met vele verdiepingen van trapsgewijs gestapelde en dichtgetimmerde leghokjes, compleet met oorverdovend gekakel, gevuld met gouden, zilveren, koperen, ceramische, platina en houten kippen en haantjes, allen druk bezig met het organiseren en reorganiseren van hun ondoorzichtige en mysterieuze pikorde. Je zou er bijna anders van naar die bakstenen doos aan de Breestraat gaan kijken.
Mijn artikel was ik sinds mijn verhuizing naar Amsterdam kwijtgeraakt. In 1998 is mij een keer gevraagd door de redactie van het nieuw te verschijnen lustrumboek voor 1999 of zij het mochten plaatsen. Tot mijn grote verrassing had de redactie mijn verhaal tot ‘best of Correl, seizoen 1996-1997′ verklaard. Ik heb daar toestemming voor gegeven, maar heb dat lustrumboek nooit in handen gehad. Tot heel recent. In een antiquariaat in Amsterdam vond ik een exemplaar met inderdaad mijn stuk erin. Hoewel het toentertijd voor insiders geschreven was (ik denk dat je ook lid moet zijn geweest om het helemaal te begrijpen, omdat je de hier beschreven verschijnselen simpelweg zelf ervaren moet hebben en bovendien was het ook bedoeld als interne kritiek, niet voor een publiek buiten de vereniging), denk ik dat het meer dan tien jaar later wel op mijn blog kan verschijnen. De mensen die daar toen rondliepen zijn inmiddels wel uitgevlogen, hopelijk is alles goed gegaan met de hervormingen en het lustrumboek lag gewoon in de reguliere handel, dus ik zal er weinigen mee voor het hoofd stoten. Bij deze:

HET NAGAANSLULLO-UNIVERSUM (verschenen in ‘Correl’, LSV Minerva, Leiden, juni, 1997)

Het is alweer anderhalf jaar geleden dat Jiskefets geniale lullocreatie het levenslicht zag. Samen met de rest van Nederland kon Minerva minnend Leiden zien hoe de corpsstudent op onnavolgbare wijze gepersifleerd werd. Het begrip lullo is hierna een geheel eigen leven gaan leiden. Bijna iedereen van ons is dit predicaat wel eens een keer naar het hoofd geslingerd, door zo’n wandelend trainingspak in de Haarlemmerstraat. Er klopt alleen iets niet. Dat trainingspak snapt er niets van. Wat ongelooflijk naïef! Gelukkig maar, lief trainingspak, dat je de waarheid niet kent. Je zou eens moeten weten hoe het echt zit. In Leiden bestaat de lullo namelijk niet, helaas wel de nagaanslullo.

De nagaanslullo is een soort lullo die niet noodzakelijkerwijs zitting heeft in een nagaanscommissie; hij is immers zelf zijn eigen nagaansinstituut. Dat wil zeggen dat hij, vanuit zijn inquisitiestoeltje, constant bezig is met het ‘nagaan’ van anderen, vooral wat betreft de vermeende fouten. De spelregels zijn simpel; jij weet zelf niet wat goed voor je is, alleen anderen weten dat. Dit heeft het enorme voordeel dat jij over iedereen mag meebeslissen. Hanteert iedereen zo’n beetje dezelfde criteria, dan streven we gezellig naar hetzelfde ideaalbeeld en gaan we hopelijk op elkaar lijken. Wat democratisch! Wat ongelooflijk egalitair en nivellerend. Het lijkt wel jaren zeventig socialisme, maar dan in een reactionaire variant. Dit zorgt ervoor dat het in Leiden zo knus kan zijn en dat je tenminste weet wat je aan de ander hebt, omdat je hem direct in een hokje kunt plaatsen.
De nagaanslullo verdedigt zijn spelletje met de vreemdste argumenten. Zo spreekt hij graag van sociale controle, terwijl zijn handelingen weliswaar alles met controle te maken hebben maar toch zeker niet sociaal kunnen worden genoemd.  De nagaanslullo noemt zijn gedrag een oefening voor het later functioneren in de maatschappij. Een zeer onaangenaam vooruitzicht. Wanneer dit ook maar iets met de maatschappelijke realiteit te maken zou hebben, zou de wereld er direct een ecologische ramp bij hebben, die van een alles doordringende spruitjeslucht. Dit terwijl het lidmaatschap van het corps pretendeert van alles te zijn, zolang het maar niet burgerlijk is. Wanneer je slachtoffer bent geworden van een nagaanslullo offensief word je verteld dat je er iets van leert. Wat je dan leert kan niemand je uitleggen, maar het lijkt me ver af staan van academische vorming, toch het primaire doel van ons vertoeven in studentenstad Leiden.
Wanneer wij de ideeënwereld van de nagaanslullo, het grote nagaanslullo-universum, eens nader onderzoeken, vallen er vreemde dingen op. De zaligmakende beoordelingscriteria, die  de nagaanslullo hanteert voor de zieleheil van zijn medemens, zijn op zijn zachtst gezegd nogal vaag. Er is sprake van een ideaalbeeld waar naar gestreefd dient te worden, maar wat dat precies is wordt niet geheel duidelijk. Meestal wordt het aangeduid met fallisch gefixeerde begrippen als ‘Mooie Lul’ of ‘Geile Pik’, of soortgelijke pornografisch getinte koosnaampjes. Het gaat hier om de Godsfiguur van het nagaanslullo-universum. Onder dit archetype, dat het beste als ‘Zijne Geiligheid’ kan worden omschreven, bevinden zich vele rangen en standen, die in principe vast liggen. Non-descripte kreten als ‘ik zie jou mooi bezig’ (multi-toepasbaar), of ‘hij heeft er niets van begrepen’ (zeer typische nagaanslullopraat en helemaal multi-toepasbaar) illustreren niet zozeer niet zozeer een stijging of een daling op de hiërarchische ladder maar dienen vooral als een bevestiging van de bestaande orde. Een nagaanslullo-veroordeling of predicaat dient dan ook zeker niet het doel het lot van de ander te verbeteren, maar is slechts bedoeld om de eigen positie te herbevestigen en te versterken.
Zelfbevestiging is het belangrijkste voedsel van voor het nagaanslullo-universum. Hoewel de belijders van deze religie veel blaten over ‘Leidse relativerende humor’ weten zij maar al te goed dat iedere vorm van zelfspot funest kan zijn voor hun grootse wereldbeeld. Relativeringsvermogen laat immers zien dat de fundamenten van hun dogmatische visie op drijfzand zijn gefundeerd en moet dus tot elke prijs worden voorkomen. Critici hebben het niet begrepen en worden dan ook bestraft met een verbanning naar de meest duistere uithoeken van dit universum om vervolgens als ‘knor’ door het leven te gaan. Op deze wijze ontstaat er een soort verbod om het hoofd boven het maaiveld uit te steken. Leg dat maar eens uit aan dat eerder genoemde trainingspak.
Het moge duidelijk zijn; het grote nagaanslullo-universum is een groot luchtkasteel. Het is niet eens een leuk luchtkasteel, zoals een briljante fantasie, een mooie droom of een onhaalbaar ideaal, waar je tegen beter weten in toch voor wilt vechten. Het is fantasieloos, humorloos en vooral dodelijk voor iedere vorm van creativiteit. Deze schijnvertoning is slechts een manifestatie van narcisme, zelfbevlekkende navelstaarderij en, in bepaalde mate, van xenofobie (alles wat afwijkt wordt als een bedreiging gezien). Het is een kermis van uiterlijkheden en meer een cursus ja-knikken dan een zinvolle vorming voor de leden van de grootste en oudste studentenvereniging van een universiteit die Civitas Libertatis als lijfspreuk hanteert. Is het wel echt zo realistisch om aan te nemen dat de buitenwereld op deze muffe luchtballon zit te wachten?
Het hiërarchische systeem (clubje één, twee, drie, tien, achtenveertig, obscuur, enz.) is de laatste tijd binnen de muren van onze sociëteit weer een belangrijk punt van discussie geworden, omdat het leidt tot vriendjespolitiek en interne corruptie. Men moet zich echter wel realiseren dat de oorzaak van dit verschijnsel het onvermijdelijke gevolg is van de nagaanslullo mentaliteit. Het absurde nagaanslullo-universum ontleent niet zozeer haar bestaan aan de toplaag van deze gebakken luchthiërarchie; iedereen die het principe ‘Likken naar boven en trappen naar beneden, ellebogen niet geschuwd en conformisme tot elke prijs’ aanhangt, draagt hier mede verantwoordelijkheid voor.
Onze vereniging staat een periode van enorme hervormingen te wachten. Gelukkig wordt hier vooralsnog op een integere wijze aan gewerkt. Alles is op dit moment meer in beweging dan ooit tevoren. Kwesties die vroeger taboe waren worden nu openlijk uitgesproken. Het grote nagaanslullo-universum kraakt inmiddels in al zijn voegen. Hopelijk stort het in. Het zou in ieder geval onze vereniging een liberaler, eigentijdser en vooral een meer inspirerend gezicht geven. Als iedere nagaanslullo zichzelf per direct zou afschaffen om weer normaal mens te worden, ja dan zou ons corps, waar wij allen toch van houden, bruisend de volgende eeuw in kunnen gaan.

Tot zover mijn beschouwing uit 1997. Optimistisch ben ik niet echt, zie artikel uit het Universeitsblad Mare uit 2006: http://www.sleutelstad.nl/cgi-bin/news/gen1.pl?action=artikel&id=8416 Dit zijn de uiteindelijke verschijnselen, al ben ik niet op de hoogte van de details van dit specifieke geval en gaat dit over iets van lang na mijn tijd. Ik weet dus niet meer dan wat er in dit artikel staat, maar het komt me wel authentiek over, al gaat dat verhaal van die aanranding wel heel ver en kan ik me niets vergelijkbaars herinneren uit mijn eigen tijd. Dat lijkt me dus wel een uitzonderlijk exces, mocht het precies zo gegaan zijn. De rest is helaas wel herkenbaar en ik herinner me soortgelijke gevallen meer dan eens. De hier beschreven muziekrepetitie zal naar alle waarschijnlijkheid de Sempre repetitie zijn geweest, waarvoor je met je instrument langs de kolkende zaal waar alles gebeurde moest lopen. Was altijd een speciale ervaring voor de niet-Minervaleden van Sempre. Let verder vooral op wat leden anoniem melden over doofpotten, dat is wat mij het meest frappeerde. De achterliggende mechanismen van dit soort incidenten heb ik hierboven wel uitgelegd.

Literatuurtips:
Onno te Rijdt, ‘Mores’, uitgeverij Podium, Amsterdam, 2001. Een sterke, nietsontziende eerlijke en min of meer autobiografische roman, over de belevenissen van een eerstejaars in een prominent corpshuis in Leiden. Staat overigens heel ver van mijn ervaringen af. Ik was daarvoor te veel een buitenstaander en heb nooit zo diep in de inner circle verkeerd. Hij beschrijft de harde kern van Minerva (’Pallas’, in deze roman) van binnenuit. Een leuke bijkomstigheid is dat, hoewel alle namen van straten, studentenhuizen en andere locaties (een klein beetje) veranderd zijn, alles tot in de kleinste details klopt. Iedereen die in deze wereld heeft rondgelopen zal veel herkennen. Voor mijzelf en vrienden van mij die het gelezen hebben was het in ieder geval een sterke ‘O ja, zo was het’ ervaring. Hoewel zeker beklemmend vaak heel erg geestig.
Jos Versteegen, ‘De Roze Jonker; Floris Michiels van Kessenich, homo-activist in corps, kerk en politiek’, Schorer-boeken, Amsterdam, 2000. Biografie van de inmiddels overleden oprichter van de Donderdagavond Eet Club, het gezelschap voor homoseksuele corpsleden, die daar in betrekkelijke anonimiteit en veiligheid bijeenkomen.

Historisch Overzicht Irak

299223735_5_f-j-[1]

Saddam Hoessein (uitvoering Khalid al-Rahal en Mohammed Ghani Hikmat), The Victory Arch, Bagdad, 1989.

Saddams triomfboog voor zijn ‘overwinning’ op Iran. Hoewel uitgevoerd door twee van Iraks prominentste beeldhouwers (die zich hiermee sterk hebben gecompromitteerd aan het regime van Saddam, zeker in de ogen van mijn gevluchte Iraakse vrienden) is het ontwerp van Saddam zelf. Hij maakte hier zelfs een schetsje voor en verraste hiermee iedereen met zijn artistieke ambities (zie afb. hieronder).

300937317_4_bSnu[1]
De kolossale armen in de uiteindelijke uitvoering zijn uitvergrotingen op reusachtige schaal van afgietsels van de armen van de dictator zelf. De vreemde ‘pindanetten’ die aan de handvatten van de zwaarden zijn bevestigd, bevatten elk duizenden echte Iraanse oorlogshelmen, meegenomen van het front, veelal voorzien van kogelgat, met de bloedspatten er nog op.

 

300940630_6_x5FZ[1]

De boog werd overigens in duplicaat gebouwd. Beide bogen staan aan de uiteinden van een reusachtig paradeterrein, midden in Bagdad. ‘Neurenberg and Las Vegas melted into one’, zo omschreef de dissidente schrijver Kanan Makiya deze bizarre creatie, in buitenissigheid slechts te vergelijken met het paleis van Ceausescu in Boekarest of met de postzegel van Idi Amin, die een drol draait op de kaart van Europa. Zie verder het volgende youtube filmpje. Let vooral op de vele invaliden die als een verplicht nummertje onder de triomfboog (hoger dan de Arc de triomphe in Prijs) van de grote leider, ‘paraderen’. Dit alles voor een overwinning die nooit heeft plaatsgehad, de oorlog eindigde immers in een patstelling. Ik ken veel veteranen uit deze oorlog, maar deze was bij niemand populair. Dat maakt het allemaal nog grotesker. Te zien onder de volgende link:

http://www.youtube.com/v/NlupjwnoOTo&amp;hl=nl”></param><param

300937316_4_aihb[1]

 

de schets van Saddam, op de uitnodiging voor de officiële opening van het monument

Net zo onthullend is de documentaire ‘Uncle Saddam’, waarvan een fragment hieronder. Naast wederom de overwinningsboog ook een blik in zijn paleizen. Te bekijken onder deze link:

http://www.youtube.com/v/BOmTDNd8vtE&amp;hl=nl”></param><param

Over hoe het zover heeft kunnen komen, wat nu eigenlijk de ideologie van Saddam was en de Ba’thpartij (hoor je zelden iets over), welke positie Irak in nam in de Koude oorlog en hoe het zat met de steun van de CIA voor de Ba’thpartij, of de verhoudingen tussen Saddam en het westen altijd zo slecht zijn geweest, hoe het land Irak is ontstaan na de Eerste Wereldoorlog en welke (belangen)afwegingen daarbij een rol hebben gespeeld en hoe het nu precies zit met ‘oliebelangen’ (wel of geen motief voor inavsie), zie het door mij geschreven historisch overzicht, via link naar mijn blog buiten hyves:

http://florisschreve.blog-s.nl/2008/10/14/historisch-overzicht-irak-tot-2003/

imagesCAFZRNMD

De afbeeldingen van het monument zijn afkomstig uit Samir al-Khalil (pseudoniem van Kanan Makiya), ‘The Monument; art, vulgarity and responsibillity in Iraq’, Londen, 1991

Als er nog misverstanden bestaan over in welke ideologische hoek het Ba’thisme is te plaatsen, bekijk dan zeker deze onthullende Belgische neo-Nazi website. Met veel sympathie voor deze stroming weten ze het daar verrassend goed uit te leggen. Interessant om te zien hoe de betrekkelijk onbekende geestelijke vader van de Ba’th en Saddams ideologische leermeester, de Christelijke Syrier Michel Aflaq, in deze kringen als een held vereerd wordt:

http://nsalternatief.wordpress.com/2007/11/21/de-pan-arabische-baathpartij-en-het-nationalistisch-verzet-in-irak/

 

 

Michel Aflaq (Damascus 1910-Parijs 1989), de in het westen betrekkelijk onbekende, maar zeker niet onbelangrijke stichter van de Pan Arabische Ba’thpartij (de Socialistische Leiderspartij van de Arabische Herrijzenis, oftewel al-Hizb al-Ba’th al-Wadah al-Arabi al-Ishtiraqiyyat, Arabic Ba’thist Socialist Leadersparty, ABSLP). In Irak werd hij onder Saddam als een belangrijk persoon geëerd, zie het in Italië geproduceerde monument voor de geestelijke vader van het Ba’thisme (afb. hieronder), door de eveneens in Italië wonende maar voor het het regime werkende kunstenaar Ali al-Jaberi (in de jaren tachtig, toen Saddams Irak nog ‘pro-westers’ was). Citaat: ‘“Nationalism is love before anything else. He who loves doesn’t ask for reasons. And if he were to ask, he would not find them. He who cannot love except for a clear reason, has already had this love wither away in himself and die”. Hoezeer Michel Aflaq was geïnspireerd door het Europese fascisme blijkt uit twee andere citaten: “The Leader, in times of weakness of the ‘Idea’ and its constriction, is not one to substitute numbers for the ‘Idea’, but to translate. numbers into the ‘Idea’; he is not the ingatherer but the unifier. In other words he is the master of the singular ‘Idea’, from which he separates and casts aside all those who contradict it”, en “In this struggle we retain our love for all. When we are cruel to others, we know that our cruelty is in order to bring them back to their true selves, of which they are ignorant. Their potential will, which has not been clarified yet, is with us, even when their swords are drawn against us” (‘Fi sabil al-Ba’th’, Damascus, 1941, bron: Kanan Makiya, ‘Republic of Fear’ University of California Press, 1989, p. 234)

Monument voor Michel Aflaq, door de in Italie wonende, maar regime-gezinde Iraakse kunstenaar Ali al-Jaberi, geplaatst in Bagdad

Saddam met rumsfeld in 1983

Saddam met speciaal gezant van de regering Reagan Donald Rumsfeld in 1983, ten tijde van de Irak Iran oorlog. Later beweerde Rumsfeld zich deze reis naar Bagdad niet meer te kunnen herinneren. Zie ook deze uitzending van Netwerk.

Abdul Karim Qassem met Abdul Rahman Arif

De leiders van de eerste republiek na de staatsgreep van 1958, die een einde aan de monarchie maakte. Rechts Generaal Abdul Karim Qasim (president 1958-1963) en links generaal Abdul Rahman Arif (president 1963-1966).

Koning Faisal I, het eerste staatshoofd van Irak, van 1920 tot 1933 (bekend uit Lawrence of Arabia)

Faisal II

De jonge Koning Faisal II (geb. 1935), de laatste koning van Irak, die in 1958 samen met de rest van de koninklijke familie standrechtelijk werd geëxecuteerd, tijdens de staatsgreep van het Iraakse leger.

Saddam (als vice-president) met Generaal Ahmed Hasan al-Bakr, de eerste Ba’th president van Irak (van 1968 tot 1979)

Levensloop Saddam Hoessein (al-Awya, 28 april 1937 – Bagdad, 30 december 2006), president van Irak van 1979 tot 2003

Detailkaart Shatt al-Arab (de samensmelting en monding van de Eufraat en de Tigris, bron: Google Earth) en grensgebied Iran en Koeweit. Duidelijk is te zien dat de vaargeulen van de Shatt al-Arab en Umm Qasr (door de overigens onbewoonde eilanden Warba en Bubiyyan toe te wijzen aan Koeweit) door de respectievelijk Iraanse en Koeweitse territoriale wateren lopen. Deze constructie was het bewuste resultaat van een Brits verdrag en de stichting van Koeweit in 1871, om de uitvoer naar de Perzische golf te controleren en de Osmaanse Mesopotamische provincies de pas af te snijden door de Shatt al-Arab klem te zetten tussen het nieuwe emiraat en het toenmalige Perzische Rijk. Later zou dit de belangrijkste reden voor Saddam (net als President Qasim en zijn poging tot annexatie van Koeweit in 1961) zijn om eerst Iran aan te vallen en daarna Koeweit, om Irak een vrije toegang tot de zee te verschaffen. De vrije afvoer van of de toegang tot olie is de belangrijkste rode draad uit de Iraakse geschiedenis, waar vele oorlogen om zijn gevoerd en talloze slachtoffers zijn gevallen.

Historisch overzicht Irak

1920- Val van het Osmaanse Rijk en stichting van de staat Irak onder Brits mandaat. Drie Osmaanse provincies, Mosul (overwegend Koerdisch, Turkomaans en Assyrisch), Bagdad (overwegend Arabisch Soennitisch) en Basra (Arabisch Shiietisch), worden nogal geforceerd bij elkaar gevoegd. Wel omvatten deze gebieden min of meer het historische Mesopotamië (het Arabische woord ‘iraq betekent rivierenland , of eigenlijk tussen oevers wat uiteindelijk op hetzelfde neerkomt als het Griekse meso-potamos, wat tussen rivieren betekent). Irak wordt een monarchie onder de Hashemitische koning Faisal I, de zoon van de Sharif van Mekka en een van de leiders van de Arabische strijd tegen de Turken, maar als koning in feite een zetbaas van de Britten. Hoewel de Britten en de Fransen de steun van de Arabieren min of meer hadden ‘gekocht’ met de belofte van zelfbeschikking voor na hun strijd tegen het Osmaanse Rijk tijdens de Eerste Wereldoorlog, wordt de Arabische wereld ‘verdeeld’ tussen Frankrijk en Engeland, middels het geheime Sykes/Picot akkoord uit 1916. Hierin wordt beklonken dat Syrië en Libanon naar Frankrijk gaan, terwijl Palestina, Trans-Jordanië en Irak onder Britse invloed komen te staan (de provincie Basra zou, volgens het oorspronkelijke plan, koloniaal bestuurd worden als bijvoorbeeld India, terwijl de rest van de mandaatgebieden onder sterke Britse invloedsfeer zou komen te staan). Voor de Iraqi’s is dit een hele vreemde ervaring. Bagdad bijvoorbeeld had van oudsher immers meer contacten met het Syrische Aleppo, dan met het Shiietische Basra en het Koerdische noorden. De gewone Iraqi’s in Bagdad, maar ook elders in het land, begrijpen hier dus helemaal niets van en komen meteen in opstand tegen de Britse hegemonie. In 1920 is er sprake van massale betogingen en gewapende acties tegen de Britse bezetters, in de zogenaamde ‘Eerste Intifadah’. Deze opstand wordt met veel geweld door de Engelsen onderdrukt, o.m. door terreurbombardementen uit de lucht en het inzetten van gifgas. Het is voor het eerst in de wereldgeschiedenis dat er gifgas wordt ingezet tegen een burgerbevolking. Een sterk supporter van deze nieuwe methodes is de pas aangetreden Britse minister van koloniën, Sir Winston Churchill.
Hoe de Britten dachten over het bestuur van Irak blijkt uit de memoires van Getrude Bell (1868-1926), de Britse gezant voor Arabische aangelegenheden (die zich overigens wel, voor zover mogelijk, heeft ingezet voor de werkelijke belangen van de Arabieren, samen met T.E. Lawrence, beter bekend als ‘Lawrence of Arabia’). Zij beschrijft een conversatie tussen drie niet bij naam genoemde Britse diplomaten, op de vredesconferentie van Cairo in 1921, als volgt: “This country will be badly governed”, “Why should it not be badly governed?”, “It ought to be badly governed”. Volgens de kritische Saddam-biograaf Said Aburish vormde deze schandelijk neerbuigende houding (Aburish spreekt zelfs van ‘this criminal attitude’) het begin van een historische kettingreactie die de grote tragedies van het Irak van de twintigste eeuw heeft mogelijk gemaakt, tot en met de Ba’thdictatuur van Saddam Hoessein. Desalniettemin was koning Faisal I (aan de macht gekomen door de grote inzet van Getrude Bell en T.E. Lawrence), itt. zijn twee opvolgers, zeker geen onbekwame leider. Hij had uiteindelijk het beste voor met het Iraakse volk (de kroon accepteerde hij zelfs met tegenzin, zeker omdat hij geen geboren Iraqi was, maar hij vond dat hij uiteindelijk zijn verantwoordelijkheid moest nemen, om nog iets te kunnen betekenen), maar hij had alleen, achteraf gezien, te weinig manoeuvreerruimte voor een eigen politieke koers. Wat hij wel voor elkaar heeft gekregen is dat Irak een sterk leger ontwikkelde, omdat hij oprecht vond dat Irak zichzelf zou moeten kunnen verdedigen, nu het zo’n speelbal was geworden van allerlei buitenlandse belangen. Naderhand beschouwd heeft dit leger voor vele grote rampen gezorgd, maar dat kon de in 1933 overleden Faisal op dat moment natuurlijk niet weten.

1932-‘Officiele onafhankelijkheid’ van Irak en toetreding tot de Volkenbond. Ondanks de nationalistische maar vrijblijvende retoriek van de in 1933 aangetreden half analfabete, zeer impulsieve en daardoor volstrekt onbekwame koning Ghazi, blijft Irak door ‘vriendschapsverdragen’ sterk aan de Britse belangen gebonden. Zo kan het geen zelfstandige buitenlandse politiek voeren, bezetten de Britten een aantal cruciale legerbases en blijft de olie-industrie in Britse handen, middels de Iraqi Petrolium Company, waarin het Britse Shell het meerderheidsaandeel bezit. Van een werkelijke onafhankelijkheid is dus geen sprake.

1936- In samenspraak met koning Ghazi pleegt de nationalistische generaal Bakr Sidqi een staatsgreep. Doel is om de Britten te verdrijven. Hikmet Suleiman wordt de premier van de nieuwe nationalistische regering. In 1937 wordt Bakr Sidqi echter vermoord door pro-Britse krachten in het Irakese leger en wordt Hikmet Suleiman afgezet.

Omstreeks 1937- 1939 Geboorte van Saddam Hoessein in het bedoeienen gehucht Al Awya (awya(t) betekent in het Arabisch ‘kronkelig’ of ‘niet recht door zee’, maar al-awya kan als plaatsnaam zeker vertaald worden als boevengehucht, ‘Crooktown’ volgens Said Aburish), vlakbij de stad Tikrit. Hoewel Soennitisch, vertegenwoordigt Saddam, vanwege zijn afkomst uit de Abdu Nassir clan (geconcentreerd rond Tikrit en Ramadi), de absolute onderklasse van de toen nog sterk tribale en aristocratische Irakese samenleving, in die dagen gedomineerd door een aantal vooraanstaande Soennitische families.Over zijn exacte geboortejaar bestaat onzekerheid, omdat er in die tijd geen ordentelijke burgerlijke stand bestond voor deze ‘achtergebleven’ tribale gehuchten. Waarschijnlijk is de latere dictator van Irak in 1939 geboren, al heeft hij zelf zijn geboortejaar veranderd in 1937. Dit, omdat hij getrouwd was met zijn waarschijnlijk oudere nicht Sayyida Tulfah al-Tikriti (zijn eerste vrouw en moeder van o.m Uday en Qusay), geboren in 1938, en volgens de locale tribale tradities zou het immers buitengewoon vernederend zijn om met een oudere vrouw in het huwelijk te stappen. Saddam heeft later overigens zijn achternaam laten veranderen in ‘al-Tikriti’. Zijn oorspronkelijke en volledige naam: ‘Saddam (Ystidam, Sadmah of as-Siddam in het standaard-Arabisch. Saddam is locaal dialect uit de omgeving van Tikrit) Husayn al-Majid al-Awyat’ betekent letterlijk (naar mijn eigen vertaling, maar met wat hulp van anderen): ‘Hij die verplettert (of ‘de verpulveraar’), zoon van Hoessein al-Majid uit Boevenoord’, een weinig flatteuze en ietwat ‘Don Corleone-achtige’ naam voor een president, al typeert het de persoon wel.

1939- Koning Ghazi overlijdt bij een auto-ongeluk. Deze doodsoorzaak is nog altijd omstreden. Volgens verschillende anti-koloniale Iraakse krachten (de latere Ba’thi’s, de nationalisten en de communisten) zat de Britse geheime dienst hierachter, vanwege zijn toegenomen populistische nationalisme, waardoor Ghazi een grote populariteit genoot bij de bevolking (zie de affaire Bakr Sidqi). Ghazi wordt opgevolgd door de minderjarige koning Faisal II. De zeer impopulaire maar uitgesproken pro-Britse prins Abd al-Ilah wordt als regent aangesteld.

1941- Pro-Nazistische staatsgreep van generaal Rashid Ali Al Kailani, en de ‘Gouden vierhoek’, zoals de nazistisch georiënteerde officieren zichzelf omschrijven. Hun belangrijkste steunpilaar is de voor de Britten naar Bagdad uitgeweken Groot-moefti van Jeruzalem Haj Amin al-Husayni, die warme persoonlijke relaties onderhield met Hitler en verschillende Nazi kopstukken als Hermann Goerring en Baldur von Shirach. De monarchie wordt afgeschaft, maar in hetzelfde jaar door de Britten weer hersteld, middels een groot militair offensief. Luchtsteun van Nazi Duitsland blijft uit, waardoor Rashid Ali zonder al te veel moeite verdreven wordt. De Britten bezetten het land. Een klein, maar niet onbelangrijk detail is dat een van de betrokken militairen, Khairallah Tulfah, die ondanks zijn eenvoudige komaf het had gebracht tot onderofficier, na vijf jaar gevangenisstraf oneervol wordt ontslagen uit het leger. Hij wordt onderwijzer in Tikrit en schrijft het nazistisch geïnspireerde pamflet: ‘De drie dingen die door God nooit geschapen hadden mogen worden; Perzen, Joden en vliegen’. Deze marginale randfiguur was de oom, voogd en latere schoonvader van Saddam Hoessein en wellicht de meest vormende persoon uit de jeugd van de latere dictator.
Ook na de Tweede Wereldoorlog wordt de Britse bezetting min of meer in stand gehouden. De coup van de Gouden Vierhoek is echter een belangrijke inspiratiebron voor de oprichting van de Ba’thpartij in Syrië in 1947 (Ba’th betekent in het Arabisch herrijzenis of Renaissance). Belangrijkste ideoloog is de Syrische christen Michel Aflaq (1910-1989). Aflaq, die in de jaren dertig aan de Sorbonne Universiteit in Parijs studeerde, raakte zeer onder de indruk van Adolf Hitler en Benito Mussolini (zo liet hij zichzelf weleens ‘Il Duce’ noemen), waarop hij zijn latere ideeën baseerde, die hij uiteenzette in Fi Sabil al-Ba’th, Damascus, 1941, het ‘oergeschrift’ van het Ba’thisme. Hierin omschreef hij de kern van zijn ideologie onder meer als volgt: “Nationalism is love before anything else. He who loves doesn’t ask for reasons. And if he were to ask, he would not find them. He who cannot love except for a clear reason, has already had this love wither away in himself and die”. Hoezeer Michel Aflaq was geïnspireerd door het Europese fascisme blijkt uit twee andere citaten: “The Leader, in times of weakness of the ‘Idea’ and its constriction, is not one to substitute numbers for the ‘Idea’, but to translate. numbers into the ‘Idea’; he is not the ingatherer but the unifier. In other words he is the master of the singular ‘Idea’, from which he separates and casts aside all those who contradict it”, en “In this struggle we retain our love for all. When we are cruel to others, we know that our cruelty is in order to bring them back to their true selves, of which they are ignorant. Their potential will, which has not been clarified yet, is with us, even when their swords are drawn against us”. Hoewel er zelfs nu nauwelijks aandacht is besteed, in ieder geval de Nederlandstalige media, aan de ideologische wortels van de Ba’thpartij, laat staan aan een weliswaar intellectuele maar obscurantistische denker als Michel Aflaq (behalve in een recente uitvoerige publicatie van de Vlaamse VRT journalist Jef Lambrecht, De zwarte wieg; Irak, nazi’s en neoconservatieven, uit 2003), blijkt uit vrijwel alle toespraken van Saddam Hoessein hoezeer hij door zijn ideologische leermeester beïnvloed was. “It was Mr. Aflaq who created the party, not I”, zei hij bijvoorbeeld in een van zijn laatste speeches, vlak voor zijn val op 9 april 2003. Veel Iraakse ballingen spreken immers niet voor niets van de ‘Aflaqite Republic’ wanneer zij de ‘Saddamistische staat’ bedoelen. Verder spreken de vele in Bagdad opgerichte groteske monumenten ter ere van Michel Aflaq voor zich.

1948 en 1952- In 1948 wordt in het Engelse Portsmouth door de Iraakse regering, in de persoon van premier Nuri al Sa’id (de machtigste Iraakse politicus onder de monarchie), een overeenkomst met de Britten gesloten over de olie-industrie. Feitelijk komt het er op neer dat de Britse belangen veilig worden gesteld (en natuurlijk de belangen van de toenmalige heersende elite van Irak). Een grote meerderheid van de Iraakse bevolking accepteert dit niet en komt in opstand, in de zogenaamde al-Wathbah Intifadah. Deze opstand wordt bloedig neergeslagen. Wanneer in 1952 deze overeenkomst wordt verlengd volgt er een nog veel grotere Intifadah (voor de Iraqi’s bekend als De Intifadah). Een jaar lang ligt het hele land plat door algemene stakingen, met name in de olie-industrie en de spoorwegen. De drijvende kracht achter de onlusten is de Irakese Communistische Partij (ICP), die een sterke machtsbasis heeft in het olierijke Shiietische zuiden, vooral in Basra, de tweede stad van Irak. Hoewel officieel verboden (zo werd de oprichter Fahd in 1948 door de Britse geheime dienst vermoord) was deze in 1934 opgerichte partij, ooit de oudste en meest invloedrijke Marxistische beweging van het hele Midden-Oosten. Ook had de ICP een grote aanhang onder de toen nog talrijke Irakese joden, die echter na 1948 en na de latere Ba’threvolutie van 1968 grotendeels naar Israël zijn gevlucht (de van oorsprong Irakese Israëlische filmmaker Samir heeft een indrukwekkende documentaire gemaakt over de vergeten geschiedenis van de Iraakse Joodse communisten, Forget Baghdad, een van de winnaars van het IDFA 2002, Amsterdam).

1953- Koning Faisal II bestijgt op achttienjarige leeftijd de Irakese troon. Hoewel hij weinig de kans heeft gehad tot zijn zonder meer tragische dood in de revolutie van 1958, blijkt dat hij zich niet weet te ontpoppen tot een goede en verstandige leider van Irak (wat zijn grootvader Faisal I zeker wel was, ondanks de door de Britten opgelegde beperkingen). De machtigste personen van Irak blijven de door het volk gehate prins Abd al-Ilah, de ‘meesterintrigant’ Nuri al-Sa’id en op de achtergrond natuurlijk de Britten.

1955- Premier Nuri al-Sa’id sluit het zogenaamde ‘Bagdadpact’ met Turkije en Pakistan, onder auspiciën van de Britten en met sterke steun van de VS. Doel is om de invloed van de Sovjet Unie in het Midden Oosten tegen te gaan. De ‘Pan-Arabische’ nationalistische Egyptische president, Gamal Abd an-Nasser (die een sterke steun genoot van de Sovjet Unie), begint een agitatiecampagne tegen het Bagdadpact. Het Iraakse leger en verschillende oppositiekrachten, zowel de ‘rechtse nationalisten’ (waaronder de marginale maar militante Pan-Arabische Ba’thpartij’ van de Syriërs Michel Aflaq, Salah Eddine al-Bitar en Sati Husri), als de ‘linkse’ Irakese Communistische Partij, kunnen zich goed vinden in de retoriek van Nasser.
Zij zagen hun eigen regeringsleiders als stromannen van de westerse belangen en vijandig tegenover het ideaal van de ‘Pan-Arabische eenheid’, al dan niet volgens socialistisch model (daarover waren de meningen zeer verdeeld). Voorts wil de Irakese oppositie, zowel ‘links’ als ‘rechts’, een eventuele interventie als de coup van 1953 in buurland Iran vermijden. De eerste democratisch gekozen premier van Iran, de liberaal nationalistische Dr. Mohammed Musaddiq, wilde in 1951de olie-industrie nationaliseren, maar werd door een CIA gesteunde staatsgreep in 1953 afgezet. De Shah kon vanuit zijn ballingschap in Londen terugkeren, om zijn autoritaire, antidemocratische, maar pro-westerse bewind weer te herstellen.

1958- De Iraakse onafhankelijkheidsrevolutie die leidt tot de invoering van de Republiek Irak. Het leger grijpt de macht, middels de groep van de ‘Vrije officieren’, naar voorbeeld van Nasser, die onder de noemer ‘Vrije officieren’ koning Farouk in 1952 van de troon stootte en de Britse invloed eveneens wist uit te bannen. Koning Faisal II, de voormalige regent prins Abd al-Ilah en de pro-Britse premier Nuri al-Sa’id worden op een gruwelijke wijze vermoord. Praktisch de hele koninklijke familie wordt uitgeroeid, op een paar in het buitenland wonende telgen na. De prins en Londense bankier Sharif Ali Bin al-Hoessein, nu actief in het overkoepelende oppositieorgaan INC en aanvoerder van de Irakese ‘Constitutional Monarchy Party’, is bijvoorbeeld een van de weinige overlevenden. De Britten worden verdreven en raken hierdoor Irak voor goed kwijt. Onder leiding van brigadegeneraal Abdul Karim Qasim wordt er een militaire junta geïnstalleerd die sterk op de Sovjet Unie is gericht. Irak treedt uit het Bagdadpact, waardoor dit pact betekenisloos wordt en daarna wordt opgeheven. De toen nog machtige maar clandestiene Irakese Communistische Partij krijgt beperkte politieke vrijheden. De olie-industrie wordt genationaliseerd. Hierdoor bloeit de economie van Irak op. De belangrijkste doelstelling van president Qasim is om Irak te moderniseren, een programma dat hij met keiharde hand uitvoert. Politieke tegenstanders van het regime worden vervolgd, gemarteld en geëxecuteerd. Uit Qasims regeringsperiode dateren ook de eerste gewapende acties tegen de Koerdische separatisten van Mullah Mustafa Barzani. De Irakese intellectuele elite begint, vanwege de toegenomen repressie, geleidelijk aan het land te verlaten. President Qasim is de belangrijkste initiatiefnemer tot de oprichting van de OPEC, iets wat door de westerse mogendheden met lede ogen wordt aangezien. Hoewel Qasim een harde dictator was is hij achteraf gezien wellicht het meest populaire staatshoofd van Irak geweest gedurende de twintigste eeuw.
Verder doet Qasim in 1961 een poging om het Emiraat Koeweit op te eisen, toen net onafhankelijk geworden van Engeland. Koeweit was ooit door de Britten als een aparte entiteit gevestigd (al in 1871), om het toen nog Osmaanse Irak de toegang tot de Perzische Golf te belemmeren (de monding van Eufraat en de Tigris, de Shatt al-Arab, werd immers gedeeld met Iran, in 1871 nog het Perzische Keizerrijk van de Kadjaren (niet te verwarren met de latere Pahlavi’s, van de laatste Shah. Na het ontstaan van de moderne staat Irak is over de Shatt al-Arab een voortdurende strijd gevoerd, tussen het ‘revolutionaire Perzië’ van de Pahlavi’s en de achtereenvolgende regimes in Bagdad). Door de Britse politiek, inzake Koeweit, werd voorkomen dat het olierijke gebied van Irak, ook als hier in de toekomst een nationale staat zou ontstaan, een regionale economische ‘supermacht’ zou worden, vanwege de olie-export. Hoewel, kijkend naar de kaart ( zie bovenstaande afb.) Irak een vrije toegang tot de Perzische golf lijkt te hebben, behoren alle territoriale wateren en vaargeulen aan Koeweit of Iran (de cruciale eilanden, Warba en Bubiyyan, vlak voor de kust van de Irakese havenstad Umm Qasr, zijn toentertijd welbewust toebedeeld aan Koeweit). Qasim doet een poging om deze blokkade op te heffen maar faalt. De vestiging van een grote Britse troepenmacht in Koeweit (later vervangen door troepen van de Arabische Liga) laten de Irakese president van zijn claim afzien.

1959- Mislukte moordaanslag op president Qasim. Een van de plegers is de jonge Saddam Hoessein, op dat moment een huurmoordenaar in dienst van de toen nog steeds marginale, maar radicaal nationalistische en vooral zeer anticommunistische Ba’th militie. Hij vlucht achtereenvolgens naar Syrië en Egypte. In deze tijd wordt hij ‘ontdekt’ door de ideologische leider van de Ba’th Michel Aflaq (waarvan hij het een en ander krijgt aan politieke scholing), wat het begin is van zijn weg naar de top van de Pan-Arabische Ba’thbeweging. In Cairo leggen Irakese Ba’thi’s contact met de CIA. De Amerikanen staan hier welwillend tegenover, omdat zij vrezen voor de vorming van een communistische staat in het olierijke hart van het Midden-Oosten. Saddam Hoessein is in die tijd een graag geziene gast op de Amerikaanse ambassade van Cairo.

1963- Staatsgreep van de Irakese tak van de Ba’thpartij (‘Arabic Ba’thist Socialist Leadersparty’, ABSLP, die toen nog niet meer dan driehonderd leden kende), met behulp van de CIA. President Qasim wordt geëxecuteerd. Met name de communisten worden massaal afgeslacht. In Bagdad worden er vele politieke moorden gepleegd zoals nog nooit tevoren in Irak gezien was, niet in de laatste plaats opgedragen door Saddam Hoessein, toen leider van de Nationale Garde (Haras al-Qawmi), de paramilitaire tak van de Ba’thpartij. Het vroegere koninklijke paleis wordt ingericht als gevangenis. In dit zogenaamde ‘al-Qasr an-Nihayyah’ (het ‘Paleis van het Einde’) sterven vele Iraki’s de marteldood. De terreur van de rechts-radicale Ba’thi’s is echter zo extreem dat het leger, waarin vooral ‘conservatieve’ krachten een rol spelen en dus tegenstander van het radicalisme van de Ba’thpartij, hetzelfde jaar ingrijpt en hen de macht ontzegt. De nieuwe president van Irak wordt de ‘Nasseristische’ generaal Abd Al-Rahman Arif. Prominente Ba’thi’s, zoals Saddam Hoessein, worden gevangen gezet. Arif begint voorzichtige democratische politieke hervormingen. De modernisering van Irak, begonnen onder Qasim, wordt met harde hand voortgezet. In 1966 komt Abd Al-Rahman Arif om bij een helikopterongeluk en wordt opgevolgd door zijn broer Abd as-Salam Arif. Hij ontslaat de liberale premier Abdul Al Bazzaz, waardoor er een einde komt aan het geleidelijke democratiseringsproces.

1967-Nederlaag tegen Israël. Overal in de Arabische wereld laaien hevige gevoelens van frustratie en nationalisme op. Irak maakt hierop geen uitzondering. Onder druk van de publieke opinie laat president Arif vele radicale Arabische nationalisten vrij, waaronder kaderleden van de Ba’thpartij.

1968- De tweede Ba’th-coup, de zogenaamde ‘Bloedeloze Revolutie’, of ‘Glorieuze 17 juli Revolutie’, wederom met steun van de CIA (de contactman tussen de Ba’thi’s en de Amerikanen was een zekere Lloyd Anderson, gevierd CIA agent). Zonder al te veel geweld veroveren de Ba’thi’s het presidentiele paleis en wordt Abd as-Salam Arif op een vliegtuig naar het buitenland gezet. Generaal Ahmed Hasan Al Bakr wordt de eerste Ba’th president van Irak. Saddam Hoessein wordt vice-president van de ‘Revolutionaire Commando Raad’ van de Ba’thpartij, maar al snel ook vice-president van het land. Saddams eerste politieke daad in deze functie is de publieke ophanging van dertig Irakese joden in 1969, op grond van vermeende spionage voor Israël. Overigens laten de Ba’thi’s, direct na de coup, hun pro-Amerikaanse koers varen en oriënteren ze zich op de Sovjet Unie. De communisten krijgen een regeringspost aangeboden in het zogenaamde ‘Progressief Nationaal Front’, samen met de Marxistische ‘Popular Union of Kurdistan’ (de Koerdische Volksunie, oftewel PUK). Een aanzienlijk deel van de Communistische Partij weigert echter om met de Ba’th samen te werken. Zij gaan ondergronds en plegen in de loop van de jaren zeventig veel aanslagen op Ba’thistische doelen (voornamelijk de volgelingen van de in 1970 geëxecuteerde dissidente communist Aziz al Hajj, die onder ballingen in Nederland nog steeds een grote aanhang heeft). De coalitie met de ‘pro-Russische’ factie van de communistische partij levert Irak een goede relatie met de Sovjet Unie op, hoewel er in die tijd ook hechte banden zijn met Frankrijk (zo leverde Frankrijk de Mirage vliegtuigen, essentieel voor de Irakese luchtmacht en verschafte het de onderdelen voor de Irakese kerncentrale van Osirak, in 1981 door Israël gebombardeerd). De toenmalige Franse premier Jacques Chirac omschreef in de jaren zeventig Saddam Hoessein overigens als en ‘Arabische de Gaulle’. Dit ingewikkelde gegoochel met koude oorlogsmachten kan voor een buitenstaander vreemd overkomen, maar begrepen moet worden dat Irak in die tijd, samen met Indonesië en India, de voorzitter was van de zogenaamde ‘Unie van Ongebonden Landen’ (gezien in de context van de koude oorlog). Bovendien bestaat er in de Irakese politieke traditie de gewoonte om gelegenheidscoalities te sluiten. Zo sloten bijvoorbeeld de twee belangrijkste Koerdische partijen, de PUK en de KDP, bij tijd en wijle een pact met de Ba’thpartij, om de concurrent dwars te zitten. Verder waren verschillende mogendheden natuurlijk buitengewoon gretig naar goede betrekkingen met Irak vanwege de grote oliereserves, iets wat in de hele geschiedenis van Irak in de twintigste eeuw altijd een belangrijke rol heeft gespeeld.
De vice-president Saddam Hoessein krijgt in de loop van de jaren zeventig echter steeds meer macht, ten koste van president Hasan Al Bakr. Met name de veiligheidsdiensten staan volledig onder zijn controle, zoals de ‘Mukhabarat’, de beruchte Irakese geheime dienst (vooral opgeleid door de Russische KGB, de Oost-Duitse Stasi en de Roemeense Securitate). Het ‘Paleis van het Einde’ wordt weer in ere hersteld. Overigens begint Saddam in deze tijd al aan zijn gewoonte om binnen een veiligheidsdienst weer een nieuwe op te bouwen, om de bestaande organisatie te controleren. Zo wordt er binnen de Mukhabarat de ‘Amm al-Khass’ opgericht, om naar verloop van tijd weer gecontroleerd te worden door de ‘Amm al-Amm’. De tijdens de afgelopen Irakoorlog veelbesproken ‘Fedayyeen Saddam’ is hier in feite het laatste uitvloeisel van. Uiteindelijk worden de ICP en de PUK uit het Progressief Front gezet. Op last van Saddam Hoessein worden de communisten massaal vervolgd, zelfs tot in het buitenland, waarbij vele kopstukken van de vroegere ICP worden geliquideerd (bijv. in een beruchte moordaanslag in een Londens ziekenhuis). Ook wordt de top van de radicaal Shiietische islamitische ‘Dawa-partij’ (de ‘moeder aller Hizbollahs’) volledig uitgeroeid. De leider van de Dawa, Ayatollah Mohammed Bakr as-Sadr, de oom van de geestelijk leider Muqtada as-Sadr, die tegenwoordig veel van zich doet spreken, wordt vermoord middels het inslaan van een spijker in zijn schedel. Vele Shiieten worden de grens over gezet naar Iran, vanwege hun gebrekkige ‘loyaliteit’ aan de ‘Arabische zaak’. Het zouden immers geen ‘pure Arabieren’ zijn, maar ‘Perzische verraders’. Aangetekend moet worden dat de meeste Iraakse Shiieten volstrekt seculier zijn, tot op de dag van vandaag, althans dat persoonlijke religieuze overtuigingen niet politiek gebruikt mogen worden (de overgrote meerderheid van de Irakese Shiietische clerus deelt deze mening. De in 1991 overleden en waarschijnlijk door Saddam vermoorde Groot Ayatollah Abdel Kassem Al Khoey van Najaf, voorganger van de huidige Groot Ayatollah Ali Seyyed Sistani, stond immers bekend als een zeer verlicht en liberaal denker). Zo hadden de communisten bijvoorbeeld de grootste aanhang onder de Shiietische bevolkingsgroep. Irak verandert in de jaren zeventig echter in een politiestaat, waarin niets anders meer getolereerd wordt dan de ideologie van de Ba’th. Dictatoriaal bestuurde buurlanden, zoals het Saoedi-Arabië van het Wahabitische koningshuis, het Iran van de Shah en het Syrië van president Hafez al-Assad (waar N.B. de Ba’thpartij ook aan de macht is), vallen hierbij in het niet. Kanan Makiya, Iraks belangrijkste dissidente schrijver, heeft al in de jaren tachtig overtuigend aangetoond, in zijn indrukwekkende relaas Republic of Fear (vooralsnog het grote standaardwerk over het Irak van de Ba’thpartij), dat de Irakese Ba’thistische staat veel meer overeenkomsten had met het Duitsland van Adolf Hitler en de Sovjet Unie van Josef Stalin dan met een doorsnee ‘derdewereld dictatuur’.
Wel maakt Irak in de loop van de jaren zeventig een grote economische bloei door en geldt het als een van de meest ontwikkelde landen van de regio. Verschillende ontwikkelingsprogramma’s zijn buitengewoon succesvol, vooral het grootschalige onderwijsproject. In 1977 ontvangt Saddam Hoessein zelfs een onderscheiding van de UNESCO (de zogenaamde ‘Kropeska Award’) voor zijn strijd tegen het analfabetisme, met name met dat van vrouwen. Er moet echter worden aangetekend dat dit een feitelijke voortzetting is van het beleid van de presidenten Qasim en de gebroeders Arif (de politiek van modernisering middels de ‘ijzeren vuist’).

1971-1975 Conflict met Iran en de Koerden. De pro-westerse Iraanse Shah, Mohammed Reza Pahlavi, ziet zijn kans schoon en eist van het door de vele revoluties verzwakte Irak de strategische waterweg naar de Perzische Golf op, de Shatt Al Arab, de gedeelde grens met Iran. Voorheen werd deze strategische uitvoerroute van olie min of meer gedeeld. Tegelijkertijd beginnen de Koerden in het noorden, met steun van de Shah en de Verenigde Staten, een guerrillaoorlog tegen het onderdrukkende Ba’thbewind in Bagdad (hoewel de CIA uitgebreide steun had geleverd aan de machtsgreep van de Ba’th waren zij op dat moment weer een beetje uitgekeken op deze beweging, vanwege de steeds betere betrekkingen met de Russen). De Iraakse regering slaagt er niet in om zonder meer de strijd te winnen van de KDP (Koerdistan Democratische Partij, dus niet ‘Koerdische’ omdat er ook veel christelijke groeperingen bij betrokken zijn) van Mullah Mustafa Barzani en zijn ‘Peshmerga’s’ (de Koerdische partizanen). Uiteindelijk weet vice-president Saddam Hoessein een compromis met de Shah te sluiten. Dit wordt beklonken in het ‘Verdrag van Algiers’ in 1975. De rechten over de Shatt al-Arab gaan naar Iran, terwijl Iran en Amerika de Koerdische opstand laten vallen. Vertegenwoordiger van Amerika is Henry Kissinger, de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken. De Koerden noemen het Verdrag van Algiers nog altijd het ‘Eerste Verraad van Amerika’. Grote delen van de Koerdische bevolking worden gedwongen hun dorpen te verlaten en naar kampen in Zuid Irak gedeporteerd, in de beruchte ‘herhuisvesting programma’s’. Dit ter bevordering van de ‘Revolutionaire Arabiserings-campagne’ van het noorden, waarbij vele Arabische Soennieten (waaronder vooral veel Ba’th loyalisten) op grote schaal gedwongen worden te verhuizen naar overwegend Koerdische steden, als Mosul en Kirkuk.

1979- Saddam Hoessein wordt president van Irak. Ahmed Hasan Al Bakr wordt, vanwege zijn ‘zwakke gezondheid’, rigoureus met pensioen gestuurd. Er volgt een zuivering binnen de top van de Ba’thpartij, waarbij zo’n driehonderd prominente partijleden het leven laten. De ‘Pan-Arabische’ en ‘linkse’ krachten binnen de Ba’thpartij worden volledig geëlimineerd. Op het voor deze gelegenheid speciaal bijeengeroepen partijcongres, spreekt Saddam Hoessein de historische woorden: “Wij hebben geen Stalinistische methodes nodig om ons van verraders te ontdoen; wij hebben onze eigen Ba’thmethodes”. Videobeelden van dit congres worden, naast uitgezonden op de Irakese staatstelevisie, naar de verschillende Ba’thorganisaties in Arabische landen gestuurd (Syrië, Jordanië, Libanon en Egypte), zodat er geen twijfel meer kan bestaan wie nu de leider van de beweging is. Saddam eist van de zijn getrouwe partijleden dat ze persoonlijk de executies uitvoeren, zodat zij zich geheel aan hem binden en dus medeschuldig zijn. Onder hen bevinden zich o.m. Saddams halfbroers Barazan, Watban en Sabawi, zijn neef en broer van zijn vrouw Adnan Khairallah Tulfah (op last van Saddam in 1989 uiteindelijk vermoord), zijn achterneef Ali Hassan al-Majid (‘Ali Chemicali’), Taha Yassin Ramadan, Izzat Ibrahim al-Dhoury, Mohammed Said as-Sahaf (de laatste Iraakse minister van Informatie) en Tariq Aziz. Rond Saddam Hoessein ontstaat er een persoonlijkheidscultus die in de tweede helft van de twintigste eeuw slechts haar equivalenten kent in het China van Mao Zedong, het Noord Korea van Kim Il Sung en het Roemenië van Nicolae Ceaucescu.

1980-1988 Irak/Iran oorlog, de eerste golfoorlog. Irak valt Iran binnen. Saddam Hoessein grijpt zijn kans om van het door de Islamitische Revolutie verzwakte Iran de rechten over de Shatt Al Arab weer op te eisen (die Irak was kwijtgeraakt door het verdrag van Algiers in 1975). Voorts wil hij de etnisch Arabische en olierijke provincie Khuzestan ‘bevrijden’ (‘Arabistan’, volgens de Ba’th retoriek). De nieuwe Iraanse ‘islamistische’ revolutionaire leider, de Ayatollah Ruhollah Khomeiny, roept echter een Heilige Oorlog uit tegen het ‘Goddeloze Socialistische Ba’thregime in Bagdad’, waardoor hij de oorlog onnodig lang heeft gerekt. Als legitimatie van zijn kant roept hij op tot de ‘bevrijding’ van de onderdrukte Shiietische bevolking van Zuid-Irak. Aanvankelijk voert Saddam Hoessein zelf het opperbevel over de strijdkrachten uit. Toch blijkt hij zijn strategische gaven sterk te overschatten. Uiteindelijk is Iran steeds meer aan de winnende hand en dwingt een aantal Irakese generaals Saddam om de strategische beslissingen aan hen over te laten, om nog te redden wat er te redden valt. Saddam geeft hier noodgedwongen aan gehoor, hoewel na de oorlog al deze generaals om het leven worden gebracht. Een van de grote helden uit dit conflict is generaal Maher Abdul al-Rashid geweest. Hij dwong Saddam, met getrokken revolver, om het opperbevel naast zich neer te leggen, en de leiding aan hem over te dragen. Dankzij hem hebben zich er minder grote excessen afgespeeld tijdens deze oorlog dan Saddam wellicht van plan was. Generaal al-Rashid is na de oorlog echter vermoord door de Mukhabarat. Zijn positie is in veel opzichten vergelijkbaar met die van Maarschalk Zjoekov van het Rode Leger onder Stalin tijdens WO II, die aanvankelijk ten koste van Stalin het opperbevel voerde, maar later eveneens werd weggezuiverd.
Overigens waren de meeste van deze generaals afkomstig uit de traditionele officierenklasse van de Irakese samenleving, die ook in de tijd van het Osmaanse Rijk de bestuurlijke elite van Irak vormden (onder de Sultan kwam het ambtelijke apparaat traditioneel uit deze in regel ‘conservatieve’ aristocratische klasse voort). Hoewel Soennitisch Arabisch, had deze maatschappelijke bovenlaag het weinig op met de ‘riool-elite’ (deze term is ontleend aan de Britse historicus Allan Bullock, uit zijn beroemde dubbelbiografie van Hitler en Stalin, maar zeker ook toepasbaar voor het Irak van die tijd) van de Ba’thpartij en de kliek rond Saddam Hoessein, vooral afkomstig uit de ‘achtergebleven’ gebieden van Tikrit, Fallujah, Baquba en Ramadi, in het gebied van de nu veelbesproken ‘Soennitische driehoek’. Er bestond dus nogal een verschil tussen het reguliere leger en gewapende partij activisten, als de ‘Republikeinse Garde,’ de ‘Speciale Republikeinse Garde’ en de latere ‘Fedayyeen Saddam’ (de vergelijking met bijvoorbeeld de aan de Nazi partij gebonden Waffen SS enerzijds en de reguliere Wehrmacht anderzijds gaat in dit geval zeker op).
Irak wordt , vanwege de steeds groter wordende verliezen, uitgebreid gesteund door Amerika. De VS willen wraak nemen op Iran na de dramatisch verlopen gijzelingsactie van de Amerikaanse ambassade in Teheran, tijdens de islamitische revolutie. Naast het verstrekken van satellietfoto’s van de Iraanse stellingen, ontvangt Irak preparaten voor biologische wapens (bijv. anthrax, hoewel zeventig procent van de basismaterialen van de chemische wapens, zoals de gifgassen tabun en sarin, afkomstig waren uit Duitsland en zelfs voor een klein deel uit Nederland, geleverd door handelaar in chemicaliën Frans van Anraath, maar onder verantwoordelijkheid de toenmalige staatssecretaris van buitenlandse handel Frits Bolkestein, die in 1983 namens het kabinet Lubbers I een lucratieve handelsdeal sloot met het Iraakse Ba’th regime), met goedkeuring van de Amerikaanse regering, in een tijd dat Irak al chemische wapens had ingezet op Iraanse troepen (overigens op expliciet bevel van Saddam Hoessein; de Irakese legertop was hier immers uitgesproken tegen). De speciale gezant van de regering Reagan voor Saddam Hoessein is Donald Rumsfeld, de huidige Amerikaanse minister van defensie. De Irak/Iran oorlog kost een miljoen slachtoffers aan beide kanten. Uiteindelijk leidt deze oorlog slechts tot een patstelling, zonder dat een van beide partijen iets heeft bereikt.
Wel roept Saddam na afloop de overwinning uit. Hij laat hiervoor zelfs een kolossaal monument oprichten, de zogenaamde Victory Arch, het monument van de gekruiste zwaarden, uitgevoerd door twee van Iraks beroemdste beeldhouwers (Khalid al-Rahal en Mohammed Ghani Hikmet), maar ontworpen door Saddam Hoessein zelf. Een veelzeggend detail is dat er in dit ‘kunstwerk’ echte helmen zijn verwerkt van gesneuvelde Iraanse soldaten, meegenomen van het front en allen voorzien van een kogelgat.

1988- Het jaar van de ‘Anfal operaties’, de genocide campagne op de Koerden. Saddam Hoessein neemt wraak op de Koerden op ongekende schaal, omdat zij zich de afgelopen jaren grotendeels achter Iran hadden opgesteld. Door de Koerden van Noord Irak wordt de ‘Anfal’ (oorspronkelijk een Soera uit de Koran, door de Ba’thi’s als codenaam gebruikt voor deze genocide) gezien als de ‘Holocaust’ op het Koerdische volk. 180.000 Koerden komen om, de meerderheid door massa-executies, maar een groot gedeelte ook door gifgasaanvallen, waarvan de getroffen stad Halabdja het meest berucht is geworden, omdat dit uitgebreid is geregistreerd door de internationale pers. Dit geschiedde overigens met gas dat uit Duitsland afkomstig was. Hoe belangrijk Halabdja en de minder bekende vergaste stad Goeptapa (waar geen beelden van bestaan, maar slechts enkele getuigenverklaringen) en vele dorpen die ook een gifgasaanval over zich heen hebben gehad ook geweest zijn, blijft de kern van de Anfal toch de massale liquidatie van hele Koerdische gemeenschappen, die de dood vonden in massagraven in het zuiden van Irak. Nadat de inwoners van complete dorpen werden geconcentreerd in militaire forten langs de Iraanse grens (zoals in het beruchte Fort Koratoe, dat als ‘doorgangskamp’ functioneerde), werden deze vervolgens naar de zuidelijke woestijn afgevoerd, vlakbij de Saoedische grens, waar zij de dood vonden in massagraven, met name in de afgelegen woestijngebieden van de provincie al-Muthanna, waar overigens nu Nederlandse militairen zijn gestationeerd. Vreemd genoeg horen wij hier niets over in de Nederlandse media, terwijl juist hier Saddams grootste massagraven liggen. Getuigen zijn er namelijk genoeg. Saoedische grensbewoners hebben inmiddels vele verklaringen afgelegd over het geknal van deze massa-executies. Ook is een Irakese Bedoeienen familie (Arabisch dus) erin geslaagd om een nog levend Koerdisch slachtoffer uit een massagraf te halen, bij wie hij kon onderduiken. Het betrof de toenmalige twaalf jaar oude Koerdische jongen ‘Taimoer’ (pseudoniem), nu een van de belangrijkste getuigen in de kwestie ‘Anfal’.
Saddam Hoessein benoemt zijn achterneef, ‘Generaal’ Ali Hassan al-Majid (‘Ali Chemicali’, vandaar deze bijnaam, overigens oorspronkelijk slechts een locale politieagent uit Tikrit) tot gouverneur van Koerdistan, om deze volkerenmoord te voltrekken. Een grote tragedie is dat vele Koerden zelf hebben meegewerkt aan deze genocide. Zij vormen de beruchte ‘Djash milities’, loyaal aan de Ba’th, en assisteren in de massamoord op hun eigen volksgenoten (‘Djash’ betekent ‘ezelsveulen’ in het Koerdisch). In het Amerikaanse congres gaan veel stemmen op om Irak, na ‘Halabdja’ (de totale impact van de Anfal was toen nog in het Westen onbekend), te boycotten. Bush senior spreekt echter zijn presidentiele veto uit. Irak is immers een begunstigde handelspartner. Verder schrijft in 1989 het Army War College in Washington een ‘analyse’, waarin getracht wordt aan te tonen dat de vergassing van Halabdja het werk van Iran was.

1990-1991 De Koeweitcrisis en de tweede golfoorlog. Irak valt Koeweit binnen. Hoofdreden van deze invasie is de Irakese beschuldiging aan Koeweit dat het de olieprijzen zou devalueren, tegen de OPEC afspraken in. Verder zit Irak met een enorme schuldenlast na de desastreuze oorlog met Iran. Ook speelt de oude claim op Koeweit een rol, althans voor de legitimatie van deze inval (zoals die van president Qasim uit 1961, maar ook al eerder door de Hashemitische koningen, om de eilanden Warba en Bubiyyan, die de Irakese kust blokkeren, inzake de vrije afvoer van olie. Saddam stelt Ali Hassan al-Majid aan als gouverneur van Koeweit. Onder zijn leiding wordt het steenrijke oliestaatje binnen een half jaar volkomen leeggeplunderd. Honderden Koeweiti’s worden vermoord. Hoewel Amerika willens en wetens het verhaal de wereld in stuurt dat de Irakezen op grote schaal couveuse baby’s zouden hebben vermoord (dit verhaal bleek achteraf een propagandistische leugen), verklaart een niet onbelangrijke ooggetuige (de Koeweitse mensenrechtenactivist en verzetsstrijder Khalid Nasir as-Sabah, een lid van de koninklijke familie, maar die zich altijd heeft verzet tegen de dictatuur van zijn eigen verwanten en meermalen is opgekomen voor de rechten van bijvoorbeeld de zwaar gediscrimineerde Palestijnse minderheid in zijn land)dat Koeweit binnen de kortste keren was veranderd in een soort bizarre kruising van een ‘slachthuis en een schijthuis’. Internationaal onderzoek heeft aangetoond dat de helft van de Koeweitse bevolking nog steeds lijdt aan ernstige psychologische aandoeningen, veroorzaakt door de trauma’s van de invasie van 1990.
Hoewel het Ba’thbewind voor die tijd de mensenrechten niet minder schond, is de wereld opeens te klein om Saddam Hoessein scherp te veroordelen. President Bush en de Britse premier Margaret Thatscher staan aan de voorste linies. Onder leiding van Amerika wordt er een mondiale coalitie gevormd ter ‘bevrijding van Koeweit’, hoewel Koeweit voor die tijd zuchtte onder de dictatuur van de Emirdynastie as-Sabah. Saillant is bijvoorbeeld dat de Koeweitse vrouwenbeweging na de golfoorlog hoopvol steun zocht bij de Amerikaanse regering. Zij kregen echter nul op het rekest, omdat de Koeweitse vrouwen simpelweg niet meer interessant waren.
Met een groot militair offensief verdrijft Amerika Irak weer uit Koeweit. Hoewel Saddam Hoessein de overwinning uitroept in de ‘Umm al-Marik’ (de ‘Moeder aller Veldslagen’), wordt binnen twee maanden het Iraakse leger verpletterend verslagen. Ondanks de suggestie van generaal Norman Schwarzkopf op zijn beroemde persconferenties dat het om een ‘schone oorlog’ gaat, is de gehele infrastructuur van Irak kapotgebombardeerd (ziekenhuizen, elektriciteitscentrales, bruggen over de grote rivieren en waterzuiveringsinstallaties), met rampzalige gevolgen voor de bevolking. Verder is er door de Amerikanen, willens en wetens, verarmd uranium gebruikt. Naast dat vele Amerikaanse golfoorlogveteranen hier nog grote problemen van ondervinden (het zogenaamde ‘golfoorlogsyndroom’), worden er tot op de dag van vandaag in de regio van Basra opvallend veel zwaar gehandicapte kinderen geboren.
Ook vindt er, na de militaire nederlaag, de zogenaamde ‘Grote Intifadah’ plaats. Deze begint in Basra, op initiatief van het Irakese leger, dat halsoverkop Koeweit is ontvlucht. Het startsein van deze Intifada wordt gegeven door de legendarische tankcommandant Abu Haidar, die zijn mannen de opdracht geeft om het grote portret van Saddam op het centrale Sa’ad plein in Basra aan puin te schieten. Abu Haidar is waarschijnlijk gevallen tijdens de Intifadah. Het Iraakse volk komt massaal in opstand tegen het gehate Ba’thbewind van Saddam Hoessein, aangemoedigd door George Bush sr: “But there is another way to stop the bloodshed. The Iraqi military forces and the civilians have now the chance to get rid of their brutal dictator and force him to step aside. This is the day of the Iraqi people”. De Iraakse bevolking van vooral het noorden en het zuiden, maar zelfs ook in Bagdad, geeft gehoor aan deze oproep, in de veronderstelling dat de Amerikaanse troepen steun zullen bieden. Vijftien van de achttien provincies vallen in handen van de rebellen. Op het laatste moment besluit Amerika echter om zich buiten het conflict te houden. De regering in Bagdad slaat de Intifadah in het zuiden neer, wederom onder leiding van Ali Hassan al-Majid, en onder toeziend oog van de Amerikaanse troepen, die geen vinger uitsteken om de wanhopige bevolking te hulp te schieten. Cruciaal in de onderdrukking van de Intifadah is dat Norman Schwarzkopf de Iraakse autoriteiten toestemming geeft gevechtshelikopters in te zetten. Hiermee geeft hij de helpende hand aan Saddam om zijn eigen burgerbevolking af te slachten. Tienduizenden Iraakse burgers (volgens sommige schattingen zelfs meer dan honderdduizend) worden vermoord. De rottende lijken blijven willens en wetens in de straten liggen van de grote Shiietische steden als Karbala, Najaf, Hilla, Babylon, Amara, Diwanniyyah, Sammawah, Nassiriyah en Basra, als afschrikkingseffect. Een gruwelijk detail is dat de Iraakse staatstelevisie na afloop video-opnames uitzendt, waarop te zien is hoe Ali Hassan al-Majid in Basra persoonlijk gevangenen martelt en executeert (zo laat hij hen een glas benzine leegdrinken om vervolgens een explosieve kogel af te vuren, waardoor zijn gevangenen levend in brand vliegen en hun lichamen exploderen). Dit ter waarschuwing aan de hele Iraakse bevolking.
Een groot aantal Shiieten slaat op de vlucht en wordt door de Amerikanen naar Saoedie Arabië afgevoerd. Daar worden zij overgedragen aan de Saoedische autoriteiten die hen in gevangenenkampen in de woestijn opsluit (de kampen Rafha en ath-Thawira), onder een gruwelijk regime. Marteling, dwangarbeid, willekeur en hongersnood zijn aan de orde van de dag. Vrouwen worden regelmatig als prostituees verkocht en de Saoedische kampbewakers zien er geen probleem in om voor flessen whisky gevangenen te verkopen aan de Iraakse Mukhabarat. Jarenlang verblijven zij daar, vergeten door de rest van de wereld (voor de VS had deze groep geen prioriteit meer, terwijl zij, samen met de Saoedische regering, als enige op de hoogte waren van het bestaan van deze kampen, alsmede van wat zich daar werkelijk afspeelde). Uiteindelijk weet een van deze ‘gevangenen’ in 1995 te ontsnappen en via het kantoor van BBC World in Riyadh de VN in te schakelen en worden deze 60.000 ‘vluchtelinggevangenen’ bevrijd door de UNHCR en toegewezen aan verschillende westerse landen, hoewel er tot tenminste 2001 nog altijd mensen in deze kampen werden vastgehouden die daar als slaven werden behandeld. Een aantal van deze vluchtelingen verblijft tegenwoordig in Nederland. Overigens is, sinds een paar jaar, een aantal veteranen van Rafha en ath-Thawira, die verspreid over de hele wereld wonen, bezig met het voorbereiden van een internationale aanklacht tegen, naast natuurlijk de kopstukken van de Ba’thpartij, de regeringsfunctionarissen van zowel Saoedie Arabië als de Verenigde Staten die verantwoordelijk waren voor deze politiek.
Ook de Koerden in het noorden worden tijdens de opstand in de steek gelaten. Er volgt een exodus van twee miljoen Koerden uit de grote steden. Beelden van naar de bergen gevluchte uitgehongerde Koerden aan de Turkse grens gaan de hele wereld over en wekken vooral een mondiaal afgrijzen op. In dit verband wordt er door de Koerden vaak gesproken van het ‘Tweede Verraad van Amerika’ (het ‘Eerste Verraad’ vond plaats in 1975, na het verdrag van Algiers). Wel slagen de Koerden erin om overvolle vrachtwagens, gevuld met documenten uit de kantoren van de Ba’thpartij en de Mukhabarat van Koerdische steden als Mosul, Kirkuk, Irbil, Suleimanya, Zakho en Dohuk, naar het buitenland te smokkelen, waardoor voor het eerst het ‘bureaucratische bewijs’ aan de wereld wordt getoond dat de Anfal als centraal georganiseerde genocide campagne wel degelijk heeft plaatsgevonden (achttien ton gewicht aan papier volgens Human Right Watch). In het westen bestonden er nog altijd twijfels, afgezien van ‘Halabdja’ (waar televisiebeelden van bestaan), hoewel met name in Amerika vaak is gesuggereerd dat dit het werk van Iran was, zie het rapport van het Army War College uit 1989. Nadat Irak Koeweit was binnengevallen zijn de twijfelachtige argumenten van dit rapport overigens klakkeloos overgenomen door linkse oorlogstegenstanders als Edward Said (hoewel hij hier later op is teruggekomen en zijn spijt heeft betuigd), Ramsey Clarke en zelfs zeer recent door oud CIA man Stephen Pelletiere (in voorjaar 2003 en zelfs verschenen op de opiniepagina van de NRC). Ook de propagandamachine van de Ba’thpartij heeft zich, ironisch genoeg, vaak bediend van deze ‘Amerikaanse argumenten’, hoewel ‘Ali Chemicali’ zelf op band heeft toegegeven dat er wel ‘iets’ is gebeurd. “180.000 is een leugen, het zijn er hooguit 100.000 geweest”, riep ‘Saddams bloedhond’ Ali Hassan al-Majid zeer geagiteerd, maar gelukkig wel geregistreerd, aan een onderzoekscommissie van de VN. Nog een andere op band geregistreerde uitspraak van Ali Chemicali uit 1987, binnen de Revolutionaire Commando Raad die onder strikte controle van Saddam Hoessein staat, is: “We pakken die Koerden met gifgas. De hele wereld zal wel protest voeren maar dat kan ons niets schelen”.
Human Right Watch houdt nog altijd vast aan het cijfer 180.000 vermoorde Koerden , wat ook is vastgesteld door de Koerdische oppositie partijen, de PUK en de KDP, gebaseerd op lijsten van verdwenen personen. Recente opgravingen van massagraven lijken dit aantal bevestigen. De belastende documenten zijn door het Iraq Research and Documentation Project van de Harvard Universiteit, dat onder leiding staat van Kanan Makiya, voor een belangrijk deel op internet gezet, waardoor er eigenlijk geen discussie meer mogelijk is over deze kwestie. De Anfal heeft gewoon plaatsgevonden, hoezeer zowel ‘links’ als ‘rechts’ hebben getracht om dit historische drama te ontkennen, ten behoeve van de eigen politieke agenda.

1991-2003 Irak is getroffen door sancties van de VN. Hoewel de bevolking er sterk onder te lijden heeft, blijft het regime stevig in het zadel zitten. Het profiteert zelfs van de sancties, vanwege de hoge inkomsten uit de oliesmokkel (gecoördineerd door Saddams oudste zoon Uday), terwijl de bevolking verhongert, en daardoor te verzwakt is om een nieuwe opstand te beginnen. In Irak voltrekt zich een humanitaire ramp. Volgens UNICEF en de VN functionarissen die verantwoordelijk waren voor het ‘Oil for Food Programm’ (achtereenvolgens de Ier Dennis Halliday, de vroegere plaatsvervangend secretaris generaal van de VN, en de Duitse topdiplomaat Hans von Sponeck), sterven er een miljoen kinderen aan de directe gevolgen van het embargo. Tot 1998 worden er wapeninspecties gehouden, totdat de wapeninspecteurs het land worden uitgezet. Of Irak na die tijd nog massavernietigingswapens bezit of heeft kunnen verkrijgen, is onder de voormalige inspecteurs een omstreden kwestie.
In de loop van de jaren negentig pleegt Saddam Hoessein nog een daad van genocide. Deze keer betreft het de zogenaamde ‘moeras-Arabieren’. Dit volk leeft al millennia lang in de moerasdelta van de Eufraat en de Tigris (tot voor kort een internationaal beschermd natuurgebied), met behoud van eigen tradities, taal en cultuur, en wordt door veel taalkundigen, archeologen en historici zelfs gezien als een laatste restant van de oude Mesopotamische culturen. Naast de Islam kent deze bevolkingsgroep nog altijd pre-islamitische en zelfs pre-christelijke religies, zoals de ‘Manday’ (de volgelingen van Johannes de Doper, met een geheel eigen Heilig Boek, opgesteld in het oud-Aramees) en aanhangers van de oud-Perzische Zoroaster-cultus. Saddam besluit de moerassen droog te leggen en hele dorpen uit te moorden, of te deporteren. In dit geval is er sprake van een humanitair drama, maar ook van een unieke ecologische en culturele ramp.
In ballingschap verenigen een aantal Irakese oppositiepartijen zich in het Iraqi National Congress (INC) dat onder leiding staat van de in Engeland en Amerika opgegroeide wiskundige en bankier Ahmed Chelaby. Deze organisatie wordt in 1993 opgericht in Salahuddin (Koerdistan), maar heeft haar hoofdkwartier eerst in Wenen, later in Londen. Belangrijkste tegenhanger wordt in de loop van de jaren negentig het zogenaamde Al Wifaq Al Watani (Iraqi National Accord, INA) van Ayad Allawi, dat vooral uit ex-generaals, Arabische nationalisten en afvallige Ba’thi’s bestaat. Beide groepen worden om beurten door Amerika gesteund. Het INA tracht in 1996, met behulp van de CIA , zelfs een staatsgreep te plegen. Het complot wordt echter voortijdig ontdekt door Saddams Mukhabarat en alle agenten van INA binnen Irak worden om het leven gebracht. Een andere belangrijke oppositiekracht is de ‘Supreme Councel for Islamic Revolution in Iraq’ (SCIRI) van de recent vermoorde Ayatollah Sayyid Mohammed Bakr al-Hakim, die tot voor kort in Iran zetelde. Deze groepering beschikt ook over een eigen legermacht, de zogenaamde Badr Brigade, die herhaaldelijk de grens oversteekt om aanvallen te plegen op Ba’thistische doelen. De eens zo invloedrijke Irakese Communistische Partij blijkt in de jaren negentig nauwelijks meer een factor van betekenis te zijn, al heeft deze, bijvoorbeeld onder ballingen in Nederland, een opvallend grote aanhang, vooral onder kunstenaars.
In Koerdistan krijgt een smalle strook zelfbestuur, geregeerd door de ‘nationalistische’ KDP (westelijke gedeelte) van Massoud Barzani (de zoon van Mullah Mustafa Barzani) en de ‘Marxistische’ PUK (oostelijke gedeelte) van Jalal Talabani, onafhankelijk van het regime in Bagdad, hoewel zij tot 1994 afwisselend om hulp hebben gevraagd aan Saddam Hoesseins Republikeinse Garde om de tegenpartij uit te schakelen. Tot 1996 is er zelfs sprake van een Koerdische burgeroorlog. Andere partijen in dit conflict zijn de oude pro-Ba’thistische Djash milities, de Shiietische ‘Faili-Koerden’, die een kleine minderheid vormen en de Soennitische islamistische Koerdische IMIK (Koerdische Islamitische Eenheidsbeweging), waarvan de radicale afsplitsing al-Ansar al-Islam van Mullah Krekar het meest bekend is geworden. Na die tijd heeft Koerdistan zich echter kunnen ontwikkelen tot een min of meer functionerende democratische staat, met een betrekkelijke economische groei, ondanks de sancties. Aangetekend moet worden dat het vooral om een ‘zwarte economie’ gaat, omdat ook Koerdistan onder het embargo valt.

2003 – De derde golfoorlog. Binnen drie weken is er afgerekend met het Ba’thregime. Hoofdoorzaak van deze snelle overwinning is dat de meerderheid van de Iraakse soldaten niet wilde vechten voor het zichzelf gediskwalificeerde regime van Saddam Hoessein. Net voor de eerste aanval was al eenderde van het reguliere leger gedeserteerd, maar tijdens de oorlog moeten het er veel meer geweest zijn, ondanks het buitensporige geweld van de Amerikanen. Het verzet dat gepleegd gedurende de oorlogsweken werd was voornamelijk het werk van partijgebonden organisaties als de Republikeinse Garde, de Mukhabarat en de Fedayyeen, als van buitenlandse Arabische vrijwilligers. De meeste Iraqi’s lieten de coalitietroepen passeren en wachtten gelaten af. Van een absolutistische dictatuur is Irak veranderd in een totale anarchie. Aanvankelijk bestond er een grote euforie onder de overgrote meerderheid van de bevolking, maar men weet nog steeds niet wat men van de nieuwe overheersers moet vinden. De eerste tekenen zijn ongunstig. Veel Iraakse ballingen die weer hun land hebben bezocht, maar ook westerse hulpverleners, wijzen bijvoorbeeld op de strenge censuur van de nieuwe Iraakse pers door de Amerikanen. Van de beloofde nieuwe vrijheid komt, voorlopig althans, weinig terecht. Massavernietigingswapens zijn er niet gevonden, maar des te meer massagraven. Voor het eerst zijn een aantal graven van de Anfal geopend (de grootste nog niet). Organisaties als Amnesty International en Human Right Watch zijn, samen met vele Iraake vrijwilligers, bezig om de menselijke schade van vijfendertig jaar Ba’thoverheersing op te nemen. Irak blijft voorlopig bezet door de Amerikanen, met de onduidelijke toezegging dat het land op termijn weer haar autonomie zal verkrijgen. Wel is er een Regeringsraad aangesteld die verrassend representatief is. Zo zijn bijvoorbeeld de communisten en de Shiietische islamisten vertegenwoordigd, niet bepaald de natuurlijke bondgenoten van Amerika. Aangetekend moet worden dat dit niet op het conto van Paul Bremer kan worden geschreven, maar dat dit dankzij de inzet van de inmiddels vermoorde VN gezant Sergio Vieira de Mello tot stand is gekomen. Eerder ondanks de Amerikanen dan dankzij de Amerikanen. De Regeringsraad heeft overigens weinig bevoegdheden, hoewel er een trend is waar te nemen zij steeds meer een onafhankelijke koers tracht te varen en haar macht probeert uit te breiden, ten koste van de Amerikaanse bezettingsautoriteit. Een goed voorbeeld is een conflict tussen de Raad en Paul Bremer over de bombardementen van Israël op Syrië, najaar 2003. De Regeringsraad veroordeelde deze bombardementen unaniem, terwijl Amerika achter Israël bleef staan. Paul Bremer (wellicht na instructies uit Washington)bestond het zelfs om de inmiddels alom geprezen voorlopige minister van Buitenlandse Zaken van Irak, Hoshyar Zebari (in de Raad vertegenwoordiger van de Koerdische KDP, maar die er verder in zijn eentje voor heeft gezorgd dat de top van de Arabische Liga de voorlopige regering van Irak erkent, wat gezien mag worden als een uitzonderlijk grote diplomatieke prestatie) op het matje te roepen. Zebari heeft echter namens de hele Raad voet bij stuk gehouden. Ironisch gezien heeft deze kwestie het gezag van de verder zo verdeelde Regeringsraad versterkt en is het respect voor deze Raad, zowel bij de Iraake bevolking als bij de niet onbelangrijke Arabische Liga, aanzienlijk toegenomen. Verder zegt dit conflict veel over de Amerikaanse neoconservatieve illusies dat een ‘democratisch Irak’ plotseling ‘pro-Israël’ zou worden.
Hoewel Bremer verder de naam heeft van iemand die in regel veel overlegt en goed luistert naar zijn Irakese adviseurs (al bestaat er onder de Iraqi’s ook zeer zware kritiek), dreigen de Amerikaanse autoriteiten de goodwill te verliezen van zelfs de meest welwillende en pro-democratische Iraakse krachten (zelfs van degenen die positief tegenover de oorlog stonden, omdat zij simpelweg van de Ba’th bevrijd wilden worden). Hoewel dit aspect vrijwel geen aandacht krijgt in de westerse pers, kan mijns inziens dit probleem niet genoeg onderschat worden. De oorzaak hiervan is dat het onduidelijk is hoeveel werkelijke macht Paul Bremer eigenlijk heeft. Volgens de mij bekende tijdelijk teruggekeerde Iraakse ballingen ligt de feitelijke macht vooral in handen van consultants en Amerikaanse bedrijven, die de herverkiezing van George W. Bush financieren, zoals Halliburton, Bechtel, Vinell en de Carlyle Group. Een mij bevriende Iraakse journalist, Ismael Zayer, nu hoofdredacteur van ‘as-Sabah’ (‘de Morgen’), een van de eerste ‘vrije kranten’ van Irak, maar met enige ondersteuning van de Amerikanen, werd het zelfs door Amerikaanse functionarissen verboden om computers aan te schaffen voor zijn redactie, waardoor het werk van een kritische en onafhankelijke krant willens en wetens werd gesaboteerd. Uiteindelijk heeft hij twintig computers uit eigen zak clandestien aangeschaft op de zwarte markt in Bagdad, om toch zijn werk te kunnen doen. Mijn verdere bronnen vertellen mij dat er in feite een grote uitverkoop wordt georganiseerd van de potentiële rijkdommen van Irak, over de rug van de werkelijke belangen van de Iraakse bevolking heen. Voor zover ik het kan inschatten, en met mij zowel vele Irakezen zelf als zeer terzake kundige westerse hulpverleners (dit is ook de mening van de Britse historicus Charles Tripp, die een standaardwerk over de geschiedenis van Irak schreef), vormt dit een precedent voor nog grotere rampen in de nabije toekomst, dan het zogenaamde terrorisme probleem dat we nu kennen. Uiteindelijk zal het Irakese volk dit immers niet accepteren en zou het tot een opstand kunnen leiden, waarbij de huidige problemen in het niet vallen. Extreme politiek (zie de memoires van Getrude Bell, van de conferentie van Cairo uit 1921) lokken nu eenmaal nog veel extremere reacties uit, zoals bijvoorbeeld een Ba’thpartij of een Saddam Hoessein. De Amerikanen zouden er goed aan doen om lering te trekken uit de ervaringen van de Britten uit de periode 1920-1958, zoals Charles Tripp dit onlangs op een lezing in Amsterdam betoogde. Een herhaling van bijvoorbeeld de al-Wathbah Intifadah uit 1948, lijkt mij niet echt handig (en dan druk ik mij heel eufemistisch uit).
Overigens blijft het huidige probleem van terrorisme nog altijd een groot gevaar. De Ba’thpartij is ontbonden, maar waar onvoldoende rekening mee is gehouden, is dat de Ba’thistische organisatie altijd haar zogenaamde ‘cellenstructuur’ heeft behouden, in precies dezelfde vorm zoals deze ooit bedacht was door Michel Aflaq en Salah Eddine al-Bitar in 1947 (naar voorbeeld van Lenins Bolsjevistische partij, van voor de Russische Revolutie). De bewering van Donald Rumsfeld dat Saddam wel snel gepakt zou kunnen worden, omdat hij, in tegenstelling tot Osama Bin Laden, niet gewend zou zijn aan een leven als guerrilla-strijder, kan als volslagen onzinnig terzijde worden geschoven. Enige kennis van zijn levensloop leert dat Saddam Hoessein vanaf zijn tienerjaren vooral een revolutionair strijder was, die heel goed weet hoe men in de illegaliteit moet opereren (zie de periode 1959-1968). Saddam is zijn hele leven een beroepsrevolutionair geweest, zelfs toen hij aan de macht was. BBC journalist en ervaren Irak bezoeker John Simpson haalt de woorden aan van Wafiq as-Sammarai, het inmiddels gevluchte hoofd van de Irakese militaire inlichtingendienst, over Saddams positie in oa. de oorlog van 1991: “He enjoyed it, even when he was on the top of his power. He knows what it is to be hunted”. Hoewel het grootste deel van de top van de Ba’thpartij inmiddels gearresteerd of dood is (bijvoorbeeld Saddams zonen Uday en Qusay), blijft het grote gevaar bestaan dat de Ba’th als organisatie vitaal genoeg is om vernietigend terug te slaan, al dan niet onder leiding van de voortvluchtige Saddam Hoessein of de eveneens voortvluchtige beruchte vice-president, partij activist en revolutionair van het eerste uur, Izzat Ibrahim al-Dhoury. Voeg hierbij het onzalige besluit van Paul Bremer om het complete reguliere Irakese leger te ontslaan (dat voor het grootste deel niet uit partij activisten bestond, sterker nog veel generaals hebben Saddam gewetensvol voor bepaalde misdaden enigszins kunnen afremmen, zowel in Iran als Koeweit en zelfs wat betreft de Koerden, zie bijv. de kwestie generaal Maher Abdul al-Rashid uit de Irak/Iran oorlog), zodat een van de machtigste legers van het Midden Oosten ooit nu werkeloos thuis zit, goed en wel getraind maar zonder enig uitzicht op een nieuw perspectief. Een recept voor nieuwe ongelukken is geboren. Verder bestaat er ook het risico van een soort ‘Afghanistan-scenerio’ (qua vechtende tribale groeperingen), hoewel er direct kan worden tegengeworpen dat Irak en Afghanistan weinig op elkaar lijken. Afghanistan is immers het nog meest rurale land ter wereld, terwijl Irak juist een sterke geürbaniseerde samenleving kent.
De wrange ironie is dat Irak mede is aangevallen in het kader van de oorlog tegen het terrorisme. Nu hield Saddam, met zijn Ba’thistische schrikbewind, de islamistische terreurgroepen juist met ijzeren vuist onder de duim. Hoewel er vaak is gesuggereerd dat Saddam contacten onderhield met Al Qaida, is dit nooit bewezen en historisch gezien zelfs zeer onwaarschijnlijk. De ideologie van de Ba’th en die van Al Qaida staan, in de Arabische context, zelfs lijnrecht tegenover elkaar. De ideologen van Saddam waren immers Sati Husri, Michel Aflaq en Salah Eddine al-Bitar, rechts-radicale nationalistische secularisten, terwijl de leer van Osama Bin Laden vooral gebaseerd is op het gedachtegoed van Jamal ad-Dine al-Afghani, Rashid Rida, Hassan al-Banna en Sayyid Qutb, die de filosofische grondslag leverden van het Soennitische fundamentalisme (eigenlijk ‘islamisme’). Al Qaida is in Saoedie Arabië zelfs oorspronkelijk opgericht uit vrees voor een Ba’thistische overheersing van het Arabische schiereiland, na de Iraakse invasie van Koeweit in 1990. Nu Irak in een grote anarchie is veranderd is het juist een broedplaats geworden van vele islamistische terreurbewegingen. Het resultaat hiervan zien wij bijna dagelijks op het nieuws.
De toekomst is uiterst onzeker. Wat de geschiedenis ons in ieder geval kan leren is dat buitenlandse bezetting of inmenging in Irak meestal hoogst ongelukkig heeft uitgepakt. Toch zou de vrede in Irak gewonnen moeten worden, het liefst met brede internationale steun, zonder allerlei deelbelangen, gemanipuleer, uitbuiting of verborgen agenda’s. In dit moeizame proces dienen in de eerste plaats de belangen van de Iraqi’s zelf centraal te staan. Het Irakese volk heeft in de twintigste eeuw immers genoeg geleden en verdient zo langzamerhand een rechtvaardige orde.

Floris Schreve

Literatuur en andere bronnen:

Said K. Aburrish, Saddam Hussain; the politics of revenge, Bloomsbury Publishing, Londen, 2000.
Hanna Batatu, The old social classes and revolutionary movements in Iraq; a study of Iraq’s old landed and commercial classes and of its communists, Ba’thists and Free Officers, Princeton University Press, New Jersey, 1978.
Bert Cornillie, Hans Declerq (ed.), In de schaduw van Saddam; het Koerdische experiment in Irak, Bulaaq/van Halewyck, Amsterdam, Leuven, 2003
Con Coughlin, Saddam; biografie van een dictator, het Spectrum, Utrecht, 2002 (oorspr. titel Saddam; the secret world, Macmillan, Londen, 2002).
Fran Hazelton (ed.), Iraq since the Gulf War; prospects for democracy, Zed Books, Londen, 1994
Samir Al Khalil (pseudoniem van Kanan Makiya), Republic of Fear; the politics of modern Iraq, University of California Press, 1989 (repr. 1998).
Samir Al Khalil, The Monument; art, vulgarity and responsibility in Iraq, Andre Deutch, Londen, 1991.
Jef Lambrecht, De zwarte wieg; Irak, nazi’s en neoconservatieven, Houtekiet, Antwerpen, Amsterdam, 2003.
Kanan Makiya, Verzwegen wreedheid; nationalisme, dictatuur, opstand en het Midden-Oosten (oorspr. titel Cruelty and Silence, W.W. Norton & Company, New York, 1993), Bulaaq/Kritak, Amsterdam, Leuven, 1994.
John Simpson, The wars against Saddam; taking the hard road to Baghdad, Macmillan, Londen, 2003.
Charles Tripp, A history of Iraq, Cambridge University Press, 2000 (in 2002 in het Nederlands verschenen onder de titel Irak; een geschiedenis, Bulaaq, Amsterdam).
Wat betreft de documentatie over de Anfal-operaties, begane oorlogsmisdaden in Koeweit en de onderdrukking van de Intifadah van 1991kan ik verwijzen naar de website van het Iraq Research and Documentation Project (IRDP), van Kanan Makiya en de bekende Irakese hoogleraar sociologie Faleh Abdul Jaber, van de Harvard Universiteit:: http://fas-www.harvard.edu/~irdp/
De in Nederland wonende Irakese schrijver Mowaffk al-Sawad (Basra, 1971) schreef een indrukwekkend relaas over zijn ervaringen in het Saoedische kamp ath-Thawira, waarin hij met medewerking van de Amerikanen terechtkwam na de Intifadah van 1991, Stemmen onder de zon, de Passage, Groningen, 2002. Foto’s van hongerstakingen en andere acties van de gevangenen van Rafha en ath-Thawira zijn te vinden op de website van de Iraakse Communistische Partij: http://www.iraqcp.org/rafha/index.htm
Over de gevolgen van het embargo, zie het beroemde artikel van Edward Said, Apocalyse now, al-Ahram Weekly, Cairo, 28-1-1997. Dit artikel is terug te lezen op: http://www.hartford-hwp.com/archives/27c/1.16.html
Buitengewoon boeiend is het VPRO radio-interview met VRT journalist Jef Lambrecht nav zijn boek De zwarte wieg; Irak, nazi’s en neoconservatieven, over de ideologische wortels van de Ba’thpartij. Terug te luisteren op: http://www.vpro.nl/programma/ochtenden/afleveringen/13914808/
Een goede televisie-uitzending over de relatie tussen Amerika en de landen rond de Perzische Golf is een aflevering van het geschiedenisprogramma Andere Tijden (NPS/VPRO) van 7-1-2003, Nederland 3: http://www.vpro.nl/geschiedenis/anderetijden/index.shtml?4158511+2899536+8106725+9842819
Een andere buitengewoon verhelderende televisie uitzending is een documentaire van Zembla (Vara/NPS), aflevering Kanonnenvoer van Saddam (5-12-2002, Nederland 3). Het betreft uitgebreide interviews met nauw betrokken functionarissen bij het internationale Irakbeleid van de afgelopen twaalf jaar, zoals Peter van Walsum, Scott Ritter, Dennis Halliday en Hans von Sponeck. Ook blikken veel in Nederland wonende Irakezen terug op hun belevenissen van tijdens de onderdrukking van de Intifadah van 1991 en geven zij hun visie op de aanloop tot de oorlog van 2003. Aan het woord komen oa. de Koerdische journalist en politicoloog Mariwan Kani, de schrijver Mowaffk al-Sawad, de dichter Naji Rahim, beide veteranen van de 1991 Intifadah in het zuiden en van het Saoedische kamp ath-Thawira, de voormalige officier Mohammed Witwit (daar nog vermomd en onder de schuilnaam Jafar), leider van de opstandelingen in Babylon, en de hoogleraar economie Isam al-Khafaji. In deze documentaire worden een paar zeer interessante dingen gezegd. Peter van Walsum poneert het eigenlijk enige goede argument ‘voor oorlog’ (‘er zijn uitzonderlijke situaties denkbaar dat oorlog humaner is dan sancties’), terwijl Isam al Khafaji (hoewel zelf zeker geen medestander van de Amerikaanse neoconservatieven, toch vaak door het Pentagon is geraadpleegd als prominente intellectuele Iraakse adviseur) de naar mijn mening enige juiste analyse geeft van de werkelijke motieven van Amerika om Irak aan te vallen, iets wat ik verder in de Nederlandse media zo node heb gemist. Terug te zien op: http://redir.vara.nl/tv/zembla/welcome2.html?20021205/zembla
Zeer aanbevelenswaardig is de uitzending van VPRO’s Tegenlicht, aflevering Wat moet ik weten om de oorlog te begrijpen? (Nederland 3, 30-3-2003). Het betreft een gesprek tussen de wetenschappers Erik-Jan Zurcher (hoogleraar Turkse taal en cultuur, UL), H.W. von der Dunk (emeritus hoogleraar westerse cultuurgeschiedenis, UU) en Paul Aarts (docent internationale betrekkingen van het Midden-Oosten, UvA) over de laatste Irak-oorlog. Online is deze aflevering terug te zien op: http://info.vpro.nl/info/tegenlicht/index.shtml?7738514+7738518+7738520+11198995 – loadvariables
Om met een kleine aardigheid af te sluiten; het is inmiddels bewezen dat Saddam Hoessein gebruik maakte van dubbelgangers. Dit is aangetoond door de Duitse forensische arts, Dr. Dieter Buhmann. BBC journalist John Simpson heeft hem voor in zijn boek uitgebreid geraadpleegd. Wie dit op televisiebeelden wil zien, kan ik een reportage van Nova aanraden (gekocht van de Duitse ZDF) van 27-9-2002. Online te zien op: http://www.novatv.nl/index.cfm?cfid=13897380&cftoken=76391653&ln=nl&fuseaction=videoaudio.details&reportage_id=1118

Hier een documentaire van History Channel, waarin 4500 jaar geschiedenis van Mesopotamië/Irak wordt samengevat in anderhalf uur:


Deel 1, zie hier deel 2 en deel 3

Floris Schreve

Links naar artikelen en uitzendingen over kunstenaars uit de Arabische wereld, gerelateerd aan mijn scriptie

Links naar twee artikelen van mijn hand en uitzendingen over kunstenaars uit de Arabische wereld in Nederland (vl. Irak, maar ook over een Egyptenaar en twee Marokkanen). Ook wat links naar sites van kunstenaars en een vernieuwend en toonaangevend kunstinstituut in Jordanie. Al deze zaken hadden (zijdelings) te maken met mijn scriptie over hedendaagse kunstenaars uit de Arabische wereld in Nederland.

1. Saskia en Hassan gaan trouwen; Achnaton Nassar, een kunstenaar uit twee culturen

Een solo expositie van de in Nederland wonende en werkende Egyptische kunstenaar Achnaton Nassar, in de Universiteitsbibliotheek in Leiden, voorjaar 2001.

http://bc.ub.leidenuniv.nl/bc/tentoonstelling/Saskia_en_hassan/object1.htm#2

2. Out of Mesopotamia; de versplinterde identiteit van de Iraakse kunstenaars in de diaspora

Een artikel, oorspronkelijk verschenen in ‘Leidschift’, het tijdschrift van de vakgroep geschiedenis van de Universiteit Leiden. Over de ontwikkeling van de Iraakse moderne kunst, de verwording en het misbruik onder regime van de Ba’thpartij en de voortzetting van de Iraakse avant-garde in ballingschap, in Nederland, maar ook elders.

http://www.leidschrift.nl/artikelen/jaargang17/17-3/06%20SCHREVE.pdf

3. Beeldenstorm (Factor, IKON).

Wat was de relatie tussen kunst en massapropaganda in Irak onder het regime van de Ba’thpartij van Saddam Hussayn? vijf Iraakse kunstenaars in Nederland (Qassim Alsaedy, Ziad Haider, Ali Talib, Fawzi Rasul en Iman Ali) vertellen hun verhaal.

http://www.ikonrtv.nl/factor/index.asp?oId=924#

4. kunstenaar Qassim Alsaedy bezoekt na jaren weer Irak en maakte een lange film over zijn bevindingen (hier samengevat in een korte reportage in RAM, VPRO, 19-10-2003)

http://www.vpro.nl/programma/ram/afleveringen/14421835/items/14495412/

link naar Darat al-Funun

Een instituut en museum voor moderne en hedendaagse kunst in Amman, Jordanië, waar vele goede initiatieven worden genomen op het gebied van de hedendaagse kunst uit de regio. Naast natuurlijk de Jordaniers wordt deze instelling sterk gedragen door Palestijnen en Iraqi’s, waarvan er velen in Jordanie in ballingschap leven

http://www.daratalfunun.org/

website van de Marokkaanse kunstenaar Rachid Ben Ali http://www.witzenhausengallery.nl/artist.php?mgrp=0&idxArtist=185

website Marokkaanse kunstenaar Nour Eddine Jarram  http://www.noureddinejarram.nl/

links werk Qassim Alsaedy http://www.kunstexpert.com/kunstenaar.aspx?id=4481 en http://qassim-alsaedy.com/biografie.html

De website van Ziad Haider (helaas overleden in 2006) http://www.ziadhaider.net/home.php

Verder voor de theoretische achtergrond waarin ik de kunst en de receptiegang heb geplaatst (voert wat ver om hier helemaal uit te leggen, zie de verschillende artikelen) een interview met Edward Said (op youtube). Hier deel 1, daarna doorklikken voor de volgende delen:

http://www.youtube.com/v/xwCOSkXR_Cw&hl=nl

Ziad Haider, zonder titel, 1997

Ziad Haider (al-Amara, 1954-Amsterdam, 2006), zonder titel, tekening, 1997. Deze tekening is een onderdeel van een serie werken die de kunstenaar maakte als herinnering aan zijn verblijf in de Abu Ghraib gevangenis, ten tijde van het regime van Saddam.

Floris Schreve

Zie op dit blog ook:

Iraakse kunstenaars in ballingschap

Drie kunstenaars uit de Arabische wereld

Hedendaagse kunst uit de Arabische Wereld en Iran (verschenen in Kunstbeeld, april 2011)

Modern and contemporary art from the Middle East and North Africa

Lezing moderne en hedendaagse kunst uit de Arabische wereld

Irak terug op de Biënnale van Venetië

An impression of the Arab contributions at the Venice Biennial

Ziad Haider (begeleidende tekst
tentoonstelling)

Qassim Alsaedy (begeleidende tekst tentoonstelling)

Interview met de Iraakse kunstenaar Qassim Alsaedy

Hoshyar Saeed Rasheed (beleidende tekst tentoonstelling)

Aras Kareem (begeleidende tekst tentoonstelling)

Denkend aan Bagdad- door Lien Heyting

Nedim Kufi en Ahmed Mater; twee bijzondere kunstenaars uit de Arabische wereld nu in Amsterdam

Kunstenaars uit de Arabische wereld in Nederland (Eutopia, 2011)

Zie ook mijn nieuwe Engelstalige blog over oa hedendaagse kunst uit de Arabische wereld On Global/Local Art

ICTango - De zakelijke communcatie specialist

Interview met de Iraakse kunstenaar Qassim Alsaedy – قاسم الساعدي

301339642_6_MRAy[1]  

Voor mijn scriptie-onderzoek naar kunstenaars uit Arabische landen in Nederland heb ik zo’n twintig kunstenaars geïnterviewd. Meestal waren dat functionele gesprekken, vooral bedoeld om data te verzamelen. Zelden waren het mooie afgeronde verhalen. Dat lag niet aan de kunstenaars maar aan mij. Het ging mij in de interviews er vooral om zoveel mogelijk feitenmateriaal te verzamelen. Ook verliepen sommige gesprekken weleens wat chaotisch, sterk van de hak op de tak springend. Maar deze gesprekken waren veelal een middel en eigenlijk nooit het einddoel. Een enkele keer is er een mooi en gestructureerd interview uitgekomen, ook nog met een bijzondere kunstenaar. Mijn gesprek met Qassim Alsaedy (Bagdad, 1949) werd een onverwacht mooi geheel. Dat lag niet zozeer aan mij, maar vooral aan hem.

301339643_6_yhVY[1]

Zijn werk was me opgevallen in een catalogus uit Rijswijk, waar hij met vier andere gevluchte Iraakse kunstenaars exposeerde, georganiseerd door vluchtelingenwerk. Ik vond zijn werk er toen al uitspringen en besloot om een keer op atelier-bezoek te gaan om hem uitvoerig over zijn werk te bevragen.
Naast het bijzondere verhaal dat hij over zijn werk te vertellen had, bleek ook zijn levensverhaal buitengewoon indrukwekkend (voor zover je die twee zaken kunt scheiden, langzamerhand ben ik ervan overtuigd dat dit vrij moeilijk is). Nadat we eerst op een paar algemene zaken van zijn werk ingingen en zijn achtergrond en opleiding als kunstenaar in Irak, nam het gesprek een bijzondere wending. Wat mij betreft is dit een van de meest bijzondere verhalen over hoe kunst kan overleven die ik ooit gehoord heb, zelfs in een extreem totalitaire samenleving. Het gaat in een belangrijke mate over het nastreven van vrijheid en schoonheid, tegen de verschrikking van dictatuur en oorlog in. Het verhaal van een sterk individu tegen een tiranniek systeem. Van een goed kunstenaar en iemand die weigerde compromissen te sluiten met een verdorven regime of een totalitaire ideologie en daarvoor een hoge prijs moest betalen. Naast over zijn werk vertelt de kunstenaar over zijn verblijf in ‘al-Qasr an-Nihayyah’ (‘Het paleis van het Einde’, de voorloper van de tegenwoordig overbekende en beruchte Abu Ghraib gevangenis) en over zijn tijd bij het Koerdische verzet in de bergen van Noord Irak. Vervolgens zijn uitwijken naar Libie, waar hij Khadaffi’s krankzinnigheid van nabij meemaakte, om uiteindelijk in Europa terecht te komen.

301339644_6_3JDX[1]

 

Inmiddels is het de kunstenaar goed vergaan. Hij is verbonden aan een gerenommeerde galerie en exposeert in binnen een buitenland. In 2006 had hij zelfs een grote solo expositie in het Flehite museum te Amersfoort, die werd geopend door de nieuwe (dus ‘post-Saddam’) ambassadeur van Irak in Nederland. Ook is hij inmiddels meermalen op televisie verschenen en hebben diverse media geruime aandacht aan hem besteed (zie ook de linkjes in mijn blog over kunstenaars uit de Arabische wereld). Toe ik hem interviewde was dit echter nog niet het geval en behoorde hij tot de groep onbekende en ontheemde gevluchte kunstenaars uit Irak, waar het regime van Saddam Hoessein nog oppermachtig was.
Hoewel ik veel uit dit materiaal heb geciteerd (in mijn scriptie, lezingen en diverse artikelen) heb ik het interview nooit integraal gepubliceerd, terwijl het alleszins de moeite waard is, zelfs ongeredigeerd. Bij deze dan op mijn blog. Het gaat hier om de onbewerkte tekst van de band, maar die is al mooi genoeg. De werken die in het interview worden getoond zijn uit de tijd dat ik de kunstenaar voor het eerst sprak (periode 1999-2000). Het hier getoonde beeldmateriaal is overigens van recenter datum.

 

301339645_6_5emU[1]

 

Mijn artikel uit ‘Leidschrift'(van de vakgroep geschiedenis van de Universiteit Leiden), waarin ik het werk van Qassim in de bredere context van de Iraakse moderne en hedendaagse kunst bespreek: http://www.leidschrift.nl/nl/archief/173-de-maatschappij-verbeeld-in-de-kunst/out-of-mesopotamia-de-versplinterde-identiteit-van-de-irakese-kunstenaar-in-diaspora

De hier getoonde werken komen uit de serie/installatie ‘Last Summer in Baghdad’, 2003/04. De kunstenaar maakte deze serie werken nav zijn eerste bezoek aan zijn vaderland, in de zomer van 2003, na de Amerikaanse inval en de val van het Baathregime.

Voor zijn meest recente werk, zie de website van Frank Welkenhuysen (zijn galeriehouder):

http://www.kunstexpert.com/kunstenaar.aspx?id=4481

televisie uitzendingen gewijd aan (oa) Qassim Alsaedy:

Beeldenstorm (Factor, IKON)

http://www.ikonrtv.nl/factor/index.asp?oId=924#

RAM (VPRO, 19-10-2003)

http://www.vpro.nl/programma/ram/afleveringen/14421835/items/14495412/

Twee andere interviews:

http://www.actum.org/05/Welkenhuysen/default.htm

Zie op dit blog ook Drie kunstenaars uit de Arabische wereld , Iraakse kunstenaars in ballingschap en de begeleidende tekst van de Tentoonstelling van Qassim Alsaedy uit 2011

 

INTERVIEW QASSIM ALSAEDY –  قاسم الساعدي (Baghdad 1949)

Could you tell me something about the art education in Bagdad?

I studied in Bagdad from 1969 till 1974. I lost one year in the political Underground Prison, to which I was kidnapped, for political reasons. Because I was sent to this awful place I studied five years on the academy for painting. Beside studying we were educated in the European culture. There was a great knowledge of the history of European painting.

Baldin Ahmad told me the art education in Bagdad is very European focussed.

We studied art according the Italian, French or other European methods. You have to see this training as a kind of key,  which can open doors when you want to see more, especially when you have dreams to be an artist. So you have to research when you want to be someone.

What I really want to know, why there was a lack of interest in the Arab and Islamic arts, for example the calligraphic tradition?

When we studied art history, we studied it in general. When you study the arts of the prehistory till the present, seven thousand years of culture in four years, it stays on a very general level.

I was told you were mainly educated about Rembrandt and Michelangelo.

We had maybe too little information about contemporary art. We learnt about Rembrandt, about van Gogh, maybe some later. Picasso, he was ok, but then it stopped.

So no Pop Art or Joseph Beuys?

We learnt about the arts before the First World War. After the First World War and the Second World War in Europe there became a huge complex of new ideas in art, in culture and in economy. For us it is very important what had happened later. I mean, what is the influence of war and peace? What had really happened? What is the realistic and what is the abstract? So you have to research it yourself, because the lessons in art history were so limited.

You work in an abstract way. The Arabic and Islamic art have a long abstract tradition. Are you influenced by this tradition?

First I have to tell you we studied according to the European style. The brushes, the canvas, all those supplies were European. Although we were trained like European artists I personally think Europe doesn’t need more artists, from other continents, working in the same way and thinking. I am convinced that the contemporary world culture needs some other air or some other elements, to enrich the blood of the international art. Anyhow, I believe that I, who grew up in Iraq, or Mesopotamia, or the Middle East, have to use a lot of elements to make art. In this way I can feed another and I can share these elements with the world. I can say, look, I have some things, and I like to say something different. It is a way to enrich yourself, some others and to enrich the world.In my background I can find a lot of elements. For example in Asia we use the lines. We use them more than the fields of colour. In our tradition lines are more active, making more life in the painting. It is for the simple reason we have sharp lights. It is because of the sun, there is a sharp contrast in light and shadow. For example in Holland the shadows are quiet misty, so that is the reason in Northern Europe the lines are less important than in Asia. So I use the lines because it is a part of my heritage.Beside we have also the sense for the letters. For me I have not the same aim of the calligrapher. I respect the form of the letters, but all the letters, from all the alphabets in the world. I studied different alphabets, how they can be used to make magic.

 

Using the letters in an alchemistic way?

Exactly. Well, we have the alphabet of Adam, our grandfather, there is the alphabet of David, of Jesus, of Mohammed, whatever, of all these prophets. You see, all these letters are factually abstract drawings. You can use them phonetic but they are abstract symbols. I am interested in reusing these materials, but not to make a text.For example here you see some lines, like traces on a wall, which became my theme later. Some of them seem like letters. But I mean I never want to make a text. It is interesting to see the traces of letters on a wall, the old writings. For me it is very humanistic because they are always traces of human life. So I like this form to make an image, not to make a sentence.

I read that the ancient ruins of Babylon and Ur play an important role in your work.

Yes, when I lived in Bagdad I travelled very often to Babylon, which is very close to Bagdad. It is interesting to see how people reuse the elements of the ancient civilisations. For example, my mother had an amulet of cylinder formed limestones. She wore this amulet her whole lifetime, especially using it when she had, for example a headache. Later I asked her: “Let me see, what kind of stones they are?” Then I discovered something amazing. These cylinderstones, putting them in the clay, left some traces like the ancient writings on the clay tablets. There was some text and there were some drawings. It suddenly looked very familiar. I asked her: “what is this, how did you get these stones?” She told me that she got it from her mother, who got it from her mother, etc. So you see, there is a strong connection with the human past, not only in the museum, but even in your own house. When you visit Babylon and look to the Ishtar Gate, you find the same traces of these stones. So history didn’t end.In my home country it is sometimes very windy. When the wind blows the air is filled with dust. Sometimes it can be very dusty you can see nothing. Factually this is the dust of Babylon, Ninive, Assur, the first civilisations. This is the dust you breath, you have it on your body, your clothes, it is in your memory, blood, it is everywhere, because the Iraqi civilisations had been made of clay. We are a country of rivers, not of stones. The dust you breath it belongs to something. It belongs to houses, to people or to some texts. I feel it in this way; the ancient civilisations didn’t end. The clay is an important condition of making life. It is used by people and then it becomes dust, which falls in the water, to change again in thick clay. There is a permanent circle of water, clay, dust, etc. It is how life is going on and on.I have these elements in me. I use them not because I am homesick, or to cry for my beloved country. No it is more than this. I feel the place and I feel the meaning of the place. I feel the voices and the spirits in those dust, clay, walls and air. In this atmosphere I can find a lot of elements which I can reuse or recycle. You can find these things in my work; some letters, some shadows, some voices or some traces of people. On every wall you can find traces. The wall is always a sign of human life.

 

Do these ancient civilisations have a message for our time?

First I have to say we have the European Art. Further we have some uneuropean elements you can find them in many places. Sometimes I think about the caves of the prehistoric Sahara civilisations. You can find them on the border of Libya and Algeria. There you can find a lot of written messages. They couldn’t really write like our way of writing, but you find a lot of drawings. When I lived in Libya I studied them. Some of those Primitives were my teachers. They draw layers over layers, to tell their messages. For me these drawings are very important. Later I used somehow of the drawings, but then in a modern way. In more recent European Art we learned children drawings are very important. As such are also the drawings of the childhood of mankind important, just as important as our own first drawings. We have to use those elements to create something new. I believe that this happened in a certain way in Europe. We have to reuse our heritage to make something new. You can think a lot of things are very old, but you can reuse those elements again and again. All these elements are still alive. It is difficult to say that things in a museum are old and have no life. If you say that, why don’t you close it. It is shown because it still has a meaning. We still like to see them, because we like to think of our childhood as human beings. Maybe we would like to communicate with those cultures, with those people. Maybe we would like to catch the spirit of history when we put our shadows on those things, the old statues or the old paintings. I enjoy history as I enjoy present time. I can find many things and it is also available for anyone to find some other elements or sources to create something new. I think the history and the art is still available in somehow, still alive for anyone who wants to communicate with the past or the present. They still give you spots of life and some sense of meaning. It gives you always the possibility to make a dialogue.

In the time you studied on the academy in the nineteen-seventies, in Bagdad an avant-garde group was founded called the “One Dimension Group”. They worked, just as you do, with abstract symbols and signs. Were you related to them?

The artist who created this group, Shakir Hassan al-Sai’id, was my teacher .

Really? It is amazing to see how things fall in their place. Some artists discussed in  historical books, such as the books of Wijdan Ali and Brahim Alaoui, are related to the artists living in the Netherlands which I am researching. For example Baldin Ahmad told me he was a student of Faik Hassan and Jawad Salim.

Faik Hassan was my teacher also, and Jawad Salim, who died very early,  was in a certain way also a teacher for me, but in a more symbolic way; for me he was a symbol of a good artist. But Faik Hassan was my teacher for painting in the primary school, while Shakir Hassan al-Sai’id was my teacher in the secondary school. But I never joined the one dimension group. Some of the work this group produced I like very much but in general it was not so clear what is really one dimension art. Shakir Hassan al-Sai’id had a certain concept, but it was difficult to say this is one dimension art. There were a lot of artists who joined that group, but they had no any idea what they were doing. Just using some letters or abstract lines and they saw it as one dimension art. When it looked a little bit to calligraphy, it was enough.

Another aspect of your work, I read in some articles, is that your paintings are a kind of messages to your mother, who isn’t able to read or write. Could you explain it for me?

Well, for me in my position, because I had to leave my country, it is very important how to communicate with my mother. You have to know she developed a kind of a writing system. Of course she couldn’t write but she used a kind of abstract drawings. For her it had the same meaning of a text. Some abstract lines, she liked to use the pencil. It was a really important lesson to me. At first, to learn to communicate and sending her something how I feel about some things and I believe she can feel those drawings, even there is no exactly meaning.  Those drawings she felt about it. I am sure because they were so basic humanistic. Later this meaning became something bigger. It became for me a symbol, a symbol for the land, a symbol for my country, a symbol of place, a symbol of the people. For this mother, the Great Mother, but also my mother, the woman who made me, my own mother and the Big Mother I make my messages. In this way I communicate with her, I still talk with her, because she is a great symbol. For the painting her soul, her existence, is really essential. For her I make my symbols, my elements, my language. I am drawing my things to her. So therefore are my lines still lines, because I write for her. The line is anyhow important so I still work with the line, so they are still active in my paintings.

Sometimes there are some realistic signs in your work, like flags, or the roofs of houses. For example your painting “Rhythms in Blue” (oil on canvas, 1997), shown at the exhibition “Versluierde Taal”(museum Rijswijk, 1999) looks a little bit on a city by night. Also the pyramid form is an essential motif in your paintings. Can you explain why?

Well, this work I like to talk about it ( http://florisschreve.hyves.nl/fotos/355737279/0/uiES/?pageid=C5R662MESRSO4K8S). The original painting, which is now in the gallery Kunstliefde in Utrecht, I made it in my flat in Bilthoven, which is on the eight’s flour. I like Utrecht and I can see the tower of the church. About the painting someone asked me: “Where is this place?” Well, for me it was Bagdad. While I was looking to Utrecht, I was thinking on Bagdad. So it is mixed, those two places.And the triangle, it is an old form. For me it has a spiritual meaning. It is the symbol of the people who are striving to the divine, like the Dom of Utrecht. You can also find the triangle as an important symbol in North Africa, like in Libya, where the triangle is a symbol of the goodness.

I read sometimes the suffering in your country plays an indirect role in your work, like the black fields of Kurdistan. Can you tell me more about this? Did you see them yourselves?

Yes I saw them because I lived there.

You are not Kurdish I read?

No, I am Arab, but I joined the movement which was against the regime. I worked there also as an artist. I exhibited there and made an exhibition in a tent for all these people in the villages, but anyhow, the most amazing was the Iraqi regime uses a very special policy against Kurdistan, against this area and also against other places in Iraq. They burned and sacrificed the fields by using enormous bombings. So you see, and I saw it by myself, huge fields became totally black. The houses, trees, grass, everything was black. But look, when you see the burned grass, late in the season, you could see some little green points, because the life and the beauty is stronger than the bastards. The life was coming through. So you saw black, but there was some green coming up. For example I show you this painting which is extremely black, but it is to deep in my heart. Maybe you can see it hardly but when you look very sensitive you see some little traces of life. You see the life is still there. It shines trough the blackness. The life is coming back.

Why did you move to Libya?

I moved to Libya because I had no any choice to go to some other place in the world. I couldn’t go for any other place, because I couldn’t have a visa. It was the only country in the world I could go. Maybe it was a sort of destiny. I lived there for seven years. After two years the Kuwait war broke out in Iraq followed by the embargo and all the punishments. In this time it was impossible for a citizen of Iraq to have a visa for any country in the world.

 

Also it was impossible for a refugee?

Of course it was possible for a refugee, but for me didn’t ask for a refugee status, because I said: “Well, when I am still capable to feed myself, I didn’t want to go to Europe and ask for support. I am an artist, who still can work.” If I can feed myself, if I can work, if I have one square meter to stand on, I am aware I am alive and will be still there, even when it is very difficult. When you lose this last square meter you have to look for an other place to stand.

So you worked in Libya as a lecturer on the art academy?

Yes, I worked as a teacher on the academy of Tripoli, but the most interesting thing I did there was making many huge wallpaintings. The impossible happened when the citycounsel of Tripoli supported me to do something like that. I had always the dream how to make the city as beautiful as possible. I was thinking about Bagdad when I made it.My old dream was to do something like that in Bagdad, but it was always impossible to do that, because of the regime. I believe all the people in the world have the right on freedom, on water, on sun, on air, but also the right on beauty. They have the right on beauty in the world, or in their lives. So one of my aims was to make wallpaintings and I worked hard on it. They were abstract paintings, but I tried to give them something of the atmosphere of the city. It is an Arabic, Islamic city with Italian elements. I tried to make something new when I studied the Islamic architecture. I worked on them with my students and so something very unusual happened, especially for the girls, because in our society it is not very usual to see the girls painting on the street. It was a kind of a shock, but in a nice way. It brought something positive.

The people in the street liked what you were doing?

Yes, they liked it very much, so they asked me to do same thing five years later.

After Libya you moved to different European countries?

First I exhibited at a very nice festival at Tunisia (International Festival of Plastic Arts, Almahris, 1990, 1991, 1992). For three years I was invited to join the festival. It was a good opportunity for me to meet many artists from many continents, from Europe and the others. There were a lot of artists from France, Belgium, Germany and other countries. Since this event I thought, look, let us do something, let us talking, let us be working together. Let us look for this crazy war which it is still going on. I am against the war anyway. What happened in Kuwait and what happened in my country is a very sad story. Let us stop talking with guns, and all the craziness. Let us talk in a civilised way. Let us talk in art and let us talk about what is good for all the people. Of course you can talk a lot about all these crazy people, from Hitler to Saddam Hussein, Mussolini, Stalin, etc. Let us talk in a good way. Let us do something. In this way we tried, me and some colleagues, to make a dialogue, to work together in art. To work together with the art from all the continents in an equal and nice way. So we did something in Tunisia, something in France (International Art Festival, Tonnay-Boutonne, 1993). I think the artists can make a good dialogue between all those people, better than the politics and the governments.

Do you have an explanation for the fact that contemporary art from the Arab World is such an isolated and unknown phenomenon?

I believe that the policy of all those education and information ministries is very bad. I mean, the ministries from the Arabic administrations. In the Arabic countries the culture and the art stand in the back. In general, the governments are not interested to show what their countries really have. The artists have to manage everything themselves. It is really hard that artists have to manage themselves to communicate, to find a place, or to enter the European cultural life. Since the last twenty years you see the artists try to find a place, to escape. Our teachers, most of them, have studied in Europe before they turned back to Iraq. But how to show what you have is really difficult. In Europe making art is much more easier because you don’t have those crazy leaders we have in Arab countries, those regimes, those horrible things.

 

Well I noticed that not only in Iraq, but even in Jordan there is no freedom of press.

In none of these countries there is any freedom. Maybe in Lebanon you could feel yourself a little bit free, but the other countries are absolutely very bad. It is very difficult to make good art in Iraq, in Libya, in Yemen, or in Sudan, they are all really horrible. You see for those terrible governments and ministries it is not important to send an exhibition every year, or maybe in three or five years, to send out what the country have in the field of art. Also it is difficult to show all you have in a good way, because some have the opportunity more than the others. It depends on your relationship with the government and the ministry.

Is there also a lot of misuse of good art by these regimes? For example, according Wijdan Ali and Brahim Alaoui, Ismail Fattah is one of the most important sculptors of the Arab world. According another publication, however, “The Monument; art, vulgarity and responsibility in Iraq”, by Samir al-Khalil (pseudoniem van Kanan Makiya), which was published in London, Ismail Fattah makes large monuments, everywhere in Bagdad, to honour the martyrs of the “Great War of the Fatherland” against Iran. In Wijdan Ali’s book, “Contemporary Art from the Islamic World” (Amman, 1989), which I believe it is very important because it is so unique in its kind, it is shocking to read how the author of the chapter about Iraq, May Mudaffar, writes about Ismail Fattah. She describes these monuments, but she never discusses the political background. Maybe it is impossible to do, because there is censorship in Jordan, but I think this example shows there is an enormous problem in integrity how to deal with art and how to have a decent art criticism.

In Iraq we have many good artists. But these artists didn’t sell themselves in a cheap way. Some artists respected themselves. But some others they sold themselves, in a cheap or an expensive way. The market was open and you could have the choice. You could be send to the jail, or worse to the political underground jail, or putted in the shadow. The other option was to be made very famous and to be a millionaire, but then you have to work with them. It already begun when we were at the academy. The Baath party was in power for one year (1968) and they had a problem; no artist was a member of this party, no artist wanted to join such a thing. So they came to the academy and said: ”Well we are the party which is in power, and we need some artists to make an exhibition”. They asked for the most talented students. So we were invited for a meeting to drink some tea and to talk. Well, ok we went to that meeting. They told us they liked to exhibit our works, in a good museum, with a good catalogue and they promised all these works would be sold, for the prize we asked.  It seemed that the heaven was open for us and we said, ok, that’s nice. Then they came with their conditions. We had to work according the official ideology  and they should give us specific titles. We refused their offer, because we were artists. When we agreed we would sold ourselves and it would be the first step to hell.Later they found some very cheap artists who joined them. All their paintings had been sold. It was really shit, but the prizes were high. One of them, I know him very well, he bought a new villa and a new car. And in this way they took all this rubbish from these bad artists, and showed them and said: “Well, this is from the party and these are  the artists from Iraq”. The others were put in the dark side of the cultural life. Really, you can find a lot of good artists, a lot of honest artists. When you see the list of good artists and writers who left Iraq, than you really can see what  kind of a country this is! For example one of the pioneers of modern art in Iraq, Mahmoud Sabri, who is making really very fine art, lives now in Prague. He was a good educated man, better than Faik Hassan and Jawad Salim, but he left Iraq for a long time. So it happened with a lot of other good artists. There are a lot of good artists, outside Iraq and some inside Iraq. However, the sculptor and ceramist you mentioned, Ismail Fattah, works for the regime for a long time. I admire him for his work in the sixties and I feel sorry for him now.

 

What is your opinion about the quality of institutions for contemporary art in the Arab world, for example the Darat al Funun in Amman, the Nicolas Sursock museum in Beirut, or the Sharjah Biennale in the United Arab Emirates?

I believe, the Darat al Funun and some others, they are very good.

Is there not also the problem of censorship?

Well, in Jordan you can exhibit what you want. For the Iraqi artists it was the only hope to reach Amman, because it was the only opportunity to exhibit your work. The border to Jordan is the only one which is open, because we are totally isolated from other countries. For us Amman is the only gate to the world, because most of the Iraqi artists became very poor, so they couldn’t go further. Most of the Iraqi artists exhibited there, but the pity thing is, they had to sell themselves in a little bit cheap way, because the art market in Jordan is so small, so limited, when you have such a number of Iraqi artists.  But in general, when you find in Jordan, which is such a poor country, four or five art centres, it is very nice.In Lebanon there are also good institutions for contemporary art. In the gulf countries they have no tradition to deal with art.

Money enough, I should say.

Yes, but no money enough to send them to the artists. But you see, in contrary to the ministries, some small particular initiatives are sometimes very good. I saw it in Tunisia and there is also a wonderful gallery in Tripoli, the Dar al Funon.

One of the most important questions I would like to ask for my research is, have you ever noticed some misconceptions about Arab culture in the west? Have you ever dealt with some prejudices about the “Orient”? I ask you this, because I would like to research in what way the notion of “Orientalism”, from the Palestinian philologist Edward Said, plays a role in receiving the art from Arab countries.

This is an important point. Look, in Iraq we studied the art history of Europe so we know a lot about it. But in Europe there is a very little information about our culture, on our art. Many of our teachers went to study in Europe. We have also a lot of institutions. We have three academies and a few museums. This is nothing compared by in Egypt, or in Lebanon, or even in Syria. But when you are in Europe and you tell you are an Iraqi artist, they put you in a very small and tiny corner. It means they ask you: “Do you work in a traditional way? Do you make traditional arts and crafts? Do you make decoratives, or calligraphs?”  I say then: “No, I am making modern art”. Some of them ask: “So you are an artist. Did you know something about art when you were in your country, or did you learn it here?” I say: “I worked in my country as an artist”. “Did you make paintings in your country?”. I say: “Yes!”. “Did you exhibit in your country and did you sell work in your country?” .”Yes”.Sometimes it is really painful. Why are we so isolated? Well, of course we have been isolated, from Europe, because we have a crazy regime. And it is not only our regime, also the Libyan regime, or whatever regime. But on the other hand, there is no regime like that in Europe. So they have the possibility to go there, to look, to communicate, to write and to show. I think here you have a lot of papers, magazines, TV channels, etc. So why are we so isolated?So therefore I say, let us talk. Let us work together and let us showing something. Let the artists themselves to do that. Not the ministries, not the regimes. I have nothing to do with politics and the policy of my government, or to any other government. Let us talk as artists, as educated people and as human beings. I am not very optimistic but it is not an impossible dream, isn’t it?

Floris Schreve

De Bilt, 8-8-2000

Voor recent werk, zie link: http://www.kunstexpert.com/kunstenaar.aspx?id=4481

Geloof in kabouters, Atlantis, Volkszielen en Wortelrassen en pas op voor Dark Lord Ahriman, zwart magische constructies, de Luciferische verleiding en de Finsteren Saturn

de antroposofie is racistisch en sektarisch (deel 1 van de zevendelige serie, zie ook deel 2, deel 3, deel 4deel5, deel 6 en deel 7)

Rudolf Steiner, ‘Ahriman’, sculptuur, Dornach 1914. Piet Mondriaan hierover: ‘Steiner heeft goede ideeën, maar van de kunst moet hij afblijven’. Gelukkig had Mondriaan meer verstand van kunst dan van ideeën. Zijn opvattingen zijn nu tamelijk naïef en zelfs bijna totalitair te noemen, maar zijn kunst is gebleven. Kan van dit beeld niet gezegd worden. Opvallend zijn trouwens de karikaturale mongoloïde trekken. Maar misschien representeert deze verbeelding van de alom aanwezige Ahriman wel de ‘demonische marskrachten’ (zie verderop, bij de bespreking van De Volkszielen).

Geloof in kabouters, Atlantis, Volkszielen en Wortelrassen en pas op voor Dark Lord Ahriman, zwart magische constructies, de Luciferische verleiding en de Finsteren Saturn;

Rudolf Steiner en de antroposofie

Elders op een forum voor oud vrije schoolgangers, vroeg iemand zich af waarom je op de Vrije School nooit een gedegen inleiding krijgt in het gedachtegoed van de antroposofie zelf en haar grondlegger Rudolf Steiner (1861, Donji Kraljevec, Oostenrijk-Hongarije – 1925, Dornach, Zwitserland), filosoof, medium, ziener, mysticus, Goethe kenner (zijn oorspronkelijke vak), Messias, ‘Ingewijde’, (pseudo) wetenschapper, pedagoog, estheticus, landbouwdeskundige, sekteleider, natuurvriend, allesweter (een kwestie van smaak en definitie). Dat is een hele goede vraag en inderdaad opmerkelijk. Ik heb me daar ook pas sinds de laatste jaren in verdiept. Ik ben er niet positiever over gaan denken, al heb ik dit bizarre gedachtegoed heel lang het voordeel van de twijfel gegeven. Ik ben er voor een gedeelte mee opgegroeid en heb zelf op de Vrije School gezeten (alleen lagere school, waar ik goede herinneringen aan heb ). Thuis deden we aan de BD en we hadden een abonnement op de ‘Jonas’, een niet meer bestaand liberaal en gematigd antroposofisch tijdschrift en opinieblad. Toen er midden jaren negentig verhalen in de Volkskrant en de Groene Amsterdammer verschenen over racisme in het onderwijs op Vrije Scholen (de kwesties van de verontruste Vrije School ouders Angelique Oprinsen en Toos Jeurissen, die van de kant van de Antroposofische Vereniging in Nederland slechts op een muur van onwil en afwijzing stuitten) was ik aan een kant verrast, maar terugdenkend aan mijn eigen ervaringen, had ik toch het bange vermoeden dat het weleens waar zou kunnen zijn. De reactie naar Toos Jeurissen van de orthodoxe antroposofen, ‘als jij Rudolf Steiner echt zou begrijpen, zou je zijn visie op wel onderschrijven’, kwam mij pijnlijk bekend voor (zo wordt er namelijk veelal in die wereld geredeneerd). Verder wist ik mij te herinneren dat mijn broer van een stagiair van de lerarenopleiding ooit gehoord had dat ‘negers dikke lippen hebben en dus geen wijsheid bezitten’, maar goed, dat was een tijdelijke kracht en zei dus niet zoveel over mijn school. Dus toen deze verontrustende berichten kwamen was het voor mij toen nog van ‘ach die gekke sofen, er zitten soms wat vreemde figuren tussen’. Maar ik wilde toch wel weten hoe het echt zat. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt en ik besloot me er meer in te verdiepen.
Aanvankelijk ben ik met welwillendheid en enige relativering in de wondere wereld van Steiner en de antroposofie gestapt, alsmede de aanverwante theosofie van Helena Blavatsky. Ik stoorde me soms aan de bij tijd en wijle rigide dogmatiek der antroposofen, gezien sommige vroegere ervaringen en observaties uit het verleden, maar droeg ze, hoewel ik soms weleens een beetje lacherig van ze werd, geen kwaad hart toe. Geleidelijk aan is het beeld voor mij gekanteld. Na gedurende een paar jaar, soms intensief lezen, dan weer lange tussenpauzes, is voor mij gebleken dat de antroposofie als levensfilosofie een ernstig racisme probleem heeft. Het bleek nog erger dan verwacht. Het racisme bleek in het totale wereldbeeld van de antroposofie een prominentere rol te spelen dan de onderzoekscommissie, onder leiding van de jurist Ted van Baarda doet suggereren. Deze commissie was in opdracht van de AViN in het leven geroepen om het gedachtegoed van Steiner na de almaar toenemende negatieve publiciteit, op racistische uitspraken juridisch tegen het licht te houden en was in 2000 met een lijvig rapport gekomen. Er waren zestien uitspraken gevonden die als ‘ernstig discriminerend naar de huidige maatstaven’ werden bevonden (en nog wat meer als ernstig stigmatiserend). Maar de commissie stelde ook dat er bij Steiner ‘geen sprake is van rassenleer’. Bij beide conclusies heb ik, zacht uitgedrukt, ernstig mijn twijfels. Steiners boekje ‘Die Mission Einzelner Volksseelen’, in Nederland meestal kortweg ‘De Volkszielen’ genoemd, uit 1910, bevat alleen al wel wat meer dan zestien discrimenerende uitspraken (recent in het Nederlands weer uitgegeven onder de titel, ‘De Volkeren van Europa’, Pentagon, 2006. Ondanks deze titel gaat het hier om Steiners meest beruchte verhandeling over mensenrassen). Ik denk dat het zinloos is om ze te gaan tellen, daarvoor zijn het er simpelweg te veel. Bovendien gaat het bij een filologische analyse niet om de kwantitatieve maar om de kwalitatieve weging van een tekst. Dat is mijn belangrijkste bezwaar tegen de methode die de Commissie van Baarda heeft toegepast. Turven hoe vaak er iets strafbaars wordt gezegd is wellicht juridisch zinvol, maar is geen tekst analyse. Sinds wanneer is het huidige Nederlandse wetboek van strafrecht relevant voor Rudolf Steiner? Geldt hooguit voor antroposofen die nu klakkeloos uitspraken zouden overnemen (wat overigens wel veel gebeurt dus dat is dan nog wel de meerwaarde, maar het lijkt me niet relevant voor het antwoord op de vraag of er sprake is voor rassenleer. Bovendien wordt het dan ook niet duidelijk waarom Steiner iets zegt, alleen dat hij het zegt. Op die manier kun je er ook mee weg komen met de bewering het om een aantal ontsporingen van Rudolf Steiner gaat, niet om een integraal onderdeel van zijn totaalvisie. Dat is precies wat de commissie doet. In die zin werkt dit lijvige rapport meer als een rookgordijn dan dat het verklaart en analyseert. Laten we het erop houden dat Steiners betoog in essentie racistisch is, al spreekt hij de belofte uit dat de mens in de toekomst uiteindelijk zal uitstijgen boven de rasverschillen. Maar het feit dat deze rasverschillen worden onderscheiden, is al racistisch, naar ‘de huidige maatstaven’, maar ook naar die van toen (1910). Conclusie, op basis van ‘De Volkszielen’ alleen al kun je stellen dat er wel degelijk sprake is van rassenleer en dan heb ik het nog niet eens over de rest van zijn oeuvre, al spant ‘De Volkszielen’ wel de kroon.
Naast het inventariseren heeft de commissie zeker ook een aardige historische schets gegeven van de tijd waarin Steiner leefde en welke stereotype ideeën er toen gemeensgoed waren. Maar dan nog, hun conclusies op dit gebied kan ik niet delen, geplaatst in zijn tijd kun je wat dit aspect betreft, Steiner als aarts-reactionair aanmerken. Aardig is trouwens dat de commissie de Palestijnse Amerikaanse hoogleraar literatuurwetenschappen en denker Edward Said aanhaalt (’Culture and Imperialism’, op p. 96 en 123) om aan te geven hoe er in die tijd over niet-westerse volkeren en culturen werd gedacht. Ben benieuwd wat Said hier zelf van zou hebben gevonden. Ik denk dat hij lichtelijk verbaasd zou zijn geweest dat zijn ideeën van kolonialisme/post-kolonialisme zouden worden aangevoerd om Rudolf Steiner van alle blaam te zuiveren. Overigens heeft Edward Said, in zowel ‘Cuture and Imperialism’ als ‘Orientalism’, het nooit over Rudolf Steiner en zelfs Helena Blavatsky. Hij noemt in ‘Culture and Imperialism’ een keer Annie Besant, maar dan in het kader van haar feministische werk (’Culture and Imperialism’, 1993, Vintage uitgave 1994, p. 264). Zelfs een bespreking van Jiddu Krishnamurti (zou een prachtige casus voor Edward Said zijn geweest) ontbreekt. Ik denk niet dat Rudolf Steiner voor Edward Said zo belangrijk was. Het is jammer dat Said is overleden (in 2004) maar het zou interessant geweest zijn om hem te vragen zijn licht te laten schijnen op het werk van Steiner en Blavatsky. Ik denk dat het verpletterend zou zijn, zeker over Steiners verhandeling ‘Orient-Occident’ uit 1927. Ik denk alleen dat niet veel antroposofen daar erg enthousiast over zouden zijn. Maar goed, buiten antroposofische/theosofische kring wordt Steiner zelden of nooit gerekend tot de canon van grote denkers, eerder tot de mystisci en pseudowetenschappers (en dan ben ik nog terughoudend). Ook dat is een interessant aspect van het rapport van Baarda; Steiner wordt vergeleken met Friedrich Nietzsche en Albert Schweitzer, iets dat je waarschijnlijk nooit zult aantreffen in een niet-antroposofische studie. Mijns inziens ook een appels met peren vergelijking. Beter hadden ze Steiner kunnen vergelijken met Helena Blavatsky (alleszins te rechtvaardigen) of de grondleggers van de ariosofie Georg Lanz von Liebenfels en Guido von Lizst. Steiner heeft deze radicale racisten zelfs goed gekend en er zijn zeker parallellen met hun werk te vinden, zij het dat hun relatie tamelijk gecompliceerd was (lopen de meningen over uiteen). Of met Houston Stuart Chamberlain. Allen mystici en geen filosofen (net als Steiner, al zijn werk na ‘Filosofie der Vrijheid’ is eerder mystiek of esoterisch te noemen dan filosofisch) en allemaal puttend uit een zelfde soort gedachtegoed over rassen en reïncarnatie (afkomstig van Helena Blavatsky). Tegen de achtergrond van deze figuren zou Steiner nog gunstig afsteken.
Interessant is ook om kennis te nemen van wat Steiner onder wetenschap verstond. Bij Steiner lag de definitie veel ruimer dan bij de ‘normale wetenschap’. Zijn vermogen tot ’schouwen’ in de bovenzinnelijke wereld noemde Steiner geesteswetenschap (dus niet te verwarren met het hedendaagse begrip geesteswetenschappen op universiteiten, waar vooral de vakgebieden filosofie en theologie onder vallen). Het bestuderen van paranormale verschijnselen of het aanschouwen van hogere niet-materiële werelden was voor Steiner net zo goed wetenschap. Ook nu nog leidt dit soms tot de nodige begripsverwarring tussen antroposofen en niet antroposofen. Dit zal ook blijken uit de vele artikelen waar via weblinks naar verwezen wordt. Antroposofen noemen sneller iets wetenschap dan niet-antroposofen. Zelfs uit de beschouwingen over het van Baarda rapport blijkt dat er sprake is van deze begripsverwarring, al pretendeert het van Baarda rapport strikt wetenschappelijk te zijn naar de hedendaagse maatstaven.
Een van de kwalijkste kanten van het rapport van Baarda, los van het feit dat men mijns inziens slechts probeert zoveel mogelijk Steiners reputatie op te schonen, zijn de scherpe verwijten aan het adres van verschillende critici, vooral ook naar degenen die in gesprek met de antroposofie willen blijven, als bijvoorbeeld Toos Jeurissen (haar brochure ‘Uit de Vrije School geklapt’ staat sinds kort online: http://www.antroposofia.be/wordpress/uit-de-vrije-school-geklapt.pdf) . Kritiek op Steiner heet vaak ‘oppervlakkig’ of er is verkeerd geciteerd, of zaken zijn uit hun verband gerukt. Laat ik met het verkeerd citeren beginnen. In het geval van Toos Jeurissen en Bram Moerland ben ik alle citaten nagegaan, voorzover het de literatuur betreft die ik ook bestudeerd heb. Ik heb géén enkele verkeerde bronvermelding of een verdraaiing van een citaat mogen aantreffen. Alles wat Jeurissen en Moerland aanhalen uit ‘De Volkszielen’, ‘De Akasha kroniek’ of (in het geval van Moerland) Blavatsky’s ‘De Geheime Leer’ is correct. Ik heb hier Max Heindels ‘De wereldbeschouwing der rozenkruizers’ buiten beschouwing gelaten, dus ben daar ook niet de verwijzingen van Bram Moerland nagegaan, maar voor het overige klopte alles. Als de van Baarda commissie met dit soort beschuldigingen komt en daarmee de integriteit van de critici in twijfel  trekt moet ze ook met bewijzen komen. Daar is ze niet in geslaagd. Dit maakt het rapport er niet geloofwaardiger door, al lijkt het door de omvang en de vele geraadpleegde bronnen nog zo degelijk. Niet geloofwaardig en ook niet erg sympathiek. Dit geldt ook voor de behandeling van Jeurissen, die voor een korte brochure goed en degelijk werk heeft geleverd, binnen de Nederlandse context zelfs baanbrekend. Bovendien is Jeurissen al te zeer bereid de dialoog aan te gaan (doet ze ook met haar contact met de Flensburger Hefte). Qua bronnen leunt haar verhaal dan ook sterk op de publicaties van de Flensburger Hefte. Daarover meldt het van Baarda rapport niets. Het blijft dus onduidelijk of de onderzoekscommissie ook vraagtekens heeft bij het werk van deze kritische antroposofen in Duitsland. Het zou wel interessant zijn geweest om daar iets meer te van vernemen. Indirect wordt er zo wel gesuggereerd dat het werk van Thomas Höfer en Bernd Hansen ook gebaseerd is op selctief citeren en het uit hun verband halen van uitspraken van Rudolf Steiner, tenzij Jeurissen deze inmiddels vooraanstaande antroposfische nieuwlichters ook verkeerd citeert (daarover trouwens ook geen woord, het lijkt erop alsof dit onderwerp gemeden wordt). Maar Jeurissen krijgt dus de volle laag en over de Flensburger Hefte geen woord, terwijl meer dan de helft van haar betoog op hun bevindingen is gebaseerd. Maar dan nog, los van de Flensburger Hefte heeft ook Jeurissen een andere behandeling verdiend. Haar zorgen als direct betrokkene (ouder van kinderen op een vrije school) waren absoluut gerechtvaardigd en zij heeft voor haar bijdrage meer dan goed werk gedaan. Een enkel door haar gegeven citaat dat ik persoonlijk niet ben nagegaan heb ik weer gevonden in de beschouwing van Jana Hussman-Kastein van de Humboldt Universiteit (over dat ‘de neger van binnen zou koken’, zoals Steiner dit de arbeiders van de bouw van het Goetheanum heeft voorgehouden) en Jeurissen heeft dit citaat ook correct uit het Duits vertaald. Of wil de commissie soms beweren dat Jeurissen onder een hoedje speelt met deze medewerker van de hier genoemde beroemde universiteit, die dit citaat overigens tien jaar later weergeeft in haar artikel, met een bronvermelding naar de desbetreffende voordracht van Steiner. Het lijkt me zeer onwaarschijnlijk. Maar de commissie doet Jeurissen bijna af als niet relevant (opmerkelijk, want naar aanleiding van haar brochure kwam de discussie pas echt goed op gang en werd deze commissie samengesteld met de opdracht het werk van Steiner op racisme door te lichten) en blijft ontkennen dat de antroposofie en de denkbeelden van Rudolf Steiner een ernstig racisme probleem hebben.
Terug naar Rudolf Steiner zelf. Multatuli en Conrad hadden al ruimschoots voor Steiners ’Die Mission einzelner Volksseelen’ hun meesterwerken geschreven en de eerste kritiek op het kolonialisme had al het levenslicht gezien. In dit verband interessant om alvast te wijzen op het artikel van Jan Willem de Groot, die aantoont dat Steiners rassenleer voor een groot deel leunt op de schedelmeters-theorieën van Carl Gustav Carus (1789-1869), opgetekend in zijn ‘Denkschrift’ (1849), midden negentiende eeuw al een achterhaald fossiel, laat staan in 1910, toen Steiner zijn beruchte Volkszielen cyclus voordroeg in Zweden. Steiners ‘wetenschappelijke onderbouwing’ liep toen al een beetje achter. Dit geldt trouwens ook voor zijn visie op de evolutie theorie, die sterk leunde op de toen ook al gedateerde recaputilatieleer van Ernst Haeckel, in plaats van Darwin, ook een belangrijke bron voor zijn rassenleer (Hulspas en Nienhuys, p. 157).
De Duitse rechter heeft vrij onlangs (2007) restricties en voorwaarden gesteld aan publicatie en verspreiding van ‘De Volkszielen’ (moet vanaf nu geannoteerd en met een inlegblad). Ook in Zwitserland is er op dit moment een zaak onder de rechter wat betreft antisemitisme in het werk van Steiner. Geeft toch een beetje een ander beeld dan wat de AViN en de Commissie Baarda ons voorschotelt. Het internationale debat vind ik overigens ook een gemiste kans van de Commissie van Baarda; dit is natuurlijk niet een kwestie die zich tot Nederland beperkt. Vooral in Duitsland wordt het debat veel intensiever gevoerd. Maar ook in Zwitserland, Canada en de Verenigde Staten speelt deze kwestie, zowel de discussie als verschillende rechtzaken, die niet allemaal in het voordeel van de locale antroposofen en het werk van Rudolf Steiner hebben uitgepakt. Nu zijn de meeste van deze zaken van recenter datum dan het van Baarda rapport, maar toch, ook toen speelden deze kwesties ook in het buitenland, met name in Duitsland rond de kring van Thomas Höfer en de Flensburger Hefte waar vanuit overigens moedige en lovenswaardige pogingen zijn ondernomen om de antroposofie daadwerkelijk te zuiveren van racisme (in plaats van simpelweg te ontkennen dat er sprake is van rassenleer). Zoals verwoord in hun publicatie ‘Antroposophie und Rassismus’: ‘Onder de uitspraken van Steiner bevinden zich enkele die door niets meer te rechtvaardigen zijn en waar men zich consequent van zou moeten distantiëren. Wij zijn ons ervan bewust dat dit pijnlijk kan zijn, maar we menen dat het noodzakelijk is en dat het ook in de bedoeling lag van Steiner, die er immers telkens weer toe opgeroepen heeft zijn uitspraken te onderzoeken. Wij hebben niets anders gedaan dan aan deze oproep gehoor te geven.’ (geciteerd uit Jeurissen in de Groene Amsterdammer van 5-2-1997). Er is dus echt wel iets aan de hand met het antroposofische gedachtegoed.
Het gaat mij hier niet om alle juristerij, waar ik geen verstand van heb en voor mij ook niet zo belangrijk is. Persoonlijk ben ik op dat vlak een tamelijk radicale en hartstochtelijke libertinist dat ik vind dat zelfs ‘Mein Kampf’ niet verboden zou mogen worden, al zullen mijn juristen vrienden mij nu kunnen zeggen dat ik hier wellicht hele domme dingen uitkraam. Maar een wereld met boeken waar je je helemaal kapot aan kan ergeren, of zelfs gevaarlijke boeken, is interessanter dan zonder. Alles beter dan indexen, inquisities of censuur.
Ik zal later terugkomen op de Volkszielen maar ik ben in het algemeen tot de conclusie gekomen dat de antroposofie structureel racistisch is en als levensbeschouwing regelrecht bizar en sektarisch, hoe mooi en bijna ‘kloppend’ het theoretische bouwwerk ook door Steiner aan elkaar gepraat is. Dit gaat nadrukkelijk niet over mijn oude school, noch mijn leraren, aanhangers of enthousiastelingen die ik persoonlijk ken, veelal mee bevriend ben en waar bovendien geen onintelligente mensen tussen zitten, geen enkel misverstand, maar de leer zelf. Ik ben tot deze conclusie gekomen na enige studie naar het werk van Steiner, Blavatsky, sympathisanten, aanbidders, opportunisten, meelopers en goedpraters, regelrechte racisten en Holocaustontkenners (uit naam van Rudolf Steiner), krankzinnige fanatici en dolgedraaide extremisten die Ahriman op een foto menen te herkennen bij de aanslagen van 11 september, maar ook critici, waarvan de laatsten vaak beter op de hoogte bleken te zijn van de herkomst van bepaalde opvattingen of de historische wortels van de antroposofie dan de sofen zelf. Die staren zich in regel blind op hun grote roerganger. Hieronder mijn uitgebreide en uit de hand gelopen antwoord (voor mij de aanleiding en het excuus om alles een keer op te schrijven) op een hele simpele vraag, oorspronkelijk in een iets andere en veel kortere vorm elders geplaatst:

De extremisten

Steiner heeft meer dan twintig boeken geschreven, dus het is niet makkelijk te zeggen waar je zou moeten beginnen. Het beste kun je eerst wat over hem lezen. Een uitgesproken pro-Steiner werkje is Jacob Slavenburg, ‘Rudolf Steiner, vernieuwer van het oude weten’, Ankh Hermes, 1990. Hoewel de schrijver een naar mijn smaak te grote bewondering voor Steiner heeft, is het wel een aardige inleiding op zijn gedachtegoed. Als je wat kritischer stukken wil lezen kijk dan op de website van Simpos (http://www.stelling.nl/simpos/steiner.htm ). De heldere en goed onderbouwde beschouwing van Jam Willem de Groot over Steiners rassenleer verdient een aanbeveling: http://www.stelling.nl/simpos/antro1.htm . Een bijna nog betere, maar zeer compacte analyse van Jana Husmann-Kastein, van de Berlijnse Humboldt Universiteit vind je hier: http://www.religio.de/dialog/106/29_22-29.htm . Overigens is er ook nog een lezenswaardige Belgische website, van het tijdschrift ‘De Brug’ (http://users.pandora.be/antroposofie/diabasis/inhaztot.html) die zo hysterisch pro-Steiner is dat het bijna lachwekkend wordt. Zo wordt de rassenleer met vuur verdedigd en staan er de meest absurde hatelijke teksten over zaken waar de antroposofie allemaal tegen zou zijn, zoals inentingscampagnes, atheïsme (’een ziekte!’), politieke correctheid en homoseksualiteit (’een luciferische verleiding van niet volledig geïncarneerde mannen met een zwak astraal lichaam’ en ’ze lijden pijn om hun anders zijn’, http://users.pandora.be/antroposofie/vanaf40/b50defhtm.htm. In dit zelfde artikel wordt trouwens ook gesproken van ‘het zich verlustigen aan de oersterke etherlichamen van de ploeterende boeren op het platteland’).
De auteurs van de vele artikelen van de Brug (het gaat zeker om een paar honderd) schieten zich in hun blinde fanatisme wel erg in de eigen voet. Zij zien overal samenzweringen tegen die prachtige antroposofie en zijn volgens mij doodsbang. Ook zoeken ze de meest vreemde bondgenoten, zoals de Britse Holocaust ontkenner David Irving, die meermalen instemmend wordt aangehaald, bijvoorbeeld in de beschouwing ‘De Ahrimanische maatschappijvorm; Ahriman heeft zijn eigen religie in Staat, Multi-cultuur en Holocaust’, waarin de auteur verder ‘woordgrapjes’ uithaalt met de begrippen ‘Holy-Ghost’ en ‘Holocaust’ (te vinden onder ‘A’ van ‘Ahriman’, directe link http://users.pandora.be/antroposofie/vanaf40/b46met/b46.htm). Hier wordt ook verwezen naar de website van David Irving, die de waarheid zou onthullen over de Holocaust. Dit alles uit naam van de antroposofie. Qua woordspelingen blijken deze auteurs nog meer dijenkletsers in petto te hebben; zo wordt er gesproken van Baäl/Baälgië (Baäl is een Fenicische God waar de sofen, net als met de Perzische Ahriman, grote problemen mee hebben en tot grote bovennatuurlijke boef is gebombardeerd, dus bruikbaar als een leuk etiket voor het verfoeilijke ‘multiculturele België’). Elders wordt België als staat een ‘Zwart Magische constructie’ genoemd. Heeft weinig meer met Steiner zelf te maken. Eerder met het Vlaams Belang van Filip Dewinter. Maar misschien zoeken deze verwarde antroposofen krampachtig naar allerlei bondgenoten, om die rassenleer maar te kunnen blijven handhaven. Wellicht zijn ze zo wanhopig dat ze uitkomen bij een obscurantist als David Irving. Staat wel in schril contrast met de uitspraak van de Steinergezinde theosofe Alice Ann Bailey, die in 1949 de Holocaust weer een ‘vuur van gerechtigheid’ noemde (uit Jeurissen, p. 19). Met dit soort vrienden heeft de antroposofie geen vijanden meer nodig. Ze zijn zelfs zo tactisch dat ze eerst met veel misbaar ontkennen dat er bij Steiner sprake is van rassenleer om deze daarna zo effectief samen te vatten en uit te leggen dat er geen misverstand meer mogelijk is. Ik zal later op de rassenleer en deze uitleg terugkomen bij de bespreking van ‘de Volkszielen’.
Geheel ongevaarlijk is deze website niet. Op een herdenkingssite van Kamp Westerbork schrijft een zekere Philippine in het forum: ‘In de Westerse wereld staat het iedereen vrij om over een bepaald geschiedkundig fenomeen te denken hoe hij wil…maar er is een onderwerp dat niet meer onderzocht mag worden en dat is de “holocaust”, het dogma van de systematische uitmoording van 6 miljoen joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het is in de meeste Westerse landen verboden om aan dit “feit te twijfelen….Waar het mysterie van Golgotha als centraal geestelijk gegeven in de ontwikkeling van de mensheid voor allen een lichtend voorbeeld zou kunnen zijn…krijgen we nu een verhaal en geestelijk afstotingspunt, het zwarte gat in de mensheidsgeschiedenis waar iedereen in een grote boog om heen zou moeten lopen en dat de mensheid verenigt in een voortdurende haat tegen Duitsland. Zelfs voor de oorlog begon die haatpropaganda al. De Antichrist, die zo handig de zaken in hun tegendeel kan verkeren, probeert ook de Heilige Geest te vervangen door een zeer aards, zeer leeg gegeven, dat de naam holocaust heeft gekregen, weerom niet toevallig in het Engels klinkend als Holy Ghost”. Citaat uit artikel van de Brug, antroposofisch tijdschrift’ (http://www.peterbreedveld.com/archives/00001347.html) . Hier staat je verstand letterlijk bij stil. Zo ver kan het dus gaan.
Er wordt verschillend gedacht over of Steiner een antisemiet was (daar zijn ook teveel tegenstrijdige berichten en uitspraken over). Bij de Brug wordt nadrukkelijk beweerd dat hij dat niet was, artikel ‘Was Steiner een antisemiet? Natuurlijk niet’ (http://users.pandora.be/antroposofie/dornach/antisem.htm). Goed Steiner dan misschien niet, maar de schrijvers van de Brug waarschijnlijk wel, als ze vol enthousiasme een citaat aanhalen van de Vlaamse schrijver en jezuïet Ernest Claes, om alvast ‘in de stemming te komen voor de Kerstspelen’, dat is althans de motivatie van ‘de Brug’. Ik zou zeggen, geniet van deze opbeurende kerstwens: ‘Daar zaten de Joden van het Sanhedrin, met losse zwarte mantels aan en gekke mutsen op de kop. En die gezichten ! … Bijna zwart, lange baarden en grote kromme neuzen. Eén van hen leek op Victalis. Ze deden gebaren die een gewoon mens zo niet doet. Van wat die loeders tegen elkaar zaten te fezelen kon ik niets verstaan, maar ik kon het wel raden (…) Eén van die lelijke Joden telde het geld uit een grote beurs. Ik hoorde het rammelen stuk voor stuk’, http://users.pandora.be/antroposofie/vanaf40/b48met/b48.htm#geloof. Een duidelijk gevalletje van antisemitisme lijkt me, ook met die intentie op deze site geplaatst. Ik denk dat je dat rustig kan stellen, zeker in de context van deze site, waar meer dan eens David Irving instemmend wordt aangehaald. Ook een andere Holocaustontkenner, een zekere Dr. Johannes Lerle, wordt geïnterviewd en er wordt medegedeeld dat de Holocaust ‘nog onderzocht’ moet worden (http://users.pandora.be/antroposofie/vanaf40/b57net.htm). Er staat overigens ook een apparte link naar de site van David Irving met de triomfantelijke tekst: ‘link naar David Irvings politiek niet correcte webstek over de oorlogsgeschiedenis’ (te vinden onder de W bij Wereldoorlog II).
En wat te denken van het volgende citaat? ‘In deze milieus moeten we de occulte broederschappen gaan zoeken. Dat daar misschien overwegend Joden bij zijn is in deze tijd niet meer relevant. Als dat voor hun doeleinden uitkomt verloochenen ze evengoed hun rasgenoten (Er bestaan verschillende interessante studies over welke kringen Hitler financierden). Zoals men uit bovenstaand artikel kan afleiden zijn zelfs de eigen familieleden niet veilig wanneer ze zich niet willen openstellen voor de ahrimanische inspiraties’. Joden die hun ‘rasgenoten’ verloochenen als het ze uitkomt. Dat er al gesproken wordt van een ‘Joods ras’ is al antisemitisch. Dit alles uit naam van de antroposofie. Terug te lezen op http://users.pandora.be/antroposofie/vanaf40/b45.htm, waar wij ook kunnen lezen dat ‘Lucifer en Ahriman werken aan de opbouw van een termietenstaat’. Dit laatste met behulp van een militair-industriëel en een ‘academisch’ complex. Het eerste klinkt vertrouwd maar dat ‘academisch’ is nieuw. Maar antroposofen zijn niet altijd de grootste vrienden van de wetenschap, dat blijkt weer eens.
Het meest verbijsterende is nog wel dat deze krankzinnige website gewoon wordt aangeprezen door de Belgische Antroposofische Vereniging. Ook wordt er naar deze ‘digitale Augiasstal’ verwezen op de site van een Nederlandse beginnerscursus antroposofie in Zeist. Het zou maar je eerste introductie in de antroposofie zijn. Na toch wel wat ervaring in die wereld kan ik echt wel het marginaal sektarische van de mainstream onderscheiden (al ben ik in het algemeen niet zo’n aanhanger, geheel ten overvloede), maar in het geval van ‘de Brug’ lijk ik de enige die het ziet. Ik geloof niet dat er ooit een verstandig mens uit antroposofische kring een keer goed deze site heeft geïnspecteerd, anders zou die niet zo vaak worden aangeprezen als een goede bron voor achtergrondinformatie (ook op grote antroposofische webgidsen als ‘Antrovista’ wordt de Brug aangeprezen). Over deze site alleen al zou je tien ‘onderzoekscommissie rapporten’ kunnen schrijven. Goed voor een aardig relletje wanneer dit duistere hoekje op het internet ontdekt wordt en in de schijnwerpers wordt gezet. Een blik op de inhoudsopgave is genoeg. Zelfs de Paus wordt niet ontzien. Wat te denken van de volgende titel: ‘Ratzinger; Lieven Debrouwere verdedigt hem, de Brug sabelt hem neer’. Wel erg agressief, ook als je geen vriend van de huidige Paus bent. Deze sofen zijn echt razend. Dit is wel iets anders dan de vroegere beschaafde ‘Jonas’.
De ‘leukste’ artikelen gaan over het Michaelsmysterie en de Ahrimanische krachten, die overal op de loer zouden liggen. ‘Michael heeft trouwens een ernstig gelaat’, maar dat lijkt me niet zo verwonderlijk. Ik denk dat hij net zo veel gevoel voor humor heeft als de auteurs van de artikelen van de Brug, al zijn die vaak onbedoeld nogal hilarisch. Alhoewel, wij kunnen ook lezen dat ‘humor het beste wapen is tegen Lucifer’ in het artikel met de veelbelovende titel ‘Sekten en Seks; Lucifer en Ahriman’, http://users.pandora.be/antroposofie/diabasis/b08sex.htm.
Ook de islam krijgt een veeg. Deze religie zou ‘luciferisch’ zijn. De Goddelijke Openbaring van de Profeet zou vergelijkbaar zijn met de wereld van Mephistoteles uit Goethe’s ‘Faust’. Het oosten zou sowieso Lucifers domein zijn, terwijl het westen dat van Ahriman is.  Vervolgens blijkt de Holocaust toch plaats te hebben gevonden, maar is deze ‘verheven tot een religie’, die weer ‘Ahrimanisch’ zou zijn, http://users.pandora.be/antroposofie/vanaf40/b57net.htm#13. Helderheid is niet de sterkste kant van de schrijvers van de Brug.
Hoogtepunt is de beschouwing ‘Naar een afschuwelijke toekomst’, waarin de antroposofie een welhaast apocalyptische dimensie krijgt. De huidige positie van de gemeenschap der antroposofen wordt vergeleken met die van de eerste Christenen in Rome in de catacomben, ten tijde van Nero (’Maar uiteindelijk stortte het Rijk ineen door zijn eigen logheid. Dat kan ons wat moed geven’, http://users.pandora.be/antroposofie/vanaf40/b48met/b48.htm#ahr, onderaan artikel) . Elders wordt er beweerd dat de leden van de Antroposofische Vereniging geïncarneerde engelen zijn, met de missie om als een soort ‘Jedi Knights’ het lot van de aarde en de kosmos ten goede te laten keren. Dit zou moeten gebeuren in een soort ‘kosmische jihad’ aan de zijde van Aartsengel Michael (http://users.pandora.be/antroposofie/diabasis/b32bewaareng.htm). Het zou gaan om een wraakoefening voor een catastrofale gebeurtenis in het ‘rampjaar 869′, toen op het oecumenische concilie van Constantinopel de leer van de menselijke driegeleding zou zijn verworpen. In de hemel zouden op dat moment de duistere krachten Michael van de troon hebben gestoten, middels een kosmische staatsgreep. Want ‘zo boven zo beneden’ leert de grondwet van de Hermetica ons, die ook door de sofen wordt onderschreven. Met deze welhaast intergalactische ramp zou de werkelijke ‘Christusimpuls’ zijn verloochend. Het is nu aan de tot antroposofen geïncarneerde schare engelen en Michael om de positie op aarde en in de kosmos weer te heroveren op de duistere krachten van Lucifer en Ahriman, om zo de hemelcoup weer ongedaan te maken. Dit zou zijn besloten op een reeks hemelse conferenties van engelen en zielen, die nu zijn geïncarneerd tot de leden van de antroposofische vereniging, onder voorzittersschap van Michael. Kan iemand dit nog volgen? De ‘Jedi-Council’ tegen de ‘Sith’. For peace and prosperety in the Galaxy. Net Starwars, met the force tegen de Darkside van Ahriman, het Beest.
Ahriman, of Angra Mainyu, is overigens oorspronkelijk de god van de Duisternis in de Zoroaster cultus van het pre-islamitische Perzië (de tegenhanger van de lichtgod Hormuzd, Varuna of Ahura Mazda in het Perzische Avestische dualisme), maar door Steiner en verder een aantal pan-Germaanse 19e eeuwse denkers afgestoft en opgewaardeerd tot een universele en eeuwige ‘Darth Vader’, (of ‘Sauron’ voor de Tolkien liefhebbers). Laten we niet vergeten dat er wel meer Perzische symbolen werden ingezet in allerlei pan-Germanistische bewegingen, zoals ook de Swastika, waarmee ik geen verband suggereer met de antroposofie, behalve dat het voor die tijd niet ongebruikelijk was om met Perziche begrippen en symbolen te schermen, zie ook Nietzsches ‘Also sprach Zarathustra’, hoewel Nietzsche zeker geen pan-Germanist was. Maar het was wel een modegril van die tijd. Het Perzisch is immers een Indo-Germaanse taal (itt het Arabisch, dat Semitisch is) en vanwege de ouderdom en de lange culturele traditie ideaal voor de pan-Germaanse mythevorming. Voor de antroposofie is Ahriman dus de ultieme boeman en Rudolf Steiner heeft dan ook veel woorden aan deze booswicht besteed.
Volgens de auteurs van Brug is er altijd wat aan de hand met die Ahriman. Hij zit nooit stil, ligt altijd op loer, beïnvloedt de Amerikaanse politiek (jammer voor Bush met zijn Jezus) of inentingscampagnes (daar zijn rechtzinnige sofen namelijk tegen). ‘Ahriman handelt met voorkennis in de ‘Anglo-Amerikaanse wereld’ en geeft Duitsland van alles de schuld’, Ahriman zit achter de Europese grondwet, Ahriman zit achter ‘de wereldwijde anti-discriminatie lobby’, ‘Ahriman heeft zich genesteld in de materialistische wetenschap’ (vanzelfsprekend), ’Ahriman heeft niet stilgezeten en met zijn handlangers weer iets nieuws bedacht’. ‘Ahriman de leugengeest’, Ahriman hier, Ahriman daar, Ahriman, Ahriman, echt overal Ahriman. Hij zat ook achter de aanslagen van 11 september (’bewezen, want hij stond op de foto’, het staat er echt). Het lijkt soms meer op de Satanskerk dan op de antroposofie. Dat deze snoodaard achter alle complotten zit wordt als volgt uitgelegd: ’Het verschil van al deze theorieën met de antroposofische interpretatie is dat wij aannemen dat er een geestelijk wezen aan de basis ligt van deze gang van zaken, terwijl niet-antroposofen de schuldigen ofwel zoeken binnen de aardesfeer (Vrijmetselaars, Loge, Illuminati, Zionisten, Kapitalisten) ofwel buiten de aardesfeer waar ze activiteiten van min of meer materiële intelligenties veronderstellen (UFO’s e.d.). Volgens ons zijn de organisaties en groeperingen die we zien werken in de richting van een wereld-termietenstaat ook maar uitvoerders van een bovenmenselijke intelligentie, nl. Ahriman’ (http://users.pandora.be/antroposofie/vanaf40/b48met/b48.htm#ahr). Nog meer complottheoriën en uiteenzettingen over hoe Ahriman ‘voor Chinese lichamen bestemde zielen tracht om te leiden door ze als Europeanen te laten incarneren en zo de opiumoorlog heeft veroorzaakt’ vind je hier http://users.pandora.be/antroposofie/vanaf40/b44deel1.htm. Het ergste vind ik nog wel dat ‘Ahriman niet wil dat wij wijs worden!’. Maar dat zijn wij wel, want wij zijn antroposofen. Trouwens wel weer schattig dat de lezertjes van de Brug op het hart wordt gedrukt om vooral wel in kabouters te geloven (’warm, nat en zacht’ en horen bij het ‘element’ aarde). Het enige spoortje van zelfkennis of relativering dat ik in deze honderden artikelen heb kunnen aantreffen is (wanneer het fenomeen UFO’s ter sprake komt): ‘Een vervelende vraag voor antroposofen vermits Rudolf Steiner nooit over vliegende schotels gesproken heeft. We kunnen dus niet terugvallen op een of ander citaat en zijn daardoor verplicht om zelf eens na te denken. Wat ook voor antroposofen niet altijd evident is’, http://users.pandora.be/antroposofie/vanaf40/b55a-htm.htm#005 . Ook wordt er in deze beschouwing gesteld dat de verhalen ontvoeringen door aliens in UFO’s, die mensen op de operatietafel zouden leggen, symbolisch zouden moeten worden opgevat (à la Jung) en dat het een teken is dat we ons zelf moeten ontleden en ‘bij ons zelf te rade moeten gaan’. Interessant om dat uit de mond van een dweper met holocaustontkenners te mogen vernemen.
Bekijk deze site zeker, ik kan hem van harte aanbevelen, vooral alle beschouwingen over Ahriman (vijftien waarin hij de hoofdrol vervult en een bijrol in minstens veertig). Je weet niet wat je leest, de gekte spat er van af: http://users.pandora.be/antroposofie/diabasis/inhaztot.html . Het is een bron van vermaak mits je het niet al te serieus neemt. Als het zou bestaan is deze samengebalde sektarische krankzinnigheid een duidelijk gevalletje van sofen-extremisme. De missionaire intenties van deze site worden trouwens niet onder stoelen of banken gestoken: ‘Dat zal het karma van de antroposoof worden: dat hij niet alleen zal begaan zijn met zijn eigen lot, maar dat hij zich ook zal bekommeren om het lot van zijn medemensen die er nog niet in geslaagd zijn dezelfde spirituele hoogte te bereiken’. Dat het menens is blijkt wel hieruit: ‘De antroposofen moeten er zich eindelijk rekenschap van geven dat het luttele deel van de mensheid dat zich voor de antroposofie interesseert, daardoor pas de oerfenomenen van de beschavingscrisis kan begrijpen en aldus de enige hoop voor de geestelijke wereld vormt’. Een van de artikelen heeft overigens de pathetische titel ‘Antroposofen; waarom hebben zij het dikwijls zo moeilijk?’ Ik denk dat de aard van deze website de vraag meteen beantwoordt.

De Volkszielen

Steiners belangrijkste titels zijn: ‘Filosofie der Vrijheid’, ‘Theosofie’, ‘De wetenschap van de geheimen der ziel’ en de door zijn weduwe Marie von Sievertz posthuum uitgegeven ‘Akasha kroniek’, waarin de geschiedenis en de ontwikkeling van de mens en de kosmos volgens de leerstellingen van de antroposofie wordt beschreven. Als je kennis wil nemen van een heel curieus aspect van zijn denken (de beruchte rassenleer) kan ik je ‘De Volkszielen’ (Die Mission Einzelner Volksseelen im Zusammenhange mit der Germanisch-Nordischen Mythologie), de gebundelde Christiania voordrachten in Oslo, 1910, aanbevelen. Was tot voor kort niet makkelijk aan te komen en werd ook niet verkocht bij de Nederlandse Antroposofische Vereniging. Recent (2006) is het weer in de Nederlandse vertaling uitgegeven door Pentagon, onder de titel ‘De Volkeren van Europa; de opdracht van de afzonderlijke volkszielen en de samenhang met de Germaans-Noordse mythologie’. Voor dit verhaal heb ik echter de voorkeur gegeven aan de originele Duitse tekst, een uitgave uit 1950. Dat heb ik om twee redenen gedaan. In de eerste plaats omdat dit boek zo omstreden is dat ik het nuttig vond om het in de originele taal te raadplegen, zodat er geen misverstand over tekst kan bestaan. Verder zijn veel Pentagon uitgaves (zoals ook recent de Akasha kroniek) gematigder getoonzet dan de originele teksten. Daar valt aan een kant veel voor te zeggen, maar niet in dit verband, waar ik liever Steiner op zijn eigen woordkeus beoordeel, juist wat betreft zijn meest controversiële boek. Vandaar dat ik van het origineel gebruik heb gemaakt. De Nederlandse uitgever neemt overigens wel een standpunt in. Hij vermeldt dat het boek vaak het middelpunt is geweest van hevige controverses, maar verwijst naar het rapport van de Commissie van Baarda om ieder misverstand uit de wereld te helpen. Maar al verwijst de uitgever dan nog zo graag naar het van Baarda rapport, op p. 155 kunnen wij lezen: ‘Merkurius grijpt zo in in dat hij met anderen samenwerkt in het klierstelsel. Hij kookt binnen dit klierstelsel en daar leven die krachten zich uit die door dat overwicht van de Merkuriuskrachten in het klierstelsel van de betreffende mens koken en borrelen. Dat komt daar vandaan dat zij uitkoken wat de algemene, gelijke mensengestalte van het Ethiopische ras doet met de zwarte huidskleur, het wollige haar, enzovoort’. Kroeshaar als bubbeltjes, je moet er maar op komen, maar het is wel saillant dat het Baarda rapport in een band zo geprezen wordt en later door de feiten zo compleet onderuit gehaald wordt. Het is toch even met je ogen knipperen, wetende dat deze tekst in 2006 is afgedrukt, met de bedoeling om de Blijde Boodschap te verspreiden. Maar goed, ‘geen rassenleer’ dus, volgens het voorwoord. Je vraagt je wel af wat er in het hoofd van zo’n redacteur moet omgaan, als je eerst de van Baarda bezwering (’géén sprake van…enz’.) en vervolgens deze zinssnede publiceert. Lijkt me nogal een schizofrene activiteit. Daar moet je volgens mij antroposoof voor zijn, om zoiets te kunnen. Vanaf hier zal ik overigens verder gaan met de Duitse tekst; ook alle bronvermeldingen en paginanummers zullen daarnaar verwijzen.
Overigens heeft Steiner later het verhaal van de ‘kokende neger’ nog een keer verteld, deze keer in een lezing voor de arbeiders van de bouw van het Goettheanum in Dornach, in 1923. Steiner: ‘Und weil er eigentlich das Sonnige, Licht und Wärme, da an der Körperoberfläche in seiner Haut hat, geht sein ganzer Stoffwechsel so vor sich, wie wenn in seinem Innern von der Sonne selber gekocht würde. Daher kommt sein Triebleben. Im Neger wird da drinnen fortwährend richtig gekocht, und dasjenige, was dieses Feuer schürt, das ist das Hinterhirn’, Rudolf Steiner, ‘Vom Leben des Menschen und der Erde, Über das Wesen des Christentums. 13 Vorträge gehalten vor den Arbeitern am Goetheanumbau in Dornach vom 17. Februar bis 9. Mai 1923′. Rudolf Steiner Verlag, Dornach 1993 (GA 349 / TB 723), geciteerd uit Jana Hussman-Kastein, ‘Schwarz-Weiß-Konstruktionen im Rassebild Rudolf Steiners’. Jeurissen haalt dit citaat ook aan, p.9, geciteerd uit een artikel van Thomas Höfer, geheel correct vertaald (dit omdat de commissie van Baarda vaak beweert dat er slecht vertaald is). Laten we dus vaststellen dat deze bewering van Steiner geen ontsporing is maar dat hij dit echt vond en dat het een onderdeel is van zijn visie op het ‘zwarte ras’ en daarmee zijn rassenleer. Anders zou hij hier zeker niet twee keer mee zijn gekomen in een tijdsbestek van dertien jaar.
En dan de Commissie van Baarda. Op p. 120-121 wordt er gesproken over Steiners opvattingen over het zwarte ras, maar dan geen woord over de kokende kliersystemen, terwijl hij het hier toch twee keer in verschillende periodes van zijn leven en carrièrre heeft gesproken. Op p. 122 stelt de commissie (als het over algemene uitspraken over rassen gaat): ‘De uitspraken die Steiner heeft gedaan over rassen kunnen misschien het beste vergeleken worden met een lichamelijke diagnose; ze hebben geen betrekking op het wezenlijke van de mens’. Je mag toch hopen dat de commissie hier niet de door Mercurius aangestuurde kokende kliersystemen mee bedoelt.
Geheel ten overvloede wordt niet door iedereen gedacht dat er geen sprake is van rassenleer, binnen en buiten Nederland, zelfs in antroposofische kring. In Duitsland is  zeer onlangs (in 2007) door de rechter bepaald dat ’Die Mission einzelner Volksseelen’ uitsluitend geannoteerd, met een inlegblad, mag worden uitgegeven middels de wet ‘Index Jugendgefärdeten Schriften’, een niet onbelangrijk detail (zie link http://www.sueddeutsche.de/,ra4m2/kultur/artikel/91/123914/). Men is overigens in Duitsland veel verder met de discussie over antroposofie en racisme dan in Nederland. Van de mainstream antroposofen heeft zich een groepje ‘kritische nieuwlichters’ afgesplitst, ‘Die Junge Antroposophen’, met een eigen uitgeverij en tijdschrift ‘Die Flensburger Hefte’, waar het inmiddels geen taboe meer is om Steiners rassenleer ter discussie te stellen (http://www.flensburgerhefte.de/titel/fh91100.html). Is overigens een hele typische antroposofische website. De kenmerkende kleuren met bijbehorend lettertype alsmede de ‘Heilende Kräfte’ lachen je van het beeldscherm toe. Gaf weer een gevoel van ‘thuiskomen’. Voor mij een feest van herkenning. Maar goed, ze durven het, dus niet iets om cynisch over te doen. Ze zijn niet zo soft als ze eruit zien. Wat zij doen was binnen de antroposofische beweging tot voor kort onmogelijk en zou in Nederland onbespreekbaar zijn. Hoe dan ook een moedig en lovenswaardig streven (orthodoxe antroposofen houden er niet van dat er aan de inzichten van hun voorman wordt geknabbeld), al is het naar mijn mening moeilijk om het racisme van de rest te scheiden. Dan zou je ook over de wortelrassen, Atlantis en Lemurië moeten beginnen en dan is het einde zoek (zie later, bij de bespreking van Helena Blavatsky).
Al is het maar een relatief, zeker naar Steiners maatstaven, klein boekje (slechts 216 pagina’s), ‘De Volkszielen’ is voor het veelbesproken deelaspect van Steiners gedachtegoed van cruciaal belang. Hij begint met een uiteenzetting dat er zelfs binnen Europa duidelijk sprake is van een collectieve ziel of astrale sfeer per volk. Zo zegt hij dat als je de grens over gaat naar een ander land, je zou kunnen voelen, mits je daarvoor aanleg hebt natuurlijk, dat je in een andere ’sfeer’, ‘veld’ of ‘energie’ terecht komt (dus los van de douane of andere verkeersborden, ed.). Het komt er op neer dat wat er voor een individueel mens geldt, ook opgaat voor een ‘volk’ of ‘ras’. Een volk zou, naast een fysieke verschijning, ook een ziel en een geest hebben, parallel aan de driegeleding van de mens, zoals Steiner die uiteen heeft gezet in zijn veel bekendere werk ‘Theosofie’, uit 1904. Ook zou er sprake zijn van een soort collectief astraal lichaam en etherlichaam, die een volk als geheel aansturen. Migratiegolven vergelijkt hij dan ook met dezelfde mysterieuze kracht waarmee trekvogels zouden worden gedreven.
Steiner stelt overigens dat niet bij ieder individu er sprake is van een sterke werking van de Volksziel. Binnen de antroposofie wordt er, ontleend aan de oude Grieken, onderscheid gemaakt tussen vier menstypes, gekoppeld aan de vier elementen: sanguinici (lucht), flegmatici (water), cholerici (vuur) en melancholici (aarde). De eerste drie categoriëen zouden veel gevoeliger zijn voor de collectieve volksziel en marcheren dus veel makkelijker achter de meute aan dan de laatste, maar staan aan de andere kant minder open voor ‘menstype-genoten’ uit een andere volks of rassensfeer. Dus melancholici aller volkeren verenigt u! (wel aardig, ben zelf in mijn Vrije Schooltijd gecategoriseerd tot melancholicus, dus zou in theorie makkelijker kunnen ‘levelen’ met melancholici van een ander volk of ras dan bijvoorbeeld een cholericus of een flegmaticus, die het meer bij hun eigen ‘volksziel’ houden).
Als er al binnen Europese volkeren sprake zou zijn van een collectieve volksziel, dan geldt dat al helemaal voor de verschillende mensenrassen. Deze mensenrassen hebben allemaal een collectieve lotsbestemming of Kharma. De een bulkt van de energie en verspreidt zich als een olievlek (de zwarten), de ander trekt zich terug in een hoekje om collectief rustig te gaan zitten uitsterven (de indianen). Ook gaan er bij rassen veel grotere krachten een rol spelen, zoals de werking der planeten. Steiner: ‘Da gewinnen wir sozusagen den Untergrund, den Boden für das, woraus sich erst die einzelnen Völkerindividualitäten erheben. Wir gewinnen dadurch die Umschau über den ganzen Erdenplaneten, finden den Erdenplaneten dazu bestimmt, eine Menschheit zu tragen durch die normalen Geister der Form, finden, daß sich die zurückgebliebenen Geister der Bewegung in dieses Terrain der Geister der Form hineinbegeben und als abnorme Geister der Form das Menschentum auf dem ganzen Erdenrund in die einzelnen Rassen gliedern’ (p. 68). Uiteindelijk komt Steiner uit op een op astrologie geschraagde rassenleer. De verschillende rassen kunnen gekoppeld worden aan de specifieke krachten van de best bijpassende planeet. Dit leidt ongeveer tot het volgende overzicht:

Mercurius = negers (lekker hard rennen en vlakbij de zon, ‘Merkurkräfte in dem Drüssensystem des betreffende Menschen kochen und brodeln’, ‘wolligen Haar’ enz.)
Venus = ‘Maleisiërs’, een kwalificatie voor de inwoners van het Indo-Chinese schiereiland, door Steiner gedefinieerd als een appart ‘ras’ (Thaise massage, hoeren en natuurlijk al die pedo-toestanden, waarbij ‘de zinnelijke Venuskrachten doorwerken in de ademhaling’)
Maan = Semieten (reflectief, dus parasitair, zie de beschouwing van Jan Willem de Groot, worden overigens ook geassocieerd met Mars, omdat de Oud-Testamentische Jaweh, ‘werkzaam was in de bloedbanden’)
Mars = Mongolen (de oorlogsgod, dus de Hunnen, de rode hordes en ander rennend en plunderend onguur steppevolk, dat maar onze kant uitkomt om herrie te schoppen)
Jupiter = ‘Ariërs’ en ‘Kaukakasiërs’ (de ‘grootste’, ‘de brenger de Zeuskrachten, die de Grieken aanzette tot hun grote prestaties’, de oppergod, de meest rijpe en de ‘meest volwassene’, waarbij de Jupiterkrachten de ‘wakkerheid in het hoofd’ veroorzaken, kortom dat zijn wij)
Saturnus = Indianen (’verbeende klieren’, staan op uitsterven en Kronos, de Griekse equivalent van de Romeinse Saturnus die zijn kinderen opvreet, zou je kunnen associeren met de mensenoffers van de Maya’s en de Azteken).
(Steiner, ‘Die Mission…’, pp. 112-121).

De tussenhaakjes zijn natuurlijk mijn eigen, overigens voor de hand liggende aanwijzingen tot interpretatie middels een paar platte stereotyperingen (behalve de beschrijvingen die tussen  aanhalingstekens staan, die zijn van Steiner zelf), maar opzienbarend is dit alles wel. De Commissie van Baarda beweert dat er bij Steiner geen sprake is van rassenleer. Als dit geen rassenleer is weet ik het ook niet meer. Bovendien worden er nu plotseling allerlei in eerste instantie duister lijkende uitspraken, van Steiner en andere prominente antroposofen, glashelder. Een duidelijk voorbeeld is de Nederlandse psychiater en prominent antroposoof, Bernard Lievegoed, normaal gesproken niet de onredelijkste, die meende dat onder invloed van Mars er binnenkort weer een invasie van de Mongolen komt, vergelijkbaar met die van de Hunnen onder Atilla en later onder Dzenghiz Khan: ‘Dat is een heel bijzonder gebied op aarde, waar heel sterke Marskrachten inwerken. Deze worden volgens een oude Chinese traditie elke achthonderd jaar actief. De demonische Marskrachten in dat gebied nemen dan bezit van mensen en drijven ze tot gewelddadige overheersing. Er zijn een aantal momenten in de geschiedenis aan te wijzen waarop eerst China en later ook Europa vanuit het Oosten dreigden te worden overheerst’ (in een interview in het Nederlandse antroposofische tijdschrift ‘Jonas’ met Jelle van der Meulen in 1980, opnieuw geplaatst en van wat rellerig commentaar voorzien op de website van de Brug, http://users.pandora.be/antroposofie/diabasis/b29bl.htm). Om het nog een keer samen te vatten in Steiners eigen woorden: ‘Wenn wir den Punkt, den wir vor einigen Tagen in unseren Darlegungen in Afrika gefunden haben, und jetzt näher dadurch charakterisieren, daß, weil die normalen Geister der Form zusammenwirken mit denjenigen abnormen Geistern der Form, die im Merkur zentriert sind, die Rasse der Neger entsteht, so bezeichnen wir okkult ganz richtig das, was in der schwarzen Rasse herauskommt, als die Merkur-Rasse. Jetzt verfolgen wir diese Linie weiter, die wir dazumal durch die Mittelpunkte der einzelnen Rassenausstrahlungen gezogen haben. Da kommen wir nach Asien und finden die Venus-Rasse oder die malayische Rasse. Wir kommen dann durch das breite Gebiet Asiens hindurch und finden in der mongolischen Rasse die Mars-Rasse. Wir gehen dann herüber auf europäisches Gebiet und finden in den europäischen Menschen, in ihrem Urcharakter, in ihrem Rassencharakter die Jupiter-Menschen. Gehen wir über das Meer hinüber nach Amerika, wo der Punkt, der Ort ist, an dem die Rassen oder Kulturen sterben, so finden wir die Rasse des finsteren Saturn, die ursprünglich indianische Rasse, die amerikanische Rasse. Die indianische Rasse ist also die Saturn-Rasse’ (p. 113).
Maar Steiner gaat verder. Niet alleen kunnen de rassen gekoppeld worden aan de specifieke krachten der planeten, ook kunnen de eigenschappen van een bepaald ras gekoppeld worden aan een specifieke leeftijdsfase van de mens. Hierin beperkt Steiner zich tot vier hoofdrassen. In het zwarte ras, ten eerste, zijn vooral de krachten van het kind werkzaam. In het Aziatische ras (zowel het Maleise als het Mongoolse ras) staat de geestelijke ontwikkeling gelijk aan die van de puberale leeftijdsfase. Het blanke Europese ras staat synoniem voor volwassenheid en inderdaad, de indianen staan voor ouderdom. ‘Diese Linie ( zie fig. 1) besteht auch für unsere Zeit. Der Afrikanische Punkt entspricht denjenigen Kräften der Erde, welche dem Menschen die ersten Kindheitsmerkmale aufdrücken, der asiatische Punkt denjenigen, welche dem Menschen die Jugendmerkmale geben, und die reifsten Merkmale drückt dem Menschen der entsprechende Punkt im europäischen Gebiete auf. Das ist einfach ein Gesetzmäßigkeit. Da alle Menschen in verschiedenen Reinkarnationen durch die verschiedenen Rassen durchgehen, so besteht, obgleich man uns entgegenhalten kann, daß der Europäer gegen die schwarze und die gelbe Rasse einen Vorsprung hat, doch keine eigentliche Benachteilung. Hier ist die Wahrheit zwar manchmal verschleiert; aber Sie sehen, man kommt mit Hilfe der Geheimwissenschaft doch auf merkwürdige Erkentnisse”. Merkwaardig is het inderdaad, maar duidelijker kun je het niet krijgen. ‘Het is gewoon een wetmatigheid’. Maar hij gaat door: “Dann sehen wir später eine Herüberbewegung des Menschen nach der westlichen Richtung, und in der Verfolgung der rassebestimmende Kräfte nach Westen können wir dann das Absterben in den Indianen beobachten. Nach Westen mußte die Menschheit gehen, um als Rasse zu sterben.” (p. 81-82). Zie hier de kern van Steiners racisme. Het lijkt allemaal kraakhelder en ook zo diepziepzinnig, maar is, als je er even over nadenkt, allemaal gebaseerd op vrijblijvend associatief geklets, geschraagd met irrelevante vergelijkingen en astrologie. Je zou er je schouders over kunnen ophalen als het om onschuldige geneeskrachtige kruiden zou gaan, of leuke horoscoopjes trekken, maar hier wordt toch echt met ‘kosmische argumenten’ de genocide op de oorspronkelijke bevolking van twee continenten als een wetmatigheid en zelfs een noodzakelijkheid gepresenteerd.
Het opmerkelijke is dat de Commissie van Baarda beweert (p. 245) dat de indeling naar leeftijdscategorieën meer met de geografische locatie’s te maken zouden hebben, dan met de raciale oorsprong van de mensen die daar wonen. Opmerkelijk, nergens zegt Steiner dat alle inwoners van Noord Amerika (ook in zijn tijd in de meerderheid nazaten van de blanke Europeanen, de indianen waren toen ook al gedecimeerd) geassocieerd kunnen worden met de ouderdomsfase van de mensheid. Maar goed, als wij de commissie van Baarda zouden moeten geloven is Amerika per definitie de ‘Oude wereld’, ten opzichte van Europa en al helemaal ten opzichte van Azië en Afrika. Dus dan zou alles wat uit Afrika komt ‘infantiel’ zijn, uit Zuid Oost Azië komt ‘puberaal’, uit Europa ‘volwassen’ en uit Amerika ‘bejaard’ of noodzakelijk dood moeten. Leuk geprobeerd, het zou ook de eurocentrische begrippen ‘Oude’ en ‘Nieuwe Wereld’ op zijn kop zetten, maar dit is niet wat Steiner bedoelt. Als Steiner de inwoners van Amerika associeert met ouderdom, zijn dat steevast de indianen, die last hebben van hun verbeende kliersystemen en daarom moeten uitsterven en niet alle inwoners van dat continent, die daar nu wonen. Lijkt me meer raciaal dan geografisch. En dan nog, zijn Amerikanen er om dood te gaan? Er zullen ongetwijfeld talloze groeperingen in de wereld zijn die dat zullen beamen, maar om Steiner nou op een hoop met Bin Laden te gooien, dat vind ik nu weer te ver gaan. En Steiner spreekt toch ook van ’gelbe’ en ’schwartze Rassen’? Steiner heeft het weliswaar over ‘…der Punkt, der Ort ist, an dem die Rassen oder Kulturen sterben’,  Maar doet dat slechts in een adem met ’so finden wir die Rasse des  Finsteren Saturn, die usprüngliche indianische Rasse, die amerikanische Rasse. Die indianische Rasse ist also die Saturn-Rasse’ (p. 113). Dat ‘absterben’ geldt dus niet voor alle Amerikanen, maar echt alleen voor die duistere, met Saturnus verbonden Indianen. Conclusie, het draait allemaal om rassen. Pure rassenleer en onversneden racisme dus, al is het verpakt in allerlei diepzinnig lijkende metafysische concepten en metaforen.
Nu vallen ook de omstreden uitspraken van Christoph Wiechert, voor de radio uitzending van de Humanistische Omroep op hun plaats, in ‘Het voordeel van de twijfel’ op 19 februari 1997 (nav. deze uitzending en de publiciteit die daarop volgde, werd dhr Wiechert op non-actief gesteld en werd er door de ledenvergadering van de AViN de Commissie van Baarda aangesteld). Wiechert: ‘Zonder discriminerend te zijn; je ziet het bijvoorbeeld op het gebied van de vitaliteit, dat is in het zwarte ras een geweldige meerwaarde. Kijk maar naar Ajax, om maar wat te zeggen. Ik heb niks tegen Ajax hoor, maar je ziet dat daar vitaliteitsoverschotten zijn die jij en ik niet bij de hand hebben’ en ‘Toen de Europeanen zich met de negers gingen bemoeien, is dat volk niet te gronde gegaan. Integendeel. Dat volk werd almaar groter en assimileerde zich met de westerse beschaving. En als je dan daartegenover ziet wat er bij Wounded Knee is gebeurd met de Indianen, dat is toch een onvoorstelbare tragedie. Daar zie je dat er echt iets uitgeblust werd. Onvoorstelbaar… Dus uit die waarneming is de gedachte aannemelijk’ (geciteerd uit Jan Willem de Groot). Zoals Steiner het formuleert: ‘Nicht etwa deshalb, weil es den Europäern gefallen hat, ist die indianische Bevölkerung ausgestorben, sondern weil die indianische Bevölkerung die Kräfte erwerben mußte, die sie zum Aussterben führten’ (Die Mission, p. 81).
Overigens is het wel tamelijk stuitend dat de commissie van Baarda alle critici van Steiner (en Blavatsky) beschuldigt van selectief citeren van Rudolf Steiner, maar wat betreft de cruciale passages uit de Volkszielen overduidelijk zelf selectief citeert (of niet citeert) wanneer het ze uitkomt. Door net deze doorslag gevende passages samen te vatten en niet letterlijk te citeren probeert ze ermee weg te komen dat het niet ‘letterlijk’ om rassen gaat. Deze passages vormen namelijk de kern van Steiners rassenleer. Bovenstaande citaten worden wel een keer weergegeven (p. 366), maar zonder context, waardoor de impact van het vertoog niet zichtbaar wordt. Sympathiek dat zij vooral anderen beschuldigen Steiners uitspraken uit zijn context te halen. Maar misschien valt de commissie van Baarda nog wel het meest door de mand dat geen van de zestien citaten, die zij uiteindelijk heeft geklassificeerd als ernstig discriminerend afkomstig is uit de Volkszielen. De recent weer in druk gelanceerde ‘Kokende Ethiopiër’, onder het triomfantelijke motto ‘geen sprake van..enz.’, had hier echt tussen moeten staan, net als de dertien jaar later gelanceerde ‘kokende neger’. Praktisch alle citaten zijn afkomstig uit verschillende lezingen. Daarmee wordt wel erg de suggestie gewekt dat het om losse incidenten gaat en niet om iets structureels. Een paar citaten van uit de Volkszielen vallen in de zg tweede categorie, dwz dat het eventueel discriminerend zou kunnen worden uitgelegd, als het niet in de context van de antroposofie als geheel wordt geplaatst, of zoals de commissie het formuleert ‘Een grondige kennis van de antroposofie is nodig om het betreffende citaat te kunnen duiden’. Nu ben ik het daar voor een gedeelte mee eens, al deze uitspraken hangen inderdaad samen met de antroposofie als geheel maar geef ze dan wel weer in de juiste context. Maar dat zou dan ook meteen tonen dat de antroposofie een structureel racisme probleem heeft. Dat is precies wat de bovenstaande citaten allen laten laten zien wanneer je ze in het juiste verband bekijkt; het is een coherent onderdeel van een zeer uitgesproken racistisch vertoog. Dat had de conclusie moeten zijn, als er sprake was geweest van een werkelijk gedegen en vooral onpartijdig onderzoek. Het had wat mij betreft van meer moed getuigd als deze commissie zich had opgesteld als Thomas Höfer van van de  kritische Junge Antroposophen van de Flensburger Hefte (langzamerhand ook binnen antroposofische kring gezaghebbend, behalve in Nederland en wellicht Baälgië, met die gekke ‘Brug’),  die wel durft te stellen: “Indianen stierven aan hun eigen natuur, vrouwen baarden door het lezen van negerrromans mulattenkinderen, de Franse taal is een leugentaal: Met het oog op deze en andere uitspraken kan men moeilijk ontkennen dat Steiners kennis van zwarten, Indianen en anderen, zelfs voor de toenmalige tijd, mild uitgedrukt niet bijzonder vooruitstrevend was” (Jeurissen, p. 12). Er zijn dus zelfs antroposofen die het wel kunnen, maar nee, volgens de commissie is er ‘géén sprake van Rassenleer’.
De belangrijkste conclusie die je uit lezing van de Volkszielen kunt trekken is dat de rassenleer naadloos wordt geïntegreerd in een groter verband. Daarmee is het een volkomen consistent en met de rest samenhangend onderdeel van Steiners totaalvisie. Dit is wat anders dan wat veel antroposofen van nu ons willen doen geloven. Het gaat hier niet om een paar uitglijders. Alles wat er in de Volkszielen wordt beweerd past consequent in het grote verhaal, zoals uiteengezet in bijvoorbeeld ‘De Akasha Kroniek’, of ‘Theosofie’. De rassenleer is ingepast in de notie van de menselijke driegeleding (lichaam, ziel en geest), de vier menstypes en het ‘zo boven, zo beneden principe’ van de Hermetica (de macrokosmos, in dit geval de planeten, beïnvloeden verschijnselen in de microkosmos, de aarde, zie hier de oorspronkelijke tekst van de Smaragden Tafel van Hermes Trismegistus, die ook voor Steiner erg belangrijk was), de levensloop van de mens en de wet van Kharma en reïncarnatie en de daarmee samenhangende ‘Aarde-Evolutie’ en de ‘wortelrassen’ (zie verderop bij Helena Blavatsky). Daarmee is het een volstrekt logisch en consistent onderdeel van de antroposofische holistische levensfilosofie van alles hangt samen met alles. Geen uitglijder dus, maar een wezenlijk aspect van de antroposofie. ‘De Volkszielen’ is geen rariteit of een exces binnen het oeuvre Steiner. Je zou het bijna op een bepaalde manier briljant vinden hoe volmaakt het in de rest past. Ik zal hier niet ontkennen dat ik er enige bewondering voor heb, hoe groot mijn inhoudelijke bezwaren en zeker ook weerzin zijn. Je moet het maar kunnen; zo’n oeuvre en ideeënstelsel opbouwen dat zo consequent in elkaar zit, dat alles klopt met alles. Ik zie zeker de schoonheid van de theorie, los van het feit dat het over ‘mensenrassen’ gaat en dat zo’n gesloten allesomvattend wereldbeeld mij ook te benauwend is. Denk dat daar ook de verleiding en het gevaar in zit. ‘Het is een zienswijze, waarin de ethiek geheel achter de occulte horizon verdwijnt; niet de mens telt, maar het principe’, besluit Jan Willem de Groot zijn artikel ‘Kosmisch racisme’ en ik denk dat hij gelijk heeft. Daarom zijn er ook zoveel dogmatici en zelfs fanatici. Denk ook dat zo’n metafysisch ‘verklaring voor alles model’ uiteindelijk alleen maar tot blikvernauwing en oogkleppen leidt. Bij sommige, niet al te intelligente bewonderaars zelfs tot zulke oogkleppen dat je in de Holocaust een vuur van gerechtigheid kunt zien. Of dat je zo vast in je gesloten wereld zit dat je met krankzinnige beweringen kunt komen als ‘Ahriman handelt met voorkennis in de ‘Anglo-Amerikaanse wereld’, zoals onze vrienden bij ‘De Brug’. Het kan dus echt leiden tot kokende Ethiopiërs en natte kabouters.
Overigens was Rudolf Steiner zelf heel expliciet over de duiding van zijn leerstellingen; hij vond dat de antroposofie niet gezien kon worden als een grabbelton, waaruit je vrijblijvend een paar elementen kon consumeren. Het was het hele pakket of niets (zie Jacob Slavenburg p. 101). Geen gezwam, tenzij je het allemaal gezwam vindt dus. Je kan Steiner veel verwijten, maar niet dat hij inconsistent was. Hoe ironisch dat nu zijn grootste supporters (de AViN, Commissie Baarda) wanhopig proberen aan te tonen dat hij dat wel was.
De enige twee in opspraak geraakte Steinercitaten dat ik als uitglijders kan zien, dat wil zeggen, niet kan inpassen in zijn totaalvisie zijn: ‘Ik ben er persoonlijk van overtuigd, dat als we nog een paar negerromans te verwerken krijgen, en we geven die negerromans in de eerste tijd van de zwangerschap aan zwangere vrouwen te lezen, dan hoeven er helemaal geen zwarten meer naar Europa te komen om voor mulatten te zorgen – dan ontstaat puur door het geestelijk lezen van die negerromans een groot aantal kinderen in Europa die helemaal grijs zijn, mulattenhaar hebben, die er als mulatten uit zullen zien!’ (uit een lezing in Dornach uit 1922) en ‘Het jodendom heeft zichzelf al lang overleefd, heeft geen rechtvaardiging binnen het moderne leven der volkeren, en dat is een fout van de wereldgeschiedenis, waarvan de gevolgen niet kunnen uitblijven. We bedoelden hier niet alleen de vormen van de joodse religie, maar vooral ook de geest van het jodendom, de joodse manier van denken’ (beide Commissie van Baarda, uit de Groene). Nogmaals, wat betreft antisemitisme bij Steiner lopen de meningen uiteen (zie hierover dit Zwitserse artikel http://www.cjp.ch/artikel/anthroposophie.htm. Zie ook dit artikel over de kwestie in het Zwitserse Solothurn http://www.welt.de/welt_print/article1411569/Wie_antisemitisch_war_Rudolf_Steiner.html).
Vooruit, nog een over die door de duistere Saturnus bezeten indianen: ’Ten tijde van de Atlantische ontwikkeling moest het beendergestel voor een bepaalde tijd buigzaam blijven, zodat het omgevormd kon worden. Er bleven bevolkingsgroepen van wie het beendergestel te vroeg verhardde en bleven als gedegenereerd mensenras achter. Ze konden zich niet aanpassen in de verhoudingen in de na-Atlantische tijd, en de laatste overblijvenden zijn de Amerikaanse Indianen. Zij waren gedegenereerd’ (uit Jeurissen, pp. 9 en 16.). Pijnlijk als je bedenkt hoeveel volstrekt naïeve ‘Indianen-enthousiastelingen’ er tussen de ‘Naturfreund-angehauchte sofen’ rondlopen. Heb een paar keer dit citaat aan dat soort mensen voorgelegd, verbijstering en verslagenheid alom. Kan me van heel vroeger trouwens herinneren dat er in de Jonas een jubelverhaal stond dat er een Vrije School was gesticht in een Indianenreservaat in de South Dakota in de VS, bij de Lakota, de roemruchte Sioux. Gaat zo goed samen, natuurvriendelijke indianen en natuurvriendelijke sofen. Allebei ook zo diep spiritueel. Denk niet dat die zendelingen of die indianen de Volkszielen hebben gelezen, want (over de ‘wetmatigheden’ die het lot der mensenrassen bepaalt) ‘Wo die große Bewegung der Menschheit in Betracht kommt, da darf keine persönliche Sympathie und kein persönlicher Enthusiasmus mitspielen. Denn nicht darauf kommt es an, sondern darauf, was in den großen Gesetzen des Menschentums bedingt ist.’ (Die Mission, p. 86). Je zou bijna wensen dat Tatanka Yotanka (Sitting Bull) uit zijn graf op zou staan om, in navolging van zijn grote en roemruchte overwinning bij de Little Bighorn in 1876 op Generaal Custer en het Zevende Cavelerie Regiment van het Amerikaanse leger dat tot de laatste man werd afgeslacht, de boel weer schoon te komen vegen en deze drammerige zwevers en spirituele kolonisten, met hun ‘Finsteren Saturn’, zijn domein uit te trappen.
De twee laatste citaten zijn liggen overigens geheel in de lijn van de bovenstaand uiteen gezette astrologische rassenleer en de analogie van de leeftijdsfases van de mens en zijn vanuit dat model goed te verklaren. Zie verder ook een beschouwing op de website de Brug, waarin ontkend wordt dat er bij Steiner sprake is van racisme, maar waar vervolgens de rassenleer welhaast enthousiast wordt samengevat en triomfantelijk wordt aangeprezen: http://users.pandora.be/antroposofie/diabasis/b14rac.htm. Overigens zou ik deze fundamentalisten op een punt op hun eigen leer moeten corrigeren. Zij beweren dat deze rasverschillen slechts tot het eind van de Atlantische tijd golden. Dit is niet juist. Als Steiner het over het uitsterven van de indianen heeft, spreekt hij over zijn eigen tijd, of hooguit eind negentiende eeuw. Steiner ‘citeert’ zelfs een Indiaans stamhoofd om aan te tonen dat eind negentiende eeuw de indianen zouden zijn blijven hangen in de Saturnussfeer en niet zouden zijn bezield door de invloed van Venus, Mars, of Jupiter en daarom gedoemd waren te verdwijnen. Steiner: ‘Dadurch hat er nicht mit aufgenommen das, was die Venus-, Merkur-, Mars- und Jupiter-Geister bewirkt haben im Osten. Durch dieses haben sich gebildet alle die Kulturen, die in Europa in der Mitte des neunzehnten Jahrhunderts zur Blüte gebracht wurden. Das alles hat er, der Sohn der braunen Rasse, nicht mitgemacht. Er hat festgehalten an dem Großen Geist der urfernen Vergangenheit. Das, was die anderen gemacht haben, die in urferner Vergangenheit auch den Großen Geist aufgenommen haben, das trat ihm vor Augen, als ihm ein Blatt Papier mit vielen kleinen Zeichen, den Buchstaben, von welchen er nichts verstand, vorgelegt wurde. Alles das war ihm fremd, aber er hatte noch in seiner Seele den Großen Geist. Seine Rede ist uns aufbewahrt; sie ist bezeichnend, weil sie auf das Angedeutete hinweist, und sie lautet etwa so: “Da in dem Erdboden, wo die Eroberer unseres Landes schreiten, sind die Gebeine meiner Brüder begraben. Warum dürfen die Füße unserer Überwinder über die Gräber meiner Brüder schreiten? Weil sie im Besitze sind dessen, was groß macht den weißen Mann. Den braunen Mann macht etwas anderes groß. Ihn macht groß der Große Geist, der zu ihm spricht in dem Wehen des Windes, in dem Rauschen des Waldes, dem Wogen des Wassers, in dem Rieseln der Quelle, in Blitz und Donner. Das ist der Geist, der für uns Wahrheit spricht. Oh, der Große Geist spricht Wahrheit! Eure Geister, die ihr auf dem Papiere hier habt, und die dasjenige ausdrücken, was für euch groß ist, die sprechen nicht die Wahrheit”. So sagte der Indianerhäuptling von seinem Standpunkte aus. Dem Großen Geiste gehört der braune Mann, der blasse Mann gehört den Geistern, die in schwarzer Gestalt als kleine zwerghafte Wesen -er meinte die Buchstaben – auf dem Papier herumhüpfen; die sprechen nicht wahr. – Das ist ein welthistorischer Dialog, der gepflogen worden ist zwischen den Eroberern und dem letzten der großen Häuptlinge der braunen Männer. Da sehen wir, was dem Saturn mit seinem Wirken angehört und was aus dem Zusammenwirken mit anderen Geistern in einem solchen Momente, wo zwei Richtungen sich begegnen, auf der Erde entsteht’. (‘Die Mission’, pp. 123-124).
Het betreft hier naar alle waarschijnlijkheid geen werkelijk citaat van een indiaans stamhoofd en is wellicht verzonnen. Er circuleerden in die tijd meer van dat soort teksten in Amerika, zoals het beruchte ‘Manifest Desteny’, geschreven om de kolonisatie van de Indiaanse gebieden een morele en zelfs religieuze rechtvaardiging te geven, zie http://en.wikipedia.org/wiki/Manifest_Destiny#Native_Americans Ook de in New Age kringen populaire ‘toespraak’ van Chief Seattle is hier een voorbeeld van; in werkelijkheid vroeg Seattle van de Dwamish Indianen het Amerikaanse leger om ondersteuning om zijn vijanden een kopje kleiner te maken). Bram Moerland haalt dit citaat overigens ook aan (de Nederlandse vertaling uit 1980 van Vrij Geestesleven). Moerland zegt: ‘En om zijn gelijk te bevestigen citeert Steiner tot slot uit de toespraak die het Indiaanse opperhoofd kennelijk bij die gelegenheid hield. Ik lees daar iets heel anders in. Maar oordeelt u zelf.’ Vervolgens komt precies hetzelfde citaat in de Nederlandse vertaling, waarvan hier het slot: ‘Dat is de Grote Geest die voor ons de waarheid spreekt. O, de Grote Geest spreekt de waarheid. De geesten die gij hier op papier hebt en die uitdrukken wat goed voor u is, die spreken niet de waarheid’. Moerland concludeert, na volgens mij deze passage correct te hebben geciteerd, want het is de exacte vertaling van de Duitse tekst, zoals iedereen hier kan constateren: ‘En daar wil ik mij graag bij aansluiten. Nee, niet de geesten die Steiner in zijn boeken oproept spreken niet de waarheid. Wat dat soort geesten kunnen aanrichten weten we ondertussen. Maar wat kennelijk velen niet weten is dat deze ideeeën nog steeds worden onderwezen op de Vrije School. En Maarten Ploeger zegt in ‘Antroposofie ter discussie’ (Maarten Ploeger is een leraar aardrijkskunde op een vrije school en leverde in 1980 een bijdrage aan het boek ‘Antroposofie ter discussie’, eerder verschenen in ‘Jonas’, waarin hij onverkort Steiners racisme verdedigde, veel aangehaald door Moerland en Jeurissen, FS) ‘Zo betekende de confrontatie met de blanke expansiedrift voor de Indianen meer dan een reeks ongelijke oorlogen. De Indiaanse cultuur had à priori de bevattelijkheid om hieran te gronde te gaan’. Er zijn mensen die het nooit leren’ (Moerland, p. 21-22).
Ik ben kan me goed in de interpretatie van Moerland vinden, alleen denk ik dat zelfs die toespraak een vervalsing is. In die tijd circuleerden er simpelweg niet zoveel uitgeschreven toespraken van Indianen in Europa. Bovendien ken ik deze woorden niet uit een van de weinige beroemde redevoeringen, die wellicht wel Europa hebben bereikt, of het zou weer moeten gaan om de zoveelste verminking van de woorden van Chief Seattle. Wel huiveringwekkend dat deze mogelijke woorden van een indiaans stamhoofd op deze manier worden ingezet, dat zou iedereen beamen die een beetje op de hoogte is van de geschiedenis van de prairie oorlogen van eind negentiende eeuw. Precies het tegenovergestelde van wat waarschijnlijk de intentie was (Steiner zelf kon pas goed met verminkte of vermeende citaten manipuleren, NB zonder bronvermelding, Commissie van Baarda). Laten we niet vergeten dat de westerse uitroeingscampagne op de indianen, wellicht de grootste volkerenmoord uit de geschiedenis is (zij het verspreid over vier eeuwen, van 1500 tot 1900, om preciezer te zijn, op het Amerikaanse vaste land van de Spaanse invasie van het Azteekse rijk in 1519 tot Wounded Knee in 1890). Maar nu komt het, Steiners opmerkingen over de indianen en ‘andere rassen’ gaan dus niet om een ver verleden, zoals er in de Brug en door vele andere antroposofen gesteld wordt; Steiner bespreekt de contemporaine situatie, of die toespraak nu echt is of niet. Dit gaat namelijk over de situatie aan het eind van de negentiende eeuw (periode 1860-1890, dus tot aan de slachting bij Wounded Knee, waar Christof Wiechert het over had).
Het meest beslissende argument tegen de bewering uit de Brug is dat Steiner, wanneer hij de rassen in analogie met de levensloop van de mens bespreekt, hij  expliciet zegt: ‘Diese Linie besteht auch für unsere Zeit’. Hiermee lijkt mij de bewering van dat het om een ver verleden zou gaan volledig van tafel is geveegd. Het gaat dus wel degelijk over de eigen tijd.  Wel nauwkeurig lezen, is mijn advies aan deze fundamentalisten. Het blijft prijsschieten met onze antroposofische zuiderburen.

De prehistorie volgens de antroposofie, na de ondergang van Atlantis (volgens een kaartje uit ‘de Brug’, bij het artikel ‘Waarom geen Chinese cultuurperiode?’). Hoewel het met de grote lijnen al flink mis is, is het aardig om te zien hoe dit zich ook vertaalt tot in de kleinste details. De ‘Akkadiërs’ bijvoorbeeld, zijn Semitisch (het Akkadisch is de oudste bekende Semitische taal uit Mesopotamië). Hoewel ‘de Brug’, met hun Holocaustontkenningen en verhandelingen over UFO’s, wellicht kan worden afgedaan als een extremistische rariteit binnen het hedendaagse spectrum van de antroposofie geeft dit kaartje een getrouwe weergave van wat er wordt beschreven in het eerste hoofdstuk van Steiners ‘Akasha-kroniek’.

 

De Theosofen

Hoewel de meer orthodoxe antroposofen graag doen geloven alsof het meeste door Steiner zelf bedacht is, heeft hij een groot deel overgenomen van het gedachtegoed van Helena Petrovna Blavatsky (1831-1891), een Russisch medium en de grondlegster van de Theosofie. Dit is trouwens een ernstig taboe in rechtzinnige antroposofische kringen; Steiner is nu eenmaal uniek en alles is aan hem geopenbaard. Hooguit wordt er door gelovige antroposofen gezegd dat zij beiden door hun gaven hetzelfde zagen, maar dat Steiner itt Blavatsky ook daadwerkelijk begreep wat hij middels zijn gaven kon waarnemen. Bram Moerland zegt overigens dat Steiner Blavatsky simpelweg geplagieerd heeft (p. 17). Dat is inderdaad de enige conclusie als je de mogelijkheid van helderziende waarneming uitsluit; nergens doet Steiner aan bronvermelding. Maar niemand kan ontkennen dat de banden er zijn. De breuk met de Theosofie was een pijnlijke, maar de invloed van Blavatsky op het antroposofische denken is onmiskenbaar.
Blavatsky’s twee belangrijkste, overigens kolossale werken zijn de tweedelige ‘De Geheime Leer’ (’Cosmogenesis’ en ‘Antropogenesis’) en ‘Isis ontsluierd’. Na te jong in het huwelijk te zijn getreden, begon HPB (zo wordt ze door haar volgelingen genoemd) op 17 jarige leeftijd te reizen. Ze beweerde dat ze op eigen gelegenheid het gesloten land Tibet was binnengedrongen. Ze zou daar ‘de Meesters’ hebben ontmoet, die haar inwijdden in een geheime en verborgen esoterische kennis, het alomvattende verhaal van het ontstaan van de kosmos en de lotsbestemming van de mens. Deze Meesters zouden haar later telepathisch de ‘Geheime Leer’ dicteren (Schell 224-226).
Volgens de Geheime Leer is de mensheid tot ontwikkeling gekomen in een aantal tijdvakken of aarde toestanden. In het begin zou de aarde nog nauwelijks een materiële verschijningsvorm hebben. Toch was de mens toen al aanwezig, zij het als geestelijke kern. In de loop der verschillende tijdvakken (Polaris, Hyperborea, Lemurië, Atlantis en het huidige na-Atlantische) zou de geest zich steeds meer hebben verdicht tot materie, tot onze huidige verschijningsvorm (aan het eind van de Atlantische periode). Opvallend is het gebruik van de term ‘Wortelras’ (‘root-race’ bij Blavatky, ‘Wurzelras’ bij Steiner). Er wordt gesproken van bijvoorbeeld het vierde wortelras (Atlantiërs) of het vijfde wortelras (Ariërs). Ook wordt er gesproken van ‘sub-races’ of ‘onderrrassen’, in ons na-Atlantische tijdvak van bijvoorbeeld het ‘oud-Perzische onderras’. Bedoeld wordt hiermee ‘cultuurperiode’, op dat moment de dominante cultuur in de mensheidsontwikkeling. De term wortelras is trouwens de sleutel tot het rassenbegrip van zowel HPB als Steiner, wat antroposofen en theosofen van nu ook mogen beweren. Het begrip wortelras zou niets te maken hebben met de huidige bestaande mensenrassen. Niets is minder waar. Er is wel degelijk een connectie. HPB legt dit heel duidelijk uit, zelfs geïllustreerd met de ‘Rassenboom’ (zie fig. 2, meer toelichting  onderaan artikel), een soort stamboom (in ‘De Geheime Leer’, Deel II, ‘Antropogenesis’, ‘Eerste Gedeelte’, ‘Aanvullende commentaren op Stanza XII’, ‘De Rassenboom’, in de jubileum uitgave van de Theosofische Verening, afd. Nederland, Den Haag, 2e druk, 1968, p. 381, onderste helft van de pagina, met bovenstaand nog 19 regels tekst. Staat ook nog apart vermeld in de inhoudsopgave, dus je kan er niet omheen). Deze overdreven nauwkeurige bronvermelding omdat de commissie van Baarda beweerde dat bepaalde critici van HPB en Steiner niet in staat waren om de betreffende sleutelpassages precies aan te wijzen in HPB’s duizenden pagina’s tellende werk, waarbij de paginanummering, toegeven niet heel erg praktisch, per subgedeelte weer opnieuw begint. Hiermee probeerde de commissie zelfs de integriteit van deze critici in twijfel te trekken. Bij deze dus. Overigens noemt ze op de tegenover liggende pagina ervoor (p. 380) de ‘Aryo-Atlantiërs’, of het ‘Arische Ras’, het ‘Vijfde Wortelras’ (de filosoof Bram Moerland wijst hier ook al op in zijn brochure ‘Rassenleer met charisma’, uit 1989, p. 10). Ook op p. 688 spreekt zij nadrukkelijk van het ‘blanke, Arische, vijfde wortelras’, dat zij afzet tegen het ‘gele ras en het Afrikaanse negerras, met hunne kruisingen’, waarna zij vervolgt met de mededeling dat ‘Roodhuiden, Eskimo’s, Papoea’s, Australiërs, Polinesiërs, enz. enz. zijn allen aan het uitsterven. Zij die inzien dat elk wortelras een toonladder van zeven onderrassen doorloopt zullen het ‘waarom’ begrijpen. De incarnerende ego’s zijn aan hen voorbij gegaan, om ondervinding te doen in een beter ontwikkelde en minder door ouderdom versleten stammen, en hun vernietiging is derhalve een Kharmische Noodzakelijkheid’. Deze uitspraak liegt er niet om lijkt me, overigens geheel correct geciteerd door Bram Moerland op p. 13. Weliswaar zijn de wortelrassen uit de eerdere werelden nog niet stoffelijk (Steiner en Blavatsky spreken van een geleidelijke evolutie van een geestelijke, immateriële verschijningsvorm naar de stoffelijke vorm die we nu kennen), maar de stoffelijke verschijningsvorm heeft in de Atlantische tijd haar vorm gekregen. Dus als er vanaf dat moment van ‘rassen’ wordt gesproken kunnen we veilig aannemen dat het over het rasbegrip gaat dat we nu kennen. Vandaar Steiners opmerkingen over de Indianen, van wie het beendergestel te vroeg verhardde. De indianen hadden dus al in een te vroeg stadium hun materiële verschijningsvorm gekregen en ‘zijn nu decadent geworden’. Hoe dit precies zit is een van de lastigste aspecten van de antroposofie (en theosofie). Het beste kan ik verwijzen naar een schema, uitgetekend door de bioloog en antroposoof Hermann Poppelbaum in 1928 (zie fig. 3, toelichting onderaan artikel).  Ook de Brug, nooit te beroerd om de zaken duidelijk uit te leggen, vat de geschiedenis van de Atlantiërs en de Ariërs nog eens bondig samen in het artikel met de buitengewoon sympathieke en veelbelovende, alsmede à-historische en onzinnige titel ‘Waarom geen Chinese cultuurperiode?’ ( slechts 5000 jaar beschavingsgeschiedenis, dit terzijde http://users.pandora.be/antroposofie/diabasis/b18chincul.htm). Let op de bijna aandoenlijke mededeling ‘De moderne wetenschap vindt de geesteswetenschap al sowieso onzin’. En terecht lijkt me, zeker in dit geval. maar we wisten al dat Ahriman zich ook had genesteld in de moderne wetenschap. Bij dit onthullende artikel is ook een kaartje weergegeven waarop heel duidelijk wordt aangegeven waar de bron van het Arische ras zich zou bevinden (cruciaal voor zowel Steiner, Blavatsky als de ‘Ariosofie’). In het begeleidende artikel vinden we het volgende Steinercitaat: ‘Alles wat bij de Toeraniërs decadent was, werkte eliminerend en omvormend bij het Hebreeuwse volk’, uit ‘Het Mattheus-Evangelie’ (niet te verwarren met het Evangelie uit de Bijbel, maar Steiners lezingencyclus uit 1910). Dit lijkt waarempel nog een antisemitische uitspraak. Steiner vervolgt met: ’dat de oude Atlantische helderziendheid bij de Hebreeuwen zich niet manifesteerde in een lager astraal helderzien, maar naar binnen sloeg en het innerlijk leven organiseerde’. Verder zegt Steiner: ‘De prometheïsche denkkracht, die de Arisch-Kaukasische mensheid in de na-Atlantische periodes moest ontwikkelen, wordt vooreerst met het hoge rotsgebergte van het hoofd verbonden, het Jupiter-denken krijgt een zetel in de hersenen’. Dit soort praat kenden we al uit ‘de Volkszielen’. Wat is die ‘Brug’ toch een bruikbare bron van informatie, hoe alles zo ongeremd en ongeneerd het web op wordt geslingerd.  Verder staat er dat zowel de Chinezen als de Semieten afstammen van de ‘Oer-Toeraniërs’ (daarom zijn ze allebei ‘goed in de handel’) en staan de Chinezen in een ‘Luciferisch licht’. Beide rassen (Chinezen en Semieten) zijn overigens ‘zeer oorlogszuchtig’. Het verhaal van de ‘Oer-Toeraniërs’ staat ook nog uitgebreid beschreven in de ‘Akasha-kroniek’. Zij gebruikten hun krachten slechts voor ‘het bevredigen van hun grillige wensen en begeerten’ (p 31-32). Nee er is echt ‘géén sprake van rassenleer’.
Maar terug naar Helena Blavatsky en de geschiedenis van aarde evolutie en de wortelrassen. De nu verdwenen continenten, ‘aardetoestanden’ of ‘werelden’, waarop deze geschiedenis van duizenden, zo niet miljoenen jaren, van wortelrassen en catastrofes zich allemaal zou hebben afgespeeld zijn achtereenvolgens Polaris (waar de polen in de tropen lagen en de evenaar een ring van ijs was?!), Hyperborea, Lemurië, Atlantis en nu zijn wij er (er zullen overigens na ons nog een paar ‘werelden’ komen, staat ook uitgelegd op die handige website ‘de Brug’, onder de ‘A’ van ‘Aarde-Evolutie’ http://users.pandora.be/antroposofie/vanaf40/b52a.htm#006 en zie ook de ‘C’ van ‘Cultuurperiode’). Het wortelras van deze tijd wordt natuurlijk gevormd door de Ariërs, een notie die in zijn geheel door Steiner is overgenomen. Het staat zelfs nog vermeld in moderne uitgaves van Steiners ‘Aksaha-kroniek’, hoezeer de term ‘ras’ verder ook is weggezuiverd. Zijn ze kennelijk vergeten, of zijn de Ariërs, de ontwikkelaars van de ‘denkkracht’ (p. 25, Pentagon uitgave 2004) toch te belangrijk om te schrappen, ondanks de eventueel op te lopen PR schade? Steiner: ‘Elk tijdperk heeft fysieke en geestelijke eigenschappen die totaal verschillen van de eigenschappen van het voorafgaande tijdperk. Terwijl bijvoorbeeld de Atlantiërs het geheugen en alles wat daarmee samenhangt tot ontwikkeling brachten, is het thans de taak van de Ariërs de denkkracht en wat daartoe behoort te ontwikkelen’. Weet niet of ik dit naïef of schaamteloos moet vinden in het ‘post-Commissie van Baarda tijdperk’ (ondanks alle ’slordigheden’ en wellicht verkeerde conclusies, was er toch beloofd dat dit soort teksten vanaf nu geannoteerd zouden worden uitgegeven?). Maar goed, er was ook ‘géén sprake van rassenleer’, dus niets aan de hand. Wat dat betreft zijn de Theosofen iets slimmer en wordt er in moderne uitgaven van ‘De Geheime Leer’ gesproken van het ‘Adamische Ras’, waar vroeger ‘Arische Ras’ stond. Steiner heeft dit model overigens ook een keer uitgetekend, vergelijkbaar met de schema’s uit de Volkszielen en Blavatsky’s rassenboom (zie fig 4, toelichting onderaan artikel). Hierin noemt hij de apen en de indianen ‘decadente aftakkingen’ van van de rechte lijn van het Atlantische wortelras naar de hedendaagse Europeanen.
Blavatsky beweert verder dat de mens niet afstamt van de aap, maar dat de apen afstammen van gedegenereerde mensenrassen, die in de Atlantische tijd gingen copuleren met draken. Dat waren dan waarschijnlijk die dinosaurussen, waar wij nu de fossielen van vinden. Moet wel heftig zijn geweest. Hoe dan ook interessant. Dit is nog iets pikanter dan ‘Jurassic Park’ of wat de hedendaagse creationisten ons willen voorschotelen. Die HPB was niet alleen een avontuurlijke reizigster maar had ook een avontuurlijke geest. Zie verder een wat ironische, maar zeker geen onjuiste samenvatting van het Theosofische gedachtegoed ‘Kharmische noodzakelijkheden’ door journalist Rene Zwaap, oorspronkelijk verschenen in de Groene Amsterdammer, te vinden op de site van FOK: http://forum.fok.nl/topic/656258. Bovenstaand vind je overigens eerst een iets ruwer betoog, ‘Bloed is een heel bijzonder sap; Nazisme en antroposofie’, dat ik ook grotendeels onderschrijf, al lijkt de titel wel heel erg grof. De boventitel is overigens een uitspraak van Steiner zelf. Ook in die beschouwing wordt de link uitgelegd met de Theosofie en ook met een andere duistere afsplitsing, de Ariosofie (zie hiervoor ook het artikel van Jan Willem de Groot). Zie voor een aardige biografische schets van Helena Blavatsky de boekbespreking van Sjoerd de Jong uit NRC Handelsblad http://www.nrc.nl/W2/Lab/HAL11/011.html
Overigens kun je het ook wel zonder ingewikkeld zoekwerk wel een saillant detail vinden. Als motto geeft HPB ‘De Geheime Leer’ weliswaar: ‘Dit werk wijdt ik aan alle ware Theosofen van alle landen en alle rassen’, maar in haar ‘Voorbericht’ gaat het van ‘de Groote Adepten van het Arische Ras en den invloed aantoont van de occulte wijsbegeerte op het levensgedrag van…enz.’. Deel I Cosmogenesis, Eerste Gedeelte, p. 1, eerste allinea, negende regel. Echt heel moeilijk terug te vinden, Commissie van Baarda. Dat ‘Arische ras’ is denk ik ook helemaal niet zo belangrijk, als dat het eerste is waarover je begint in een werk van duizenden pagina’s dat pretendeert het ontstaan van de kosmos en de zin van het bestaan te verklaren. Ook bij Steiner stond dit ‘Arische ras’ wel erg centraal in zijn visie op de menselijke evolutie (zie figuur 5).
Natuurlijk, het begrip Wortelras behelst in eerste instantie ‘de mensheid’, al dan niet stoffelijk aanwezig in een bepaald tijdperk (pas vanaf Atlantis in fysieke vorm). Als Blavatky en Steiner van ‘onderrassen’ spreken bedoelen zij een cultuurperiode. Toch is dit concept wel erg vermengd met ‘rasdenken’. Wij leven nu in de tijd van het vijfde wortelras, de tijd van het ‘Arische ras’. De cultuurperiodes, of onderrassen die aan ons vooraf zijn gegaan zijn de ‘Oud Indische’, de ‘Oud- Perziche’, de ‘Egyptische-Babylonische’ en de ‘Grieks Romeinse’. Wel zijn dit allen ‘Arische’ culturen (volgens de antroposofie en de theosofie althans). Indianen, die hebben geen cultuurperiode. Chinezen ook niet (zie het artikel uit de Brug). Dus al zijn de begrippen wortelrassen en onderrassen vooral te relateren aan tijdvakken, het is en blijft een eurocentrische, zoniet ‘aryo-centrische’ visie op de geschiedenis en wellicht op de zin van de kosmos en het bestaan. Geschiedenis is in de antroposofie en de theosofie een teleologische aangelegendheid, zaken gebeuren nooit door een toevallige samenloop van omstandigheden maar werken naar een doel toe. Verder hebben ‘de Indianen’ zeker een functie, ze zijn wijs en diep spiritueel en hebben nog een binding met de ‘oud-Atlantische mysterieën’, maar op een gegeven moment ‘is hun tijd om’, in de woorden van Blavatsky.
In Steiners woorden:  Sehen Sie sich doch die Bilder den alten Indianer an, und Sie werden gleichsam mit Händen greifen können den geschilderten Vorgang, in dem Niedergang dieser Rasse. In einer solchen Rasse ist alles dasjenige gegenwärtig geworden, auf eine besondere Art gegenwärtig geworden, was in der Saturnentwicklung vorhanden war; dann aber hat es in sich selber zurückgezogen und hat den Menschen mit seinem harten Knochensystem allein gelassen, hat ihn zu Absterben gebracht’( ‘Die Mission’, p. 122).
Met wat voor occulte en metafysische verklaringen Steiner en Blavatsky ook komen, de Theosofie en de antroposofie zijn beiden op zijn minst zwaar besmet door de modieuze rassentheorieën en de koloniale superioriteitsaanspraken uit die dagen, alleen krijgen deze aanspraken een esoterische onderbouwing. Bram Moerland toont mijn inziens overtuigend aan dat de Theosofie, zoals die door Blavatsky is geformuleerd (volgens haar door ‘Oosterse Meesters’ gedicteerd) niet zozeer Oosters is maar in een westerse mystieke traditie staat, gemengd met de Darwinistische Evolutie-leer, waardoor er in feite een soort ‘neo-religie’ is ontstaan, overigens een typisch negentiende eeuws fenomeen. Zo is de ‘val van de hogere geest in de lagere stof’ een westers gnostisch concept, dat vervolgens weer is vermengd met het net opgekomen Darwinisme (Moerland, p. 9). Voeg daarbij de westerse koloniale opvattingen over rassen bij, vermengd met een exotistisch sausje (’oriëntalistisch’ zou Edward Said het omschrijven, maw elementen die volgens de westerse perceptie typisch oosters zouden zijn) en je hebt de basisingrediënten van het theosofische gedachtegoed. Als je met Edward Said wilt schermen (wat de commissie van Baarda probeert) is dit de uitgelezen plaats en context. Het is dus een mengsel van typisch koloniaal racisme en exotisme vermengd met modieus spiritualisme en neo-gnosticisme. Eigenlijk heel negentiende eeuws, precies passend bij de mode van die tijd. Het is denk ik dan ook niet zo verwonderlijk dat juist toen racistische elementen werden vermengd met een soort gnostisch gedachtegoed.  Steiner heeft zich dit gedachtegoed slechts eigen gemaakt, maar heeft het oosterse element weggezuiverd en het verder aangevuld met typisch Duitse romantische elementen. Een tamelijk prozaïsche, maar naar mijn mening waarschijnlijker verklaring dan dat het allemaal op een bovenzintuigelijke wijze zou zijn geopendbaard.
Hoewel Helena Blavatsky niet besproken wordt, zou zij perfect passen in de wereldberoemd geworden studie ‘The invention of tradition’ van de historici Eric Hobsbawm en Terence Ranger (Cambridge 1983). Zij beschrijven hoe in de diverse westerse koloniale rijken in de negentiende eeuw tradities en rituelen begonnen te ontwikkelen om de status quo te rechtvaardigen. Allerlei tradities werden letterlijk ‘uitgevonden’ om de heersende orde een plaats in de geschiedenis te geven. Overigens gold het zelfde voor de opkomende nationalistische onafhankelijkheidsbewegingen, ook zij ontwikkelden hun eigen ‘tradities’ en ‘geschiedenis’ om hun claims te rechtvaardigen. Blavatsky (en Steiner) putten op een eclectische manier uit verschillende religieuze en spirituele tradities, vermengden deze met toen modieuze ideeën over evolutie en rassen, om zichzelf ook historisch te rechtvaardigen. Zie overigens ook de multi-inzetbare Perzische Ahriman bij Steiner en diverse hedendaagse antroposofen. Zowel de theosofie als de antroposofie hangen aan elkaar van ‘invented traditions’, zowel wat betreft de leer als de ritus en beroepen zich daar ook permanent op om hun universele waarheidspretenties te rechtvaardigen.
Het Tibet avontuur van HPB zou overigens grote indruk maken op occult angehauchte Nazi-kopstukken als Heinrich Himmler en Rudolf Hess. In 1939 werd de Oostenrijkse alpinist Heinrich Harrer, onder het mom van deelname aan een expeditie naar de Nanga Parbat, in het huidige Pakistan, met een opdracht van Himmler Tibet ingestuurd om de geheimzinnige plaats te vinden waar HPB was ingewijd. Dit zou het mysterieuze verborgen koninkrijk ‘Shambala’, ‘Asgartha’, of ‘Shangri La’ zijn, de geheime bron van het Ariërdom (zie het kaartje uit de Brug, bij de uitleg van de Atlantiërs, Toeraniërs, Ariërs en Semieten). Harrer vond dit koninkrijk niet, maar kwam terecht in de Tibetaanse hoofdstad Lhasa en verbleef een paar jaar aan het hof van de jonge Dalai Lama, met wie hij goed bevriend raakte. In 1949 moest hij Tibet halsoverkop verlaten toen het Rode Leger van Mao het land binnen marcheerde om het te annexeren. Hij schreef over zijn belevenissen een overigens fascinerend boek, ‘Sieben Jahren in Tibet’, later verfilmd als ‘Seven Years in Tibet’, met Brad Pitt in de hoofdrol. Over de werkelijke reden van Harrers reis heeft altijd een waas van geheimzinnigheid gehangen, al is nu op basis van archiefonderzoek, dat door Harrer min of meer is bevestigd, vast komen te staan dat hij is vertrokken met een mystiek getinte opdracht van SS Führer Himmler (Schell 287-294). Dit, maar ook de talloze mystieke Arische genootschappen die er in de loop der tijd hebben bestaan, zoals het Thule Gesellschaft en de Ariosofie, laat zien hoe groot de invloed was van HPB’s openbaringen op de occulte tak van het latere Nazisme. Zie in dit verband ook het verhaal van Karl Haushofer en Hitler, uiteengezet in ‘Bloed is een heel bijzonder sap’.
Steiner was een tijd lang aanhanger van de Theosofie. Zo was hij voorzitter van de Duitse afdeling van de theosofische vereniging, voordat hij zich afsplitste met zijn nieuwe antroposofische vereniging. Steiner en zijn medestanders konden zich er niet in vinden dat prominente theosofen als Annie Besant, door Blavatsky op haar sterfbed aangewezen als haar opvolgster, de Indiase jongen Jiddu Krishnamurti uitriepen tot de nieuwe Messias, de ‘Matreya’ in het theosofische jargon. Charles Leadbeather, een van de leidende figuren van de Theosofical Society en ‘Grootmagiër’, had deze jongen aangetroffen tijdens een wandelingetje in Adyar, in het toenmalige Brits Indië en had ‘iets magisch’ in hem gezien (er zijn geruchten dat het gewoon om een bijslaapje ging van de homoseksuele Leadbeather). ‘Een wonder, een wonder!’ schijnt Annie Besant te hebben geroepen toen ze het nieuws vernam dat de Matreya was gevonden. De ‘vondeling’ werd geïncorporeerd en ingekapseld in de Theosophical Society. De nieuwe Heiland leidde een tijdje een commune in Nederland in de zogeheten ‘Ster kampen’, bij het Overijsselse dorp Ommen, op het landgoed Eerde van Phillip Baron van Pallandt, die zijn beschermheer werd. Uit heel Europa reisden massa’s volgelingen naar de nieuwe ‘Wereld Leraar’, of de ‘Universele Dictator’, zoals hij zonder een greintje ironie ook wel werd genoemd. Op het station van Basel in Zwitserland werd zelfs een apart perron ingericht voor de ‘Ommen-expres’ (net Harry Potter, zou JK Rowling het daar vandaan hebben?). De Theosofie ging meer lijken op de huidige Bhagwanbeweging, de Transcendente Meditatie van de Maharishi Mahesh Yogi, of de Hare Krishna sekte. De oorspronkelijke inhoud van de Theosofie raakte steeds verder op de achtergrond; Krishnamurti ging er zelfs prat op nooit de Geheime Leer in zijn geheel gelezen te hebben. In 1929 maakte hij bekend dat men zich had vergist en dat hij helemaal geen ‘Grote Wereldleraar’ was, althans niet voor dat volk dat jubelend naar de Sterkampen te Ommen was getogen. ‘Jullie hebben deze gebeurtenis, de Wederkomst van de Wereldleraar, achttien jaar afgewacht en kijk eens wat er nu gebeurt. Jullie zijn voor je spiritualiteit afhankelijk van iemand anders. Ik wens niet ieder jaar dezelfde kinderachtige besprekingen. Waarom moet ik onware en huichelachtige mensen hebben die mij volgen, mij, de belichaming van de waarheid?’ Hij vertrok, zijn per zweeftrein gearriveerde schare volgelingen verweesd achterlatend. Als dit allemaal niet zo intens tragisch zou zijn, is het een van de mooiste soaps van de twintigste eeuw geweest. In het geval van Krishnamurti had Steiner dus wel gelijk. Overigens ging Krishnamurti daarna gewoon door; hij vertrok naar Amerika en stichtte een nieuwe commune, in Ojai in Californië. (Rene Zwaap, ‘Jiddu Krishnamurti’, de Groene Amsterdammer, 27-09-1995, en Hulpas en Nienhuys, pp. 226-227).

De volgelingen

De theorie van de theosofie en de antroposofie is grotendeels dezelfde, alleen hecht Steiner een groter belang aan de komst van Christus op aarde (de theosofie is meer oosters geïnspireerd). Verder heeft Steiner, itt Blavatsky, talloze praktische toepassingen voor zijn leer ontwikkeld, zoals onderwijs (Vrije School), de biologisch dynamische landbouw (de BD, een op astrologie en ‘Bauerntum Romantik’ geschraagde ecologische landbouw, met gebruik van ‘koehoornpreparaten’, waarbij zelfs sprake is van een ‘astrologische zaaikalender’), de antroposofische geneeskunde (samen met de Nederlandse arts Ita Wegman) en zelfs een ‘kerk’ (de Christengemeenschap).
Het Christelijke element is voor de antroposofen overigens erg belangrijk, maar ook dat aspect wordt door sommige Steinervolgelingen nog weleens verhaspeld met hele andere opvattingen. Een zekere Rudolf Meyer, schrijver van het boekje ‘Het mysterie van de Graal’, Stuttgart, 1958, in Nederland uitgegeven door Christofoor, Zeist, beweert dat slechts het Germaanse ras ontvankelijk zou zijn om de oorspronkelijke ‘Christusimpuls’ door te geven (een vaag maar heel belangrijk begrip in de antroposofische lectuur). De Kelten hebben deze een paar eeuwen mogen bewaren, beschermd tegen de ‘decadente Roomse-Semitische Kerk’ en ander, al dan niet ingefluisterd door vriend Ahriman, mediterraan volk. Een kosmische kracht heeft echter de Kelten doen verdwijnen (p. 51) en het is nu aan de Germanen om deze ‘Christusimpuls’ uit te dragen. Wanneer ‘de steen uit Lucifers kroon wordt geslagen’ zal de Christusimpuls en het graalbloed indalen ‘ook in het meest verontreinigde bloed van de laagste rassen’, (p. 152). Dit van de realiteit losgezongen gebral komt overigens niet van Steiner zelf. Steiner formuleert het bij mijn weten ook nooit zo lomp, dus dit lijkt me wel echt een exces (hoewel de ‘negerromans’ en het ‘mulattenhaar’ er ook mogen zijn). Lijkt ook meer op ‘Lord of the Rings’. Zie ook de parallel met de ‘Da Vinci Code’, maar dan in een racistische variant. Overigens kent de antroposofie niet een duivel maar twee, Lucifer en Ahriman. De duivel van binnen en de duivel van buiten, maar dat voert wat ver om dat hier toe te lichten. Wel gek trouwens dat er opeens een samenwerkingsverband wordt gezien tussen de Arabieren/Joden enerzijds (dat zijn nl. de semieten) en de Rooms Katholieke Kerk anderzijds. Volgens mij zijn die elkaar de afgelopen 2000 jaar vooral elkaar in de haren gevlogen, en ja, die Germanen mochten meedoen met de Roomsen maar deden er voor het grootse deel van de tijd niet zo veel toe, al mochten Karel de Grote en later de Duitse Keizer soms stevig hun zegje doen. Maar elders konden we ook al lezen dat er geen Chinese cultuurperiode is geweest. Je kunt de aanhangers van de antroposofie veel verwijten, maar niet dat ze last hebben van enig historisch inzicht.
Het is overigens een bewuste keuze van Steiner, de antroposofen en de Vrije School dat je op de lagere en middelbare school geen inleiding krijgt in het gedachtegoed van de antroposofie. Wel krijg je allerlei zaken mee waarbij niet wordt uitgelegd dat het slechts opvattingen van Steiner en zijn geestverwanten zijn. Zo leer je bij het vak geschiedenis dat de ontwikkeling van de beschaving begonnen is in Atlantis en door een zekere Manu (een soort Atlantische Noach die het in de golven verzinkende Atlantis wist te ontkomen) naar het oude India is gebracht. Via Perzië, waar die dekselse Ahriman aan boord stapte (toen nog de duistere tegenhanger van de lichtgod Hormuzd, thans handelaar met voorkennis in de Anglo-Amerikaanse wereld), werd het licht naar Egypte en Griekenland gebracht en vanaf daar kwam het via Rome bij ons, de Germanen (zo is het mij althans voorgeschoteld in de vijfde klas van de lagere school, overigens met de beste intenties door oprechte en bevlogen leerkrachten, maar het is nu eenmaal de leer). Dit is puur Steiner en Blavatsky en heeft weinig te maken met de hedendaagse inzichten over de geschiedenis van de oudheid. Zie hiervoor wederom het Brug artikel ‘Waarom geen Chinese Cultuurperiode?’, http://users.pandora.be/antroposofie/diabasis/b18chincul.htm.
Dat je niet meteen de hardcore leerstellingen van de antroposofie op de lagere school op je dak krijgt is nog wel te begrijpen. Dat je het ook niet op de middelbare school krijgt, in de vorm van een vak als ‘antroposofische levensbeschouwing’ is echter een dogmatische richtlijn. Dat heeft alles te maken met het idee dat de antroposofie zichzelf ziet als een inwijdingsleer, zoals het vroege Christendom ook zou zijn geweest (zeggen de sofen althans). Verder moet, volgens Steiners ‘Vrije opvoedkunst’, een kind moet zich eerst zintuigelijk en intuïtief ontwikkelen, voordat de cognitieve capaciteiten worden aangesproken. Slaat trouwens ook weleens door. Kan van mezelf herinneren dat ik op de lagere school reikhalzend naar de periode ’sterrenkunde’ uitkeek. Waanzinnig spannend leek me dat, de stuctuur van het heelal en vooral al die planeten, met verschillende manen, de ringen van Saturnus, etc. Maar we kregen toen astrologie en toen ik daar over begon te zeuren werd mij verteld dat je eerst wijsheid moet vergaren, voordat je allemaal nieuwe kennis tot je kan nemen. Weet trouwens niet waarom het wel zo’n goed idee is om lagere schoolkinderen met astrologie op te zadelen. Heb ook geen idee of dat hele ‘wijze’ kinderen oplevert.
Maar met een beetje cynisme zou je ook kunnen stellen dat iemand die jaar in jaar uit het Michaelsfeest heeft gevierd, op die manier zich spelenderwijs de symboliek heeft kunnen eigenmaken, moeiteloos de wondere wereld der wortelrassen en volkszielen binnentreedt. Als de rituelen gemeengoed zijn geworden vallen de leerstellingen op een gegeven moment minder rauw op je dak. Een inleiding in het antroposofische gedachtegoed an sich krijg je pas op de Vrije Hogeschool. Als je op jonge leeftijd een mooi verhaal hebt gehoord over Manu die van Atlantis naar India reisde, is de overgang naar de uitverkoren en superieure Ariërs in zijn kielzog, het vijfde wortelras, wat beter te verteren.
Kortom, er valt nogal wat aan of op te merken wat betreft die antroposofie en haar voorman. Het gaat wel wat verder dan een school met veel kunstzinnige en creatieve extraatjes, romantische jaarfeesten, vage spirituele wijsheidjes, mysterieuze en daarom diepzinnig lijkende Eurythmie, of een warm hart voor de natuur en onbespoten voedsel. Veel leerlingen, ouders, maar ook docenten zijn zich vaak niet bewust van de werkelijke inhoud en historische achtergrond van de levensbeschouwing die zij zeggen aan te hangen. Tekenend is dat er bij het Sint Jansfeest, het midzomerfeest, rond het grote vreugdevuur in de beste oud-Germaanse traditie der Zonnewende rituelen, het lied ‘Flamme Empor’ (’leuchte Uns, führ uns zum Heil, in Dir!’) werd gezongen,  dat door de Nazi’s werd gezongen bij boekverbrandingen. ’Per ongeluk’ terecht gekomen in het antroposofische liedrepertoire, al vraag ik me af of degene die dit liedrepertoire voor de Vrije School heeft samengesteld, ook zo naïef was. Dit voorbeeld is exemplarisch voor bijna alles wat hiervoor besproken is. Antroposofen vinden zichzelf vaak heel erg wijs, maar weten zelf meestal ook niet waarom. Je moet daarvoor wel een paar hele machtige pillen verslinden, in nogal gezwollen en archaïsch taalgebruik. Kan me voorstellen dat je het dan liever houdt bij nat in nat schilderen, vormtekenen, eurythmieën, poppen maken van onbespoten schapenwol, in de fik vliegende adventskalenders fröbelen met veel te dikke klodderlijm, of met seizoenszaad gelardeerde jaarfeesten vieren, al declamerend dat je een ingewijde bent in de meest diepzinnige kennis. Dat is wat de meeste sympathisanten doen. Een levensbeschouwing die uitgaat van een cosmologie waarin het Arische ras wordt gezien als de voorlopige bekroning op de schepping en de indianen en anderen als decadente aftakkingen ziet die door een kosmische wetmatigheid moeten verdwijnen blijft echter problematisch, hoe leuk, diepzinnig, natuurvriendelijk en aardig de franjes en de extraatjes ook lijken. Voor mijzelf dus uitgesloten, al wens ik degenen die dit gedachtegoed oprecht van racisme willen zuiveren het allerbeste.
Maar ga zeker lezen en dan niet uitsluitend antroposofische of ‘pro-antroposofische’ lectuur, maar ook beschouwingen van kritische buitenstaanders om een afgewogen oordeel te vormen. Ik heb me er ook pas vijftien jaar later echt in verdiept.
Succes en blijf kritisch.

Floris Schreve

zie ook deel 2, deel 3, deel 4 en deel5

Geraadpleegde en aan te bevelen literatuur:

Commissie van Baarda, ‘Antroposofie en het vraagstuk van de rassen; eindrapport van de onderzoekscommissie’ Antroposofische Vereniging in Nederland, Zeist, 2000. De conclusies vind je hier: http://www.antroposofie.nl/antroposofie/themas/ms/thema10/#1095070001. Interessant commentaar vind je hier: http://www.stelling.nl/kleintje/344/Rapport.htm en hier: http://www.stelling.nl/kleintje/345/sofen.htm Ook zou ik willen wijzen op een scherp en goed analytisch verhaal Jana Husmann-Kastein van de Humboldt Universiteit in Berlijn (cultuurwetenschappen en genderstudies) die in een paar a4tjes Steiners rassenleer samenvat en veel van de bekende tegenargumenten van antroposofische zijde, ook gebezigd in het Baarda rapport, bondig van tafel veegt.  De verschillende rasmodellen (het vijfdelige planetaire en het vierdelige levensloop model uit de Volkszielen, het hier buiten beschouwing gebleven driedelige model van dag, nacht en schemeringsrassen van Carus (zie Jan Willem de Groot) alsmede de samenhang met de wortelrassen en de aarde evolutie van Blavatsky) worden hier bondig samengevat. Bewonderenswaardig! Verschenen in ‘Berliner Dialog’, 29 juli 2006, terug te lezen op: http://www.religio.de/dialog/106/29_22-29.htm. Ook vanuit de orthodoxe zijde is er stevige kritiek gekomen, zoals van Robert Jan Kelder van het (blijkbaar) zeer rechtzinnige ‘Willehalm Instituut voor antroposofie als Graalonderzoek en sociale organica’, die het rapport ‘een zelfdodingspil’ noemde: http://www.antrovista.com/artikelen/ingezonden/05-robertjankelder-01.htm

Helena P. Blavatsky, ‘De Geheime Leer; de synthese van wetenschap, godsdienst en wijsbegeerte’, Deel I ‘Cosmogenesis’ en Deel II ‘Antropogenesis’, oorspr. uitgave Londen 1888, Den Haag 1968.

Eric Hobsbawm, Terence Ranger, ‘The invention of tradition’, Cambridge University press, 1983.

Marcel Hulspas, Jan Willem Nienhuys, ‘Tussen waarheid en waanzin; een encyclopedie der pseudo-wetenschappen’, De Geus, Breda, 1998.

Toos Jeurissen, ‘Uit de Vrije School geklapt; over antroposofie en racisme; een stellingname’, Sittard, 1996 (http://www.antroposofia.be/wordpress/uit-de-vrije-school-geklapt.pdf)

Arnold Labrie, Willem Melching (red.), ‘De hang naar zuiverheid; de cultuur van het vroeg moderne Europa’, het Spinhuis, Amsterdam, 1998 (bevat een essay over de Ariosofie).

Rudolf Meyer, ‘Het mysterie van de Graal; een verborgen stroming binnen het Christendom’, Oorspr. uitgave Verlag Urachhaus, Stuttgart, Christofoor, Rotterdam, 1958.

Bram Moerland, ‘Rassenleer met charisma; over het racisme van Steiner en Blavatsky’, Den Haag, 1989

A. De Roode, E. van der Tuin, G. Zondergeld, ‘Als de Blonden uitsterven, zouden de mensen steeds dommer worden; antroposofisch racisme’, Nijmegen, 1986.

Edward W. Said, ‘Culture and Imperialism’, Vintage, Londen, 1994.

Orville Schell, ‘Virtual Tibet; searching for Shangri-La from the Himalayas to Hollywood’, New York, 2000 (over o.m. de vermeende Tibetreis van HPB en het avontuur van Heinrich Harrer).

Jacob Slavenburg, ‘Rudolf Steiner, vernieuwer van het oude weten’, Ankh Hermes, Deventer, 1990.

Rudolf Steiner, ‘De Akashakroniek; de ontwikkeling van mens en aarde’ (verzamelde bijdragen, gebundeld door Marie von Sievertz), oorspr. uitg. Dornach 1939, Pentagon, Amsterdam, 2004.

Rudolf Steiner, ‘The Kingdom of Childhood; seven lectures and answers to questions given in Torquay, 1924′, Rudolf Steiner Press, Londen, 1974 (over de vrije opvoedkunst en de ontwikkeling van het kind).

Rudolf Steiner, ‘Die Mission Einzelner Volksseelen im Zusammenhange mit der Germanisch-Nordischen Mythologie’, de gebundelde Christiania voordrachten in Oslo, 1910, heruitgave ‘Rudolf Steiner-Nachlassverwaltung im Selbstverlag’, Dornach, Zwitserland 1950. Een cruciale titel, onlangs in het Nederlands verschenen als ‘De volkeren van Europa; de opdracht van de afzonderlijke volkszielen en de samenhang met de germaanse-noordse mythologie, 2006, Pentagon, Amsterdam. Grote gedeeltes van Die Mission staan sinds kort op internet, op http://www.anthroposophie.net/steiner/ga/bib_steiner_ga_121.htm. Zie ook De Volkszielen voordracht 4 en 6 NL de Nederlandse vertaling (De Volkszielen), voordracht 4 & 6

Rudolf Steiner, ‘Theosofie; inleiding tot boven-zintuiglijke kennis van de wereld en van de bestemming van de mens’, oorspr. uitgave, 1904, uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist, 1965.

Rudolf Steiner, ‘De wetenschap van de geheimen der ziel (‘Geheimwissenschaft’, 1920), Rotterdam, 1924.

Peter Washington, ‘Madame Blavatsky’s Baboon: A history of the mystics, mediums, and misfits who brought spiritualism to America’,  New York, 1993 (over Blavatsky, Krishnamurti, Steiner en George Gurdjieff, de bedenker van het enneagram).

F.W. Zeylmans van Emmichoven, ‘Rudolf Steiner’, W. de Haan, Zeist, 1960 (een gedateerde en bijna aandoenlijke, volstrekte ‘over the top hagiografie’, maar daarom wel vermakelijk en leerzaam om te lezen).

Verder alle in deze beschouwing opgenomen links naar diverse artikelen, een enkele Duitse rechterlijke uitspraak van ‘Die Bundesprüfstelle für Jugendgefährdende Medien’ en interessante websites vol wijsheid en/of waanzin, tot en met alles over Ahriman bij ‘de Brug’. Neem vooral een kijkje: http://users.pandora.be/antroposofie/diabasis/inhaztot.html

Met dank aan Bram Moerland en Paula Vermeulen (de vroegere vrouw van August de Roode) voor het aanleveren van hun materiaal.

Appendix: Beeldmateriaal met omschrijvingen en commentaar:

Figuur 1:

http://florisschreve.web-log.nl/.shared/image.html?/photos/uncategorized/2008/06/08/fig_1_volkszielen.jpg

Figuur uit de Volkszielen, als illustratie bij citaat: ‘Diese Linie Besteht auch für unsere Zeit. Der Afrikanische Punkt entspricht denjenigen Kräften der Erde, welche dem Menschen die ersten Kindheitsmerkmale aufdrücken, der asiatische Punkt denjenigen, welche dem Menschen die Jugendmerkmale geben, und die reifsten Merkmale drückt dem Menschen der entsprechende Punkt im europäischen Gebiete auf.  Das ist einfach ein Gesetzmäßigkeit. Da alle Menschen in verschiedenen Reinkarnationen durch die verschiedenen Rassen durchgehen, so besteht, obgleich man uns entgegenhalten kann, dasz der Europäer gegen die schwarze und die gelbe Rasse einen Vorsprung hat, doch keine eigentliche Benachteilung. Hier ist die Wahrheit zwar manchmal verschleiert; aber Sie sehen, man kommt mit Hilfe der Geheimwissenschaft doch auf merkwürdige Erkentnisse”. Bron: Rudolf Steiner, Die Mission einzelner Volksseelen im zusammenhange mit der Germanisch-Nordischen Mythologie, Nachlassverwaltung im Selbstverlag, Dornach, 1950, p. 80.

Figuur 2:

http://florisschreve.web-log.nl/.shared/image.html?/photos/uncategorized/2008/06/08/fig_3_rassenboom_blavatsky_7.jpg

Illustratie uit Blavatsky’s De Geheime Leer: ‘De Rassenboom’. Blavatsky legt hier het systeem van de wortelrassen en onderrassen uit, tot het niveau van volkeren en families. Duidelijk zegt zij dat er een direct verband is met bestaande volkeren en stammen. Uit niet blijkt dat de wortelrassen los kunnen worden gezien van de bestaande mensheid. Bron: Helena P. Blavatsky, De Geheime Leer; de synthese van wetenschap, Godsdienst en Wijsbegeerte’, J.J. Couvreur, Den Haag, Jubileumuitgave van de Theosofische Vereniging, afd. Nederland, 1968 (nadruk van de uitgave van 1931),  Deel II ‘Antropogenesis’, p. 381

Figuur 3:

http://florisschreve.web-log.nl/mijn_hersenspinsels_onder/model-poppelbaum.htmlDe

De aarde -evolutie volgens Rudolf Steiner in het model van Poppelbaum (1929), uit Henk van Oort, Antroposofie, een kennismaking, Christofoor, 2006. Overigens kan ik de echte liefhebber aanraden wat verder te lezen. Verderop kunnen wij lezen dat de ‘Oer-Indier’ ten opzichte van de moderne Europeaan de geestelijke ontwikkeling heeft van een kind van zeven.

Figuur 4:

http://florisschreve.web-log.nl/.shared/image.html?/photos/uncategorized/2008/06/10/fig2def_3.jpg

Figuur 5

Illustratie bij een lezing van Rudolf Steiner op 22 november 1907 in Basel, voor de leden van de Theosofische Vereniging. Het is niet zeker of deze tekening echt van Steiners hand is, maar volgens de heer Kugler van de Rudolf Steiner Nachlassverwaltung is het in ieder geval een getrouwe kopie van Steiners tekening. zie ook figuur 5, bij dezelfde lezing. De parallel met een soortgelijke tekening uit de Volkszielen (fig. 1) is opmerkelijk. In deze tekening zien wij veel van al het voorgaande bij elkaar komen. Ten eerste de notie van de Wortelrassen, zoals die door Helena Blavatsky is vormgegeven (de Atlantiërs). Wij zien echter dat de lijn ononderbroken en opwaarts voortgaat tot de Europeanen. Kennelijk hebben de wortelrassen dus toch alles te maken met de huidige rassen. Ik denk dat niemand dat nog kan ontkennen. Een ‘decadente aftakking’ van de Atlantiërs is het ‘apengeslacht’ (zoals Blavatsky in de Geheime Leer uiteen heeft gezet). Een latere ‘decadente aftakking’ zijn de Indianen, het ras van de ‘Finsteren Saturn’ (kennelijk een tussenvorm van aap en Europeaan). Begeleidende tekst: ‘Von dem Punkte der Atlantische Zeit, wo Europäer und Indianer noch miteinander vereint waren, weiter zurückgehend, kommen wir in eine Zeit wo die Körper des Menschen noch verhältmäszig weich, von gallertatigen Dichtigkeit war. Da sehen wir wieder Wesen sich abzweigen und zurückbleiben. Diese Wesen entwickeln sich weiter, aber in absteigende Linie, und aus ihnen entsteht das Affengeseschlecht.Wir dürfen nicht sagen, der Mensch stamme vom Affen ab, sondern beide. Menschen und Affen, stammen von einere Form ab, die aber eine ganz andere Gestalt hatte als die Affen und heutigen Menschen. Die Abzweigung erfolgte von einem Punkte, wo diese Uniform die Möglichkeit hatte, einerseits aufsteigen zum Menschen und andreseits hinunterzufallen, zum Zerrbilde des Menschen zu werden’ (Cit. Rapport Commissie van Baarda, 411-412, bron illustratie http://www.anthroposophie.net/steiner/ga/bib_steiner_ga_100.htm).

Nu zal iedere rechtgeaarde antroposoof tegenwerpen ‘Maar Steiner spreekt hier over de geestelijke wereld, die hij met zijn vermogen tot ‘schouwen’ kon overzien. Dit heeft niets te maken met de hedendaagse materiële verschijningsvormen’ (en ja hoor, dat doet ook de Commissie van Baarda). Er is niemand die dit kan controleren, dus daarmee onttrekt deze aanschouwing zich aan elk werelds oordeel. Het zou kunnen. Maar misschien moeten we dan spreken van ‘astraal racisme’, ‘ether racisme’ of zelfs ‘kosmisch racisme’ (zoals Jan Willem de Groot doet). Wat doet het er toe? Ik zou als indiaan nog steeds niet staan te juichen, al bouwen ze tien Waldorf Schools in het reservaat. Lijkt me toch vreemd, opeens al die zendelingen die in het aardse bestaan géén racist zijn, maar des te meer op astraal niveau en dan op het genocidale af. Hele spirituele mensen, die antroposofen, vooral als je ze op een geestelijk dieper niveau leert kennen. En bovendien, de mens ontwikkelde zich tot zijn huidige vorm in de Atlantische periode? (zie bijv. het schema van Poppelbaum maar ook het hele hoofdstuk Onze Atlantische voorouders, uit de ‘Akashakroniek’, pp. 19-36). Dus het lijkt me dat ook dit argument van tafel is.
Bernd Hansen van de Flensburger Hefte heeft trouwens ook deze tekening en Steiners commentaar besproken en komt toch tot een ander oordeel dan de Commissie van Baarda (over de tekening): ‘Dat vervult ons tegenwoordig met afgrijzen, maar ook in 1907 heeft men al meer over de rijke Indiaanse cultuur die zich uitstrekte over het gehele continent geweten en heeft men meer kunnen weten dan Steiner kennelijk wist’ (Flensburger Hefte 41, geciteerd uit Jeurissen p. 16). Het is maar een bescheiden suggestie van iemand die weliswaar is opgegroeid in de tradities en rituelen van de Vrije School maar toch al jaren een buitenstaander, maar zou het niet raadzamer zijn voor de hedendaagse antroposofen om meer de koers van Hansen en Höfer te volgen, dan verkrampt te gaan ontkennen dat er sprake is van rassenleer?
Het is overigens wel toevallig dat Steiners bovenwereldse en geestelijke aanschouwingen geheel in overeenstemming zijn te brengen met het Eurpopese superioriteits denken en het bijbehorende racisme van die tijd (zelfs voor die tijd nog reactionair), een alternatieve evolutie theorie (van Ernst Haeckel, die het uiteindelijk niet gered heeft) en bovendien is het grootse deel letterlijk overgenomen van Helena Blavatsky. En om nu te zeggen dat uitsluitend Blavatsky en Steiner begrepen hebben hoe de wereld in elkaar zit en de rest van de mensheid niet, gaat ook wel wat ver, ik denk zelfs voor de meest rigide en geharnaste antroposoof. En bovendien, hebben antroposofen het patent op de waarheid, omdat ze een paar boeken van Rudolf Steiner hebben gelezen (de overgrote meerderheid overigens zelfs dat niet eens-’te moeilijk’) en daarmee ingewijd zijn in het meest Heerlijke gedachtegoed dat de mensheid heeft voortgebracht? Je mag hopen van niet, gezien de te bewonderen schrijfsels op het internetstekje ’zij hebben hun Illuminati en UFO’s, wij onze Ahriman’ de Brug. Het lijkt me tamelijk onheilspellend, met de nuancering dat men bij ‘de Brug’ echt gek is en meent ook van alles over de Holocaust te moeten melden (dat kan Steiner natuurlijk niet worden aangerekend en ik denk ook dat de meeste antroposofen hier oprecht van zouden walgen). Ook verwijt men bij de Brug de Nederlandse Antroposofische vereniging dat ze überhaupt een onderzoek door de Commissie van Baarda hebben laten doen en daarmee Steiner zouden hebben ‘gedesavoeëerd’: http://users.pandora.be/antroposofie/vanaf40/b48met/b48.htm#toek. Verder ontbrak het de Nederlandse antroposofen aan ‘Michaelische moed’ http://users.pandora.be/antroposofie/diabasis/b14eur.htm, die overigens met ‘Eurythmie oefeningen wel te verkrijgen is, omdat ‘in de visualisering van de klank Michael de vleugelslag van de Aartsengel zichtbaar wordt’. Dat de Belgische antroposofen wat radicaler zijn behoeft na al het voorgaande geen betoog meer. Misschien had het wel van echte ‘Michaelische Moed’ getuigd om te erkennen dat de antroposofie een serieus racisme probleem heeft, in navolging van Thomas Höfer, die daar wel toe in staat is.
Antroposofen zijn  geen superieure mensen en boven alle kritiek verheven, omdat ze een bepaald gedachtegoed aanhangen dat een zogenaamd afgerond model biedt voor hoe de kosmos in elkaar zit en wat de zin van het bestaan zou verklaren. In mijn ogen is het sektarisch (natte kabouters) en racistisch (de misplaatste triomfantelijke come-back van de kokende Ethiopiër) en ik zal ze niet snel iets toevertrouwen als hun enige waarheid en morele leidraad is: ‘we moeten geen persoonlijke sympathie of persoonlijk enthousiasme moeten meespelen, daar komt het niet op aan. Het komt slechts aan op wat besloten ligt in de grote wetmatigheden van het mensdom’, waarmee de genocide op de indianen wordt gerechtvaardigd, al zijn die Indianen slechts op ‘geestelijk niveau’ decadente aftakkingen van ons eigen Arische stamboek. En dat die zogenaamde grote wetmatigheden dan zijn gebaseerd op de helderziende openbaringen van één man die meende de waarheid in pacht te hebben.

De zaak lijkt me wel rond

Floris Schreve

zie ook Antroposofie deel 2, deel 3, deel 4 en deel5 en de discussies op de site van Ramon de Jonghe (België): http://antroposofie.wordpress.com/2008/10/30/racismedebat/ en http://antroposofie.wordpress.com/2009/03/21/brugklasje-van-angry-man/

online adverteren www.m4n.nl

Simyo

123tijdschrift.nl

KPN homepage

invisible hit counter