Mijn hersenspinsels en gedachtekronkels

Exhibition of Mahmoud Sabri in London (25th June – 6th July, La Galleria Pall Mall)

محمود صبري

M.Sabri_1[1]

Mahmoud Sabri (1927-2012)

This summer (25th June – 6th July) a very unique and special exhibition will be held in London: ‘Mahmoud Sabri; a retrospective’. Mahmoud Sabri (1927-2012) was one of the leading artists of Iraq, for many one of ‘the big three’ who were crucial for the Iraqi modern art movement, as mentioned by the Iraqi artist Ali Assaf (Rome), in the introduction of ‘Acqua Ferita’ (‘Wounded Water’), the catalogue of the Iraqi Pavilion at the Venice Biennial of 2011 (see also here on this blog). Unless the other two, Jewad Selim and Shakir Hassan al-Said (also discussed a few times on this blog, like here) the role of Mahmoud Sabri seems almost being erased from history. In most literature he isn’t even mentioned, or at least as a footnote, without showing one of his works. Also for me it was not easy to find a proper reproduction of one of his works, till around 2010, when his daughter Yasmin Sabri (working as a computer scientist based in London) launched a website with many of his works and writings.

The main reason that Sabri seems to be forgotten is that he was a dissident of the regime of the Ba’thparty from the very first moment. When the Ba’thists for the first time came to power, in 1963 , Sabri wrote a manifesto in which he stipulated the fascist nature of the new regime. Immediately after he went into exile. For decades he lived in Prague, during the years of the Cold War, so out of sight of Western critics and exhibition-makers, who started gradually to pay some interest in the modern art of the Middle East. Also later he became for many too much an outsider or exile, to be discussed in the history of the modern art movement of Iraq or the Middle East in general. Although he lived the last decade of his live in London, where many initiatives took place in the field of contemporary art of the Middle East, both in literature as in several exhibitions, his importance for the Iraqi modern art and contemporary art wasn’t really recognised.

He was never forgotten by many Iraqi artists. Very often I heard, when I was interviewing the Iraqi artists in exile here in the Netherlands, that Sabri was one of the greatest pioneers and an important key-figure, in pushing the Iraqi modern art forward. Many of them consider Sabri as a symbolic teacher and a source of inspiration. For example, when in 2000 thirty Iraqi artists, based in the Netherlands, came together to held a group exhibition in The Hague, they dedicated this initiative to Mahmoud Sabri.

For me it is a great pleasure to announce this wonderful initiative by Yasmin Sabri and Lamice el-Amari, professor theatre studies based in Berlin. Later this month I will visit this exhibition myself and will write an extensive article on Mahmoud Sabri, in which I also will discuss this exhibition.

From
http://www.lagalleria.org/section697199.html
:

 97percent_human[1]

Mahmoud Sabri, 97 percent Human

Mahmoud Sabri

Mahmoud Sabri – A Retrospective

An exhibition of the pioneering Iraqi artist Mahmoud Sabri
25th June – 6th July

The exhibition features the work of the pioneering Iraqi artist Mahmoud Sabri (1927 – 2012) and takes us through his lifetime journey, from his early work that reflected the suffering of the Iraqi people to his pursuit of a new form of art that represented the atomic level of reality revealed by modern science which he termed “Quantum Realism”.
At the age of forty, Sabri started working on the relationship between art and science, and its link to social development. In 1971 he published his Manifesto of the New Art of Quantum Realism (QR). QR is the application of the scientific method in the field of art and graphically represents the complex processes in nature. In his words, “Art is now the last area of human activity to which the scientific method is still not applied”.
His Quantum Realism collection is displayed for the first time in the UK. The exhibition presents a unique opportunity to see a comprehensive collection of Sabri’s work spanning over 4 decades.
Mahmoud Sabri was born in Baghdad in 1927, he studied social sciences at Loughborough University in the late forties. While in England, his interest in painting developed and he attended evening art classes. Following university, he worked in banking and at the early age of 32 he became the deputy head of the largest national bank in Iraq, the Al-Rafidain Bank. He resigned from the bank to take the responsibility for establishing the first Exhibitions Department in Iraq and to set up the first international exhibition in Baghdad in 1960. Following that, he decided to focus on painting, resigned from his job and went to study art academically at the Surikov Institute for Art in Moscow 1961-1963. After the Baathist coup d’état in Iraq (1963), he moved to Prague to join the Committee for the Defence of the Iraqi People. His paintings during that period reflected the suffering of the Iraqi people under that regime. From the late 60s he started working on Quantum Realism and continued to develop it until his death in April 2012 in the UK.
Mahmoud Sabri was a member of the Iraqi Avant-garde artists group. He was a founder member of the Society of Iraqi Artists. He had several publications on art, philosophy and politics (in Arabic and English). He lived most of his life in exile. (More info on QR on www.quantumrealism.co.uk )

Events
29th June, 14:00 – 15:30: Artist Satta Hashem will give a lecture and a guided tour of Sabri’s work
3rd July, 18.00 – 20.00: Symposium – Mahmoud Sabri and art in Iraq. Includes a panel discussion and documentary films

The exhibition is open 25th June – 6th July, 2013
Mon -Saturday: 11:00 – 19:00
Sunday 30th Jun: 12:00 – 18:00
Saturday 6th Jul: 11:00 – 17:00

 

La Galleria Pall Mall
30, Royal Opera Arcade
London SW1Y4UY

Extract_from_Watani_My_Country-60s[1]

Mahmoud Sabri, extract from ‘Watani’ (My Country), 1960′s

Mother[1]

Mahmoud Sabri, ‘Mother’

Hydrogen_Atom_-_1990s[1]

Mahmoud Sabri, Hydrogyn Atom (1990′s)

Air_-2[1]

Mahmoud Sabri, Air- 2

Water_._Salt_and_Vinegar[1]

Mahmoud Sabri, Water, Salt and Vinegar

More is coming after I visited the exhibition myself. See for more information:
http://www.lagalleria.org/section697199.html

More on Mahmoud Sabri: www.quantumrealism.co.uk

De culturen en de geschiedenis van Amerika’s oorspronkelijke bewoners deel 2

Vervolg van de belangrijkste cultuurgebieden van Noord Amerika (zie voor het begin deel 1)

De Plains

De culturen van het gebied van de centrale plains van het Noord Amerikaanse continent zouden uiteindelijk het meest bekend worden. De stereotype indiaan lijkt nog het meest op een nomadische bewoner van de plains. Met de nadruk op ‘lijkt’, want totempalen bijvoorbeeld, kwamen op de plains niet voor. Wel weer aan de noordwestkust, maar de bewoners uit dat gebied leken verder in werkelijk niets op het gevederde prototype van Hollywood. De bewoners van de Noordwestkust leefden niet in tipi’s en de bewoners van de plains kenden geen totempalen. Nu is ook Hollywood tegenwoordig niet meer wat het geweest is (althans, lang niet meer zo erg) en worden er tegenwoordig films over indianen gemaakt waarin zelfs de authentieke talen worden gesproken, maar het beeld is wel stevig verankerd in onze populaire cultuur, zie bijv. de onderstaande foto van de indianengadgets van playmobil (tipi en totempaal broederlijk bijeen in een landschap waarvan de rotsformaties sterk lijken op die van Monument Valley, aan het begin van de Grand Canyon). Dus nogmaals, de combinatie van een tipi en een totempaal was in de negentiende eeuw of daarvoor met grote zekerheid uit te sluiten; daar lag immers een paar duizend kilometer tussen. Monument Valley ligt weer stukken zuidelijker, in het hart van het gebied van de Pueblo culturen. Kortom, het playmobil tableau toont ons een echte ‘multiculturele utopie’.

playmobil

Het Westernpretpakket van Playmobil (bron: bol.com). 

De vraag is natuurlijk waarom de bewoners van de plains meer het beeld van ‘de indiaan’ hebben bepaald dan de bewoners van de Pueblo’s uit het zuidwesten, de maisboeren van het oosten of de vissers en walvisjagers van het noordwesten. Daar is wel een verklaring voor. De bewoners van de plains behoren tot de indianen die het laatst door het Amerikaanse leger zijn onderworpen en ook misschien het langst en het meest hardnekkig verzet hebben geboden (net als de Apaches, eigenlijk slechts de verzamelnaam voor de nomadische Na Dene volkeren uit het zuidwesten, maar die zijn achteraf ook legendarisch geworden). Maar ook de namen ‘Sioux’ (staat voor de Lakota, Nakota en Dakota), ‘Blackfoot’, ‘Pawnee’ en ‘Comanche’ doen wel ergens een lichtje branden en behoren tot het (inmiddels weer wat gezonken) erfgoed van de populaire cultuur van de twintigste eeuw.

Dan nu de echte culturen van de plains. Tot tenminste de zeventiende of de achttiende eeuw waren de plains niet eens een heel dichtbevolkt gebied. Het was (en is) niet de meest  vriendelijke plek om je te vestigen, gezien de soms extreme natuurlijke omstandigheden. Doordat de bergketens op het Amerikaanse continent vooral van noord naar zuid lopen, in plaats van naar oost en west, zijn de klimatogische verschillen bijzonder groot. De zomers zijn er heet en de winters extreem koud. Ook is dit het gebied waar de befaamde Amerikaanse tornado’s voorkomen. De iets oostelijke prairies, de vlakten met het hoogstaande gras, hebben dan nog een vriendelijke klimaat dan de dorre westelijke plains, die slechts doorsneden wordt door diepe rivierdalen met steile kliffen.

Voor de komst van de Europeanen waren vooral de oevers van de Missouri en sommige van haar zijrivieren bewoond. De bevolking was in regel sedentair,  leefde van de maïsbouw en woonde in nederzettingen bestaande uit koepelvormige woningen, bedekt met aarde of plaggen. Gedurende de zomermaanden ging men waarschijnlijk soms te voet op jacht. Op dat gebied had het plainsgebied een groot voordeel te bieden; er liepen enorme bergen vlees rond, in de vorm van bizons. De jacht op deze grote oerrunderen was overigens nog niet zo simpel en ook niet geheel zonder gevaar. Het was natuurlijk mogelijk om na lang onderweg te zijn een paar bizons te doden, maar veel zal het niet hebben opgeleverd. Een andere jachttechniek was om een kudde bizons in een keer een ravijn in te jagen. Deze jachtmethode kwam al sinds de prehistorie voor . Het nadeel hiervan was dat bij regelmatige beoefening de wildstand drastisch omlaag ging. En vlees kun je niet lang bewaren, dus het meeste ging verloren.

Curtis Mandan_lodge  

Edward S. Curtis, Mandan Earth Lodge, 1908

Karl Bodmer, Mandandorp op klif

Karl Bodmer, Mih-Tutta-Hangjusch, a Mandan village, aquatint op papier, uit ‘Maximilian, Prince of Wied’s Travels in the Interior of North America, during the years 1832–1834′

Image-Mandan_lodge_interior

Karl Bodmer, Interior of a Mandan House, aquatint op papier, uit ‘Maximilian, Prince of Wied’s Travels… (idem)

Er hebben waarschijnlijk altijd kleine groepjes nomaden op de plains geleefd, maar de meeste bewoners leefden in vaste nederzettingen langs de rivierdalen. Zoals de Mandan, de Arikara, de Hidatsa, maar ook de Pawnee nog deden toen de Europeanen arriveerden (dat is ook uit opgravingen gebleken, hun culturen bestonden al eeuwen).

Met de komst van de Europeanen naar de Nieuwe Wereld veranderde er echter iets. Dat was de introductie van het paard. Voor  die tijd gebruikte de bevolking van de plains alleen de hond als lastdier. Deze trok in regel de ‘travois’, een van de palen van de tipi’s gemaakte slee, met daarop de complete huisraad in bundels verpakt. De tipi’s in die tijd waren om die reden dus veel kleiner, om de simpele reden dat een hond niet zulke lange palen kan meeslepen als een paard. Door het paard veranderde er dus veel. Het jagen op bizons en het nomadische leven in het algemeen werd opeens veel aantrekkelijker. Zo aantrekkelijk zelfs dat er ook stammen in de aangrenzende gebieden van de plains waren, zowel ten oosten als ten westen van de plains, die hun sedentaire leven opgaven, om een nomadisch leven op de grote vlaktes te gaan leiden. Er zou een compleet nieuwe plainscultuur ontstaan. De cultuur van de nomadische indiaan te paard, die in tipi’s leefde en op bizons jaagde was dus een cultuur die pas na de komst van de Europeanen was ontstaan.

Blackfoot Travois, Vrutis, 1925

Edward S. Curtis, Blackfoot travois, 1925. Voor de komst van het paard waren de travois (en dus ook de tentpalen) veel kleiner, omdat die door honden werden voortgesleept. Ook in dat opzicht betekende de komst van het paard een vooruitgang 

De chronologie van het ontstaan van deze nieuwe plainscultuur verliep ongeveer als volgt. In 1541 trok een expeditieleger van Spaanse conquistadores, onder leiding van Francisco Vásquez de Coronado de zuidelijke plains op. Zij waren op zoek naar ‘De Zeven Steden van Cibola’, waarvan zij hadden gehoord dat die nog meer schatten zouden herbergen dan de hoofdsteden van de Azteken en de Inca’s. Achteraf weten we dat deze Zeven Steden van Cibola de Pueblo’s van de Zuni in Arizona waren en dat dezen hoe dan ook interessant waren, maar dat er geen grammetje goud te vinden was. Maar dit terzijde.

Van Coronado’s expeditie kennen we ook de eerste Europese ooggetuigenverslagen van de bewoners van de Plains, nomaden die te voet de bizonkuddes volgden. Maar het omgekeerde was ook het geval. De bewoners van de plains maakten voor het eerst kennis met het paard. Uit het kampement van Coronado zijn waarschijnlijk ook een paar paarden ontsnapt. Dat is die paarden zeker niet slecht bevallen, want de omgeving bleek ideaal te zijn om als wild paard te overleven. Deze paarden plantten zich ook snel voort en binnen de kortste keren zwierf de eerste kudde wilde paarden over de plains. Het zouden er snel meer worden.

hi_assiniboine_camp_near_rocky_mtns_curtis_a2zcds1 - kopie

Edward S. Curtis, Assiniboin-camp near the Rocky Mountains

Het ontstaan van de ruitercultuur gebeurde iets later, in de eerste decennia van de achttiende eeuw. Aan het eind van de zeventiende eeuw hadden Spaanse kolonisten zich gevestigd langs de Rio Grande, tegenwoordig de Mexicaans/Texaanse grens. De Apaches uit dat gebied, die met deze kolonisten handel dreven, verkregen van hen de eerste paarden en ontwikkelden al snel hun eigen ruiterkunst. Rond 1700 hadden de Comanches zich op de zuidelijke plains gevestigd en waren zij volledig te paard. Daarna ging het heel snel. In 1750 reden de Noordelijke Plains Cree in het huidige Canada  op paarden (bron: John E. Lewis (ed.), The Mammoth Book of Natve Americans, Londen, 2004). Als je bedenkt dat de typische ‘plainscultuur’ in de jaren zeventig en tachtig van de negentiende eeuw ten einde kwam, toen alle stammen uit dit gebied werden onderworpen en tot een gedwongen sedentair bestaan in reservaten, heeft deze cultuur, iconisch geworden voor het beeld van ‘de indiaan’, maar heel kort bestaan. Niet meer dan honderdvijftig à tweehonderd jaar, waarvan de laatste fase (1860-1890) vooral werd bepaald door een reeks bittere oorlogen met de snel groeiende grootmacht, de Verenigde Staten van Amerika.

Het leven op de plains, voorheen vooral een strijd om te overleven, werd opeens veel eenvoudiger en daarom aantrekkelijk. Er trokken steeds meer stammen naar de plains, om hun geluk als nomadische ruiter en bizonjager te beproeven. De Lakota/Dakota groep leefde oorspronkelijk veel oostelijker, net als de Algonquin sprekende Cheyenes en Arapaho’s. Van de Soshones uit de Rocky Mountains splitste zich een groep af, die bekend zou worden als de Comanches en een aantal inwoners van de Tewa Pueblo’s uit het huidige New Mexico vestigden zich op de plains en zouden bekend worden onder de naam Kiowa.    

Plains

De belangrijkste stammen van het plainsgebied

Toen rond 1850 de eerste Amerikaanse kolonisten de westelijke plains binnendrongen, kregen zij te maken met de volgende nomadische volkeren (de sedentaire volkeren van de oostelijke plains/prairies of de oevers van de Missouri sla ik in dit rijtje over). Helemaal in het noorden, ver in Canada hadden de Na-Dene sprekende Sarsi de nieuwe plainscultuur geadapteerd. Iets ten zuiden van hen waren dat een deel de Algonquin sprekende Cree, oorspronkelijk woudbewoners en pelsdierjagers. Het grootste gebied van de noordelijkste plains, ongeveer totaan de grens met de Verenigde Staten werd gedomineerd door de Blackfeet (eigenlijk ‘Nitsitapi’), verdeeld over vier substammen: de noordelijke Piegan, de zuidelijke Piegan, de Kalinai (Blood Blackfoot) en de Siksikawa (‘The Real Blackfoot’).

Op de grens met Canada en de VS (aan de noordkant van de bovenloop van de Missouri) leefden de Siouanisch sprekende Atsina (ook bekend als ‘Gros Ventre’, al noemden zij zichzelf ‘Nakoda’) en de Assiniboin (die zichzelf ‘Nakota’) noemden. Aan de andere kant van de Missouri, vooral in het stroomgebied van de Yellowstone leefden de Siouanisch sprekende Crow (Apsarokee), die zich hadden afgesplitst van de sedentair levende Hidatsa, die in vaste dorpen leefden langs de oevers van de noordelijke Missouri. Dit waren de aartsvijanden van de ‘echte Sioux’ (de Teton Sioux, eigenlijk ‘Lakota’). Hun vijandschap zat zo diep dat zij, gedurende de lange reeks oorlogen van de Lakota met het Amerikaanse leger, zij altijd de kant van de blanke bezetter hebben gekozen en vaak als verkenner hebben gediend in het Amerikaanse leger.

curtis020_sJPG_950_2000_0_75_0_50_50_sJPG_-693x533

Edward S. Curtis, Village Herald, Lakota, 1909 (bron)

Sioux Camp Pine Ridge

Lakota Kamp in het Pine Ridge reservaat, 1891. Het plaatje ziet er vrij ‘ongerept’ uit, het zou zo een scene uit Dances with Wolves kunnen zijn. Toch was dit minder dan een jaar na de massa-slachting van Wounded Knee (december 1890)

Ten zuiden van de Yellowstone, in het land van de Powder River en de Black Hills lag het kerngebied van de Lakota, oftewel de Teton Sioux, verdeeld in zeven substammen, vaak bekende namen uit diverse ‘indianenlectuur’, van populaire westerns tot historische overzichtswerken. Dat zijn de Oglala, de Hunkpapa, de Brulé (Sichangu), de Mininconjou, de Sans Arcs (Itazipcho), de Blackfoot (eigenlijk Sihasapa, niet te verwarren met de Algonquin Blackfoot) en de Two Kettle (Oohenonpa).  Zij deelden dit gebied overigens met hun belangrijkste bondgenoten, de gezamenlijk optrekkende Algonquin-sprekende Noordelijke Cheyene en Arapaho (er was ook nog een zuidelijke groep).

Overigens behoorden ook tot de echte Sioux de ten oosten van de Missouri levende groepen, die zichzelf  Dakota noemen (daar komt dus de naam van de twee staten North en South Dakota vandaan). Zij waren opgesplitst in de Yankton (bestaande uit de eigenlijke Yankton en de Yanktonai) en de Santee, de bewoners van de rand van het prairiegebied in Minesota. De Santee waren verdeeld in de Mdewakanton, de Sisseton, de Wapeton en de Wahpekute. De namen van de laatsten zouden bekend worden van de korte maar bloedige oorlog van 1862. Het op dit blog eerder besproken werk van de kunstenaar Tommy Canon ‘Andrew Myrick’ verwijst naar deze oorlog (zie mijn artikel Hedendaagse kunst van Indiaans Amerika).

Ten zuiden van de Platte River, tot en met het stroomgebied van de Arkansas (in de huidige staten Nebraska en het oosten van Colorado), leefden de zuidelijke Cheyene en Arapaho. Iets oostelijker lag het gebied van de Pawnee (behorend tot de Hokan-Caddo taalfamilie), die voornamelijk sedentair leefden, maar soms ook een nomadisch bestaan leden. Dit waren eveneens bittere vijanden van de Lakota en hun bondgenoten en ook zij dienden vaak in het Amerikaanse leger (in de film Dances with Wolves zijn zij de ‘hanenkamdragende’ vijanden van de Lakota).

1985.66.99.tif

George Catlin, Portrait of Horse Chief (Pawnee), olieverf op doek, 1832. De schilder George Catlin (1796-1872) reisde in de jaren dertig van de negentiende eeuw door het Amerikaanse westen en bezocht de meeste volkeren in het Plainsgebied, in een periode dat de echte kolonisatie nog niet begonnen was (in regel werd hij ook hartelijk ontvangen en sloot hij snel vriendschap met zijn gastheren, die vaak bijzonder geïntrigeerd waren door zijn portretkunst). Hij schilderde taferelen uit het dagelijks leven en portretteerde een flink aantal leiders van toen, in een in ieder geval zeer persoonlijke stijl (over de artistieke kwaliteit wordt verschillend gedacht, ik heb er overigens wel een zwak voor). Het grootste deel van zijn hoe dan ook unieke oeuvre (dat van grote historische waarde is, net als het werk van Karl Bodmer en helemaal het immense oeuvre van Edward Curtis) bevindt zich in het Smithonian Institute in New York (zie hier).

Ten zuiden van de Arkansas, tot en met het stroomgebied van de Red River en nog iets meer naar het zuiden lag het leefgebied van de Kiowa en de Comanche, beiden behorend tot de Uto Azteekse taalfamilie. De Kiowa waren afgesplitst van de Tewa Pueblo uit New Mexico en de Comanche waren afgesplitst van de Soshones uit de Rocky Mountains. Gedeeltelijk in hun gebied, of iets ten westen daarvan lag, tenslotte, het gebied van de plains Apache, het roemruchte nomadenvolk van het zuidwesten (Na-Dene), dat in vele kleine subgroepen was verdeeld. Op de plains leefden de Kiowa Apache (danken hun naam omdat ze veel met de Kiowa optrokken) en de Lipan Apache. In het dal van de Rio Grande leefden de Mescalero-Apache, wereldberoemd dankzij de Winnetou-boeken van Karl May (al hebben die weinig met de realiteit te maken). De meeste andere substammen van de Apache leefden westelijker, in New Mexico en Arizona. De Apaches zullen nog uitgebreid aan bod komen bij de behandeling van het Zuidwestelijke cultuurgebied. 

Qanah Parker

Quanah Parker, de laatste leider van de nog in vrijheid levende Comanches. In Nederland is zijn naam vooral bekend uit de roman van Arthur Japin, De Overgave. Bron
http://www.npr.org/2011/05/20/136438816/the-rise-and-fall-of-the-comanche-empire
, overigens een interview met de Amerikaanse schrijver S.C. Gwyne, die een geschiedenis van de Comanches schreef, The Rise and the Fall of the Comanche Empire, 2010 

Tot zover de nomadenvolkeren van de plains. In de meer oostelijke gebieden leefden, met name langs de grote rivieren, een aantal sedentaire stammen (vooral maisboeren). Dat waren, van noord naar zuid langs de Missouri: de Hidatsa (Siouanisch, nauw verwant aan de Crow), de Mandan (Siouanisch), de Arikara (Hokan-Caddo), Ponca (Siouanisch), Omaha (Siouanisch), Iowa (waar de staat Iowa naar is genoemd, Siouanisch) , Oto (Siouanisch), Missouri (Siouanisch) en Kansa (waar de staat Kansas naar is genoemd, Siouanisch). Op de prairiegebieden ten zuiden van de Missouri leefden de sedentaire Osage (Siouanisch), Quapaw (Siouanisch) en Wichita (Hokan-Caddo).

Catlin1

George Catlin, Buffalo hunt under wolfskin-masks, jaren 1830

Catlin2

George Catlin, Buffalo Hunt, a surround by the Hidatsa, jaren 1830

Catlin3

George Catlin, Buffalo Hunt, 1844

bizonhuid detail

Cadzi Cody (Charlie Codsiogo, 1866-1912), beschilderde huid met uitbeelding van de bizonjacht en de zonnedans (detail), ca 1900 (Wind River Soshone). Het fenomeen ’Zonnedans’, komt hieronder nog ter sprake. Nu te zien in de Nieuwe Kerk

Voor de nomaden van de plains draaide het grootste deel van het leven om de bizon. De bizon leverde zo’n beetje alles wat men nodig had; vlees, materiaal voor kleding, tenten, t/m lijm, dat uit de botten werd gedestilleerd. De bizon werd dan ook als een heilig dier vereerd.

Men was voor het bestaan afhankelijk van een hoge wildstand. Vandaar dat de bewoners van de plains daar ook heel bewust mee omgingen. Het wegschieten van duizenden  bizons door de Europeanen, slechts voor de tong en de huid was voor de indianen dan ook een gruwel. De laatste Comanche-oorlog (die van 1874) was dan ook mede een strijd om het behoud van de bizon, zoals Dee Brown het in zijn grote klassieker ‘Bury my heart at Wounded Knee’ (1873) omschreef. Uit dit werk haal ik ook de woorden van Satanta (Witte Beer) aan, een van de belangrijkste leiders van de Kiowa: ‘Is de blanke man een kind geworden, dat hij zo onbekommerd doodt zonder te eten? Als rode mannen wil doden doen zij dat om van te leven en niet te verhongeren.’ (Dee Brown, Begraaf mijn hart bij Wounded Knee, Hollandia, Baarn, 1971, p. 212)

Catlin_BuffaloDance1

George Catlin, Buffalo Dance, 1831

De bewoners van de plains hielden er in het algemeen (per volk waren er natuurlijk verschillen) een holistisch religieus wereldbeeld op na. Holistisch in de ware zin van het woord dan. Zij geloofden dat alles in de natuur met elkaar verbonden was.  Om de Lakota mysticus en religieus leider Black Elk (1860-1953) aan te halen, die dit prachtig heeft verwoord: ‘In alles wat de Indiaan doet vindt U de cirkelvorm terug, want de Kracht van de Wereld werkt altijd in cirkels en alles tracht rond te zijn…De bloeiende boom was het levende middelpunt van de kring en de cirkel van de vier windstreken deed hem gedijen…De hemel is rond en ik heb gehoord dat ook de aarde rond is als een bal en de sterren eveneens. De wind draait rond als hij op zijn allersterkst is. Vogels bouwen ronde nesten omdat hun geloof gelijk is aan het onze. De zon komt op en gaat onder in een boog. De maan doet hetzelfde en beide zijn rond’ (geciteerd uit Ton Lemaire, ‘Wij zijn een deel van de Aarde’, Utrecht, 1988, p. 22 ).

De religie van de volkeren van de plains werd omlijst met verschillende initiatieriten. Jonge mannen moesten zich vaak een tijdje  zonder eten of drinken eenzaam in de wildernis terugtrekken om tot volwassen  man te worden ingewijd. Er bestonden ‘zweethutten’ waarbij met verschillende technieken visioenen trachtte op te wekken. Er zijn veel verhalen bekend van machtige sjamanen of ‘medicijnmannen’ die over magische vermogens beschikten en bijvoorbeeld bizonkoppen konden laten spreken. Magie maakte een belangrijk onderdeel uit van het religieuze leven.

Een van de meest tot de verbeelding sprekende ceremonies was de zonnedans. In het midden werd een grote paal geplaatst, waar aan de top een aantal lijnen waren bevestigd. De andere uiteinden van die lijnen werden met benen pinnen in het borstvel van de dansers aangebracht, in regel jonge mannen. Zij moesten, met die pinnen in hun vlees en hangend aan de touwen rond de paal dansen tot ze erbij neer vielen. Aan de visioenen die zij hadden werd vaak een belangrijke betekenis toegekend.

Black Elk en Sitting Bull

Twee van de bekendste spirituele leiders van de Lakota. Links: Black Elk (1860-1953), mysticus en dichter. Rechts: de beroemde Lakota-leider Tatanka Yontanka, oftewel Sitting Bull (1831-1890), onder wiens leiding de grote overwinning op het leger van Generaal Custer bij de Little Bighorn werd behaald. Sitting Bull was vooral ook een religieus leider (op deze foto, die gemaakt moet zijn in de jaren tachtig van de 19e eeuw, dus nadat hij zich al had overgeven en in Pine Ridge leefde, is hij te zien in zijn uitrusting als sjamaan). Hij zou voor de grote overwinning een visioen hebben gehad, waarbij de blanke soldaten uit de hemel vielen en een stem tot hem zei ‘Ik geef u dezen, want zij hebben geen oren’. Toen het zevende Cavelerie Regiment van het Amerikaanse leger, olv generaal Custer het kamp van de verenigde Lakota, Cheyene en Arapaho aan de Little Bighorn wilde aanvallen, gingen zijn krijgers in tegenaanval en werd het complete regiment tot de laatste man vernietigd.
Hieronder: twee registraties van de roemruchte ‘Sundance’ ceremonie. Hier direct onder: een verbeelding van George Catlin, Indian Sundance, 1850. Daaronder: Een zeldzame fotografische registratie van deze ceremonie bij de Arapaho uit 1893 (toen deze ceremonie in de reservaten uiteraard al verboden was)

Sundance compilatie

Oscar Howe Sundance aquarel 1949

Oscar Howe, Sundance, aquarel, 1949, nu te zien op de tentoonstelling in de Nieuwe Kerk. Oscar Howe (1915-1983, Yanktonai Dakota) was een van de kunstenaars die werd opgeleid aan de Studio School in Santa Fe (Arizona). Deze opleiding voor ‘Native American Art’, zou iets ook de belangrijkste vertegenwoordigers van de ‘New Indians’ voortbrengen, een groep Native American artists die met ironsische werken hun geschiedenis becommentarieerden en de positie van de Native in de moderne Amerikaanse samenleving verbeelden. Aan hun belangrijkste representant, Fritz Scholder (1937-2005), die ook aan dit instituut werd opgeleid heb ik eerder op dit blog uitgebreid aandacht besteed, zie Moderne kunst van Indiaans Noord Amerika 

pipe (Oglala)

‘Vredespijp’, met bijbehorende attributen (Oglala Lakota, bron). De rode steen, waarvan de pijpenkoppen zijn gemaakt, kwam al eeuwen lang uit een groeve bij Minesota en werd over zo’n beetje het hele continent verhandeld. Ook de Moundbuilders gebruikten deze steensoort, van de plek die nu bekend staat als Pipestone National Monument.

 Arikara Shield

Schild (Arikara), ca 1850 (bron)

Coupstick Crow

‘Coupstick’ van de Crow (Apsarokee). Soms betraden krijgers slechts bewapend met een volstrekt ongevaarlijke coupstick als deze het slagveld. Het was dan een sport om je vijand aan te tikken en dan weer de vijandelijke meute heelhuids te verlaten. Daar viel meer eer aan te behalen dan aan het doden van de vijand.

Louter vreedzaam waren de nomaden van de Plains overigens zeker niet, al  hadden de afzonderlijke volkeren en verschillende reputatie. De Comanches van de zuidelijke plains waren berucht om hun wreedheid. Noordelijker hadden ook de Lakota een stevige reputatie, al gold dit ook voor hun grootste tegenstanders, de Crow en de Pawnee. Toch heerste er in het algemeen (excessen zijn er natuurlijk genoeg geweest) een vrij strenge moraal rond het beoefenen van de krijgskunst. Het was eervoller om je tegenstander te verslaan en niet te doden (omdat je dan ook nog veilig weg moest komen, wat natuurlijk ook een kunst is). Of om je vijand, op eigen grondgebied een tik te geven met een ‘coupstick’, dat werd eigenlijk gezien als de hoogste vorm van krijgsmoed. ‘Oorlog’ werd in regel als een ruwe (en wellicht riskante) sport gezien, waaraan veel eer viel te behalen. Vaak gingen opstootjes tussen stammen om wie de meeste paarden kon buitmaken. Eer viel dan ook te behalen om zoveel mogelijk tegenstanders te vlug af te zijn of uit te schakelen, zonder te doden, al gebeurde dat wel geregeld. Maar dat was niet de norm. Een krijger verdiende op die manier de nodige onderscheidingen, vaak in de vorm van arendsveren, die op het (achter)hoofd werden gedragen.  Of, bij degenen die een uitzonderlijke staat van dienst hadden en leiders, verwerkt in een tooi (de nu bij ons zo bekende ‘indianentooi’).

Curtis Cheyene Warriors 1908

Edward S. Curtis, Cheyene Warriors, 1908

Scalperen kwam ook voor (net als in het oosten van de VS), al lopen de meningen zeer uiteen of dit een bestaande traditie was, of na de komst van de Europeanen werd geïntroduceerd. Europese kolonisten scalpeerden ook. Zeker in het begin van het ontstaan van de Verenigde Staten en later in het ‘anarchistische Wilde Westen’ stond er zelfs prijzengeld op geleverde indiaanse scalps. Premiejagers gingen vaak met ongekende wreedheid te werk, want soms kon ook de scalp van een kind worden verzilverd, zoals in Texas, maar ook op sommige andere plaatsen. Hier zijn een aantal  gruwelijke voorbeelden van bekend. Het meest huiveringwekende voorbeeld is misschien wel het bloedbad bij de Sandcreek uit 1864, toen Kolonel Chivington met zijn regiment van ‘de Colorado vrijwiligers’ uit Denver in de vroege ochtend een kamp van de zuidelijke Cheyene  (die niet in oorlog waren) overviel en zonder onderscheid des persoons aan het moorden sloeg. De scalpen van mannen, vrouwen en kinderen werden als trofeeën meegenomen, net als andere afgesneden lichaamsdelen. Het is bijna niet op te schrijven, maar toen Chivington (de man was overigens ook deeltijd predikant) en zijn mannen triomfantelijk Denver werden binnengehaald, bungelden er aan de hoeden van een aantal van zijn mannen oa de geslachtsdelen van baby’s. Toen Chivington daar toch door iemand over werd bevraagd, zou hij geantwoord hebben: ‘Neten maken luizen’ (lees over deze geschiedenis het hele hoofdstuk uit Dee Browns Begraaf mijn hart bij Wounded Knee ’De oorlog bereikt de Cheyenes’ , pp. 67-96). De recente geschiedenis van Amerika’s oorspronkelijke bewoners is vaak  een gruwelijke.  ‘Sand Creek’ was helaas geen uitzondering.  In het gedeelte over de confrontatie met de Europese veroveraars zullen er nog meer van dit soort voorbeelden volgen.  

documentaire over de lange geschiedenis van oorlogen tussen de Native Americans en de Europese nieuwkomers, met de nadruk op de oorlogen van de plains tussen 1860 en 1890. De documentaire is aardig. Bijna alle grote gebeurtenissen worden correct, zij het niet altijd even volledig verteld (sommige essentiële informatie is soms weggelaten). Ook bevat deze film wat storende fouten. Die gaan vooral over de herkomst van bepaalde volkeren, zoals de Kiowa. Die komen niet uit het Soshone-gebied (dat zijn de Comanches), maar zijn verwant aan de Tanoa-sprekende Pueblo-volkeren, waar zij zich in de achttiende eeuw van hebben afgesplitst (bij de Kiowa bestaan nog levendige verhalen over de tijd van de Pueblo’s). In de tekst hierboven zijn deze zaken wel correct weergegeven. Voor een globaal beeld van de oorlogen op de Plains is deze film echter zeker het bekijken waard.

De strijd van de Lakota, Cheyene, Arapaho, Kiowa en Comanche met het Amerikaanse leger, met als inzet hun vrijheid, hun recht op het behoud van hun leefgebied, leefwijze en cultuur was een lange en vond plaats in de laatste fase van de Europese veroveringsoorlogen. Beroemde veldslagen als Little Bighorn, maar ook de meest gruwelijke excessen, zoals Sandcreek en Wounded Knee, maken deel uit van deze geschiedenis.  In het laatste deel zal ik hier nog uitgebreid op terugkomen.

Canyon_de_Chelly_White_House

Anasazi woningen (‘White house complex’) in Canyon de Chelly, Arizona

Het Zuidwesten

Het droge woestijnachtige gebied in het zuidwesten van de Verenigde Staten (van de Grand Canyon tot de Mexicaanse grens en van het dal van de Rio Grande tot de westoever van de Colorado en de grens met Californië) is al eerder ter sprake gekomen in de bespreking van de Anasazi-cultuur ( in het eerste deel). Hier wil ik me focussen op de Pueblo-culturen, zoals die door de Europese nieuwkomers werden aangetroffen en zoals die nu nog voor een deel bestaan. Ook zal ik aandacht besteden aan de Na-Dene sprekende Apache en Navaho en de agrarische culturen van de Pima en de Papago (de nazaten van de eerder besproken Hohokam-cultuur).

Nadat de Spanjaarden het Azteekse rijk (1521) en het Incarijk (1532) hadden verwoest en leeggelunderd, ging er in de kolonie Mexico het gerucht rond dat er nog een verborgen rijk in het noorden zou bestaan, waar zich immense voorraden goud en zilver zouden bevinden. Het zou gaan om de ‘Zeven Steden van Cibola’, een onbekend El-Dorado. Waarschijnlijk is de legende van Cibola oorspronkelijk uit Spanje zelf afkomstig (de steden van Cibola zouden geheime steden zijn geweest, gesticht door bisschoppen, die gevlucht waren voor de Moorse veroveraars), maar deze legende leefde sterk op in een nieuwe vorm in de Spaanse kolonie in Mexico. Zo sterk zelfs dat er in 1541, onder leiding van Francisco Vasquez de Coronado een expeditie vetrok naar het Zuidwesten van Noord Amerika. Coronado stuitte op de pueblo’s van de Zuni’s. De pueblo’s van de Zuni’s (de steden van Cibola) en die van de Hopi’s en de Keres en de Tewa volkeren bestonden uit op elkaar gestapelde stenen wooneenheden. Itt de nederzettingen van hun waarschijnlijke voorouders, de Anasazi’s, waren de complexen die ten tijde van de komst van de eerste Europeanen bewoond waren op de mesa’s gebouwd, ipv in de  rotswanden of op de bodem van de canyons. De meesten waren versterkt, vermoedelijk tegen mogelijke overvallen van de omringende Na-Dene sprekende nomadenvolkeren (die wij als Apaches kennen), die zich in de eeuwen daarvoor in het gebied hadden gevestigd.

Montezuma_Castle_Arizona_USA

Montezuma’s Castle (Arizona). Anasazi-ruïne door de Spanjaarden ten onrechte vernoemd naar de laatste Aztekenkeizer

Pueblo Aztec

ruïnes van Pueblo Aztec (New Mexico), Anasazi/Chaco-cultuur. Wederom, ondanks de naam heeft dit complex uit de twaalfde eeuw niets met de Azteken te maken

De Pueblo’s  die door de Europeanen werden aangetroffen en die ook nu nog bewoond zijn, zijn te verdelen in de volgende groepen:

  • De oostelijke groep langs de Rio Grande (Taos, Picuris, Santa Clara, San Ildefenso, Nambe, Cochiti, ea). De bevolking van deze pueblo’s spreekt het Tanoa, overigens een subgroep van het Uto-Azteeks. De stammen van deze Pueblo-bewoners worden veelal aangeduid als Tewa, Tiwa en Pecos.
  • De Pueblo’s ten westen van de Rio Grande (Acoma, Laguna, Jemez, Zia, ea). Dit zijn de Keres sprekende Pueblo’s, eveneens een subgroep van het Uto-Azteeks.  De stammen worden vaak aangeduid als Keres en Piro.
  • De Zuni (iets  ten westen van de Keres-Pueblo’s). De Zuni, het volk van ‘De zeven steden van Cibola’, spreken een taal die aan geen enkele andere Amerindische taalfamilie verwant is.
  • De Hopi-Pueblo’s (Oraibi, Walpi, Hotevilla, Bacavi, ea) van de ‘Second Mesa’ in Arizona. De Hopi’s behoren tot de Uto-Azteekse taalfamilie.

map_pueblos_today_bg

Overzicht van de nu nog bewoonde Pueblo’s

South West

Stammenkaart van het zuidwestelijk cultuurgebied

 

Naast de Pueblo-volkeren kent het zuidwesten nog een aantal andere volkeren en culturen, waar ik ook aandacht aan zal besteden. Dat zijn de eerder genoemde Na-Dene groepen, de nomadische Apaches en de sedentair levende Navaho’s.  De Apaches  bestaan uit een aantal subgroepen, waaronder de Lipan, de Mescalero, de Coyotero, de Mimbreno en de Chiricahua (verdeeld in  verschillende groepen als de Benedonkohe, de Aravaipa, de Tonto, de White Mountain ea). De Chiricahua zijn beroemd geworden om hun langdurige verzet en door allerlei boeken en films. Apache-leiders als Cochise, Nana, Victorio en natuurlijk Geronimo, behoorden tot deze groep.

Verder werd en wordt het zuidwestelijke cultuurgebied door een aantal andere volkeren bewoond, zoals de Pima en de Papago (Oodham), de nazaten van de Hohokam-cultuur (beiden Uto-Azteeks). Verder nog verschillende kleinschalige lanbouwculturen en jagers en verzamelaars, zoals de Yavapai, de Havasupai, de Yuma, de Mojave en de Hualapai (de meesten behoren tot de Hokan-Cohuilteekse taalfamilie).

De Pueblo-indianen waren de directe afstammelingen van de Anasazi’s en de Chaco-cultuur (zie deel 1). Toen Coronado met zijn leger het gebied binnentrok bestonden er ongeveer negentig bewoonde Pueblo’s (tegenwoordig zijn dat er dertig).  Itt de wooncomplexen van de Anasazi en de Chaco-Canyon bouwden de Tewa, Keres, Hopi en Zuni hun nederzettingen niet in de canyonwanden (zie bijv. Mesa Verde of Canyon de Chelly), of op de bodem van de canyon (zie bijv. Pueblo Bonito en Pueblo Aztec), maar op de mesa’s, de oorspronkelijke hoogvlaktes, die door de rivieren uitgesleten canyons vaak de vorm hebben van een soort tafelbergen. In sommige gevallen waren het goed versterkte vestingen, waarbij de canyonwanden een natuurlijke  verdedigingsbarrière vormden, zoals de indrukwekkende en nog altijd bewoonde Pueblo Acoma (zie hieronder). Waarschijnlijk omdat de oude nederzettingen vanaf de twaalfde eeuw een makkelijk doelwit waren geworden voor de Na Dene nomadenvolkeren uit het noorden, die zich vanaf dat moment in het gebied hadden gevestigd. Toen de Europeanen arriveerden waren de Apaches en de Navaho de grootste vijanden van de Pueblo’s.

Acoma Pueblo 2

De nog altijd bewoonde en indrukwekkende vesting Acoma, die bijna versmelt met de rotsen in de omgeving. Het hoge gebouw links is overigens een katholieke kerk, die na de komst van de Spanjaarden is gebouwd. De bewoners van de Pueblo’s zijn voor het grootste deel nominaal katholiek, maar hebben veel van hun oude tradities behouden. bron:
http://www.smithsonianmag.com/travel/da-ancient-citadel.html
#

Acoma Pueblo 1

Acoma Pueblo, New Mexico

De Pueblo’s van de Tewa, Keres, Hopi en Zuni bestonden of bestaan uit afzonderlijke rechthoekige wooneenheden, die als blokken trapsgewijs op elkaar gestapeld lijken te zijn, soms zo’n vier a vijf verdiepingen hoog. Voor de komst van de Europeanen hadden de wooneenheden geen deuren, alleen kleine raamgaten; men ging naar binnen via een ladder door een gat in het plafond.  De gemetselde muren werden bepleisterd met een laag adobe, die de architectuur zo kenmerkend maakt, zoals de zacht bruingele kleur en de enigszins afgeronde hoeken, die doorbroken worden door de uiteinden van de houten balken die het dak steunen. Op de pleinen en op de hogere platforms duiken telkens de cilindervormige broodovens op, eveneens bepleisterd met een laag adobe. Net als bij hun voorouders, de Anasazi, gebruikten de bewoners van de Pueblo’s voor hun ceremonies grote ronde  ruimtes, de kiva’s,  die half ondergronds gebouwd werden.

Tegenwoordig zijn de wooneenheden van de Pueblo’s wel voorzien van ramen en deuren. Ook zijn er andere gebouwen bijgekomen, zoals kerken (de meeste Pueblo’s zijn katholiek geworden, zij het dat de katholieke rituelen vaak versmolten zijn met hun eigen tradities en ceremonies).  

Taos Pueblo

Het hedendaagse Taos Pueblo, New Mexico. Taos is de meest toegankelijke van alle Pueblo’s. In de jaren zestig werd het een soort hippie-kolonie. In ‘Brave New World’, de beroemde Science Fiction roman van Aldous Huxley uit 1931, wordt Taos opgevoerd als de laatste plek (reservaat), waar mensen op een nog natuurlijke wijze ter wereld komen. Tegenwoordig is deze Pueblo een belangrijke toeristische attractie (itt. de meeste andere Pueblo’s, die isolement verkiezen boven een, overigens lucratieve, openstelling voor toeristen).

De Pueblo’s leefden voornamelijk  van de landbouw. Zij verbouwden maïs, pompoenen, bonen en katoen. Itt de landbouwvolkeren uit het oosten van Amerika, waar de voornamelijk de vrouwen de akkers onderhielden,  was bij de Pueblo’s de landbouw een taak van de mannen. De landbouwgrond was dan ook in regel het bezit van de man, terwijl het huis het eigendom van de vrouw  was.

De Pueblovolkeren kenden een matriarchaal systeem.  Bij een huwelijksvoltrekking trok de man bij de (familie van ) de vrouw in en werd daarmee ok lid van de clan van de vrouw. Clanmoeders speelden (net als bij de Iroquois, zie deel 1) een belangrijke rol in het bestuur van de gemeenschap. Vrouwen hadden ook het laatste woord bij een echt scheiding. Een man die zijn spullen buiten voor de woning zag opgestapeld, restte slechts de optie om te vertrekken.

Curtis Grinding meal (Hopi)

Edward S. Curtis, Grinding Meal (Hopi), Arizona, 1907 (bron). Let op de haardracht van deze vrouwen. Hopi vrouwen en meisjes die (nog) ongehuwd waren, staken hun haar op deze kenmerkende manier op.

Curtis A vsitor (Hopi)

Edward S. Curtis, A visitor (Hopi), Arizona, 1921 (bron)

Curtis Hopi architecture

Edward S. Curtis, Hopi architecture, Arizona, 1921 (bron)

Curtis a Housetop (Walpi) 1906

Edward S. Curtis, A Housetop at Walpi (Hopi), Arizona, 1906 (bron)

Curtis a cornfield (Hopi)

Edeard S. Curtis, A Cornfield (Hopi, Second Mesa, Arizona), 1906 (bron)

Curtis Oraibi Plaques 1921

Edward S. Curtis, Oraibi Plaques (Hopi, Arizona), 1921 (bron)

Curtis East Mesa Pottery 1906

Edward S. Curtis, East Mesa Pottery (Hopi), 1921 (bron)

Acoma feest vab San Estevan (over syncretisme)

Edward S. Curtis, Fiesta of San Estevan, Acoma, New Mexico,1904 (bron)

De Pueblo-volkeren hadden (en hebben) een rijk religieus leven. Hun pantheon werd bevolkt door talloze goden, geesten en krachten, die later samenvloeiden met het Katholicisme (en de daarbij horende  heiligenverering) dat door de Spanjaarden in de zestiende eeuw werd geïntroduceerd . Ook kenden zij een uitvoerige mythologie, waarvan vooral die van Hopi’s enige bekendheid heeft. Overigens geniet  de mythologie van de Hopi’s vooral in New Age kringen een zekere populariteit, zozeer zelfs dat deze een eigen leven is gaan leiden en dat het tegenwoordig lastig is om de oorspronkelijke mythen van latere verdichtsels te onderscheiden, ook voor de Hopi’s zelf.

De Hopi’s  (en de andere Pueblo-volkeren) geloofden dat de wereld een aantal keren geschapen en weer vernietigd was. De mens was geschapen tijdens de eerste wereld en had zich voor de ondergang van de eerste wereld teruggetrokken onder de grond. Hetzelfde gold voor de tweede en de derde wereld. Volgens de Hopi’s gaan wij nu door de vierde cyclus, die op een gegeven moment zal eindigen. Wat vooral opvalt is de sterke overeenkomst met de mythologische tradities van de verschillende beschavingen van Meso Amerika, zoals die van de Azteken en de Maya’s.  Het idee dat de Hopi’s een profetie kennen die voorspelt dat de huidige wereldorde ten onder zal gaan aan ecologische of zelfs morele crises is buitengewoon populair in diverse New Age kringen of andere neo-religieuze bewegingen.  Net als bij de Maya-kalender, is het oorspronkelijke verhaal zo langzamerhand vermengd geraakt met allerlei ‘ruis’ uit de New Age hoek. Wie op internet zoekt, zal veel boektitels, websites of youtube-filmpjes tegengekomen met allerlei speculaties over de ‘Hopi- profetieën’.  Het meeste heeft echter weinig te maken met de oorspronkelijke religieuze tradities. De Hopi’s zitten overigens ook  nog met een ander probleem, dat misschien nog veel vileiner is dan  annexatie door  de New Age beweging; de verstikkende omarming van de Mormoonse kerk, die de Hopi’s tot de tien verdwenen stammen van Israël heeft verklaard. De Mormonen zijn met grote sommen geld grondig op missie-werk geweest en niet zonder resultaat -wat verwacht je anders bij de bevolking van een verpauperd indianenreservaat? Zo heeft de Kerk van de Heiligen der Laatste Dagen (zoals de Mormoonse beweging officieel heet) stevig wortel kunnen schieten en is een belangrijke machtsfactor geworden in de Hopi-gemeenschap,  wat tot de nodige problemen heeft geleid. Ik kom daar later nog op terug.

 Kachina 1   Kachina 2  Kachina 4

Kachina-poppen van de Pueblo’s. vlnr ‘Maïs-wolk meisje’, ‘Modderhoofd’, ‘Wolf-Kachina’. Onder: ‘Adelaars-Kachina’ (bron: National Geographic, 1978) 

Blue Star Kachina

The_mask_of_Kachina_(Hopi_Indians_rain_maker),_village_of_Shonghopavi,_Arizona-single_image

Kachina optocht in Shonghopavi (Hopi), foto tussen 1870 en 1900. Let ook op de Europese carnavalsmaskers en de monnikspij. De katholieke elementen zijn op een natuurlijke wijze versmolten met de eigen tradities.

De Hopi’s, de Zuni’s, de Keres en de Tanoa volkeren kenden uitgebreide ceremonies en feesten, die nauw samenhingen met de kalender, overigens cruciaal voor iedere landbouwcultuur. Van de Anasazi zijn sporen teruggevonden van een uitgebreid kalendersysteem en is gebleken dat zij de loop van de hemellichamen nauwgezet in kaart brachten.  Ook voor hun nazaten, de Pueblo-volkeren, was de jaarkalender van groot belang. Belangrijke momenten, zoals het tijdstip dat er gezaaid of geoogst moest worden, werden omlijst met uitgebreide ceremoniële feesten, veelal bedoeld om de goden gunstig te stemmen.

De Pueblo’s geloofden dat de Goden, of de geesten die elk voor een natuurkracht of element stonden, in de bergen woonden. Voor de Hopi’s waren dat bijvoorbeeld de San Francisco Mountains, waarvan de besneeuwde toppen te zien zijn vanaf de Second Mesa in Arizona. Voor de meer oostelijke Pueblo’s waren dat de San Juan Mountains. Een keer per jaar zouden de goden de hoge bergen verlaten zich onder de mensen begeven, om geschenken in ontvangst te nemen en om gunsten te verlenen. Dit werd gevierd met de zg Kachina-ceremonies. De mannen van het dorp trokken zich terug in de bergen en keerden terug, verkleed als een van de vele goden. Zij begaven zich onder de mensen om geschenken in ontvangst te nemen en om hun smeekbedes aan te horen.  De Pueblo’s geloofden overigens dat deze verklede mannen uit het dorp daadwerkelijk op dat moment waren bezield door een goddelijke kracht. De goden namen dan tijdelijk bezit van het lichaam van een gewone sterveling. Iedere Kachina gedroeg zich dan ook werkelijk zoals die werd voorgesteld in de religieuze belevingswereld van de Pueblo-indianen. Er waren allerlei soorten Kachina’s, van goden tot godinnen, van geesten die door een dier werden gepersonifieerd, tot en met figuranten die een soort clownsfunctie vervulden (‘modderhoofden’).

De Kachina-optochten hebben zich moeiteloos vermengd met de Katholieke processies en de oude feestdagen zijn nog vaak in tact gebleven, maar dan onder het masker van de katholieke heiligenverering. Tegenwoordig worden er in verschillende Pueblo’s ook Kachina-optochten voor toeristen opgevoerd, al worden de belangrijkste ceremonies in besloten stamverband gehouden. Ook de Kachina-poppen, wel degelijk een authentieke traditie, worden tegenwoordig ook voor de toeristenindustrie gemaakt.

Een van de meest beroemde (of beruchte) ceremonies van de Pueblo-indianen is de ‘Snakedance’. Hier wordt een dans uitgevoerd met levende ratelslangen, waarbij de slang zelfs in de mond wordt genomen. Dit slangenbezwerings-ritueel is vaak met tussenpozen verboden geweest, maar wordt nog uitgevoerd tot op de dag van vandaag.  

De Pueblo-indianen geloofden dat de slangen boodschappers van de goden waren. Voorafgaand aan de ceremonie werden de ratelslangen in de woestijn gevangen en in manden naar het dorp gebracht. Daar werden zij besprenkeld met heilig maïsmeel. Vervolgens namen de priesters de slangen in hun handen en in hun mond en zongen zij al dansend de slangen gebeden toe. Daarna werden de slangen weer vrijgelaten in de hoop dat zij de hymnen en de smeekbeden zouden overbrengen naar de goden. Bij mijn weten gebeurden of gebeuren er bij dit zorgvuldig uitgevoerde ritueel geen ongelukken; de Pueblo’s schijnen op de een of andere manier een methode te hebben dat de slangen of in een bepaalde bewustzijnstoestand worden gebracht, of zich op hun gemak voelen dat ze niet bijten.

Snakedance

Hopi Priest with a snake in his mouth (Library of Congress, bron )

Film van de Snakedance van de Hopi in Walpi, uit 1913, toen Theodore Roosevelt met zijn twee zoons dit ritueel bijwoonde

Ook de materiële cultuur van Pueblovolkeren was/is rijk en veelvormig. Turkooizen sieraden, fijn geweven katoen en religieuze objecten (zoals de eerder getoonde Kachina-poppen) maken hier deel van uit. Maar het meest beroemd is hun aardewerk. De Pueblo’s waren en zijn  de meester-keramisten van Indiaans Noord Amerika.

De kunst van het pottenbakken kende in het zuidwestelijke cultuurgebied al een lange traditie (ong. vanaf 300 voor Chr.), die het meest was verfijnd door de Mimbres cultuur inde twaalfde eeuw (zie deel 1). De Pueblo’s erfden deze traditie en zetten die voort.  De vorm werd aangebracht met slierten klei, die spiraalsgewijs werd aangebracht (de Pueblo’s gebruikten geen draaischijf) en gepolijst met gladde stenen.  De tekeningen werden aangebracht in sierlijke lijnen, vaak geabstraheerde plant en diermotieven. Voor kleuren werden verschillende  mineralen of planten gebruikt.  Het geheel werd uiteindelijk gebakken in een open vuur.

aardewerk Pueblos

Keramiek van de Pueblo-culturen (bron: National Geographic, 1978)

In 1541 kwamen de bewoners van de Pueblo’s voor het eerst in aanraking met de Europeanen; het Spaanse expeditie-leger van Coronado. In 1598 begon de werkelijke Spaanse verovering van het gebied, onder leiding van Juan de Onate, die met een medogenloze campagne de ene na de andere Pueblo tot onderwerping dwong. Dat ging niet zonder een slag of stoot, maar uiteindelijk moest ook de vesting Acoma zich, na een lang beleg, neerleggen bij het Spaanse gezag.

Toen de Spanjaarden vanuit Mexico de gebieden van de Pueblo’s hadden onderworpen, begon er een grote kerstenings-campagne. Er werden Franciscaner monniken naar het gebied gestuurd om de Pueblo-bevolking te bekeren. In 1630 werd er gemeld dat er tenminste dertig kapellen waren gebouwd bij de verschillende Pueblo’s. Het Spaanse juk werd steeds meer voelbaar en uiteindelijk verenigden de afzonderlijke pueblo’s zich in de grote opstand van 1680. Meer dan de helft van de Spaanse monniken werd om het leven gebracht en de Pueblo’s slaagden erin om voor een korte periode zich geheel van het Spaanse gezag te bevrijden. In 1694 herstelde de nieuwe gouverneur Diego de Vargas het Spaanse gezag, maar dit werd nooit meer zo onderdrukkend als daarvoor. Het door de Spanjaarden geïntroduceerde Katholieke geloof bleef echter en wist in de daarop volgende jaren langzaam wortel te schieten, zij het dat het werd vermengd met de eigen religieuze tradities (hiervoor al besproken).

Ook de latere kolonisator, de Verenigde Staten van Amerika, hebben de Pueblo’s vaak links laten liggen en de bevolking relatief met rust gelaten. Toch is de invloed van de nieuwkomers langzaam maar zeker steeds sterker geworden. Het bestuur van de Pueblo’s werd administratief ondergebracht in het reservaatsysteem en in de loop der tijd hebben de Pueblo’s zich daarnaar geschikt.

Problemen hebben zich genoeg voorgedaan, al zijn er nooit complete oorlogen uitgevochten, zoals dat wel gebeurde met de directe buren van de Pueblo’s, de Apaches. Zoals eerder genoemd is er wel een probleem met de Mormoonse kerk. De Mormonen hebben de Hopi’s tot de tien verdwenen stammen van Israël verklaard en zijn in het Hopi-gebied grondig op missiewerk geweest. Nu is ook de Second Mesa, het kerngebied van de Hopi’s, bijzonder rijk aan steenkool. Dit is vooral door de Mormonen (en hun Hopi-stromannen) geëxploiteerd, waarvan de winst voornamelijk ‘afvloeide’ naar het Mormoonse hoofdkwartier in Salt Lake City. Behalve de Mormoonse Hopi’s, die lange tijd de belangrijkste sleutelposities bekleedden in het reservaatbestuur, is de bevolking vooral met de nadelen (zoals vervuiling) opgezadeld en niet met de winsten. Om deze kwestie is een lange politieke strijd gevoerd, die tot op de dag van vandaag nog steeds voortsuddert. De ‘traditionelen’ hebben veel macht verloren aan de Mormoonse factie. Het is nog steeds een splijtzwam in de Hopi-gemeenschap.

Ook de andere Pueblo’s zijn nu reservaten, die voornamelijk leven van de toeristenindustrie, of, bijna onvermijdelijk, het uitbaten van casino’s. Sinds de jaren zestig, toen Taos een bekende hippie-kolonie werd, zijn er veel niet-indianen naar deze eeuwenoude vestiging getrokken. Tegenwoordig is Taos, ook vanwege de makkelijke toegankelijkheid,  een populaire toeristische attractie. Andere Pueblo’s, zoals Acoma, maar ook de Hopi’s van Old Oraibi en Walpi, kiezen voor een meer geïsoleerd bestaan. Hoewel de Pueblo-bevolking het zeker niet makkelijk heeft (armoede en verslaving zijn ook daar een groot probleem), hebben zij, misschien nog wel het meest van alle Native Americans op het grondgebied van de Verenigde Staten, hun traditionele leefwijze weten te behouden.

Curtis Pima Home

Edward S. Curtis, A Pima Home, 1907 (bron)

Curtis Casa Grande Ruins

Edward S. Curtis, Casa Grande Ruins, 1907 (bron)

Zoals aan het begin van dit gedeelte werd aangestipt, waren de Pueblo’s niet de enige landbouwcultuur in het Zuidwesten. In deel 1 is de Hohokam-cultuur al ter sprake gekomen. Het volk van de Hohokam legde een netwerk van irrigatiewerken  aan in het zuiden van Arizona. Hun belangrijkste nederzetting was Casa Grande, een groot complex van vijf verdiepingen hoog (zie deel 1).  De directe nazaten van deze cultuur zijn de Pima en de Tohono O’odham (in de oudere literatuur bekend als ‘Papago’), beiden behorend tot de Uto-Azteekse taalfamilie. Toen de Europeanen deze twee stammen aantroffen woonden zij inmiddels niet meer in de monumentale bouwwerken van hun voorouders. Wel maakten zij nog altijd gebruik van het kanalennetwerk dat door de Hohokam was aangelegd. De O’odham en de Pima woonden in hutten die bedekt waren met rieten matten, vergelijkbaar met die van andere landbouwers uit het gebied die niet tot de Pueblo-volkeren behoren, zoals de Yavapai, de Havasupai, of de Hualapai ten noorden van hen. Wel waren het net zulke bekwame keramisten als de Pueblo-volkeren, een traditie die zij, net als de Pueblo’s, aan de Mimbrescultuur ontleenden. Net als de Pueblo’s waren het maïsboeren.

Vergelijkbare kleinschalige landbouw/jagers en verzamelaarsculturen  zijn te vinden bij de andere volkeren van het huidige Arizona, die ten westen van het Pueblo-gebied leefden. Het gaat hier om de Yavapai, de Havasupai, de Hualapai uit het Grand Canyongebied (de Havasupai woonden oorspronkelijk zelfs op de bodem van de Grand Canyon en het heeft lang geduurd voordat zij voor het eerst met de Europeanen in contact kwamen, vanwege de moeilijke toegankelijkheid van hun leefgebied), maar ook de Yaqui en de Yuma (behorend tot Cohuilteekse taalfamilie, waar ook veel volkeren uit Californië en direct over de Mexicaanse grens deel van uitmaken).

Tot de bekendste volkeren van het Zuidwesten behoren relatieve nieuwkomers uit het noorden. Zo’n driehonderd jaar voordat de Spanjaarden het gebied vanuit Mexico begonnen te koloniseren, vielen nomaden, waarvan de oosprong in West Canada lag, het land van de Pueblo’s en de Hohokam binnen. Zij spraken het Na-Dene, de omvangrijke taalfamilie van West Canada en Alaska. De pueblo’s noemden hen ‘Apache Nabahu’ (in het Tanoa ‘Vijanden van de Bebouwde Velden’).  Van deze kwalificatie zijn de stamnamen ‘Apache’ en ‘Navaho’ afgeleid. Zelf noemden zij zich (in verschillende varianten) ‘Dene’,’ Dine’, of ‘Tineh’, wat ‘mensen’ betekent.

De Na Dene die het zuidwesten binnentrokken waren zonder enige twijfel ruwe klanten en meedogenloze krijgers en plunderaars. In relatief kleine stam en familieverbanden trokken ze door het gebied en overvielen geregeld de Anasazi en de latere Pueblo’s.  Na de komst van de Spanjaarden vielen de Na Dene geleidelijk in twee groepen uiteen. De nomaden die zich ophielden in het westelijke Pueblo-gebied (vooral rond het leefgebied van de Hopi’s) begonnen elementen uit zowel de Pueblo-cultuur als die van de Mexicaanse Spanjaarden over te nemen. Zij vestigden zich in sedentaire nederzettingen in het noordoosten van Arizona, als kleinschalige boeren en vooral als veehouders. Schapen en runderen (en paarden) verkregen zij van de Spanjaarden. Van hen leerden zij ook de kunst van het zilversmeden, die zij tot grote hoogte wisten te brengen. Van de Pueblo’s namen zij de weefkunst over en wisten die ook te verfijnen in een geheel eigen stijl. Ook vermengden zij elementen uit de religie van de Pueblo’s met hun eigen tradities. De cultuur van de Navaho’s was geboren, een synthese van de oorspronkelijke Na Dene tradities en de cultuur van de Pueblo’s en de Spaanse Mexicanen.

Edward S Curtis the blaket weaver

Edward S. Curtis, The blanket weaver (Navaho), 1904

Curtis navaho still life

Edward S. Curtis, Navaho still-life, 1907 (bron)

Curtis Jetitoh Navaho

Edward S. Curtis, Jeditoh Navaho, 1904 (bron)

Curtis Hastin Yazhe Navaho

Edward S. Curtis, Hastin Yazhe (Navaho), 1906 (bron)

Navajo_hogan

Een traditionele Navaho-hogan bij Canyon de Chelly (Arizona). Deze sedentaire woningen werden in regel gebouwd in de vorm van een achthoek

De Navaho’s leerden het verbouwen van katoen van de Pueblo’s, maar gebruikten voor hun weefkunst ook schapenwol. In de korte periode dat deze cultuur opbloeide werden Navaho-dekens over een groot gebied verhandeld.  Zelfs op de noordelijke plains doken Navaho-dekens op. De weefkunst van de Navaho’s is een nog altijd levende traditie en wordt tot op de dag van vandaag beoefend.

Navaho weefpatroon 1

Omslagdoek (detail), Serape-stijl, Navaho, 1860-1870 (Bron: Indianen tussen mythe en realiteit, De Nieuwe Kerk, Amsterdam, 2013)

Navaho weefpatroon 2 

Eye Dazzler, omslagdoek (detail), Navaho, 1890-1900 (Bron: Indianen tussen mythe en realiteit, De Nieuwe Kerk, Amsterdam, 2013)

Navaho weefpatroon 3

Ella Rose Perry (1929), Tapijt (detail), Navaho, 1985 (Bron: Indianen tussen mythe en realiteit, De Nieuwe Kerk, Amsterdam, 2013)

De meest unieke kunstvorm van de Navaho’s was en is de zandschilderkunst. Deze werd in regel beoefend om ziektes of boze geesten uit te bannen.  Wanneer er iemand ziek was kon de medicijnman besluiten om middels een zandschildering de krachten van de goden in te roepen.  Op de grond werd een schets aangebracht, meestal een cirkelvormig motief, gelardeerd met allerlei symbolen die elk hun eigen rituele betekenis hebben. Vervolgens werden de kleuren aangebracht met zand, dat vermengd was met verschillende natuurlijke kleurstoffen, zoals oker, zandsteengruis, stuifmeel en houtskool. De patient kon in de voorstelling gaan zitten om zo met behulp van de opgeroepen krachten geheeld te worden.  Bij zonsondergang moest de voorstelling weer worden vernietigd, omdat deze anders boze geesten zou oproepen.

Tegenwoordig worden er wel permanente zandschilderingen gemaakt. Van met lijm gefixeerd op paneeltjes voor de toeristen, t/m grote werken die als zelfstandig kunstwerk dienen. De bekendste kunstenaar is Joe Ben Jr. (al eerder besproken op dit blog, zie mijn eerdere artikel Hedendaagse kunst van Indiaans Noord Amerika).  Joe Ben Jr maakte ook een grote zandschildering voor de beroemde tentoonstelling Magiciens de la Terre in het Centre Pompidou in Parijs in 1989, van Jean Hubert Martin. 

 navajo-sandpainters

Zandschilderkunst van de Navaho

Joe Ben jr four arrow people

Joe Ben Jr., The Four Arrow-people, sand and pigment on earth (
http://www.tribalexpressions.com/painting/ben.htm
)

Joe Ben Jr op Magiciens de la Terre

Joe Ben Jr in het Centre Pompidou in Parijs, op de tentoonstelling ‘Magiciens de la Terre’ (Jean Hubert Martin, 1989, zie
http://magiciensdelaterre.fr//home.php
)

De Navaho’s hebben een belangrijke confrontatie met het Amerikaanse leger gehad. In 1864 trok een regiment onder leiding van generaal Kit Carson door het gebied om de indiaanse bevolking te straffen voor een paar kleine overvallen en wat kleine schermutselingen met kolonisten. Carson besloot (willekeurig) om vooral de Navaho en de Mescalero Apache te treffen. Met veel militaiir geweld dreef hij ze uit hun oorspronkelijke leefgebied en dwong hij de complete populatie om te vertrekken naar het dorre Bosque Redondo in het zuiden van New Mexico, vijfhonderd kilometer van hun land verwijderd. Tijdens de barre tocht, de ‘Lange Mars’, zoals die bij de Navaho’s bekend staat, kwamen er een paar honderd mensen om het leven.  Vier jaar verbleven de Navaho daar, geteisterd door honger en ziektes. Hun leider, Manuelito, besloot de blanke overheersers via hun eigen procedures te bevechten en spande een rechtszaak aan, een heikele strategie, omdat de rechten van de oorspronkelijke bewoners in het Amerikaanse westen in die tijd meestal met voeten werden getreden. Maar tot veler verrassing wisten Manuelito en de zijnen deze zaak te winnen en mochten de Navaho’s terugkeren naar hun leefgebied in noordoost Arizona. Daar leven zij nu nog, in het grootste reservaat op het grondgebied van de Verenigde Staten.

De Navaho’s zijn tegenwoordig de meest omvangrijke van alle First Nations van de VS. Problemen hebben zij genoeg, net als de inwoners van andere reservaten. Er is nauwelijks werk, de armoede is groot en de meeste jongeren trekken weg, als zij de kans hebben. Toch is het nu een van de best georganiseerde stamverbanden van Amerika en hebben zij hun identiteit, tegen de klippen op, weten te behouden. De stam heeft recent besloten dat de opbrengsten van het casino worden geïnversteerd in het stichten van een eigen universiteit, zodat zij ook daar de jongeren perspectief kunnen bieden.

reservaten zuidwestelijk cultuurgebied

De hedendaagse reservaten van Arizona en New Mexico. De Navaho’s bezitten het grootste stuk grond. De Hopi’s hebben een enclave in het Navaho-reservaat. De kleinere reservaten ten oosten daarvan zijn meestal afzonderlijke Pueblo’s. In dit gebied is relatief veel grond in handen van de Native Americans gebleven, en leven betrekkelijk veel stammen op of dichtbij hun oorspronkelijke territorium, zeker in vergelijking met andere regio’s. Uitzondering zijn wellicht de Apaches. Hoewel nog steeds in dezelfde regio zijn zij vaak wel uit hun oorspronkelijke kerngebieden verbannen en hebben de slechtste stukken land toegewezen gekregen. Het reservaat ten oosten van de Rio Grande (rechtsonder op de kaart) van de Mescalero Apaches is overigens Bosque Redondo, waar aanvankelijk ook de Navaho’s naar werden werden verbannen.

De andere Na Dene groepen van het zuidwesten , die als nomaden beleven rondtrekken en zich niet permanent vestigden, zijn bekend geworden onder de naam ‘Apache’. Het betreft hier echter verschillende groepen, verspreid over een groot gebied. Sommigen van hen trokken de plains op om op bizons te jagen en namen de plainscultuur geheel over (zoals de Kiowa Apache, die vooral samen met de Kiowa optrokken). Anderen vestigden zich semi-permanent en kenden nauwelijks een krijgscultuur (zoals de Aravaipa-Apache in Arizona).  Het meest bekend zijn de centrale Apaches geworden van New Mexico en Arizona, die vanaf de komst van de Spanjaarden in de zestiende eeuw, tot in de jaren tachtig van de negentiende eeuw, bijna voortdurend in strijd waren met de Europese nieuwkomers en die zich door niets of niemand lieten onderwerpen of de wet voorschrijven. Vooral de Chiricahua Apaches en hun roemruchte leiders als Cochise en Geronimo hebben hun stempel gedrukt op de geschiedenis van het Amerikaanse zuidwesten.

kaart Apaches

De Apache-stammen in het zuidwestelijke cultuurgebied (en de zuidelijke plains). De Tonto (noord en zuid), de Cibecue, de San Carlos, de Aravaipa, de White Mountain (Coyotero), de Pinal Coyotero, de Chiricuahua (die ook weer waren opgedeeld in kleinere groepen, zoals de Benedonkohe van Geronimo, maar ook de Chokonen van Cochise, de Chihenne en de Nedhni of Bronco Apaches), de Mimbreno, de Mescalero, de Jicarilla, de Lipan en de Kiowa Apache zijn allen substammen en groepen van de Apaches (de nomadisch levende Na Dene van het zuidwesten). Detail van de grote kaart van National Geographic (zie deel 1)

Het beeld van de Apaches is verder, in de populaire cultuur althans, sterk bepaald door de Winnetou/Old Shatterhand boeken van Karl May. Die geven, zacht uitgedrukt, niet een erg juist beeld van de cultuur van de Apaches. Hoewel de Apaches na de komst van de Europeanen ruiters waren, verschilde hun cultuur beslist van die van de volkeren van de Plains. Behalve de Kiowa Apaches, joegen de nomadische Na-Dene niet op bizons, leefden niet in tipi’s en droegen zij in regel geen veren. Zij trokken rond in kleine groepjes, meestal jagend op klein wild en leefden in ‘wickiups’, hutten van gevlochten takken. In een enkel geval waren het ook kleine boeren (zoals de Aravaipa). Het haar werd niet in vlechten gedragen, maar los. Zij droegen verder hoofdbanden, die soms als een soort tulband om het hoofd geknoopt was. Ook droegen zij geen mocassins, zoals de bevolking van de plains, maar hoge hertenleren laarzen.

Apache scout (Curtis 1903)

Edward S. Curtis, Apache scout (datum onbekend)

Apache_Wickup_1903

Edward S. Curtis, Apache Wickiup, 1903

Curtis Typical Apache

Edward S. Curtis, ‘Typical Apache’, 1906 (bron)

De Apaches hadden weinig bezittingen. Hun huisraad werd compact verpakt in waterdichte manden, geheel toegerust op een permanent zwervend bestaan. De opvoeding van jonge mannen was Spartaans te noemen. Zij moesten van jongs af aan kilometers hardlopen met de mond vol water, dat niet mocht worden doorgeslikt. Als zij rond de zestien waren en hun moed hadden bewezen door paarden van de Navaho’s of de Mexicanen te stelen, traden zij toe tot een van de vele krijgsgenootschappen, elk met hun eigen rituelen en codes. Overigens was ook de Apache-samenleving matriarchaal. Mannen trokken in bij de schoonfamilie, waarvan de oudste vrouw familiehoofd was. Zaken als oorlog en vrede waren wel weer het domein van de man.

Overigens schijnt dit niet bij alle Apache-stammen het geval te zijn geweest. Een Spaanse missionaris schreef in de zeventiende eeuw over de Jicarilla: “Ze zijn gewoon zoveel vrouwen te hebben als ze kunnen onderhouden. Vrouwen die overspel plegen straffen zij volgens hun wet met het afsnijden van neus en oren”.

De jacht was voorbehouden aan de man, de vrouwen namen de taak van het verzamelen op zich. Dat bestond vooral uit het oogsten van de toppen van de Amerikaanse agave, de mescalplant. Deze werd op vuur geroosterd. Ook werd er een alcoholische drank van bereid, mescalbier (mescal is overigens ook het hoofdingrediënt van tequilla). Een grote uitzondering, want alcoholhoudende dranken kwamen verder nauwelijks voor op het Amerikaanse continent, eigenlijk alleen bij de Apaches en bij de Azteken.

De Apaches hadden een rijke mythologie, met vele verhalen. Er waren ook verschillende religieuze genootschappen. Een groot deel van hun cultussen waren geheim, ook is er niet veel van bekend (en veel is waarschijnlijk ook verloren gegaan). Bekend zijn hun berggeestdansen. De mannen waren over hun hele lichaam beschilderd en droegen enorme hoofddeksels en maskers. Bij de Mescalero’s zijn deze dansen tegenwoordig trouwens openbaar en trekken veel toeristen (zie onderstaand filmpje)

Hoewel de Apaches vooral bekend stonden om hun meedogenloze krijgskunst, was hun eerste confrontatie met de Europeanen ook niet echt vriendelijk te noemen. Al vanaf Coronado stonden de Spaanse Mexicanen bekend om hun wreedheid. Vanaf het begin betaalden de Apaches hen met gelijke munt terug. Hoewel zij niet groot in aantal waren, waren zij in staat om enorme gebieden onder controle te houden. De onzekerheid of zij misschien dodelijk zouden toeslaan was lange tijd hun kracht. Gebieden waar zij heer en meester waren werden lang door de Europese nieuwkomers gemeden. Een Spaanse missionaris zou in 1669 hebben verklaard: “Het ganse gebied is in oorlog met het overal verspreide heidense volk der Apache Indianen. Geen weg is veilig, iedereen reist met levensgevaar”.

Met de latere nieuwkomers, de Verenigde Staten van Amerika, schijnen de eerste contacten niet eens zo vijandig geweest te zijn. De Chiricahua’s  van het stamhoofd Cochise, hadden vriendschappelijke contacten met de eerste leger post op de Apache Pass. Zij werkten zelfs als houthakker voor de soldaten, in ruil voor goederen. In 1861 werd Cochise door de plaatselijke commandant van de Apache Pass, zoals later bleek, ten onrechte beschuldigd van het ontvoeren van een zoon van een van de kolonisten en trachtte hij hem gevangen te nemen. Cochise wist te ontkomen en de Chiricahua belegerden dagenlang de Apache Pass. Dit zou het begin worden van een vijfentwintig jaar durende oorlog, waarbij de Apaches soms voor korte tijd in een reservaat werden  weggestopt, maar dat dan toch niet accepteerden, uitbraken en opnieuw een slopende guerilla-oorlog begonnen tegen het Amerikaanse leger.

Edward_S__Curtis_Geronimo_Apache_cp01002v

Edward S. Curtis, Geronimo, 1905

In deze oorlog zou een aanvoerder boven komen drijven; Geronimo, of Goyathlay, zoals hij echt heette. Geronimo had  als jongeman meegemaakt hoe zijn vrouw en twee jonge kinderen voor zijn ogen waren vermoord door Mexicaanse soldaten die het kamp van de Benedonkohe overvielen. Vanaf dat moment stond zijn leven slechts in het teken van de strijd tegen de Spaanse Mexicanen en later tegen de nieuwe indringer, de Verenigde Staten van Amerika. In de jaren tachtig van de negentiende eeuw zouden uiteindelijk vijfduizend soldaten, een kwart van het toenmalige Amerikaanse leger, jacht maken op ‘the most wanted man of America’, met een groepje van dertig volgelingen. In 1886 gaf hij zich over, waarna hij prompt (tegen de afspraak in) naar een gevangenis in Florida werd overgebracht, een paar jaar later naar Fort Sill in Oklahoma. Daar zou hij blijven tot zijn dood in 1909. Al voor 1900 was Geronimo geen schurk of staatsvijand meer, maar een levende legende.  In 1905 werd hij zelfs uit de gevangenis gehaald, om mee te rijden in een optocht voor de verkiezingscampagne van Theodore Roosevelt (genoeg publiek gegarandeerd). Het was de dag voor deze optocht dat Edward Curtis het bovenstaande indrukwekkende portret van Geronimo maakte, die, volgens Curtis memoires, zich zeer vereerd voelde dat hij mee mocht doen aan deze manifestatie. Maar hij had er toen al een lang leven van strijd opzitten. Na de optocht ging de ‘levende legende’ weer terug naar de gevangenis, waar hij een paar jaar later overleed.

Geronimo is een begrip geworden in de Amerikaanse geschiedenis, van grootste staatsvijand tot nationale held. De recente operatie in Pakistan, waarbij Amerikaanse comando’s Osama Bin Laden liquideerden is naar hem genoemd. Pikant, vanuit welk perspectief je het ook bekijkt.

In het laatste deel van deze serie zal nog uitgebreid worden teruggekomen op de oorlogen van de Apaches met de Europese veroveraars.

Early-Native-American-Tribes-in-Western-United-States-Historical-Map

de stammen van de westelijke helft van de Verenigde Staten (klik op kaart voor vergrote weergave)

Het Westen

Het Westen omvat eigenlijk drie cultuurgebieden, die ik hier in een blok bespreek. Het gaat om de volkeren van het Grote Bekken (the Great Basin, het woestijnachtige land van Utah, Nevada en het westen van Colorado, tussen de Rocky Mountains en de Sierra Nevada), het Plateau (het vruchtbare hoogland van de huidige staten Idaho en het oosten van Oregon en Washington, het westen van Montana en het zuidelijke binnenland van de Canadese staat British Columbia) en Californië (het cultuurgebied ten westen van de Sierra Nevada, dat min of meer samenvalt met de huidige staat Californië).

Great Basin

De stammen van het Grote Bekken. De aanduiding ‘Numic’ verwijst naar een subgroep binnen de Uto-Azteekse taalfamilie, waartoe alle stammen van het Grote Bekken behoren, net als de Comanche van de plains (die zich in de 18e eeuw van de Soshone hebben afgesplitst). Zie hier een uitgebreide toelichting

We beginnen met de volkeren van de streek ten noorden van het hiervoor besproken zuidwestelijke cultuurgebied, the Great Basin. Dit is een van de meest onherbergzame gebieden van Noord Amerika. Het is een relatief laag gelegen ‘kom’, doorsneden door een paar bergketens en omsloten door de Rocky Mountains en de Sierra Nevada. Het bestaat grotendeels uit woestijn en de meest vruchtbare gedeeltes zijn droge steppen, waar slechts gras en doornige struiken groeien. Rivieren, die uit de omliggende bergen stromen, monden uit in zoutmeren (het bekendste voorbeeld is Great Salt Lake in Utah, waar nu Salt Lake City ligt), of drogen letterlijk op in de woestijn. In de zuidwesthoek van dit gebied, net over de grens van Nevada in Californië, ligt de beroemde Death Valley, de heetste plek op aarde en de droogste plek van het Noord Amerikaanse continent. Toch zijn ook daar sporen van menselijke bewoning gevonden, waarschijnlijk van de Paiutes, het volk dat zich als geen ander heeft aangepast aan deze extreme klimatologische omstandigheden.

Het dunbevolkte Grote Bekken kende de meest basale jagers en verzamelaars-culturen van Noord Amerika, vergelijkbaar met sommige Aboriginal-culturen uit de meest woestijnachtige binnenlanden van Australië. De belangrijkste stammen zijn de Paiute, de Bannock, de Soshone (die gedeeltelijk in dit gebied leefden) en de Utes (waar de staat Utah naar genoemd is, hoewel zij, net als de Soshone, grotendeels in de Rocky Mountains leefden en veel hebben overgenomen van de cultuur van de Plains). Al deze stammen behoren tot de Uto-Azteekse taalfamilie.

De meest uitgesproken representanten van de cultuur van het Grote Bekken zijn de Paiute. Hun leefgebied strekte zich uit over het hele gebied, van Oost Californië in het westen, tot Utah en Colorado in het oosten, van de noordrand van de Grand Canyon in het zuiden tot het zuidelijke helft van Idaho in het noorden. Hoewel hun leefgebied dus zeer uitgestrekt was, waren zij zeker niet talrijk. Zij trokken meestal rond in kleine familie-verbanden. De belangrijkste reden dat zij zo verspreid leefden was natuurlijk de permanente voedselschaarste.

Paiutes

Paiute kamp (Utah State Historical Society, bron)

Paiute Life

‘Paiute Life’ (Utah State Historical Society, bron)

De bewoners van het Grote Bekken werden soms denigrerend ‘diggers’ genoemd (‘digger Indians’). De reden voor deze bijnaam is dat zij altijd de grond afspeurden naar eetbare wortels (die bovendien ook vocht bevatten). Dat was het belangrijkste basisvoedsel van deze mensen. Dit werd aangevuld met insekten, vooral sprinkhanen, die op een ingenieuze manier met netten werden gevangen, om vervolgens geroosterd te worden. Er werd ook gejaagd op klein wild, vooral konijnen en ratten. En op de Amerikaanse antilope, het grootste diersoort dat in deze omgeving voorkomt. Ook aten zij pinon-noten van de Amerikaanse pijnboom, alleen draagt deze boom niet ieder jaar vrucht, dus ook dat was schaars.

Er bestaat een bekende anekdote over deze ‘digger Indians’. In 1869 stuitte een eenheid van het Amerikaanse leger, dat het gebied in kaart moest brengen, op een kamp van de Soshone. De leider van deze eenheid, kapitein Simpson, vroeg hen of zij ‘in een goed land leefden’. Hij kreeg als antwoord dat dit gebied beter was welk ander land. Toen Simpson naar de reden vroeg, kreeg hij als antwoord: ‘omdat er zoveel ratten leven’.

De materiële cultuur van de Paiutes en hun buren was beperkt, maar er was een kunstvorm waarin zij excelleerden. Dat was (en is) de kunst van het manden vlechten. Samen met die van de mandenmakers van Californië, behoren hun creaties tot de meest verfijnde en vernuftigste van Indiaans Amerika. Riet en vele verschillende grassoorten waren genoeg voorhanden op de iets minder droge plekken van de Great Basin. De manden werden geweven in verschillende kleuren, met complexe patronen.

Mono Lake Paiute Basket 1

Mono Lake Paiute Basket (Cain Collection), ca 1925 (bron)

Mono Lake Paiute Basket 2

Mono Lake Paiute Basket by Tina Charlie (Cain Collection), ca 1920 (bron)

Paiuete Seed Jar with net

Paiute seed jar with net, ca 1910 (bron)

Toen in de jaren vijftig van de negentiende eeuw de Goldrush naar Californië uitbrak werden de Paiute onder de voet gelopen door de hordes goudzoekers, die op hun jacht naar het Californische goud, door het Grote Bekken trokken. Later kwam het leger, die de Paiute en anderen in reservaten dreef. Alleen de Utes boden fel verzet, maar werden in de oorlog van 1879-1880 verslagen.

De bekendste Paiute is een van de meest omstreden figuren uit de geschiedenis van de indianenoorlogen geworden. In de tweede helft van de jaren tachtig van de negentiende eeuw, toen alle stammen waren onderworpen en in reservaten waren ondergebracht (de laatsten, Sitting Bull van de Lakota en Geronimo van de Chiricahua Apaches, hadden zich inmiddels overgegeven), kwam een Paiute mysticus/spiritueel leider, Wovoka, met een nieuwe religieuze beweging. Wovoka was in een blank gezin opgegroeid, maar was teruggekeerd naar zijn stam en in de leer gegaan bij de shamaan/mysticus Tavibo. Beïnvloed door zijn leringen, maar zeker of vooral door Christelijke elementen, begon Wovoka een nieuwe cultus, de Ghost Dance. Het kwam erop neer dat de indianen zich niet langer gewapend tegen de blanke overheerser moesten verzetten, maar wel alle opgelegde gebruiken moesten verwerpen. Ghostdancers kwamen bij elkaar op massa-bijeenkomsten en voerden een rituele dans uit, die velen in trance bracht. Wovoka beweerde dat als alle indianen zouden gaan dansen, de hogere machten de blanken met een stortvloed zouden wegspoelen. De Ghostdancers zouden worden opgetild en wanneer zij weer op aarde zouden nederdalen, zouden zij de gereddenen zijn en zouden de blanken zijn verdwenen. In dit verhaal ziin zowel elementen van de Zondvloed, als het Laatste Oordeel duidelijk herkenbaar.

De Ghostdance beweging sloeg massaal aan, niet alleen bij de Paiute en hun directe buren, maar verspreidde zich al snel over het Plainsgebied, ook bij de net onderworpen Lakota. Wovoka reisde per trein door het Amerikaanse westen en overal werd hij door massa’s wanhopige reservaatsbewoners opgewacht en werden vervolgens zijn leringen nagevolgd. In het Pine Ridge reservaat van de Lakota raakten de autoriteiten in paniek en vreesden zij een opstand. In december 1890 werd Sitting Bull, die overigens sceptisch was en zich tegen de massale overgave aan de Ghostdance had uitgesproken, gearresteerd en toen hij zich probeerde te verzetten, meteen geëxecuteerd. Er kwam echter geen opstand, want de Ghostdance-beweging was volstrekt geweldloos. Men ging alleen maar meer dansen. Uiteindelijk raakten de autoriteiten zo in paniek dat het leger met kanonnen een compleet kamp aan de Wounded Knee kreek, waarvan de bewoners eerst ontwapend waren, wegvaagde, op 29 december 1890. Bij deze massa-executie kwamen zo’n driehonderd ongewapende mannen, vrouwen en kinderen om het leven. Dit bloedbad betekende het einde van de Ghostdance-beweging en het wordt ook gezien als het slotstuk van de onderwerpingsoorlogen door de blanke veroveraars.

Wovoka is daarna afgeschilderd als een bedrieger en een oplichter, die handelde in valse hoop. Toch zou je kunnen zeggen dat hij niets anders deed dan het principe van geweldloze non-coöperatie toepassen, waarin Ghandi wel succesvol was. Alleen kwam Wovoka’s oproep op het verkeerde moment en op de verkeerde plaats en is hij zo een van de meest verguisde figuren uit de geschiedenis van de Native Americans geworden. Op de geschiedenis van de Ghostdance zal ik nog uitgebreid terugkomen in het laatste deel.

Plateau

De stammen van het Plateau

Flathead

Paul Rane, Flathead mother and child, ca 1847. Hier is te zien hoe de Flathead aan hun naam kwamen. Om hun schoonheidsideaal te bereiken werd er bij pas geboren baby’s een spalk op het voorhoofd gespannen, waardoor de schedel met een terugwijkend voorhoofd uitgroeide. Dit gebruik kwam voor op het Plateau, maar ook bij sommige volkeren van de Noordwestkust

Ten noorden van het Grote Bekken ligt een veel vruchtbaarder gebied. Het Plateau, tussen de Rocky Mountains in het oosten en het Cascade-gebergte in het westen, wordt doorsneden door groene dalen en is rijk aan natuurlijke hulpbronnen. Het was een gastvrije omgeving voor nomadische en seminomadische jagers en vissers.

Het Plateau kende eigenlijk twee dominante taalfamilies (met een paar kleinere geïsoleerde groepen, waarvan de grootsten het Cayuse en het Kutenay zijn). Het zuidelijke deel sprak het Plateau-Penutisch, een taalgebied dat ook een uitloper naar het zuidwesten kent, tot in Californië. Het centrale en noordelijke deel werd gedomineerd door het Salish, een taalfamilie waartoe ook verschillende volkeren van de Noordwestkust toe behoren. In het noordelijkste deel begint het grote Na Dene gebied van West Canada en Alaska.

De culturen van het Plateau zijn misschien wel het meest een smeltkroes van alle Noord Amerikaanse cultuurgebieden. De invloeden van de aangrenzende culturen was groot, zodat er een soort mengcultuur was ontstaan. Invloeden van het zuidelijk gelegen Grote Bekken en Californië, maar ook van de Plains in het Oosten, als van de zeevaarders van de Noordwestkust, kwamen samen in de culturen van het Plateau. Hoewel de combinatie ‘tipi en totempaal’ daar zeker niet voorkwam (zie het het playmobil-plaatje helemaal hierboven, aan het begin van dit deel), zou het nog bijna hebben gekund. De volkeren die van de zalmvangst leefden en verschillende elementen uit de culturen van de Noordwestkust hadden overgenomen, zoals het gebruik van de grote zeekano’s (de Chinook), leefden bijna naast jagers, die na de komst van het paard de ruitercultuur hadden overgenomen en zich zelfs de beste paardenfokkers van de Native Americans hadden ontwikkeld (de Nez Percé). Maar ook de invloed van de pelsdierjagers van het noorden en de mandenvlechtkunst van het Grote Bekken en Californië zijn manifest in de culturen van het Plateau.

Curtis Salmon Fishing

Edward S. Curtis, Salmon Fishing (Wishram, State of Washington), jaren 1900 (bron)

De stammen van het Plateau leefden voornamelijk van de jacht en de visvangst. Landbouw kwam in dat gebied niet voor. Een belangrijke bron van voedsel waren de zg camassia-planten (‘Camas’ betekent ‘zoet’ in de taal van de Nootka en is verwerkt in de Latijnse naam van deze plant Camassia Leichtlinii). De camassia is een lelie -achtige plant waarvan de bol op verschillende manieren werd bereid. Soms werd deze gebakken en soms tot een soep verwerkt. Dit was het belangrijkste basisvoedsel van de Plateau-indianen.

De woningen waarin deze volkeren leefden leken sterk op die van de aangrenzende cultuurgebieden. Zowel het type hutten uit Californië als tipi’s van de plains kwamen voor. Met de komst van het paard werden er door een paar stammen meer elementen uit de plains overgenomen. De Nez Percé legden zich toe op het fokken van paarden en slaagden erin om uit de wilde mustangs (de verzamelnaam voor de vaak bont gekleurde en gevlekte noord Amerikaanse paarden, die een kruising van allerlei verschillende rassen zijn) een geheel nieuw paardenras te fokken, de appaloosa, het beroemde en elegante witte paard, met zwarte stippen.

appaloosa1

de appaloossa, het beroemde paard van de Nez Percé

De bewoners van het Plateau kwamen in een laat stadium in contact met de Europeanen, eigenlijk voor het eerst met de expeditie van Lewis en Clarke, die vanaf de Missouri een doorgang naar de Grote Oceaan zochten. De kolonisatie van het westen van Montana, Idaho en het oosten van Washington kwam pas in de tweede helft van de negentiende eeuw op gang en was ook minder intensief dan in andere gebieden. Toch hebben de stammen van het Plateau het nodige voor hun kiezen gehad.

Het bekendst is de geschiedenis van de Nez Percé en hun Chief Joseph (zijn echte naam was Hinmatówyalahtqit , de ’Donder die over het land rolt’). De Nez Percé (‘Doorboorde Neuzen’ in in het Frans), hadden altijd op voet van vrede geleefd met de kolonisten, die zich in het gebied gingen vestigen. Ze gingen er zelfs prat op dat er nog nooit iets van een gewapend incident was geweest tussen hen en de blanke nieuwkomers. Totdat in 1877 er opeens het bevel kwam dat zij hun land, de vruchtbare Walowa vallei, moesten verlaten om zich op een stuk afgedankt land te vestigen, elders in Idaho. De Nez Percé weigerden zich hierbij neer te leggen. Er volgde een reeks incidenten over en weer. Toen het leger uitrukte voor een strafexpeditie besloot Chief Joseph dat het voor zijn volk beter was om naar het noorden, naar Canada te vertrekken, waar betere gebieden waren te vinden dan het reservaat dat ze was toegewezen. Er volgde een exodus, waarbij de stam een tocht van drieduizend kilometer aflegde, zigzaggend tussen de Amerikaanse legerposten, om de Canadese grens te bereiken. Ze moesten een grillige route kiezen, want het Amerikaanse leger zat ze van alle kanten op de hielen, al slaagde het er niet in om de Nez Percé te stoppen. Tot zo’n zestig kilometer voor de grens. Daar werden zij uiteindelijk tegengehouden door de troepen van generaal Nelson Miles. Chief Joseph gaf zich over, al wisten een paar jongeren te ontkomen, die wel de Canadese grens bereikten en zich aansloten bij de groep vrije Lakota, onder leiding van Sitting Bull, die ook in ballingschap was gegaan. Toen de Nez Percé onder leiding van Joseph gestopt en gevangen waren genomen, kregen zij geen reservaat in Idaho, maar werden zij als straf naar Indian Territory in Oklahoma gedeporteerd. Velen kwamen om, waaronder uiteindelijk ook Joseph. Pas de generatie daarna kreeg een reservaat in Idaho, waar hun nazaten nog steeds leven. Ook op deze geschiedenis kom ik nog terug in het laatste deel.

Californië

de stammen van Californië. Zie voor de taalfamilies de grote kaart van het westen, aan het begin van dit gedeelte

Dan nu de volkeren van Californië. Voor de komst van de Europeanen was het gebied tussen de Sierra Nevada en de westkust waarschijnlijk het dichtst bevolkte deel van het westelijke cultuurgebied. Het is een vruchtbaar land, met een mediterraan klimaat en vele afwisselende landschappen. Toch is er van de culturen van het gebied waar nu de staat Californië ligt vrij weinig overgebleven. Al in een vroeg stadium kwam de bevolking al in contact met de Europese nieuwkomers, de Spanjaarden, die oprukten vanuit Mexico. Die hebben daar behoorlijk huisgehouden, al hebben zij nooit het hele gebied volledig gekoloniseerd. De grote klap kwam in de jaren vijftig van de negentiende eeuw, toen Amerika in de ban raakte van de goudkoorts. Van die totale gekte en de volstrekte anarchie die toen in dat gebied heerste, zijn velen slachtoffer geworden, maar niemand zo erg als de indianen. Er is ook veel uit dat gebied verloren gegaan.

Wat we wel weten is dat dit gebied ooit een lappendeken was vele talen en culturen. De belangrijkste taalfamilies waren het Hokan-Cohuilteeks en het Penutisch, maar er waren vele andere minderheidstalen, die geen verwantschap vertonen met andere taalfamilies, zoals het Yuki en nog een paar kleinere groepen. En er waren een paar kleine enclaves waar ook het Na Dene werd gesproken, wellicht nazaten van dezelfde migratiestroom waar ook de Apaches en de Navaho in het zuidwesten uit zijn voortgekomen. Gezien de grote taaldiversiteit hebben de oorspronkelijke bewoners van Californië voor lange tijd grotendeels vreedzaam naast elkaar geleefd, waarbinnen er geen enkele groep was die de dominantie opeiste (een bekende ‘wet’ in de linguistische antropologie). Het was overigens geen gebied waar echte agrarische culturen van de grond kwamen; het land leverde vaak genoeg op. Maisbouw vond alleen in het zuiden plaats en op beperkte schaal. De meeste stammen en volkeren waren jagers, verzamelaars en vissers.

Curtis Principal female shaman of the Gupa 1923

Edward S. Curtis, Principal Female Shaman of the Hupa, 1923 (bron)

chumash mand

Mand met deksel (Chumash, Zuid Californië), ca 1850 (Bron: Indianen; kunst & cultuur tussen mythe en realiteit, De Nieuwe Kerk, Amsterdam, 2013)

Chumash, foto jaren 1850-1860 bron 500 Nations

Chumash, jaren 1850-1860 (Bron: 500 Nations)

De belangrijkste bron van voedsel, die eigenlijk de meeste landbouw overbodig maakte, was de vrucht van de Californische eik, die overal in grote aantallen voorkwam. De eikels werden ieder jaar in grote hoeveelheden verzameld. Ze werden gepeld en de bittere looistof werd er met water uitgespoeld. Wat overbleef was een buitengewoon voedzaam zetmeel, dat zich goed leende voor het bakken van brood. Dat was eigenlijk het voornaamste basisvoedsel van de Californische indianen en waarschijnlijk de verklaring waarom zo weinig maïsbouw voorkwam (eigenlijk alleen in de droge randwoestijnen, die grenzen aan het zuidwestelijke cultuurgebied, waar natuurlijk geen eiken groeien).

Net als de bewoners van het Grote Bekken waren de Californische indianen meester mandenvlechters. Op de tentoonstelling in de Nieuwe Kerk waren daar een paar prachtige voorbeelden van te zien. Overigens werden er niet alleen manden gevlochten van gras en riet, maar ook kleding. Hoofddeksels, maar ook complete gewaden werden geweven van riet of gras. Dit kwam in het hele gebied voor, van het zuiden tot het noorden. Ook aan de noordwestkust (het hierna te bespreken cultuurgebied) zien we dit gebruik terug.

De geschiedenis van de oorspronkelijke bewoners van Californië is een dramatische. In 1602 werd het gebied ingelijfd door de Spanjaarden. Zij stichtten een aantal Franciscaner missieposten. De indianen die daar in de buurt woonden werden gekerstend, maar dienden ook meteen als lijfeigenen. Daarbuiten werden de ‘wilde indianen’ wreed vervolgd. Ook werd het gebied geteisterd door epidemieën van uit Europa geïmporteerde ziektes. De ‘missie-indianen’ die een paar generaties als lijfeigenen hadden geleefd, hadden een probleem toen de missie-poten in de negentiende eeuw werden ingetrokken. Zij hadden hun oude manier van overleven verleerd en velen stierven van de honger.

In 1848 werd het gebied overgedragen aan de Verenigde Staten van Amerika. In datzelfde jaar ontdekte een bouwvakker, James Marshall, in de buurt van Sacramento goud. Het gevolg was een complete massa-hysterie. In de daarop volgende jaren trokken Amerikaanse kolonisten, van boeren tot dominees, van dagloners tot artsen, en masse naar het nieuwe goudland. Het leger, dat het ‘proces in goede banen moest leiden’ hielp een stevig handje mee; complete dorpen van de inheemse bewoners werden van de kaart geveegd. In de paar jaar van de Goldrush ‘verdween’ ongeveer 85% van de Californische indianen.

In 1852 werden er vier kleine reservaten ingericht, die alle indianen uit het gebied van Californië zouden moeten herbergen. Ook de menselijke transporten naar deze oorden waren gruwelijk. Kleine kinderen en ouderen, die de lange marsen niet aankonden, werden achtergelaten langs de weg en kwamen van de honger om. Driekwart van alle stammen hielden als entiteit op te bestaan; hooguit waren er wat losse overlevenden, die zich bij een ander reservaat moesten aansluiten. Alleen in de meest afgelegen gebieden van Californië, vooral in het noorden en het oosten, konden sommige stammen zich nog een tijd handhaven, maar ook dat bleek niet voor eeuwig. De Goldrush betekende vrijwel de doodklap voor de Indiaanse bevolking.

Een van die stammen die zich wisten te handhaven waren de Modocs uit de noordelijke binnenlanden van Californië, tegen de grens met Oregon (cultureel worden ze soms tot de indianen van het Plateau gerekend, zie ook de stammenkaart hierboven van dat gebied). De Modocs kregen een dwangbevel opgelegd om zich bij de Klamath in Oregon in een reservaat te vestigen. Het leven daar was zo slecht (mensen kwamen om van honger en ziekte), dat hun leider, Kintpuash, maar die door de blanken Captain Jack genoemd werd, in 1872 met een groep getrouwen terugkeerde naar zijn geboortegrond. Vandaar werden zij met harde hand verdreven. Captain Jack trok zich terug in de Lavabeds, een woest vulkanischg land, waar de vulkaanstructuren een soort natuurlijke vesting vormen. Na maanden strijd met het Amerikaanse leger werden alle Modocstrijders gearresteerd, waarvan een deel, waaronder Captain Jack, ter dood werd veroordeeld en opgehangen. Dat was het laatste militaire treffen in het Californische cultuurgebied. De Lavabeds, waar zich deze laatste strijd heeft afgespeeld zijn tegenwoordig een National Monument (zie hier). Het is een prachtig park met een betoverend mooi landschap. Het ligt wel ver weg van alle highways en het is niet eens zo makkelijk te vinden. Ik ben er ooit geweest (toen ik veertien was met mijn ouders) en het is absoluut een bezoek waard. Vanwege de schoonheid van het landschap en de geschiedenis van die plek. Ik kan het iedereen aanraden, maar dat terzijde.

Ishi

De eerste foto van Ishi uit 1911, kort nadat hij ‘gevonden’ was

Ishi poserend voor hut

Ishi tentoongesteld bij een traditionele Yahi-hut met verklarende bordjes

ishi-auto

Ishi in 1916, poserend in een auto, kort voor zijn dood

Een van de meest schrijnende gebeurtenissen uit de tragische geschiedenis van de Californische indianen vond enkele decennia later plaats. Hoewel het vooral een persoonlijk drama is, is het veelzeggend voor de geschiedenis van dit gebied. In 1911 betrapte een boer, uit Oroville, aan de voet van de Lassen Peak, een verwilderde man die probeerde zijn kippen stelen. De man, duidelijk van indiaanse afkomst, bleek geen woord Engels te spreken en sprak een volkomen vreemde taal. De autoriteiten wisten ook niet wat ze met hem aanmoesten. Uiteindelijk werd de hulp ingeroepen van een antropoloog van de Stanford University, Alfred Kroeber. Die kwam tot de conclusie dat deze man een Yahi-indiaan was, waarvan men dacht dat die, buiten een handjevol overlevenden in een reservaat, waren uitgestorven. Kroeber nam hem onder zijn hoede en de onbekende man, die zeer intelligent bleek te zijn, leerde in een hoog tempo Engels. De ‘gevondene’ wilde zijn naam niet noemen. Iedereen die hem onder zijn naam had gekend was dood en aangezien een naam iets is dat je wordt gegeven door je naaste verwanten, was voor hem ook zijn naam gestorven. Kroeber noemde hem Ishi, wat ‘man’ betekent in het Yahi. De Yahi waren praktisch uitgeroeid tijdens de Goldrush. Ishi was met een paar familieleden op de vlucht geslagen en had al die jaren weten te overleven. De mensen met wie hij was waren of vermoord door settlers, of door de honger omgekomen en uiteindelijk was hij alleen overgebleven. Toen hij in 1911 werd ‘gevangen’, was hij een man van 49 jaar oud.

Toen het nieuws zich verspreidde dat er een ‘wilde indiaan’ was ontdekt, wilden velen dit ‘natuurverschijnsel’ met eigen ogen bekijken. Ishi werd een attractie, werd uitgenodigd om allerlei evenementen bij te wonen en vaak (tegen betaling) tentoongesteld. Kroeber heeft hem hiertegen proberen te beschermen en nam hem uiteindelijk aan als ‘wetenschappelijk medewerker’ en zorgde voor een beschutte woonomgeving op de campus van Stanford. Lang heeft het niet geduurd want in 1916 was Ishi dood. De man die zijn naam verloren had en enkele decennia in de wildernis en in een vijandig gezinde omgeving alleen had weten te overleven, viel uiteindelijk ten prooi aan tuberculose. Zijn hersenen werden op sterk water gezet en bewaard in het Smithonian Institute. In 2000 procedeerden de Yahi van het reservaat om de stoffelijke overblijfselen van Ishi terug te krijgen. Zij slaagden daarin en gaven hem, vierentachtig jaar later, alsnog een waardige begrafenis, volgens de tradities van zijn volk.

Er zijn een paar kleine geïsoleerde reservaten in Californië. De overgrote meerderheid van de ooit omvangrijke indiaanse bevolking is in de tweede helft van de negentiende eeuw ‘verdwenen’.

…………………………………….To Be Continued (wordt vervolgd)………………………..

Bekijk hier alvast de hele PBS serie ’500 Nations’ (6 uur en 14 min.)

Met de volgende tags:, , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

My Beautiful Enemy; Farhad Foroutanian & Qassim Alsaedy (exhibition Diversity & Art, Amsterdam)

Flyer/handout exhibition (pdf)

قاسم الساعدي و فرهاد فروتنیان

Qassim en Farhad

Farhad Foroutanian and Qassim Alsaedy (photo: Nasrin Ghasemzade)

My Beautiful Enemy  –  دشمن زیبای من  -  عدوي الجميل

Farhad Foroutanian &  Qassim Alsaedy

Mesopotamia and Persia, Iraq and Iran. Two civilizations, two fertile counties in an arid environment. The historical Garden of Eden and the basis of civilization in the ancient world. But also the area were many wars were fought, from the antiquity to the present.The recent war between Iraq and Iran (1980-1988) left deep traces in the lives and the works of the artists

The artists Qassim Alsaedy (Iraq) and Farhad Foroutanian (Iran) both lived through the last gruesome conflict. Both artists, now living in exile in the Netherlands, took the initiative for this exhibition to reflect on this dark historical event, which marked the recent history of their homelands and their personal lives. Neither Farhad nor Qassim ever chose being eachother’s enemies. To the contrary, these two artists make a statement with ‘My Beautiful Enemy’ to confirm their friendship.

Farhad 1

 Farhad Foroutanian, Untitled, acrylic on canvas, 2013

Farhad Foroutanian

Farhad Foroutanian (Teheran 1957) studied one and a half year at the theatre academy, before he went to the art academy of Teheran in 1975. At that time the Iranian capital was famous for its hybrid and international oriented art scene. Artists worked in many styles, from pop-art till the traditional miniature painting, a tradition of more than thousand years,  in which  Foroutanian was trained.

After his education Foroutanian found a job as a political cartoonist at a newspaper. During that time, in 1978, the revolution came, which overthrew the regime of the Pahlavi Shah Dynasty. For many Iranian intellectuals and also for Foroutanian in the beginning the revolution came as a liberation. The censorship of the Shah was dismissed and the revolution created a lot of energy and creativity. A lot of new newspapers were founded. But this outburst of new found freedom didn’t last for long; in the middle of 1979 it became clear that the returned Ayatollah Khomeiny became the new ruler and founded the new Islamic Republic. Censorship returned on a large and villain scale and, in case of the cartoonists, it became clear that they could work as long as they declared their loyalty to the message and the new ideology of the Islamic Republic.

Farhad 2

 Farhad Foroutanian, Untitled, acrylic on canvas, 2013

The artistic climate became more and more restrictive. In the mid eighties Foroutanian fled his homeland. In 1986 he arrived with his family in the Netherlands.  Since that time Foroutanian manifested himself in several ways, as an independent artist, as a cartoonist and as actor/ theatre maker (most of the time together with his wife, the actress Nasrin Ghasemzade Khoramabadi).

Farhad 3

 Farhad Foroutanian, Untitled, acrylic on canvas, 2013

In his mostly small scaled paintings and drawings Foroutanian shows often a lonely figure of a man, often just a silhouette or a shadow, who tries to deal with an alienating or even surrealistic environment. This melancholical  figure, sometimes represented as a motionless observer, sometimes involved in actions which are obviously useless or failing, represents  the loneliness of the existence of an exile. Foroutanian:

“If you live in exile you can feel at home anywhere.  The situation and location in which an artist is operating, determines his way of looking at theworld. If he feels himself at home nowhere,  becomes what the artist produces is very bizarre.

The artist in exile is always looking for the lost identity. How can you find yourself in this strange situation? That is what the artist in exile constantly has to deal with. You can think very rationally and assume that the whole world is your home, but your roots- where you grew up and where you originally belong-are so important.It defines who you are and how you will develop. If the circumstances dictates that you can’t visit the place where your origins are, that has serious consequences. You miss it. You are uncertain if you have ever the chance to see this place again. The only option you have is to create your own world, to fantasize about it. But you can’t lose yourself in this process. You need to keep a connection with the reality, with the here and now.  Unfortunately this is very difficult and for some even something impossible. You live in another dimension. You see things different than others ”.

Farhad 4

 Farhad Foroutanian, Untitled, acrylic on canvas, 2013

In his works the lonely figures are often represented with a suitcase. Foroutanian:

“A case with everything you own in it. Miscellaneous pieces of yourself are packed. And the case is never opened. You carry it from one to another place. And sometimes you open the trunk a little and do something new. But you never open the suitcase completely and you never unpack everything. That’sexile”.

Foroutanian emphasizes that his political drawings were for him personally his anker that prevented him to drift off from reality. The concept of exile is the most important theme in Foroutanian’s work, in his paintings, drawings, but also in his theatre work, like Babel (2007) or  No-one’s Land (Niemandsland, 2010). In all his expressions  the lonely figure is not far away, just  accompanied with his closed suitcase and often long shadow.

Farhad 5

 Farhad Foroutanian, Untitled, acrylic on canvas, 2013

Foroutanian participated in several exhibitions, in the Netherlands and abroad. He also worked  as a cartoonist for some Dutch magazines and newspapers, like Vrij Nederland, Het Algemeen Dagblad and Het Rotterdams Dagblad. Like Qassim Alsaedy he exhibited at an earlier occasion in D&A.

The quotes of Foroutanian are English translations of an interview with the artist in Dutch, by Floor Hageman, on the occasion of a performance of Bertold Brecht’s ’Der gute Mensch von Sezuan’ (‘ The Good Person of Szechwan’), Toneelgroep de Appel, The Hague, see
http://www.toneelgroepdeappel.nl/voorstelling/153/page/1952/Interview_met_Iraanse_cartoonist_Farhad_Foroutanian

Qassim 1

Qassim Alsaedy, untitled, oil on canvas,  2009

Qassim Alsaedy

Qassim Alsaedy (Baghdad 1949) studied at the Academy of Fine Arts in Baghdad during the seventies. One of his teachers was Shakir Hassan al-Said, one of the leading artists of Iraq and perhaps one of the most influential artists of the Arab and even Muslim world of twentieth century. During his student years in the seventies Alsaedy came in conflict with the regime of the Ba’th party. He was arrested and spent nine months in the notorious al-Qasr an-Nihayyah, the Palace of the End, the precursor of the Abu Ghraib prison.

After that time it was extremely difficult for Alsaedy to settle himself as an artist in Iraq. Alsaedy: “Artists who didn’t join the party and worked for the regime had to find their own way”. For Alsaedy it meant he had to go in exile. He lived alternately in Lebanon and in the eighties in Iraqi Kurdistan, where he lived with the Peshmerga (Kurdish rebels). When the regime in Baghdad launched operation ‘Anfal’ , the infamous genocidal campaign against the Kurds, Alsaedy went to Libya, where he was a lecturer at the art academy of Tripoli for seven years. Finally he came to the Netherlands in the mid nineties.

Qassim 2

Qassim Alsaedy, untitled, mixed media, 2012/2013

The work of Alsaedy is deeply rooted in the tradition of the Iraqi art of the twentieth century, although of course he is also influenced by his new homeland. The most significant aspect of Alsaedy’s work is his use of abstract signs, almost a kind of inscriptions he engraves in the layers of oil paint in his works. Alsaedy:

“In my home country it is sometimes very windy. When the wind blows the air is filled with dust. Sometimes it can be very dusty you can see nothing. Factually this is the dust of Babylon, Ninive, Assur, the first civilisations. This is the dust you breath, you have it on your body, your clothes, it is in your memory, blood, it is everywhere, because the Iraqi civilisations had been made of clay. We are a country of rivers, not of stones. The dust you breath it belongs to something. It belongs to houses, to people or to some texts. I feel it in this way; the ancient civilisations didn’t end. The clay is an important condition of making life. It is used by people and then it becomes dust, which falls in the water, to change again in thick clay. There is a permanent circle of water, clay, dust, etc. It is how life is going on and on. I have these elements in me. I use them not because I am homesick, or to cry for my beloved country. No it is more than this. I feel the place and I feel the meaning of the place. I feel the voices and the spirits in those dust, clay, walls and air. In this atmosphere I can find a lot of elements which I can reuse or recycle. You can find these things in my work; some letters, some shadows, some voices or some traces of people. On every wall you can find traces. The wall is always a sign of human life”.

Qassim 3

Qassim Alsaedy, untitled, mixed media, 2012/2013

The notion of a sign of a wall which symbolizes human life is something Alseady experienced during his time in prison. In his cell he could see the marks carved by other prisoners in the walls as a sign of life and hope.

Later, in Kurdistan, Alsaedy saw the burned landscapes after the bombardments of the Iraqi army. Alsaedy:

“ Huge fields became totally black. The houses, trees, grass, everything was black. But look, when you see the burned grass, late in the season, you could see some little green points, because the life and the beauty is stronger than the evilness. The life was coming through. So you saw black, but there was some green coming up. For example I show you this painting which is extremely black, but it is to deep in my heart. Maybe you can see it hardly but when you look very sensitive you see some little traces of life. You see the life is still there. It shines through the blackness. The life is coming back”.

Qassim 4

Qassim Alsaedy, untitled, mixed media, 2012/2013

Another important element in Alsaedy’s mixed media objects is his use of rusted nails or empty gun cartridges. For Alsaedy the nails and the cartridges symbolize the pain, the human suffering and the ugliness of war. But also these elements will rust away and leave just an empty trace of their presence. Life will going on and the sufferings of the war will be once a part of history.

His ceramic objects creates Alsaedy together with the artist Brigitte Reuter. Reuter creates the basic form, while Alsaedy brings on the marks and the first colors. Together they finish the process by baking and glazing the objects.

Qassim 5

Qassim Alsaedy, untitled, mixed media, 2012/2013

Since Alsaedy came to the Netherlands he participated in many exhibitions, both solo and group. His most important were his exhibition at the Flehite Museum Amersfoort (2006) and Museum Gouda (2012). He regularly exhibits in the Gallery of Frank Welkenhuysen in Utrecht.

Floris Schreve, Amsterdam, 2013

My Beautiful enemy

28 April- 26 May 2013

O P E N I N G op zondag 28 april om 16.00uur – deur open om 15.00 uur
door Emiel Barendsen – Programma Director Tropentheater

logo Diversity & Art


http://www.diversityandart.com/

Diversity & Art | Sint Nicolaasstraat 21 | 1012 NJ Amsterdam | open: do 13.00 – 19.00 | vr t/m za 13.00 – 17.00

عدوي الجميل

قاسم الساعدي وفرهاد فوروتونيان

يسرنا دعوتكم لحضور افتتاح المعرض المشترك للفنانين قاسم الساعدي ( العراق) وفرهاد فوروتونيان ( ايران ) , الساعة الرابعة من بعد ظهر يوم الاحد الثامن والعشرين من نيسان- ابريل 2013

وذلك على فضاء كاليري دي اند أ

الذي يقع على مبعدة مسيرة عشرة دقائق من محطة قطار امستردام المركزية , خلف القصر الملكي

تفتتح الصالة بتمام الساعة الثالثة

Een kleine impressie van de tentoonstelling (foto’s Floris Schreve):

Exif_JPEG_PICTURE

tentoonstelling 2

tentoonstelling 3

Exif_JPEG_PICTURE

Exif_JPEG_PICTURE

Exif_JPEG_PICTURE

Exif_JPEG_PICTURE

Exif_JPEG_PICTURE

tentoonstelling 10

tentoonstelling 7

tentoonstelling 6

Opening

Opening 2

Emiel Barendsen (foto Floris Schreve)

Dames en heren, goedemiddag,

Toen Herman Divendal mij benaderde met het verzoek een openingswoord tot u te richten ter gelegenheid van de duo expositie van Qassim Alsaedy en Farhad Foroutanian moest ik een moment stilstaan. Immers, ik ben de man die ruim 35 jaar werkzaam is in de podiumkunsten. Weliswaar altijd de niet-westerse podiumkunsten maar toch…podiumkunsten. Herman vertelde mij toen dat hij graag dit soort gelegenheden te baat neemt om anderen dan de usual suspects hun licht te laten schijnen op de tentoongestelde werken. Mooie gedachte die ik met hem deel.
Als Hoofd Programmering en interim directeur van het helaas opgeheven Tropentheater was ik in de gelegenheid om veel te reizen op zoek naar nieuwe artiesten en producties die wij belangrijk en interessant vonden om aan het Nederlandse publiek voor te stellen. In die queste ben je op zoek naar elementen die aan dat specifieke raamwerk appelleren: nieuwsgierigheid, avontuurlijkheid, vakmanschap en ambachtelijkheid, authenticiteit en identiteit maar bovenal de eigen signatuur van de makers.
Beide kunstenaars hier vertegenwoordigd vertellen ons mede op zoek te zijn naar identiteit, beide zijn gevlucht uit hun moederland , beide delen een gezamenlijk bestaan; een gedwongen toekomst. En identiteit is verworden tot een lastig te hanteren begrip in de Nederlandse samenleving anno nu. Sinds de opkomst van populistische partijen hebben wij de mondvol over dé Nederlandse cultuur en identiteit ; maar waar bestaat die in vredesnaam uit. Ik heb er de canon van Nederland nog een op nageslagen en als je het hebt over kunst en cultuur frappeert de constatering dat het juist de externe influx is geweest – en nog immer is – die ons Nederlands DNA bepaalt. Aan de vooravond van een Koningswisseling constateren we dat na de Duits-Oostenrijkse, Engelse, Franse en Spaanse adel de elite van de nieuwe wereld hun opwachting maakt in de Nederlandse monarchie. De ultieme uiting van globalisering. Argentinië nota bene een land opgebouwd uit door conquistadores verkrachte indianen aangevuld met voor armoe gevluchte Sicilianen, Ashkenazische joden, Duitse boeren , Britse gelukzoekers en nazaten van de Westafrikaanse slaven die – behalve hun ritme – de Rio de la Plata niet mochten oversteken, levert de nieuwe Koningin. Wat is onze Nederlandse identiteit eigenlijk als onze kunsthistorische canon vooral gebouwd is op het –wellicht door pragmatisme ingegeven- asiel dat wij boden aan gevluchte kunstenaars: geen Gouden Eeuw zonder Vlamingen, Hugenoten, Sefardische Joden of Armeniers. ‘Onze’ succesvolste nog levende beeldend kunstenares, Marlene Duma, is van Zuid Afrikaanse oorsprong.
Vanuit mijn vakgebied huldig ik het principe dat men tradities moet begrijpen om het hedendaagse te kunnen duiden. Dit geldt niet alleen voor de podiumkunsten maar in mijn optiek ook voor de beeldende kunst. Traditie als conditio sine qua non voor modernisering.
Over de grenzen kijken betekent vooral eerst jezelf leren kennen; wat vind ik mooi, interessant en vooral waarom? Wat zijn die verhalen die je observeert en hoort en in welke culturele context moet ik die plaatsten?
Je laten leiden door je eigen nieuwsgierigheid levert een grote geestelijke verrijking op.
‘My beautiful enemy’ is de titel van deze expositie en verwijst naar het Irak – Iran conflict uit de jaren tachtig van vorige eeuw. Twee buurlanden gebouwd op de civilisaties en dynastieën die de bakermat van onze beschaving vormen. Een gebied dat een lange geschiedenis van conflicten kent maar waar de culturele overeenkomsten groter blijken te zijn dan de verschillen. In samenlevingen waarin de kunstenaar de mond gesnoerd wordt en waar kritische noten niet meer gehoord mogen worden rest vaak maar één pijnlijke optie: ballingschap. Huis en haard worden verlaten om elders in de wereld een nieuw bestaan op te bouwen. Dit proces is voor iedere balling moeilijk en eenzaam; de geschiedenis verankerd in je geheugen is de basis waar je op terugvalt. Mijmeringen over kleuren, geuren, geluiden en smaken van je geboortegrond bijeengehouden door verhalen.
En dat zie je terug in de hier tentoongestelde werken: als ik de werken van Qassim Alsaedy observeer dan herken ik de vakman die in een beeldende taal abstracte verhalen vertelt die een appèl doen op zijn geboortegrond. Als ik mijn ogen luik verbeeld ik mij het landschap te ruiken en hoor ik bij het ene werk de zanger Kazem al Saher op de achtergrond en bij het andere poëtische werk de oud-speler Munir Bachir zachtjes tokkelen.
Farhad Foroutanian gebruikt een ander idioom en zijn stijl verraadt zijn achtergrond als cartoonist. In ogenschijnlijk een paar klare lijnen zet hij zijn figuren neer in een welhaast surreëel decorum. De man met de koffers doet mij terugdenken aan mijn eigen jeugd die ik doorbracht in Zuid-Amerika. Toen aan de vooravond van de gruwelijke Pinochet-coup in Chili de dreiging alsmaar toenam zetten mijn ouder twee koffers klaar waarin de meest noodzakelijke spullen zaten om eventueel te moeten vluchten. Paspoorten en baar geld, kleding en toiletartikelen. Wij moesten niet vluchten, gelukkig, maar werden wel verzocht het land te verlaten. Onze nieuwe bestemming werd het door een burgeroorlog geteisterde Colombia en hoewel dat geweld voornamelijk in de jungle ver van de grote steden plaatsvond waren er momenten dat dat geweld angstig dichtbij kwam. En weer stonden die twee koffers onder handbereik.
Zo blijkt dat deze werken prikkelen en vragen stellen. Het is aan het individu echter om daar invulling aan te geven . Daarover te praten met anderen levert vanzelf weer nieuwe verhalen op.
In een tijd waarin de overheid net doet of diversiteit niet meer van deze tijd is en moedwillig aanstuurt op ondubbelzinnige eenvormigheid ben ik blij dat er nog een plek in Amsterdam is waar men deze prachtige kunst kan aanschouwen.
Ik besluit met het motto “tegenwind is wat de vlieger doet stijgen” en wens Qassim en Farhad alle goeds toe. En u als publiek veel kijkgenot.

Dank u.
Emiel Barendsen

Exif_JPEG_PICTURE

Farhad Foroutanian en Qassim Alsaedy (foto Floris Schreve)

Exif_JPEG_PICTURE

In Front (left): Qassim Alsaedy, the Dutch/Iraqi Kurdish writer Ibrahim Selman and the actress Nasrin Ghasemzade (the wife of Farhad Foroutanian)

opening 4

Bart Top, Farhad Foroutanian and Ishan Mohiddin

opening 5

The Iraqi Kudish artists Hoshyar Rasheed and Aras Kareem (who exhibited in D&A before, see here and here), Ishan Mohiddin and Jwana Omer (the wife of Aras Kareem)

De Volkskrant (vrijdag 3 mei 2013):

Volkskrant

Antroposofie en racisme 7: De Hokjesman (Michaël Schaap, VPRO) van 21-2-’13…Antroposofen

Zie ook Antroposofie en racisme deel 1, deel 2, deel 3, deel 4 en deel 5. Deel 6, dat vooral (maar niet uitsluitend) hierover zal gaan, verschijnt zeer binnenkort op dit blog, hopelijk nog voor de uitzending

Van:
http://programma.vpro.nl/hokjesman/afleveringen/aflevering-7-de-antroposofen.html

Aflevering 7: De antroposofen

Uitzending op donderdag 21-02-2013, om 21.35 op Nederland 3

Onze hokjesman onderzoekt deze opmerkelijke combinatie van wetenschap en mystiek en aanschouwt hoe deze zelfbouwpakket-religie-zonder-god leidt tot een worsteling tussen de aanhangers onderling en met de non-believers.

 
 
 
 
 
Zoom

Er was er eens een godsdienst die geen godsdienst was…

Antroposofie (van het Griekse anthropos “mens” en sophia “wijsheid”) is een spirituele filosofie en occulte wetenschap gebaseerd op de leer van Rudolf Steiner (1861–1925), die het bestaan postuleert van een geestelijke wereld die toegankelijk zou zijn via innerlijke ontwikkeling.

De antroposofie gaat er vanuit dat de reguliere wetenschap veel te beperkt is, omdat die enkel uitgaat van empirie en deductie. Nee, er is ook een geesteswereld waar de wetenschappelijke wetten niet gelden. En zo is de antroposoof bereid het bestaan te aanvaarden van geesten, onzichtbare wezens; van klein tot groot, van bos tot heelal. En dat alles om te pogen een verklarend systeem te vinden voor de opkomst en ondergang van volken, rassen en beschavingen; want de mens en zijn ontwikkeling staan centraal.

Onze hokjesman onderzoekt deze opmerkelijke combinatie van wetenschap en mystiek en aanschouwt hoe deze zelfbouwpakket-religie-zonder-god leidt tot een worsteling tussen de aanhangers onderling en met de non-believers. Hoe het in pacht hebben van de wijsheid verplicht tot het verspreiden en toepassen ervan op veel terreinen. Zoals vrije schoolpedagogie, heilpedagogie, euritmie, spraakvorming, kunstzinnige therapieen, antroposofische geneeskunde, sociale driegeleiding, en biologische landbouw.
Hoe verder de hokjesman afdaalt in deze geestelijke mijnen van Koning Salomo hoe duisterder de diepten worden.

Is er terugkeer mogelijk als hij zelf de wijsheid eenmaal heeft mogen ontvangen?

<img

Klik HIER om de aflevering te bekijken

 
de hokjesman 2

Met ‘de Hokjesman’ (Michaël Schaap) tijdens de opnames.

Regie: Jurjen Blick & Michael Schaap
Research: Sigrid Burg, Miek Hehenkamp
Camera: Maarten Kramer, Gregor Meerman, Pim Hawinkels,
Pierre Rezus
Geluid: Frenk van der Sterre, Hens van Rooij
Eindredactie: Robert Wiering
Productie: Malva Blom, Mirjam de Heus
Assistent productie: Iris Fransen
Montage: Jurjen Blick, Paul Delput
Mixage: Jaim Sahuleka
Kleurcorrectie: Richard Laarman
Mediamanagement: Fred ‘t Hart
Stagiair: Floris Koch
Postproductie: Barbara Duives


http://gids.vpro.nl/2013/02/21/in-esoterie/

In Esoterië

De hokjesman

Nederland 3, 21.35-22.30 uur

In de zesde aflevering begeeft de hokjesman zich onder antroposofen.

‘Goethe, kennen jullie die écht niet?’ De antroposofische boer die een klas Achterhoekse pubers rondleidt op zijn biologisch-dynamische bedrijf kan het haast niet geloven. Hij heeft net verteld hoe hij ‘kosmische muziek in de mest brengt’ en waar zijn kennis vandaan komt. Maar hoe meer er wordt uitgelegd over zijn inspiratiebronnen, des te groter de kloof wordt tussen antroposofie en de rest van de wereld. En daar lijkt de hokjesman ook wel een beetje last van te hebben. Want met elke deur die voor hem opengaat, lijkt zijn verbazing te groeien. Het is ook wel wat veel van het esoterische. Bewegend leren rekenen, een bouwstijl die een beetje danst en hemelwater dat eerst gevitaliseerd moet worden voordat het weer door de aderen van moeder aarde mag stromen. En dan blijkt bovengenoemde boer zijn vader ooit als vermist te hebben opgegeven, terwijl die begraven lag in de tuin. De vraag rijst: is het wetenschap of geloof wat Rudolf Steiner heeft nagelaten?

Hugo Hoes

boze geesten antrovista

www.antrovista.com. Boze Geesten ;)

Mijn commentaar op de uitzending

Al met al vond het een boeiende en bij vlagen ook hilarische uitzending. Er viel veel te lachen. Ontroerend vond ik het verhaal van de BD boer Erik, die de strijd van zijn vader voor de Biologisch Dynamische landbouw in een vijandige omgeving voortzette. Ook mooi dat hij zijn vader op zijn eigen land heeft begraven. Voor dat soort dwarsheid (en toewijding) heb ik altijd een zwak, hoe maf anderen dit wellicht vinden.

Maf zijn natuurlijk wel allerlei andere zaken die aan bod kwamen. Creatieve vakken zijn vaak het uithangbordje van de vrije school, maar de invulling die eraan gegeven wordt bleek in de loop der jaren niet te zijn veranderd. Net als in mijn eigen tijd op de vrije school (eind jaren zeventig, tot halverwege de jaren tachtig) wordt er voortdurend dezelfde antroposofische esthetische norm gehanteerd, die sinds de beginjaren van de beweging eigenlijk niet is veranderd. Naar mijn smaak een kitscherige aftakking van de Jugendstil/art nouveau. Over ‘decadente aftakking’ gesproken ;) Ook heel versteend, bijna symbolisch voor hoe de woorden van Steiner in steen zijn gebeiteld. Want Steiners inzichten loslaten is in de ‘geesteswetenschap’ een onmogelijkheid, wat Paul Mackay daar ook over beweert. Er is immers geen antroposoof na Steiner geweest, die zo diep kon schouwen als hij, laat staan dat iemand zijn geesteswetenschappelijke inzichten heeft kunnen toetsen, dan wel corrigeren of bijstellen. Dat laatste is toch zo’n beetje de kern van wetenschap. Dat is in de antroposofie niet mogelijk en dat maakt het wat mij betreft meer een levensbeschouwing (voorzichtig geformuleerd). Het is,  naar mijn bescheiden mening althans, vooral een geloof. De antroposofie kent ook zeker sektarische elementen, zij het dat niet iedereen die in een van de werkgebieden van de antroposofie actief is, zich onvoorwaardelijk overgeeft aan het door Steiner doorgegeven wereldbeeld. Mijn ervaring is dat meer dan de helft van de mensen die binnen de antroposofische sector op de een of andere manier actief zijn, vaak nauwelijks op de hoogte zijn van de inhoud van Steiners boeken en voordrachten. Daarover waakt een klein gilde van ‘beroepsantroposofen’. En antroposofen, ze zijn er zeker, al bevindt bijna iedereen die in het programma werd geïnterviewd zich in de ontkenningsfase.

Overigens vind ik niet dat de rassenleer ‘de kern’ van de antroposofie is (dat kwam er in het interview niet helemaal goed uit). Wel dat de rassenleer zich bevindt in de kern van de antroposofie. En dat is het antroposofische idee van de aarde-evolulutie; het grote verhaal van waar komen we vandaan en waar gaan we naartoe. Binnen dat verhaal is Steiners notie van het begrip ‘ras’ wel een van de cruciale factoren. 

Mijn eigen gesprek met Schaap dan (opgenomen in mei 2012, bij het openluchttheater de Lichtenberg, iets buiten Weert, zie hier). Zoals dat nu eenmaal gaat is niet het hele interview uitgezonden. Ik heb nog veel meer passages van Steiner voorgelezen, ook over het ‘zwarte ras’, bijv. uit Vom Leben des Menschen und der Erde (1923, GA 349):

 “Im Neger wird da drinnen fortwährend richtig gekocht, und dasjenige, was dieses Feuer schürt, das ist das Hinterhirn“

oftewel:

“In de ‘neger’ wordt voortdurend gekookt en wat het vuurtje aanwakkert… dat zijn zijn achterhersenen”

De van Baarda-commissie vond dit overigens een categorie 2 uitspraak, dwz. ‘waarbij sprake is van schijnbare discriminatie, maar niet als deze uitspraak wordt beoordeeld vanuit de antroposofie als geheel’….tja
.

En verder ben ik juist uitgebreid op het rapport van de Commissie van Baarda ingegaan, dat er mijns inziens niet in slaagt om de stelling ‘Géén sprake van rassenleer’ hard te maken.  De commissie heeft weliswaar zestien passages van Steiner ‘opgeofferd’, waarin hij echt over de schreef is gegaan, maar heeft Steiners echte rassenleer buiten schot gehouden en proberen weg te moffelen, soms met de meest waanzinnige (en ook hilarische) gelegenheidsargumenten. Ik heb er op dit blog al veel aandacht aan besteed. Zie vooral mijn vijfde bijdrage uit deze reeks, waarin ik, althans dat denk ik, toch flink wat onvolkomenheden van dit rapport heb laten zien.

Tijdens de opnames heb ik daar ruime aandacht aan besteed, maar dat is er niet ingekomen. Achteraf jammer (wat mij betreft), want Mackay kon op die manier wel erg makkelijk zeggen dat met het rapport alles was opgelost.

Nog een opmerking over iets wat in de uitzending naarvoren kwam. De dame in de boekhandel zei dat er geen boeken over de antroposofie beschikbaar zijn van niet niet-antroposofen, althans niet in het Nederlands. Qua Nederland heeft zij bij mijn weten inderdaad gelijk, al zijn er in het verleden best wel wat kritische publicaties verschenen zoals van JD Immeman (over pedagogoek) en Gjalt Zondergeld (over de racisme-kwestie). Kleinere publicaties/brochures zijn er verschenen van Gjalt Zondergeld (samen met Evert van der Tuin en August de Roode), Bram Moerland (hier te raadplegen) en Toos Jeurissen (hier te raadplegen). Maar bestaan wel degelijk studies naar de antroposofie door buitenstaanders. Het belangrijkste standaardwerk van nu is van Helmut Zander, hoogleraar geschiedenis aan de Humboldt Universiteit in Berlijn, al vaak aangehaald op dit blog: Helmut Zander, Anthroposophie in Deutschland; Theosophische Weltanschauung und gesellschaftliche Praxis 1884–1945, Band 1&2, Vandenhoeck & Ruprecht, Göttingen, 2007. Maar ik kan ook de boeken van Peter Bierl en Peter Staudenmaier aanbevelen.

Hieronder wil ik in ieder geval mijn eigen aantekeningen weergeven, die ik heb gemaakt voor het interview voor de Hokjesman van mei 2012. Voor de volledigheid. Ter aanvulling van dit verder zeer informatieve en ook zeker mooi gemaakte en vaak erg geestige portret van de antroposofische scene in Nederland.

 Klik HIER om de aflevering te bekijken

antroposofenhokjesman-621x328

Steiner stelt de diagnose

Een van de highlights uit het van Baarda-rapport (het ‘onafhankelijke rapprt’ van ‘antroposofische wetenschappers’, hier de concluderende ‘slotopmerkingen’ van het derde hoofdstuk): Steiner stelt de Diagnose! En natuurlijk hebben ‘zwarte mensen’ andere ‘therapieën’, ‘didactische aanwijzingen’, etc. nodig dan blanken ;) Laat staan de indianen, die in Steiners grootse visie louter de functie hebben om dood te gaan. Deze tekst is maar een voorbeeld, maar het rapport kent veel van dit soort pareltjes. Zie voor een bespreking van het bovenstaande en andere delen van het rapport mijn vijfde antroposofie-artikel. Zie voor een andere soortgelijke uitwerking van Steiners rassenleer een verhandeling van vrije schoolleraar Maarten Ploeger, uit de bundel ‘Antroposofie ter discusssie’ (red. Jelle van der Meulen, Vrij Geestesleven, Zeist, 1985) hier te raadplegen. Zie overigens hier een commentaar van Peter Staudenmaier (Cornell University en een van ‘s werelds toonaangevende experts op dit gebied) op het rapport.

de hokjesman still (met Michael) - kopie

Notities interview voor de documentaire van  Michaël Schaap over de antroposofie (lang niet alles is tijdens het interview gebruikt en daarvan is een kleine selectie uitgezonden)

Wat is antroposofie?

Antroposofie is een levensbeschouwing die is vormgegeven aan het begin van de twintigste eeuw door de Oostenrijkse esotericus Rudolf Steiner. Antroposofie biedt een alomvattend wereldbeeld en pretendeert antwoord te geven op grote vragen als ‘waar komen we vandaan en waar gaan we naartoe?’ of ‘Heeft de schepping of de evolutie een doel en wat is de rol van de mens daarin?’

De antroposofie heeft ook allerlei uitwerkingen en praktische toepassingen en biedt voor de aanhangers antwoorden op vragen als: ‘waarom word ik ziek?’ ‘Waarom is mijn kind hyperactief?’ Tot en met ‘Wat is gezonde voeding?’

Hoofdconclusie van Baarda-rapport: Géén sprake van rassenleer! Steiner heeft zich slechts zestien keer vergaloppeerd in geísoleerde uitspraken, verspreid over zijn enorme oeuvre. Dus niets aan de hand, volgens het rapport en de AViN (conclusies grotendeels overgenomen in het Frankfurther Memorandum van de Duitse antroposofische Vereniging).

Mijn stelling: de hoofdconclusie van het rapport klopt niet, er is wel degelijk sprake van rassenleer. Steiners opvattingen over rassen horen bij zijn grotere verhaal over de evolutie van de mens

Antroposofische evolutiemodel:

model Poppelbaum 

Poppelbaum (1926)

 

 poppelbaum detail

Poppelbaum detail

 

 

 

Steiner 1907 (GA 100) 1 (is eigenlijk hetzelfde als de bovenstaande uitsnede van Poppelbaum, maar dan van de hand van Steiner zelf):

 

 

 

 

 

 

Steiner 1907 (GA 100) 2:

 

 

Aus der Akasha-Chronik (GA 11, 1907), hoofdstuk 2, Unsere Atlantische Forvahren (cruciaal citaat, niet in het rapport opgenomen);

Nur ein kleiner Teil der lemurischen Menschheit war zur Fortentwickelung fähig. Aus diesen bildeten sich die Atlantier. – auch später fand wieder etwas ähnliches statt. Die größte Masse der atlantischen Bevölkerung kam in Verfall, und von einem kleinen Teil stammen die sogenannten Arier ab, zu denen unsere gegenwärtige Kulturmenschheit gehört. Lemurier, Atlantier und Arier sind, nach der Benennung der Geheimwissenschaft, Wurzelrassen der Menschheit. Man denke sich zwei solcher Wurzelrassen den Lemuriern vorangehend und zwei den Ariern in der Zukunft folgend, so gibt das im ganzen sieben. Es geht immer eine aus der andern in der Art hervor, wie dies eben in bezug auf Lemurier, Atlantier und Arier angedeutet worden ist. Und jede Wurzelrasse hat physische und geistige Eigenschaften, die von denen der vorhergehenden durchaus verschieden sind. Während zum Beispiel die Atlantier das Gedächtnis und alles, was damit zusammenhängt, zur besonderen Entfaltung brachten, obliegt es in der Gegenwart den Ariern, die Denkkraft und das, was zu ihr gehört, zu entwickeln.

Aber auch in jeder Wurzelrasse selbst müssen verschiedene Stufen durchgemacht werden. Und zwar sind es immer wieder sieben. Im Anfange des Zeitraumes, der einer Wurzelrasse zugehört, finden sich die Haupteigenschaften derselben gleichsam in einem jugendlichen Zustande; und allmählich gelangen sie zur Reife und zuletzt auch zum Verfall. Dadurch zerfällt die Bevölkerung einer Wurzelrasse in sieben Unterrassen. Nur hat man sich das nicht so vorzustellen, als ob eine Unterrasse gleich verschwinden würde, wenn eine neue sich entwickelt. Es erhält sich vielleicht eine jede noch lange, wenn neben ihr andere sich entwickeln. So leben immer Bevölkerungen auf der Erde nebeneinander, die verschiedene Stufen der Entwickelung zeigen’

 

 

Citaat Mission GA 121, 1910 4e voordracht:

Nicht nur etwa deshalb, weil es den Europäern gefallen hat, ist die indianische Bevölkerung ausgestorben, sondern weil die indianische Bevölkerung die Kräfte erwerben mußte, die sie zum Aussterben führten.

Noemen: Ploeger en Wiechert hebben het over Wounded Knee

Maarten Ploeger:

‘Er blijkt zelfs een opmerkelijke affiniteit te bestaan tot grensoverschrijding tussen leven en dood. Al in een vroeg leeftijdsstadium vertonen indianen scherp getekende gelaatstrekken. Bij de prairie-indianen werd een belangrijkste krijgers inwijding gevonden in strijdsituaties met een welhaast zeker dood voor ogen (de eer behalen door een gewapende vijand aan te tikken met een stok)…(…) Met deze karakteristieken voor ogen kan Steiners uitspraak in de Volkszielen (vrij weergegeven): ‘De indianen moesten uitsterven en de kolonisten waren het uiteindelijke instrument’, in en juist daglicht worden gesteld. Het is allerminst een excuus voor het botvieren van de blanke moordcapaciteit; die schuld hebben wij hoe dan ook op ons geladen (evenmin kan de nog steeds voortgaande uitroeiing van de Amazone-indianen hiermee op welke wijze dan ook aanvaardbaar worden gemaakt). Zoals een ouder mens aan een op zichzelf niet zo dramatische ziekte licht kan bezwijken, zo betekende de confrontatie met de blanke expansiedrift voor de indianen meer dan een reeks ongelijke oorlogen. De indiaanse cultuur had à priori de bevattelijkheid om hieraan te gronde gaan (zie bijvoorbeeld de Wovoka-episode, uitmondend in de ‘zelfdestructie’ onder leiding van Sitting Bull bij Wounded Knee)’. (Antroposofie ter discussie, p.43-44)

Christoph Wiechert (in het Ikon radioprogramma ‘Het voordeel van de twijfel):

Ik denk dat dit gen beladen uitspraak is. Want als je ziet toen de Europeanen zich met de negers gingen bemoeien. Dat volk is niet te gronde gegaan (..) Terwijl je bij de indianen inderdaad, als je ziet wat er in Wounded Knee gebeurd is, dat is toch een ongelooflijke tragedie, daar zie je echt iets uitgeblust worden, onvoorstelbaar (…)Dus in die zin is de gedachte aannemelijk, gewoon uit de waarneming, ja, dat je ziet, ja, dat eindigt in reservaten. Ongelooflijk tragisch, bij negers zie je: dat eindigt helemaal niet in reservaten, die hadden ook wel kunnen sterven, bij wijze van spreken, want de Europeanen gingen daar ook niet zachtzinnig mee om. (eindrapport, pp. 636-637)

Commissie vergelijkt met Jarett Diamond Guns Germs and Steel

NB Waarom zei Steiner op 10 juni 1910 in Oslo dat de indianen niet zijn uitgestorven ‘omdat de Europeanen het beviel’, maar ‘omdat de indianen zelf de krachten moesten verwerven die tot hun uitsterven zouden leiden’? Ging hij op deze plaats voorbij aan de volkerenmoord op de indianen? Praatte hij die volkerenmoord goed, zoals sommigen beweren, met een zogenaamde ‘karmische noodzaak’? Kennelijk besefte hij dat hij misverstanden kon oproepen, want hij liet de uitspraak over indianen vooraf gaan dor de opmerking: ‘ich bitte das nicht mißzuverstehen, was eben gesagt wird: es bezieht sich nur auf den Menschen, insofern er von den physisch-organisatorischen Kräften abhängig ist, von den Kräften, die nicht  sein Wesen als Menschen ausmachen, sondern in Denen er lebt’. De irreguliere geesten van de vorm bewerkstelligeden in de lichaamskrachten van de indianen een element van ouderdom. Als ras stierven de indianen volgens Steiner daarom uit.

In het verzamelde werk van Steiner zijn in hoofdzaak twee redenen te vinden voor het (gedeeltelijk) uitsterven van indianen. De ene ligt in de verschillende constitutionele eigenschappen van de indianen, zoals beschreven in het onderhavige citaat. En in de lezingen van 27 oktober 1909 (citaat 1353), 12 juni 1910 (citaat 116) en 3 maart 1923 (citaat 130). De andere is de uitroeiing van de indianen door de blanke veroveraars uit Europa. Er zijn talrijke plaatsen te vinden waarin hij deze uitroeiing beschrijft. Hierboven zijn al enkele aangehaald, namelijk citaten 155, 157, 159, 161, 163, en 164. Ook in citaat 166 wordt over uitroeiing van de indianen door de Europeanen gesproken.

Het gebruik van de term ‘uitroeiing’ (‘Ausrottung’, ‘ ausrotten’) geeft aan dat Steiner het doden van de indianen door de Europeanen impliciet veroordeelde. Uit sommige citaten blijkt nog duidelijker hoe hij daarover dacht, zoals in ‘…man die damilgen Amerikaner, die amerikanischen Indianer massakriert hat. Diese Art von Kulturausdehnung, das war die erste Etappe auf dem Wege, auf dem wir dann nach und nach weitergegangen sind’ (citaat 155) en ‘Sehen Sie, die Indianer haben allmählicg kennengelernt die ‘besseren’ Menschen, die über sie gekommen sind, bevor diese sie ausgerottet haben’ (citaat 159). Ook in de opmerking ‘weil es den Europäern gefallen hat’ (citaat 103) klinkt een veroordelende ondertoon ten aanzien van de Europeanen.

Waar het hem in de lezing op 10 juni 1910 om te doen was, was om de aanwezige theosofen te laten zien dat er bij die beslissende historische gebeurtenis niet alleen uiterlijk-fysieke factoren een rol speelden, maar ook innerlijk-geestelijke. Se uitspraak: ‘Nicht nur etwa deshalb, weil es den Europäern gefallen hat’ zou meer in overeenstemming zijn geweest met zijn andere uitlatingen erover.

Het komt bij Steiner vaker voor dat hij innerlijke en uiterlijke oorzaken voor iets aangeeft. Bij belangrijke gebeurtenissen spelen immers altijd verrschillende factoren een rol. Hij drukte het verschijnsel van innerlijk geestelijke en uiterlijk fysieke factoren eens uit als: ‘Es verletzt jemand bei einer Rauferei einen anderen mit einem Messer, er hatte ein altes Rachegefühl, der andere sagt, das Messer war die Ursache. –Beide haben recht. Das Messer war die letzte physische Ursache, aber dahinter liegt die geistige. Wer nach geistigen Ursachen sucht, wird immer die physischen gelten gelassen.’ Uit de laatste zin blijkt dat voor hem de geestelijke oorzaak niet belangrijker is dan de fysieke, of dat daardoor de laatste zou vervallen. In het kader van het uitsterven van indianen betekent dat met zoveel woorden: ook al ligt geestelijk gesproken de oorzaak ervan in het lot van de indianen als ras, de verantwoordelijkheid voor de daad van uitroeiing door de Europeanen op fysiek niveau wordt er daarom op geen enkele manier minder op.

Ook het ontstaan van ziektes spelen zowel innerlijke als uiterlijke oorzaken een rol. Daarover uitte Steiner zich in dezelfde lijn als hierboven als volgt: ‘…daß aber alles, was materiell zum Ausdruck kommt, Seine geistige Hintergründe hat und daß  diese geistigen Hintergründe zum Heile der Menschheit gesucht werden müssen. Diejenigen aber, welche in den Kampf gern einstimmen möchten, die sollen auch daran erinnert werden, daß die geistigen Ursachen nicht immer in derselben Weise aufgelaßt werden dürfen und auch nicht in der gleichen Art bekämft werden können wie die gewöhnlichen materiellen Ursachen. Und man darft auch nicht denken, daß man durch das Bekämpfen der geistigen Ursachen enthoben ware der Bekämpfung der materiellen Ursachen (…). Ook hier wordt niet de geestelijke oorzaak boven de fysieke geplaatst.

In 1997 verscheen onder de veelzeggende  titel Guns, Germs and Steel; The fates of Human Societies, een studie van Jarett Diamond, waarin deze aantoont dat het gemak waarmee de Europese veroveraars het Amerikaanse continent konden bedwingen en de decimering van de locale bevolking niet alleen het gevolg waren van militair overwicht, maar ook nog van hekle andere factoren. Hij maakt aannemelijk, dat de Europeanen een menigte ziekteverwekkende bacteriën met zich meebrachten waartegen de indianen niet bestand waren. De Europeanen waren voor deze bacteriën immuun geworden.  Van oordprong waren het namelijk ziektekiemen van dieren die de bewoners van Europa en Azië in de loop van vele duizenden jaren hadden gedomesticeerd, zodat hun immuunsysteem zich in die tijd daaraan had kunnen aanpassen. Deze domesticatie vond door de geologische gesteldheid in Europa en Azië in veel grotere mate plaats dan in Amerika. Diamond toont met andere woorden aan dat ook geologisch-culturele factoren een rol hebben gespeeld bij de massale sterfte van de indianen in Amerika’  (eindrapport, pp. 422- 423)

Citaat GA 349/7 (1923, voor de arbeiders in Dornach) over ‘der Neger’:

Überall nimmt er Licht und Wärme auf, überall. Das verarbeitet er in sich selber. Da muß etwas da sein, was ihm hilft bei diesem Verarbeiten. Nun, sehen Sie, das, was ihm da hilft beim verarbeiten, das ist namentlich sein Hinterhirn. Beim Neger ist daher das Hinterhirn besonders ausgebildet. Das geht durch das Rückenmark. Und das kann alles das, was da im Menschen drinnen ist an Licht und Wärme, verarbeiten. Daher ist beim neger namentlich alles das, was mit dem Körper und mit dem Stoffwechsel zusammenhängt, lebhaft ausgebildet. Es hat, wie man sagt, ein starkes Triebleben, Instinktleben. Der Neger hat also ein starkes Triebleben. Und weil er eigentlich das Sonnige, Licht und Wärme, da an der Körperoberfläche in seiner Haut hat, geht sein ganze Stoffwechsel so vor sich, wie wenn in seinem Innern von der Sonne selber gekocht würde. Daher kommt sein Triebleben. Im Neger wird da drinnen fortwährend richtig gekocht, und dasjenige, was dieses Feuer schürt, das ist das Hinterhirn.

Manchmal wirft die Einrichtung des Menschen noch solche Nebenprodukte ab. Das kann man gerade beim Neger sehen. Der Neger hat nicht nur dieses kochen in seinem Organismus, sondern er hat auch noch ein furchtbar schlaues und aufmerksames Auge. Er guckt schlau und sehr aufmerksam.

 

Commentaar commissie:

 

‘Samengevat heeft een donkere huidskleur volgens Steiner de volgende betekenis voor de mens: het licht en de warmte uit de omgeving van de mens worden totaal opgenomen. Door de intensieve inwerking op de huid bij een bijna loodrechte zonnestand werd deze zwart (NB Hiermee wordt dus een ander proces beschreven dan de tijdelijke verandering van de huidskleur onder invloed van de zon in de huidige tijd). Het aandeel van de warmte en het licht dat niet door de zintuigen kan worden waargenomen, worden dieper in de mens verteerd door de stofwisseling. De stofwisselingspool en daardoor ook het instinct- en driftleven (het onbewuste wilsleven dat zijn oorsprong heeft in de stofwisselingspool) zijn om die reden extra ontwikkeld. De achterste hersenen spelen daarbij een belangrijke regulerende rol en als gevolg van het feit dat de oogzenuwen in deze hersenen uitmonden kijkt hij ‘schlau’ uit zijn ogen, wat in het Nederlands opmerkzaam en slim, maar ook sluw kan betekenen.

NB De formuleringen van Steiner wekken wel enige bevreemding (??!! FS). Zelf liet hij de volgende opmerking op het bovenstaande volgen: ‘Wenn man das anfängt zu verstehen, so wird einem alles klar. Ber solche betrachtungen, wie wir sie jetzt wieder machen, die macht die heutige Wissenschaft gar nicht. Sie versteht daher nichts von all dem’. Antroposofie gaat zoals gezegd niet alleen over zintuiglijk waarneembare feiten, maar verbindt deze met bovenzinnelijke waarnemingen’.

 ‘Bovenstaande uiteenzettingen over de regulerende werking van de achterste hersenen bij de verwerking van licht en warmte in de stofwisseling beschrijven processen die zich voor een deel in het bovenzinnelijke deel van de mens afspelen en zijn daarom alleen in dat licht te begrijpen. Door fysiologisch onderzoek zou kunnen worden nagegaan of ook op materieel niveau zulke verbindingen te leggen zijn, maar dat valt buiten het kader van dit rapport’.(eindrapport , pp. 383-384)

Steiner GA 349/7:

 Und so ist es ganz wirklich interessant. Auf der einen Seite hat man die Schwarze Rasse, die am meisten irdisch ist. Wenn sie nach Westen geht, stirbt sie aus. Man hat die gelbe Rasse, die mitten zwischen Erde und Weltenall ist. Wenn sie nach Osten geht, wird sie braun, gliedert sich zu viel dem Weltenall an, stirbt aus. Die weiße Rasse ist die zukünftige, ist die am Geiste schaffende Rasse. Wie sie nach Indien gezogen ist, bildete sie die innerliche, poetische, dichterische, geistige indische Kultur aus. Wenn sie jetzt nach dem Westen geht, wird sie eine Geistigkeit ausbilden, die nicht so sehr den innerlichen Menschen ergreift, aber die äußere Welt in ihrer Geistigkeit begreift.

 

Uitleg cultuurperiodes. Na Atlantis ging het blanke/arische ras naar India, om vanuit daar langzaam richting het westen de ene cultuur na de andere stichten (Ariër Mythe). Alle obstakels op die weg moesten verdwijnen, zo ook de Indianen in Amerika

Evt vergelijking Blavatsky Secret Doctrine:

‘(before the Sixth Root-Race dawns), the white (Aryan, Fifth Root-Race), the yellow, and the African negro – with their crossings (Atlanto-European divisions). Redskins, Eskimos, Papuans, Australians, Polynesians, etc., etc. – all are dying out. Those who realize that every Root-Race runs through a gamut of seven sub-races with seven branchlets, etc., will understand the “why.” The tide-wave of incarnating Egos has rolled past them to harvest experience in more developed and less senile stocks; and their extinction is hence a Karmic necessity’.

De ‘waarschuwing’ (juridisch dreigement, zie oa hier) uit het van Baarda-rapport:

‘Geen enkele cultuur of maatschappelijke stroming kan of mag uitsluitend worden beoordeeld aan de hand van bestaande of vermeende onvolkomenheden. De antroposofische beweging is daarop geen uitzondering. De lezer wordt er dan ook aan herinnerd dat elk eenzijdig of selectief gebruik van de in dit rapport genoemde gezichtspunten en bevindingen -inclusief de in dit rapport besproken citaten van Rudolf Steiner- met het doel daaraan conclusies te verbinden die voor de antroposofie in het algemeen gelden, misbruik betekent van dit rapport‘.

Enkele stills uit de uitzending:

 Hokjesman still 1 Hokjesman still 2 hokjesman still 3 hokjesman still 4 hokjesman still 5 hokjesman still 6 hokjesman still 7 hokjesman still 8 hokjesman still 9 hokjesman still 10 hokjesman still 11 hokjesman still 12 hokjesman still 13 hokjesman still 14 hokjesman still 15

hokjesman still 16

 

Floris Schreve

Commentaar Driegonaal ;) :

23 februari 2013

Ontdekkingen van De Hokjesman

Het is hier, op deze website, geheel buiten de orde maar het lijkt zo stil in het land van antroposofen sinds de uitzending van De Hokjesman.

Is iedereen blij dat ‘we’ er zó van af gekomen zijn? Had het veel erger kunnen zijn? De antroposofie in Nederland best mooi getroffen?

Helaas zullen we onkundig blijven van het materiaal dat De Hokjesman buiten zijn uiteindelijke uitzending liet. Maar het verslag van zijn expeditie door antroposofenland bevatte een paar leerrijke ontdekkingen:

1. Het is kennelijk onmogelijk in Nederland een mens te vinden die er rond voor uitkomt en die gewoon zegt: “Jawel, ik ben antroposoof”.
2. Voor zover antroposofen van de gelovige soort zijn leiden ze aan een onhebbelijke drang tot bekeren.
3. Voor zover antroposofen van de wetenschappelijke tak zijn, verstoppen ze zich onder een verstikkende deken van wetenschappelijke relativisme: laat 1000 hypotheses bloeien en pluk je eigen boeketje.

De vooruitgang van de antroposofie in Nederland is verleden tijd, dat is mijn conclusie.

Heel anders is het commentaar van Michel Gastkemper (oa bestuurslid van de AViN en  van de blog Antroposofie in de Pers). In de woorden van Michel kan ik me zeker vinden (
http://www.facebook.com/hokjesman/posts/397459230349802
):

Beste Hokjesman,

Je hebt via Twitter al laten weten dat ik, antroposoof zijnde, zeer te spreken ben over de aflevering over de antroposofen. Dat statement wil ik hier graag ook wel een keer expliciet maken. Vanochtend kwam op mijn weblog een reactie die nogal typerend is voor hoe er vanuit antroposofische hoek naar de uitzending wordt gekeken:

‘Ik had gehoopt dat de antroposofische beweging duidelijker en “hedendaagser” in de wereld zou staan. Het zal wel aan de makers van het programma liggen (?) maar waar was Weleda, het Bolkinstituut, de BD-vereniging, Warmonderhof, de Wervel en de tientallen andere antroposofische initiatieven? Door deze hokjesmankeuze leek het of ik een programma terug zag uit de jaren 80 van vorige eeuw. Niet in deze tijd staand. De “tijdsgeest” verloochenend. En ook jammer dat een aantal geïnterviewden ten stelligst ontkenden antroposoof te zijn… zo leek het alsof men dan “besmet” zou zijn.’

Ik heb hierop net de volgende reactie geschreven, en die wil ik hier graag ook weergeven:

‘De Hokjesman was op zoek naar antroposofen, niet naar antroposofische instellingen of organisaties. Laat staan de antroposofie zelf. Dat heeft hij expliciet buiten beeld gelaten. Anders was het helemaal niet te doen. Nu heeft hij een stuk of drie protagonisten uitgekozen, die niet verschillender van elkaar konden zijn. Er komen nog meer mensen in het programma voor, maar deze drie worden met voor- en achternaam genoemd: achtereenvolgens Erik van Ipenburg, Floris Schreve en Paul Mackay. Die worden volledig in hun waarde gelaten; de Hokjesman gaat uiterst respectvol met hen om en maakt geen van allen belachelijk. Maar laat wel zien hoe verschillend zij zijn en hoe verschillend zij met de antroposofie omgaan. En dat klopt helemaal, want antroposofie is uiteindelijk een zeer individuele aangelegenheid waarin ieder vrij is. De antroposofie is eigenlijk iets heel wonderlijks, want het staat ieder volledig vrij ter beschikking, waarbij iedereen zelf mag weten hoe hij of zij ermee omgaat. Dat vond ik in dit programma meesterlijk in beeld gebracht. En natuurlijk hadden er nog heel andere mensen aan het woord kunnen komen, met een andere instelling, want weer een wat andere indruk had kunnen geven. Maar ja, zo zijn mensen en zo is het leven. Je kunt niet alles in een hokje van drie kwartier stoppen. Het moet ook nog genietbaar en enigszins spannend blijven. Wat dat betreft heb ik voor de makers van het programma de grootste bewondering. Deze aflevering vertelt duidelijk een verhaal, van begin tot eind, met kop en staart. Misschien valt het pas echt op als je het terugziet. Het is eigenlijk heel kunstzinnig (om in antroposofisch jargon te blijven), waar spanning wordt opgeroepen door naast these antithese te stellen, deze verder te volgen en uiteindelijk notabene in het Goetheanum samen te brengen, om niet te zeggen tot een synthese te voeren. Dat wordt in feite ook expliciet zo gezegd op het einde. Kan het mooier? Ik vind het geniale televisie en eigenlijk zouden de makers er een prijs voor moeten krijgen; speciaal voor deze aflevering, want ik vermoed dat die wel de moeilijkst te maken is geweest van alle acht.’

tijdens de opnames

Antroposofie en racisme 6: ‘In het Land der Blinden is Eenoog koning’

Een uitgebreide reactie op Stephan Geuljans ‘Rudolf Steiner; individu versus ras’ (gepubliceerd in De Aardespiegel) en over de ontspoorde koers van een ooit respectabel antroposofisch tijdschrift

Eerste gedeelte. Het artikel is helaas nog niet helemaal af (ik schat ongeveer 2/3). Ik wilde dit materiaal toch publiceren, ivm de uitzending van de Hokjesman van 21/2. De rest volgt zeer spoedig, onderaan dit bericht

Zie ook Antroposofie en racisme deel 1, deel 2, deel 3, deel 4, deel 5 en deel 7

Hoewel het, op dit blog althans, een tijdje stil is geweest rond de kwestie ‘antroposofie en racisme’ zijn er voor mij diverse redenen om, na een pauze van zo’n drie jaar, toch de draad weer op te pakken.

De discussie heeft zeker niet stilgestaan, ook wat betreft mijn eigen betrokkenheid. Er zijn op diverse sites verschillende, soms intensieve debatten gevoerd waarin ik ook zelf participeerde. De belangrijkste was de discussie op de niet meer bestaande Volkskrantblog van de prominente Nederlandse antroposoof Hugo Vebrugh. De originele site bestaat niet meer, maar ik heb wel een kopie bewaard van deze discussie uit de zomer van 2010. Deze kopie, waar verder niets aan is toegevoegd, geredigeerd of weggelaten, is hier als gefixeerd worddocument te downloaden.

Verder hebben er nog wat zaken gespeeld op het LinkedIn forum Vrije School Alumni (zoals hier en hier) , en het eea op de blog van Michel Gastkemper. In het laatste geval  ging het vooral over het Belgische antroposofische tijdschrift de Brug en de website vrijgeestesleven.be, waarin vooral Gastkemper prijzenswaardig stelling nam tegen het regelrechte antisemitisme en het ontkennen van de Holocaust door de Belgische antroposofen Jos Verhulst en Francois de Wit (Lieven Debrouwere, ook verbonden aan de Brug, voerde het woord namens die partij). Zeer lezenswaardig, oa hier en  hier te raadplegen.

Ook op deze site is er wel wat gebeurd. Onder mijn eerste antroposofie-artikel startte een zekere Joost Alfrik (later bleek dat een pseudoniem te zijn van P.W.  een gepensioneerde leraar van de Vrije School uit Den Haag ) een discussie over de canon Flamme Empor, in mijn eigen schooltijd nog een onderdeel van het lied repertoire van de Vrije School, waarvan ik had beweerd dat dit een nogal besmet lied is geworden, omdat het werd gezongen bij boekverbrandingen in het Derde Rijk. ‘Joost Alfrik’ trachtte dat aan te vechten, maar bleek nogal onorthodoxe methodes te hanteren, waardoor ik me genoodzaakt voelde om de orde een beetje te handhaven, enz. De hele geschiedenis is na te lezen onder mijn eerste antroposofie artikel ‘Geloof in Kabouters’ Zie verder Gepensioneerd antroposofisch leraar ontpopt zich tot stalker op de site van Ramon de Jonghe, die overigens de meeste last van dit heerschap heeft gehad. Niet echt een reclame voor de vrije schoolbeweging , die meneer Alfrik.

Maar los van dit soort ruis is er op deze site veel minder op dit gebied  gebeurd, dan in de jaren daarvoor. Dus tijd om de draad weer op te pakken, nu er tenminste twee (eigenlijk drie)  aanleidingen zijn.

De eerste is een artikel van de Nederlandse antroposoof Stephan Geuljans, Rudolf Steiner- Individu versus ras, alweer anderhalf jaar geleden verschenen op de, wat mij betreft, vrij orthodoxe of in ieder geval rechtzinnige antroposofische website De Aardespiegel. Ik heb weleens eerder aandacht aan een andere bijdrage van Geuljans besteed (zie mijn tweede antroposofie-artikel, de Repliek aan Paul Heldens). Het artikel van Geuljans in de Aardespiegel is een hele kluif, maar vraagt om een degelijke behandeling, ook alweer anderhalf jaar na publicatie. Dus bij deze alsnog. Ik neem dan overigens ook zijn vervolgartikel mee, dat hij schreef naar aanleiding van een vraag van Ramon de Jonghe. Ook die bijdrage smeekt om een nadere bespreking.

Verder zal ik aandacht besteden, en dat is de tweede aanleiding,  aan  materiaal dat ik pas later in handen kreeg, al vermoedde ik alweer een tijd het bestaan. Het gaat hier om een aantal zeer ontspoorde bijdragen uit het antroposofische tijdschrift Driegonaal. Met ontspoord bedoel ik dus van hetzelfde kaliber als de op deze stek veelbesproken organen De Brug en vrijgeestesleven.be  (zie vooral in mijn vierde en Engelstalige bijdrage over deze kwestie).  Een klein zoektochtje in de Koninklijke Bibliotheek leverde heel wat op. Bovendien was het materiaal nog veel erger dan ik zelf had verwacht. Driegonaal blijkt zich in de loop der jaren te hebben ontwikkeld tot een platform voor oa de zeer omstreden Russische antroposoof Gennady Bondarew, die vanwege zijn ontkennen van de Holocaust zelfs door het hoofdbestuur in Dornach is geroyeerd en ook bij de Nederlandse Antroposofische Vereniging niet welkom is. Bij Driegonaal is men lyrisch over zijn werk. Ook de Vlaamse antroposoof, politiek activist en pleitbezorger voor allerlei Holocaustontkenners Jos Verhulst (mede oprichter van oa de radicaalrechtse weblog ‘The Brussels Journal’, die vooral buiten de antroposofie bekendheid geniet, oa omdat de aan Anders Breivik verwante Noorse blogger Fjordman er regelmatig publiceerde- kort na de aanslagen in Noorwegen was The Brussels Journal zelfs even wereldnieuws) mag in Driegonaal zijn twijfels uiten over het bestaan van de gaskamers, etc. Zo ernstig is het dus. Maar dat komt hierna allemaal uitgebreid aan de orde.

En dan de derde aanleiding om juist nu met dit stuk te komen. Binnenkort, op donderdag 21 februari as, zal er een aflevering worden uitgezonden van het VPRO programma De Hokjesman, van documentairemaker Michael Schaap, die gewijd is aan de antroposofie. Ikzelf heb daar ook een bijdrage aan geleverd. Voor die uitzending wilde ik in ieder geval klaar zijn met het materiaal dat ik nog had liggen. Dus hoog tijd om er nu werk van te maken.

In de komende verhandeling zullen de bovenstaande zaken, in onderlinge samenhang- want die is er zeker, uitgebreid besproken en/ of gefileerd worden. Het materiaal krijgt de behandeling die het verdient. Bij deze mijn zesde deel uit de serie ‘antroposofie en racisme’.

Stephan Geuljans en de kunst van het weglaten

Ongeveer jaar geleden  verscheen er in De Aardespiegel, een digitaal antroposofisch tijdschrift voor, naar eigen zeggen,  ‘Geesteswetenschappelijk Onderzoek’, een uitvoerige beschouwing van de Nederlandse antroposoof Stephan Geuljans (een van de meest uitgesproken vertegenwoordigers van de meer rechtzinnige/conservatieve richting, hij is op dit blog vaker ter sprake gekomen) een beschouwing met de titel ‘Rudolf Steiner-Individu versus ras’ (hier te raadplegen). Recent werd dit stuk opnieuw gepubliceerd, althans weer op de voorpagina van de website, nu gedateerd als van 16 december 2012 (al zijn de reacties daaronder dus van eerder). Opmerkelijk overigens. De dag daarvoor, op 15 december berichtte Michel Gastkemper, op zijn blog Antroposofie in de Pers, over de aanstaande uitzending van de Hokjesman en dat ik daarin iets zou gaan doen, zie hier (hij had de aankondiging en wat foto’s van de opnames op mijn facebookpagina gezien). Zou het opnieuw plaatsen van Geuljans artikel daar iets mee te maken kunnen hebben? ;)

Ik had al veel eerder onder Geuljans artikel een korte reactie geplaatst, waarin ik aankondigde dat ik nog uitgebreid wilde terugkomen op zijn verhandeling.  Belofte maakt schuld, dus dat wil ik bij deze alsnog doen. Het lijkt me interessant om Geuljans betoog  punt voor punt na te lopen.

Het stuk begint als volgt:

“Een 21-jarige student, de heer Leon Korteweg vraagt of het waar is dat Rudolf Steiner binnen de antroposofie een rassenleer heeft ontwikkeld. Stephan Geuljans gaat in op deze vraag en zal laten zien dat Steiner geen rassenleer maar het ethisch individualisme ontwikkelde: niet de erfelijkheid, de soort-gebondenheid, maar de individuele verantwoordelijkheid staat centraal in de ontwikkeling van de mens. Juist deze filosofie van de vrijheid vormde het sterkste tegenwicht om de destijds opkomende rassenidealen en de schaduwzijde van het darwinisme te bestrijden. Ook in onze tijd is niet politieke correctheid, maar ethisch individualisme het beste wapen tegen racisme en discriminatie”.

 Antroposofie het beste wapen tegen racisme en discriminatie? Het zal niemand verbazen dat ik daar een beetje mijn twijfels bij heb. Want hoe kan het dogmatisch navolgen van het gedachtegoed van een guru die zich gedurende vrijwel zijn hele loopbaan, in ieder geval van zijn toetreden tot de theosofische Vereniging in 1902, tot zijn overlijden in 1925, zich herhaaldelijk aan racisme heeft bezondigd? Geuljans kan dan wel proberen om alles te relateren aan Steiners begrippenapparaat uit ‘Filosofie der Vrijheid’ uit 1894, maar Steiner begaf zich pas daarna op het esoterische/occulte pad. De rassenleer van Rudolf Steiner is nu juist diep verankerd in zijn esoterische leringen. Steiner verwijst in zijn voordrachten over ‘rassen’ zelf niet eens naar Filosofie der Vrijheid, of de begrippen die hij in dat werk hanteerde. Wel heeft hij het over hele andere zaken, zoals Atlantis, of de na-Atlantische cultuurperiodes. Steiners rassenleer is vooral geworteld in zijn esoterische visie op de zg Aarde -Evolutie.

Steiner ontleende zijn opvattingen over ‘de Aarde-Evolutie’ en zijn daarmee samenhangende rassenleer aan Helena Blavatsky, de grondlegster van de theosofie. Nadat Steiner de Theosofische Vereniging had verlaten en de antroposofische beweging startte, heeft hij de ideeën van Blavatsky over evolutie en ras verder uitgewerkt en aangekleed met typerende antroposofische opsmuk, zoals blijkt uit zijn arbeidersvoordracht uit 1924 (GA 349, derde voordracht, online versie hier). Daarin verkoopt aan zijn toehoorders, de bouwvakkers van het tweede Goetheanum, de meest grove racistische denkbeelden, gegoten in typische antroposofische kaders. Voorbeeld, Rudolf Steiner over ‘der Neger’:

 “Überall nimmt er Licht und Wärme auf, überall. Das verarbeitet er in sich selber. Da muß etwas da sein, was ihm hilft bei diesem Verarbeiten. Nun, sehen Sie, das, was ihm da hilft beim verarbeiten, das ist namentlich sein Hinterhirn. Beim Neger ist daher das Hinterhirn besonders ausgebildet. Das geht durch das Rückenmark. Und das kann alles das, was da im Menschen drinnen ist an Licht und Wärme, verarbeiten. Daher ist beim neger namentlich alles das, was mit dem Körper und mit dem Stoffwechsel zusammenhängt, lebhaft ausgebildet. Es hat, wie man sagt, ein starkes Triebleben, Instinktleben. Der Neger hat also ein starkes Triebleben. Und weil er eigentlich das Sonnige, Licht und Wärme, da an der Körperoberfläche in seiner Haut hat, geht sein ganze Stoffwechsel so vor sich, wie wenn in seinem Innern von der Sonne selber gekocht würde. Daher kommt sein Triebleben. Im Neger wird da drinnen fortwährend richtig gekocht, und dasjenige, was dieses Feuer schürt, das ist das Hinterhirn. Manchmal wirft die Einrichtung des Menschen noch solche Nebenprodukte ab. Das kann man gerade beim Neger sehen. Der Neger hat nicht nur dieses kochen in seinem Organismus, sondern er hat auch noch ein furchtbar schlaues und aufmerksames Auge. Er guckt schlau und sehr aufmerksam”.

Of:

“Gehen wir jetzt vom Schwarzen zum Gelben herüber. Beim Gelben- das ist schon verwandt mit dem Roten- ist es so, daß das Licht etwas zurückgeworfen wird, viel aber aufgenommen wird. Also da ist es schon so, daß der Mensch mehr Licht zurückwirft als beim Schwarzen. Der Schwarze ist ein Egoist, der nimmt alle Licht und Wärme auf”.

Of:

“Der Neger ist viel mehr auf Rennen und auf die äußere Bewegung aus, die von den Trieben beherrscht ist. Der Asiate, der Gelbe, der entwickelt mehr ein innerliches Traumleben, daher die ganze asiatische Zivilisation dieses Träumerische hat. Also er ist nicht mehr so in sich bloß lebend, sondern er nimmt schon vom Weltenall etwas auf. Und daher kommt es, daß die Asiaten so wunderschöne Dichtungen über das ganze Weltenall haben. Der Neger hat das nicht. Der nimmt alles in seinen Stoffwechsel herein und eigentlich verdaut er nur das Weltenall”.

Ik heb deze voordracht integraal besproken aan het slot van mijn vijfde antroposofie-artikel, dus wie het allemaal wil lezen (de integrale tekst is in dat stuk verwerkt) kan ik daarnaar verwijzen. Maar dat antroposofie het beste wapen zou zijn tegen racisme of discriminatie zou ik toch willen betwijfelen, zie de volgende passage uit diezelfde voordracht:

“Und so ist es ganz wirklich interessant. Auf der einen Seite hat man die Schwarze Rasse, die am meisten irdisch ist. Wenn sie nach Westen geht, stirbt sie aus. Man hat die gelbe Rasse, die mitten zwischen Erde und Weltenall ist. Wenn sie nach Osten geht, wird sie braun, gliedert sich zu viel dem Weltenall an, stirbt aus. Die weiße Rasse ist die zukünftige, ist die am Geiste schaffende Rasse. Wie sie nach Indien gezogen ist, bildete sie die innerliche, poetische, dichterische, geistige indische Kultur aus. Wenn sie jetzt nach dem Westen geht, wird sie eine Geistigkeit ausbilden, die nicht so sehr den innerlichen Menschen ergreift, aber die äußere Welt in ihrer Geistigkeit begreift”.

Steiners gehele oeuvre is doortrokken van de notie dat het blanke Arische ras de Drager van de Beschaving is. Na de ondergang van Atlantis zou dit ras eerst de Oer-Indische Cultuur hebben gecreëerd, vervolgens de Oud-Perzische om langzaam naar het westen trekkend de ontwikkeling van de mensheid tot een hoger plan hebben gebracht. Andere rassen zijn gedeformeerde restproducten, waarvoor het soms dodelijk kan aflopen, zie de bovenstaande passage. Dit idee heeft Steiner op verschillende momenten in zijn lange loopbaan uitgedragen, zie zijn beschrijvingen van de menselijke mutaties door de ‘abnormale geesten van de vorm’, uit Die Mission einzelner Volksseelen (GA121, 1910, online versie hier). Ik zal de bewuste passage nog een keer terughalen:

“Da haben Sie zum Beispiel (siehe Figur) einen Punkt, der im Innern von Afrika liegt. An diesem Punkte wirken gleichsam von der Erde ausstrahlend alle diejenigen Kräfte, welche den Menschen namentlich während seiner ersten Kindheitszeit ergreifen können. Später wird der Einfluß solcher Kräfte auf den Menschen geringer; er ist dann diesen Kräften weniger ausgesetzt, aber sie prägen sich ihm mit dem, was aus ihnen kommt, doch in der stärksten Weise auf. So also wirkt jener Punkt auf der Erde, auf dem der Mensch lebt, am allerstärksten in der ersten Kindheitszeit und bestimmt dadurch diejenigen Menschen, die ganz abhängig sind von diesen Kräften, ihr ganzes Leben hindurch so, daß jener Punkt ihnen die ersten Kindheitsmerkmale bleibend aufprägt. Das ist ungefähr eine Charakteristik aller derjenigen Menschen – in bezug auf ihren Rassencharakter -, die sozusagen um diesen Erdenpunkt herum die bestimmenden Kräfte aus der Erde heraus erhalten. Das, was wir schwarze Rasse nennen, ist im wesentlichen durch diese Eigenschaften bedingt.

Wenn Sie nun weiter nach Asien hinübergehen, da haben Sie einen Punkt auf der Erdoberfläche, wo die späteren Jugendmerkmale dem Menschen aus den Erdenkräften heraus bleibend aufgedrückt werden, wo das, was die besonderen Eigenschaften des späteren Jugendzeitalters sind, aus der Erdenwesenheit heraus auf den Menschen übertragen wird und ihm den Rassencharakter gibt. Die hier in Betracht kommenden Rassen sind die gelben und bräunlichen Rassen unserer Zeit.

Wenn wir dann weiter von Osten nach Westen gehen, so finden wir einen Punkt, der von Asien her gegen Europa zu liegt und der die spätesten Merkmale, diejenigen Merkmale, welche gerade in dem späteren, auf die erste Jugendzeit folgenden Lebensalter dem Menschen zukommen, dem Menschen bleibend aufdrückt, den Punkt, wo der Mensch nicht schon in der Kindheit von den Erdenkräften ergriffen wird, sondern dann, wenn die Jugend in das spätere Lebensalter übergeht.

In dieser Art wird der Mensch von den Kräften ergriffen, die von der Erde aus bestimmend für ihn sind, so daß wir, wenn wir diese einzelnen Punkte ins Auge fassen, eine merkwürdig verlaufende Linie erhalten. Diese Linie besteht auch für unsere Zeit. Der afrikanische Punkt entspricht denjenigen Kräften der Erde, welche dem Menschen die ersten Kindheitsmerkmale aufdrücken, der asiatische Punkt denjenigen, welche dem Menschen die Jugendmerkmale geben, und die reifsten Merkmale drückt dem Menschen der entsprechende Punkt im europäischen Gebiete auf. Das ist einfach eine Gesetzmäßigkeit. Da alle Menschen in verschiedenen Reinkarnationen durch die verschiedenen Rassen durchgehen, so besteht, obgleich man uns entgegenhalten kann, daß der Europäer gegen die schwarze und die gelbe Rasse einen Vorsprung hat, doch keine eigentliche Benachteiligung. Hier ist die Wahrheit zwar manchmal verschleiert, aber Sie sehen, man kommt mit Hilfe der Geheimwissenschaft doch auf merkwürdige Erkenntnisse.

Wenn wir dann diese Linie weiterziehen, so kommen wir weiter nach Westen nach den amerikanischen Gebieten hinüber, in jene Gebiete, wo diejenigen Kräfte wirksam sind, die jenseits des mittleren Lebensdrittels liegen. Und da kommen wir – ich bitte das nicht mißzuverstehen, was eben gesagt wird; es bezieht sich nur auf den Menschen, insofern er von den physisch-organisatorischen Kräften abhängig ist, von den Kräften, die nicht sein Wesen als Menschen ausmachen, sondern in denen er lebt -, da kommen wir zu den Kräften, die sehr viel zu tun haben mit dem Absterben des Menschen, mit demjenigen im Menschen, was dem letzten Lebensdrittel angehört. Diese gesetzmäßig verlaufende Linie gibt es durchaus; sie ist eine Wahrheit, eine reale Kurve, und drückt die Gesetzmäßigkeit im Wirken unserer Erde auf den Menschen aus. Diesen Gang nehmen die Kräfte, die auf den Menschen rassebestimmend wirken. Nicht etwa deshalb, weil es den Europäern gefallen hat, ist die indianische Bevölkerung ausgestorben, sondern weil die indianische Bevölkerung die Kräfte erwerben mußte, die sie zum Aussterben führten”.

In het zwarte ras worden de kenmerken van het kind geaccentueerd, in het Aziatische die van een puber. Het blanke ras is ‘gewoon volwassen’ en heeft ten opzichte van andere rassen ‘eigenlijk alleen maar voordelen en geen enkel nadeel’, in Steiners woorden: “…der Europäer gegen die schwarze und die gelbe Rasse einen Vorsprung hat, doch keine eigentliche Benachteiligung”. De Indianen, het mensenras waarvoor Steiner in regel het meest vriendelijk is, vertegenwoordigen de ouderdomsfase en” Nicht etwa deshalb, weil es den Europäern gefallen hat, ist die indianische Bevölkerung ausgestorben, sondern weil die indianische Bevölkerung die Kräfte erwerben mußte, die sie zum Aussterben führten”.

Juist! En laat dit niet de enige keer zijn geweest dat Steiner zich zo over de oorspronkelijke bevolking van Amerika uitliet. Ik zal verderop nog een paar interessante schema’s laten zien van hoe Steiner tegen de evolutie aankeek, waarin de indianen worden afgeschilderd als een ‘decadente aftakking’ van de mensheidsontwikkeling, maar ook in de arbeidersvoordracht van Steiner is het toch vooral van:

“Daher sterben sie als Indianer im Westen aus, sind wiederum eine untergehende Rasse, sterben an ihrer eigenen Natur, die zu wenig Licht und Wärme bekommt, sterben aus dem Irdischen. Das Irdische ihrer Natur ist ja ihr Triebleben. Das können sie nicht mehr ordentlich ausbilden, während sie noch starke Knochen kriegen. Weil viel Asche hineingeht in ihre Knochen, können diese Indianer diese Asche nicht mehr aushalten. Die Knochen werden furchtbar stark, aber so stark, daß der ganze Menschen an seinen Knochen zugrunde geht”.

En, nu ik toch bezig ben, voordat het inmiddels platgetreden argument in stelling wordt gebracht dat Steiners beschrijvingen van ‘de verschillen tussen rassen’ gaan over de situatie in een ver verleden, zoals oa Dieter Brüll beweerde in zijn artikel De Nieuwe Reactionairen (Driegonaal, 1986, nr. 1, hier te raadplegen), of dat de rasverschillen in de huidige tijd (Steiners tijd dus) geen rol van betekenis meer spelen, hier nog een passage uit de zesde voordracht van Die Mission einzelner Volksseelen (hier te raadplegen, bijna tegen het eind):

“Sehen Sie sich doch die Bilder (foto’s!!, dus op z’n vroegst tweede helft negentiende eeuw, FS) der alten Indianer an, und Sie werden gleichsam mit Händen greifen können den geschilderten Vorgang, in dem Niedergang dieser Rasse. In einer solchen Rasse ist alles dasjenige gegenwärtig geworden, auf eine besondere Art gegenwärtig geworden, was in der Saturnentwickelung vorhanden war; dann aber hat es sich in sich selber zurückgezogen und hat den Menschen mit seinem harten Knochensystem allein gelassen, hat ihn zum Absterben gebracht. Man fühlt etwas von dieser wirklich okkulten Wirksamkeit, wenn man noch im neunzehnten Jahrhundert (19e eeuw! FS) sieht, wie ein Vertreter dieser alten Indianer davon spricht, daß in ihm lebt, was vorher für die Menschen groß und gewaltig war, das aber die Weiterentwickelung unmöglich mitmachen konnte. Es existiert die Schilderung einer schönen Szene, bei welcher ein Führer der untergehenden Indianer einem europäischen Eindringling gegenübersteht (In ieder geval na Columbus, FS). Denken Sie sich, was da Herz gegen Herz fühlt, indem sich zwei solche Menschen gegenüberstehen: Menschen, die von Europa herüberkamen, und Menschen, die in frühester Zeit, als die Rassen verteilt wurden, nach Westen hinübergegangen sind. Da haben die Indianer nach Westen hinübergenommen alles, was groß war in der atlantischen Kultur. Was war für den Indianer das Größte? Es war, daß er noch ahnen konnte etwas von der alten Größe und Herrlichkeit eines Zeitalters, das in der alten atlantischen Zeit vorhanden war, wo noch wenig um sich gegriffen hatte die Rassenspaltung, wo die Menschen hinaufschauen konnten nach der Sonne und wahrzunehmen vermochten die durch das Nebelmeer eindringenden Geister der Form. Durch ein Nebelmeer blickte der Atlantier hinauf zu dem, was sich für ihn nicht spaltete in eine Sechs- oder Siebenheit, sondern zusammenwirkte. Das, was zusammenwirkte von den sieben Geistern der Form, das nannte der Atlantier den Großen Geist, der in der alten Atlantis dem Menschen sich offenbarte. Dadurch hat er nicht mit aufgenommen das, was die Venus-, Merkur-, Mars- und Jupiter-Geister bewirkt haben im Osten. Durch dieses haben sich gebildet alle die Kulturen, die in Europa in der Mitte des neunzehnten Jahrhunderts (alweer negentiende eeuw! FS) zur Blüte gebracht wurden. Das alles hat er, der Sohn der braunen Rasse, nicht mitgemacht. Er hat festgehalten an dem Großen Geist der urfernen Vergangenheit”.

Het gaat hier dus over de negentiende eeuw en niet over de situatie van vóór de Christelijke jaartelling, zoals Brüll beweert. Overigens vonden bepaalde hedendaagse antroposofen ook dat Wounded Knee viel te duiden aan de hand van Steiners ideeën (Maarten Ploeger en Christoph Wiechert). Laat ik het precies uitleggen. Steiner sprak deze woorden uit op 12 juni 1910. Wounded Knee vond plaats op 29 december 1890. Dat was dus precies negentien jaar, vijf maanden en veertien dagen daarvoor. Dan is het snel gegaan met die opheffing van de verschillen tussen de rassen. En jammer dat dit net te laat was voor de indianen, althans dat dit dan net in de korte tijd na Wounded Knee (periode december 1890-juni 1910) gebeurd is. Hoe je het ook bekijkt, de antroposofie is niet de meest vriendelijke levensbeschouwing voor de oorspronkelijke bewoners van het Amerikaanse continent, al zijn het slag antroposofie-sympathisanten dat zich beperkt tot BD voedsel, houten speelgoed en de vrije school van de kinderen helpen aankleden met herfsttafels, broodkippen bakken voor Palmpasen en lampionnen maken voor het Sint Maartensfeest zich hier totaal niet bewust van. Die zijn in regel dol op de al dan niet ingebeelde natuurwijsheden van de indianen en hebben meestal geen flauw benul van het feit dat Steiner het wel welletjes vond voor dit ‘decadent geworden ras’.

Tot zover deze remindertjes en wellicht is iedereen weer bij. En voor alle duidelijkheid, hierboven zijn linkjes geplaatst naar de teksten van de complete voordrachten. Dus, wellicht geheel ten overvloede maar voor degene die het niet vertrouwt, of mij ervan verdenkt manipulatief bezig te zijn (je weet maar nooit ;) mochten sommigen, zoals Stephan Geuljans, het over die boeg willen gooien), alles is te checken. Dus aarzel vooral niet om de complete teksten langs te lopen. Voor wie liever een Nederlandse vertaling leest, hier is de Vrij Geestesleven-vertaling te raadplegen van de vierde en de zesde voordracht van Die Mission einzelner Volksselen (‘De Volkszielen’) door W. Jonkers-Driessen, uitgave Vrij Geestesleven, Zeist, 1983.  

Blijft de vraag waarom Stephan Geuljans het gedachtegoed van Steiner ziet als ‘het beste wapen tegen racisme en discriminatie’. Want over deze voordrachten en andere evident racistische werken van Steiner geen woord. Geuljans probeert van alles, maar hier durft hij zijn vingers kennelijk niet aan te branden. Terwijl, als je het hebt over Steiners opvattingen over ‘rassen’, dan bespreek je toch juist de teksten van Steiner die over dat specifieke onderwerp gaan? Tenminste dat lijkt mij het meest logisch. Tenzij het je opzet is om een rookgordijn op te werpen en bepaalde zaken uit het zicht wil houden. Het zou zomaar kunnen dat dit inderdaad de bedoeling van Stephan Geuljans is. Want je maakt mij niet wijs dat Geuljans die teksten niet kent. Ik denk alleen dat hij die niet zijn vrome lezertjes wil voorschotelen. Of het is een vorm van bezwering. Als je doet alsof ze er niet zijn, hoef je jezelf geen pijnlijke vragen meer te stellen, of zien vervelende buitenstaanders hopelijk die teksten dan ook niet meer en houdt het gezeur vanzelf op. Blikvernauwing en zelfbedrog als overlevingsstrategie in de ‘Geesteswetenschap’. In het land der blinden is eenoog koning, dat gaat bijzonder vaak op voor de volgelingen van ‘Herr Doktor’.

Zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten

“Niet door het zoeken naar begripsmatige verbanden, maar door het associatief aan elkaar plakken van citaten, construeren deze aanklagers in het werk van Steiner een rassenleer die er helemaal niet in ligt. Je kan je afvragen in hoeverre hierbij sprake is van geschiedvervalsing”.

Zo vat Stephan Geuljans ‘de methode’ samen die ‘alle critici’, of wie verder ook Rudolf Steiner iets van racisme verwijt, zouden hanteren. Op zich is het wel ironisch om het verwijt ‘het associatief aan elkaar plakken’ van een antroposoof te krijgen. Zwarten associëren met kinderen, Aziaten met pubers en indianen met bejaarden… Hé, er blijft er nog eentje over, blanken dus maar met volwassenen, komt dat even leuk uit! Dat heeft natuurlijk niets te maken met associatief aan elkaar plakken, maar alles met authentieke en pure ‘geesteswetenschap’. Want de eigen grootmeester heeft zich nooit ofte nimmer bezondigd aan associatief plakwerk (dat valt trouwens nog op meer manieren uit te leggen, als we ook de plagiaatskwestie erbij betrekken, zie het centrale punt van Helmut Zander).

Geuljans stelt dus dat de rassenleer ‘een constructie is van aanklagers, die (er) helemaal niet in (het werk van Steiner) ligt’.  Zo langzamerhand (zie al mijn vorige bijdragen, waarvan de bronnen meestal direct te controleren zijn) wel een hele boude stelling. En hij suggereert ook nog dat wie het daar niet mee eens is zich schuldig maakt aan ‘geschiedvervalsing’. Dan vrees ik dat hij ook van mijn activiteiten vindt. Ben benieuwd, dus meer dan een goede reden om eens te gaan kijken waarmee Geuljans komt aanzetten. Dat moet dan wel een heel erg goed en doortimmerd verhaal zijn.

Het eerste wat opvalt is dat Geuljans zo’n beetje alles, wat met de antroposofische en theosofische ideeën  te maken heeft. weglaat (althans, hij probeert het, want het bloed kruipt waar het niet gaan kan en ook Geuljans ontkomt niet aan antroposofische zweverigheden). Dat is geen onwetendheid, want Geuljans is met recht een door de wol geverfde antroposoof, die tot over zijn oren in Steiners esoterische leringen zit. Kortom Geuljans weet zelf heel goed wat hij weglaat uit zijn betoog. Maar hij weet ook dat dit niet aan iedereen even goed verkoopt, dus daarom probeert hij het over een andere boeg te gooien. Hij probeert Steiner vooral af te schilderen als filosoof en niet als esotericus. De rassenleer wordt veilig buiten beeld gehouden. We kunnen rustig stellen dat Geuljans niet helemaal eerlijk is. Zie ook de bovenstaande passages, waarvan Geuljans doet alsof ze niet bestaan.

De omstreden teksten van Steiner worden dus door Geuljans omzeild; hij durft er duidelijk niet zijn vingers aan te branden. Maar waar heeft Geuljans het dan wel over? Zo schrijft hij:

“Met name in Duitsland ligt het gevoelig te spreken over een “Volksgeist” en alleen al het woord roept associaties op met de ideologie van het nationaal-socialisme in de Tweede Wereldoorlog. Critici voeren graag citaten aan waar Rudolf Steiner spreekt over een “Volksgeist” slepen het nationaal-socialisme erbij en insinueren dat er een relatie is. De vraag is nu: wat laten zij weg? Welke informatie onthouden zij de lezer?
Rudolf Steiner staat met de antroposofie in de traditie van het Christendom. Hij stelt – eenvoudig weergegeven – dat ieder afzonderlijk mens begeleid wordt door een Engel, ieder volk door een Aartsengel of volksgeest en de mensheid als geheel door Christus. In de verbinding van een Aartsengel met een volk of hele beschaving ligt een cultuur-opgave besloten. Voor de Oude Griekse cultuur lag deze in het ontwikkelen van de filosofie, de logica en het denken zoals we dat aantreffen bij Socrates, Plato en Aristoteles. Voor de Romeinen bestond de opgave in het ontwikkelen van het recht waarin ruimte werd geschapen voor een individu, de civitas Romana, waarbij een burger een zelfstandige rechtspositie verwerft tegenover de almachtige staat. In de Duitse cultuur emancipeert het individu zich nog meer tot een individu dat zich vrij maakt door zelf verantwoording te nemen voor zijn leven.
De cultuur-opgave die uitgaat van de “Volksgeist” in Duitsland was en is gelegen in het ontwikkelen van het “Ik”, de vrije individualiteit in de filosofie, de kunst en de wetenschap zoals we dat zien in het Duitse Idealisme. Filosofen en dichters als Goethe, Fichte, Schelling en Hegel staan in deze traditie. De tegenstanders van Steiner laten deze essentiële informatie, Steiner’s opvattingen over de emancipatie van het individu als cultuur-opgave, onvermeld. Het effect is duidelijk; de ware betekenis keert volledig om en nu lijkt het of hij een soort nazi-ideologie er op nahield. De filosofische context, het Duitse Idealisme waarin het individu en het vrije denken centraal staan, wordt expres weggelaten en vervangen door een erbij verzonnen rassenleer. Een lezer zou zich gewoon eerlijk moeten afvragen: staat een cultuur-opgave die de emancipatie van het individu nastreeft, het ontwikkelen van de vrijheid vanuit de geest, in de traditie van het nationalisme of het Duitse Idealisme? Wie ook maar de geringste notie heeft van de geschiedenis van Duitsland, weet dat dat de nationaal-socialisten geprobeerd hebben het Duitsland van Goethe en Schiller te vernietigen*.”

Dan volgt er nog een klein voetnootje (*). Achter die noot zegt hij overigens hele pikante dingen, maar daar kom ik zo nog op terug. Eerst het bovenstaande verhaal.

Wat Geuljans hierboven beschrijft is inderdaad ook in het werk van Steiner te vinden. Sterker nog, huist dit aspect, ‘cultuuropgave’, ‘volksgeesten’ (maar ook ‘rasgeesten’, de zg. gevallen geesten van de beweging’, de Dynameis, of de ‘abnormale geesten van de vorm’, waarom gaat Geuljans trouwens daar niet op in?), maken deel uit van Steiners gedachtegoed en bepalen in een belangrijke mate Steiners visie op de geschiedenis en zelfs op de evolutie. De relatie tussen het gebruik van het begrip ‘Volksgeest’ door Rudolf Steiner en soortgelijke begrippen door de Nazi’s is er overigens zeker, zij het dat die zeer indirect is. Beiden hebben meer dan eens uit dezelfde troebele bron gevist, zij het dat de antroposofie er een andere invulling aan geeft dan bijv. het nationaalsocialisme. Bij de antroposofie zijn dit soort zaken (dus ook de rassenleer) altijd maar een onderdeel van de totaalomvattende visie op de evolutie van mens en aarde.

De ‘Engelenleer’ van Steiner is overigens maar zeer beperkt een Christelijke traditie. Steiner gebruikte weliswaar begrippen, of namen die hij aan ‘Engelensoorten’ gaf- die zijn ontleend aan de vroeg-middeleeuwse mysticus Dionysios de Areopagiet, alleen -en dat is bij Steiner vaker het geval (het Atlantis waar Steiner het over heeft is ook iets heel anders dan het Atlantis van Plato)- de manier waarop Steiner deze begrippen inzette is vooral heel erg negentiende-eeuws. In de middeleeuwen had niemand het over ‘rasgeesten’, of ‘volksgeesten’; dat zijn allemaal negentiende-eeuwse ideeën.  Wat wel weer klopt is dat de obsessie met ‘volksgeesten’, of de notie van ‘een volk als een organische eenheid’ op een bepaalde manier wel in de Duitse filosofische traditie staat. Dat is ook niet zo vreemd; in het versnipperde Duitsland werd er veel nagedacht over hoe de natie weer tot een eenheid te maken. Het denken over volkeren als organische eenheid is inderdaad heel typisch voor het vroege Duitse nationalisme (ik zeg dus niet nationaal socialisme, al heeft het latere nationaal socialisme wel degelijk uit dezelfde bron gevist). Zie bijvoorbeeld de romantische filosoof Johann Gottfried von Herder, die het begrip ‘Volksgeist’ lanceerde. Steiner  gebruikte allerlei negentiende-eeuwse ideeën, ook over mensenrassen (al waren die, ook begin 20e eeuw achterhaald), die hij eclectisch vermengde met allerlei esoterische en vroeg-Christelijke begrippen.  Daarom is de antroposofie ook zo’n typische ‘neo-beweging’ van het Fin du Siècle. Precies eigenlijk zoals Helmut Zander het in zijn omvangrijke standaardwerk Anthroposophie in Deutschland;  Theosophischen Weltanschauung und Gesellschaftlichen Praxis 1884-1945 (Vandenhoeck & Ruprecht, Göttingen, 2008) beschrijft, al hebben orthodoxe antroposofen,  zoals Stephan Geuljans, daar enigszins moeite mee.

Overigens ben ik het zeker niet met Geuljans eens dat Steiner in de  traditie van Hegel, Fichte of Schelling staat. Hooguit aan het begin van zijn carrière, de periode dat hij de eerste versie van Filosofie der Vrijheid schreef. Daarna verliet Steiner de filosofie en begaf hij zich op het terrein van de esoterie. De herkomst van zijn opvattingen over de evolutie en de rol die ‘mensenrassen’ in dit verhaal innemen zijn grotendeels te herleiden tot de occulte ‘openbaringen’ van Helena Blavatsky, al wist Steiner, een eclecticus pur sang, ze altijd te ‘samplen’ met verschillende andere elementen, zoals de Duitse filosofie van de decennia daarvoor. Maar mijn probleem met Geuljans uiteenzetting begint al met dat de Rudolf Steiner die een rassenleer ontwikkelde,  wat mij betreft geen wetenschapper, of een filosoof (meer) was. De Steiner van de theosofie en de antroposofie had de wetenschap en de filosofie vaarwel gezegd en was esotericus geworden, een occultist, die zijn eigen versie van de theosofie zou ontwikkelen, de meest invloedrijke ‘neo-religieuze bewegingen’ van de tijd (misschien wel de New Age van het Fin du Siècle). Wel maakte Steiner veel gebruik van allerlei wetenschappelijke theorieën van dat moment, zoals bijvoorbeeld de evolutie-leer, die toen net in opkomst was. De inmiddels als achterhaald beschouwde recapitulatie-theorie van Ernst Haeckel, tegenwoordig door de wetenschap terzijde geschoven ten gunste van Darwin, heeft Steiner wel degelijk diepgaand beïnvloed, zoals ook uit Steiners eigen teksten blijkt. Dat komt nog ter sprake bij de ‘indianentekeningen’ (evolutiemodellen), die Geuljans in zijn tweede artikel (het antwoord aan Ramon de Jonghe) bespreekt.

Maar alleen al het idee van ‘cultuuropgaven’ waar Geuljans mee komt aanzetten. Dat is al niet wetenschappelijk. Want wat is dat eigenlijk? Een cultuur zou ontstaan, omdat die een bepaalde functie heeft te vervullen in een groot evolutionair of universeel plan? En als dat taakje erop zit, wat dan? Dan moet zo’n cultuur onmiddellijk ontbonden worden? Dat zit inderdaad sterk in de antroposofie van Rudolf Steiner. Sterker nog, dat geldt, wat Steiner betreft, ook voor mensenrassen, zie de bovenstaande passages over de Indianen uit Die Mission Einzelner Volksseelen (GA 121). “Mission erfüllt, Verfall Programmiert, lautet die anthroposophische Grundregel”, schrijft de door Geuljans zo gehekelde Peter Bierl (in Wurzelrassen, Erzengel und Volksgeister; die Anthroposophie Rudolf Steiners und die Waldorfpädagogik, Konkret Literatur Verlag, Hamburg, 2005, p. 132) .  Alsof het om een soort historische wetmatigheid gaat.

Wat Geuljans beschrijft is overigens ook een hele typische negentiende-eeuwse manier van denken, of van net iets daarvoor. Johann Joachim Winckelmann (1717-1768), de historicus en archeoloog die vaak wordt gezien als de grondlegger van mijn eigen vak (kunstgeschiedenis) hanteerde inderdaad een theorie van ‘opkomst’, ‘bloei’ en ‘verval’. Dat was voor hem bijna een soort universele wetmatigheid. Alleen gebruikt niemand binnen de huidige serieuze wetenschap nog dit soort achterhaalde noties. Dit concept vind je wel terug in de antroposofie van Rudolf Steiner, door zijn aanhangers  versteend en aanbeden. Maar het laat ook zien hoe gedateerd veel van Rudolf Steiners ideeën zijn.

Ik vind overigens niet dat Steiner er een soort Nazi-ideologie op nahield. Maar Geuljans pathetische uithaal over een ‘door critici verzonnen rassenleer’ maakt het verhaal er niet geloofwaardiger op. Temeer Geuljans zich iets  later beroept op Jos Verhulst. Als er nu een iemand is die zijn uiterste best doet om een vorm van nationaal socialisme de antroposofie binnen te loodsen is het Verhulst wel. En Geuljans die daar zogenaamd niets van zou weten? In het beste geval heb je dan een plaat van gewapend beton voor je hoofd, of, mocht Geuljans wel op de hoogte zijn (en ik kan me nauwelijks voorstellen dat dit niet zo is) dan ben je bezig de boel te belazeren en is dat artikel van hem niets meer dan  een staaltje propaganda. Als hij over een door critici verzonnen rassenleer begint, heeft het een beetje de schijn van het laatste. Over Jos Verhulst en het verschijnsel ‘neonazisme in de antroposofie’ kom ik nog te spreken.

Dan nu dat voetnootje van Geuljans. Onderaan het artikel staat in het bijschrift het volgende:

“ Aangetoond is dat veel ‘professionele’ critici zoals Helmut Zander en Peter Bierl, deze informatie bewust achterhouden en citaten vervalsen. Lorenzo Ravagli wijst er bijvoorbeeld op dat volgens Zander de SA-Obergutachter Alfred Baeumler als nationaal-socialist de antroposofie omarmde. Als je de historische documenten waar zij zich op beroepen controleert, blijkt juist omgekeerd dat deze nazi de antroposofie afwijst, omdat hij vindt dat de menskunde van Rudolf Steiner onverenigbaar is met het nationaal-socialisme. De Antroposofische Vereniging werd dan ook in 1935 verboden door de nazi’s. Toen de heer Zander door Ravagli op deze geschiedvervalsing werd gewezen, zei Zander dat hij zich had vergist”.

Informatie achterhouden? Citaten vervalsen? Zo’n beschuldiging moet je dan wel goed onderbouwen lijkt me. En als Geuljans zo zeker is, waarom begint hij dan niet, samen met de heren Bader en Ravagli, een klachtenprocedure bij de gerenommeerde Humboldt Universität te Berlijn (waar Helmut Zander hoogleraar is)? Alleen wat is de bron van Geuljans? Hoe sterk is zijn eigen onderbouwing? Ik geef hier een gedeelte weer van de discussie onderaan het artikel, tussen Ramon de Jonghe (geen onbekende op dit blog en in de verschillende antroposofie discussies) en Stephan Geuljans (
http://www.aardespiegel.nl/artikelen/rudolf-steiner-individu-versus-ras/
):

Ramon DJV op 5 april 2012 om 11:52 schreef:

Ik lees in de richtlijnen voor reacties dat de Aardespiegel niet censureert? (‘Censuur wordt niet toegepast’) Hoe komt het dan dat mijn vraag naar de onderbouwing van enkele van Geuljans beweringen hier niet verschijnt? Ik probeer het dus nog een keer.

Geuljans zegt dat ‘aangetoond is dat veel ‘professionele’ critici zoals Helmut Zander en Peter Bierl, deze informatie bewust achterhouden en citaten vervalsen’.

Ik zou wel eens willen weten waar en hoe is aangetoond dat Zander en Bierl citaten vervalsen.

Geuljans beweert ook dat Zander zou gezegd hebben ‘dat hij zich heeft vergist toen Ravagli hem op geschiedvervalsing wees’. Bedoelde Zander dat Ravagli zich had vergist of had hij het over zichzelf? Dat is niet duidelijk. En ook wat dit betreft zou bronvermelding niet misstaan.

 

  • Beste Ramon, excuses voor de late reactie. Wegens een gebrek aan tijd wil ik hier alleen ingaan op de dingen die direct met het artikel te maken hebben.

    Helmut Zander is selectief in het aanhalen van de nazi SA-Obergutachter Baeumler. Baeumler zegt dat er overeenstemming is tussen nationaal-socialisme omdat volgens Steiner een ras “eine Naturwirklichkeit” ist. Baeumler heeft echter ook een conclusie die Helmut Zander weglaat. Baeumler zegt ook: “Zou men proberen het begrip ras op onze manier [lees: nazi manier] een biologisch gefundeerde betekenis te geven, dan zou men de menskunde van Steiner stuk schieten (“zersprengen”). Want het nationaal-socialisme gaat weliswaar uit van de werkelijkheid van het bloed, maar tegelijk ook van het onderscheid die tussen mensengroepen bestaan. … Vanuit de menskunde van Steiner vinden we geen ingang tot het erkennen van het de idee dat het historische denken door de rasmatige werkelijkheid bepaald wordt. De plaats die wij reserveren voor de mens zoals die zich historisch gezien vanuit het ras ontwikkelt, wordt bij Steiner ingenomen door een boven alle geschiedenis verheven geestmens.”
    Tot zover de nazi Baeumler.
    UIt: ‘Rassenideale sind die Niedergang der Menschheit – Anthroposophie und der Rassismus-vorwurf” door Hans-Jürgen Bader en Lorenzo Ravagli, noot 18 bladzij 18. Daar verwijzen Bader en Ravagli ook naar zijn correspondentie met Zander en waar Zander toegeeft dat hij zich ter zake het oordeel van Baeumler vergist heeft. Ook Peter Bierl gebruikt deze methode van het selectief citeren. De correspondentie tussen Zander en Ravagli kan u altijd opvragen bij Bader en Ravagli.

    Terzijde iets over de onwetenschappelijke methode om antroposofie te willen beoordelen door wat een nazi zegt of wat “men zegt”. Er zijn in de geschiedenis vooraanstaaande bisschoppen te vinden die geloven “dat de joden de holocaust op zich hebben afgeroepen, omdat zij Christus hebben vermoord”. Zegt die bewering iets zinnigs over het Christendom, of over het gebrek aan verstand van die bisschop?

    Ik wil hiermee zeggen ik mijn opvatting over Steiner niet laat afhangen van het oordeel van een of ander onbenul of een of andere nazi die Zander en Bierl aanhalen. Of van zogeheten antiracisten die letterlijk nazi-achtige methodes gebruiken, zoals in 2001 o.a. door Harald Biskup en de gebroeders Grandt. Zo werd Steiner in WO I door mensen belasterd die in de tijd van het nationaal-socialisme lid werden van de SS. Steiner werd toen door deze nazi’s neergezet als “der Sexualmagie verfallene Juden” en Biskup en Grandt nemen dat anno 2001 over. Ik vind het bijzonder ernstig als dit soort ‘kritiek’ (lees: smaad en laster) klakkeloos wordt overgenomen en verder verspreid. Ik wil er echter ook niet te veel tijd aan besteden.

    Met vriendelijke groeten,

    Stephan Geuljans

     

    • Bedankt voor de verduidelijking, Stephan.

      Niet gepubliceerde correspondentie tussen Zander en Ravagli als bron aanhalen vind ik een zwak punt in je betoog. Het zou handiger zijn geweest als die informatie beschikbaar was. Nu vind ik het een niet onderbouwde stelling.

      Ik heb nog een vraag i.v.m. volgende stelling van je:

      (…) Nu wordt het interessant omdat volgens Rudolf Steiner een ras altijd tot de afdalende evolutie of degeneratie behoort. Volgens hem hebben rassen hun oorsprong in de prehistorie en is hun ontstaan afgesloten aan het einde van de laatste ijstijd (10.000 v.Chr.). Hij noemt dat in aansluiting met Plato de Atlantische periode vanaf welke tijd het geen zin meer heeft over rassen als ontwikkelingsprincipe te praten.(…)

      Nu is er natuurlijk die bekende schets uit GA 100, waarin met een opklimmende lijn de ontwikkeling van de mensheid wordt getoond met bovenaan de Europeaan, onderaan de ‘Atlantiër’ en als decadente vertakking het apengeslacht en de indiaan.

      Wanneer nu alle rassen hun ontstaan is afgesloten aan het einde van de Atlantische periode en ze in een afdalende evolutie zouden zitten, waarom zijn dan de indianen na die Atlantische periode een decadente vertakking? Als toch alle rassen degeneren? Of bedoelt Steiner dat weliswaar alle rassen degenereren, maar sommige rassen veel sneller dan andere?

      Mvg.
      Ramon

       

    • Beste Ramon,

      U vroeg mij een bron. Die heb ik u gegeven door zelfs concreet het oordeel van de nazi Baeumler te geven, het oordeel dat Helmut Zander en Peter Bierl bewust hebben weglaten. Laten we elkaar niet voor de gek houden want we weten heel goed dat deze heren niet integer zijn. Uit bron-onderzoek blijkt dat Helmut Zander en Peter Bierl regelmatig geschiedvervalsing plegen. Het is onder historici een doodzonde als men op de manier van Zander en Bierl te werk gaat. Het zou u sieren als u toegeeft dat u, bewust of onbewust, bent mee gegaan in de geschiedvervalsing van deze heren.

      In plaats daarvan verwijt u mij dat ik de correspondentie tussen Bader/Ravagli en Zander niet aan u overleg. Dat is hier niet op zijn plaats en ik zou bijna zeggen, je moet maar durven!

      Het is beter als u zich niet verschuilt achter het feit dat ik geen zin heb om uw huiswerk te maken. Als ik bewijs dat Zander en zijn volgelingen liegen is het aan u om grondig de archieven over WO II na te lezen. Vervolgens kan u zich tot de heren Zander en Bierl richten en hen vragen waarom zij zo te werk gaan. U mag ons eventueel uitleggen waarom u dat nog niet gedaan heeft.

      Ik herhaal dat ik alleen inga op concrete vragen over mijn artikel. Op het indianen-citaten is in 2002 al uitgebreid en voldoende ingegaan, door Bader en Ravagli en vele vele andere antroposofen en onder meer te vinden in de literatuuropgave onder mijn artikel. Ook hier blijkt de zich steeds repeterende methode van critici de uitleg van antroposofen botweg te negeren. Zelfs nu we 10 jaar verder zijn.

      Met groeten

      Stephan Geuljans

Dus als ik het goed begrijp moeten we op basis van een geforwarde e-mail  van Lorenzo Ravagli (die we niet mogen zien) aannemen dat Zander aan  ‘geschiedvervalsing’  doet? Dat hij en ‘zijn volgelingen liegen’? En Geuljans hoeft dat niet te onderbouwen en wie het niet met hem eens is ‘moet zich verantwoorden’? Ach, in de geesteswetenschap gelden andere regels, moeten we dan maar denken.  Overigens, het zou best kunnen dat Zander zich een keer vergist heeft. Maar kan dat niet via de koninklijke weg worden duidelijk gemaakt?  Bovendien weet ik niet of ik Lorenzo Ravagli zo ontzettend betrouwbaar vind. Ravagli is toch een beetje ‘de Rottweiler van de antroposofie’ (om een vergelijking te maken met de bijnaam van de nu scheidende Paus, Joseph Ratzinger, uit de tijd dat hij nog kardinaal was), die vooral in actie komt wanneer er met zwaar geschut propaganda moet worden bedreven. Veel van zijn bijdragen vind ik persoonlijk nogal hilarisch, zie bijvoorbeeld  zijn Negerromane? Was meintte Steiner Wirklich? Alleen de titel is al lachwekkend en dat is de inhoud van dat artikel ook. Wie zin heeft moet het maar via de link raadplegen. Zie dan ook maar zijn Rudolf Steiner und die Überwindung des Rassismus (Institut für Soziale Dreigliederung, 2003, eigenlijk en soort plusvariant van Dieter Brülls ‘De Nieuwe Reactionairen’), ook een vrij grotesk en een wat paranoïde werkstuk (lees vooral de inleiding), al zal Geuljans het wel fantastisch vinden. Het aardige van het laatste voorbeeld is overigens dat Ravagli er per ongeluk ook passages heeft ingestopt die juist wijzen op het tegenovergestelde, dus als propaganda-materiaal (want dat is het) is het niet eens echt geslaagd.   Bovendien, hoe zat dat ook alweer met Lorenzo Ravagli en Andreas Molau, oud-vrije schoolleraar en nu lid van de het parlement van de deelstaat Sachsen voor de Neo-Nazistische NPD? Was een niet helemaal lekker verhaal, dacht ik. Maar goed, er komt hierna nog genoeg op dat gebied, vooral over de handel en wandel van de door Geuljans zo bewonderde Jos Verhulst (waar hij ook blijk van geeft in dit artikel), dus die zaak laat ik hier verder zitten.

Overigens, als een of ander spammailtje van Lorenzo Ravagli (hij zal waarschijnlijk wel zo’n schreeuwerige newsletter hebben, waarop je je kunt abonneren, misschien een ideetje om dat ook maar eens te doen, als het mogelijk is) het enige is wat je tegen Helmut Zanders monumentale werk in stelling kunt brengen, denk ik niet dat je een sterk verhaal hebt. Dit is wel heel armoedig. Maar nogmaals, als het te moeilijk wordt duikt Geuljans weg, of probeert hij het op de smoezelige manier. Dat is zo langzamerhand wel duidelijk geworden. En ik kan nu al verklappen dat er nog meer komt, veel meer zelfs.

Met zijn weglaatkunsten kun je je afvragen of Geuljans zich niet meer schuldig maakt aan ‘geschiedvervalsing’, dan hij Helmut Zander verwijt. Het was niet mijn idee om deze zware term in te zetten, maar nu Geuljans hem heeft ingebracht vrees ik dat het toch vooral op hemzelf van toepassing is. Dus inderdaad, zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten.

Het Darwinisme racistisch of een staaltje projectie?

Na wat omtrekkende bewegingen komt Geuljans uiteindelijk bij de kern van de zaak: Steiners kijk op de evolutie. Na de onderstaande illustratie begint hij als volgt:

plaatje Geuljans 1

“Steiners strijd tegen het toenemende racisme en de rassenidealen  (sic  FS) van zijn tijd bevat meerdere elementen. Ik ga eerst in op de evolutie-biologie van zijn tijd (en het zich daaruit ontwikkelde sociaal-darwinisme) en wat hij daar tegenover heeft gezet”.

Steiner was in zijn tijd een waarlijk antiracistisch activist ;)  Wat betreft Geuljans pogingen om sociaal Darwinisme gelijk te stellen aan de moderne evolutie-biologie en dat Steiners esoterische en teleologische kijk op de evolutie het alternatief zou zijn om sociaal Darwinisme uit te sluiten-  mijns inziens maakt Geuljans een wezenlijke denkfout, maar daar kom ik nog uitgebreid op terug. Eerst de positie die Steiner innam tov de evolutie-theorieën van Darwin en van de nu bijna vergeten Ernst Haeckel (wiens evolutie-theorie door de wetenschap is verworpen). Geuljans:

“De biologen Ernst Haeckel en Carolus Linnaeus geloofden in een hiërarchische ontwikkeling van de mens: van onvolmaakt naar volmaakt. Dat is een opvatting die ook nu nog bestaat. Ieder van ons kent de suggestieve plaatjes van een chimpansee die zich via een Neanderthaler, Homo habilis of Homo erectus tot de huidige rechtop lopende mens, de Homo sapiens zou hebben ontwikkeld. De overtuiging dat de mens een rechtop lopende diersoort zou zijn, een “derde chimpansee” versterkt dit vooroordeel. Dit geloof in een stijgende hiërarchie in de menselijke evolutie van “laag” naar “hoog” of van eenvoudig naar steeds complexer leeft nog steeds voort in het darwinisme zoals dat tegenwoordig in veel academische kringen wordt aangehangen. De schaduwzijde van deze opvatting is dat dit een argument geeft om de menselijke gelijkheid te betwisten”.

Hier begint zich zo langzamerhand het typische antroposofische misverstand te ontvouwen. Voor Haeckel gold zeker dat hij in een doelgerichte en een van laag naar hoog  verlopende evolutie geloofde, dat hebben Haeckel en Steiner overigens in een bepaalde mate met elkaar gemeen. Maar Darwin niet.  De biologische theorie van Darwin (en dan heb ik het niet over het sociaal Darwinisme, wat dus niet hetzelfde is, al zegt Geuljans iets anders) gaat uit van toevallige mutaties. Er is bij Darwin, itt Haeckel of Steiner, geen planmatig verloop van de evolutie. Evolutie is bij Darwin niet teleologisch (naar een doel toewerkend). Hoewel ik zeker niet kritiekloos ben naar Richard Dawkins ‘The God Delusion’ wordt dit aspect van de moderne evolutie-biologie daarin goed uitgelegd. Wat bij Darwin wel zo is, is dat er in zijn theorie iets van een schepper, in welke vorm dan ook, wordt uitgesloten. Het klassieke Darwinisme is in wezen atheïstisch. Ik heb soms het idee dat antroposofen daar vooral moeite mee hebben.

De mens is er volgens het echte Darwinisme (dus nogmaals, niet het ‘ Sociaal Darwinisme’) slechts door een toevallige samenloop van omstandigheden, door een gril van het lot. Dat is natuurlijk in de antroposofische gedachtegang een doodzonde (in de antroposofie moet altijd alles zin hebben en is daarmee ook, in essentie, diep religieus).

Een tweede aspect is natuurlijk dat ‘de mens’ dus helemaal niet het middelpunt van de kosmos is, of een uniek wezen, althans niet als je het evolutionair bekijkt. Strikt genomen is de mens, volgens de Darwinistische theorie, een levend wezen net als alle andere levensvormen op aarde. Zie hier het echte probleem dat antroposofen met de moderne evolutie-theorie hebben. Eigenlijk hetzelfde als de Christelijke Kerk. Los van dat het Darwinisme het verhaal van de eenmalige schepping (in zeven dagen) onderuit heeft gehaald, heeft het ook de unieke positie van de mens ondermijnd. Wat voor antroposofen onverteerbaar is (en ook wordt ontkend, niet in de laatste plaats door Steiner zelf) is dat de mens afstamt van aapachtigen (dat blijkt ook uit de bovenstaande passage van Geuljans). De mens is uniek en sommige mensen zijn wat unieker dan anderen (zie de talloze passages van Steiner waarin hij het over ‘gedegenereerde rassen’ heeft, zoals hij bijvoorbeeld de Amerikaanse indianen zag).  Dit is de kern van het antroposofische bezwaar tegen Darwin. Geuljans verzint er verder van alles bij om om de onzinnige stelling hard te maken dat het Darwinisme in zichzelf racistisch zou zijn en de antroposofie niet, maar dit is mijns inziens het echte probleem.

Trouwens, typisch dat Geuljans de bewering dat de mens van aapachtigen afstamt een ‘vooroordeel’ noemt.  Want dat is nou net geen vooroordeel. Dat sommige antroposofen niet snappen wat een vooroordeel is kan ik begrijpen, zie alleen al het immense complex aan vooroordelen van hun voorman, alhoewel die er ook weleens blijk van heeft gegeven dat hij zich daar best bewust van was. Hij was daar enkele keer zelfs heel openhartig over. Op een bijzonder helder moment, in een vlaag van diep zelfinzicht, verklaarde Rudolf Steiner eens:

‘Aber jeder Geheimwissenschafter weiß, daß von solchen Dingen viel mehr abhängt als von der Erweiterung der Intelligenz und von dem Anstellen künstlicher Übungen. Insbesondere kann leicht ein Mißverständnis darüber entstehen, wenn manche glauben, daß man sich tollkühn machen solle, weil man furchtlos sein soll, daß man sich vor den Unterschieden der Menschen verschließen soll, weil man die Standes-, Rassen- und so weiter Vorurteile bekämpfen soll. Man lernt vielmehr erst richtig erkennen, wenn man nicht mehr in Vorurteilen befangen ist. Schon in gewöhnlichem Sinne ist es richtig, daß mich die Furcht vor einer Erscheinung hindert, sie klar zu beurteilen, daß mich ein Rassenvorurteil hindert, in eines Menschen Seele zu blicken’

Aldus Rudolf Steiner in zijn Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten, GA 10, 1909, hoofdstuk 3: ‘Praktische Gesichtspunkte’, zie link

Ik denk dat ik het in deze roerend met Steiner eens ben ;)

Verder met Geuljans. Hij vervolgt met:

“Hoewel Steiner de ideeën over evolutie een belangrijke verworvenheid voor onze cultuur vond en bewondering had voor de moed van Charles Darwin en Haeckel – hij heeft Haeckel zelfs verdedigd tegen allerlei aanvallen – is hij geen darwinist en geen aanhanger van Haeckel. Hij bestreed de opvatting van Haeckel en Darwin door te stellen dat de menselijke ontwikkeling niet plaatsvindt vanuit één evolutie maar van twee evolutie-lijnen: een opgaande en een afdalende evolutie. Hij noemde dat ontbrekende element in de theorie van Haeckel een bedenkelijke vergissing.
Steiner: “Want, als je gelooft dat ontwikkeling altijd in een opgaande lijn zou moeten plaatsvinden, dan verwijder je je van de ware werkelijkheid, dan praat je zoals Haeckel onder invloed van een zekere verwarringswaan heeft uitgesproken: eerst de eenvoudige wezens, dan verdere ontwikkeling, weer gecompliceerdere wezens enzovoorts enzovoorts tot in het oneindige door, steeds gecompliceerder, steeds volkomener. Dat is onzin. Elke ontwikkeling die voorwaarts schrijdt, slaat ook weer een terugweg in. Al het opstijgen wordt gevolgd door een afdalen, en al het opstijgen draagt de kiem tot afdalen in zich. Dit behoort tot de bedenkelijkste vergissingen van de moderne mensheid, dat deze moderne mensheid de samenhang tussen evolutie en devolutie is kwijtgeraakt, opgaande ontwikkeling en weer neergaande ontwikkeling. Want waar opstijgende ontwikkeling is, daar zal zich ook de kiem tot afdalende ontwikkeling voordoen. Dan gaat op het moment waar een opstijgende lijn terug begint te lopen fysieke- in spirituele ontwikkeling over. Want zodra het fysieke begint terug te lopen, ontstaat voor spirituele ontwikkeling de ruimte.”

Zie hier wederom het antroposofische misverstand over de moderne evolutie-biologie. Of er sprake is van een opgaande lijn is maar zeer de vraag. Omstandigheden op aarde zijn in de loop der tijd meermalen veranderd en het leven daarmee ook. Voor antroposofen moet altijd alles een zin of een doel hebben, of het nu gaat om hoe culturen zich ontwikkelen, hoe een individueel mens zich ontwikkelt, t/m de complete evolutie. Zie hier weer het ‘opkomst-bloei-verval’ denken (oa Winckelmann), al verwijt Geuljans het Darwinisme dat het geen oog heeft voor verval. Maar in het Darwinisme is er geen sprake van ’iets’, bijv.  een hogere macht of een aansturend principe, dat deze ontwikkelingen bedenkt en uitvoert. Dus strikt genomen ook geen ‘opgaande lijn’ en dan ook geen ‘afdalende lijn’. Dat is vooral de projectie van mensen die hun zingeving zoeken in de ontstaansgeschiedenis van het leven op aarde en zichzelf daarin een unieke positie toedichten, of dat nu is op grond van hun ‘mens zijn’, hun ‘ras’, hun ‘mate van esoterische inwijding’, of hun ‘Karmische ontwikkeling’ (allemaal zaken die in de antroposofie van wezenlijk belang zijn) .  Zie hier waarom de antroposofie vooral religieus is en niet wetenschappelijk, al roepen rechtzinnige antroposofen, zoals Geuljans, meestal het omgekeerde. Ik deel overigens wel het bezwaar van Geuljans tegen ‘het moderne vooruitgangsgeloof’, maar vooral omdat dit ook weer een geloof is. Met echt Darwinisme heeft dit niets te maken en al helemaal niet met hedendaagse evolutiebiologie. Dat dit in Geuljans perceptie kennelijk wel zo is, zegt meer iets over zijn blinde verering voor de tot dogma verheven negentiende eeuwse visie van Steiner, dan dat het iets zegt over de moderne wetenschap en zelfs over het werk van Darwin. Op de evolutie-theorie van Ernst Haeckel, de ‘recapitulatie-theorie’, die wel degelijk van grote invloed was op Steiner, ook op zijn rassenleer, kom ik later terug.

 Steiners visie op de geschiedenis en de evolutie en de rol die ‘rassen’ daarin spelen… tja, leg dat maar eens uit

Eindelijk, zij het heel behoedzaam, komt Geuljans toe aan de echte problematiek: de visie van Steiner op de verschillende rassen, zoals Steiner die oa aan de orde stelt in de vierde en zesde voordracht uit Die Mission einzelner Volksseelen (GA 121, hierboven eerder aangehaald), overigens Steiners belangrijkste werk over ‘rassen’, dat door Geuljans onbesproken blijft. Nu hij aan de echte problematiek komt, valt het op dat hij de belangrijkste en meest expliciete teksten van Steiner liever mijdt, terwijl die ook buitengewoon relevant zijn voor de plaats die ‘rassen’ innemen in Steiners kijk op de evolutie. Maar Stephan Geuljans durft het kennelijk niet aan en probeert het dan maar op deze manier:

“De opstijgende evolutie is de lijn van het individu. Daartegenover staat de afdalende lijn van de soort-gebondenheid (ras, volk, familie, stam, geslacht, erfelijkheid enzovoorts)

stijgende evolutie ↔ afdalende evolutie

individu ↔ soort-gebondenheid, erfelijkheid

In ieder afzonderlijk mens (zwart, wit, geel of rood) komen beide evolutie-lijnen samen. Als beeld: Ieder afzonderlijk mens gaat niet alleen maar vooruit in een stijgende lijn naar een meer volmaakte vorm (zoals Haeckel meende), maar ook “achteruit”. De ‘soort’-lijn vertegenwoordigt hierbij de algemene degeneratie, en de individuele ontwikkeling geeft hieraan het noodzakelijke tegenwicht. Volgens Rudolf Steiner kan er dus niet zoiets bestaan als één biologische ontwikkeling richting “übermensch” waarmee hij de leer van Arthur de Gobinau en zijn volgeling Housten Stewart Chamberlain die wel aansluiten op Haeckel en Darwin naar de prullenbak verwijst. Ik benadruk dat Steiner het opkomende racisme en rasidealen dus niet bestreed met politieke frases en ook niet politiek-correct was zoals men tegenwoordig kennelijk van hem verwacht. Hij bestreed pseudo-wetenschap niet met politiek maar met met geesteswetenschap. Hij verbindt de gelijkheid van de mens aan het uiterlijk, en de verschillen tussen mensen aan de in ieders innerlijk aanwezige talenten.

Hier maakt Geuljans echt een potje van verschillende zaken die Steiner in zijn verzameld werk zoal aan de orde stelt. Laten we kijken of deze door Stephan Geuljans gecreëerde warboel te ontrafelen valt. Het zal misschien wat ‘technisch’ worden, maar laten we maar eens goed naar de letter kijken.  Dat mag wel bij een betoog van meneer Geuljans, tenminste dat lijkt me zo.

Om te beginnen: het is zeker niet zo dat bij Steiner alle rassen gelijk, of zelfs gelijkwaardig zijn. Blanken hebben in Steiners woorden, ten opzichte van zwarten en Aziaten (en al helemaal de indianen) ‘alleen maar voordelen en eigenlijk helemaal geen nadelen’, zoals hij dat letterlijk zegt in Die Mission einzelnder Volksseelen (GA 121, vierde voordracht, citaat aan het begin van dit artikel aangehaald). Hij gaat daarin nog veel verder. De blanken zijn de enigen met een harmonieuze ontwikkeling. Alle andere rassen hebben de pech dat ze enigszins gedeformeerd zijn geraakt door gedegenereerde krachten uit de kosmos, de gevallen geesten van de beweging, die zich hebben ontwikkeld tot een soort mislukte geesten van de vorm (de dynameis geesten, naar de engelenleer van Dyonisios de Areopagiet). Het spijt me, maar antroposofie is nu eenmaal zweverig en zeker niet wetenschappelijk, dus ik kan het niet mooier maken dan het is.

Verder is het zo dat de werking van de rasvormende krachten, de dynameis, of ‘abnormale geesten van de vorm’ aan het afnemen is. Dus de rasverschillen zullen op een gegeven moment verdwijnen. Maar wanneer is dat? Steiner zegt in de vierde voordracht van Die Mission (link hier):

‘In der alten lemurischen Zeit müssen wir das Aufgehen der Rassenmerkmale, der Rasseneigentümlichkeiten suchen; wir müssen dann deren Sich-Fortpflanzen bis in unsere Zeit verfolgen, müssen uns dabei aber klar sein, daß, wenn unsere gegenwärtige fünfte Entwickelungsepoche von der sechsten und siebenten abgelöst wird, keine Rede mehr sein kann von einem Zustande, den wir als Rasse werden bezeichnen können’

Heel technisch allemaal, vooral omdat Steiner de antroposofische tijdrekening hanteert. Maar in de Lemurische tijd zijn er verschillende rassen ontstaan, die zich tot in onze tijd hebben voortgeplant. De rasverschillen zullen doorwerken totdat het huidige vijfde na-atlantische tijdperk is afgelost door het zesde en het zevende. Pas dan zal er geen reden meer zijn om van ‘verschillende rassen’ te spreken.

De door Geuljans zo gehekelde Helmut Zander heeft het als volgt uitgelegd (met antroposofische tijdsrekening):  ‘Rassen seien ein Intermezzo der Menschheitsgeschichte. »Die Rassen sind entstanden und werden einmal vergehen, werden einmal nicht mehr da sein.« (GA 121,76 [1910]) Erneut artikulierte Steiner sein antimaterialistisches Leitmotiv, aber bei näherem Hinsehen bleibt dies ein gänzlich unpolitisches Argument. Die Rassenentstehung, die erst in der lemurischen Zeit begonnen habe, werde in der sechsten und siebten »Entwickelungsepoche« verschwinden (ebd.), das heißt: frühestens ungefähr im 9. Jahrtausend. Für eine politische Erledigung der Rassenfrage und für die Geltung von Steiners Rassentheorien ist dies eine lange, eine zu lange Zeit. Daß die Vielfalt von Völkern und Rassen ein Reichtum der Pluralität sein könnte, tritt im übrigen nicht in Steiners Blickfeld’ (Helmut Zander, Anthroposophie in Deutschland; Theosophische Weltanschauung und gesellschaftliche Praxis 1884-1945, Göttingen, 2007, p.665).

In mijn vijfde antroposofie-artikel (trouwens ook in mijn derde en vierde) heb ik dit allemaal uitvoerig uitgelegd. Maar Zanders berekening klopt. Pas in het negende millennium zullen de ‘rasverschillen’ (waaraan Steiner dus bijzondere kenmerken toekent, die zelfs bepalend zijn voor leven en dood, zie hoe hij tegen de indianen aankeek) in Steiners optiek verdwenen zijn. Dus dat duurt nog wel een poosje. Jammer voor de indianen want zijn volgens Steiner ‘ausgestorben’, maar dat was toch maar een decadent ras, en hun zielen zijn, als alles goed is gegaan, gelukkig in blanke lichamen geïncarneerd, dus die hebben hun Karmische lesje wel geleerd (antroposofie meets de Celestijnse Belofte, ik weet niet welke van de twee ik erger vind).

Geuljans babbelt dan nog wat over de Übermensch (Nietzsche, een van de meest verkeerd begrepen filosofen ooit) en Arthur de Gobineau en Houston Stewart Chamberlain, beiden esoterici, die ook , vanuit de traditie van de theosofie (net als Steiner dus) tot een rassenleer kwamen, zij het dat beide heren nog een stukje erger waren (dan kom je echt in de sfeer van de proto-Nationaal Socialisten, maar die kwestie laat ik hier verder zitten) en zegt dan dat die wel op Haeckel en Darwin aansloten. Net alsof Haeckel en Darwin hetzelfde zijn! Op Haeckel kom ik nog terug.

Dan citeert Geuljans Rudolf Steiner uit de voordrachtenreeks  Die Sendung Michaels (GA 192), Dritter Vortrag, Geisteswissenschaftliche Behandlung sozialer und pädagogischer Fragen, Stuttgart, 23 april 1919, zie hier:

“Met betrekking tot alles, wat zich op grond van onze individuele capaciteiten vormt, dus met betrekking tot dat, wat (…) onafhankelijk van onze lichamelijkheid is, zijn wij als mensen individueel gevormd, ieder een eigen, ieder een individu. Behalve de veel geringere differentiëring, die door rassenverschillen, volksverschillen en dergelijke naar voren treden, die echter als differentiëring een kleinigheid is – als je er maar een zintuig voor zou hebben, dan zou je dat moeten weten – tegenover de differentiëring door individuele talenten en capaciteiten, behalve dat zijn we met betrekking tot onze uiterlijke fysieke menselijkheid, op grond waarvan we als mensen de mensen tegemoet treden, op grond waarvan we rechtsimpulsen, zedenimpulsen uiten, als mensen gelijk. Wij zijn als mensen gelijk, hier in de fysieke wereld, juist door de gelijkheid van onze menselijke gestalte, simpel door het feit dat we allen een mensengelaat hebben. Dit gegeven, dat we allemaal een mensengelaat hebben, op grond waarvan we elkaar als uiterlijke fysieke mensen tegemoet treden, om met elkaar op democratische grondslag de rechtsimpulsen, de zedenimpulsen vorm te geven, dit maakt ons op deze grondslag gelijk. We zijn verschillend van elkaar door onze individuele gaven, die echter tot ons innerlijk behoren.”

Geuljans concludeert:
“Er bestaat volgens Rudolf Steiner geen hiërarchie tussen mensen, want in ieder afzonderlijk mens of cultuur treffen we naast een opstijgende lijn altijd een decadente lijn, of “degeneratie” aan”.

Het aardige is dat met dit Steinercitaat Geuljans nou precies doet wat hij ‘de critici’ verwijt. Zonder enige context een passage aanhalen waarin de factor ‘ras’ als minder belangrijk wordt afgeschilderd. Hij heeft er trouwens wel goed naar moeten zoeken, want dit is een voordracht die over hele andere zaken gaat (over economie en pedagogie) en het is een terloopse opmerking. Terwijl  je in Steiners visie maar beter niet als indiaan kan worden geboren, dan loopt het niet best met je af. Dat blijkt overigens niet uit een citaat, maar dat blijkt uit zo’n beetje alles wat hij over de oorspronkelijke bewoners van het Amerikaanse continent gezegd heeft.  En of hij het in 1907, 1910 of in 1923 heeft gezegd, het komt iedere keer op hetzelfde neer. Ik ben benieuwd of Geuljans dat kan tegenspreken. Wordt nog een hele klus vrees ik. Kortom zo triviaal zijn die ‘rasverschillen’ in Steiners  wereldbeeld nu ook weer niet (zelfs een kwestie van leven en dood, zie zijn beweringen over de indianen)..

Bovendien kan ik daar ook een ander los citaat tegenover zetten. Deze bijvoorbeeld (uit GA 349, 1923, zie hier)

‘Und das wollen wir heute ein bißchen betrachten, weil man eigentlich die ganze Gesichte und das ganze soziale Leben, auch das heutige soziale Leben nur versteht, wenn man auf die Rasseneigentümlichkeiten der Menschen eingehen kann. Und dann kann man ja auch erst im richtigen Sinne alles Geistige verstehen, wenn man sich zuerst damit beschäftigt, wie dieses Geistige im Menschen gerade durch die Hautfarbe hindurch wirkt’

Wat zegt ie? “Men kan eigenlijk de hele geschiedenis en het maatschappelijke leven, ook het huidige sociale leven slechts begrijpen, wanneer men op de raseigenschappen van de mensen ingaat”. Dat is dus nogal wat anders. Dus wat is het nou van de twee?

Daarom is het heel belangrijk om voordrachten van Steiner, of complete werken, in onderlinge samenhang te bestuderen. En dan, maar dat is mijn bescheiden mening, kom je er toch niet onderuit dat er sprake is van een rassenleer, die hecht verweven is met Steiners opvattingen over de evolutie. Misschien mijn bescheiden mening (ook die van Helmut Zander, Peter Staudenmaier en andere geleerden en er zijn zelfs antroposofen te vinden die daar met pijn en moeite in meegaan). Maar volgens de Geuljansjes en de Ravaglitjes van deze wereld, die zich, juist in deze kwestie ook tegen rechtsextremistische activisten als  respectievelijk de Verhulstjes en de Molautjes aanschurken,  ‘liegen’, in Geuljans woorden, Zander, Staudenmaier en (op bescheiden niveau) ondergetekende dus? Tja…

En dan… Geuljans: “ Ik benadruk dat Steiner het opkomende racisme en rasidealen dus niet bestreed met politieke frases en ook niet politiek-correct was zoals men tegenwoordig kennelijk van hem verwacht. Hij bestreed pseudo-wetenschap niet met politiek maar met met geesteswetenschap’’.

Moeten we het hier nog over hebben, Steiner die racisme bestreed? Lijkt me niet echt nodig. Politiek-correct zijn is natuurlijk heel ernstig, maar daar hebben we gelukkig de door Geuljans zo gewaardeerde Jos Verhulst voor (die daartegen ten strijde trekt, zie bijv. hier, kom ik ook nog over te spreken). En pseudowetenschap bestrijden met geesteswetenschap? Als de vlam in de pan slaat is niet verstandig om te gaan blussen met water, dan wordt het alleen maar erger. Deksel erop doen, dat is in die situatie het meest aan te raden.

Geuljans vervolgt met een andere passage van Steiner (uit :  Geisteswissenschaftliche Behandlung sozialer und pädagogischer Fragen , GA 132, 23 april, 1919, hele voordracht  hier te raadplegen)

“Met betrekking tot alles, wat zich op grond van onze individuele capaciteiten vormt, dus met betrekking tot dat, wat (…) onafhankelijk van onze lichamelijkheid is, zijn wij als mensen individueel gevormd, ieder een eigen, ieder een individu. Behalve de veel geringere differentiëring, die door rassenverschillen, volksverschillen en dergelijke naar voren treden, die echter als differentiëring een kleinigheid is – als je er maar een zintuig voor zou hebben, dan zou je dat moeten weten – tegenover de differentiëring door individuele talenten en capaciteiten, behalve dat zijn we met betrekking tot onze uiterlijke fysieke menselijkheid, op grond waarvan we als mensen de mensen tegemoet treden, op grond waarvan we rechtsimpulsen, zedenimpulsen uiten, als mensen gelijk. Wij zijn als mensen gelijk, hier in de fysieke wereld, juist door de gelijkheid van onze menselijke gestalte, simpel door het feit dat we allen een mensengelaat hebben. Dit gegeven, dat we allemaal een mensengelaat hebben, op grond waarvan we elkaar als uiterlijke fysieke mensen tegemoet treden, om met elkaar op democratische grondslag de rechtsimpulsen, de zedenimpulsen vorm te geven, dit maakt ons op deze grondslag gelijk. We zijn verschillend van elkaar door onze individuele gaven, die echter tot ons innerlijk behoren.”

Mijn probleem hiermee is dat dit inderdaad weer hetzelfde  ‘trucje’ is als het hierboven door Geuljans aangehaalde citaat. En Geuljans verwijt dit de critici. Het is dus echt zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten. Het onderwerp van deze lezing is overigens niet eens ‘rassen’, dus het is maar een kleine opmerking tussendoor die Steiner niet verduidelijkt. Op de hoofdwerken over ‘mensenrassen’ durft Geuljans niet in te gaan, dat is nu zo langzamerhand gebleken (behalve dan in zijn vervolgartikel, op de tekeningen van Steiner, waarin de indianen worden afgeschilderd als decadente afwijking van de mensheidsontwikkeling. De uitleg die Geuljans geeft is zo grotesk dat hij of de bijbehorende tekst niet gelezen heeft, of er willens en wetens iets bij verzonnen heeft, maar daar kom ik nog op terug). Maar misschien heeft hij voor deze vondst hulp van Ravagli gekregen, of bij hem afgekeken. Omdat ik Geuljans en geestverwanten graag ter wille wil zijn hier nogmaals de grote Lorenzo Ravagli-verzameling van ‘ontlastende citaten’. Alleen ontlast je daarmee Steiner niet van racisme.

Geuljans concludeert met:

“Er bestaat volgens Rudolf Steiner geen hiërarchie tussen mensen, want in ieder afzonderlijk mens of cultuur treffen we naast een opstijgende lijn altijd een decadente lijn, of “degeneratie” aan”.

Dat ligt bij Steiner toch net een beetje anders, vrees ik. Heel leuk dat Steiner stelt dat zwarte mensen zulke ‘warme menselijke eigenschappen’ hebben, maar het zijn wel de blanken die het beste kunnen denken, zoals hij uiteen zet in GA 349 (de arbeidersvoordracht uit 1923, zie hier ).  Eigenlijk een beetje zoals cabaretier Hans Teeuwen ooit declameerde in zijn programma  ‘Met een Breierdeck’,  uit 1997 (ik heb het al vaker in deze lamglopende polemiek aangehaald, maar mischien komt de boodschap deze keer wel over):

Kijk, het ene ras is bijvoorbeeld heel goed in leidinggeven, terwijl het andere ras weer veel beter is met hardlopen en ritmes.
En als iedereen zich daar gewoon aan houdt is er niks aan de hand.
Da’s de natuur en je bent niet sterker dan de natuur.
En ik zeg heel eerlijk, ik houd me daaraan, ja, ik houd me daaraan.
Ik zal geen wc’s gaan schoonmaken, dat gaat niet, dat zit niet in mijn roots.
Da’s belangrijk, je roots.

Maar ook Geuljans zal zich wel hebben gerealiseerd hebben dat hij zich in deze kwestie niet kan blijven beperken tot vliegen afvangen. Hij ontkomt toch niet aan het grote verhaal van Steiner (daarin durft hij het overigens niet aan om de grote meester zelf te citeren).  Want in het grote verhaal zit ook de rassenleer, dus vanuit zijn optiek bekeken, moet Geuljans het voorzichtig aanpakken. Al valt dat niet mee. Geuljans probeert het zo:

“Nu wordt het interessant omdat volgens Rudolf Steiner een ras altijd tot de afdalende evolutie of degeneratie behoort. Volgens hem hebben rassen hun oorsprong in de prehistorie en is hun ontstaan afgesloten aan het einde van de laatste ijstijd (10.000 v.Chr.). Hij noemt dat in aansluiting met Plato de Atlantische periode vanaf welke tijd het geen zin meer heeft over rassen als ontwikkelingsprincipe te praten. Daarom spreekt hij over de daaropvolgende perioden als cultuur-perioden. Hij spreekt over de Oud-Indische cultuur-periode die ongeveer begint rond 7300 v.Chr., gevolgd door een Oud-Perzische, Egyptische en Grieks-Romeinse periode van ieder ongeveer 2160 jaar waarbij wij nu vanaf 1413 n.Chr. in de vijfde na-Atlantische cultuur-periode leven. Hierna komen nog een Russische en Amerikaanse cultuur.

Dat wat we nu toch nog “ras” noemen, zijn overblijfselen, differentiaties geërfd uit de prehistorie. In de samenhang met Steiners kritiek op Haeckel en Darwin begrijpen we nu dat een ras – per definitie – behoort tot de afdalende evolutie, de devolutie, en waarom een ras dus nooit de grondslag van een cultuur kan zijn. Precies het omgekeerde treffen we aan in de rassenleer bij de intellectuelen van zijn tijd. Volgens Rudolf Steiner bevinden zich álle rassen, dus ook de zogenaamde “blanken” zich vanaf de laatste ijstijd in de neergang. Omdat rasidealen aanhaken aan deze neergaande lijn kunnen zij daarom alleen maar onheil brengen”.

Tot zover. Dat het ‘nu interessant wordt’ ben ik overigens wel met Geuljans eens, alleen om een andere reden dan dat hij waarschijnlijk bedoelt. Bijna terloops roert Stephan Geuljans toch een paar ongerijmdheden aan, althans een lezer die wel goed op de hoogte is van de geschiedenis, maar niet van de antroposofie, zou hier toch vreemd van opkijken. Want wie heeft er buiten de antroposofie zo’n volkomen incorrect beeld van de ontwikkelingen van de laatste paar duizend jaar? En dan Atlantis, de metafoor van Plato, dat echt zou hebben bestaan? Sprak Stephan Geuljans hiervoor nog van ‘pseudowetenschap’? Die dan door Steiner zou zijn bestreden met ‘geesteswetenschap’? Welkom in de wondere wereld van de antroposofie.

Ik heb deze vreemde visie op de geschiedenis van de oudheid al uitvoerig in mijn eerdere artikelen beschreven. Maar het komt erop neer dat Steiner inderdaad geloofde dat er een continent heeft bestaan als Atlantis (dat weer vooraf werd gegaan door Lemurië, enz.). In de Akasha-Kroniek (GA 11) zegt Steiner dat dit continent fysiek zou hebben bestaan op de plek waar nu de bodem van de Atlantische Oceaan ligt.  Dit mythische continent ging tenonder en onder leiding van een zekere Manu werd de elite, in Steiners woorden ‘een nieuw ras’ naar het Indiase subcontinent geleid, alwaar zij een nieuwe beschaving stichtten.

De antroposofie gaat ervan uit dat deze nieuwe fase, de na-Atlantische tijd, zeven cultuurperiodes zal kennen, dus beschavingen die leidend zullen zijn voor de ontwikkeling van de mensheid. Geuljans: “… de Oud-Indische cultuur-periode die ongeveer begint rond 7300 v.Chr., gevolgd door een Oud-Perzische, Egyptische en Grieks-Romeinse periode van ieder ongeveer 2160 jaar waarbij wij nu vanaf 1413 n.Chr. in de vijfde na-Atlantische cultuur-periode leven. Hierna komen nog een Russische en Amerikaanse cultuur”.

Steiner heeft dit verhaal overigens in grote lijnen overgenomen van Helena Blavatsky, de oermoeder van de Theosofie, al is dit voor veel antroposofen vloeken in de kerk (Steiner kende alles uit eigen helderziende waarneming, door te schouwen in de Akasha-Kroniek). Interessant is dat Steiner indeze ook precies de Ariërmythe volgt, zoals die in de Fin du Siecle in Duitsland in zwang was, ook onder occulte groepen die zich later met het nationaal socialisme verbonden. Voor de duidelijkheid, daaronder reken ik de antroposofie niet, al zijn ook die groepen, zoals de ariosofie, net als de antroposofie loten van dezelfde theosofische stam.

De Ariërmythe komt erop neer dat ‘de beschaving’ door het Arische ras in het oosten werd gesticht (in die tijd ontdekten taalwetenschappers ook de verwantschap tussen de West Europese talen met de Perzische en de Hindoe talen). Het vuur van ‘de beschaving’ zou door de eeuwen heen langzaam van oost naar west reizen en bovendien gelieerd zijn aan het Arische ras. Deze notie werd door verschillende stromingen aangehangen, al zijn deze bijna allemaal na de Tweede Wereldoorlog verdwenen, behalve de antroposofie (en de theosofie, al is de theosofie lang niet zo dogmatisch en wordt daar met veel meer relativering naar dit erfgoed gekeken).

Voor Steiner zijn de na-Atlantische cultuurperiodes gerelateerd aan het blanke ras. Andere rassen hebben geen cultuurperiodes, of moeten zelfs plaatsmaken of verdwijnen. Zie Steiners opmerkingen over de indianen, die hij  ook meermalen heeft bestempeld tot decadente nakomers van Atlantis. Atlantiërs die zich niet verder konden ontwikkelen en daarom dus het veld moesten ruimen. Dit is ongeveer Steiners rassenleer.

Al eerder haalde ik een passage aan uit de arbeidersvoordracht uit 1923 (GA 349). Eigenlijk vat hij die geschiedenis daarin heel bondig samen. De voorouders van de huidige ‘cultuurmensheid’ gingen van Atlantis naar het Indiase subcontinent en stichtten vanaf daar, langzaam naar het westen trekkend, de ene beschaving na de andere. Andere beschavingen, of het nu de Chinese of de oude beschavingen van Amerika zijn, doen er niet toe in de antroposofie. Dat is het ongeveer. Nogmaals Steiners uiteenzetting uit 1923 (GA 349, online versie hier):

“Die weiße Rasse ist die zukünftige, ist die am Geiste schaffende Rasse. Wie sie nach Indien gezogen ist, bildete sie die innerliche, poetische, dichterische, geistige indische Kultur aus. Wenn sie jetzt nach dem Westen geht, wird sie eine Geistigkeit ausbilden, die nicht so sehr den innerlichen Menschen ergreift, aber die äußere Welt in ihrer Geistigkeit begreift”

Voor de indianen is het ‘Schluss’ in Steiners optiek. Decadent geworden Atlantiërs dienen uit te sterven en mogen het in een volgende incarnatie als blanke het weer opnieuw proberen. ‘Dus is de antroposofie niet racistisch, want uiteindelijk komt het voor die zielen toch nog goed’, oftewel ‘het reïncarnatie-alibi’ (naar Helmut Zander) is een veel gebruikt argument. Het siert Geuljans overigens dat hij dit niet inzet, maar dat doet wel het van Baarda-rapport en verder vele andere antroposofen, in geschrift, maar ook in de verschillende discussies die ik met ze gevoerd heb.

En voor ik het vergeet, de tweede helft van de hierboven aangehaalde passage van Geuljans. Die is in relatie met het voorgaande helemaal interessant:

“Dat wat we nu toch nog “ras” noemen, zijn overblijfselen, differentiaties geërfd uit de prehistorie. In de samenhang met Steiners kritiek op Haeckel en Darwin begrijpen we nu dat een ras – per definitie – behoort tot de afdalende evolutie, de devolutie, en waarom een ras dus nooit de grondslag van een cultuur kan zijn. Precies het omgekeerde treffen we aan in de rassenleer bij de intellectuelen van zijn tijd. Volgens Rudolf Steiner bevinden zich álle rassen, dus ook de zogenaamde “blanken” zich vanaf de laatste ijstijd in de neergang. Omdat rasidealen aanhaken aan deze neergaande lijn kunnen zij daarom alleen maar onheil brengen”.

Pikant als je dit nu leest. Laat ik zeggen dat het inderdaad klopt dat volgens Steiner de rasverschillen langzaam aan het verdwijnen zijn. Maar we hadden al gezien dat dit nog een hele tijd gaat duren (pas in het negende millennium zijn we zover). En dat een ras nooit de grondslag van een cultuur kan zijn? Volgens Steiner kan er in de na-Atlantische tijd maar één ras de grondslag van een cultuur zijn. En dat het blanke ras zich vanaf de laatste ijstijd in een neergang bevindt, ik vind het wel boeiend, als we kijken naar Steiners bovenstaande uitspraak: ‘Die weiße Rasse ist die zukünftige, ist die am Geiste schaffende Rasse ‘. ‘Het blanke ras is het toekomstige, meest geest scheppende ras’. Dat valt dus wel mee met die ‘neergang’.

Bovendien, de werking van de factor ras, was in Steiners tijd (dus ook onze tijd) nog wel vrij stevig. In Steiners visie zijn de indianen aan het eind van de negentiende eeuw ‘ausgestorben’ (dat dit niet klopt zegt vooral iets over Steiners gebrek aan kennis van de oorspronkelijke bewoners van Amerika). Dus pas in het negende millennium zijn we van de werking van de ‘rasfactor’ verlost, maar nog niet zo lang geleden hebben de indianen er wel een forse tik van meegekregen. Nogmaals, Wounded Knee, voor een paar antroposofen een ‘teffend voorbeeld’, was in 1890.

Wetenschap en pseudowetenschap, filosofie en esoterie

Geuljans vervolgt:

“Steiner weet natuurlijk heel goed dat hij met ieder menselijke individu als “een soort op zich” een ideaalbeeld schetst. Wij zijn inderdaad zoals Darwin dit ziet, voor een deel een dier. Maar niet alleen dier, wij zijn in principe in staat ons als individu te weer te stellen tegen de mechanismen “toeval” en “natural selection”. Wij kunnen ervoor kiezen of we al of niet meegaan in de wrede wetten van de soort, waardoor de “natural selection” ontaardt in “human selection”. Dat dit morele vermogen niet vanzelf optreedt, ligt in de aard van de zelfstandigheid van dit vermogen. Steiner ontwikkelde zijn filosofie om dit vermogen handen en voeten te geven.

We komen nu aan het derde element, de eigenlijke kern van de antroposofie die we in Filosofie van de Vrijheid, hoofdstuk 14 Individualiteit en soort vinden. Hier neemt Steiner het op voor het individu tegenover de gebondenheid aan de soort met de woorden. “Het is onmogelijk een mens helemaal te begrijpen, wanneer je zijn beoordeling op het soort-begrip baseert.” En: “Waar het gebied van de vrijheid begint (van het denken en het handelen), houdt het onderbrengen van het individu onder de wetten van de soort op.”

Hier wijkt Rudolf Steiner af van Darwin en al diegenen die de evolutie volledig ophangen aan de wetten van de erfelijkheid. Hij bepleit dat ieder afzonderlijk mens geen dier of exemplaar van de soort is, maar een vrij individu, een “soort op zich”.

Het is mij bekend dat Steiner de mens ook, of vooral zag, als een ‘individu’. Maar ook dat er verschillende krachten, of factoren zijn die op dat individu inwerken.  En een van die factoren is ‘ras’. Die rasfactor is toch vrij wezenlijk, zo wezenlijk zelfs dat je er aan kan doodgaan. Bijvoorbeeld als je, in de visie van Steiner, behoort tot het ‘Indiaanse ras’. Ook dat is hier al uitgebreid aan de orde geweest. Alleen, die teksten worden door Koning Eenoog weggelaten, zodat zijn overdrachtelijk blinde schare luisteraars er ook geen kennis van kan nemen.  Bovendien put Geuljans hier bewust uit teksten van Steiner uit de tijd van voordat hij tot zijn racistische evolutie-model kwam. Als er iemand probeert met citaten een vals beeld te schetsen, is het Stephan Geuljans wel. Want de teksten die daadwerkelijk over mensenrassen gaan, laat Geuljans dus weg.

Hier komt weer een ander probleem naar boven, wat ik met Geuljans betoog heb. In het voorgaande gedeelte moest Geuljans wel op Steiners esoterische denkbeelden ingaan en zijn notie van de aarde-evolutie (Atlantis, etc.). Of zijn volkomen à historische beeld van de cultuurperiodes en zijn daarmee samenhangende kijk op het ‘Arische ras’ (Steiner gebruikt inderdaad weleens die term). Daarin zit nu juist het probleem. Maar nu dat moetje achter de rug is, schakelt Geuljans moeiteloos terug naar ‘Filosofie der Vrijheid’ (1894) van de jonge Steiner, uit de periode voordat hij zich bij de theosofische Vereniging had aangesloten (tot ong. 1900). Hij begint nu over de fase voordat Steiner zijn door de theosofie geïnspireerde rassenleer ontwikkelde. Nu is voor dogma-antroposofen het hele werk van Steiner één en ondeelbaar en valt het geloof in Atlantis moeiteloos samen met zijn verhandelingen over ‘naïef realisme’ en ‘kritisch idealisme’ en andere termen uit dit overigens buiten het antroposofische circuit inmiddels vergeten filosofische werkje, maar we hebben het hier dus over een andere Rudolf Steiner. De jonge academicus Rudolf Steiner hield zich helemaal niet bezig de evolutie vanaf Atlantis, via de keten van cultuurperiodes tot aan onze tijd en de verre, inmiddels indianenvrije ‘rasloze toekomst’. Dat is de latere esotericus. Met zo’n à historische omgang met de figuur Steiner zaait ook Geuljans begripsverwarring, wat hem propaganda-technisch gezien niet verkeerd uitkomt. Op die manier ontstaat er een veel ‘wetenschappelijker’ of ‘redelijker’ beeld van de latere grondlegger van de antroposofie. Toch is Geuljans antroposoof genoeg om echo’s van de late esoterische Steiner te laten doorklinken in zijn verhaal. Geuljans maakt er op deze manier (wellicht bewust) een rommeltje van. Maar we zullen ook deze kluwen ontwarren, daar ontkomt ook Stephan Geuljans niet aan ;)

Steiner heeft trouwens zelf sterk aan dit beeld bijgedragen. Met zijn autobiografie ‘Mein Lebensgang’ (pas in 1925 uitgekomen, hier te raadplegen), construeert hij met terugwerkende kracht zijn esoterische ontwikkeling. Het is alleen als biografisch materiaal een buitengewoon onbetrouwbaar boek; gedurende zijn loopbaan heeft Steiner vaak zijn schepen achter zich verbrand als hij een nieuwe weg insloeg. Voor orthodoxe antroposofen is dit werk echter zo’n beetje sacrosanct.

Tussen de filosoof  Steiner en de esotericus (theosoof/antroposoof) Steiner bevindt zich een enorme breuk. Overigens ook nog tussen de theosoof Steiner en de latere antroposoof. Lees daarvoor zeker de recente  biografie door Helmut Zander, Rudolf Steiner; die Biografie, München/Zürich, 2011. Door ortho-antroposofen wordt deze cesuur echter niet erkend en was Steiner al zo’n beetje antroposoof toen hij nog in de wieg lag (in zijn autobiografie beschrijft hij overigens ook zijn helderziende waarnemingen als kind). Nogmaals, voor de racisme-kwestie is vooral de latere esoterische Steiner van belang, niet zozeer het vroege filosofische werk. Maar dat belet Geuljans niet om er desalniettemin veel gebruik van te maken. Dit waarschijnlijk om ‘rookgordijn-technische redenen’. Maar ook dit valt met een beetje licht wel op lossen. ;)  Terzijde, het is wel ironisch dat het onder antroposofen heel gebruikelijk is om te roepen dat de Rooms Katholieke Kerk en verder het officiële Christendom de historische Jezus heeft weggepoetst. Volkomen terecht natuurlijk, alleen kunnen die sofen er dus zelf ook wat van. En nu we toch bezig zijn, sprak Stephan Geuljans hierboven niet ergens van ‘geschiedvervalsing’? Tot zover deze tussendoorse opmerkingen en verder met het verhaal.

Geuljans vervolgt:

“Wat bedoelt Steiner met de wetten van de soort of meer specifiek; wat bedoelt hij met een ras? Een ras is niets anders dan wat Darwin een adaptatie, een specialisatie noemt: een aanpassing aan de omgeving. Zoals bekend, ligt het onderliggende mechanisme binnen de evolutieleer van Darwin in het toeval en de natuurlijke selectie. Essentieel is ook dat Darwin en zijn aanhangers de mens onderbrengen in het dierenrijk: wij mensen zijn een dier-soort, volledig onderworpen aan de wetten van de erfelijkheid, aangepast aan onze omgeving. Steiner verzet zich hiertegen want dat zou betekenen dat een afzonderlijk mens niet boven de soort zou kunnen uitstijgen. Vanuit de antroposofie bekeken, doet Darwin alsof een mens volledig behoort tot de afdalende evolutie en heeft hij geen oog heeft voor de opstijgende evolutie van het individu: als wij het individu onderwerpen aan de soort, reduceren wij een mens impliciet tot ras.”

De bovenstaande tekst is, neem me niet kwalijk, echt een stukje demagogische begripsverwarring van de eerste orde.  Geuljans heeft er een behoorlijke kluwen van gemaakt. Maar laten we proberen de afzonderlijke draadjes eruit te trekken en die in het volle zicht onder de loep te nemen. Om te beginnen, Darwin gaat over soorten, niet zozeer over ‘rassen’. Mensenrassen zijn, bij mijn weten althans, bij Darwin geen issue. Misschien vergis ik me en heeft hij er weleens wat over geschreven, maar dat is geen belangrijk thema bij Darwin en ook niet bij zijn hedendaagse navolgers. Bij Steiner zijn mensenrassen wel een heel belangrijk issue, zelfs cruciaal in zijn kijk op de menselijke evolutie. Dat is een belangrijk onderscheid.

Dat Darwin (en navolgers) de mens zien als een diersoort is wel enigszins waar. Daar heeft Geuljans overigens enorme problemen mee. Steiner had dat trouwens ook. Dieren zijn in de ogen van Steiner echt minder, zelfs nog minder dan indianen.  Nu hebben antroposofen er grote moeite mee dat de plaats van de mens in de kosmos wordt gerelativeerd. Voor Steiner is de mens het ultieme doel van de schepping. Het voert in dit verband wat ver, maar lees in deze zeker Steiners belangrijkste tekst, uit Geheimwissenschaft (GA 13, 1909), zo’n beetje het magnum opus van Rudolf Steiner, en dan vooral zijn meer dan honderd pagina’s lange hoofdstuk Die Weltentwickelung und der Mensch, waarin Steiner zijn visie op het ontstaan beschrijft, van ‘oerknal’ tot ongeveer de komst van Christus. Uit deze lange verhandeling  blijkt zelfs dat de evolutie van de kosmos naar één groot project heeft toegewerkt: het leven van de mens op deze planeet (en dan daarbinnen de meest geslaagde exemplaren die niet door abnormale geesten van de vorm vanuit de kosmos zijn misvormd). Nee het soort mensen dat ten opzichte van de rest van de mensen ‘alleen maar voordelen heeft eigenlijk helemaal geen nadelen’ (vierde voordracht van Die Mission einzelner Volksseelen). Dus net dat stukje mensheid, dat de ene cultuur na de andere voortbracht. Want ook in Geheimwissenschaft is het soms van:

“Diejenigen Menschen-Rassen-Formen, welche sich vor diesem Zeitraum verfestigt hatten, konnten sich zwar lange fortpflanzen, doch wurden nach und nach die in ihnen sich verkörpernden Seelen so beengt, daß die Rassen aussterben mußten. Allerdings erhielten sich gerade manche von diesen Rassenformen bis in die nach-atlantischen Zeiten hinein; die genügend beweglich gebliebenen in veränderter Form sogar sehr lange. Diejenigen Menschenformen, welche über den charakterisierten Zeitraum hinaus bildsam geblieben waren, wurden namentlich zu Körpern für solche Seelen, welche in hohem Maße den schädlichen Einfluß des gekennzeichneten Verrats erfahren haben. Sie waren zu baldigem Aussterben bestimmt“.

uit: Rudolf Steiner, Die Geheimwissenschaft im Umriß, GA 013, 1909, hoofdstuk 4 ‘Die Weltentwickelung und der Mensch’ , hier te raadplegen

We hebben het al eerder gezien. Zo belangrijk is het dus om tot een bepaald ras te behoren. Van levensbelang dus. Als je bij het goede ras behoort ben je uitverkoren tot zo’n beetje het middelpunt van de kosmos en is al het andere leven ondergeschikt.

Als Darwin komt aanzetten met een verhaal dat de mens helemaal niet zo bijzonder is, maar een van de vele soorten, net als alle andere diersoorten, is dat echt vloeken in de spreekwoordelijke antroposofische kerk. Dan is zelfs Darwin een racist, die in soorten denkt, in de ogen van Geuljans althans. Maar het is natuurlijk totale flauwekul. Echt een redenering van niks. En als je er goed over nadenkt, sluit Darwins verhaal de uniciteit van het individu helemaal niet uit. Het is niet Darwin die mensen tot hun ras reduceert, het is Steiner die dat (in bepaalde mate) doet, althans vooral de niet Europese rassen. Hij vindt zelfs dat Afrikanen en Aziaten vooral heel erg op elkaar lijken, terwijl bij blanken de persoonlijke individualiteit meer zichtbaar zou zijn. Overigens een typisch eurocentrisch verhaal, want dat wordt vaak ook door niet Europeanen weer van Europeanen gezegd (Chinezen vinden vaak dat wij weer erg op elkaar lijken).. Een flinke portie eurocentrisme (en zeker ook etnocentrisme) was Rudolf Steiner zeker niet vreemd.

En ja, Steiner zegt inderdaad, ook in Die Mission einzelner Volksseelen, dat een mens niet uitsluitend is terug te brengen tot zijn ras. Maar het is wel een vrij wezenlijke factor. Uit zijn arbeidersvoordracht uit 1923 (GA 349) komt het beeld naar voren dat zwarten zich vooral laten leiden door hun ‘driftleven’, Aziaten door hun ‘gevoelsleven’ en blanken door hun verstand. In die voordracht zegt hij ook dat uiteindelijk alle ‘gekleurde rassen’ (Afrikanen, Aziaten, Indianen) het lootje leggen en dat het blanke ras het ras van de toekomst is (het is hierboven al aangehaald).

Aan dat soort racisme maakt Darwin zich niet schuldig. Steiner doet dat consequent wel, dat is zelfs een rode draad in zijn oeuvre vanaf ongeveer 1900 tot aan zijn dood in 1925, precies de periode dat hij de academische wetenschap vaarwel had gezegd en zich tot de esoterie had gewend. Gedurende die hele periode heeft Steiner ook een esoterische rassenleer uitgedragen, al probeert Geuljans dat enigszins te verdoezelen door oa ook citaten van Steiner van voor die tijd in stelling te brengen.

Ik denk dat we de kern van Geuljans zogenaamd verhelderende artikel wel te pakken hebben, al werpt hij nog zoveel rookgordijnen op. Maar er volgen nog een paar opmerkelijke en interessante dingen, dus laten we onze weg door dit mystificerende werkstuk vervolgen.Ik zal een nu iets grotere sprong maken. Bij de volgende beschrijving van Steiners ideeën over evolutie komt er een ander interessant verschijnsel naarboven, dat ook hecht is verweven met Steiners rassenleer. Tegelijkertijd laat dit ook zien dat Steiner vooral alternatieve en inmiddels achterhaalde versies van de Darwinistische evolutieleer in zijn wereldbeschouwing verwerkte. Zoals de theorie van Ernst Haeckel (door Geuljans een keer eerder in dit artikel genoemd). Geuljans:

“Steiner sluit met zijn opvattingen over evolutie aan op het Duitse Idealisme, in het bijzonder op de Idee zoals Goethe dat zag. Als we – even als hypothese – de Idee of de geest niet als een dode abstractie maar in de zin van Goethe als scheppend, als een geestelijk realiteit of kracht begrijpen, kunnen we ons voorstellen dat deze kracht ook ons fysieke lichaam en al onze organen aanlegt. Goethe noemde dit ‘de organische vormkracht van de Idee’. Een dier wendt deze geestelijk kracht volledig aan om zich fysiek aan te passen aan zijn omgeving. Daardoor verdicht deze zich tot een specialisatie bijvoorbeeld in de vorm van een hoef, een klauw of een vleugel, waarmee deze krachten gefixeerd zijn in een specifieke vorm. Darwin noemt dat een evolutionair voordeel. In praktisch opzicht is dat natuurlijk ook zo, menig dier kan beter vliegen, harder rennen of harder bijten dan wij. Voor Steiner is het echter onzin deze theorie op mensen te betrekken. Een mens die mens wil blijven zoekt geen fysiek voordeel maar wil zich moreel ontwikkelen. Daartoe wendt hij de Idee slechts gedeeltelijk aan voor de aanleg van zijn fysieke lichaam: hij houdt deze potentie, organische kracht terug. In dit níet ontwikkelen van een adaptatie (dat in de biologie wordt aangeduid met neotenie) ontstaat een overschot. Dit overschot aan geest kunnen we aanwenden voor het ontwikkelen van ons bewustzijn en onze morele vermogens.

plaatje Geuljans 2

Wij mensen bezitten geen klauwen maar handen. Daarmee kunnen wij ons uitdrukken in gebaren en schrift. De hand is niet zo sterk en effectief als slagwapen of vleugel, daar staat tegenover dat we gereedschappen kunnen bouwen waar we niet mee vergroeid zijn.
Wat is nu eigenlijk een “Übermensch”? Beeldend gesproken: een mens met klauwen. Een superieur exemplaar van de soort. Het streven naar een Übermensch is niets anders dan het streven naar dierlijke perfectie, specialisatie. Of zoals Nietzsche, het treffend uitdrukt: een duister streven naar “die blonde Bestie”. Rudolf Steiner vond het tragisch dat Nietzsche dit naar voren bracht in een wereld van troebele geesten die in Duitsland de macht naar zich toetrokken. Maar wat moet een darwinist hiermee? Hij kan er niets mee, terwijl het toch evident is wat het verschil is als wij elkaar als een exemplaar van de soort zien of als een individu, een soort op zich. In de natuur is het normaal dat binnen een dier-soort de zwakkere herten sterven opdat de sterksten overleven. Maar in een afzonderlijk mens, als soort in zichzelf, ontwikkelen wij onze menselijkheid door in onszélf onze zwaktes te overwinnen. Een menselijk ‘ik’ omvat als het ware een hele dier-soort en de strijd moet daarom in zijn innerlijk plaatsvinden. In zijn ziel overwin het ‘ik’ de zwakkere eigenschappen opdat de sterkste morele eigenschappen “overleven”. De afdalende evolutie is dus een soort weerstand of uitdaging die in onszelf overwonnen moet worden. Rudolf Steiner tilt het darwinisme op naar een moreel niveau, naar de ziel en geeft het zijn plaats in de Filosofie van de Vrijheid, hoofdstuk 12 morele fantasie, met de ondertitel darwinisme en zedelijkheid.”

Natuurlijk probeert Geuljans weer alles aan Steiners vroege werk te relateren, om de rassenleer buiten zicht te houden, zie wederom zijn verwijzing naar Filosofie der Vrijheid. Ook al die sneren richting Nietszche zijn volkomen misplaatst en bovendien niet meer dan ruis, die afleiden van het echte probleem, maar dat doet Geuljans in dit artikel consequent, zoals we al eerder hebben gezien. Maar toch, Geuljans heeft hier wel iets aangeroerd dat ook voor Steiners rassenleer van belang is. Hoewel Geuljans in dit verhaal benadrukt dat Steiner afstand nam van de bioloog Ernst Haeckel en zijn inmiddels verworpen versie van de evolutie-theorie, de recapitulatie-theorie, is Steiner toch diep door Haeckel beïnvloed. Geuljans kan roepen wat hij wil over dat Darwin eigenlijk racistisch zou zijn, in Haeckels theorie ligt wel een mogelijke basis voor Steiners rassenleer, vooral de verdeling van de rassen over de verschillende leeftijdsfases van de mens, zoals Steiner dat deed in Die Mission einzelner Volksseelen. We halen het nog een keer terug:

‘ In dieser Art wird der Mensch von den Kräften ergriffen, die von der Erde aus bestimmend für ihn sind, so daß wir, wenn wir diese einzelnen Punkte ins Auge fassen, eine merkwürdig verlaufende Linie erhalten. Diese Linie besteht auch für unsere Zeit. Der afrikanische Punkt entspricht denjenigen Kräften der Erde, welche dem Menschen die ersten Kindheitsmerkmale aufdrücken, der asiatische Punkt denjenigen, welche dem Menschen die Jugendmerkmale geben, und die reifsten Merkmale drückt dem Menschen der entsprechende Punkt im europäischen Gebiete auf. Das ist einfach eine Gesetzmäßigkeit. Da alle Menschen in verschiedenen Reinkarnationen durch die verschiedenen Rassen durchgehen, so besteht, obgleich man uns entgegenhalten kann, daß der Europäer gegen die schwarze und die gelbe Rasse einen Vorsprung hat, doch keine eigentliche Benachteiligung. Hier ist die Wahrheit zwar manchmal verschleiert, aber Sie sehen, man kommt mit Hilfe der Geheimwissenschaft doch auf merkwürdige Erkenntnisse.

Wenn wir dann diese Linie weiterziehen, so kommen wir weiter nach Westen nach den amerikanischen Gebieten hinüber, in jene Gebiete, wo diejenigen Kräfte wirksam sind, die jenseits des mittleren Lebensdrittels liegen. Und da kommen wir – ich bitte das nicht mißzuverstehen, was eben gesagt wird; es bezieht sich nur auf den Menschen, insofern er von den physisch-organisatorischen Kräften abhängig ist, von den Kräften, die nicht sein Wesen als Menschen ausmachen, sondern in denen er lebt -, da kommen wir zu den Kräften, die sehr viel zu tun haben mit dem Absterben des Menschen, mit demjenigen im Menschen, was dem letzten Lebensdrittel angehört. Diese gesetzmäßig verlaufende Linie gibt es durchaus; sie ist eine Wahrheit, eine reale Kurve, und drückt die Gesetzmäßigkeit im Wirken unserer Erde auf den Menschen aus. Diesen Gang nehmen die Kräfte, die auf den Menschen rassebestimmend wirken. Nicht etwa deshalb, weil es den Europäern gefallen hat, ist die indianische Bevölkerung ausgestorben, sondern weil die indianische Bevölkerung die Kräfte erwerben mußte, die sie zum Aussterben führten”.

Tot zover deze passage van Steiner. Laat ik dan ook nog deze twee illustraties weergeven, die Steienrs kijk op de verschillende rassen nog meer verduidelijken. Het eerste plaatje is een hedendaags schema, afkomstig van de site anthrowiki, om de visie van Steiner op mensen rassen nog eens ‘goed uit te leggen’ (racisme, hoe kom  je erbij?). Het tweede plaatje is van de bioloog en Steiner volgeling van het eerste uur, Hermann Poppelbaum, die met zijn illustratie eens goed wilde aantonen hoezeer Steiner gelijk had in zijn karakteriseringen van de verschillende ‘rassen’.

Een model op een antroposofische website, dat, misschien nog wel duidelijker dan Steiners figuurtje, goed deze ontwikkeling laat zien: (de astrologische tekens verwijzen naar Steiners indeling uit de zesde lezing van Die Mission einzelner Volksseelen.

Een tekening van Hermann Poppelbaum, waarin getracht wordt de accenten van de leeftijdsfase die in een bepaald ras domineren herkenbaar te maken(1926) De antroposofie heeft een rassenleer?? Hoe kom je op het idee

En dan Haeckel. Ik geef hier de beschrijving van diens recapitulatie-theorie weer uit ‘De encyclopedie van de pseudowetenschap’, van Marcel Hulspas en Jan Willem Nienhuys:

Recapitulatietheorie

‘Een door de Duitse bioloog Ernst Haeckel ontworpen theorie die zegt dat alle levende wezens in de ontwikkeling voorafgaand aan de geboorte in kort bestek de stadia doorlopen die hun voorouders- volgens de evolutietheorie van Charles Darwin hebben doorlopen. Een menselijke embryo doorloopt bijvoorbeeld tijdens zijn groei stadia waarbij het achtereenvolgens lijkt op een sponsachtig dier, een vis, een amfibie en uiteindelijk een mens. Om het wat hoogdravender te zeggen: de ‘ontogenese’ recapituleert de ‘fylogenese’. Haeckel noemde dit in 1872 de fundamentele wet.

Illustratie evolutiemodel Ernst Haeckel (recapitulatietheorie)

De recapitulatietheorie maakte volgens Haeckel al dat speuren naar fossielen overbodig: de ontwikkeling van het leven was in het ei of de baarmoeder te volgen. Darwin en zijn grote verdediger, Thomas Huxley, waren aanvankelijk wel gecharmeerd van het idee, maar later bekroop hen de twijfel, vooral omdat Haeckel het gebruikte om aan te tonen dat de materie was doortrokken van een sturende Geist- een vorm van filosoferen waar beide Britten niets van moesten hebben (en we weten nu dat dit bij Steiner en de antroposofie het tegenovergestelde is, zie alle tirades tegen het ‘materialisme’, FS). Een ander probleem was dat de stadia die Haeckel meende te zien, veel minder duidelijk waren dan gehoopt. Wanneer bij een bepaalde soort een lichaamsdeel of orgaan sterk ontwikkeld is, wordt dat deel al gevormd in een zeer vroeg (volgens de recapitulatietheorie té vroeg) stadium. Zo begint de groei van de menselijke hersenen veel ‘eerder’ dan men op grond van de recapitulatietheorie mag verwachten. De plaatjes van embryo’s waarmee Haeckel zijn theorie illustreerde (zie afb. 8 ), werden al spoedig als vervalsingen beschouwd. Kritiek hierop werd door vooraanstaande biologen al in 1909 weggewimpeld, omdat ze meenden dat die kritiek ook de evolutiegedachte ondermijnde.

Tegenwoordig beschouwen biologen de recapitulatietheorie als achterhaald. Er is duidelijk sprake van een uniformiteit in de ontwikkeling van het ongeboren leven, maar deze wordt veroorzaakt door de opeenvolgende activiteit van een beperkt aantal fundamentele genen die informatie bevatten over het ‘plan’ dat aan ieder dier ten grondslag ligt. De gelijkenis van de vroege ontwikkelingsstadia betekent slechts dat de mutaties in de afgelopen honderden miljoenen jaren het meest betrekking hebben op de veel grotere aantallen genen die de vorming van latere stadia besturen. De door Haeckel aangetoonde overeenkomsten vormen dus wél een sterke aanwijzing voor de gemeenschappelijke oorsprong van het leven op aarde.

Haeckels theorie gold decennia lang als een belangrijke ontdekking. Zij had grote invloed op het ‘wetenschappelijk racisme’ en de discussies over de ‘missing link’. Spoedig ontstond er een psychologische versie waarin de ontwikkeling die het kind doorliep, opgevat werd als de recapitulatie van de stadia der menselijke beschaving, die op hun beurt weer werd vergeleken met de leefwijzen van ‘primitieve volkeren’ (beide zeer herkenbaar in de antroposofie, FS). Kinderen doorliepen een ‘negerstadium’ en tijdens de puberteit een ‘mongoloïde stadium’, alvorens volwassen te worden en het stadium van de beschaafde blanke man te bereiken (zie hier een belangrijke bron voor Steiners uiteenzettingen in Die Mission, FS). Vrouwen bleven in het mongoloïde puberale stadium steken en waren daardoor behept met puberale trekjes als labiel, bijgelovig en emotioneel – eigenschappen die ook karakteristiek zouden zijn voor het mongoloïde ras (en aanleiding gaven tot de aanduiding ‘mongolisme’ voor het syndroom van Down).

Ook de pedagogiek van Rudolf Steiner en de theorie van Sigmund Freud dat het kind verschillende seksuele stadia doorloopt, zijn geïnspireerd op de recapitulatietheorie. Steiner koppelde de ontwikkeling van kind naar volwassene aan de ontwikkeling van beschaving. Pas in de hogere klassen mogen kinderen in aanraking komen met de ‘hogere’ Germaanse cultuur. Freud meende dat het universele verbod op incest, net als godsdienst en maatschappelijke regels, voortvloeide uit een dramatische gebeurtenis uit een ver verleden: de jonge mensen zouden ooit de leider vermoord hebben om zich toegang tot de vrouwen te verschaffen. Deze gebeurtenis wordt in ieder individu herhaald wanneer deze de oedipale fase in de ontwikkeling doormaakt’.

Uit: Hulspas & Nienhuys, Tussen waarheid en waanzin; een encyclopedie van de pseudo-wetenschappen, de Geus, Breda, 1998, p. 335

Ik denk dat het beeld langzamerhand duidelijk wordt en ook wat Stephan Geuljans ons nadrukkelijk niet wil vertellen. Om het verhaal compleet te maken over de verschillende  evolutie-theorieen die van invloed waren op Steiner, moeten we ook nog de retardatie-theorie van Louis Bolk noemen. Die lijkt erg om Haeckels theorie, alleen stelt die dat de ‘gespecialiseerde kenmerken van een menselijke foetus het langst worden ‘teruggehouden’ (geretardeerd). Ieder dier zou vroeger of later  in een ‘specialisme’ schieten, behalve de mens, een teken dat de mens een unieke missie heeft in onze schepping. Ook de retardatie-theorie wordt tegenwoordig door de gevestigde wetenschap verworpen, alleen zien bepaalde antroposofen er nog wat in (daarom bestaat er ook een Louis Bolk Instituut in Zeist).

Al deze alternatieve evolutie-theorieën vormen veel meer de basis voor een rassenleer dan die van Darwin, niet in de laatste plaats Steiners eigen kijk op de evolutie. Geuljans misvormt hier het echte werk van Darwin, om de antropocentrische en etnocentrische visie op de evolutie van Steiner op te poetsen.

Zeer onlangs bereikte dit geluid ook de ingezonden brievenpagina van de NRC. Evelien Nijeboer, eveneens redacteur van de Aardespiegel reageerde op een artikel over Goethe (dat ik helaas niet voorhanden heb, ik heb die NRC net gemist) van Bart Funnekotter, Culturele elite was blij met Adolf Hitler (NRC 7 februari, 2013). Het gaat mij hier niet om het artikel van Funnekotter, dus ook niet of Goethe iets terechts of onterechts in de schoenen wordt geschoven. Evelien Nijeboer viel over deze passage, een uitspraak van Frits Boterman, hoogleraar moderne Duitse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam:

“De Duitse intellectuelen volgden Hitler in de jaren dertig van harte. Dat hielp het regime in het zadel, zegt historicus Frits Boterman… Mijn vrouw zet elke avond rond elf uur muziek van Beethoven op. Daarin hoor ik het onweer nog niet naderen. Maar als ik naar Wagner luister, of ik lees Goethes Faust, dan realiseer ik me goed dat de nazi’s niet uit het niets zijn verschenen.”

Dat was Evelien Nijeboer in het verkeerde keelgat geschoten, die reageerde met (brief hier in de Aardespiegel te raadplegen):

“De mening van Frits Botermans is niet nieuw: de hele na-oorlogse twintigste eeuw is doordrenkt van een instinctief wantrouwen jegens religie, idealisme en spiritualiteit, want ‘dat had de Nazi’s voortgebracht’. Deze redenering is echter slordig en tendentieus.

De Duitsers hadden moeite met de onttovering van de wereld? Dat lijkt me een understatement. Duitsland werd in de jaren ’20 en ’30 door de ‘herstelbetalingen’ (een soort boete voor verliezers) in een sociaal-economische afgrond gestort. Hitler was geen Goetheanist maar een overtuigd en consequent darwinist. Goethe staat als wetenschapper lijnrecht tegenover deze Angelsaksiche wetenschapsbenadering. De kwaadaardige Nazi’s namen Darwin natuurlijk met opzet letterlijk (rassenleer, natuurlijke selectie op mensen). Dat Duitsers misschien meer dan anderen geneigd zijn om consequent te zijn in hun denken heeft misschien inderdaad met romantiek te maken. Maar het bewijs dat ‘het recht van de sterkste’ de nieuwe wereldorde uitmaakte werd geleverd door de totale economische vernedering die Duitsland als ‘verliezer’ doormaakte – daar was het oude ideaal van ‘bildungsbürgertum’ inderdaad niet tegen opgewassen. Goethe had afgedaan, darwinisme was de nieuwe ideologische norm en daardoor had men voor Hitler geen ideologisch alternatief. Als de Duitsers Goethe werkelijk in ere hadden gehouden hadden ze elkaar met gedichten bestookt in plaats van concentratiekampen op te richten.

Botermans lijkt juist die hoge menselijke vaardigheden als inspiratie en het kunnen scheppen van cultuur verantwoordelijk te willen maken voor de ergste misdaden tegen de menselijkheid, en dat is een gotspe. Het is het onderbuikgevoel van iemand die de slechtheid van de mensen wil thuisbrengen in het feit dat zij gevoelens en idealen hebben. (ps, ik kan evt. in een iets langer artikel schetsen hoe Duits Goethe zich fundamenteel onderscheidt van Darwin en de Angelsaksische wetenschapsbenadering (zoals geformuleerd door lord Francis Bacon)”.

Dus de ‘Angelsaksische wetenschap’ en de ‘Darwinistische rassenleer’, dat waren de inspiratiebronnen van Adolf Hitler? Dit is wel een wanhoopsstrategie en een groteske ontkenning van het bestaan van de troebele vijver, waar zowel Rudolf Steiner als Adolf Hitler zich aan laafden (waarmee ik dus niet zeg dat zij tot een vergelijkbare visie kwamen). Alles wat ‘Angelsaksisch’ is (hoe definieer je dat trouwens?), is trouwens bijzonder boosaardig in de ogen van dit smaldeel der antroposofen, ook bij Jos Verhulst. De ‘Angelsaksische Occulte Loges’ zijn het middelpunt van allerlei sinistere complotten en zitten zowel achter de ‘materialistische wetenschap’, als achter allerlei ‘duistere Joodse netwerken’, maar daar kom ik zo nog op terug. Maar er is dus sprake van een ‘Darwinistische rassenleer’ en Steiner kan zijn handen in onschuld wassen? Ach Evelien Nijeboer, die heeft waarschijnlijk teveel aan de lippen van Stephan Geuljans gehangen (of aan die van Jos Verhulst, je weet maar nooit). Het is wachten op het moment dat er ingezonden brieven van antroposofen komen dat niet de antroposofie, maar het Marxisme en het liberalisme een rassenleer kennen. Of de islam, wel lekker modieus. Aardespiegel meets Hoeiboei  ;)   (aan dat laatste fenomeen heb ik op dit blog ook weleens aandacht aan besteed, zie hier). Hoewel Stephan Geuljans weer niet zo dol  is op de opinies van Hans Jansen, zie hier Ik overigens ook niet, dat heb ik dan weer met Geuljans gemeen (al waardeer ik Jansen wel als een oud-docent van mij uit Leiden). Of  ‘de linkse kerk’ en ‘het postmodernisme’ met het daarmee samenhangende ‘multiculturele politiek-correcte complex’. Met het Jodendom is dat al een keer gebeurd, door de hierna nog te bespreken Jos Verhulst, maar daarover zo meer.

Het echte probleem dat antroposofen met Darwin hebben, en het  echte probleem dat ze ook met Nietzsche hebben,  is volgens mij  dat beiden van een wereldbeeld uitgaan, waarin een hogere macht irrelevant is. Het hogere is zijn patent op de schepping ontnomen. Voor een door en door religieuze levensbeschouwing als de antroposofie is dat natuurlijk een gruwel. Nietzsche heeft immers ‘God doodverklaard’, waar mee hij hem als irrelevant terzijde heeft geschoven. De consequentie van Nietzsche en Darwin is dat als wij het leven zin willen geven, of een hogere bestemming, wij die zelf moeten creëren. Ikzelf vind dat een bevrijdende gedachte maar ik kan me voorstellen dat anderen dat een griezelig idee vinden. Maar dat staat natuurlijk haaks op het ‘zingevingszoeken’ van de antroposofie. Ik denk dat dit het echte probleem is wat veel antroposofen met Darwin hebben, naast het idee dat de mens slechts een van de vele soorten is en niet een exclusieve of uitverkoren creatie, of zelfs het ultieme doel van de schepping (en dan sommige mensen nog wat meer dan anderen).

Het inzetten van Goethe om Steiners rassenleer te verdedigen beschouw ik persoonlijk als een verkrachting van Goethe. Idem van andere eerbiedwaardige Duitse denkers.

Verder met Geuljans:

“Zelfs als een wetenschapper met een hoge moraal meent dat het darwinisme het ideaal van een “Übermensch” of beter gezegd “Übertier” niet nastreeft, zal hij moeten toegeven dat als wij elkaar dier-soort gaan behandelen, hij hier geen goed argument tegen in kan brengen. Hij zal welhaast zijn toevlucht moeten nemen tot politieke correctheid en al dat gepraat over ras en aanpassing het liefst willen verbieden.5

In een meer uitgebreid schema:

stijgende evolutie ↔ afdalende evolutie

individu ↔ soort (ras, bloedverwantschap)

vrijheid ↔ wetmatigheid

mens ↔ dier-soort

Anders gezegd: de wetmatigheid is de uitdaging waaraan het individu zich moreel ontwikkelt; waar een dier noodgedwongen de strijd in de natuur aangaat, gaat het individu in vrijheid de strijd in zichzelf aan.
Terug naar het begin: Sommigen verbazen zich er misschien over dat wij geen onderscheid maken tussen ‘darwinisme’ en ‘sociaal-darwinisme’. Voor een helder denkend mens is dit onderscheid kunstmatig, het is een machteloze en niet-effectieve poging om de schadelijke effecten van het darwinisme als ideologie te ondervangen. In de moderne wetenschap na de tweede wereldoorlog is het menselijk individu non-existent verklaard. En om ideologische uitwassen voor de toekomst te ondervangen, is een kunstmatig onderscheid gemaakt tussen biologisch- en sociaal-darwinisme. Het onderscheid komt neer op de stelling: “Wij leren op de universiteit elkaar te zien als dieren, maar wij mogen op straat elkaar niet als dieren behandelen. We zijn dieren, maar moeten doen alsof dat niet zo is”. Het sociaal-darwinisme is wetenschappelijk inconsequent, en dat vangen we op met politieke correctheid en allerlei taboes.”

Tot zover. Zie weer dat antroposofische superioriteitsdenken. Want hoezo elkaar als dieren behandelen? Er is geloof ik geen diersoort dat zo moorddadig naar soortgenoten (en naar andere levensvormen) kan zijn als de mens en zeker de moderne mens. Daar zou Geuljans toch ook wel enig besef van hebben? Een van de weinige goeie dingen aan de toepassingen van de antroposofie is nou net de Biologisch Dynamische Landbouw, althans het diervriendelijke aspect daarvan. Maar nee, ik zou mensen zeker niet moreel superieur aan dieren willen noemen. Niet zonder meer.

En nogmaals: dit is weer het eerder genoemde belangrijke misverstand over Darwin. Voor antroposofen moet alles ‘zin’ hebben. De schepping is in de antroposofische visie teleologisch. De kern van het Darwinisme is nu juist toeval. Ik heb het idee dat antroposofen vooral daar moeite mee hebben. In dit verband is het bijzonder boeiend om een andere bijdrage van Stephan Geuljans te lezen, waarin hij zelf goed (en mijns inziens ook openhartig) over deze worsteling schrijft. Maar volgens mij is het echte probleem dat Geuljans en wellicht andere antroposofen hebben dat het Darwinisme ook (wetenschappelijk) atheïsme betekent.

Darwinisme is inderdaad een wetenschappelijke theorie, geen ideologie. Dat maakt Geuljans ervan. Misschien is Geuljans zelf niet goed in staat om die twee zaken te scheiden, omdat antroposofie in wezen ook een soort ideologie is (levensbeschouwing), die ten onrechte pretendeert een wetenschap te zijn. Hoe de soorten zijn ontstaan op aarde, zegt natuurlijk niets over hoe wij ons van mens tot mens moeten verhouden. Want daarin hebben wij wel een keuzemogelijkheid. Of beter gezegd: een vrije wil. Het is niet het Darwinisme dat de vrije wil in de weg staat, het is eerder de antroposofie, zoals die door Steiner aan het begin van de twintigste eeuw is vormgegeven (Filosofie der Vrijheid laat ik hier buiten beschouwing, laten we de zaken wel goed scheiden).

 En dan Geuljans laatste bewering, die hij afsluit met een voetnoot:

“Het sociaal-darwinisme is wetenschappelijk inconsequent, en dat vangen we op met politieke correctheid en allerlei taboes.”

Politieke correctheid, de grote vijand van de antroposofie! Net als die van Wilders, nieuw islamofoob extreemrechts en oud antisemitisch extreemrechts (ik denk dat deze definities voor iedereen wel duidelijk zijn).  En wat staat er bij die voetnoot onderaan het artikel vermeld:

“Het onderscheid tussen mens en dier, neotenie en specialisatie is op indrukwekkende wijze beschreven in “Der Erstgeboren” van Jos Verhulst, Verlag Freies Geistesleben, 1999 Stuttgart”.

 Nee maar! Jos Verhulst. Toen het woord ‘politieke correctheid’ viel, had ik het al kunnen vermoeden. Het blijft wel ironisch dat Geuljans in een artikel dat het vrijpleiten van Rudolf Steiner van rassenleer beoogt, verwijst naar een antroposoof die zaken de antroposofie probeert binnen te sluizen waarmee je, ook in mijn ogen, Steiner een ongelooflijk onrecht mee aandoet. Want als er iemand voortdurend de antroposofie als uitvalsbasis gebruikt om allerlei zeer dubieuze (jawel Neonazistische) ideeën aan te prijzen, is het deze Jos Verhulst wel. Want ook Jos Verhulst is tegen alles wat ‘politiek-correct’ is, en hoe! Alleen wel in een mate dat velen, die zichzelf ook als ‘anti-politiek correcte helden/martelaars’ zien toch wel even zouden moeten slikken. Want bij Verhulst gaat het om echte heavy stuff. Daar is Wilders niks bij. Direct hierna zal ik daar uitgebreid op terugkomen.

Nog een van de laatste stukjes van  Geuljans:

“Wolfgang Schad laat in zijn Evolution als Verständnisprincip: Darwinismus, was is das? zien hoe inventief de aanhangers van Darwin zijn om de relatie tussen zijn theorie van “natural selection” en “human selection” te ontkennen. Wallace waarschuwde Darwin dat “human selection” tot de ondergang van het christelijke Europa zou leiden en ook Darwin zag wel degelijk de gevaren van zijn eigen theorie. Hij stelde in The descent of man (1871) dat de hulp aan de zwakkeren ertoe zal leiden, dat er meer zwakkeren in leven blijven. Darwin vond dat geen goed zaak, maar stelde dat wij uit mededogen deze vermeerdering van de zwakken moeten verdragen. Schad wijst er terecht op dat deze morele houding van Darwin niet verklaard wordt uit de harde selectiewetten die Darwin in het dierenrijk meent te zien en die – omdat de mens een dier is – dus ook op hulpbehoevende mensen van toepassing is. Schad wijst er op dat de morele Darwin niet volgt uit het darwinisme en dat het: “onlogisch [is], en in tegenspraak met zichzelf, zodat het latere sociaal-darwinisme een wetenschappelijk objectief lijkend argument in handen werd gegeven”.6 Het is niet politiek correct kritiek te hebben op Darwin, maar dat maakt het bestaan van deze relatie er niet minder om”.

Het stuk van Wolfgang Schad ken ik niet, maar Schad is een prominente antroposoof, overigens niet een van de meest conservatieve-naar ik heb begrepen. Maar als ik dit zo bekijk (dus wat Geuljans hier schrijft) dan is het, als je er goed over nadenkt, natuurlijk onzin. Als de Darwinistische evolutieleer het onstaan van de soorten verklaart, doet het nog geen ‘morele aanbeveling’ over hoe mensen hun maatschappij zouden moeten inrichten. Bovendien is dit ook weer een behoorlijk staaltje projectie. Rupert Sheldrake, in esoterische kring overigens zeker niet impopulair, heeft weleens verklaard dat je in de evolutie kunt zien wat je wil zien. Een harde strijd om te overleven, zeker. Moordzucht en totale verspilling, je ziet het overal in de natuur. Maar ook de meest bijzondere vormen van samenwerking en symbiose. Het is er allemaal. Bovendien, en dat is in de antroposofie een gruwel, is er in de Darwinistische beschrijving van de evolutie ook nog sprake van iets als ‘toeval’.

Kortom, het is aan ons mensen zelf hoe wij het leven willen vormgeven en om dat naar eer en geweten en met de beste kennis te doen. Daar heb je geen ‘antroposofische wetmatigheden’, die (als je ze even doordenkt) helemaal niets verklaren, voor nodig. Bovendien, als er een soort ‘survival of the fittest’ ideologie aan de menselijke geschiedenis wordt opgedrongen (of een ingebeelde survival of the fittest ideologie) is dat wel in de antroposofie. ‘Mission erfüllt, Verfall programmiert’, dat is meer antroposofisch  dan klassiek Darwinistisch. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de antroposofische noties van rassen, wortelrassen, cultuurperiodes, etc. meer overeenkomsten vertonen met ‘sociaal Darwinisme’ (het ‘survival of the fittest’ tot blauwdruk verklaren voor menselijke samenlevingen)- Helmut Zander heeft dat weleens gezegd- dan het echte Darwinisme van Darwin, waarin toeval de belangrijkste factor is. Dus toeval, de afwezigheid van de een hogere macht, het ontbreken van een hoger einddoel of apotheose, het het relativeren of zelfs miskennen van de unieke rol van de mens in de schepping… dat zijn allemaal zaken waar de antroposofie grote moeite mee heeft. Ik denk dat dit het echte probleem is, waar de antroposofen mee zitten. De werkelijke reden voor het schrijven van wanhopige ingezonden brieven over dat het Darwinisme een rassenleer kent en de antroposofie niet.

Verder met Geuljans :

Zoals gezegd is voor Steiner een ‘ras’ wat Darwin een ‘specialisatie’ of ‘aanpassing’ aan zijn omgeving noemt, met het wezenlijke verschil dat wij volgens Steiner een mens niet kunnen begrijpen als wij blijven staan bij deze gebondenheid aan de soort. Volgens de darwinistische theorie is een mens een veredelde aap volledig gebonden aan de soort; een exemplaar van de soort: volledig ‘ras’. Maar omdat we het begrip ‘ras’ taboe hebben verklaard, niet mogen noemen alsof we op de staart van de duivel trappen, worden we ons niet bewust van dit impliciet verborgen racisme dat in het darwinisme besloten ligt. Het kan ook anders. Door het darwinisme op te nemen, of beter gezegd, op te tillen in zijn filosofie, hebben wij zoals Wallace dat wilde, de juiste argumentatie in handen tegen “human selection”. Want volgens Darwin moet liefde en mededogen de pijn van de evolutie verzachten; voor Rudolf Steiner daarentegen behoort de liefde en mededogen tot de essentie van de menselijke evolutie. De “menselijkheid” behoeft niet kunstmatig met opgeheven vingertje van buiten af aan de evolutie te worden toegevoegd.

Dit is, neem me niet kwalijk, een volkomen valse voorstelling van zaken. Eerst zegt Geuljans dat Steiner zou vinden dat een ‘ras’ een ‘soort’ is. Zover gaat zelfs Steiner niet, zoals hij zelf een keertje zei in de arbeidersvoordracht uit 1923 (GA 349): “…weil ja der Mensch immer ein Mensch ist, selbst wenn er ein Schwarzer ist” (citaat 123 uit het van Baarda-rapport en een van de beroemde zestien citaten, ook op dit blog besproken zie hier). Ook voor Steiner is een mens een mens, zelfs als ie zwart is ;) Misschien ligt dat voor Stephan Geuljans anders, maar voor Rudolf Steiner is dit beslist niet het geval. Maar het echte probleem voor Geuljans is dat de mens ‘een veredelde aap’ zou zijn, zoals Geuljans het omschrijft. In de Darwinistische evolutie-leer is inderdaad de mens niet een verheven soort ten opzichte van andere soorten. Net zoals de ’Arische mens’ ook niet verheven is boven andere mensen, wat bij Rudolf Steiner in bepaalde mate wel het geval is. Desalniettemin wringt Geuljans zich in allerlei bochten, spagaten en ik weet niet wat voor standjes en acrobatische toeren om maar aan te tonen dat het Darwinisme racistisch is en de antroposofie niet. En Evelien Nijeboer die toekijkt en denkt: ‘Daar moeten de lezers van de NRC ook deelgenoot van worden gemaakt’.

En wie heeft het over Human Selection? Dat is nou juist Rudolf Steiner.  “Nicht etwa deshalb,  weil es den Europäern gefallen hat, ist die indianische Bevölkerung ausgestorben, sondern weil die indianische Bevölkerung die Kräfte erwerben mußte, die sie zum Aussterben führten”, dat is pas Human selection, al verschuilt Steiner zich achter al dan niet ingebeelde hogere machten.  Overigens vind ik het ook niet zo ‘menselijk’, om de woorden van Geuljans te gebruiken.

Geuljans besluit zijn artikel met:

“Als we eerlijk naar de antroposofie kijken en zien hoe Rudolf Steiner in zijn tijd stelling heeft genomen tegen racisme, zien we dat de racisme-aantijgingen absurd zijn. Het is tekenend voor onze tijd dat daar iedere keer opnieuw op moet worden gewezen. De kritiek op Steiner zal naar onze mening echter alleen verdwijnen als mensen er zich van bewust worden dat niet de antroposofie, maar het darwinisme (dus de heersende denktrant zélf) een schaduwzijde heeft en dat ‘politieke correctheid’ het verbod is om over deze schaduw na te denken. In dit verbond ontstaat het onvermogen om in een ander mens meer te zien dan een veredelde aap – zonder vrije wil, niet in staat tot het nemen van verantwoordelijkheid – die binnen het gareel moet worden gehouden door hem ‘politiek correct’ af te richten. Er is veel mee gewonnen als we de antroposofie niet vanuit een darwinistische bril, maar vanuit haar eigen ethisch-individualisme en de historische context willen begrijpen.”

Veel van wat  hier ter sprake is gekomen zit in dit laatste stukje tekst. Steiner die stelling zou hebben genomen tegen racisme (echt waar?), het echte probleem is het Darwinse (heus?)  en al helemaal ‘de politieke correctheid’ (hoe modieus). En wie zegt dat apen, of ‘veredelde apen’ geen vrije wil hebben? En nemen mensen dan wel ‘hun verantwoordelijkheid’ en apen niet (hoe Balkenende)? Ik vind het erg discutabel. En wat betreft ‘politiek correct africhten’, gelukkig dat we nog rechtsextremisten hebben van allerlei soort, waar vooral de Jos Verhulsten van deze wereld bijzonder blij mee zijn. Want het is deze Jos Verhulst,  wiens invloed onmiskenbaar doorklinkt in de laatste alinea’s van bovenstaand artikel, die hoognodig aan een nader onderzoekje moet worden onderworpen.

In de volgende delen zal ik het stuk van Geuljans verlaten en het traject van deze Jos Verhulst in kaart brengen (en wat hij en anderen zoal uitspoken, oa in het Nederlandse antroposofische tijdschrift Driegonaal). Aan het eind zal ik ingaan op het korte vervolgartikel dat Stephan Geiuljans schreef, nav een vraag van Ramon de Jonghe. Dat zal gaan over Steiners evolutie-modellen, waarin hij de Indianen, tov van de Europeanen, afschildert als een ‘Dekadente Abzweigung’ (GA 100).

Het geval Jos Verhulst

De Vlaamse antroposoof Jos Verhulst (1949) is een van de weinige antroposofen die regelmatig het publieke domein betreedt en ook enige naamsbekendheid geniet buiten de antroposofische circuits. Verhulst schijnt gepromoveerd te zijn op een scheikundig onderwerp (ik kan het niet helemaal terugvinden) en is, volgens de informatie die ik heb althans, leraar scheikunde aan de  Hybernia-school,  de Antwerpse Steinerschool (in België worden vrije scholen Steinerscholen genoemd). In Nederland is hij verbonden aan het Louis Bolk Instituut in Driebergen, dat vooral wetenschappelijk onderzoek verricht en publicaties uitgeeft over biologisch dynamische landbouw. Voor zover ik het kan beoordelen bestaan zijn werkzaamheden daar vooral uit pogingen om de antroposofische kijk op de evolutie nieuw leven in te blazen. Het is hierboven al ter sprake gekomen en het is om die reden dat Stephan Geuljans hem in zijn artikel aanhaalt. Zijn bekendste publicatie op dat gebied is Der Erstgeborene; Mensch und höhere Tiere in der Evolution, Verlag Freies Geistesleben, Stuttgart, 1999 (Geuljans verwijst naar deze publicatie).   Een uitgebreide verhandeling over dit werk, van hemzelf en door een paar collega onderzoekers van het Louis Bolk Instituut is hier te raadplegen, uit Motief, het tijdschrift van de Antroposofische Vereniging in Nederland, het juli augustusnummer van 2001.

Hij is ook politiek zeer actief. Vroeger zou hij lid geweest zijn van de Communistische Partij Vlaanderen, tegenwoordig omschrijft hij zichzelf als ‘libertariër’ en is hij initiatiefnemer van politieke clubjes als Directe Democratie en Democratie Nu (ik heb het idee en ook weleens van verschillende Belgische bronnen begrepen dat dit echter marginale clubjes zijn).

Het bekendste orgaan waaraan hij verbonden is, is ‘The Brussels Journal; the European Voice of Conservatism’, een weblog/ online opinieblad. Dit is, om het voorzichtig uit te drukken, een zeer omstreden website en eerder een spreekbuis van extreemrechts dan van conservatisme. De drie oprichters zijn, naast Jos Verhulst, de Vlaamse publicist Paul Belien en zijn echtgenote, Alexandra Colen, voormalig parlementariër voor het Vlaams Belang.

Het echtpaar Belien-Colen heeft een reputatie hoog te houden, vooral als het gaat om ‘anti-homoactivisme’ (jawel het bestaat echt). In Nederland kwam Belien in het nieuws toen bekend werd dat hij adviseur was geworden van Geert Wilders en de PVV fractie in Den Haag.  Juist zijn opvattingen over homorechten werden uitgebreid door verschillende Nederlandse media besproken. Zie bijvoorbeeld hier, op de website van het COC, of dit artikel uit Vrij Nederland Wilders diepe denker uit België (door Robert van de Griend,  22 september, 2010). Ook is Belien een voorstander van wapenbezit door particuliere burgers (hij heeft nauwe conatcten met de Amerikaanse National Riffle Association, de NRA) en dat zou vooral noodzakelijk zijn als bescherming tegen ‘de horden migranten uit Noord Afrika’. Zijn beruchte artikel ‘Geef ons Wapens’ uit 2006 werd van The Brussels Journal verwijderd , nadat er aangifte was gedaan en er een strafrechtelijk onderzoek werd ingesteld naar eventueel racisme en oproepen tot geweld. Het leverde Belien in ieder geval een bijnaam op. ‘Pistolen Paultje’, zo staat hij tegenwoordig in België bekend.

Beliens echtgenote Alexandra Colen (hier wikpedia, hier bio van The Brussel Journal) was lange tijd parlementariër voor het extreemrechtse Vlaams Belang van Filip Dewinter.  Uit een klein zoektochtje op internet blijkt dat zij vooral een ultra-conservatief geluid laat horen en zeer tegen homoseksualiteit is gekant.  In haar Jihad tegen homoseksuelen wordt geen gelegenheid onbenut gelaten. Zo vindt zij dat de kindermisbruikschandalen in de Katholieke Kerk voortkomen uit ‘dezelfde mentaliteit’ als  ‘de gayrpides’, want….’dat komt voort uit de alles kan alles mag cultuur’, zie hier. Opmerkelijk…. Het lijkt me dat iedereen die ook maar een beetje kan nadenken en over minimale  analytische vermogens beschikt, toch tot de tegenovergestelde conclusie moet komen. De kindermisbruikschandalen komen juist voort uit de ‘niks kan, niks mag’ cultuur van de RK Kerk. Oftewel, vooral door het celibaat.  Maar dit is dus Alexandra Colen, met wie Jos Verhulst The Brussels Journal bestiert.

Na de aanslagen van Anders Breivik kwam The Brussels Journal in ernstige opspraak en was even het middelpunt van de belangstelling van de internationale pers. Een Noorse blogger, die onder de naam ‘Fjordman’ actief op diverse extreemrechste sites, waarvan Gates of Vienna en The Brussels Journal de bekensten waren, bleek de belangrijkste leverancier te zijn van teksten voor het manifest van Anders Breivik, 2083, A European Declaration of Independence. Breivik had vaak, zonder bronvermeldingen, hele lappen tekst van Fjordman in zijn pamflet opgenomen. Er werd zelfs even gedacht dat Fjordman en Breivik een en dezelfde persoon waren, totdat Fjordman zich bekend maakte- hij bleek hij Peder Are Nøstvold Jensen te heten- en zich distantieerde van Breiviks daden.  Het gedachtegoed van Fjordman is echter extreem nationalistisch, eurocentrisch en regelmatig heeft hij opgeroepen tot etnische zuivering en het met geweld verwijderen van Moslims uit Europa. Zie voor meer over Fjordman, dit artikel van arabist en Trouw journalist Eildert Mulder, uit zijn serie ‘Anders Breivik is niet alleen’. Lees ook De Lone Wolf komt uit een roedel, door Yuri Albrecht, Vrij Nederland, 27-7-2011.

Buiten antroposofische kring begeeft Jos Verhulst zich dus vooral in dit soort circuits. Ik heb niet het idee dat de antroposofen, die zo van zijn ‘eruditie’ onder de indruk zijn, zich hiervan bewust zijn. Ik denk ook niet dat Stephan Geuljans dat is. Wat volgens mij onbestaanbaar is, zo niet onmogelijk, dat Geuljans en andere Nederlandse antroposofen niet op de hoogte zouden zijn van een andere core-activiteit van Jos Verhulst: het aanprijzen van Holocaustontkenners. Daarvoor gebruikt hij namelijk regelmatig diverse antroposofische media.

home page Brug

Snapshot van de hompegape van de Brug. Het ontkennen van de Holocaust uit naam van de antroposofie doet het kennelijk goed en wordt graag gesteund en gesponsord door verschillende antroposofische instellingen en bedrijven, zoals Demeter (een label voor biologisch dynamische levensmiddelen) en Antroposofie en het Kind

Zijn belangrijkste podium is de nauw aan het Belgische antroposofische tijdschrift De Brug verbonden website Vrijgeestesleven.be (beiden zijn al vaak op dit blog ter sprake gekomen). In de Brug gaat het vooral over een ding: de nakende komst van Ahriman! De onderstaande tekst van Francois de Wit geeft de hysterie en de paranoia van dit digitale rioolblaadje vrij effectief weer:

 Dit zijn de eerste stappen in de richting van Ahrimans ideaal : het organiseren van de mensheid in één grote werkmierenstaat die alleen maar leeft om zijn fysiek bestaan zo comfortabel mogelijk in te richten en zo lang mogelijk te rekken. De aanzet tot deze ontwikkeling werd in het Westen het duidelijkst werkzaam sinds de Middeleeuwen, met het ontstaan van de steden, het einde van het feodalisme.
De landheer of ridder deelde met de agrarische gemeenschap die hij beschermde en door wiens arbeid hij leefde, nog grotendeels dezelfde waarden : gehechtheid aan de bodem, bloedsbanden hoog achten, eergevoel, afkeer van het intellectuele en van handel drijven. Sindsdien is het omgekeerde van deze waarden modern geworden, en dat zal nog toenemen.
Gemeenschappen worden systematisch afgebroken en ontwricht door een ongelimiteerde immigratie in de tot hiertoe cultuurdragende naties. Economieën en valuta worden ontwricht door speculanten , eigenaars en beheerders van immense kapitalen. Psychologen en sociologen helpen regeringen en bedrijven om het denken en voelen en willen van burgers en consumenten te sturen.

De volgende eeuwen zal deze ontwikkeling zich waarschijnlijk doorzetten totdat op het hoogtepunt van de totale chaos, Ahriman zelf incarneert en zich opwerpt als de grote redder der mensheid.
Tegen dan zouden voldoende mensen bewust de Christus-impuls moeten hebben opgenomen om de confrontatie aan te gaan. Daarom is de antroposofie in de wereld gekomen.
Dat klinkt misschien aanmatigend maar het is alleen de antroposofie die de ideeën kan aanreiken over hoe de maatschappij een vorm kan krijgen die aangepast is aan het ontwikkelingsniveau van de huidige mensheid. Want “het opnemen van de Christus-impuls” betekent niet dat men in iedere zin het woord Jezus of Christus in de mond neemt. Het betekent dat men zich bewust wordt van de asociale en antisociale krachten die nu van nature werken in de mens, en dat men vanuit dit inzicht aan de maatschappij probeert een vorm te geven die het uitleven van die krachten onmogelijk maakt.”

Ahriman in de Brug

 De ‘Inhoudstafel’ van de Brug. Klik op afbeelding om naar de site te gaan

Ach ja, die goeie ouwe tijd, toen er nog ridders waren met eergevoel! Wie in de ogen van deze Francois de Wit echt ridders met eergevoel zijn en nog rein van de voorafschaduw van het monster Ahriman, zijn… (leest u even met mij mee, bron):

“Het Luciferisch menstype wordt de laatste 2000 jaar langzamerhand verdrongen door het ahrimanische type. We lezen bij Caesar met welk een bezieling de Nerviërs tot de laatste man vochten tegen de Romeinen. Qua individuele moed stonden ze hoger dan de gemiddelde Romein, maar de Romeinen vochten met meer techniek, in bepaalde tactische opstellingen, dus meer met het koude berekende verstand. En ze wonnen.

Nog in de laatste wereldoorlog valt het op hoe ridderlijk de Duitsers streden, vergeleken met de Amerikanen ( Dat de propaganda erin geslaagd is dit beeld om te keren illustreert nog maar eens de geweldige mogelijkheden van de occulte groeperingen).”

Ridderlijk? Ook de SS? Dit is zo’n beetje de Brug. Dat van die ‘occulte groeperingen’ is ook heel typisch voor de Brug; Ahriman opereert altijd via ‘loges’, ‘de illuminati’ en zelfs UFO’s. Maar verder als men daar zo over de Nazi-legers schrijft, hoe schrijft men dan over ‘Joden’? Ongeveer zo (uit het artikel Het Ahrimanisch menstype’, wederom door Francois de Wit):

“In deze milieus moeten we de occulte broederschappen gaan zoeken. Dat daar misschien overwegend Joden bij zijn is in deze tijd niet meer relevant. Als dat voor hun doeleinden uitkomt, verloochenen ze evengoed hun rasgenoten (Er bestaan verschillende interessante studies over welke kringen Hitler financierden). Zoals men uit bovenstaand artikel kan afleiden zijn zelfs de eigen familieleden niet veilig wanneer ze zich niet willen openstellen voor de ahrimanische inspiraties”.

Het is al vaker op dit blog aangehaald, ‘Joden die hun rasgenoten verloochenen’. Antisemitisme, hoe kom je erbij?

Inhoudstafel Brug David Irving

Inhoudstafel de Brug met link (achter de W van ‘Wereldoorlog II’) naar de site van de vroegere historicus, nu Holocaustontkenner en Neonazi-activist David Irving (klik op bovenstaande afbeelding om naar de site te gaan)

Maar niet alleen stellen ‘Joden’ zich open voor ‘Ahrimanische Inspiraties’, het is zelfs zo dat Ahriman ons Europeanen iets zou hebben opgedrongen: ‘het fenomeen Holocaust’. En dan niet dat de kwade kracht Ahriman deze genocide zou hebben aangestuurd, nee, ons heeft aangepraat dat er zo’n genocide heeft plaatsgevonden. Zie het volgende vrij stukje tekst, op dit blog al vaker aangehaald, maar helaas noodzakelijk om het nog een keer te doen (bron):

 

“- het fenomeen “holocaust”.
In de Westerse wereld staat het iedereen vrij om over een bepaald geschiedkundig feit te denken hoe hij wil. Komt iemand op het idee dat Napoleon nooit een veldtocht naar Rusland heeft ondernomen, en hij schrijft een boek met argumenten om die stelling te onderbouwen, dan kan hij dat doen. Maar er is 1 onderwerp dat niet meer mag onderzocht worden, en dat is de “holocaust”, het dogma van de systematische uitmoording van 6 miljoen Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Het is in de meeste Westerse landen bij wet verboden om aan dit “feit” te twijfelen.
Waarom alleen aan dit ‘feit’ ? Stalin en Mao zijn verantwoordelijk voor de dood van miljoenen mensen, maar niemand schijnt zich daar nog aan te storen. Waarom dan dit systematisch oprakelen en in beeld brengen van alleen de Duitse oorlogsdaden ?
Het kan niet anders of de Angelsaksische occulte loges weten dat voor hen een gevaar alleen uit Midden-Europa kan komen, en om bij voorbaat iedere werking van een spirituele impuls uit te sluiten werd en wordt Duitsland als de oorsprong van alle kwaad afgeschilderd.

Waar het Mysterie van Golgotha als centraal geestelijk gegeven in de ontwikkeling van de mensheid voor alle mensen een lichtend baken zou kunnen zijn dat iedereen verenigt in een gezamenlijk zoeken naar de juiste weg om de Christusimpuls in de wereld te realiseren, krijgen we nu een centraal on-geestelijk afstotingspunt, het zwarte gat in de mensheidsgeschiedenis waar iedereen in een grote boog moet omheen lopen en dat de mensheid verenigt in een gezamenlijke haat tegen …. de geestelijke impuls uit Midden-Europa ! Want het is niet toevallig dat met de holocaust een voortdurende haat tegen het Duitse volk in leven wordt gehouden, tegen Duitsland als een gebied waarvoor de mensheid moet oppassen en waakzaam blijven. Zelfs vóór de oorlog begon die haatpropaganda al.
Vroeger werden in de bioscopen altijd nieuwsfilmpjes getoond vóór de eigenlijke film begon. In 1981 overleed Jack Glenn, de man die deze filmpjes maakte in de Verenigde Staten. Af en toe liet deze man wereldgebeurtenissen door acteurs naspelen in een toneeldecor. Eén ervan was het filmpje “Inside Nazi Germany”, gedraaid in 1938. Het bevatte een scène van een concentratiekamp, voor een stuk gefilmd op Staten-Island met New-Yorkse acteurs. Een groot deel van de film was opgenomen in het Derde Rijk door een free-lance cameraman, maar Louis Rochement, de producer, had het gevoel dat die film gecensureerd was door de Duitse autoriteiten en beval Glenn om de Nazi-brutaliteiten zelf in scène te zetten. Miljoenen Amerikanen die deze nieuwsfilmpjes in hun plaatselijke bioscoop bekeken waren overtuigd dat ze de realiteit zagen. Hoeveel dergelijke realiteiten die we tegenwoordig voorgeschoteld krijgen zouden niet het werk zijn van filmkunstenaars ?
Feit is dat de Geallieerden na de oorlog Hollywood-producers huurden om propagandafilms te maken in plaats van het filmmateriaal van het leger te gebruiken.

David Irving geeft daarop volgende commentaar :

“Enkele jaren geleden kwam er op BBC2 geloof ik, een programma over de ‘documentaires’ van deze Glenn. Daarin werd onder meer onthuld dat de scènes van SA-bruinhemden die hun vijanden molesteerden in de straten van Berlijn en die de Joden in Wenen het voetpad deden opkuisen, gefilmd waren in de decors van Hollywood. Ook de Japanse soldaten die baby’s op hun bajonetten staken en andere wreedheden waren haatpropagandascènes uit Hollywood. Ik zeg niet dat die feiten zich niet werkelijk voorgedaan hebben. Maar moderne televisiemakers gebruiken nu die opnamen om hun eigen reportages mee te vullen, net zoals ze materiaal van de vroegere Sovjet-GPOE gebruiken als authentiek. Jarenlang hebben ze het publiek bedrogen en hun steentje bijgedragen opdat het wiel van de haat blijft draaien.”

Op de website van David Irving kan men overigens ook lezen hoe een filmploeg van het Amerikaanse leger de “ontdekking”van een zak met de gouden tanden van concentratiekampslachtoffers in de (lege) kluizen van de Reichsbank regisseerde. Een ander knap propagandastaaltje.

Waarom draaide Spielberg zijn film “Schindlers List” in zwart-wit ? Kort na het uitkomen van de film verklaarde de eerste cameraman in een Duits vaktijdschrift dat men opzettelijk een documentaire-indruk wou creëren opdat latere (nóg minder kritische – fdw) generaties gemakkelijker overtuigd zouden worden van het realiteitsgehalte.
De film is nochtans gebaseerd op een roman, het product van de fantasie van een schrijver dus, van Thomas Kenneally. Maar daar is ook iets raar mee gebeurd. Vooraan in de eerste editie van het boek, vóór de film gemaakt werd, leest men vijf keer het woord ‘fictie’. In de tweede editie nog drie keer, in de derde editie is er geen sprake meer van fictie, het boek verschijnt in de weekendbijlage van sommige kranten zelfs in de lijst “non-fictie” !

Waarom worden zgn. negationisten als Norman Finkelstein, David Irving, Robert Faurisson, Ernst Zündel zo hardnekkig vervolgd als de ketters destijds door de Inquisitie ? Om dezelfde reden als toen : ze hebben zichzelf buiten de gemeenschap der gelovigen geplaatst, de gelovigen die het dogma aanhangen : Duitsland is de bron van alle kwaad.

In Canada zit Ernst Zündel al 22 maanden (december 2004) in eenzame opsluiting wegens zijn overtuiging, hij heeft nog nooit een vlieg kwaad gedaan, maar wel zijn mening geuit. De rechtszaken tegen hem lijken zo uit boeken van Kafka te komen: de voormalige chef van de geheime dienst die hem jarenlang geschaduwd heeft is nu zijn rechter. Iedere vraag van de verdediging wordt verworpen omdat ze de nationale veiligheid in gevaar zou brengen.

De antichrist, die zo handig de zaken in hun tegendeel kan verkeren, probeert ook de Heilige Geest te vervangen door een zeer aards, zeer leeg gegeven, dat de naam holocaust heeft gekregen, weerom niet toevallig in het Engels klinkend als Holy Ghost.

. Zolang de werking van de antroposofie beperkt blijft tot de Waldorf/Steinerscholen, laat men haar betijen, maar vanaf het ogenblik dat een reële maatschappelijke vernieuwing vanuit de antroposofie, de sociale driegeleding, zou doorbreken, dan zou die onmiddellijk en systematisch geassocieerd worden met het socialistisch experiment van de Nazi’s. De publieke opinie is nu reeds voldoende geïndoctrineerd om onmiddellijk af te wijzen wat maar enigszins met Nazi-Duitsland verband houdt.”

Ik weet niet hoe het met de meeste antroposofen staat, maar ik kan hier in alle oprechtheid alleen maar misselijk van worden. Je ziet trouwens ook hoe hier Norman Finkelstein wordt misbruikt, door hem in een rijtje te plaatsen met hardcore Nazi-activisten (want dat zijn Faurrisson, Irving en Zündel). Op de kwestie Finkelstein kom ik zo nog terug, bij de bespreking van een bijdrage van Jos Verhulst aan een speciale uitgave van Driegonaal. Is trouwens het Nederlandse tijdschrift voor Sociale Driegeleding. En ja, de publieke opinie is geïndoctrineerd om alles onmiddelijk af te wijzen wat maar enigszins met Naiz-Duitsland verband houd, aldus de bovenstaande tekst van Francois de Wit. Zelf wilde ik niet zo ver gaan (ik vind dat trouwens ook niet), maar moet ik begrijpen dat de Sociale Driegeleding wel enigszins verband houdt metNazi Duitsland? Opmerkelijk. Toegegeven, ook Driegonaal doet soms weleens een klein beetje zijn best, om zich in die hoek te placeren. Alsof ze erom smeken, net als de Brug. Maar dat komt hierna aan de orde.

Ik denk dat het ook eens tijd wordt dat de antroposofische vereniging (die van Nederland en België, maar ook internationaal) afstand moeten nemen van teksten als hierboven en de Brug definitief uit hun gelederen stoten. Met de Russische antroposoof Gennady Bondarew kon dat ook, dus dan zou dit zeker tot de mogelijkheden moeten behoren. Wanneer horen we daar iets meer over? Want dit is al een paar jaar geleden aan de orde gesteld. We wachten met spanning af. Ik meen te weten dat er binnen de Nederlandse antroposofische gemeenschap best een paar mensen te vinden zijn die dat ook willen, dus wie weet. Je kan het volgens mij met een briefje aan Dornach en met  persberichtje regelen. Ik weet niet precies wat voor dit soort zaken de officiële procedures zijn, maar waar een wil is, is een weg. Tenzij er geen wil is en gans de Nederlandstalige antroposofische gemeenschap, van zowel Nederland als Vlaanderen, staan te juichen bij dit soort antisemitisme en dit gedweep met Holocaustontkenners en Neonazi’s. Dat kan natuurlijk ook, maar zo erg schat ik het zelfs niet in.

Alleen, dat is weer een beetje vervelend, ook de door vele Nederlandse antroposofen (waaronder Stephan Geuljans, zoals blijkt uit zijn artikel) zo bewonderde Jos Verhulst, die bij het Louis Bolk Instituut in Driebergen zo mooi Steiners ideeën over evolutie opnieuw weet te rationaliseren en te verkopen (zie dit artikel uit Motief, het officiële orgaan van de Nederlandse antroposofische Vereniging), zit hier tot over zijn oren in. Werp zeker een blik op de site
http://vrijgeestesleven.be
 .  Daar is een heleboel van zijn hand te vinden, waar hij de zaak van diverse Holocaustontkenners bepleit. Ik verwijs hier vooral naar mijn vierde antroposofie artikel (Engelstalig, dat ook op de Duitse site Egoisten werd gepubliceerd), of naar de blog van Michel Gastkemper, die hier, als een van de weinigen, wel zijn vingers aan durfde te branden en stelling nam.

In dit stuk wil ik me verder focussen op de bijdragen van Jos Verhulst aan een eens eerbiedwaardig Nederlands antroposofisch tijdschrift, maar dat nu wel erg is afgegleden. Het gaat hier om Driegonaal, het voor vele Nederlandse antroposofen bekende tijdschrift voor Sociale Driegeleding.

 

vrijgeesteslevenbe

De website
http://vrijgeestesleven.be
 (klik op afbeelding om naar de site te gaan. ) Op deze site valt heel gruwelijks te ontdekken. Wie op ‘negationisten’ klikt wordt doorgelinked naar een Neonazisite www.vho.org , die zichzelf omschrijft als ‘The World’s largest website for Historical Revisionism! The Holocaust controversy- a case for open debate’. Op deze site bevinden zich vooral honderden illegale downloads van Neonazi en Holocaustontkenners lectuur. Het kopje ‘antroposofie’ leidt naar de homepage van de Brug. Veel bijdragen van Jos Verhulst zijn te vinden onder ‘Directe Democratie’

20-2-2013 Tot zover (voorlopig althans).  Het is mij niet gelukt om dit verhaal te voltooien voor de uitzending van de Hokjesman op donderdag 21-2-2013. Ik verwacht komend weekend of begin volgende week met de rest te komen (dat zal vooral gaan over Driegonaal, het gedachtegoed van de Russische antroposoof Gennady Bondarev en hoe hij in Driegonaal wordt besproken en helemaal tenslotte het antwoord van Stephan Geuljans aan Ramon de Jonghe over de ‘indianentekeningen’ uit GA 100). Wordt vervolgd dus

Hier alvast de promo van de uitzending van de Hokjesman van komende donderdag:

Met de volgende tags:, , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

De culturen en de geschiedenis van Amerika’s oorspronkelijke bewoners deel 1

Een serie over de culturen en de geschiedenis van Indiaans Amerika

Zie ook deel 2

De grote culturele rijkdom en diversiteit van de oorspronkelijke Amerikanen

Naar aanleiding van de tentoonstellingen Indianen; kunst en cultuur tussen mythe en realiteit (De Nieuwe Kerk, Amsterdam, t/m 14 april 2013) en Het Verhaal van de Totempaal (Museum Volkenkunde, Leiden, t/m  1 april 2013)

Nu er op dit moment twee grote tentoonstellingen in Nederland lopen die gewijd zijn aan de culturen van Amerika’s oorspronkelijke bewoners (‘Native Americans’, vooral bekend als ‘Indianen’) leek het me wel aardig om op dit blog wat aandacht te besteden aan de culturen en de geschiedenis van de verschillende volkeren van  het oude Amerika. Het is overigens een oude passie van me; als kind en als tiener las ik zo’n beetje alles wat los en vast zat over dit onderwerp.  Het begon natuurlijk met  interesse voor de indianen zoals ik die uit kinder en jeugdboeken kende. Belangrijk was voor mij overigens niet Arendsoog, ook niet zozeer Karl May (hoewel ik iets later bijna alle Winnetou boeken heb gelezen en zelfs ook nog de verguisde Tecumseh –serie van Fritz Steuben- de auteur was een overtuigde nazi en dat is echt aan zijn boeken te merken, waarin de cultuur van de indianen van de oostelijke woudgebieden voortdurend met die van de oude Germanen wordt vergeleken en de historische figuur Tecumseh wordt als een soort indiaanse Fuhrer afgeschilderd), maar oorspronkelijk vooral  ‘Sajo en het Bevervolkje’, van ‘Grijze Uil’ (die eigenlijk van Schotse afkomst was, geboren als Archibald Bellany, maar later een nieuwe identiteit aannam). Wat mij als kind aansprak was dat er ook een cultuur bestond waar men wel veel respect voor de natuur had en veel om dieren gaf, daarom hadden de indianen meteen mijn sympathie. Althans, dat was mijn beeld van toen. Want natuurlijk, niets menselijks was de indianen vreemd en ook in het oude Amerika zijn er diverse ecologische crises geweest. Vooral ontbossing en het uitsterven van bepaalde diersoorten, die door de mens zijn veroorzaakt. Maar dat inzicht kwam later. Andere lievelingsboeken van mij waren  Grootvaders reisdoel (van Craig Strete, die overigens, naast dit ene jeugdboek, ook  een van de belangrijkste literaire  hedendaagse schrijvers van indiaanse afkomst is) en Tjaske Wolkenzoon, nergens meer te vinden, ik geloof dat het zelfs een uitgave was van de antroposofische uitgeverij Christofoor, opmerkelijk gezien de indiaanvriendelijke standpunten van Rudolf Steiner en sommigen van zijn volgelingen, waarbij enkelen het nodig vonden om Wounded Knee erbij te halen om hun argumenten kracht bij te zetten (zie oa hier en hier op dit blog). Aan het echte Wounded Knee, dus niet het imaginaire antroposofische, zal ik in het laatste deel nog uitgebreid aandacht besteden. Overigens ook aan de kwestie waarom de bewoners van verschillende reservaten tegenwoordig uitbaters van casino’s zijn. In een eerdere discussie met diepgelovige aanhangers van Rudolf Steiner vond een van mijn antroposofische gesprekspartners dat de indianen, vroeger zulke spirituele mensen, nu wel erg waren afgegleden omdat ze vaak casino’s runnen- een bewijs van Steiners gelijk dat het een ‘decadent ras’ is (echt waar, dit soort schaamteloos en achterhaald racisme bestaat nog steeds, in dit geval ingegeven door levensbeschouwelijk dogmatisme). Dat van die casino’s, of je er nu blij mee moet zijn of niet, heeft een hele specifieke reden die vooral politiek, juridisch en economisch van aard is. Ik kom daar tegen het eind van deze serie nog op terug.

Natuurlijk nam ik ook kennis van de gruwelijke geschiedenis van de Europese veroveringen. Op mijn dertiende las ik de grote klassieker van Dee Brown  ‘Begraaf mijn hart bij Wounded Knee’ (Bury my heart at Wounded Knee, 1970), dat een blijvende diepe indruk op me zou maken. Ik heb het vaak herlezen.

Op mijn veertiende maakte ik met mijn familie een rondreis van drie weken door het westen van de Verenigde Staten, met een kort bezoek over de grens naar Canada aan Vancouver. Mijn met gote passie en overgave beleden interesse dicteerde voor een deel het programma. Zo bezochten wij, geheel buiten de toeristische trekpleisters om, het ruige gebied van de Lavabeds in het noorden van Californië, tegen de grens met Oregon (overigens nu een prachtig, zij het vrij onbekend National Monument). Op deze plaats vochten in 1872/73 de Modocs, onder leiding van hun Chief  ‘Captain Jack’ (echte naam Kintpuash) een guerrilla oorlog uit met het Amerikaanse leger. Het is nog altijd een desolaat en vooral heel erg mooi gebied, waar de vulkanische structuren een soort natuurlijk fort vormen.

Later gedurende die reis had ik in Vancouver een uitgebreide ontmoeting met de beroemde Haida beeldhouwer en edelsmid Bill Reid, wiens werk overigens nu ook te zien is in zowel de Nieuwe Kerk als het Museum voor Volkenkunde.

Verder las ik in mijn vroege tienerjaren alles wat los en vast zat en uiteindelijk kon ik gedurende een bepaalde periode ongeveer alle vierhonderd indiaanse stammen van Noord Amerika uit mijn hoofd opdreunen, net als alle namen van de Azteekse keizers en alle Inca-keizers (mijn interesse breidde zich op een gegeven moment uit naar Midden en Zuid Amerika). Met deze hobby heb ik zelden echt iets gedaan, behalve dan  een keer een klein onderzoekje naar de hedendaagse kunst van de Native Americans, waarover ik een artikel publiceerde, zie op dit blog de oorspronkelijke Nederlandse versie en een Engelse vertaling.

De twee nu lopende tentoonstellingen leken mij een goede gelegenheid om mijn oude fascinatie weer op te pakken. Ik zal hier overigens vooral de culturen en geschiedenis van de oorspronkelijke bevolking van Noord Amerika aan bod laten komen (waar ook beide tentoonstellingen over gaan). Wel wil ik ook aandacht besteden aan Mexico. Twee jaar geleden ben ik daar voor het eerst zelf geweest (de eerste week samen met mijn familie in Yucatan en daarna nog een week alleen in Mexico Stad). Van de honderden foto’s die ik heb gemaakt van de diverse oudheidkundige monumenten, wil ik  hier een kleine selectie tonen, waarbij ik het eea zal toelichten.

Noord Amerika voor Columbus

Tegenwoordig gaat men ervan uit dat de mens in ieder geval vóór 30.000 voor Chr. vanuit Siberië de Beringstraat overstak om het Amerikaanse continent te koloniseren*. De voorouders van de indianen waren jagers op grootwild (mammoeten, bizons, wilde paarden, rendieren) die de trek van de kuddes volgden. Gedurende de ijstijd was de Beringstraat of bedekt met een ijskap, of was er een landbrug, waardoor er een verbinding was van Azië met het Amerikaanse continent. Overigens zouden er meer migratiegolven plaatsvinden. Het is dus niet zo dat de indianen afstammen van een homogene groep jagers.

Men gaat ervan uit dat bij de oudste migratiegolf de zg. Amerindische bevolkingsgroep naar Amerika trok. Dit zijn de voorouders van alle oorspronkelijke bewoners van Zuid en Midden Amerika en van het grootste deel van Noord Amerika.

Later zou er een tweede migratiegolf zijn geweest. Het zou hier gaan om de voorouders van de Na-Dene sprekende volkeren (ook bekend als ‘Atapaskisch’, maar ik zal hier verder de term Na-Dene gebruiken). De meeste indianenvolkeren uit het westen van Canada en uit Alaska behoren tot de Na-Dene taalfamilie. Verder zijn er zuidelijker nog wat geïsoleerde groepen te vinden (in de westelijke helft van de Verenigde Staten) en vooral in het zuidwesten, waar nu de staten New Mexico en Arizona liggen. Daar en net iets over de Mexicaanse grens bevindt zich een grote concentratie van Beringstraat sprekende volken. Zij zelf noemen zich ook ‘Dene’ of ‘Dineh’ (wat letterlijk mensen betekent), maar ze zijn vooral bekend geworden onder de namen ‘Apache’ en ‘Navaho’. Overigens zien sommige geleerden taalkundige verwantschappen tussen de Na-Dene en enkele inheemse volkeren van Oost Siberië en Noord Japan.

De laatste prehistorische golf migranten naar het Amerikaanse continent is de bevolking van de arctische gebieden, de Inuit (Eskimo) en de Aleut.  Nog steeds leven er nauw verwante volkeren aan de Aziatische kant van de Beringstraat.

beringia

ijsvrije corridor

De situatie rond 18000 v. Chr. toen er de mogelijkheid bestond om zuidwaarts te trekken door de ijsvrije corridor. Overigens gaat men er nu van uit dat de eerste migratiestroom van een veel oudere datum is.

De bekendste vondsten van de vroegste bewoning op het Amerikaanse continent zijn de pijlpunten van Clovis en Folsom, in de Mid West. Deze dateren van ongeveer 11.500 jaar v. Chr. Overigens had de mens zich toen al lang verspreid over zowel Noord als Zuid Amerika. In die tijd leefden de indianen als nomadische  jagers op groot wild. Dat gebeurde soms op grote schaal. Een bekende jachtmethode, die nog werd toegepast op de plains voor de komst van het paard was om soms een complete kudde bizons een ravijn in te drijven. Dat leverde in een keer een heleboel vlees op, veel meer dan men kon consumeren of bewaren. Er wordt ook tegenwoordig vanuit gegaan dat, naast klimatologische oorzaken, de mens een aanzienlijk aandeel had in het uitsterven van grote prehistorische zoogdieren op het Amerikaanse continent.

Dit klopt natuurlijk niet met het romantische (en misschien ook clichématige) beeld dat wij vaak van ‘de indiaan’ hebben. Het is ook zeker waar dat de latere representanten van de Plains cultuur (in de tijd dat het paard allang zijn intrede had gedaan) in de jaren zestig, zeventig en tachtig van de negentiende eeuw met afschuw keken naar de praktijk van de blanken, die oa vanuit treinen met zware wapens complete bizonkuddes wegvaagden, om soms alleen de tong mee te nemen (een delicatesse), de rest rottend achterlatend. Voor de bewoner van de plains gaf de bizon bijna alles wat hij nodig had en werd ook daarom vereerd. Bovendien had het gebruik van het paard het mogelijk gemaakt om veel economischer te jagen dan vroeger. Maar ook dit laat zien dat ook de indiaanse culturen erg divers waren en constant in beweging (dus zeker niet statisch) , kortom dat ‘de indiaan’ niet bestaat.

In dit verband is het wellicht ook interessant om erop te wijzen dat ook toen de ‘wildernis’ helemaal niet zo ongerept was als vaak door de Europese nieuwkomers beschreven. Het is inmiddels bekend dat op verschillende plaatsen in het oude Amerika zo intensief landbouw werd bedreven dat de grond op veel plekken volledig uitgeput raakte. Maar ook op de plains, waar vooral op grootwild werd gejaagd, was de invloed van de mens groot. Charles Mann beschrijft in schitterende overzichtswerk 1491; de ontdekking van precolumbiaans Amerika (2005) dat recent onderzoek heeft aangetoond dat de plains door de mens regelmatig in brand werden gestoken. Op het type gras dat het beste groeit op arme grond kwam vooral grootwild af, zoals bijvoorbeeld de bizon. Door dit soort ingrepen in de natuur stelde de mens zo zijn eigen vleesvoorraad veilig. Mann noemt overigens veel meer voorbeelden, ook het Amazoneoerwoud, maar dat voert voor nu wat ver. Maar Amerika kende een veel meer door de mens gecreëerd of in ieder geval beïnvloed landschap, dan het bekende cliché van de ongerepte wildernis ons voorspiegelt.

Tot ongeveer 5000 voor Chr. leefden de indianen als jagers en verzamelaars en in de kustgebieden als zeevissers.  De oudste monumentale architectuur van precolumbiaans Amerika werd, itt alle oude culturen uit de Oude Wereld, niet door een agrarische samenleving gecreëerd, maar door zeevissers. Dit gebeurde omstreeks 3200 v. Chr. in Aspero (Norte Chico), in de kustwoestijn van Peru. Hier werden de eerste monumentale bouwwerken van steen opgetrokken, overigens door een bevolking van zeevissers. Dat is vrij uniek in de wereldgeschiedenis. De landbouw was toen al wel ontwikkeld in Mexico, maar was nog niet doorgedrongen tot dit gedeelte van het Amerikaanse continent. Ik zal verder Zuid Amerika, met zijn buitengewoon interessante cultuurgeschiedenis, buiten beschouwing laten, maar dit opmerkelijke feit wilde ik hier zeker noemen. Rond 3200 v. Chr. was Norte Chico, samen met eigenlijk alleen Sumerië (in Mesopotamië), zo’n beetje de enige plek ter wereld waar de mens monumentale bouwwerken creëerde, zij het dat de bouwwerken van Sumerië veel groter waren.

Voor dit verhaal veel belangrijker is de ontwikkeling van de landbouw in Mexico.  De oudste vondsten van het gedomesticeerde gewas maïs dateren uit ong. 4700 voor Chr., uit de Tehuacan vallei in Mexico, al is de maïs waarschijnlijk ruim daarvoor ontwikkeld. In tegenstelling tot de granen uit de oude wereld kent maïs geen wilde variant. Het is een geheel gedomesticeerd product, ontwikkeld uit teosinte, een wilde grassoort, en dus verder geheel door de mens geteeld.

De maïsbouw verspreidde zich snel over grote delen van het Amerikaanse continent, eerst naar Noord Amerika en Centraal en Zuid Amerika (maar pas veel later naar de Andes).  Maïs zou echt het graan van de nieuwe wereld worden en de hoeksteen vormen van bijna alle agrarische culturen van precolumbiaans Amerika.

Overigens is maïs zeker niet het enige landbouwproduct dat door de indianen is ontwikkeld. Er zijn er nog veel meer, die inmiddels ook bij ons zo in gebruik zijn, dat we ons nog nauwelijks nog realiseren dat deze oorspronkelijk uit het oude Amerika afkomstig zijn. Het gaat om bijvoorbeeld om de aardappel (afkomstig uit de Andes), tomaten, bonen, pompoenen, cacao (‘Chocola’, chocolatl,  is een woord uit het Nahuatl, de taal van de Azteken), en rode pepers. Ook tabak is een product uit  het oude Amerika (de indianen hebben het roken uitgevonden). Alcohol was vaak problematisch (indianen hebben een sterke genetische aanleg voor alcoholisme, dat sinds de komst van de Europeanen vele slachtoffers heeft gemaakt) en kwam daarom nauwelijks voor. De Azteken kenden de alcoholhoudende cacaodrank Chocolatl en de Apaches uit het Zuidwesten van de VS brouwden Mescalbier. Coca (de basis van cocaïne) werd verbouwd door de Inca’s.

Zoals bijna overal in de wereld zou de landbouw in de meeste gevallen aan de basis staan van de ontwikkeling van complexe en ook geürbaniseerde samenlevingen (de Peruaanse uitzondering is net genoemd). Dat was het geval in het oude Mexico (Meso-Amerika), maar ook in Noord Amerika, waar een aantal complexe culturen ontstond. Ik zal hier op twee cultuurgebieden, het zuidwesten van de Verenigde Staten en de stroomgebieden van de Mississippi en de Ohio, wat uigebreider ingaan.

* In dit verband wil ik wijzen op het proefschrift van niemand minder dan mijn eigen moeder, Liesbeth Schreve-Brinkman, die in 1978 promoveerde op een onderzoek naar de fossiele afzettingen van stuifmeelkorrels in de Columbiaanse El Abra vallei. Ik geef hier haar korte samenvatting weer:

Uit archeologische vondsten en palinologisch onderzoek – het analyseren van fossiel stuifmeel om de vegetatie en veranderingen in de tijd te reconstrueren en aan de hand daarvan veranderingen in klimaat vast te stellen – is m.b.v. C-14 dateringen vast gesteld dat in het midden van de laatste ijstijd (Weichselien) rond 30.000 geleden in het Zuid Amerikaanse continent bewoning aanwezig was.

Migratie vanuit Siberië was mogelijk via de landbrug van de Bering straat, toen de zeespiegel aanmerkelijk lager was omdat veel water in ijs was opgeslagen.

- Schreve-Brinkman, E.J. (1978). A Palynological study of the Upper Quarternary Sequence in the El Abra Corridor and rock Shelters (Colombia) Thesis, Amsterdam

- Schreve-Brinkman, E.J., T. Van der Hammen & G.F. IJzereef – A palynological study of the Upper Quarternary Sequence in the El Abra Corridor and rock Shelters / & Fauna remains from the El Abra rockshelters/&/Prehistoric man on the Sabana the Bogota: data for an ecological prehistory. 1978. Palaeogeography Palaeoclimatology Palaeoecology, 25,1-109

File:Anasazi-en.svg

De Hohokam en de Anasazi van het zuidwesten

Tegenwoordig is het zuidwesten van de Verenigde Staten  (Arizona, New Mexico en het zuiden van Utah en Colorado) een van de meest dorre en onherbergzame gebieden van Noord Amerika. Het is niet de eerste plek waar je aan denkt als de plaats waar een landbouwcultuur tot ontwikkeling kon komen. Toch was het juist hier waar een deel van de oudste agrarische culturen van Noord Amerika ontstond.

Allereerst de Hohokam. Rond het begin van onze jaartelling begonnen de bewoners van het zuiden van de huidige staat Arizona met de aanleg van een grote irrigatiewerken. Door de woestijn werd een netwerk van kanalen aangelegd, waardoor de mogelijkheden voor een grotere landbouwproductie aanzienlijk werd uitgebreid.

Rond het jaar 1000 bereikte deze cultuur haar hoogtepunt. Er verrees een aantal grote nederzettingen, waarvan Casa Grande de meest bekende is geworden. Wooncomplexen van de Hohokam bestonden uit meerdere verdiepingen; het centrale complex van Casa Grande heeft er zelfs vijf (zie afbeeldingen hieronder).

Casa Grande Hohokam

het huidige Casa Grande (Arizona)

Casa Grande (reconstructie)

Casa Grande rond 1100 (reconstructie)

Hohokam kanaal        Gila Cliffdwellings

Links: Een oud kanaal van de Hohokam in de woestijn van Arizona
Rechts: rotswoning van de Mogollon cultuur, Gila Cliff Dwellings National Monument (New Mexico)

800px-Mimbres_p1070222

Mimbres aardewerk (Stanford University Museum)

Rond 1350 werden de nederzettingen als Casa Grande plotseling verlaten. Ook de andere culturen in de regio (zoals die van de Anasazi, die hierna ter sprake zullen komen) ondergingen een zelfde lot. Waarschijnlijk waren er twee oorzaken. In de eerste plaats brak er een periode aan van grote droogte, waardoor de landbouw niet meer genoeg opbracht om de bevolking van de dorpen in hun levensonderhoud te voorzien. Verder trokken er rond die tijd groepen roofzuchtige nomaden het gebied binnen. Deze nieuwkomers waren (taalkundig) verwant aan de bevolking van West Canada en de binnenlanden van Alaska (ze behoorden tot de Na Dene taalfamilie). Het waren de voorouders van de volkeren die wij nu kennen als de Apaches en de Navaho.  

Overigens leven de waarschijnlijke nazaten van de Hohokam nog altijd in Arizona. Zij vormen de stammen die bekend staan onder de namen Pima en Papago. Hun taal, het O’odham, behoort tot de Uto-Azteekse taalfamilie, die zich uitstrekt van de noordkant van het Grote Bekken tot ver in Centraal Mexico. De naam zegt het al, ook de taal van de Azteken, het Nahuatl, behoort tot deze taalfamilie.

Een andere interessante cultuur, die rond dezelfde tijd als de Hohokam tot ontwikkeling kwam, was de Mogollon (Mimbres) cultuur. Zij leefden in van stenen woningen die als een soort zwaluwnesten tegen de rotswanden van de canyon waren gemetseld. Zij worden gezien als de voorouders van een gedeelte van de huidige Pueblo Indianen. Vooral het aardewerk van de Mimbres behoort tot het meest verfijnde uit de regio, een traditie nog voortleeft bij de Pueblo bevolking, tot op de dag van vandaag.

De cultuur die de meest spectaculaire monumenten heeft nagelaten was die van de Anasazi. Hun kerngebied lag iets noordelijker, in de zg Four Courners Area, waar de staten Utah, Colorado, New Mexico en Arizona bij elkaar komen. Ook zij leefden in stenen woningen, die aanvankelijk tegen de rotswanden waren aangemetseld, zoals de Mogollon. Maar zij ontwikkelden een unieke architectuur, waarvan de ruïnes nog steeds grote indruk maken.  

Mesa Verde Cliff Palace

Cliff Palace (Mesa Verde)

De bekendste monumentale Anasazi-site (al is het niet eens de meest omvangrijke) is Cliff Palace, gelegen in de huidige staat Colorado in het Mesa Verde National Park. Net als bij de Mogollon cultuur zijn de wooneenheden tegen de wand vande canyon ‘aangeplakt’. Het grote verschil  is de omvang. De verschillende wooneenheden werden hier op elkaar gebouwd, soms tot vijf verdiepingen, zodat zij  samen een omvangrijk en complex bouwwerk vormen. Overigens, net als de Hohokam en de Mogollon was de Anasazi-samenleving waarschijnlijk egalitair. Er zijn nergens aanwijzingen gevonden voor aparte wooneenheden voor een heerser, of voor een elite. Naar alle waarschijnlijkheid was hun samenleving net zo ingericht als die van de latere  Pueblo-bevolking. Overigens gold dat voor de meeste samenlevingen van het oude Noord Amerika. De grote uitzondering zijn wellicht de Moundbuilders uit het oosten, die wel een strikt hiërarchische samenleving kenden en zelfs een absolute vorst, net zoals de meeste beschavingen van het oude Mexico en de Andes.

Een ander opvallend aspect van de Anasazi-architectuur, wat ook kenmerkend zou zijn voor de latere Hopi, Zuni en Pueblo-culturen zijn, naast de rechthoekig gevormde woonruimtes, de ronde gemeenschappelijke ruimtes, die vaak half ondergronds zijn gebouwd. Het gaat hier om de zg kiva’s, gemeenschappelijke ceremoniële ruimtes, vooral gebruikt voor sacrale doeleinden, zoals rituele dansen. Bij bijv. de huidige Hopi-indianen is dit een nog altijd levende traditie.

Pueblo Bonito reconstructie

Boven: reconstructie van Pueblo Bonito rond 1100
Onder: Het huidige Pueblo Bonito (Chaco National Historical Park, New Mexico)

Pueblo Bonito details

De meest monumentale overblijfselen van de Anasazi-cultuur bevinden zich in de Chaco Canyon (New Mexico). Op de bodem van de canyon, langs een van de belangrijkste handelsroutes met Mexico verrezen een aantal omvangrijke bouwwerken en nederzettingen. Het grootste complex is Pueblo Bonito. Het vrijstaande en gefortificeerde  bouwwerk telde zes verdiepingen en herbergde  zo’n twaalfhonderd inwoners. Het complex kende ongeveer achthonderd wooneenheden en zevenenendertig kiva’s.

Pueblo Bonito maakte deel uit van een keten van nederzettingen, die rond 900 in de Chaco Canyon werden gesticht. Een ingenieus irrigatiesysteem zorgde voor  een overvloedige maïsoogsten. De motor van de economie was de handel in turquoise, een zeer gewild product in Mexico, op dat moment gedomineerd door het imperium van de Tolteken, waarover later meer, in het gedeelte over Meso Amerika. Verder zijn er sterke aanwijzingen dat de nederzettingen van de Chaco Canyon ook een belangrijke religieuze functie vervulden; wellicht was het ook een soort pelgrimsoord. In de canyon bevinden zich een paar van de grootste kiva’s van de oude Pueblo-cultuur, die honderden mensen konden herbergen, zoals de heronder getoonde kiva van Chetro Ketl.

Zie overigens hieronder een virtuele tour door het Pueblo Bonito van rond 1100, uit de documentaireserie 500 Nations (aan het eind van deze bijdrage is de hele serie te bekijken).

Een korte documentaire over het archeologisch onderzoek bij Pueblo Bonito

Een documentaire van de Duitse televisie (ZDF) over de cultuur van de Anasazi en Chaco Canyon

800px-Chaco_Canyon_Chetro_Ketl_great_kiva_plaza_NPS

de grote kiva van Chetro Ketl (Chaco Canyon)

Rond 1150 raakte de Anasazi-cultuur in verval. De turquoise-handel met Mexico kwam stil te liggen door de ondergang van het Tolteekse imperium. Ook brak er een periode van grote droogte aan en, al eerder genoemd, trokken de roofzuchtige nomaden van de Na Dene het gebied binnen. De bewoners van Mesa Verde en de Chaco Canyon vestigden zich echter in nieuwe nederzettingen, de meesten gelegen op de Mesa’s  in plaats van in de canyondalen of op de vlakte, of langs de loop van de Rio Grande. Daar kwamen zij in contact met de Europese nieuwkomers, eerst de Spanjaarden en later met een nieuwe macht, de Verenigde Staten van Amerika. Hoewel er zeker de nodige strubbelingen waren hebben de bewoners van de Pueblo’s relatief veel van hun oude cultuur weten te behouden. Een groot aantal van de pueblo’s van na de Anasazi periode zijn nog altijd bewoond, zoals Taos, Acoma, Jemez of Oraibi. De nazaten van de Anasazi-cultuur zijn de Pueblo-indianen en de volkeren die wij nu kennen als de Hopi en de Zuni.

De Moundbuilders

In dezelfde tijd (rond het begin van de Christelijke jaartelling) dat in het Zuidwesten van de Verenigde Staten de culturen van de Hohokam, Mogollon en Anasazi opkwamen, ontwikkelde zich in de oostelijke helft van de Verenigde Staten een aantal complexe agrarische samenlevingen, die ook een indrukwekkend erfgoed hebben nagelaten, zij dat dit totaal verschillend was dan de nalatenschap van de culturen van het Zuidwesten. De meest in het oog springende overblijfselen van deze culturen zijn tegenwoordig de honderden, zoniet duizenden aangelegde heuvels en terpen in de gehele oostelijke helft van de Verenigde Staten, van de  Grote Meren tot aan de Golf van Mexico en  van ten westen van de Mississippi tot de Atlantische kunst. Overal in het vlakke landschap zijn groepjes door de mens aangelegde verhogingen te vinden, tegenwoordig begroeid alsof het natuurlijke oneffenheden zijn. De meeste zijn platforms van ongeveer tien tot twintig  meter hoog, maar er zijn ook enorme hopen, van zo’n dertig meter hoog, die een uitgestrekt oppervlak beslaan, zoals het in het hier later nog te bespreken Cahokia.

De heuvels zijn het nu meest tastbare bewijs van deze opeenvolgende culturen.  Want behalve sculpturen van een bescheiden omvang hebben de moundbuilders vrijwel niets van steen nagelaten. Hun nederzettingen, die soms omvangrijke steden vormden, waren allemaal van hout gebouwd en zijn na verloop van tijd vergaan. Hun grote monumenten waren opgetrokken uit aarde en niet uit steen, en zijn in de loop der eeuwen begroeid geraakt, zodat zij op natuurlijke heuvels zijn gaan lijken.

Hoewel deze cultuur vrijwel met de komst van de eerste Europeanen verdwenen was (ik kom daar later op terug) zijn er in de laatste paar  honderd jaar wel degelijk Amerikanen geweest die oog hadden voor al die merkwaardige heuvels in het Oosten van Amerika, die bij nader onderzoek vaak rijke archeologische vindplaatsen bleken te zijn. Thomas Jefferson bijvoorbeeld, was een enthousiaste schatgraver/amateurarcheoloog (als je daar in zijn tijd van kunt spreken) en heeft vele van deze heuvels onderzocht, afgegraven en zijn vondsten nauwkeurig gedocumenteerd en erover gepubliceerd. Maar hij was een van de weinigen. Zowel binnen de gevestigde wetenschap, als bij het grote publiek, heeft het lang geduurd voordat er iets van een besef kwam dat het oosten van Amerika eens een bloeiende cultuur kende, die vele sporen heeft nagelaten.  Zelf kan ik me nog herinneren dat ik op mijn veertiende een felle discussie heb gevoerd met een Amerikaanse oom van mij (van de generatie van mijn grootouders). Die vertelde mij uitgebreid dat hij alle staten van de VS wel een keer had bezocht, op twee na. Ik vroeg hem, bezeten door mijn interesse naar de cultuur van de indianen, of hij ook de verschillende mounds had bezocht. Hij wist me te verzekeren dat zoiets helemaal niet bestond en dat ik mijn informatie uit fantasieboeken moest hebben, want  anders had hij er vast wel iets van gehoord of iets van gezien. Tot mijn grote frustratie kon ik hem niet van het tegendeel overtuigen. De Moundbuilders hebben, nog veel meer dan de Pueblo’s, te lijden gehad aan grote onbekendheid en hebben het in faam moeten afleggen tegen de indiaan te paard en met een verentooi, zoals het stereotype van de bewoner van de plains veelal werd afgeschilderd.

Ik geloof dat pas sinds de laatste twintig, misschien dertig jaar, een blad als National Geographic met grote regelmaat over  de recentste onderzoeksresultaten naar deze oude Amerikaanse cultuur publiceert en wellicht dat nu ook de moundbuilders iets meer aan bekendheid hebben gewonnen.

AdenaHopewellMissMap

de belangrijkste archeologische vindplaatsen van de Moundbuilderscultuur in het oosten van de Verenigde Staten

Zo rond 1000 v. Chr. ontstonden er in de vallei van de Ohio sedentaire nederzettingen. Het schijnt niet helemaal duidelijk te zijn of er ook landbouw werd bedreven; de oudste sporen in het oosten van Amerika zijn van iets latere datum. Maar wel begonnen rond die tijd de bewoners van de Ohio- vallei aarden heuvels op te richten, die in ieder geval dienden als grafmonument.  Dat is af te leiden aan de vele grafgiften die er in de heuvels gevonden zijn, die soms enorme afmetingen hadden. De Adena-cultuur, zoals deze oudste fase van de Moundbuilders genoemd wordt, verspreidde zich steeds verder over het oosten van de Verenigde Staten. Zie hier Cave Creek Mound, gelegen in het huidige West Virginia.

Grave_Creek_Mound (Adena Cultuur)

Cave Creek Mound (Adena), West Virginia

Uiteindelijk ging de Adena cultuur over in de Hopewell cultuur, die zeker gebaseerd was op een agrarische samenleving. De Hopewell cultuur bloeide van ongeveer 200 v. Chr. tot 500 n. Chr. Het kerngebied lag in de Ohio vallei maar de reikwijdte van deze cultuur omvatte het hele grote merengebied, tot een flink stuk in Canada, over de Mississippi totaan de Missouri en in het zuiden de hele golfkust van de Verenigde Staten, van Forida tot de Texaans- Mexicaanse grens.

Ook de Hopewell richtten grote aarden monumenten op, die zij voor verschillende doeleinden gebruikten. Er zijn grafheuvels gevonden (zoals bij de Adena) maar ook heuvels die dienden als basis voor ceremoniële bouwwerken (zoals in het oude Mexico, zij dat de Mexicaanse tempelpiramides van steen waren).  Het meest markant (en ook het meest bekend) zijn de Hopewell structuren die naar een voorstelling zijn gemodelleerd die alleen vanuit de lucht, of desnoods vanaf een hoog punt, herkenbaar zijn.  Ergens doen deze structuren in het landschap denken aan die van de Nazca in Zuid Amerika, die beroemd werden vanwege hun grote voorstellingen die zij in de kustwoestijn van Peru aanbrachten en die alleen vanuit de lucht herkenbaar zijn (ik suggereer overigens geen verband tussen beide culturen).

Great Serpent Mound

The Great Serpent Mound (Hopewell cultuur) , Ohio, ongeveer rond 300 n. Chr., al bestaat er onenigheid over de datering en zijn er geleerden die betogen dat het monument vele eeuwen ouder is en zelfs aanvankelijk is aangelegd door de Adena

Het bekendste Hopewell-monument is de Great Serpent Mound (ong. 300 n. Chr.), in de huidige staat Ohio. Over een lengte van 400 meter is er een slingerende aarden wal opgericht, vanuit de lucht herkenbaar als de verbeelding van een enorme slang. Wat de motieven waren om zulke werken te realiseren is net zo’n raadsel als de lijnen in de lijnen in de woestijn van de Nazca in Peru. Misschien zijn ze voor de goden gemaakt, die vanuit de lucht wel een goed zicht hadden op de voorstellingen op aarde, wie zal het zeggen?

Overigens heeft dit monument nog een eigenschap gemeen met Nazca. Als je ‘Great Serpent Mound’ op internet zoekt word je, net als bij de lijnen van Nazca, direct op allerlei New Age pulp getracteerd, zoals graancirkels, aliens die ons zouden hebben bezocht, Atlantis, het einde van de wereld, of de onvermijdelijke Maya-kalender (dan heb ik het niet over de echte Maya-kalender, die vele malen interessanter is dan alle New Age speculaties) t/m ‘The Great Serpent Mound and Chrystal Skulls’ en de moeder aller verschrikkelijke spirituele hulp bij zelfontplooiingscursussen, ‘De Celestijnse Belofte’. Of een filmpje van een organisatie die zich StarKnowledgeTV.com noemt met de titel ‘Bear Cloud speaks about the Secrets of the Serpent Mound’, maar volgens mij is die Bear Cloud een verwarde of querulerende blanke New Ager die zich als indiaan heeft verkleed. ’Great Serpent Mound 20.000 years old and the possible birthplace of humanity’, het kan allemaal. Of een filmpje met de veelbelovende titel: ‘The Ohio Great Serpent Mound: UNICORNS EXIST!!!’, maar dat blijkt dan weer een grap te zijn. Er zit dus héél véél kaf tussen het koren. Wees gewaarschuwd! En in het algemeen, de oorspronkelijke bewoners van Amerika zijn regelmatig slachtoffer van allerlei New Age oprispingen. Ook de eerder besproken Pueblo-indianen. Een laatste voorbeeld; wat moet je met een filmpje met de titel ‘The Kiva is always the center of the Mandala’? Naam van degene die dit heeft geupload: ‘Maya Atlantis’. Alsof de Native Americans nog niet genoeg problemen voor hun kiezen hebben gehad. Maar dit alles terzijde.

kunst Hopewell cultuur

artefacten van de Hopewell-cultuur. Linksboven: een hand van mica. Rechtsboven en daaronder: pijpenkoppen van speksteen in de vorm van dierfiguren.

De Hopewell ontwikkelden ook een verfijnde kunst. Materiaal uit bijna alle delen van Noord Amerika werd hiervoor geïmporteerd, van vulkanisch glas uit het westen van het continent tot schelpen uit de golfkust en de Atlantische oceaan.  Ook werd er rode speksteen gebruikt, uit het noordelijke stroomgebied van de Missouri, waarschijnlijk uit het gebied waar nu de staten Wyoming en Montana liggen.

Rond 700 werd de Hopewell cultuur als het ware van binnenuit leeggegeten door een snel opkomende nieuwe macht, die zich niet ver van de het centrum van de Hopewell bevond.  Dat was de Mississippi-cultuur, die de meest monumentale sporen zou nalaten van de Moundbuilderscultuur.  De Misissippi-cultuur onderscheidde zich van de Adena en Hopwell door maïsbouw. Dit uit zuidelijker gebieden afkomstige graan (het kwam al eerder ter sprake) leende zich aanvankelijk niet voor het klimaat in het oosten van de Verenigde Staten. Doordat er nieuwe soorten werden ontwikkeld, werd dit opeens wel mogelijk. De maïsbouw zou de motor zijn van de nieuwe cultuur, waarvan het hart zou liggen in het gebied waar de Missouri en de Ohio in de Mississippi uitkomen. Hier, niet ver van de huidige Amerikaanse stad Saint Louis, verrees de grootste nederzetting van de Moundbuilders ooit, Cahokia.

monks%20mound

Monks Mound nu, het vroegere hart van de Mississippi metropool Cahokia

Cahokia 2

Reconstructie van het centrum van Cahokia, de grootste stad die precolumbiaans Noord Amerika ooit gekend heeft

Cahokia overview

Cahokia-overview van de huidge archeologische site (bron)

Het is niet duidelijk of Cahokia ook een soort hoofdstad was van een imperium, maar wel was het gedurende een paar honderd jaar verreweg de grootste stad van Noord Amerika; andere centra van de Mississippicultuur kwamen qua inwoneraantal niet eens in de buurt. Cahokia kende op haar hoogtepunt 20.000 inwoners.

De stad was als volgt opgebouwd: de buitenste delen werden gevormd door een aantal aparte dorpen, stadsdelen of wijken, allen met een centraal plein of met een kleine ceremoniële heuvel. Binnen die ring van ‘suburbs’ lag de echte stad, die ommuurd was met een aarden wal met daarop een hoge palissade van boomstammen. Daarbinnen bevonden zich grote huizen, wellicht bestemd voor een hogere klasse. Het midden van de stad kende een flink aantal mounds, waarop houten bouwwerken moeten hebben gestaan en een groot plein. Aan dat plein verrees de grootste piramide die er ooit in Noord Amerika werd opgeworpen en die ook omvangrijker was dan veel piramides in Mexico. Hoewel dertig meter hoog, bijna net zo hoog als het hoogste platform van de Templo Mayor van de Azteken , Tempel I van Tikal of de’Piramide van de Tovenaar’ van Uxmal, was het vooral de massa van dit bouwwerk dat vele andere bouwwerken uit de Nieuwe Wereld overtrof. De basis van de piramide was overigens groter dan die van de Piramide van Cheops en werd in het oude Amerika alleen overtroffen door de grote Piramide van Cholula (bij Puebla, Mexico, die trouwens ook meer massa bevat dan de grootste Egyptische piramide). Dit geldt overigens niet voor de hoogte. De Piramide van Cheops is 140 meter hoog en geen van de oud-Amerikaanse bouwwerken komt daar ook maar enigszins in de buurt (het hoogste bouwwerk van het oude Amerika is Tempel IV van Tikal en die is ong. 95 meter hoog, dus ongeveer even hoog als de Marduktempel van Babylon, oftwel ‘de Toren van Babel’). Maar de basis van Monks Mound, zoals de aarden piramide van Cahokia bekend is geworden, is inderdaad iets groter dan die van de grootste Egyptische piramide. Er is overigens wel een groot verschil tussen gebouw van aarde en een gebouw van massieve steen. Maar tegenwoordig is het erg in de mode om alles uit de Nieuwe Wereld met monumenten uit de ‘eigen oudheid’ te vergelijken (wellicht een kleine compensatie, omdat  oud-Amerikaanse culturen zo lang verguisd zijn), dus laat ik het dan maar meteen precies uitleggen.

Op de platte top van Monks Mound waren een paar verhoogde platforms aangebracht. Op het hoogste platform stond waarschijnlijk het huis van de heerser (zie de reconstructie -tekening). Dat is echter een aanname, omdat dit inderdaad het geval was bij de latere Natchez (Emerald Mound), het laatste overblijfsel van de Mississippi Moundbuilderscultuur, dat als enige uitvoerig beschreven is door Europese ontdekkingsreizigers.  

Fragment ’500 Nations’ (PBS) over Cahokia

Een korte documentaire over de opgravingen en archeologisch onderzoek bij Cahokia

De bloeiperiode van Cahokia was echter van korte duur. Gedurende haar bestaan had de stad ook een paar forse tegenslagen te incasseren. Er waren een paar grote overstromingen en de stad werd getroffen door een van de grootste aardbevingen uit de Amerikaanse geschiedenis, die een deel van  Monks Mound wegsloeg (dat daarna werd hersteld, zij het gebrekkig, zoals nu nog zichtbaar schijnt te zijn). In 1350 stad verlaten. Er zijn sporen gevonden van een gewapend conflict, wellicht was er sprake van een opstand (Charles Mann, p. 355)

Mississippi cultuur (artefacten)

artefacten van de Mississipi-cultuur

De val van Cahokia betekende nog niet het einde van de Mississippi-cultuur. Na Cahokia kwamen juist verschillende regionale centra op. Te denken valt aan Etowah in het huidige Georgia, Kincaid in Illinois, de steden van de Timicua in Florida en de Natchez in Louisiana. De meeste van deze centra waren nog in volle bloei toen de eerste Europeanen voet aan wal zetten in Noord Amerika.

De latere Spaanse chroniqueur en dichter Garcilaso de la Vega trok als soldaat mee in het leger van de Spaanse veroveraar Hernan de Soto, die van 1539 tot 1542 vanuit het pas veroverde Mexico zij beruchte veldtochten ondernam naar het Noord Amerikaanse continent. Van hem kennen we een aantal gedetailleerde beschrijvingen van de tempels van de Moundbuilders. De la Vega over een tempel in Talimico, aan de Savannah River in het huidige South Carolina: ‘het plafond en de binnenmuren, evenals de buitenmuren en het dak, waren versierd met schelpendecoraties, doorsprenkeld met strengen parels’

nederzettingen Mississippi cultuur

Links: Kincaid (reconstructie) Mississippi-cultuur, Illinois, 10150-1400 (zie ook
http://www.kincaidmounds.com/
 )
Rechts: Nodena (reconstructie) Mississippi-Cultuur, Arkansas, 1400-1650 (zie ook
http://hampson.cast.uark.edu/nodena_info.htm
 )

Etowa

twee antropomorfe figuren (marmer, hoogte ca 60 cm), bij Etowah, Georgia, waar ze gevonden zijn (zie de Mounds op de achtergrond), Mississippi-cultuur, ca 1500

     Etowa nu

Links: overview van Etowah (klik op foto voor vergrote weergave, bron)
Rechts: detail (klik op foto voor vergrote weergave, bron)

 De Soto trof langs de loop van de Mississippi overigens een heleboel grote nederzettingen aan, met vele duizenden inwoners. De meeste van deze plaatsen waren met hoge palissaden ommuurd. De centra werden gedomineerd door aarden piramides, waarop de tempels en de woningen van de heersers waren gebouwd. De confrontatie met de Spanjaarden was overigens meestal bijzonder gewelddadig (de Spaanse conquistadores waren trouwens uitzonderlijk wreed). De Soto zou de expeditie niet overleven en zijn leger moest uiteindelijk het Noord Amerikaanse grondgebied ontvluchten.

Maar toen was het kwaad al geschied, want daarna was de Mississippi-cultuur praktisch verdwenen en waren vrijwel alle grote nederzettingen ontvolkt. De reden: Europese ziekten, vooral de pokken. Deze plaag heeft op veel plaatsen verwoestend werk gedaan, maar nergens zo hevig als in het zuidoosten van de Verenigde Staten. Oorspronkelijk moet dit een van de dichtstbevolkte gebieden zijn geweest van Noord Amerika, maar na de grote epidemie waren bijvoorbeeld de Appalache Mountains vrijwel ontvolkt.

Emerald Mound (recnstructie)

reconstructie van Emerald Mound, het religieuze en politieke hart van de Natchez (Mississippi-cultuur)

Emerald Mound nu (Natchez)

Het huidige Emerald Mound

The-Great-Sun-chief-of-the-Natchez-Indians

Le Grand Soleil du Natchez, houtgravure toegeschreven aan de Franse ontdekkingsreiziger Le Page du Pratz, die van 1720 tot 1728 bij de Natchez verbleef

Het laatste bolwerk van de Mississippi-cultuur, de Natchez, zou tot het begin van de achttiende eeuw in stand blijven. En van hun samenleving bestaat ook een gedetailleerde beschrijving,  van de Franse ontdekkingsreiziger Antoine Simon Le Page-Du Pratz. In 1718 vestigde Le Page du Pratz zich in het inmiddels Franse Louisiana ( de Fransen hadden de Mississippi vallei tot hun gebied verklaard), waar hij samenleefde met een Indiaanse vrouw, bij wie hij ook kinderen verwekte. Van 1720 tot 1728 leefde hij zelfs met de Natchez. Van hem kennen we een zeer gedetailleerde beschrijving van hun samenleving. Het prettige van zijn verslag schijnt te zijn dat Le Page-Du Pratz vooral een scherp waarnemer was, die het belangrijker vond om zijn observaties nauwkeurig op te tekenen, dan er allerlei (onvermijdelijke eurocentrische of Christelijke) interpretaties aan te geven. Dus veel onzin over dat de indianen mogelijk de tien verloren stammen van Israël zouden zijn, zoals wel het geval bij veel van zijn tijdgenoten, komt bij hem gelukkig niet voor. In die zin was hij zeker een moderne wetenschapper.

Uit zijn beschrijvingen kunnen we onder andere het volgende opmaken: De Natchez werden geregeerd door een absolute vorst, de Grote Zon, aan wie zij ook goddelijke krachten toeschreven.  Hoewel de Grote Zon de hoogste in rang was, was hij vooral een spiritueel leider en werd het dagelijks bestuur overgelaten aan de tweede man, een functionaris met de titel  De Getatoeëerde Slang. Afgaand op de beschrijving  Le Page- Du Pratz was het systeem veel autocratischer dan  de staatsvorm van de Azteken en leken de Natchez in dat opzicht meer op de Inca’s. Wat de Natchez wel weer met de Azteken gemeen hadden was het gebruik van mensenoffers.

In een bepaald opzicht stond de vrouw van de Grote Zon iets hoger in de hiërarchie. Als de koningin overleed, moest ook haar echtgenoot eraan geloven en werd hij om het leven gebracht om zijn vrouw in het hiernamaals te vergezellen. En met hem ook de complete hofhouding, om het paar ook na de dood van dienst te kunnen zijn. Dit lot werd overigens door de betrokkenen geheel geaccepteerd en zelfs als een grote eer gezien.

Uit het verslag blijkt een er sprake te zijn van een samenleving die veel overeenkomsten vertoonde met de stedelijke culturen van Meso-Amerika en de Andes, maar waarvan bepaalde kenmerken nog veel verder waren doorgevoerd.

In de jaren daarna zou het voor de Natchez treurig eindigen. Vanaf de jaren twintig hadden de Fransen zich in hun gebied gevestigd en waren er al een paar keer gewapende confrontaties geweest. In 1729 vroegen de Fransen de Natchez om een dorp te verplaatsen voor de vestiging van een grote tabaksplantage. De Grote Zon en de Getatoëerde Slang beschouwden dit als een schoffering en besloten de Fransen voorgoed uit hun gebied te verdrijven. Opmerkelijk was dat zij eerst een oproep stuurden aan alle zwarte slaven om zich van hun Franse meesters te ontdoen, met de uitnodiging om zich daarna als vrije mensen bij hen aan te sluiten. De Natchez sloegen vervolgens hard toe en legden het belangrijke Franse Fort Rosalie compleet in de as. De hele Franse kolonie in het gebied werd overmeesterd. Alle mannen werden gedood en alle vrouwen en kinderen werden gevangen genomen als slaaf.

In het jaren daarna sloegen de Fransen keihard terug. Een nieuw leger werd uitgerukt om de Natchez voorgoed te verslaan. Uiteindelijk werd de Grote Zon met zijn familie en hofhouding gevangen genomen en als slaaf verkocht op de Cariben. De overlevende Natchez sloegen op de vlucht. Velen van hen vonden een onderkomen bij de Cherokee, en vergezelden hen later naar hun ballingsoord in Oklahoma, waar zij nu wonen. Zij koesteren  nog altijd hun Natchez identiteit, die is in de loop der jaren levend gehouden.

Dit betekende ook het einde van de Mississippi-cultuur. Emerald Mound en het later gebouwde centrum Grand Village, de belangrijkste overblijfselen van de Natchez cultuur, zijn tegenwoordig een National Monument, net als vele andere Moundbuilderssites.

??????????????????????????????????

De grote kaart van Indiaans Noord Amerika, met daarop alle cultuurgebieden, stammen en substammen en historische plaatsen (National Geographic, 1972). Klik op kaart voor vergroting en de details

De belangrijkste taal- en cultuurgebieden van Noord Amerika

Uit het voorgaande is duidelijk geworden hoe verschillend de ontwikkelingen waren in twee regio’s van het Noord Amerikaanse continent. Beide cultuurgebieden hebben ook een hele oude geschiedenis. Vanzelfsprekend geldt dat ook voor de rest van Noord Amerika. Daarom wil ik in dit gedeelte het hele continent doornemen en kort ingaan op de verschillende culturen die daar tot ontwikkeling zijn gekomen. De nadruk zal komen te liggen op de volkeren en culturen zoals die door de Europese nieuwkomers werden aangetroffen, dus niet zozeer op de oude geschiedenis, wat ik in het gedeelte hiervoor wel heb gedaan.

Maar eerst nog een andere kwestie. Het oude Amerika was niet alleen cultureel een grote lappendeken, dat was het ook taalkundig. Er bestaan, of bestonden toen de Europeanen arriveerden, zo’n vijfhonderd verschillende volkeren, of stammen (het hangt er een beetje vanaf wat voor eenheden je gebruikt). Bovendien spraken al die volkeren en stammen ook hele verschillende talen. Taalkundig was het oude Amerika net zo divers als Europa (misschien nog wel meer). Om het nog ingewikkelder te maken, de taalkundige grenzen vallen zeker niet samen met de afzonderlijke cultuurgebieden of geografische regio’s. Hierboven is al ter sprake gekomen dat de Apaches en de Navaho’s uit het Zuidwesten van de Verenigde Staten taalkundig verwant zijn met de subarctische nomaden van Alaska en West Canada. Zo zijn er meer voorbeelden. De meest ‘primitieve’, of basale culturen van Noord Amerika, die van het grote bekken tussen de Rocky Mountains en de Sierra Nevada, bestaan vooral uit stammen die taalkundig verwant zijn aan de Azteken in Mexico, de zg. Uto-Azteekse taalfamilie. Omdat in de meeste literatuur de taalfamilies vermeld worden, lijkt het mij nuttig om er hier ook beknopte aandacht aan te besteden.

Hoewel er een heleboel kleine en geïsoleerde taalfamilies bestaan, of dat we tegenwoordig niet meer weten welke taal een bepaald volk sprak, simpelweg omdat die taal verloren is gegaan, zijn er een paar grote taalfamilies te onderscheiden. Zie de kaart hieronder. Ik zal hierna overigens een heleboel namen van volkeren en taalfamilies noemen. Erg veel in een keer, maar een groot aantal van die namen zullen in het komende vertoog regelmatig terugkeren, dus zie het maar als een eerste introductie.

Langs_N_Amer

de taalfamilies van Indiaans Noord Amerika

Een van de grootste taalfamilies van Noord Amerika is die van de Na-Dene (in de wat oudere literatuur meestal aangeduid als ‘Atapaskisch’). Deze taalfamilie staat  verder af van alle andere taalfamilies van zowel Noord als Zuid Amerika. Men gaat er tegenwoordig vanuit dat de Na-Dene bevolking later over de Beringstraat trok dan de zogenaamde Amerindische bevolking, maar wel voordat de Inuit en de Aleuten naar Amerika trokken. Tot de Na-Dene worden alle ‘indianen’ (dus niet de Inuit of Aleut) van Alaska gerekend (de Kutchin, de Han, de Koyukon, deTanaina, enz.) en het grootste deel van het westen van Canada, met uitzondering van het grootste deel van de Canadese westkust (alleen de Tlingit behoren tot de Na Dene).  Verder alle subarctische volkeren van West Canada, zoals de Chippewyan, de Beaver, de Kaska, de Slave, de Yellowknive en de Dogrib. Ook het noordelijkste volk van de plains, de Sarsi, behoort tot de Na-Dene familie. In het westen van de Verenigde Staten komen kleine geïsoleerde groepen voor die tot de Na-Dene worden gerekend. De grootste concentratie vindt men weer in het Zuidwesten van de Verenigde Staten en net over de grens met Mexico. Het gaat hier om de eerder ter sprake gekomen nomadische Apaches en de zeer nauw verwante sedentair levende Navaho.  Nogmaals, de Na-Dene/Atapasken verschillen in  taalkundig opzicht meer van de rest van de Indiaanse bevolking dan de Amerindische taalfamilies onderling.

De meest omvangrijke Amerindische taalfamilie van Noord Amerika is het Algonquin, genoemd naar een nomadische stam ten noorden van het Grote Merengebied. Het Algonquin is de dominante taalfamilie van het oosten van Canada en het Noordoosten van de Verenigde Staten. In het gebied van de VS zijn er drie gebieden waar het Algonquin werd gesproken.  De eerste concentratie is langs de oostkust , van het noorden tot en met de kust van South Virginia en een stukje North Carolina.  Tussen het Algonquingebied van de oostkust en het Algonquin van het Grote Merengebied en Oost en centraal Canada bevindt zich een zone waarin vooral het Iroquois werd gesproken.  Het tweede Algonquingebied omvat eigenlijk het gehele Grote Merengebied en naar het noorden Oost Canada (alle Indiaanse volkeren van het schiereiland Labrador) en loopt een eind door naar de Noordelijke Plains via het leefgebied van de nomadische Cree en Ojibway. Op de noordelijke plains worden de Plains Cree en de Blackfootvolkeren (Piegan, Kalinai, Siksikawa) tot het Algonquin gerekend. Dan is er nog een kleinere zuidelijker ‘enclave’ op de plains (delen van Wyoming, Nebraska, Colorado en Kansas). De uit vele boeken en films bekende gezamenlijk optrekkende Cheyene en Arapaho vormen deze derde groep Algonquin-sprekende volkeren, die weer zijn opgesplitst in een noordelijke en een zuidelijke groep.

Een kleinere taalfamilie uit het oosten (loop St Lawrence River, zuidoostelijk Grote Merengebied, met uitlopers tot over de Apalachee Mountains) is het Iroquois, naar de roemruchte bond van vijf naties de Iroquois (of ‘Irokezen’ in het Nederlands, vergeet niet dat de Nederlanders gedurende hun aanwezigheid in het gebied rond New York, veel met deze bevolkingsgroep te maken heeft gehad). Zelf noemden zij zich overigens Haudenosaunee. De Iroquois taalfamilie omvat natuurlijk de Vijf Naties (Mohawk, Oneida, Onondaga, Cayuga en Seneca), maar ook hun aartsvijanden, de Hurons (Wyandots), de Erie en zuidelijker de Cherokee (het volk van de hedendaagse kunstenaar Jimmie Durham, op dit blog meermalen ter sprake gekomen).

Ten zuiden van de Apalachee Mountains ligt het gebied waar vooral Muskogee-talen worden gesproken, al is ook te zien dat er zich in dat gebied veel witte plekken bevinden. De reden is dat dit ooit zeer dichtbevolkte gebied in een zeer vroeg stadium door de pokken werd getroffen. De epidemieën van deze door de Europeanen geïmporteerde ziekte heeft complete volkeren weggevaagd. Zoals eerder genoemd bleef er van de cultuur van de Moundbuilders vrijwel niets over. We weten ook niet wat voor taal zij gesproken hebben. De Creek confederatie, die ook tot de Moundbuilders worden gerekend spreken in ieder geval het Muskogee (de taal  dus, waar de taalfamilie naar is genoemd). Maar de Natchez bijvoorbeeld, spraken weer een taal die aan bijna geen enkele andere taal verwant lijkt te zijn. Wat de Moundbuilders dus in regel spraken weten we niet. Wel lijkt het Muskogee in die regio de dominante taal geweest te zijn.

In diezelfde regio sprak een minderheid (een paar eilandjes op de kaart) talen die tot de Siouanisch-Catawba taalfamilie behoren, kortweg het ‘Sioux’. Dit is inderdaad de taalfamilie waar ook het roemruchte nomadenvolk van de Centrale Plains toe behoorde. Het Siouanisch Catawba werd verder vooral op de Plains gesproken door ‘de Sioux’ (eigenlijk Dakota, Lakota, of Nakota). Deze ‘Siouxgroep’ was verdeeld over drie subgroepen, die weer uit een aantal losse stammen bestond. In het oosten (Wisconsin, Minesota) leefden de Santees, die zichzelf ‘Dakota’ noemden. De Santees waren verdeeld in de substammen de Mdewakanton, de Sisseton, de Wapeton en de Wahpekute. Tussen de Mississippi en de Missouri leefde  de ‘Centrale Sioux, of ‘Yankton Sioux’ (verdeeld in de Yankton en de Yantonai, zij noemden zichzelf eveneens ‘Dakota’). De meest bekende groep, de westelijke Teton Sioux (eigenlijk Lakota), leefde ten westen van de Missouri, in het gebied rond de Black Hills (samen met de Cheyene), de bovenloop van de Platte en in het land van de Powder River. Dit was het volk dat een paar van de beroemdste Indiaanse leiders heeft voortgebracht, zoals Red Cloud, Crazy Horse en Sitting Bull. De Lakota waren, of zijn verdeeld in zeven subgroepen. Dat zijn de Oglala, de Hunkpapa, de Brulé (Sichangu), de Mininconjou, de Sans Arcs (Itazipcho), de Blackfoot (eigenlijk Sihasapa, niet te verwarren met de Algonquin Blackfoot) en de Two Kettle (Oohenonpa). Zelf hanteerden ze soms andere namen (zie de bovenstaande tussenhaakjes en het tweede onderstaande kaartje van hun cultuurgebied), maar onder deze namen zijn ze het meest bekend geworden. Andere Siouanisch sprekende volkeren op de plains waren de Crow (Apsarokee, de aartsvijanden van de Lakota), de Assiniboin en de sedentair levende Mandan, Hidatsa, Ponca en Omaha. De Arikara, die vaak in dat rijtje wordt genoemd, behoorde weer tot en andere groep, die van de Pawnee (of Caddo-groep).

kaart Dakota Lakota

detailkaart leefgebied van de Sioux (Lakota/Dakota) en hun naburige volkeren. De kleuren geven de verschillende taalfamilies weer. Groen is Siouanisch-Catawba, roze is Algonquin en geel is Pawnee/Caddo. Stammen zijn met hoofdletters weergeven, bijv. TETON, YANKTON, SANTEE, enz. Substammen zijn met kleine letters weergegeven, bijv. Oglala (van de TETON), Mdewakanton (van de SANTEE), maar ook (bij de PAWNEE) Skidi, Chaui, etc. Terzijde, bijna niemand realiseert zich dit nog, maar er zijn heel veel staten en steden in de VS naar indianenvolkeren genoemd. In dit kaartje komen er al twee voor, zie Iowa (staat) en Omaha (stad in Nebraska, ook een van de stranden in Normandië bij D-Day). En natuurlijk ‘Dakota’, waar de staten North en South Dakota naar zijn genoemd.

Sioux familie

De Lakota/Dakota/Nakota, zoals zij zichzelf noemden (inclusief de substammen van de Lakota)

De meest in het oog springende taalfamilie van het westen, het zuidwesten en de zuidelijke plains is de eerder al genoemde (bij de bespreking van de Hohokamcultuur) Uto-Azteekse taal familie. Dit is ook een van de grootste taalgebieden van Noord Amerika, die zich uitstrekt van de noordgrens van de staten Utah en Nevada tot Centraal Mexico (zoals eerder vermeld, maar ook uit de naam is af te leiden, de Azteken horen ook bij deze taalfamilie). Soms worden bepaalde subgroepen als aparte taalfamilies ingedeeld, zoals het Tanoa, dat zowel door een aantal van de Pueblo volkeren wordt gesproken, maar ook door de Kiowa op de zuidelijke plains), of het Soshone (dat zowel door de Soshone van het Grote Bekken werd gesproken, maar ook door de van hen afgesplitste Comanche, een roemrucht krijgersvolk van de zuidelijke plains, in Nederland bekend geworden uit de roman van Arthur Japin ‘De Overgave’). Andere indelingen rekenen ook de tweede Pueblotaal, het Keres, net als het Tanoa, tot de Uto Azteekse taalfamilie. In ieder geval is de derde Pueblotaal, het Zuni, aan geen enkele andere taalfamilie verwant. Verder behoren tot de Uto Azteekse taalfamilie vooral de nomadische jagers en verzamelaars van het centrale woestijngebied, als de Paiutes, maar ook de Utes van de Rocky Mountains (waar deze taalfamilie, maar ook de staat Utah naar is genoemd).

de zuidelijke plains en het zuidwesten van VS

Het zuidwesten van de Verenigde Staten en de zuidelijke plains. De Pueblo volken worden gevormd door de kleine gebiedjes in het midden van de kaart (Tewa, Keres, Zuni, Hopi, etc.). Paars is hier Uto-Azteeks. Daartoe wordt in dit geval ook het Soshone van de Comanche toe gerekend en het Tanoa van de Kiowa (maar ook van sommige Pueblo, zoals het Tewa). Het Keres (geel) is hier weeergegeven als een aparte taal, net als het Zuni (roze). Het blauwe gebied rond de Pueblo-volkeren is allemaal Na-Dene en zijn de Apaches en de Navaho’s. Alleen de Navaho’s worden hier als eenheid genoemd, maar alle andere Na-Dene groepen op dit kaartje zijn substammen van de Apaches, zoals Chiricahua, Mescalero, Tonto, White Mountain, San Carlos, etc. De Pima en de Papago (Uto-Azteeks, linksonder tegen de Mexicaanse grens) zijn de erfgenamen van de eerder besproken Hohokam cultuur. De lichtgele vlek rechts is weer de Caddo-taalfamilie (van oa de Pawnee van de centrale plains). Het lichtgroen, op de linkerkant van de kaart (van de Yavapai, de Havusapai, etc.), vormt het gebied van de Hokan-Coahuilteekse taalfamilie, die verder vooral voorkomt in delen van Californië, op de Baja California en verder naar het zuiden in Mexico.

Californië, vroeger een zeer dichtbevolkt gebied, maar waar nog maar heel weinig van over is, moet een lappendeken geweest zijn van afzonderlijke taalgroepen, die aan geen enkele andere taalfamilie verwant zijn. Ten noorden van Californië springen er twee grotere taalfamilies in het oog. Dat zijn het Salish en het Wakash. Het Salish werd zowel aan de kust van Washington gesproken (de stam van Chief Seattle van de beroemde redevoering, die wij vooral in zwaar verminkte vorm kennen, de Dwamish, of Coast Salish behoorde tot deze groep) als landinwaarts, op het plateau, tot een eind in Canada is dit een dominante taal in die regio. Op het meest noordwestelijke puntje van de VS, een stuk van de Canadese westkust en een deel van Vancouver Island is het Wakash een relatief grote taalfamilie (oa van de enige twee walvisjagende volkeren, de Nootka/ Nu-Chah-Nulth en de Makah en de noordelijker levende de Kwakiutl /Kwakwaka’wakw). De volkeren ten noorden van de Wakash regio, de Noordwestkust (waaraan de tentoonstelling in Leiden in zijn geheel is gewijd), spreken talen die verder nergens anders aan verwant lijken te zijn, zoals de Bella Coola, de Tsimshian en de Haida. Behalve het noordelijkste volk van dit cultuurgebied, de Tlingit, dat tot de Na-Dene behoort.

Tot zover deze taalkundige rondgang langs het Noord Amerikaanse continent. Er zijn een heleboel  namen gevallen, wellicht te veel. Maar veel van die namen zullen terugkeren in het onderstaande verhaal, zowel in de beschrijvingen van de cultuurgebieden, maar ook in de geschiedenis van de veroveringen door de Europese nieuwkomers.

Cutuurgebieden Noord Amerika

de belangrijkste regio’s (cultuurgebieden) van Indiaans Noord Amerika

Dan nu de cultuurgebieden van Indiaans Noord Amerika. Er worden in de literatuur verschillende indelingen gebruikt. De meest gebruikte indeling is te zien op de kaart hierboven. De gebieden worden als volgt verdeeld: het Arctische gebied, het Subarctische gebied, het Noordoosten, het Zuidoosten, de Plains, het Zuidwesten, het Grote Bekken, Californië, het Plateau en de Noordwestkust. Ik ga het hier een klein beetje anders doen en de grotere indeling gebruiken (die ook vaak wordt toegepast). Dat wordt:  Het Noorden (Arctisch en Subarctisch), het Oosten (het Noordoosten en het Zuidoosten), de Plains, het Zuidwesten, het Westen (het Grote Bekken, Californië en het Plateau) en de Noordwestkust. Wat betreft beeldmateriaal, ik wil vooral gebruik maken van de bijzondere foto’s van de Amerikaanse fotograaf Edward S. Curtis (1868-1952). In de eerste decennia van de twintigste eeuw werkte hij aan een ambitieus project; hij wilde alles vastleggen van wat er nog over was van de oorspronkelijke culturen van de bewoners van het Noord Amerikaanse continent. Hij reisde naar zo’n beetje alle belangrijke regio’s om daar de mensen en hun gebruiken te vereeuwigen. Zijn werk is van onschatbare waarde gebleken en bovendien zijn het vaak ook adembenemend mooie foto’s. Zie hier een groot deel van zijn oeuvre op internet, de Curtis Libarary. Ook zal ik materiaal tonen uit de tentoonstelling die nu in de Nieuwe Kerk loopt. Voor beeldmateriaal van culturen die niet meer op die manier door Curtis konden worden vastgelegd (vooral het ooosten van Amerika, dat toen al honderd jaar was gekoloniseerd), zal ik ander beeldmateriaal gebruiken.

actic

de Inuit bevolking van Noord Canada en Alaska

subarctisch (Canada)

de subarctische Na-Dene en Algonquin volkeren van Canada

arctic West

De volkeren van Alaska (Aleut, Inuit en Na-Dene). De Tlingit, de Tsimshian en de Haida vallen buiten het arctische en subarctische cultuurgebied en zal ik bespreken bij het gedeelte over de Noordwestkust

Het Noorden (arctisch en subarctisch)

Het noordelijkste deel van het continent (het grootste deel van Canada en Alaska) was een betrekkelijk dunbevolkt gebied, al leefden ook daar veel uiteenlopende volkeren. Zowel de Inuit en Aleut, als de indiaanse bevolking (te verdelen in de Na-Dene in het westen en de Algonquin in het oosten) waren nomadische jagers. Iedereen kent van de Inuit de befaamde Iglo, maar een groot deel van deze poolvolkeren leefde ook in tenten van Kariboehuiden. Op zee werd er gevist en op zeehonden gejaagd. In het binnenland vooral op kariboes (het Noord Amerikaanse rendier, elanden en klein wild). De toendra-achtige gebieden deelden zij vaak met de noordelijkste indianenvolkeren. Overigens het woord ‘Eskimo’, zoals de Inuit bij ons veelal bekend staan is oorspronkelijk een scheldwoord uit het Algonquin, en betekent ‘rauwvleeseter’, zoals de indianen hen soms minachtend plachten te noemen. Ondanks de door de barre omstandigheden gedicteerde leefstijl, hebben de Inuit  een hele eigen stijl in hun kunst en materiële cultuur ontwikkeld. Beroemd zijn bijvoorbeeld hun spekstenen beelden, waarvan er veel te zien zijn nu in de tentoonstelling in de Nieuwe Kerk. Het zijn veelal om de verbeeldingen van dieren, met een hele eigen stilering.

Dansende beer

Pauta Saila, Dansende beer, steen, 1973. De Inuit beeldhouwer Pauta Saila (1916-2009) is een van de belangrijkste kunstenaars die deze Inuit-traditie levend heeft gehouden. Nu te zien op de tentoonstelling ‘Indianen; kunst en cultuur tussen Mythe en Realiteit’, De Nieuwe Kerk, Amsterdam

Inuit in Kayak

Edward S. Curtis, Inuit in kayak (Alaska) bron Curtis Library, zie hier

De ten zuiden van de Inuit levende Na-Dene volkeren (de Gwich’in, de Han, de Tanana, de Deg’hitan, de Chipewyan, de Beaver, de Yellowknive etc.) en de noordelijke Algonquins (de Cree volkeren, de Montagnais of de Naskapi, eigenlijk de Innu, en de Noordelijke Ojibwa) waren  ook nomadische jagers, net als hun noordelijke buren. De twee soorten roeiboten, die respectievelijk door de Inuit en de indianen van het subarctische gebied zijn ontwikkeld, zijn tegenwoordig ook bij ons zeer bekend. De Inuit ontwikkelden de kayak en de subarctische indianen de kano. De kayaks van de inuit waren bekleed met dierenhuiden, maar de kano’s waren vaak bekleed van berkenbast, wat in de noordelijkste bosgebieden volop voorhanden is. Het bijzondere aan deze vaartuigen is dat ze zeer licht waren en daarom ook makkelijk mee te nemen waren over land. De Europese nieuwkomers, die van huis uit vooral houten vaartuigen kenden, keken er ook met bewondering naar en namen deze uitvinding snel over. Boombast werd trouwens voor veel meer ingezet, in sommige gebieden werden er ook de tipi’s (tenten) mee bekleed, en er werden ook manden van gemaakt, vaak fijn gedecoreerd.

Curtis A Cree Canoe

Edward S. Curtis, A Cree Canoe- Western Wood Cree, (bron: Curtis Library, zie hier)

Curtis Camp among the Aspen Chipewayan

Edward S. Curtis, Camp among the aspen-Chipewyan, 1926 (bron: Curtis Library, zie hier)

Een andere uitvinding, die nu ook elders wordt gebruikt was de zg sneeuwschoen. Men vlocht van dunne takken een soort tennisracket, dat plat onder de schoen werd gedragen, zoadat het lichaamsgewicht wordt verspreid en men niet wegzakt in de sneeuw. Ook deze praktische uitvinding is tegenwoordig overal in het poolgebied gemeengoed geworden.

Zowel de Inuit als de noordelijke Na-Dene en Algonquin waren (en zijn) ook pelsdierjagers. Er werd en wordt gejaagd op bevers, otters, marterachtigen maar ook groter wild. De bewoners van het subarctische gebied waren ok meesters in het zetten van vallen, nu vaak bij uitstek een instrument van stropers.  Overigens heeft de Europese invasie op dat gebied zeer ontwrichtend gewerkt. Voor de komst van de Europeanen werd er vooral op kleine schaal gejaagd, slechts voor de eigen behoefte. Na de komst van de blanken ontstond er een grote vraag naar bont, waardoor de jacht op pelsdieren veel intensiever werd. Hetzelfde kan worden gezegd over de zeehondenjacht in het arctische gebied. Natuurlijk waren de Inuit en de subarctische indianen van oudsher pelsjagers, maar de grote excessen zijn van na die tijd. Het is interessant om te zien dat zij nu vaak voorop lopen in de beweging om de grootschalige jacht te beperken, wat in een land als Canada, waar de jacht bijna net zo heilig is als het recht op het dragen van wapens in de Verenigde Staten, nog niet zo simpel is.

De confrontatie met de Europeanen is in deze gebieden in regel minder heftig geweest dan op het grondgebied van de Verenigde Staten. De belangrijkste reden is natuurlijk dat de onherbergzame gebieden van Noord en centraal Canada nooit echt onder de voet zijn gelopen. Toch is de oorspronkelijke bevolking veel land afgenomen. Sinds de laatste decennia lopen er vele rechtszaken om stukken grond terug te krijgen, die ook nog vaak gewonnen worden. In de Verenigde Staten zou zoiets uitgesloten zijn. Maar de Natives in Canada hebben zo langzamerhand ook veel meer rechten verworven dan in de VS.

De oorspronkelijke bewoners van de noordelijke gebieden leven ook nog meer in hun eigen grondgebied en hebben soms meer van hun tradities kunnen behouden dan de volkeren van de zuidelijker gebieden van Noord Amerika. Zie bijvoorbeeld deze site, gewijd aan de Innu (de eigenlijke naam van de Algonquin sprekende Naskapi of Montagnais van het schiereiland Labrador) met vele filmpjes, foto’s en getuigenissen over hun leven en hun cultuur.

Ojibwa family gathering 1878 Frederick Varner

Frederick Arthur Verner, Ojibway Family-Gathering, 1878 (bron). Let op de typische met berkenbast beklede tipi’s

 

North East

De volkeren van de Noordoostkust en het Grote Meren Gebied

Het Oosten (het noordoosten, de grote meren en het zuidoosten)

Eigenlijk kun je niet precies zeggen waar de cultuur van de subarctische woudbewoners overgaat in de cultuur van de woudgebieden van het Noordoosten. Taalkundig en etnisch (Algonquin) vloeien beide cultuurgebieden iets ten noorden van de Grote Meren in elkaar over. Wel is een belangrijk kenmerk van de oostelijke culturen dat zij landbouw bedreven en  in sedentaire woningen leefden, in aanzienlijke dorpen of zelfs steden. Maar er zijn ook volkeren die gedeeltelijk sedentair en gedeeltelijk nomadisch leefden. Het belangrijkste voorbeeld zijn de Ojibwa (of Ojibway, in de oudere literatuur vaak bekend als Chippewa, niet te verwarren met de subarctische Chipewyan, die tot de Na-Dene behoren). De Ojibwa leefden aan de noord en de westkant van het grote merengebied en kenden, naast een jagerscultuur die grotendeels overeenkwam met hun noorderburen, ook een semi-agrarisch bestaan. Dat wil zeggen, ieder jaar oogsten ze de ‘wilde rijst’, een wilde graansoort die alleen in het Grote Merengebied voorkomt (Zizania palustris, schijnt overigens geen echte rijstsoort te zijn, al vertoont dit wilde graan wel veel overeenkomsten).  Het leefpatroon van de Ojibwa draaide voor een groot deel rond het onderhouden (maar niet verbouwen) van de velden van deze wilde graansoort.

Iets zuidelijker werd wel echte landbouw bedreven (vooral maisbouw). Dit was ook het gebied van de Hopewell cultuur en de Mississippi-cultuur (al eerder uitgebreid besproken). Ik zal hier vooral ingaan op de indianenvolkeren die door de Europeanen werden aangetroffen en waarmee ook intensieve betrekkingen werden onderhouden (die ook gedocumenteerd zijn). Wel is er tegenwoordig weinig meer over van de culturen van de oorspronkelijke bewoners van het oosten van de Verenigde Staten. De Europeanen kwamen al in een vroeg stadium met hen in contact (al vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw) en er zijn talloze en langdurige oorlogen gevoerd. Ook hebben uit Europa geïmporteerde ziektes dit gebied zwaar geteisterd, meer dan welk ander gebied in Noord Amerika. Na tweehonderd jaar afwisselend oorlog voeren, dan weer verdragen sluiten en land opgeven, dan weer een nieuwe oorlog, etc.  zijn de meeste indianen uit dat gebied verdwenen. Een van de belangrijkste redenen is de beruchte Indian Removal Act, van President Andrew Jackson uit 1830. Deze hield in dat alle indianen ten oosten van de Mississippi naar het westen moesten verhuizen, meestal naar het barre Indian Territory (de huidige staat Oklahoma), waar veel van de nazaten van de oorspronkelijke bewoners van het oosten nog steeds leven. Deze etnische zuivering van het oosten van de VS (want dat was het), heeft ervoor gezorgd dat er op nog maar heel weinig plekken de laatste overblijvers iets van hun cultuur in stand konden houden, al is het op sommige plaatsen, tegen de klippen op, toch gebeurd.

Het noordelijke deel werd gedomineerd door twee taalfamilies, de Algonquin en de Iroquois sprekende volkeren, waarvan het gebied van de laatsten een soort  wig vormt tussen de Algonquins van de oostkust en die van het Grote Merengebied. In de zestiende eeuw, net voordat de Europeanen arriveerden besloten vijf Iroquois stammen zich te verenigen in een soort staatkundige unie. De reden zou zijn geweest dat deze vijf stammen erg te lijden hadden onder de dominantie van de Hurons (Wyandots) ten westen van de Saint Lawrence River, eveneens van de Iroquois familie. De vijf stammen zouden de beroemde League of Five Nations worden, de ‘Iroquois’, of de ‘Irokezen’ zoals zij bekend stonden in de kortstondige Nederlandse koloniale tijd in dat gebied (zie over de Nederlandse relaties met de Iroquois o.a. dit artikel). Zelf noemden zij zich Haudenosaune.  

Iroquois longhouse

Reconstructie van een Iroquois longhouse (Wolf Clan Longhouse, Iroquoian Village, Crawford Lake Conservation Area, Milton, Ontario, Canada )

HuronVillageWP

reconstructie ‘Huron Village’, uit de serie 500 Nations (zie de fragmenten in dit blogitem en helemaal aan het eind de complete serie). Dit soort versterkte nederzettingen, soms kleine steden, zoals blijkt uit de getuigenissen van de Europese ontdekkingsreizigers, waren typerend voor de Iroquois en Algonquinvolkeren van het oostelijke Grote Merengebied, de Ohio vallei en de Noordoostkust van de Verenigde Staten. De zg. Longhouses waren typisch voor de Iroquois en verwante volkeren. Deze grote woningen boden onderdak aan een hele clan, bestaande uit meer gezinnen.

De ‘League of the Five Nations’ werd gevormd tussen rond 1450, door twee Founding Fathers. De eerste was Deganawidah (‘The Great Peacemaker’), die overigens een Huron van geboorte zou zijn geweest. De tweede was de Mohawk Hayenwathon, die ook bekend is geworden als Hiawatha- inderdaad het latere indiaantje van Walt Disney is genoemd naar deze Indiaanse staatsman. Met recht staatsman, want hoewel niet heel breed bekend, zou de ‘grondwet’ van de Haudenosaune later van invloed zijn op te vormgeving van de Amerikaanse grondwet. Daarover zo meer.

Deganawidah en Hyawatha creeërden uiteindelijk een hechte unie tussen vijf Iroquois sprekende naties: de Mohawk, de Cayuga, de Seneca, de Oneida en de Onondaga. Deze unie kreeg zoveel macht dat het uiteindelijk een  groot gebeid in het Noordoosten van de VS en een deel van Oost Canada controleerde. Het grondgebied besloeg de hele Saint Lawrence vallei, het oostelijk deel van het Grote Meren Gebied (Lake Ontario, Lake Erie, Lake Huron) en het gebied ten westen van de Apalache Mountains, tot aan het begin van de Ohio vallei. Het was vooral ook een erg strategische positie. Zij beheersten eigenlijk de Noordoostelijke toegang tot het binnenland van het gebied dat nu de VS is. Alle Europese nieuwkomers zouden met de Iroquois te maken krijgen en konden niet om ze heen, of het nu de Fransen, de Nederlanders of de Britten waren. De Iroquois zouden ook een beslissende factor vormen in de Brits-Franse oorlogen op het Amerikaanse continent. Maar de League zou uiteindelijk ten onder gaan in het volgende conflict tussen de blanke nieuwkomers, de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog. Een deel zou de opstandige kolonie steunen en een deel de Britse troepen. In mijn latere bespreking van de Europese veroveringsoorlogen zal ik hier nog uitgebreid op terugkomen.

iroquoisnations

Het kerngebied van de Vijf Naties van de Iroquois Confederatie (Haudenosaune)

Terug naar het ontstaan van de confederatie. Het was zeker niet zo dat het verdrag tussen de vijf naties een soort westerse grondwet was. Het systeem was vooral georganiseerd langs de verschillende familieclans. Aan het hoofd van elke clan stond een clanmoeder, in regel het oudste vrouwelijke lid (de Iroquois hanteerden een matriarchaal systeem, bij huwelijken  werd bijvoorbeeld werd een man  lid van de clan van zijn echtgenote). De clanmoeders kozen een raad van vijftig mannelijke ‘royaneh’ (tien per stam) die gezamenlijk het hoogste politieke orgaan vormden. Zij benoemden en controleerden de uitvoerende macht. Het saillante aan het systeem was dus dat de mannen alleen passief kiesrecht hadden -zij konden zich verkiesbaar stellen- en de vrouwen alleen actief kiesrecht. Zij alleen konden kiezen en overigens ook een Royaneh weer afzetten als die niet functioneerde. Zo was de scheiding der machten ook over de verschillende seksen verdeeld.

De Britten aan de oostkust, met wie de Iroquois een bevoorrechte en overigens gelijkwaardige relatie hadden, keken met bewondering naar hoe deze bond van stammen zich had georganiseerd en bovendien ook macht kon uitoefenen. Benjamin Franklin schreef in 1751: ‘It would be a very strange thing if Six Nations of ignorant savages should be capable of, forming a scheme for such a union, and be able to execute it in such a manner as that it was subsisted ages, and appears indissoluble; and yet that a like union should be impractible for ten or a dozen English Colonies’ (geciteerd uit Bruce E. Johansen, Forgotten Founders; Benjamin Franklin, the Iroquois , and the rationale for the American Revolution, Massachusetts, 1982, p. 46, hier in zijn  geheel te raadplegen).  

Four Mohawk Kings

Jan Verhelst, ‘Four Mohawk Kings’, olieverf op paneel, 1710. In 1710 bezocht een delegatie van de Royaneh van de Mohawk en nog een paar andere bevriende stammen Groot Brittanië en werden zij onthaald door koningin Anne. De in Engeland werkzame Nederlandse schilder Jan Verhelst vereeuwigde vier van hen, overigens in nogal ‘classicistische poses’ en gedeeltelijk in westerse kledij. Linksboven: Etow Oh Koam (Mohawk),  rechtsboven: Sa Ga Yeath Qua Pieth Tow (Mohawk), linksonder: Ho nee Yeath Taw No row (Mohawk) en rechtsonder: Tee Yee Neen Ho Ga Row (Mohegan)

De concrete invloed van de Iroquois op het Amerikaanse systeem zat hem in het volgende. De Amerikaanse president wordt gekozen door kiesmannen (en dat waren aanvankelijk ook uitsluitend mannen), die benoemd worden op basis van het aantal stemmen per staat voor een partij.  De Confederatie van de Iroquois was een inspiratiebron voor een confederatie van de opstandige koloniën (later staten). De staten vaardigden een kiescollege af, die de uiteindelijke leiding zou kiezen. Het systeem van de getrapte verkiezingen. Dat is wat de Verenigde Staten van Amerika concreet hebben overgenomen van de Iroquois, al hebben zij hun systeem weer ‘gedefeminiseerd’ (vrouwenkiesrecht werd in de VS in 1920 ingevoerd). Daar kwam het ongeveer op neer.  Maar ook verschillende andere zaken (vooral symbolische) zouden aan de Iroquois zijn ontleend.  Daarvoor verwijs ik naar het artikel van Bruce Johansen.

459px-Joseph_Brant_by_William_Berczy_c_1807

Joseph Brant (Thayendanegea), geportretteerd door William Bercy, 1807. Joseph Brant was een van de leiders van de Mohawk, die in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog met de Britten meevocht. Toen de nieuwe republiek de Verenigde Staten van Amerika de oorlog wonnen, week hij met zijn Mohawks uit naar Brits Canada, waar hun nazaten nog altijd leven, gedeeltelijk in een reservaat. Let verder op het kapsel van Brant. De scalplok (hanenkam) werd door veel indianenvolkeren uit de oostelijke helft van Amerika gedragen en kwam ook voor op de plains. De hanenkam, later de look van de punkbeweging in de jaren tachtig, wordt daarom ook de Mohawklook genoemd.

De Iroquois, de Huron en de andere volkeren uit de regio leefden in veelal  gefortificeerde nederzettingen, bestaande uit zg Longhouses, grote gemeenschappelijke woonruimtes (vaak ingericht voor een clan), waarbinnen aparte eenheden waren ingericht. Sommige van de Iroquois nederzettingen waren zeer omvangrijk. Bovendien ook goed versterkte forten. Uit de getuigenissen van de Franse ontdekkingsreiziger Jacques Cartier, die op zijn expeditie langs de Saint Lawrence River op  de Huron nederzettingen Stadacona (het huidige Quebec, is overigens de Algonquinnaam) en Hochelaga (het huidige Montreal) stuitte, blijkt dat het om behoorlijk omvangrijke en stevige vestingen ging.

 False Face Mask  

False Face Mask. De Iroquois gebruikten dit soort maskers om ziektes te genezen, waarvan zij geloofden dat die door ”het Valse Gezicht’ waren veroorzaakt. Door het dragen van zo’n masker zou het Valse Gezicht een spiegel worden voorgehouden en zo worden uitgedreven.

George Washington Wampum

De George Washington Wampum (Canandaigua Treaty belt, 1794). Bij het sluiten van een belangrijk verdrag werd er een speciaal geweven gordel geschonken als bestendiging, de Wampum, meestal gedecoreerd met gevlochten stekels van een stekelvarken of met kralen. Deze Wampum stond voor het eerste vriendschapsverdrag met de nieuwe macht, de Verenigde Staten van Amerika met de Onondaga (die de kant van de opstandige kolonie kozen) en werd geschonken aan George Washington. Lang heeft het verdrag niet geduurd en de strijd tussen de opstandige kolonie en het gezag in Engeland zou uiteindelijk ook de Iroquois opbreken.

Overigens hebben de Iroquois, in hun lange geschiedenis van opportunistische machtspolitiek, waarin ook de nieuwe koloniale machten een rol speelden, vele andere volkeren onder voet gelopen, uit hun oorspronkelijke leefgebieden verdreven of zelfs uitgeroeid. Zij waren soms berucht om hun wreedheid. De vestigingen van de aan hen nauw verwante Erie werden allemaal vernietigd en de Erie als natie hielden op de bestaan. Ook de Hurons (Wyandots) werden door de Iroquois gedecimeerd.

Algonquian Village Eastcoast 16th century

Eastcoast Algonquian Village, 16e eeuw (bron )

De Noordoostelijke Algonquin en Iroquois sprekende volkeren waren zowel landbouwers als jagers. Langs de oostkust ook vissers. De oostkust was zelfs een dichtbevolkt gebied, waar vele stammen in sedentaire nederzettingen leefden. De bekendsten zijn de Penopscot, de Delaware (eigenlijk Leni Lenape, de staat Delaware herinnert nog aan hun oorspronkelijke leefgebied), de Naraganset, de Massachusett (waar ook de gelijknamige staat naar is genoemd), de Pequot (het volk dat in aanraking kwam met de Pilgrimfathers) en de Powhattan (de Disneyfilm Pocahontas, gaat over dit volk, op de echte geschiedenis van Pocahontas zal ik in het deel over de Europese invasie nog terugkomen).

East

Kaart van de Indiaanse volkeren uit het oosten van het grondgebied van de VS, met bijbehorende taalfamilies. Klik op kaart voor vergrote weergave

Timucua_Indian_village_drawing_by_Le_Moyne_de_Morgues

Nederzetting van de Timicua (iets ten noorden van Florida), getekend door Le Moyne de Morge, 1562. Uit de verslagen van de expeditie van de Soto van slechts twintig jaar daarvoor (van Garcilaco de la Vega) weten wij dat de Timucua oorspronkelijk tot de Moundbuilders behoorden. Die cultuur moet in korte tijd zijn verdwenen, waarschijnlijk raakten de nederzettingen ontvolkt door de pokkenepidemie en zochten de overlevenden elders een veilig heenkomen.

Zuidelijker lag het gebied van de Moundbuilders. Ook de staten Georgia en Alabama behoorden tot het domein van de Mississippi cultuur (hiervoor besproken). De vele door de mens aangelegde heuvels en andere archeologische vindplaatsen zijn de getuigen van hun aanwezigheid. Na de expeditie van de Spanjaarden, onder leiding van de Soto uit de zestiende eeuw, lijkt deze cultuur te zijn verdwenen (waarschijnlijke hoofdoorzaak: de pokkenepidemie die het gebied heeft geteisterd). De inheemse bevolking die werd aangetroffen door de Europeanen die later arriveerden,  stamde waarschijnlijk wel af van de vroegere Moundbuilders. Ten zuiden van de Appalaches was de Muskogee-taalfamilie dominant (genoemd naar de confederatie van de Creek, die zichzelf Muskogee noemden). Het is zeer waarschijnlijk dat de Creek de nazaten zijn van de heuvelbouwers uit dat gebied. Zeker weten doen we dat niet.

Cherokee Village (500 Nations)

Cherokee Village (reconstructie, bron 500 Nations, zie ook
http://www.nativevillage.org/index.htm
 )

South East

de volkeren van het Zuidoostelijke cultuurgebied

De Muskogee sprekende Creek,  Choctaw en Chickasaw en de Iroquois sprekende Cherokee waren maïsboeren. Te midden van hun akkers lagen hun vaak versterkte dorpen van ronde huizen, met in het midden een groot longhouse, van hetzelfde type als dat van de Iroquois. Dat was in regel een gemeenschappelijk soort dorpshuis, waar openbare bijeenkomsten werden gehouden.

Toen de eerste Britse en later Amerikaanse kolonisten zich in dat gebied begonnen te vestigen kozen deze volkeren voor een pragmatische houding. Ze plooiden zich gedeeltelijk naar de nieuwe situatie en  begonnen zelfs met het gedeeltelijk overnemen van de cultuur van de nieuwkomers. Nu waren het al sedentaire boeren, maar ze bleken ook bijzonder flexibel om zich veel vooral praktische zaken snel eigen te maken.

Sequoyah

Sequoya (1767-1843), de bedenker van het Cherokee-alfabet

Het bekendste voorbeeld is het schrift van de Cherokee, dat dus na de komst van de Europeanen werd ontwikkeld. De uitvinder van dit schrift was Sequoya (1767-1843). Sequoyah was gefascineerd geraakt door de gewoonte van de blanken om hun woorden in tekens vast te leggen op papier. Hij kwam op het idee om een zelfde soort systeem te ontwikkelen voor de taal van de Cherokee. Dit resulteerde in het Cherokee alfabet, een volledig fonetisch schrift, dat vrijwel  meteen geaccepteerd en gestandaardiseerd werd en tot op heden door de Cherokee Nation wordt toegepast. Er zijn trouwens verhalen/theorieën (ik kan zelf niet beoordelen hoe serieus ik die moet nemen), dat Sequoya alleen maar een vernieuwer zou zijn geweest van een oudere schrifttraditie. De Cherokee zouden een veel ouder schrift hebben gehad, dat in de loop der tijd zou zijn verloren gegaan. Dit schrift zou alleen toegankelijk zijn geweest voor ingewijden die zich zouden hebben verenigd in een geheime priesterorde, de Ani Kutani. Ruim voor de komst van de Europeanen zou dit schrift in kleine kring in gebruik geweest zijn. Sequoya zou dus niets anders hebben gedaan dat dit schrift toegankelijk te maken voor niet ingewijden.

Zelf heb ik de neiging om sceptisch te zijn. Wie op internet zoekt kan hier redelijk wat over vinden, maar het doet mij erg veel denken aan het verhaal van de Walam Olum. De Walam Olum zou een oeroud geschrift zijn, dat zou zijn overgeleverd door de Lenni Lenape, meer bekend onder de naam Delaware. Dit heilige boek, opgesteld in een soort pictogrammenschrift vertelt een fantastisch verhaal, dat zelfs teruggaat tot de oversteek van de Beringstraat. Alleen, de Walam Olum is echt een vervalsing, van de hand van haar ‘ontdekker’ Constantine Rafinesque (1783-1840), hoe vaak er ook nu nog steeds claims komen dat dit geschrift toch authentiek zou zijn. Het verhaal van de Ani Kutani doet me er een beetje aan denken, maar ik weet er te weinig van om hier echt iets zinnigs over te zeggen.

Cherokee alfabet

het Cherokee-alfabet van  Sequoya

The Lord's Prayer uit de Cherokee bijbel

‘The Lords Prayer”, Cherokee Bible, gedrukt in 1828

Maar hoe dan ook, het schrift van Sequoya was een groot succes. Cynisch genoeg ook bij zendelingen, die natuurlijk meteen een vertaling van de Bijbel lieten maken, om op die manier het zieltjes winnen te vereenvoudigen. De Amerikaanse kolonisten beschouwden de Cherokee als een ‘beschaafd volk’. Datzelfde predicaat kregen ook de Choctaw, de Chickasaw, de Creek en een van de Creek afgesplitste groep, de Seminole opgeplakt. Zij werden de Five Civilized Nations, vanwege hun plooibaarheid en hun adaptie van de uit Europa geïmporteerde cultuur. Waarlijk geïntegreerde indianen, zou men ze nu misschien noemen.

Dat integratie niet altijd lonend is, zou blijken uit de gebeurtenissen vanaf 1830. Daarvoor waren er overigens al zeker conflicten. Begin negentiende eeuw was er een serie oorlogen tussen de nieuwe republiek en de Creek Federatie,  zoals de Creek War van 1813-1814, waarbij vooral een generaal, Andrew Jackson, uitblonk door zijn wreedheid.  In 1829 werd Jackson verkozen tot zevende president van de Verenigde Staten. Jackson wordt tegenwoordig gezien als een van de grote presidenten, die vooral de nog jonge democratie zou hebben veiliggesteld (hij schijnt verder ook nogal een populist geweest zijn). Maar Jackson was ook een fervent voorstander van de slavernij en hij zou de geschiedenis ingaan als misschien wel de meest wrede president naar de Amerikaanse indianen.

In 1830 kwam Jackson met zijn beruchte ‘Indian Removal Act’. Deze hield in dat alle oorspronkelijke bewoners van Amerika, die ten oosten van de Mississippi leefden verbannen zouden worden naar een land over de Mississippi, Indian Territory, nu het gebied van de staat Oklahoma. Deze massa-deportatie of etnische zuivering van het oosten van de VS is nooit helemaal volledig uitgevoerd, maar  verschillende volkeren hebben zeer onder Jacksons politiek geleden. Vooral de ‘Geciviliseerde Naties’ die gesommeerd werden te vertrekken naar een dor gebied, voor sommigen  meer dan duizend kilometer naar het westen.

De Cherokee, Creek, Choctaw en Chickasaw gaven gehoor aan dit dwangbevel en vertrokken naar dit ongastvrije oord, dat in de decennia zou uitgroeien tot een van de meest surrealistische enclaves in de Verenigde Staten (later onderworpen volkeren, zoals de Modocs uit Californië, de Cheyenes, Arapaho’s en Kiowa’s van de Plains, of de Nez Percé’s van de noordelijke Rocky Mountains kwamen uiteindelijk allemaal hier terecht). In de traditie van de Cherokee en de andere volkeren van het zuidoostelijke cultuurgebied staat deze deportatie bekend als ‘The Trail of Tears’, die ten koste ging van vele mensenlevens.

Seminole Village 1938 Fort Myers

Seminole Village, Fort Myers, Florida, 1938 (bron:
http://www.historicalflorida.com/pages/collections/other_counties.html
 )

Dat verzet bieden lonend kan zijn bewezen de Seminoles. Zij besloten geen gehoor te  geven aan het dwangbevel van Jackson en begonnen, onder leiding van hun Chief Osceola, een verbeten guerrilla-oorlog vanuit de Everglades in Florida. Osceola werd uiteindelijk gevangen genomen en stierf in de gevangenis van  Fort Marion. Maar de Seminoles van zijn groep kregen een reservaat in Florida, waar zij nog steeds wonen en, met alle moeilijkheden die erbij kwamen en komen kijken, toch iets van hun eigen tradities en cultuur hebben kunnen bewaren.

…………………………………….ga voor vervolg naar deel 2………………………..

Bekijk hier alvast de hele PBS serie ’500 Nations’ (6 uur en 14 min):

Met de volgende tags:, , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Discussiëren op Hoeiboei, de anonieme afwerkplek van nieuw islamofoob extreemrechts

 ‘Ondertussen krijgen de homo’s de schuld van islamitisch geweld’

Bovenstaande quote zou niet misstaan in een Janmaat-imitatie van Erik van Muiswinkel. Deze uitspraak werd echter gedaan in een  kortlopende maar intensieve discussie in het forum  van de weblog Hoeiboei, vooral bekend door de stukjes van arabist Hans Jansen. Hoeiboei haalde een keer het landelijke nieuws toen Jansen publiceerde over zijn etentje bij Midden Oosten deskundige Bertus Hendriks en de conversatie die hij daar had gevoerd met raadsheer Tom Schalken, zie hier. Dit verslag had toentertijd grote consequenties voor het zg Wildersproces.

Maar wat is Hoeiboei eigenlijk voor site?

Hoeiboei is een groepsblog, opgericht door een aantal vroegere medewerkers van de Gezonde Roker van Theo van Gogh.  De auteurs wisselden nogal van samenstelling. De hoofdredactrice is Annelies van der Veer, tevens columniste voor het gratis krantje Metro. De bekendste vaste medewerker is Hans Jansen, emeritus hoogleraar Hedendaags Islamitisch denken te Utrecht en voormalig hoofddocent Arabisch aan de Universiteit Leiden (wat hij het grootste deel van zijn loopbaan is geweest en in die tijd heb ik ook een keer keuzevak bij hem gedaan). Aan de bijdragen van Hans Jansen heb ik al in een eerder verband ruime aandacht besteed. Maar er zijn ook anderen, zoals  ghostwriter Barry Oostheim, die verschillende ‘islamkritische’ artikelen op zijn naam heeft staan, waaronder het stuk waar het hier over gaat. Zijn bekendste bijdrage aan Hoeiboei is zijn ‘Grote Bat Ye’or Interview’, een gesprek met de schrijfster  van Eurabië dat in islamkritische/islamofobe kring een immense status heeft. Bat Ye’or heet in het echt overigens  Giselle Littman-Orebi. Zij is van Egyptisch-Joodse afkomst en zij resideert tegenwoordig in het Zwitserse Lausanne (Bat Ye’or betekent  ‘dochter van de Nijl’ in het Hebreeuws). Het gedachtegoed van Bat Ye’or en dat interview zullen in de onderstaande discussie uitgebreid ter sprake komen.

Bij mijn weten is Hoeiboei de bekendste blog in deze niche, al zijn er ook een paar andere van hetzelfde genre waar vaak dezelfde mensen op terugkeren. Zowel enkele auteurs, maar vooral dezelfde ‘reaguurders’ om de term van GeenStijl.nl te gebruiken, die hun onderbuik in het forum komen legen. Bijvoorbeeld Het Vrije Volk, niet te verwarren met de inmiddels niet meer bestaande sociaal democratische krant ‘Het Vrije Volk’. De site waar het hier om gaat is niet erg van ‘Ontwaakt verworpenen der aarde’,  maar meer van ‘Henk en Ingrid, kom achter je breedbeeld vandaan, want de moslims… ‘ enz. Het Vrije Volk  is overgegaan in de  Amsterdam Post, de thuisbasis van Martien Pennings, zie dit onluisterende portret op Frontaal Naakt. Frontaal Naakt, van Peter Breedveld, is vooral een tegenhanger van deze sites en definieert zichzelf als ‘fundamentalistisch-secularistischmulticulturalistisch-hedonistisch, webmagazine voor de zichzelf respecterende zelfislamiseerder’.  De stukken op die site zijn vaak  goed geschreven en ook erg geestig. Ik lees het in ieder geval meestal met veel plezier. Verder is er nog De Dagelijkse Standaard, de thuisbasis van oa de journalist Joost Niemöller, die in zijn lange loopbaan nogal eens van kleur is verschoten, eerst links bij de Groene Amsterdammer, toen wat meer op de onderbuik bij HP de Tijd, totdat men het daar te erg vond worden, en nu als populistisch islamofoob op diverse sites actief.

Hoeiboei heeft dan een iets meer intellectuele verpakking dan de andere blogs die uit dezelfde vijver vissen, althans voor de achtergrond is een foto van een rijk gevulde boekenkast gebruikt (alhoewel, als je goed kijkt zijn het maar vier plankjes, die op de foto  onder elkaar zijn gemonteerd ;) ) en de site pretendeert in de traditie van Gerard Reve te staan (de naam van de site verwijst naar een kreet uit de Avonden).

Hoofdredactrice Annelies van der Veer wordt vooral gedreven door een obsessie. En dat is de hoofddoek, of sluier, zoals die door een deel van de islamitische vrouwen gedragen wordt. De hoofddoek is echt het ultieme kwaad. Bovendien is alles wat er in de islamitische wereld of met moslims gebeurt, ieder politiek probleem, eigenlijk zo’n beetje alles te reduceren tot dit lapje stof. Tot een gedifferentieerde kijk op de dracht van dit toch symbolische kledingstuk is Annelies van der Veer niet in staat. Haar waarheid is ‘de Waarheid’.  En om die te verkondigen wordt geen middel geschuwd en niemand gespaard. Ook kinderen niet, of in haar geval juist de kinderen moeten eraan geloven, zie bijvoorbeeld hier.  Kinderen zijn trouwens haar favoriete slachtoffer als Annelies vindt dat ze op beschavingsmissie moet. Zie ook hier .

Het is niet alleen Holland op z’n smalst, maar dan ook nog binnen de kring der islamofoben, het lulligste van het lulligste. Al haar columns zijn allemaal even plat, oppervlakkig, simplistisch. Dit alles onder een dun vernislaagje van quasi- feminisme (zie haar Jihad tegen de hoofddoek). Een niveautje hoger kan niet, omdat haar simpele lezertjes het dan niet meer snappen en waarschijnlijk snapt ze het dan zelf ook niet meer. Waarom Hans Jansen haar site gebruikt als zijn belangrijkste podium begrijp ik overigens nog steeds niet. Wat je ook van zijn opinies mag vinden, qua eruditie en kennis van zaken  is hij de totale tegenhanger van Annelies van der Veer. Bovendien heeft Hans Jansen wel humor, iets waar ik Annelies zelden op heb kunnen betrappen. Wat zag Theo van Gogh toch in haar?  Want ook Theo van Gogh  was, naast dat hij ook vreselijk lomp en plat kon zijn, bij vlagen erg geestig. De twee keer dat ik met Theo van Gogh heb gesproken (een keer op Radio Veronica, ik geloof in 1995, in een uitzending van het snel geflopte Call Radio- voor de eerste afleveringen had men een paar studentenhuizen benaderd, waaronder mijn huis in Leiden, om zg. spontaan te bellen om met Theo in discussie te gaan- het was dus allemaal doorgestoken kaart- en ik heb hem een paar jaar later een keer uitgebreid gesproken in de trein van Leiden naar Amsterdam) heb ik dat ook zelf gemerkt. Bij beide gelegenheden vond ik hem totaal anders dan hoe hij zich in sommige van zijn columns manifesteerde. 

Maar had Theo van Gogh soms  op een bepaalde manier nog enige klasse, bij Annelies van der Veer is het allemaal vooral heel naar, vaak niet erg intelligent en bovendien ook erg doorzichtig en opportunistisch. Een voorbeeld. Kort na de aanslagen in Noorwegen schreef ze:

‘Van geen enkele kant is er begrip voor Anders B.’s daad. Niemand draagt verzachtende omstandigheden aan voor de megalomane moordenaar. Nog niet. Het is natuurlijk volkomen terecht dat er geen begrip of sympathie is voor Anders B., maar ook dat is wel eens anders geweest. Denk aan de moordenaars van Pim Fortuyn en Theo van Gogh. Hoe snel klonk toen niet “het mag niet, maar…”‘Het is een ideeënstrijd stupids!’ (Metro, 2011-08-02 )

O ja, was het dan zo erg? Ben wel benieuwd wie dat dan gezegd heeft (bij Theo van Gogh maar ook bij Pim Fortuyn), In ieder geval was niet zo erg als bij Breivik, zie haar column van een paar maanden later:

‘Het gedachtegoed van Breivik zou je kort kunnen samenvatten met de stelling dat het cultuurrelativisme (alle culturen zijn gelijkwaardig) de oorzaak is van de huidige politieke correctheid waarin we verkeren. Daardoor is een open debat nauwelijks meer mogelijk. Wie zich níet met dit gedachtegoed verwant voelt, zou zich eigenlijk na moeten laten kijken….
http://www.metronieuws.nl/columns/knuppel-in-het-hoenderhok/SrZlcv!UKRV76XnQNgTc/
)

Als je je niet met  Breiviks ideeën verwant voelt moet je je eigenlijk laten nakijken… Dat werk dus. Goed om te weten dat de hoofdredactrice van Hoeiboei zo’n vurige aanhanger is. En als je er dan achter probeert te komen waarom ze dat is? Omdat ze zo tegen de islam is. En waarom is ze zo tegen de islam? Vanwege die eeuwige hoofddoek. Verder heeft ze op dat gebied vrijwel niets te melden. Maar daarom zijn de ideeën van Breivik dan dus weer goed…. Welkom in de wondere wereld van Hoeiboei.

Overigens is de laatste bijdrage van Annelies van der Veer op Hoeiboei  een column (ook in Metro verschenen) met de titel ‘Zie mij dan zitten!’ Tja Annelies, ik ben altijd bereid het leuke, het grappige en het goede in mensen te zien, ook in jou. Maar met dat kinderen met hoofddoekje pesten en met dat Breivik gedweep zie ik je helaas niet zitten. Het spijt me. Stop vooral die teennagels in je mond als je denkt op die manier een beetje Reviaans bezig te zijn (lees die column om te snappen waar dit over gaat).  ‘Mensen, mensen…’, wat een mooi Reviaans stijlbloempje.  En knoop dan ook maar een olijke lap om je hoofd, dan lijk je misschien op de Heilige Maagd Maria, ook heel Reviaans. Ezeltje erbij? (oeps)

Dit is dus ongeveer Annelies van der Veer. Kinderen treiteren vanwege een hoofddoek. Inderdaad, lulliger kan niet, maar daar is Annelies een groot voorstander van.  Tieners van een politieke jongerenbeweging doodschieten, zoiets mag natuurlijk niet, maar de ideeën daarachter…  als je daar  niet in meegaat  ben je ongeveer rijp voor behandeling. Het lijkt de terugkeer van de totalitaire verleiding wel, alleen komt die in dit geval niet uit de hoek van ‘de hoofddoekjes’ waar Annelies van der Veer die ongetwijfeld zou verwachten.  Misschien hebben Rob Riemen en Sybe Schaap toch een punt, wanneer zij bepaalde totalitaire tendensen weer zien terugkeren in een zekere politiek maatschappelijke onderstroom, waar ook Hoeiboei op drijft.

Hoeiboei, Wilders en Breivik hebben, ondanks uiteraard de grote verschillen (vooral in de uitvoering), in ieder geval met elkaar gemeen dat zij alle drie bijzonder schatplichtig zijn aan de Eurabië-notie van Bat Ye’or.  ‘Eurabië’ zal hierna nog uitvoerig aan bod komen. Maar zie zeker deze video van Wilders verdediging voor de rechtbank, zijn verhaal van ‘Overal in Europa gaan de lichten langzaam uit’.  Deze duistere Lord of the Rings romantiek ontleent Wilders direct aan het orakel van Lausanne, Mevrouw Littman. Verder, dat er geen creativiteit in de islamitische wereld zou bestaan, ik hoop dat mijn blog eraan bijdraagt om te laten zien dat het tegenovergestelde het geval is, maar dat terzijde. Wil ook nog wel opmerken dat er wat mij betreft wel een paar grotere schrijvers in de islamitische wereld te vinden zijn dan Gerard Reve, zowel vroeger als nu.  Maar waar het hier om gaat, ik vraag me af hoe Wilders zo close met Bat Ye’or is geworden. Heeft Hans Jansen daar soms een rol in gespeeld? Eerder probeerde hij Hirsi Ali aan mevrouw Littman te koppelen, maar dat bleek geen goeie match te zijn (zoals blijkt uit Jansens verslag, zie hier, p. 13). Waarschijnlijk zal Ayaan haar wel knettergek hebben gevonden en dat op de voor haar kenmerkende niet altijd even diplomatieke manier hebben duidelijk gemaakt. En wellicht terecht. Voor een enkele keer eens met Ayaan.

Het gedachtegoed van Bat Ye’or speelt, zij het dat het niet eens direct wordt benoemd, ook een belangrijke rol in het onderstaande verhaal van Barry Oostheim. Hij gaat ervan uit dat er krachten op het hoogste niveau aan het werk zijn (zowel in de islamitische wereld, als in de Europese Unie) om ons, niets vermoedende Europeanen, onder een islamitische heerschappij te brengen, zodat wij Europeanen uiteindelijk allen als Dhimmi’s  zullen eindigen (die term valt ook in de onderstaande discussie, betekent een religieuze minderheidspositie in een door de islam gedomineerde maatschappij, met alle discriminatie die daarbij komt kijken). Het aardige is dat dus niet zozeer de nu in doodsstrijd verwikkelde Arabische regimes in het complot zitten, maar juist de krachten die deze regimes omver willen werpen. Oostheim probeert dat te onderbouwen met het contact dat een islamitische geestelijke uit Syrië heeft met een Nederlandse hoogleraar islamologie, Maurits Berger, wiens ex-vrouw toevallig de arabiste Petra Stienen is, die de actuele gebeurtenissen vaak heeft becommentarieerd op de Nederlandse televisie. In de ogen van Hans Jansen is dit  verhaal ‘Stof voor een roman in vijftig lente-tinten’, zoals hij in het forum laat weten. Ik waag het om daar mijn twijfels bij te hebben.

Participanten  in de onderstaande discussie waren oa Hans Jansen, Bernadette de Wit, een feministe en schrijfster van  ‘Echte vrouwen, slechte vrouwen’, die zich sinds alweer een tijdje tot anti-islamactiviste heeft ontpopt (zie hier, op de site van de overigens doodenge ‘Joods-Christelijke Pastor’ Ben Kok, van wie ik het wel weer behoorlijk olala vind dat hij Bernadette de Wit ruimte geeft op zijn site, maar ja, in de Jihad voor het Avondland zijn opportunistische gelegenheidscoalities soms een bittere noodzakelijkheid) en een zekere Frans Groenendijk, docent wiskunde te Almere, die er ook een website op na houdt die er niet om liegt. De laatste vroeg zich trouwens af of ik met mijn kunsthistorische achtergrond wel genoeg  onderlegd was om op Hoeiboei mee te kunnen kwaken ;) Tja, wiskundeleraar is een absoluut eerzaam en belangrijk vak. Of je dan ook in staat bent om over deze zaken op niveau mee te praten hangt af van waar je verder intellectueel toe in staat bent. Of de heer Groenendijk genoeg kennis en diepgang in huis heeft laat ik maar anderen. Men beoordele zijn reacties op Hoeiboei  en zijn veelbelovende website
http://www.islamofobie.nl/
. Hij windt er in ieder geval geen doekjes om, want laat islamofobie nou net een van de dingen zijn die ik de site Hoeiboei verwijt . Hij vindt echter dat islamofobie niet bestaat, vandaar dat zijn site de ondertitel ‘Keizers en kleren’ draagt.  Ik vind dan weer dat hij en plaat voor zijn hoofd heeft want net als  Hoeiboei is zijn eigen site gemarineerd in islamofobie, net als een hysterische aanbidding voor de staat Israël, met bijbehorende diepe afkeer van de Palestijnen, die het wagen om het zionistische feestje te verpesten. Dhr Groenendijk heeft natuurlijk een mening, maar ik denk dat het ook een kwestie is van een plaat voor je kop. Althans, dat is weer mijn bescheiden mening

Overigens, dat is op zich best aardig, we kunnen de heer Groenendijk ook in actie zien, in een uitzending van NCRV’s Rondom Tien (van 24 april 2010). De uitzending ging toen over de vraag of er in Nederland de mogelijkheid (of de wenselijkheid) bestaat voor het toepassen van een vorm van Shariyya-rechtspraak. Overigens, voor de duidelijkheid, ikzelf ben daar tegen, al zie ik, zolang het binnen strikt afgebakende grenzen wordt toegepast en op geen enkele manier in tegenspraak is met de Nederlandse wet, geen verschil met kerkelijk recht of verenigingsrecht. Of je moet ook dat aan banden leggen. Maar dat terzijde. Frans Groenendijk zat daar trouwens met oa niemand minder dan de arabist Maurits Berger, die zo gehekeld wordt in het onderstaande artikel (ze zitten naast elkaar). Helaas voor de heer Groenendijk werd hij nauwelijks aan het woord gelaten, hoezeer hij ook driftig zat te gebaren, te mompelen en te mopperen. Een nalatigheid van presentatrice Ghislaine Plag? Ik weet het niet. Zijn gedrag was niet erg uitnodigend (eerlijk gezegd bij vlagen onbeschoft, maar vooral heel erg tenenkrommend irritant). Je ziet daar vooral een wat neurotische fanaticus, die er voortdurend tussen probeert te komen en anderen in de rede tracht te vallen. Ergens deed het me een beetje hieraan denken ;) . Dus dat hij het woord niet kreeg? Ik zou, als ik die discussie had moeten leiden, alleen om die reden dezelfde neiging hebben. Overigens was het zeker niet zo dat het programma ‘partijdig’ was; Nahed Selim, ook een felle tegenstander van welke vorm van Shariyya dan ook, kreeg wel alle kans om haar standpunt te verwoorden, wat zij overigens goed deed (al ben ik zeker geen medestander van Nahed Selim, zie ook haar bijdrage aan het anti-islamboekje van Carel Brendel en Hans Jansen ‘De Onzichtbare Ayatollah’). En nogmaals, ikzelf sta ook niet te juichen bij een beetje Shariyya in Nederland. Voor mij geldt godsdienstvrijheid binnen de marges van de democratische rechtsstaat. Ook dit weer terzijde. Maar voor wie wil weten met wie we in de onderstaande discussie te maken hebben, de uitzending is hier te bekijken. En zie dan ook dit korte filmpje, waarin we Frans Groenendijk in actie kunnen zien als hij waarschuwt tegen ‘de gevaren van het Mohammedanisme‘ (hij gebruikt liever die term dan ‘islam’, over onbegrip gesproken). Plaats van handeling: het Jenevermuseum te Schiedam. We nemen er nog eentje, dat zal ze leren! Stelletje ’Mohammedanisten’ (of hoe ze ook heten mogen).

Terug naar de discussie op Hoeiboei. De meeste andere reageerders  zijn  anoniem. Dat is bij Hoeiboei gebruikelijk. Dat betekent dus dat er onbeperkt met drek gesmeten kan worden, die overigens zelden substantie heeft.  Ook weer slechts mijn bescheiden mening. Overigens is die drek vaak onbedoeld hilarisch. Een voorbeeld: een anoniempje legt mij uit dat ‘het MO een groot stammengebied is’, waar het ‘altijd hullie tegen zullie is’. Culturele antropologie is een prachtig vak als dat door amateurs wordt beoefend. Goh denk ik , maar dan is de PVV helemaal een groot stammengebied, want die organisatie drijft op de hullie tegen zullie filosofie. Of een site als Hoeiboei. Heb zelden zo’n tribalistisch circus betreden. 

Kortom, ik heb me er zeker mee vermaakt. Sterker nog, dat is bij mij vaak een drive om door te gaan. Zie ook mijn eerdere discussies met allerlei (al dan niet racistische en soms anonieme) sympathisanten van de antroposofie (oa hier  enhier ). Dat heb ik ook tot het uiterste volgehouden. Maar los van dat ik probeer om iets bij te dragen dat ook nog ergens over gaat, is de amusementswaarde soms zo aanstekelijk, dat ik het vaak niet kan laten om er nog een klein schepje bovenop te doen.  Het houdt je scherp en de humor komt vaak uit onverwachte hoek, dus wat wil je nog meer?

Hieronder  het artikel van de anonieme anti-islamactivist  Barry Oostheim  en daaronder de discussie in het forum, dat op 24 december plotseling gesloten werd. Was het vanwege Kerstmis? Kerstmis is natuurlijk geen islamitisch feest, maar onlosmakelijk verbonden met de glorieuze westerse beschaving, de Joods Christelijke en Humanistische Cultuur. O nee, want Kerstmis maakt geen onderdeel uit van het Joodse geloof, je zou het bijna vergeten, met die terugwerkende Christelijke en ‘humanistische’ krokodillentranen, die overvloedig worden geplengd om de islam buiten de deur te houden. Aan de andere kant is Hoeiboei nu ook weer niet zo sacraal (daar heb ik ze eigenlijk nooit op kunnen betrappen), dus zou Kerstmis de reden geweest kunnen zijn? Niet echt denk ik. Bovendien kon  op andere artikelen van de site nog gewoon wel gereageerd worden. Dus waarom alleen dit item? Ging de discussie een kant uit, die de redactie van Hoeiboei niet wenselijk vond? Mogelijk ;) Ik heb het idee dat dit inderdaad het geval was. Daarom helemaal onderaan mijn laatste lange reactie (een antwoord aan Hans Jansen), die ik nog wilde posten, maar toen bleek het forum opeens gesloten te zijn. Dus deze reactie alsnog op dit blog. In ieder geval is het roerige debat aan de vooravond van Kerst 2012 ook hier geheel intact bewaard gebleven (voor de zekerheid dan). Zie hieronder, ongeredigeerd, dus met onvermijdelijke typefouten, inclusief mijn eigen:

 


http://hoeiboei.blogspot.nl/2012/12/brekend-prof-dr-mr-maurits-berger-ging.html

BREKEND! Prof. dr. mr. Maurits Berger ging in de leer bij Sheikh Muaz Alkhatib

 
Maurits Berger

In 1999 verscheen van de Arabist Maurits Berger “Islam is een Sinaasappel”. In dat boekje beschrijft Berger hoe hij in een moskee in Damascus gezeten aan de voeten van een sheikh les krijgt in de Shari’a. Het boekje beleefde vele herdrukken en is in Nederland van grote invloed gebleken op de publieke beeldvorming over de islam. Wat betreft de sinaasappel: de harde schil is de Shari’a en het sappige zoete frisse binnenste is de mystiek of de spiritualiteit. Daarmee kan je op soefi-achtige spirituele wijze zeggen dat de Shari’a eigenlijk de hele wereld en het leven omvat.

 

In eerste instantie ging Maurits Berger met knikkende knieën de moskee in want ja, als voormalige Leidse student moet je jezelf wel een houding weten te geven tussen al die vrome Koran en Hadith reciterende moslims in één der oudste moskees ter wereld. Maar gelukkig was het heel gezellig en al gauw kwam Maurits erachter dat de Shari’a 95% overeenkwam met het Nederlands recht. Wat je ook erover kan zeggen, het heeft natuurlijk wel wat om in het Arabisch op klassieke wijze les te krijgen van een Sheikh. Je zit er dan wel echt in. Maar die wijze Sheikh blijkt niemand minder te zijn dan Ahmed Muaz al-Khatib, althans dat blijkt uit deze aankondiging uit 2005. Ahmed al-Khatib is een goede
bekende van de Nederlandse ambassade in Damascus, geeft cursussen op het Nederlands cultureel instituut in Damascus, spreekt prima Engels en is voormalig werknemer van Shell waar hij vanaf 1991 in dienst was. Kortom iemand waarbij ook Prins Willem Alexander gerust een cursus islam kan volgen zonder dat zijn moeder ongerust hoeft te zijn. Bovenstaande informatie komt onder andere uit een profielstuk in de Volkskrant van 14 november jl. gewijd aan Achmed Muaz al-Khatib. Want al-Khatib is nu opeens in het nieuws omdat hij de kersverse leider is van de weinig spirituele Syrische Nationale Coalitie (SNC), het nieuwe gelegenheidsverbond van diverse strijdende groepen waarin de Jihadisten steeds meer de boventoon voeren. Met bijna algehele internationale instemming moeten zij het zo direct overnemen van Assad als die eenmaal verdreven is.

Ahmed Muaz al-Khatib

Onder grote internationale druk is deze coalitie tot stand gekomen om het zooitje aan strijdende partijen enige internationale legitimiteit te geven. Al Khatib is naar voren geschoven als beschaafd acceptabel gezicht van de vechtjassen die een uiterst wrede oorlog met Assad uitvechten.

Er zijn veel aanwijzingen dat Nederland een bijzondere rol speelt in de zorgvuldige imagovorming van al-Khatib als acceptabel gezicht van de coalitie waarin de jihadistische partijen de boventoon voeren. Uit het profielstuk in de Volkskrant “blijken de warme banden met Nederland” Zo verbleef hij afgelopen jaar geruime tijd in Nederland om te herstellen van zijn arrestatie in Syrië. Ook Frans Timmermans sprak een aantal dagen geleden bij Pauw en Witteman vol lof over hem. “Khatib daar hebben Nederlandse diplomaten al heel veel jaren contact mee. Wij kennen hem ontzettend goed. Die man deugt. Dat durf ik hier wel te zeggen.” Verder liet Timmermans los dat zij de Syriër Abrahim Miro van de DNB aan de SNC hebben uitgeleend om de geldstromen in goede banen te leiden. “Wij weten wel wat daar gebeurt en wij weten dat wij kunnen bouwen (…) Dat er ook anderen zijn waar wij heel voorzichtig mee moeten zijn en die heel gevaarlijk zijn dat weten wij ook maar dat krijg je nu eenmaal in een oorlogssituatie.

Petra Stienen

Wat opvalt uit de beschikbare informatie over de Nederlandse band met al-Khatib, is dat de Nederlandse diplomaten bepaald niet over een nacht ijs zijn gegaan. Kennelijk hebben zij al lang geleden hun kaarten ingezet op een mogelijk islamitisch alternatief voor het Baath regime. Om zodoende een stem te geven aan de Soenitische meerderheid in het land. In zijn boek van 1999 beschrijft Berger al de frustratie van de soenieten onder het Baathregime.
Daarmee loopt Nederland in de pas met de andere Europese landen en vooral de VS. In 2008 tijdens de Van Dam lezing georganiseerd door het ministerie van Buitenlandse Zaken sprak de voormalig diplomatiek gezant van Bil Clinton, Martin Indyk, al over de noodzaak van een Soenitische diepte in het Midden-Oosten. Daags na de val van Mubarak noemde de directeur van de Amerikaanse National Intelligence, James Clapper, de Moslim Broederschap een “grotendeels seculiere beweging”. Geheel in lijn met de wijze waarop de voormalige echtgenote van Maurits Berger, Petra Stienen samen met andere commentatoren het aandeel en aard van de Moslimbroederschap in de Arabische Lente bagatelliseerden. Ook Petra Stienen is volgens het Volkskrantartikel een goede bekende van al-Khatib die gelieerd is met de Syrische moslimbroeders.

Het meest verbijsterende aan de mogelijke Nederlandse rol in de aanstaande omwenteling in Syrië is de wijze waarop het mes aan twee kanten blijkt te snijden, want het gaat de afgelopen decennia niet alleen om het actief stimuleren van een islamitisch alternatief voor Assad in Syrië maar ook om het bevorderen van een islamitische identiteit van moslims in Nederland. Daarin speelt Berger zelf natuurlijk een rol met zijn publicaties maar ook al-Khatib is talloze keren naar Nederland gehaald voor het geven van seminars en lezingen over hoe je als goed moslim in een seculiere samenleving kan leven. Het was ook weer de arabist Maurits Berger die hem tijdens die bezoeken veelvuldig onderdak bood.

El-Khatib noemt zich de Nederlanddeskundige van Syrië en in 2008 schreef hij een tamelijk lijpe open brief aan Wilders zonder aanhef. Daarin noemt hij de moord op Theo van Gogh een “spijtige wrijving” tussen een moslim en een Nederlandse filmmaker. Met een willekeurige greep uit de Nederlandse geschiedenis wil hij vervolgens laten zien dat hij net zo goed kan aantonen dat de Nederlandse samenleving inherent is met geweld, moord en plundering. Het is natuurlijk hartverwarmend dat een imam in Damascus zich verdiept in de Nederlandse geschiedenis maar wat hij daarover te berde brengt zegt ook weer iets over zijn oogkleppen. In zijn opsommingen van Nederlandse verschrikkingen laat hij de Jodenvernietiging opvallend buiten beschouwing. Spinoza komt wel weer ter sprake maar zijn Joodse achtergrond wordt verzwegen. Spinoza heeft volgens al Khatib via een zekere Andalusische filosoof Musa ibn Maimun alles weer van imam Ibn Rushd oftewel de Arabische filosoof Averroës zonder wie Europa volgens Khatib, uberhaupt nooit kennis had kunnen maken met Aristoteles. Dat die Musa ibn Maimun niemand minder is dan de joodse filosoof Maimonides zegt de Nederlandse vertaling er weer niet bij. Hij vermeldt vervolgens hoe het katholieke Portugal de ouders van Spinoza vervolgde maar hij zegt weer niet dat zowel Maimonides als Averroës moesten vluchten voor de islamitische scherpslijpers in al-Andalus.

Wel wordt opeens het “joodse meisje” Anne Frank uit de hoge hoed getoverd die schijnt een verhaal te hebben dat hem tot tranen toe ontroerde. In de open brief voegt hij daar direct aan toe dat hij wenst dat ook de kindertjes uit Palestina, Zuid-Libanon, Irak en Afghanistan hun dagboek zullen opschrijven om zo de hele wereld te laten huilen over de gevolgen van oorlogen. Allemaal even erg en met elkaar op één lijn gesteld. De burgeroorlog in Syrië was nog niet uitgebroken dus over dagboek schrijvende Syrische meisjes heeft hij het niet. Hij sluit de open brief aan Geert Wilders af met allerlei Korancitaten waaruit moet blijken dat de Koran juist heeft gezorgd voor verdraagzaamheid barmhartigheid en “menselijke relaties”.

Anne Frank

Je vraagt je af wie hem met die brief geholpen heeft en of hij dat op eigen initiatief heeft gedaan. “Wie in een glazen huis woont moet niet beginnen met stenen te gooien” zegt hij nog vermanend. Waarna hij nog even inwrijft: “Ik zou tegen alle politici willen zeggen: win de moslims in het Westen voor jullie terwijl ze rationeel zijn voordat zij op irrationele wijze overwinnen.”

Inmiddels vindt onze vredesduif al-Khatib volgens de NRC van donderdag 13 december, dat Amerika niet moeilijk moet doen over de meest succesvolle rebellengroep in Syrië, de Jabhat an-Nusra. Ondanks de warme steun van de VS aan de strijd tegen Assad willen zij wel de aan al-Qaeda gelieerde Jabbat an-Nusra op de terreurlijst plaatsen. Dat de Amerikaanse stap slechts een wassen neus en symboolpolitiek is legt de goed geïnformeerde Jonathan Spyer hier uit. De VS heeft een club als boeman aangewezen waardoor de andere clubs in de nationale coalitie zogenaamd gematigd lijken, terwijl velen van hen ideologisch nauwelijks verschillen.
Inmiddels hebben 29 rebellengroeperingen die deel uitmaken van de SNC een verklaring uitgegeven waarin zij stellen dat zij allemaal Jabhat an-Nusra zijn. De gematigdheid van al-Khatib kan overigens met een korreltje zout genomen worden. Hij heeft ongetwijfeld zijn beminnelijke kanten en hij is wel zo aardig om het joodse meisje Anne Frank niet verantwoordelijk te houden voor de “wandaden” van Israel. Maar ergens anders noemt hij het Zionisme een kankergezwel. Ook schrijft hij op zijn website dat hij het wel goed vond van Saddam dat hij de Joden angst inboezemde. Verder is hij fan van al Qaradawi en van andere scribenten, plaatst hij op zijn website artikelen vol antisemitische knarsjes. Maar Frans Timmermans vindt dat die man deugt. Begrijpelijk, want hem afvallen zal jaren geduldig werken en schaven aan het komende wereldkalifaat, te niet doen.

 65 opmerkingen:

 

  1.  
     
  2. Hulde Barry, voor dit graafwerk. Die Berger-Stienen-link is ook…. apart.
    Gisteren of vandaag was er Syrisch ‘verzets’-kopstuk die al riep van: ‘Eerst Damascus, dan Tel Aviv’.

    BeantwoordenVerwijderen

    Reacties

     
     
  3. Is er dan de vraag waarom Assed zich niet met Israel allieert.

    Verwijderen

     
     
  4. @HPax

    Omdat Assad zegt: “Eerst het verzet dan Tel Aviv”.

    Verwijderen

     
     
  5.  
     
     
  6. Het feit dat Nederlandse ambtenaren het voor kunnen doen alsof de islam soms best een aanvaardbare (moraal)filosofie heeft kan alleen bestaan wanneer ze zelf geen enkele (moraal)filosofie hebben, anders hadden ze de islam wel in vergelijking met de westerse Verlichtingsfilosofie beschouwd.

    Ik geef die voorbeelden die allebei in schreeuwend contrast staan met onze eigen filosofie. De eerste gaat over de moraalfilosofie, de tweede gaat over kennis- en wetenschapsleer en de derde gaat over kunst en cultuur. Het zijn alledrie citaten uit de sharia en ze geven alledrie aan dat je niet zelf mag nadenken en/of dat je je gedachten niet mag uiten.

    1- “The good is not what reason considers good, nor the bad what reason considers bad. The measure of good and bad, according to this school of thought, is the Sacred Law, not reason“, Bron: “Reliance of the Traveller”, hoofdstuk a1.4

    2- “Unlawful knowledge includes: … (2) philosophy … (5) the sciences of the materialists … (6) and anything that is a means to create doubts (n: in eternal truths)… “. Bron: ibidem a7.2, lid 2, 5 en 6

    3 Offensive knowledge includes such thing as post-classical poetry which contains romance and uselessness

    Overbodig hierbij te vermelden dat het verstand hierbij stilstaat, er wordt op deze manier intellectuele (zelf)moord gepleegd op de mindset van elke moslim (die in de letterlijkheid van de sharia gelooft en/of die daartoe gedwongen is). Hier mag door onze vertegenwoordigers niet vergoeielijkend over gesproken worden.

    BeantwoordenVerwijderen

     
     
  7. Zo, dat was een hoop werk, Barryy. Bedankt.

    BeantwoordenVerwijderen

     
     
  8. Nogal wat “kenners” van de Arabische cultuur en de islam worden betaald of anderszins gevoed vanuit het Midden-Oosten en blijkbaar willen gezagsdragers in de EU dit wel want dan kunnen ze verder fantaseren over een tolerante islam die niet bestaat en nooit bestaan heeft. Helaas hebben deze “kenners” of beter gezegd propagandisten heel ruime toegang tot de media. Iets wat je niet kunt zeggen van de echte kenners met een meer realistische visie. Op de achtergrond zullen wel eens grotere belangen een rol spelen dan wij kunnen vermoeden. De EU zal zich ongetwijfeld op een of andere manier hebben vastgelegd aan de verplichting om ervoor te zorgen dat moslims in Europa vooral hun islamitische identiteit behouden. Islamitische landen dringen daar ook op aan en financieren dat ook. Dat dit natuurlijk helemaal niet in het belang is van Europa moge duidelijk zijn, en ook niet van de moslim als individu die wordt opgesloten in zijn groepscultuur met de behorende dwingende praktijken.

    BeantwoordenVerwijderen

     
     
  9. Nederlandse Gutmenschen helpen veel mensen richting verdoemenis; niet alleen in Syrië. Ze hebben middels ontwikkelingshulp ook Mali gedestabiliseerd, aldus Marcia Luyten op dinsdag 27 maart bij Pauw en Witteman. Zie


    http://pauwenwitteman.vara.nl/Uitzending-detail.113.0.html?&tx_ttnews%5Btt_news%5D=25779
     vanaf 43:45

    BeantwoordenVerwijderen

     
     
  10. Neerlands exportproduct anno 2012: betweterij ofwel “het opgeheven vingertje 3.0″

    BeantwoordenVerwijderen

     
     
  11. Uit die open brief van Ahmed Muaz al-Khatib uit 2008 aan Geert Wilders:

    “Ik zou tegen alle politici willen zeggen: win de moslims in het westen voor jullie terwijl ze rationeel zijn voordat zij op irrationele wijze overwinnen.”

    Dat is toch pure dreiging?

    BeantwoordenVerwijderen

    Reacties

     
     
  12.  
     
  13.  
     
     
  14. Door dit soort onthullingen ben ik blij dat ik geen kinderen heb die zich later aan de islam moeten gaan onderwerpen. Want dat de islam de overwinning in Europa gaat halen is slechts een kwestie van tijd.

    BeantwoordenVerwijderen

    Reacties

     
     
  15. Mooie redenering is dat! Geen kinderen, geen toekomst. Loepzuiver voorbeeld van een self fulfilling prophecy. Kom op fz. Je kan het!

    Verwijderen

     
     
  16. Genoeg keren geoefend om ze te krijgen :)
    Maar het is toch om moedeloos van te worden als je ziet hoe snel het achteruit gaat? Als ik al kinderen zou hebben had ik serieus naar emigratie buiten Europa gekeken.

    Verwijderen

     
     
  17.  
     
     
  18. Geweldig werk, Barry!
    Dank hiervoor.
    Bernadette de Wit

    BeantwoordenVerwijderen

    Reacties

     
     
  19. Graafwerk? B.O. vergeet een voor de hand liggende bron: Hala Naoum Nehme in P&W van dinsdag 4 dec. j.l.

    Verwijderen

     
     
  20.  
     
     
  21. Wat moeten we met die bewering aan het slot? ‘Barry Oostheim’ (pseud.) zegt:

    ‘Maar Frans Timmermans vindt dat die man deugt. Begrijpelijk, want hem afvallen zal jaren geduldig werken en schaven aan het komende wereldkalifaat, te niet doen’.

    Achter wereldkalifaat staat dan een linkje naar het interview met de profetes van nieuw extreemrechts Bat Ye’or, die nogal grossiert in complottheorieën. Moet ik begrijpen dat Frans Timmermans ook deel uitmaakt van De Grote Samenzwering? Waar ook Maurits Berger en zijn ex-vrouw Petra Stienen deel van uitmaken? Dat vind ik best wel ‘Breaking’ (of ‘Brekend’)

    BeantwoordenVerwijderen

    Reacties

     
     
  22. ‘Extreemrechts’ hier uitsluitend als scheldwoord natuurlijk. Niet ter onderscheiding van rechts. Schreve is kunsthistoricus. Op zijn webstek meldt hij “Mijn intellectuele helden zijn Edward Said, Vaclav Havel, Michel Foucault”. Arme Havel!
    Op zijn webstek lees ik deze titel van een stukje: “Een repliek aan Ratna Pelle, beroepspropagandiste, hysterische Zioniste en Palestijnenbasher”.
    Als we toch geen kunsthistorici hadden!

    Verwijderen

     
     
  23. Inderdaad lekker naïef als je als historicus niet eens weet dat de term extreem rechts door Stalin is bedacht om zijn afvallige Nationaal SOCIALISTEN buiten de orde te plaatsen.

    Verwijderen

     
     
  24. Bat Yeor is niet iemand die ‘grossiert in complottheorieën’. In de reeks boeken die zij geschreven heeft gaat het over de geschiedenis van wat zij ‘dhimmitude’ noemt: de houding van wie geen moslim is maar zich wel aan de islam onderwerpt. Zo iemand wordt in het jargon van de sharia ‘dhimmi’ genoemd, vandaar ‘dhimmitude’. Edward Said, van huis uit een Egyptisch-Palestijnse christen, was een super-dhimmi, dat Floris Schreve een bewonderaar is van Edward Said klopt dus dan weer wel helemaal.

    Verwijderen

     
     
  25.  
     
     
  26. “Islam is een Sinaasappel” dat is onzin stelling. Het is niet zo belangrijk maar Maurits Berger zou beter moeten weten. Als een vergelijking juist is kan men de factoren ook verwisselen, en dat gaat bij deze stelling niet. Net als de islam is deze misopvatting kolder. De vergelijking is daarnaast ook niet zo gelukkig gekozen. De waarheden van de islam zijn net als een sinaasappel makkelijk te doorboren en weerleggen. Met de blote handen pelt men tot de kern en er blijft niet veel over dat stand houdt.

    Een sinaasappel is zacht fruit dat zonder veel moeite van de schil te ontdoen valt. Zachtjes het vruchtvlees tussen de vingers nemen en het valt uiteen. De islam is een verbond van rovers en leugenaars. Het kan zelfs lichte kritiek niet weerstaan, het is als een sinaasappel, let wel het is ALS een sinaasappel. Maurits Berger is een persoon die zich voor het grote geld heeft laten gebruiken. Geen enkel denkend mens kan iets goeds vinden in de islam. Het wordt tijd dat hij ter verantwoording wordt geroepen en dat hij zijn mallotige uitspraken moet terugnemen.

    BeantwoordenVerwijderen

     
     
  27. Jaren geleden las ik dat boekje “Islam is een Sinaasappel”. Wel een beetje met een sceptische instelling natuurlijk, het boekje was immers door een Nederlander geschreven en dan kan je nog al wat politiek correcte onzin verwachten natuurlijk. Maar schrijver Maurits Berger kon ik toen nog niet kon, het zou wel eens zijn eerste boekje geweest kunnen zijn.

    Wat mij in ieder geval van dat boekje “Islam is een Sinaasappel” is bijgebleven is dat Maurits zich bijna liet bekeren tot de Islam. Zijn Islamitische vrienden hebben dat in ieder geval heel hard geprobeerd zo beschrijft hij in het boek. En hij wees dat niet direct af, volgens mij voelde hij er ook wel voor. Toen hij dit toch maar niet deed, waren zijn ‘vrienden’ zwaar teleurgesteld schreef hij, want hoe kan dat nou als iemand zo dicht bij de waarheid is. Zelf was Maurits ook teleurgesteld dat de warme band daarmee weer verdween.

    Ook goed bijgebleven zijn mij de beschuldigingen van zijn Christelijke vriendin. Die begreep zijn rare gedrag maar niet en vond hem maar onnozel, zelfs een verrader eigenlijk, te lezen viel bijvoorbeeld hoe wij het allemaal nog zouden bezuren hier in Europa volgens haar. Zijn vriendin waarschuwde dat wij net zo gebukt zouden gaan onder de Islam als de Christenen in Libanon.

    En dus zo zie je maar, zelfs uit de boekjes van Maurits Berger valt nog wat te leren!

    BeantwoordenVerwijderen

     
     
  28. Meneer Jansen, lang geleden (ik heb ooit nog les van u gehad en in de pauzes van de colleges hebben we vaak een peuk staan wegpaffen bij de rookhoek van het LAK in Leiden). We hebben elkaar daarna nooit meer ontmoet, maar ik heb uw stukken van de laatste jaren zeker gelezen.
    Bat Ye’or is op zijn zachtst gezegd zeer omstreden (en dan druk ik me nog voorzichtig uit). Bij mijn weten bent u ook de enige serieuze academicus, binnen Nederland althans, die iets in haar ziet. Net als Laurie Mylroie, waar u me toentertijd op heeft gewezen (u was toen erg onder de indruk van haar werk). Van Laurie Mylroie (zo’n beetje de enige die gelooft dat er nog steeds massa-vernietigingswapens in Irak zijn en dat Saddam achter 9/11 zat) horen we tegenwoordig helemaal niks meer en ik geloof niet dat er iemand is die haar achteraf gelijk geeft. Is mevrouw Littman niet een beetje een zelfde soort geval?

    BeantwoordenVerwijderen

    Reacties

     
     
  29. @Floris Schreve
    Verdacht maken is makkelijk maar kan je misschien aangeven waarom de feiten waar Bat Ye’or mee komt een complottheorie zouden zijn? En wat vind jij van Ahmed Muaz al-Khatib?

    Verwijderen

     
     
  30.  
     
     
  31. @Anoniem, je draait de boel om. Het hele Eurabië verhaal is een grote complottheorie en daarmee een grote ‘verdachtmaking’ (‘The Protocols of the Elders of Mecca’ werd het, ik geloof in de Israëlische kwaliteitskrant Ha’aretz, genoemd). Ahmed Muaz al-Khatib zou best een islamist zijn met opvattingen die de mijne niet zijn. Moet me daar nog in verdiepen en als ik iets interessants vind zal ik echt niet te beroerd zijn om dat te melden. Maar misschien ook niet.
    Voor mij is dat echter nog geen reden om dan met de extreemrechtse Cassandra Giselle Littman-Orebi aan te komen zetten. Wat mij betreft verdient het Syrische Ba’thregime het om ten val gebracht te worden. Ik kan alleen maar groot respect hebben voor de Syriërs die deze opstand begonnen zijn. Hoe het erna moet is een andere kwestie en dat wordt naar alle waarschijnlijkheid al ingewikkeld genoeg. Het zal zeker niet makkelijk worden. Ik denk alleen niet dat de paranoia van Bat Ye’or of ander modieus nieuw-extreemrechts islamofoob gegil uit het westen daar ook maar iets van een constructieve bijdrage aan kan leveren. Het staat misschien gek in een forum op Hoeiboei maar ik denk dat Syrië en de rest van de wereld (inclusief Nederland) er alleen maar beter op zou worden als dit geluid volkomen gemarginaliseerd wordt. Dat is het al een beetje, maar het mag van mij nog wel iets meer. Dat is althans mijn persoonlijke overtuiging. De echte problemen in de echte wereld zijn al ingewikkeld genoeg. Daar kunnen we beter mee dealen zonder types als Bat Ye’or. Dan kun je beter een ufoloog inschakelen. Ook bagger, maar tenminste ongevaarlijke bagger.

    BeantwoordenVerwijderen

    Reacties

     
     
  32. “Wat mij betreft verdient het Syrische Ba’thregime het om ten val gebracht te worden”

    Natuurlijk tuig is het! Met veel bloed aan hun handen. Maar helaas, het ten val brengen van dergelijke regiems gaat al snel met heel veel bloed vergieten gepaard, kortom heel veel kinderen die geen vader meer zullen hebben, veel zonen die zullen dood gaan, lijken in de straten en wat niet nog al meer.

    Het spreekt toch eigenlijk van zelf dat voor zo’n hoge prijs toch de vraag gesteld moet worden: “wat zal het resultaat zijn?”. Want is het die prijs in lijken wel waard?

    “Ahmed Muaz al-Khatib zou best een islamist zijn met opvattingen die de mijne niet zijn. Moet me daar nog in verdiepen”

    En tegelijkertijd andere die wel een onderbouwde mening hebben over het te verwachte resultaat willen stigmatiseren, marginaliseren en vooral buiten de discussie willen plaatsen. Te gelijker tijd wel voor oorlog en bloedvergieten zijn, maar je dus niet verdiept hebben in het te verwachte resultaat van al dat dood en verderf zaaien?

    Is een mensen leven dan helemaal niets waard?

    Verwijderen

     
     
  33.  
     
     
  34. En toch nog een vraag aan Hans Jansen. Mij is bekend dat Edward Said een Christen was. Ik ben overigens zeker geen kritiekloze bewonderaar van Edward Said (daar hebben we het toentertijd ook nog uitgebreid over gehad). Maar wanneer ben je dan een Dhimmi of een ‘super-dhimmi’? Als je geen aanhanger bent van de Eurabië-cultus?
    Edward Said was vooral een uitgesproken seculier, eigenlijk een ‘postmoderne ongelovige’ (ik geloof dat u deze term weleens heeft gebezigd).
    Wat Dhimmi betekent is mij bekend (in de traditionele zin dan). De lading die Bat Ye’or aan dit begrip heeft gegeven kan ik helaas niet onderschrijven. En niet alleen ik (want wie ben ik?) maar ik vrees vrijwel de gehele wetenschappelijke mainstream. Ik geloof alleen dat de Robert Spencertjes, de Andrew Bostompjes, de Pamela Gellertjes en de Geert Wildersjes van deze wereld daar anders over denken (en laat ik de Hoeiboei-reaguurdertjes, een alleszins niet te marginaliseren gezaghebbend geluid, niet vergeten).

    BeantwoordenVerwijderen

     
     
  35. Dat is een goed argument, daar had ik even niet aan gedacht: ‘ze’ zijn maar met weinigen. Inderdaad, wetenschappelijk valt dan alle grond onder je voeten weg, want de meerderheid heeft niet alleen in een democratie maar ook in de wetenschap altijd gelijk. Hoe kon ik, terwijl ik nog wel in de rookhoek van het LAK heb staan roken, dat vergeten zijn.

    Het stuk van Barry O. over Maurits B., Petra S. en Moaz al-Khatib is geen taktisch meesterwerk, maar het geeft desondanks feiten die een haast John-le-Carre-achtige allure hebben. We zijn blijkbaar door de Nederlandse staats-tv over de Syrische lente voorgelicht door iemand die nauwe en oude banden had met de leider van die lente. Stof voor een roman in vijftig lente-tinten.

    BeantwoordenVerwijderen

     
     
  36. Natuurlijk, dat is waar ;) Vanzelfsprekend telt in de wetenschap niet de meerdrheid van stemmen. Maar er bestaat nog wel iets toetsing. En ik geloof niet dat Bat Ye’or ooit de toets der kritiek doorstaan heeft. Of bestaat er vanuit de wetenschap ook een samenzewering tegen Bar Ye’or? Dat kan natuurlijk ook.

    BeantwoordenVerwijderen

    Reacties

     
     
  37. “En ik geloof niet dat Bat Ye’or ooit de toets der kritiek doorstaan heeft.”

    Ijzersterke argumentatie.

    Verwijderen

     
     
  38. De toetsing is dat je met argumenten haar stellingen aanvalt, dat zou je natuurlijk ook eens kunnen proberen. Dan wordt jij de nieuwe Edward Said, maar dan een die met wetenschappelijke argumenten de zaak heeft onderbouwd! Niks geen linkse propaganda en demoniseren, wetenschap! Nou, ik weet zeker dat je dan ook meneer Jansen kan overtuigen en mij ook. Ik zeg doen! Go for it!

    Verwijderen

     
     
  39. Heeft er hier iemand wel enige voorstelling van hoeveel voetnoten het werk van Bat Yeor bevat?

    Verwijderen

     
     
  40. “Vanzelfsprekend telt in de wetenschap niet de meerdrheid van stemmen”

    Nou dat is niet zo vanzelfsprekend, hoor.
    Het is uitermate belangrijk dat er gelegenheid is voor een jongetje dat vrijelijk beweren kan dat de keizer geen kleren aan heeft.
    Het is bijvoorbeeld zo dat de media zulke jongetjes voor hun rekening nemen wat betreft de opwarming van de aarde door menselijk handelen.

    Ik viel over het woordje ‘geloof’ en ik bedoelde met ‘ijzersterke arumentatie’ juist het tegenovergestelde.
    Excuus voor de onduidelijkheid.

    Verwijderen

     
     
  41. Genoeg aanknopingspunten voor Floris dus met al die voetnoten, geen zorg, in linkse kringen wordt dit ook belangrijk gevonden. Ik hoor Ad Melkert het nog benadrukken voor een miljoenen publiek:

    “Voetnoten professor!”

    Lol!

    Verwijderen

     
     
  42. Ik denk niet dat de hoeveelheid voetnoten perse iets zegt over de degelijkheid van een werk. Saids Orientalism heeft ook heel veel voetnoten, maar dat is nooit de reden geweest waarom ik het, ondanks dat ik sommige kritieken wel onderschrijf en het boek bovendien alweer enigszins gedateerd is, toch een indrukwekkend werk vond. Net zo goed als het aantal pagina’s van een boek wat mij betreft ook niks zegt, hooguit, net als de voetnoten, over de ijverigheid van de auteur. Maar dat wil nog niet zeggen dat het perse een goed boek is. Lijkt me eerlijk gezegd een open deur.
    Ik denk dat er veel bezwaren zijn in te brengen tegen Bat Ye’ors Eurabië. Dat is 1. dat het wel heel erg veel knip en plakwerk is. Dat er ergens een vriendschappelijke top wordt gehouden, waarna plechtig wordt verklaard dat er dialoog moet worden aangegaan tussen de landen van beide kanten van de Middellandse Zee wil nog niet zeggen dat zoiets daadwerkelijke politieke betekenis heeft. Er gebeuren wel meer symbolische flauwekul dingen. Koningin Beatrix deelt ook weleens een ridderorde uit aan een buitenlands staatshoofd. meestal zijn dat niets meer dan symbolische gestes. En zelfs als het meer inhoud heeft, dan nog kun je je afvragen hoe doorslaggevend dat is voor de totale buitenlandse politiek van de verschillende Europese landen. In Parijs staat natuurlijk het Institut du Monde Arabe. Toen ik daar in de bibliotheek zat, voor mijn onderzoek naar hedendaagse kunst van de Arabische wereld, is mij opgevallen dat de toon van de publicaties van ong. eind jaren zeventig tot eind jaren tachtig, wel heel erg vriendelijk was naar de diverse Arabische regimes. Logisch, want daar kregen ze ook geld van (vooral in die periode). Terwijl de relatie vam hedendaagse kunst in veel met de Arabische dictaturen helemaal niet zo harmonieus was. Kunstenaars die ook in die tijd dissident waren, kwamen daar niet aan bod, dat is pas later gebeurd. Toevallig net een kwestie waar ik me mee bezig heb gehouden, maar dit soort dingen zullen er wel meer aan de hand zijn geweest. Een prachtige onderbouwing voor Bat Ye’ors Eurabië theorie.
    Alleen, dat wil nog niet zeggen dat deze’topontmoetingen’, verdragen, etc. de politieke verhoudingen ingrijpend hebben beïnvloed, vooral ten nadele van Israël. Dat is, ook vanuit Europa, bijna net zo eenzijdig geweest als vanuit de VS. In die zin blaast Bat Ye’or kleine dingen op tot immense proporties, waar zij veel lawaai over maakt (oa, want volgens mij vertelt zij ook veel onzin). Zo’n verhaal kun je natuurlijk optuigen met heel veel voetnoten, maar heeft het ook werkelijke substantie? Zie hier een aspect van de methode Bat Ye’or.

    Verwijderen

     
     
  43. (vervolg)En dan 2. de conclusies die zij aan dit alles verbindt. Alsof er een systematisch geheim plan bestaat in de Arabische wereld of bij de Organisatie voor Islamitische Landen om op slinkse wijze Europa over te nemen. Er is veel aan de hand in en met de Arabische wereld, maar ondanks alle retoriek uit de tijd van het Pan Arabisme is het nog nooit gelukt om een vuist te maken. Op alle niveaus bestaat er zo’n beetje onenigheid en diepe verdeeldheid. Europa, zowel toen als nu, is daar nog een schijntje bij. Dus een megalomaan project als ‘Eurabië’ lijkt me om die reden al een luchtkasteel. Er is wel veel mis, maar dat nou net weer niet. Niet omdat sommige mensen dat niet zouden willen, maar omdat het onmogelijk is om te realiseren. En het zijn in het algemeen nogal zwakke staten, die nog maar vrij recent tot stand zijn gekomen. Zelfs al is de intentie er (en ik denk niet een dat die breed gedragen zou worden), dan nog lopen de belangen van die landen zo uiteen, dat een Eurabië project niet realistisch is.
    Dit zij in ieder geval twee bezwaren. Er zijn er nog een heleboel, die door anderen veel uitvoeriger zijn besproken. Ik kan evt nog wel wat linkjes naar artikelen terugzoeken. Maar nee, ondanks het indrukwekkend aantal voetnoten en het aantal pagina’s geloof ik niet dat het ‘dossier’ (meer dan een boek, toch?) Eurabië geen wezenlijke bijdrage levert. Hooguit wat munitie voor types als Robert Spencer, Geert Wilders etc. In serieuze wetenschappelijke kringen (uitzonderdingen daargelaten, zie bijv. Hans Jansen) wordt dit werk gezien als brandhout en ik denk terecht.

    Verwijderen

     
     
  44. Misschien nog een derde punt. Het is natuurlijk zeker zo dat Europa de banden met diverse foute regimes daar in de regio heeft aangehaald ivm olie. Maar, en dat negeert Bat Ye’or, dat geldt misschien in nog veel sterkere mate voor de VS. Plus dat de VS ook nog allerlei strategische belangen hebben en haden (gedurende de koude Oorlog). Als er nou een mogendheid is geweest die heeft gedeald met radicla eof foute moslimextremisten, is het de VS wel, zie het Afghanistan verhaal. Ayman al-Zawahiri werd in Egypte vrijgelaten om daar te gaan vechten. Bovendien, dat is bijna iedereen vergeten 9heeft niets met de islamisten te maken, maar wel met Irak), in 1963 steunden de VS oa Saddam Hussein en de toen nog marginal Ba’thpartij in hun coup tegen de pro-Russische generaal Abd al-Karim Qassem. Nu heeft Frankrijk daar ook nog rare dingen gedaan, maar dat is toch iets anders dan de Eurabië-theorie. Maar het idee dat Europa een soort anti-Israëlische politiek zou hebben gevoerd, in het voordeel van de ‘Eurabische elementen’ die daar baat bij zouden hebben gehad, op z’n zachtst gezegd is dat nogal een vertekende (zoniet zwaar vervormde) versie van de geschiedenis. Andere zaken hebben veel meer de boventoon gevoed, zoals de Koude Oorlog, of de Amerikaanse steun aan Israël. Die dingen zijn veel belangrijker geweest dan die sinistere Eurabische netwerken, waar Bat Ye’or het over heeft. Dat was mijn derde belangrijkste bezwaar

    Verwijderen

     
     
  45. Je heb er veel woorden aan vuil gemaakt.
    Het is en blijft een mening.
    Aantal voetnoten of linkjes: 0 (Null)

    Maar ik blijf het toevallig vinden dat Bea een bezoekje heeft gebracht aan Qatar en dat Nederland kruisraketten [proest] in stelling brengt voor agressieve Syrische aanvallen op de NATO en staat te popelen om Syrie voor het strafhof te slepen.
    Naast Al qaida, en nog meeer clubjes, en amerikaanse spec ops zijn er ook soldaatjes van Qatar te vinden.
    Én er ligt een heleboel olie voor de deur.(driehoek Syrie-Israel-Cyprus)
    Zou Jansen tijdens bootwandelen(?) in Griekenland niet iets hebben gehoord over Griekse gas- en olievonsten (350Miljard $) en proefboringen te (Turks/Griekse) Cyprus.
    (
    http://americanfreepress.net/?p=3827
    )

    En dan heb ik het niet over die arabische lente: Tunesie, libie, egypte en nu syrie. Allemaal op een rijtje. Teveel toeval om toeval te kunnen zijn ?

    Aantal voetnoten: 0.

    Spelletje. Zoek olifant in de kamer Taqiyah (3:20?):
    www.youtube.com/watch?feature=player_embedded&v=7Ezut3f67uU

    De taqiyah-teller staat bij mij op 5.

    Verwijderen

     
     
  46. @Sirik

    Het MO is een stammen gebied, de stam uit Quatar wil ook een vrome invloed hebben, vandaar Almazeera en het financieren van Hamas en de jihad in Syrie. Tenslote maakt de Iraanse stam ook aandpraak op Quatar. Dus daarom de schijnbare paradox dat Quatar ook de thuisbasis van de Amerikaanse vloot. Het is allemaal hullie tegen zullie in het MO.

    Verwijderen

     
     
  47. @floris

    Het Eurabia verhaal toont aan dat men niet strategisch samenwerkt met de landen in het MO, maar idiologisch, dat is het abjecte feit dat het Eurabia verhaal aan toont. Want tuurlijk kan je Stalin gebruiken tegen de Nazies, en het MO tegen Stalin, maar het is fout om hun waarde te incorperen, sterker nog dat is een onvergeefelijke bedrijging voor alles wat oms lief is.

    Verwijderen

     
     
  48. @Sirik, aals ik het op mijn blog zou doen zou ik alles omlijsten met voetnoten en linkjes, maar dat is voor een reactieforum niet echt handig. Bovendien, jet is ook alweer een tijdje terug dat ik EurAbië heb gelezen, dus ik zou weer heel veel terug moeten zoeken om het echt goed te doen. Maar misschien doe ik dat nog wel een keer.
    @anoniem, snap[ je laatste reactie niet hemaal. Wat bedoel je met ideologisch?

    Verwijderen

     
     
  49. @Sirik, nog even een reactie op je bovenstaande opmerking over de Nederlandse levering van patriot raketten aan Turkkije. Dit is nou net iets wat niet ingewikkeld is. Turkije is een Navo-lid en als een van de lidstyaten wordt aangevallen, schieten de andere lidstaten te hulp. Dat is zo’n beetje de kern van het Bavo verdrag.
    Dat men nu de neiging heeft om de opstandelingen te steunen begrijp ik wel en ik denk dat dit in het algemeen niet eens zo’n ongunstige ontwikkeling is. Juist het steunen van die dictature gedurende de Koude Oorlog heeft in het MO heel beel wrok tegen het westen doen ontstaan bij de bevolking. Niet zo zeer bij de regimes. Maar het heeft de gewone burger in het MO wel het idee gegeven (en niet ten onrechte) dat het Westen helemaal niet voor hun vrijheden staat, ondanks alle retoriek. En dat heeft voor een bepaalde periode al-Qaida-achtige elementen (je kan er over twisten of Al Qaida een concrete organisatie is, of meer een soort ideologie, of een symbool) enorm in de kaart gespeeld.Dat is ook de belangrijkste reden geweest voor Bin Laden om aanslagen tegen Amerika te gaan plegen.
    Ik denk dat men op dit beleid (vooral nog uit de Koude Oorlog) aan het terugkomen is en ik denk dat dit niet onverstandig is. Het feit bijvoorbeeld dat er zo’n enorm resseniment tegen Amerika in Irak bestaat heeft misschien wel minder te maken dat ze uiteindelijk Saddam hebben omver geworpen (de meeste Iraki’s wilden van Saddam af), maar meer met wat Amerika in 1991 heeft uitgehaald. Toen riep George Bush sr. het Iraakse volk op om in opstand t3e komen. Dat deden ze, maar ze werden door Amerika in de steek gelaten en werden de rebellen afgeslacht terwijl de Amerikaanse troepen toekeken. Ik ken vrij veel Iraki’s die daar toen bij waren en ik weet ook van henzelf dat ze Amerika nooit meer zullen vertrouwen. En zo vreemd is dat niet, als je weet wat daar toen gebeurd is. Toch een link, Zembla heeft daar een keer een interessante uitzending over gemaakt (aan de vooravond van de Amerikaanse inbasie van 2003). Veel van de Iraki’s die daar aan het woord komen (zowel van de Shiietische kant, als van de Koerdische kant) ken ik. Eigenlijk hoor je van hen, waarom zij niet staan te juichen bij wat Amerika in het MO uitspookt. Het spreekt eigenlijk wel voor zich. Zie
    http://zembla.vara.nl/Dossier-Irak.2062.0.html?tx_ttnews%25255Btt_news%25255D=6590&tx_ttnews%25255BbackPid%25255D=2061&cHash=a033279067

    Verwijderen

     
     
  50. @floris,
    “…alweer een tijdje terug dat ik EurAbië heb gelezen, dus ik zou weer heel veel terug moeten zoeken om het echt goed ..”

    Erg sneu voor je dat je zoveel vergeten ben, maar daarmee wordt de tekst alhier niet erg waardevol. Kortom je had je de moeite helemaal kunnen besparen.

    “opmerking over de Nederlandse levering van patriot raketten aan Turkkije. Dit is nou net iets wat niet ingewikkeld is. Turkije is een Navo-lid en “

    Dat is nou jammer. Turkije wordt niet aangevallen en het betreft hier geen levering, maar een tijdelijke stationering.
    Timmermans lulde de zaak aan elkaar door te zeggen dat de patriots enkel ingezet zouden worden als scuds per ongeluk (!) over zouden komen vliegen. Per ongeluk. Tja.

    “Dat men nu de neiging heeft om de opstandelingen te steunen begrijp ik wel en ik denk dat …”

    Ik begrijp dat niet. Doorgaans is een oorlog niet zo’n prettige gebeurtenis. Collateral damage, bijkomende schade, je weet wel schooltjes, vrouwen en kindertjes. Mannen ook. Terwijl hier sprake is van een BINNENLANDS conflict.
    Hoezo het ene moment schermen met de internationale rechtsorde en het volgende moment geen last hebben van je geweten ?

    Jammer dat je die inconsequentie niet hebt opgemerkt, maar, samen met Rutte, je bent de enige niet.

    “..en ik denk dat dit in het algemeen niet eens zo’n ongunstige ontwikkeling is..”

    Goh, en als ze nou eens van fascistische aard zijn…? Het zou zomaar kunnen.

    Dus, het geheel overziend.
    Ben je aardig in staat om wat kletskoek op te schrijven en word je niet gehinderd door voorzichtigheid en betrouwbaarheid. Om daar Jansen en Bat Ye’or mee lastig te vallen, is een risico.

    Dus ‘Floris’ Go and fuck yourself, want je grossiert in kletskoek.
    Gepromoveerd bij Maurits B. ?

    Verwijderen

     
     
  51. Tja ‘fuck yourself’. Dat was ik niet echt van plan. Zoveel mensen zoveel voorkeuren, maar ik doe het liever met iemand. Maar dank voor de suggestie. En grappig dat je het over fascisme hebt. Weet je iets van de oorspronkelijke ideologie van het Syrische regime (de ba’thideologie, zoals die is vormgegeven door Michel Aflaq)? Dat heeft nou met fascisme te maken, veel meer dan waar de opstandelingen zich op beroepen (het hele spectrum van liberalen zoals Sadiq al-Azm, t/m de radicaalste islamisten). Tip: ga dat eens uitzoeken, dan gaat er een wereld voor je open.

    Verwijderen

     
     
  52. Floris Schreve,

    U probeert hier met een stel geprogrammeerden te discussiëren. Gaat niet werken!.

    “Tip: ga dat eens uitzoeken, dan gaat er een wereld voor je open”
    —————
    Gaat niet lukken. Sommigen leven nu eenmaal in een klein wereldje en komen niet verder dan eurabië-zooi van één of andere Bat ‘Ye or en nog wat ander gespuis.

    U kunt zich beter richten op Hans Jansen. Jansen weet tenminste dat hij u niet in het ootje kan nemen met een eurabie-verhaal en kiest het hazenpad wanneer ‘argumentjes’ op zijn.
    Weet ik meteen hoe laat het is.

    Verwijderen

     
     
  53. @El_Houssain, dank je. Ik heb ook niet de illusie dat ik iets kan veranderen of iemand overtuigen, maar ik heb er op zo nu en dan best wel lol in om wat tegengas te geven. En zo spreek je nog eens wat mensen, die ik anders niet zo snel tref. Mijn vriendenkring is eigenlijk heel saai politiek correct (vaak hele redelijke mensen), dus het is ook weleens leuk om met een paar echte avonturiers in gesprek te gaan. Valt me verder op dat bijna iedereen hier anoniem is, maar dit is natuurlijk het toekomstige verzet van Nederland (Eurabië komt er immers aan), dus dat snap ik wel. Eigenlijk zijn deze mensen dus vooral heel erg moedig. Hare Majesteit zou ze gewoon een lintje moeten geven. Toch een grote eer om hier voor even de dialoog aan te gaan.
    @ Sirik, Goh die boottocht van Hans jansen en wat hij daar zou hebben opgevangen, kun je dat nog iets specificeren? Dat lijkt me pas echt John le Carré. Best wel spannend allemaal. Maar ja de wereld is een grote samenzwering. Gelukkig dat we Bat Ye’or hebben en haar Nederlandse ambassadeur Hans Jansen, voor wie geen samenzwering te groot is om haarfijn ontrafeld en aan de kaak gesteld te worden. Petra Stienen is natuurlijk een soort Bond Girl met een dubbele agenda en Bat Ye’or… ik vind eigenlijk dat ze wel wat weg heeft van Rosa Klebb. Excuses voor deze uitglijers (maar dat is op Hoeiboei niet zo uitzonderlijk, dus ik geloof niet dat ik erg uit de toon val). Maar ik zal hierna proberen om het weer wat zakelijker te houden.

    Verwijderen

     
     
  54. Deel 2: Bat Ye’or over Eurabia.

    Tal van overlegorganen zijn in de jaren 70 tussen de Europese Unie en de Arabische wereld in het leven geroepen. In haar boek Eurabia beschrijft Bat Ye’or de gevolgen van de Euro-Arabische dialoog.

    Wat is Eurabia?
    Eurabia is de transformatie van het nieuwe Europa, waarin de beschaving zoals wij die tot nu kenden opgaat in een geheel andere beschaving. Het is een sociaal economische geostrategie met als voorlopig doel de noordelijke en zuidelijke kust van de Middellandse zee tot een eenheid te smeden. De besluiten zijn gezamenlijk genomen door de Europese leiders en de verschillende organen van de Europese Unie. Het daaruit voortvloeiende beleid wordt uitgevoerd en bewaakt door een web van netwerken door de gehele Unie heen.

    De gevreesde botsing der beschavingen wordt vervangen door een illusionaire Alliantie der Beschavingen en dat wordt ondersteund met een algehele onderwijskundige indoctrinatie waarin de zegeningen van het multiculturalisme worden verheerlijkt, net als de mythe van islamitische tolerantie, de grootheid van de Arabische cultuur, en de Andalusische gouden eeuw.

    Europeanen worden opgezadeld met schuldgevoelens over hun eigen koloniale rol. Een nederige dankbaarheid jegens de islam staat nu op het programma. Dan hebben wij het nog niet eens over de sterk aan inflatie onderhevige beschuldiging van racisme.

    Schuldgevoelens ten opzichte van de Arabieren worden in een zorgvuldige symmetrie met de Jodenvervolging in WOII, opgebouwd. Het benoemen van de gevolgen van de massamigratie is natuurlijk taboe.


    http://hoeiboei.blogspot.nl/2009/07/het-grote-bat-yeor-interview-2.html


    http://ec.europa.eu/external_relations/euromed/index_en.htm


    http://www.euromedalex.org/


    http://www.unaoc.org/

    Verwijderen

     
     
  55. “Eurabia is de transformatie van het nieuwe Europa, waarin de beschaving zoals wij die tot nu kenden opgaat in een geheel andere beschaving.”

    Maak maar hard. Het is ontegenzeggelijk waar dat de wereld ‘globaliseert’ en dat er meer interactie is dan vroeger. Maar vooralsnog lijkt me dat er eerder het omgekeerde aan de hand is. Politiek en economisch is Europa nog altijd veel machtiger dan de landen ten zuiden en ten oosten van de Middellandse Zee. Dus, indeze geheel eens met Eildert Mulder (die eerder hetzelfde heeft betoogt) dat ‘zij’ meer worden gedomineerd door ‘ons’ dan ‘wij’ door ‘hen’.

    “Het is een sociaal economische geostrategie met als voorlopig doel de noordelijke en zuidelijke kust van de Middellandse zee tot een eenheid te smeden.De besluiten zijn gezamenlijk genomen door de Europese leiders en de verschillende organen van de Europese Unie. Het daaruit voortvloeiende beleid wordt uitgevoerd en bewaakt door een web van netwerken door de gehele Unie heen.”

    Goh, er is dus een Eurabische superregering, die heimelijk aan de touwtjes trekt. De Protocollen van de Verenigde Wijzen van Mekka en Brussel. Er zullen best wel wat lobbygroepjes zijn, maart ik denk (ik weet wel zeker) dat ze in het niet vallen bij andere lobbygroepen.

    “De gevreesde botsing der beschavingen wordt vervangen door een illusionaire Alliantie der Beschavingen en dat wordt ondersteund met een algehele onderwijskundige indoctrinatie waarin de zegeningen van het multiculturalisme worden verheerlijkt, net als de mythe van islamitische tolerantie, de grootheid van de Arabische cultuur, en de Andalusische gouden eeuw.”

    Die onderwijskundige indoctrinatie heeft wel wat opgeleverd de laatste jaren. Al die Henk en Ingrids (en niet te vergeten, de reaguurders op dit forum) zijn daar zichtbaar diep door beïnvloed. Alhoewel, misschien is het beter om te luisteren naar mensen die nauwelijks onderwijs hebben genoten, dan ‘indoctrinair onderwijs’. Zie hier de Tokkies en de Takkies, waar Hans Jansen eerder over schreef in de Onzichtbare Ayatollah. De diepe kloof tussen de Henk en Ingrids aan de ene kant en de geïndoctrineerde multiculturalisten aan de andere kant. Kiest u maar!
    Bovendien is het multiculturalisme als gedachtegoed vooral ontwikkeld in de VS, waar ook political corectness zijn oorsprong vindt. Dat ging aanvankelijk nauwelijks over moslims, maar over Afro Americans, Hispanic Americans, Native Americans.
    Overigens ben ik van mening dat Karen Armstrong, de Moeder Overste aller Islam Apologeten, een spilfunctie vervult in dit sinistere complot.

    “Schuldgevoelens ten opzichte van de Arabieren worden in een zorgvuldige symmetrie met de Jodenvervolging in WOII, opgebouwd. Het benoemen van de gevolgen van de massamigratie is natuurlijk taboe.”

    Ik snap de verleiding of de aantrekkingskracht van deze theorie wel. Mensen die bang zijn, die in migrantenwijken wonen zien hier in een grootse, bijna esoterische visie, hun angsten verklaard en gerationaliseerd. Het geeft ook een morele onderbouwing voor xenofobe gevoelens, lang taboe sinds de Tweede Wereldoorlog. Het is een theorie die dit soort gevoelens weer rechtvaardigt. Bij de gemiddelde Hoeiboei reaguurder gaat dit erin als koek. Eurabië is als een warm bad, waarin je heerlijk in je eigen sop naar je navel kan liggen staren, niet gehinderd door de kille en boze buitenwereld. Alles krijgt een plaats, de eigen angsten, het ressentiment naar de ‘politiek correcte elite’. Je zou het bijna een soort substituut religie kunnen noemen.

    Verwijderen

     
     
  56. @Floris,

    Je komt met een reeks stropoppen over mensen die je niet kent, maar wil je ook nog iets inhoudelijks kwijt?

    Bijvoorbeeld over de column; dus over het feit dat een arabist is opgeleid door een fundamentalist?
    Dat zijn zetel aan de universiteit werd betaald door een dictatuur, en dat hij daarom met vreemde stellingen kwam als “de sharia en het Nederlandse recht komen voor 95% overeen”?

    Berger wil nog steeds niet toegeven dat hij loog over de sharia, sterker nog; hij stelt dat hij als arabist niet hoeft te bewijzen wat hij zegt. De Leidse universiteit is het daarmee eens; Berger mag alles zeggen en hoeft niks te onderbouwen. Arabisme is immers geen statistiek. Eerlijkheidshalve dient wel vermeld te worden dat heel veel “wetenschappers” liegen als de islam ter sprake komt.

    Ondertussen worden islamcritici ontslagen vanwege een twitter, of opgesloten wegens “cartoonisme”. Onze hele elite loopt op eieren omdat men bang is voor islamitisch geweld, èn omdat men niet wil dat Henk en Ingrid islamitisch geweld “gewelddadig” gaan vinden. Islamitisch geweld is niet gewelddadig maar “een spiegel”, vinden zij. En dus krijgen joden, homo’s, vrouwen en vooral islamcritici de schuld van islamitisch geweld tegen joden, homo’s, vrouwen en islamcritici.

    En dat verklaart het geloof in “Eurabia”.
    Zolang Westerse politici het doodschieten van joodse kinderen verdedigen met “jamaar Israël bestaat”, zullen mensen die het doodschieten van kinderen principieel afwijzen (de zogenaamde “xenofoben”) die politici wantrouwen.

    Verwijderen

     
     
  57. @Darndruff: ok, dan nog maar een keertje ingaan op een reeks open deuren van anoniempje nummer hoeveel??? (het zijn er inmiddels heel wat)
    Inhoudelijks? Ik doe niks anders. En over mensen die ik niet ken? Ik neem aan dat jij wel goed bekend bent met Maurits Berger, Ahmed Muaz al-Khatib, Petra Stienen, Hans Jansen, Frans Timmermans, Giselle Littman-Orebi en Barry Oostheim? (heb je trouwens wel een interessante vriendenkring, lekker divers). Ik ken hier volgens mij bijna niemand persoonlijk (zeker weten doe ik dat natuurlijk niet, met al die aliassen hier), behalve een klein beetje Hans Jansen, uit de tijd dat hij nog docent Arabisch was in Leiden. Heb op de bewuste rookplek van het LAK gebouw in Leiden een flink aantal korte, overigens hele leuke en ook nuttige gesprekken met Hans Jansen gevoerd, waar ik ook flink van wat heb opgestoken (in die tijd was dat nog zo). Er staan nog altijd een paar boeken in mijn kast, die hij me toen heeft aangeraden en waar ik nog steeds erg blij om ben dat ik ze heb.
    Waar ik op reageerde was natuurlijk die laatste opmerking van Barry Oostheim. Kijk maar even terug. Ging over het wereldkalifaat (met link, waarachter de paranoia van mevrouw Litmann schuilgaat). Dat was voor mij de trigger om te reageren. En blijkbaar niet voor niets want het heeft in ieder geval een levendige discussie opgeleverd, die nu nog steeds respons krijgt.
    Verder ben ik het wel met je een dat arabisme geen statistiek is, maar je bedoelt natuurlijk arabistiek en dat is idd ook geen statistiek. Dat ‘veel wetenschappers liegen als de islam ter sprake komt’, dat vind ik nou weer iets wat jij moet onderbouwen. Schrijf er een doorwrocht artikel over zou ik zeggen. Alvast een tip, verwar dan niet arabisme met arabistiek. Maar dat kan Hans Jansen je wel uitleggen en ik denk dat hij echt niet beroerd is om mee te werken aan een stuk dat betoogt dat de meeste van zijn vakgenoten leugenaars zijn, zie daarvoor alleen al zijn website met talloze sneren naar deze of gene collega (vaak met initialen vermeld, voorafgaand aan bijv. ‘mijn oude vijand…’ etc..). Ook zijn ‘Islam voor varkens…’etc. barst van dit soort sneren, dus ik denk dat hij je met liefde zou willen adviseren.
    Nu een serieus punt en daarin ben ik het nog met je eens ook. Je zegt: ‘Ondertussen worden islamcritici ontslagen vanwege een twitter, of opgesloten wegens “cartoonisme”.’ Je hebt het wel een beetje grappig opgeschreven, maar ik neem aan dat je het oa over de zaak Nekschot hebt. Daarin ben ik het geheel met je eens. Schandelijk dat hij toen van zijn bed is gelicht. Ik geloof dat ik toentertijd nog een petitie heb ondertekend, net als tegen dat wetsvoorstel van Donner om godslastering weer in het strafrecht te krijgen. Geen misverstand, daarin sta ik 100 procent aan je kant.

    Verwijderen

     
     
  58. (vervolg)Met ‘Ondertussen worden islamcritici ontslagen wegens een twitter’, nogmaals je weet het briljant te brengen, maar ik neem aan dat je het hebt over de kwestie van Anand Soekhoe in Leiden. Als je mijn persoonlijke mening wilt weten (al weet ik niet meer van deze zaak dan wat er in zijn verslag op deze site staat, maar dat is al ernstig genoeg), ik vind dat hij als privé-persoon mag twitteren wat hij wil en dat hij daar nooit oftenimmer voor ontslagen zou mogen worden. En hij was toch ook raadslid voor Leefbaar? Dan moet dit ook kunnen. Ik kan natuurlijk situaties bedenken die wel problematisch zijn, maar dit lijkt me zeker niet. Zolang hij zijn lessen maar niet gebruikt om politieke propaganda te spuien (maar dat blijkt niet uit dit verhaal). Dus ook in deze ben ik het met je eens.
    Waar ik het weer niet mee eens ben is dat Joden, homo’s, vrouwen, etc. de schuld krijgen van ‘islamitisch geweld’. Om dicht bij huis te blijven (wat mezelf betreft), ik ben homoseksueel, maar ik ben nog nooit aangesproken op, laat staan dat ik de schuld heb gekregen van ‘islamitisch geweld’. Nog nooit en door niemand, niet van links en niet van rechts. Echt niet. Ook mensen die niks van homo’s moeten hebben en mij dat weleens hebben laten weten (waren trouwens zonder uitzondering autochtone, niet-islamitische Nederlanders), hebben mij nog nooit iets gezegd van ‘..bovendien veroorzaken jullie homo’s ook nog eens al dat islamitische geweld’. Dus geen idee hoe je daarbij komt. Ik weet niet of ik na deze ontboezeming op deze site opeens wel de schuld ga krijgen van allerlei islamitisch geweld (ik kijk inmiddels nergens meer van op), maar nee, dat is tot op heden niet gebeurd.
    En neem me niet kwalijk. ‘Het doodschieten van Joodse kinderen’, dat door ‘Westerse politici wordt verdedigd’ met ‘ja maar Israël bestaat’. Vertel me dan welke politici dat doen, het ‘rechtvaardigen van het doodschieten van Joodse kinderen’. Ik denk dat geen politicus dat doet, althans niet hier. Dat is misschien meer iets voor een site als stormfront. Ik heb op mijn blog weleens aandacht besteed aan hele nare Holocaustontkenners (zie
    http://fhs1973.wordpress.com/2009/08/24/
    ), maar ik heb zelfs in die kringen niemand dat openlijk durven zien doen (al zullen ze het misschien stiekem doen, dat zou me niets verbazen). Maar wat betreft de conflicthaard Israël/Palestina, er worden veel meer Palestijnse kinderen doodgeschoten dan Israëlische (ik weet niet of je enig zicht hebt op de verhoudingen, maar dat is meer dan drie keer zoveel). En ieder kind is er een teveel, laat dat duidelijk zijn. Ik zou het trouwens willen spreken van Israëliërs en Palestijnen. Dat is wat zuiverder. Alleen notoire antisemieten en extreme filosemieten/judeofielen hebben het in dit geval graag over ‘Joden’. Israëli’s lijkt me zuiverder, want er zijn veel mensen van Joodse afkomst die behoorlijk kritisch tegenover Israël staan, of er zelfs niets mee te maken willen hebben, althans niets met de onderdrukking van de Palestijnen. Ik ken er zelf flink wat. Overigens ook nog een paar geboren ingezetenen van Israël die tegenwoordig elders wonen (bijvoorbeeld hier in Amsterdam). Je zou ervan opkijken hoe die tegen de politiek van hun geboorteland aankijken.

    Verwijderen

     
     
  59. (vervolg) En als dit alles het ‘geloof in Eurabië’ zou moeten verklaren dan is dat wel een bijzonder zwakke basis. Een theorie is geloofwaardig als ie te bewijzen valt, niet omdat er allerlei mensen zitten met al dan niet terechte grieven en ressentimenten of ander soort onvrede. Als dat de rechtvaardiging van een theorie zou moeten zijn, is er meestal iets grondig mis. Als zo’n theorie ook nog politieke implicaties heeft wordt het snel levensgevaarlijk. Een klassiek recept voor rampen. Ik ken wel wat voorbeelden uit de geschiedenis, maar die kun je zelf denk ik ook zelf wel bedenken. Als je echt nadenkt althans, niet zomaar wat roept van ‘Homo’s krijgen de schuld van islamitisch geweld’. Dat vind ik namelijk wel een beetje een bizarre gedachte. Dus vooral goed nadenken, met de nadruk op ‘goed’.
    Tot slot je hebt het over ‘mensen die het doodschieten van kinderen principieel afwijzen (de zogenaamde “xenofoben”)’. Wat bedoel je daarmee? Ik wijs het doodschieten van kinderen principieel af. Dus behoor ik dan ook tot de xenofoben? En verder heb ik niet het idee dat je ook maar iets snapt van het Israël/Palestina conflict. Maar dat krijg je als een site als deze je enige bron is. Dat oude sociaal democratische ideaal van volksverheffing was zo gek nog niet, in die zin hebben de Martin Bosma’tjes van deze wereld (die zichzelf als de opvolgers van de oude Drees zien) die taak wel schandelijk verwaarloosd. Zie hier een van de meest wezenlijke verschillen tussen de klassieke sociaal democratie en het rechtspopulisme á la Wilders (die zich weer laat influisteren door mevrouw Littman), oftewel het verschil tussen volksverheffing en volksverlakkerij.
    Overigens, ik vind dit zo langzamerhand een van de meest surrealistische discussies waarin ik ooit verzeild ben geraakt. Fascinerend en huiveringwekkend.

    Verwijderen

     
     
  60. @Floris,

    Ah goed van je, wéér een stropop!
    Nee, Jansen en Berger zitten niet in mijn vriendenkring nee. Dat hoeft namelijk ook niet. Waar jij mensen die jij niet kent allerlei woorden in hun mond legt om ze vervolgens aan te vallen op wat ze niet hebben gezegd, reageer ik inhoudelijk op wat mensen zelf echt gezegd hebben. Ook zonder Berger persoonlijk te kennen kan ik weerleggen wat hij zegt over de sharia.

    Het is overigens een misvatting dat het gebruik van heel veel worden gelijk staat aan “inhoudelijk reageren”. In je lange reacties zie ik weinig terug over de feiten in de column; zoals dat Berger in de leer ging bij een extremist.

    Ik zie ook geen weerlegging van wat ik zei over de Leidse Universiteit die de leugenarij van Berger verdedigt, behalve dan dat ik een stijlfoutje maakte. Jij wil meer voorbeelden, welnu wat denk je van dat WRR-islamrapportje (2005) van Jan Schoonenbeek waarin geweldloze islamcritici als een groter gevaar werden gezien dan genocidepredikende organisaties zoals hamas en taliban?
    Destijds oa verdedigd door wetenschapper Ronald Plasterk die Hirsi Ali, Afshin Ellian en Ephymenco aanviel op hun niet-Westerse afkomst.
    En dan “historicus” Geert Mak die Submission vergeleek met Der ewige Jude.
    Of al die anti-racisme-onderzoekjes waarin islamkritiek (anders dan christendomkritiek) op één hoop wordt gegooid met extreem rechts.

    http://www.carelbrendel.nl/2010/12/15/verzet-tegen-shariarechtbanken-is-nieuw-extreem-rechts/

    Je weerlegt ook niet wat ik zeg over Soekhoe die ontslagen is (niet als eerste trouwens) en Nekschot die opgepakt werd (ook niet als eerste). Je veroordeelt dat zelfs. Maar ondertussen is Soekhoe nog steeds ontslagen, en Nekschot is gestopt. Dit aanpakken van islamcritici wordt steeds verdedigd met kretologie over “onnodige provocaties”. Ook Obama en Clinton zeiden dat islamitische uitbarstingen in Afghanistan en Libië het gevolg waren van een koranverbranding en een islamfilm; de EU nam afstand van de Deense cartoons en Schulz veroordeelde onlangs het maken en verspreiden van een islamfilm.

    Diverse Nederlandse politici (oa Balkenende) verweten van Gogh en Hirsi Ali dat zij moslims hadden geprovoceerd en dat zij “dus” ook verantwoordelijk waren voor de moord op van Gogh. Wie zei dat oom weer; “je kunt iemand niet dagelijks voor hoer uitschelden en verwachten dat er geen reactie komt”?
    Oftewel; kritiek op vrouwenbescnijdenis = hoer roepen.
    De mislukte politicus Peterr de Vries vindt daarom dat islamcritici zoals Hirsi Ali en Wilders zelf maar moeten opdraaien voor hun beveiliging, en anders gewoon maar de consequenties nemen (zoals Fortuyn en van Gogh).

    Kortom, islamcritici krijgen stelselmatig de schuld van islamitisch geweld. In mindere mate geldt dat ook voor homo’s, joden en vrouwen.
    Om die reden raadde de VVV buitenlandse homo’s af om in bepaalde delen van Amsterdam hand in hand te lopen; joden laten in diezelfde buurten hun keppeltjes thuis en vrouwen moeten maar accepteren dat ze worden nagesist en voor hoer uitgemaakt. Dat haal ik niet van deze site, deze schokkende feiten hebben alle media gehaald. Hetzelfde zien we in andere Europese steden oa Kopenhagen, Antwerpen, Parijs en Londen. Minder bekend is inderdaad de verdediging van de racistische moorden in Toulouse. Onder andere de “gematigde” moslimextremist Tariq Ramadan deed dat, en EU-bobo Lady Ashton.

    http://www.volkskrant.nl/vk/nl/6250/Nausicaa-Marbe/article/detail/3233523/2012/03/30/Tariq-Ramadan-wrijft-met-zijn-leugens-zout-in-de-verse-wonden.dhtml


    http://www.telegraph.co.uk/news/worldnews/europe/france/9155477/Toulouse-school-shootings-Israel-demands-Baroness-Ashton-resign-after-she-compares-incident-to-Gaza.html

    Jij doet nu alsof ik dom en ongeïnformeerd ben, ik kan daar goed mee leven. Ik zou het veel erger vinden als je één van mijn punten zou kunnen weerleggen.

    Verwijderen

     
     
  61. “Jij doet nu alsof ik dom en ongeïnformeerd ben, ik kan daar goed mee leven. Ik zou het veel erger vinden als je één van mijn punten zou kunnen weerleggen.”

    Lol!

    Verwijderen

     
     
  62. Dandruff, ik zal nog kijken of ik hier serieus op inga. Eeen algemene opmerking. Soms schrijf je wel hele idiote dingen op, van ernstig (‘Het doodschieten van Joodse kinderen’, dat door ‘Westerse politici wordt verdedigd’ met ‘ja maar Israël bestaat’ ), t/m hilarisch (‘Homo’s krijgen de schuld van islamitisch geweld’). Dat ik niet alles even serieus behandel moet je me dan niet kwalijk nemen. Enige reflectie van jouw kant lijkt me wel gewenst. En ook iets minder meegillen met de meute (soms is het hier net een legbatterij, waarin iedereen elkaar nakakelt). Dan houden die vermaleide stropoppen van mij vanzelf op. En ik heb je genoeg serieuze content gegeven, overigens ook al eerder in deze discussie. Ik zal je later nog uitgebreid reageren op je nieuwste bijdrage, net als op die van Hans Jansen hieronder. Wellicht morgen.

    Verwijderen

     
     
  63. @ Dandruff: Heel erg allemaal, die ‘stropoppen’ van mij, maar geef dan iets minder aanleiding. Iets minder kippenhok van jouw kant dan, die stropoppen van mij zullen dan vanzelf verdwijnen. Morgen geef ik je uitgebreid antwoord op je laatste reactie, net als Hans Jansen hieronder.

    Verwijderen

     
     
  64. @Floris,

    Ik lig niet wakker van die stropoppen; ik constateer gewoon dat je in 3 lange reacties geen inhoudelijke argumenten aandroeg. Behalve wat op niets gefundeerde beledigingen en kleinerende opmerkingen.

    En ook nu heb je 2 reacties nodig om te zeggen dat je pas morgen iets inhoudelijks gaat zeggen.
    Zal dat gaan lukken, morgen, of wordt het weer meer van hetzelfde?

    Verwijderen

     
     
  65.  
     
     
  66. Deze reactie is verwijderd door de auteur.

    BeantwoordenVerwijderen

     
     
  67. Een sinaasappel, die wel de grens over is geraakt maar nooit het westen heeft bereikt, geeft cursus “Hoe bereik je dhimmitude ?”

    Een voorbeeld uit de praktijk:
    http://www.youtube.com/watch?feature=player_embedded&v=7Ezut3f67uU

    Iets met soera 5:60 ?
    In ieder geval Laster.

    BeantwoordenVerwijderen

    Reacties

     
     
  68. Thanks for the vid. Eerst opmerkelijk shot met boerka vrouwtje die voor seksuele voorlichting voor Marokkanen is, want er gebeurd toch al snel wat he (huh?), dan interview met iemand van de organisatie, vlot meisje zonder doekje, allemaal heel ruim denkend en zo, totdat allemaal Mocro’s voorbij komen en haar als een hoer behandelen en na weerwoord gaan bedreigen, opstootje volgt en dat is het voortijdige einde van het interview. Normen vs waarden.

    Idealen vs praktijk. Lol!

    Verwijderen

     
     
  69. Deze reactie is verwijderd door de auteur.

    Verwijderen

     
     
  70.  
     
     
  71. Maroc.nl, V3rsace: “Makker, soeffies zijn een dwalende groepering, ik wil bewijzen zien van echte moslims van ahloe soennah wa’l djama3a, die geen dwalende groepering zijn die de Islam verlaten. Geen soeffie die maar wat rotzooit, natuurlijk kan die de islam zo verlaten want het is maar de vraag of hij de Islam ooit heeft geproefd.”

    BeantwoordenVerwijderen

     
     
  72. @Floris Schreve:

    Het is onredelijk van een blog te verlangen dat het voldoet aan strenge normen van controleerbaarheid in academische zin; daarvoor zijn boeken en wetenschappelijke artikelen.

    Een blog kan je natuurlijk wel op een spoor zetten. Nu, de boeken van Bat Yeor, ook al ben je het niet met alle interpretaties eens, grossieren in controleerbare feiten. Maar uiteindelijk zul je zelf je eigen oordeel moeten vormen. Ik zou graag aangetoond zien dat BY’s interpretaties onjuist zijn. Ik wacht af en blijf de relevante (e-)tijdschriften enz. volgen.

    Al deze reacties hier hebben trouwens nauwelijks nog iets te maken met het stukje van Barry Oostheim, waar we op reageren. Het ziet er nu naar uit dat Petra S. en Maurits B. gecoached zijn door Sheikh Moaz al-Khatib. Dat roept meer vragen op dan een beschaafd blog kan beantwoorden.

    BeantwoordenVerwijderen

    Reacties

     
     
  73. “Het ziet er nu naar uit dat Petra S. en Maurits B. gecoached zijn door Sheikh Moaz al-Khatib.”

    Netjes dat U de personalia van de verdachten afkort.

    Verwijderen

     
     
  74. Wat mij zo verwondert, mijnheer Jansen, is dat die TV-hoofden niet een keer met hun uitspraken worden geconfronteerd. Stienen had het toch duidelijk over de Arabische Lente, terwijl, met een van uw boeken in het achterhoofd, duidelijk een aankondiging van een winter had moeten zijn. Hoe komt het toch dat Hilversum telkens maar weer zich aan dezelfde steen Stienen stoot ? Vanwaar die voorkeur, vanwaar die propaganda ? Blindheid ?

    Ik ken dat arabistenwereldje niet zo, maar zijn er niet meerdere smaken dan een Joernalist van Eenhoorn ?

    Verwijderen

    En toen ging het forum op slot en kon ik niet meer reageren. Ik had Hans Jansen (en Dandruff, omdat hij zo aandrong) graag antwoord gegeven, maar dat was me niet meer gegund. Had het sluiten van het forum iets met mij te maken?
    Toegegeven, ik heb wel behoorlijk uitgedeeld, al geloof ik niet dat ik qua overtreding van de normale fatsoensnormen erg over de schreef ben gegaan, althans naar de maatstaven die er op Hoeiboei gewoonlijk gehanteerd worden. Dat lijkt me helemaal niet. Wel ben ik natuurlijk met gestrekt been in de discussie gestapt en, eerlijk is eerlijk, ik heb me natuurlijk wel enigszins laatdunkend uitgelaten over het reageerdersvolk ter plekke. Dat ik dit gebeuren heb vergeleken met een legbatterij, zoiets kan natuurlijk niet. Dat is wel erg generaliserend, zoniet stigmatiserend. Dus misschien wilden ze me geen podium meer geven , waar ik me ongehinderd kon bezondigen ‘groepsbelediging’ ;) Dat is natuurlijk de allergrootste zonde die je in de wereld der Hoeiboeiers kunt begaan.
    Maar omdat ik vond dat ik nog iets aan Hans Jansen en de anderen te zeggen had, bij deze:

    Laatste reactie (24 december 2012, niet meer op Hoeiboei gepubliceerd) :

    Ik weet niet of het wel zo heel ernstig is dat Maurits Berger en Petra Stienen Muaz al-Khatib zo goed kennen. Ik wil wel een slag om de arm houden, vooral omdat ik de meeste informatie niet zelf kan checken. Maar ik ben eerlijk gezegd niet heel erg onder de indruk van dat verhaal van Barry Oostheim. Het lijkt mij nogal een storm in een glas water.
    Als we kijken naar waar Oostheim mee komt aanzetten, echt heftig vind ik het niet. De meeste relevante informatie over de ideeën van al-Khatib, die Oostheim boven water heeft gekregen is die open brief aan Geert Wilders. En die vind ik niet heel wereldschokkend. Oostheim zegt: ‘Het is natuurlijk hartverwarmend dat een imam in Damascus zich verdiept in de Nederlandse geschiedenis maar wat hij daarover te berde brengt zegt ook weer iets over zijn oogkleppen’. Ik vraag me af of de lading die Oostheim eraan probeert te geven niet iets zegt over de oogkleppen van Barry Oostheim zelf. Eerst stelt hij verontwaardigd dat Al Khatib de Holocaust niet zou noemen. Maar dat doet al-Khatib juist wel. Misschien op zijn manier, met zijn passage over Anne Frank, maar dan kun je dus niet zeggen dat hij de Holocaust niet noemt. Bovendien, dat is wel een beetje een vermoeiende trend, zie ik veel op allerlei Hasbara blogs (zoals die van Ratna Pelle, die ik op mijn blog een keer stevig heb aangepakt, tot verontwaardiging van Frans Groenendijk, zie in het forum hierboven) dat de Holocaust bijna wordt afgeschilderd als een Arabisch probleem. Als je die blogs moet geloven was Haj Amin al Husayni belangrijker dan Heinrich Himmler of Adolf Eichmann. Dat vind ik pas echt een verknipte kijk op de geschiedenis, al snap ik heel goed dat dit verkocht wordt door de pro-Israël propaganda-machine. Ik dacht dat de Holocaust vooral een probleem was van het Duitse Nationaal Socialisme (nee, dat is niet hetzelfde als ‘socialisme’, speciaal voor de Hoeiboei- en Martin Bosma-lezertjes). En wat Nederland betreft, een probleem van de Duitse bezetters en van de niet zo heldhaftige rol van de Nederlanders, die veel behulpzamer waren in het meewerken aan het afvoeren van Joden dan de Belgen, de Fransen en de Denen. Maar ja, natuurlijk is met terugwerkende kracht de Holocaust vooral een probleem van de Moslims, als we ook Pamela Geller, een goede vriendin van zowel Bat Ye’or als Geert Wilders, moeten geloven. Oostheim lijkt een beetje aan dezelfde blikvernauwing te lijden, maar dat zegt meer iets over Barry Oostheim dan over Ahmed Muaz al-Khatib.
    En idd, zoals Oostheim zelf zegt ‘Wat opvalt uit de beschikbare informatie over de Nederlandse band met al-Khatib, is dat de Nederlandse diplomaten bepaald niet over een nacht ijs zijn gegaan’. Ik heb niet het idee dat Oostheim niet over een nacht ijs is gegaan (idd dubbele ontkenning). Ik heb meer het idee dat hij spijkers op laag water zoekt. Nogmaals, ik wil een slag om de arm houden, want ik heb zelf verder niet naar meer informatie gezocht. Maar ik ben niet erg onder de indruk van Oostheims poging om al-Khatib als een groot gevaar af te schilderen.
    Die verwijzing naar het Wereldkalifaat vind ik, hoe zal ik het zeggen, een beetje.. (ach het is bijna Kerstmis, dus ik zal het maar achterwege laten). Alles en iedereen is kennelijk besmet met het Eurabië-virus. Ik vraag me alleen af of Oostheim daar niet meer aan lijdt dan al-Khatib, Timmermans, Berger of Stienen.
    Over hoe het echt met Ahmed Muaz al-Khatib zit, ik weet het ook niet allemaal precies. Maar ik heb wel de neiging meer waarde te hechten aan het oordeel van Frans Timmermans, Maurits Berger, Petra Stienen en ‘de Nederlandse diplomaten die bepaald niet over een nacht ijs zijn gegaan’, dan aan de anonieme Eurabië-gelovige Barry Oostheim (nogmaals onder voorbehoud).
    En uiteraard iedereen, medestander of opponent, moslim, Christen, heiden, atheïst, Eurabist of animist, met- of zonder hoofddoek (het is wel Hoeiboei ;) ), hoe je die dagen ook invult of niet invult, een hele leuke Kersttijd toegewenst.

Tot zover mijn laatste reactie, die niet meer geplaatst kon worden. Jammer dat ik ze geen goeie kerst heb kunnen wensen ;) Maar goed, ik weet ook niet of dat wat overdone is op een anonieme afwerkplek als Hoeiboei. Dat is toch meer van je kwak dumpen en wegwezen.

 

Uit de serie van Eildert Mulder (Trouw) ‘Anders Breivik is niet alleen’ (
http://www.trouw.nl/tr/nl/5091/Religie/article/detail/2901382/2011/09/10/Eurabie-ligt-aan-de-Middellandse-Zee.dhtml?utm_source=scherm1&utm_medium=button&utm_campaign=Cookiecheck
):

Eurabië ligt aan de Middellandse Zee

Eildert Mulder −10/09/11, 15:30

Anders Breivik en de auteurs die hij citeert laten zich meeslepen in een macaber spel met begrippen die voor een tunnelvisie zorgen. Vijfde deel van een serie waarin het manifest van de Noorse massamoordenaar wordt ontleed.

Elke ideologie heeft zijn eigen woordenboek, met begrippen die voor de aanhangers gesneden koek zijn, maar niet altijd voor buitenstaanders. Ze zijn de mallen die het denken vormen. Ze kunnen, als ze samen een gesloten systeem vormen, een tunnelvisie veroorzaken, of cirkels waarin het brein blijft ronddraaien.

Centraal in het denken van de Noorse massamoordenaar Anders Breivik staat het begrip ‘Eurabië’. Op het eiland Utoya vuurde hij zijn kogels af op wat hij zag als de toekomstige elite van het verwenste ‘Eurabië’. Het is navrant te bedenken dat de meeste van zijn jonge slachtoffers waarschijnlijk geen flauw idee hadden van dit motief van de schutter en zichzelf allerminst zagen als ‘Eurabieren’. Misschien hadden ze een vage notie van het begrip ‘Eurabië’, misschien zelfs dat niet. Het is onwaarschijnlijk dat velen zich hadden verdiept in de ‘Eurabië-ideologie’, waarmee Breivik zijn bloedbad rechtvaardigde. Ze kenden het macabere spel niet waarin Breivik zichzelf had verstrikt en waarin hij hen meesleepte.

Gastschrijver Fjordman geeft in Breiviks manifest een resumé van het boek ‘Eurabië’, waarvan de Nederlandse vertaling verscheen in 2007. De auteur voert de schuilnaam Bat Ye’or, wat Hebreeuws is voor ‘dochter van de Nijl’. Bat Ye’or is een Egyptische Jodin. In 1956 moest ze, net als bijna alle andere Egyptische Joden, onder dwang haar land verlaten. Ze vestigde zich in Parijs. Ze schrijft veel over het lot van religieuze minderheden in de moslimwereld, in heden en verleden.

Ze verwijt westerse islamologen dat die een te vriendelijke visie hebben op dat onderwerp. Zij vinden dat, gemeten naar de maatstaven van de tijd, de religieuze minderheden in de moslimwereld het vroeger redelijk hadden. De onderworpen inheemse inwoners van het islamitische wereldrijk konden moslim worden of vasthouden aan hun oude geloof. In dat laatste geval moesten ze een speciale belasting betalen, djizja. In ruil daarvoor kregen ze bescherming.

Dat lijkt een aanvaardbare deal maar Bat Ye’or heeft meer oog voor de lelijke kant van de medaille. De onderworpenen kregen de nederige status van dhimmi’s. Hun tweederangspositie heet dhimmitude. Er waren nogal wat beperkingen. Het bouwen van nieuwe godshuizen was problematisch. Dhimmi’s konden niet trouwen met moslimvrouwen, omgekeerd kon wel, een moslim die trouwt met een niet-islamitische vrouw. De enige manier om aan dhimmitude, waaraan nog meer discriminatie vastzat, te ontkomen was bekering tot de islam. Velen gingen daar dan ook toe over. In een sluipend proces werden daardoor christenen en joden in de loop van eeuwen gemarginaliseerde minderheden, ook omdat de beloofde bescherming wel eens uitbleef.

De toestand van minderheden is nog steeds verre van ideaal. Ook in moslimstaten met een seculiere wetgeving blijven de concepten van jihad en dhimmitude het denken van mensen beïnvloeden. Bat Ye’or bespeurde dat zelfs in Europa, bij de beruchte rellen in 2005 in de vooral door moslimmigranten bewoonde Parijse voorsteden. In haar boek ‘Eurabië’ probeert ze aan te tonen dat ook Europa een dhimmigebied dreigt te worden. De horigheid aan de islam dankt het werelddeel volgens haar aan zijn eigen leiders die al vijftig jaar in het geniep deals sluiten met de Arabische wereld. Dat zette de deur open voor immigratie van moslims, voor de bouw van moskeeën en het scheppen van andere voorzieningen, waardoor Europa zou zijn veranderd in ‘Eurabië’.

Bat Ye’or kent een hoofdrol toe aan Charles de Gaulle, van 1958 tot 1969 president van Frankrijk. Onder hem kwam er een einde aan de Franse kolonisatie van moslimlanden in West- en Noord-Afrika, waaronder Algerije. De Gaulle wilde vervolgens samen met die landen en de voorloper van de Europese Unie (de EEG) een machtsblok vormen, tegen zowel Amerika als de Sovjet-Unie.

Hij was bereid daarvoor politieke concessies te doen aan de Arabieren, zoals een minder pro-Israëlische politiek van Europa. Dat laatste werd acuut in 1973. In dat jaar vielen Egypte en Syrië Israël aan, in een poging om de in 1967 verloren gebieden te herwinnen. De Arabische aanval was gevaarlijk, maar ten slotte won Israël toch, mede dankzij Amerikaanse en ook Nederlandse hulp. De Arabische oliestaten reageerden met een olieboycott tegen de VS, Nederland en Denemarken. Al voor die oorlog waren Palestijnen een terreurcampagne begonnen tegen westerse doelen. Europa had daarom, behalve de Franse ambities, nog twee redenen om in het gevlij te komen bij de Arabieren: olie en afkoping van Palestijns terrorisme.

Tegen die achtergronden begon de Europees-Arabische Dialoog. De Europeanen wilden meegenieten van de stroom aan Arabische oliedollars. Saoedi-Arabië en andere oliestaten begonnen rap te moderniseren en hadden gigantische bouwprojecten in de aanbieding. De Arabieren daarentegen hadden vooral politieke oogmerken en probeerden via de dialoog Europese steun te verwerven voor de Palestijnen.

Aan de wieg van ‘Eurabië’ stonden in die visie dus, behalve De Gaulle, ook de Palestijnen, met terroristische afpersing. Volgens Bat Ye’or gebruikten de Arabische staten de Palestijnen als wapen in de jihad. Breivik en Fjordman komen mede daarom woorden tekort om hun afschuw voor Palestijnen tot uitdrukking te brengen. Het lijkt een handig goedmakertje tegenover Israël en de Joden, die ze op de ziel trappen met laatdunkende opmerkingen over Holocaustherdenkingen, die volgens hen het Europese zelfvertrouwen in de strijd tegen de islam ondermijnen.

Bat Ye’or signaleert een reeks Europese uitspraken die tegen Israël zouden zijn gericht en het bewijs zouden leveren dat Europa op weg is naar een dhimmistatus. Ze legt daarbij de lat hoog en wil bijvoorbeeld niet dat Europeanen de term ‘bezette gebieden’ bezigen (moet zijn ‘Samaria en Judea’). Ze neemt alleen genoegen met uitspraken, die vergaand pro-Israël zijn en verwerpt zelfs de uitdrukking ‘Palestijnse volk’. Sinds 2008 is Israël overigens lid van de Mediterrane Unie, een uitvloeisel van de Europees-Arabische Dialoog.

Bat Ye’or overschreeuwt zichzelf met uitspraken als ‘Al jaren verheerlijkten de Europese politici de moordaanslagen van Palestijnse jongeren en kinderen’. Een ernstiger gebrek van haar analyse is de context waarin ze de Europees-Arabische dialoog plaatst: verhulde djihad en dhimmitude. Dat is in het gunstigste geval onvolledig.

De Europees-Arabische Dialoog stond niet op zichzelf. Een vergelijkbare strategie pasten Europa en Amerika, in dezelfde tijd, toe tegenover andere machtsblokken, die weinig met islam hadden te maken, zoals het Sovjet-blok en China. Begin jaren zeventig trad er een tijdelijke ontspanning op in de koude oorlog tussen het communistische Sovjetblok en de Navo. Een dialoog mondde uit in de akkoorden van Helsinki. Ook de Sovjets waren, net als de Arabische dictators, partners, met wie echte vriendschap onmogelijk was, maar met wie je wel zaken kon doen. In diezelfde periode zocht de Amerikaanse president Nixon toenadering tot China. Ook dat was niet omdat de Amerikanen ineens dol waren op de communistische tiran Mao-Zedong. De drijfveer was eigenbelang, van beide kanten. Net als dus bij die Europees Arabische Dialoog.

Als Bat Ye’or gelijk heeft dan droomden de Arabische dictators van een djihad tegen Europa. In werkelijkheid waren ze juist bang voor een djihad, omdat die vooral henzelf bedreigde. Volgens moslimradicalen behoorden de dictators tot de ergste vijanden van de islam. Daarom wilden die laatsten dat Europa hen toestond de moslimmigranten in de gaten te houden, vanwege gevaar dat ze vanuit die hoek vreesden. Talrijke malen heeft de Egyptische president Moebarak Europa gewaarschuwd dat het terroristen herbergde, ook voor 11 september 2001.

Hoe cynisch Europa en Amerika omgaan met Arabische dictators blijkt wel dezer dagen. Je benut ze zo lang je er baat bij hebt en daarna dump je ze. Na 2003 liet de CIA terreurverdachten zelfs verhoren door de folterende geheime diensten van ex-terreurbaas Kadafi. Dit jaar bombardeerde de Navo Kadafi. Dat is geen dhimmigedrag. Europa is valser en weerbaarder dan Bat Ye’or denkt. Het maakt wel eens een laffe knieval, laat zaken op zijn beloop, leunt op Amerika, laat zich verrassen door oproeren in voorsteden, maar is daarmee nog niet afgegleden tot de islamhorige dhimmistatus van ‘Eurabië’.

Een ander Eurabië, waarover Bat Ye’or zwijgt, ligt overigens aan de Arabische zuid- en oostkant van de Middellandse Zee. De eeuwenlange beïnvloeding en overheersing door Europa hebben daar diepe sporen achtergelaten. Veel Arabieren kleden zich Europees, spreken Europese talen, gaan naar Europese privéscholen, werken in Europa of hebben dat gedaan. Bij hun revoluties roepen ze tegenwoordig ‘het volk wil’ en ook dat klinkt verkwikkend Europees. Het opstandige ‘volk’ wil in zijn slogans ‘de val van het regime’ en veel minder vaak ‘een islamitische staat’.

Ook dit zuidelijke Eurabië heeft zijn doodsvijanden. Islamitische extremisten verafschuwen het evenzeer als Breivik zijn noordelijke Eurabië. Breivik en de moslimextremisten zijn in veel opzichten elkaars spiegelbeelden.

Tot zover Eildert Mulder. Zie ook
http://theamericanmuslim.org/tam.php/features/articles/bat-yeor

Lees ook: Koen Vossen, Van Bolkestein, via Bush naar Bat Ye’or; de ideologische ontwikkeling van Geert Wilders, Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (Rijksuniversiteit Groningen), Jaarboek 2008, 
http://dnpp.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/jb-dnpp/jb08/KoenVossenartikelJB2008.pdf

Bat Ye'or

Giselle Littman-Orebi, alias Bat Ye’or. Wat trouwens ook wel aardig is om te bekijken is een interview dat Pamela Geller van de weblog Atlasshrugs met mevrouw Littman maakte. Geller is ook in Nederland bekend vanwege haar warme band met Geert Wilders (‘My Hero, a Legend, a Freedomfighter’, in haar woorden, zie hier, ‘Freedom Party, I love that name, sounds so American’  ;) ) en zij was het die Wilders naar Amerika haalde om op 11 september 2011 te spreken in New York.  Pamela ‘Hitler was inspired by Islam’  Geller is een belangrijke prominent in het internationale gezelschap van anti-islam activisten. Het begin van het interview met Bat Ye’or is overigens onbedoeld komisch met Pamela’s intro ‘Hi Bat’, maar ik denk niet dat mevrouw Littman een gelukkig pseudoniem heeft gekozen voor de Engelstalige markt en al helemaal niet voor Amerika, waar toch een wat sterkere informele voornamencultuur heerst dan in Groot Brittannië. ‘I feel I’m sitting here with the Pope’, verklaart Pamela verder, nadat ze onbedoeld de Heilige van Lausanne voor ‘vleermuis’ heeft uitgemaakt. Dat Geller mevr. Littman als een soort Paus ziet lijkt mij een een sterke aanwijzing dat er wellicht sprake is van een heuse ’extreemrechtse islamofobe kerk’, misschien tegenwoordig wel meer dan van een ‘linkse kerk’.  Hoe dan ook, bijzonder fascinerend. Het interview is hier in meer delen te bekijken. En nu ik toch bezig ben, zie ook de presentatie van haar boek ‘Stop the Islamization of America’. In haar praatje verwijst ze overigens ook naar Wilders. Dit optreden van Geller is hoe dan ook exemplarisch voor de stroming die ik hier ‘nieuw islamofoob extreemrechts’ heb genoemd, en waarvoor de weblog Hoeiboei een belangrijke spreekbuis is, wat betreft Nederland dan.

Update 7 januari 2013: Cultureel antropoloog Martijn de Koning (verbonden aan de Radboud Universiteit, Nijmegen) begint vanaf vandaag op zijn site Closer; anthropology of Muslims in Europe een serie over ‘Eurabië’, althans een kritische bespreking van het op Bat Ye’or geïnspireerde ‘Eurabië-denken’, dat ook in Nederland een virulent bestaan leidt (zie alleen al bovenstaande discussie). Ik volg zijn site al een tijd en ik wil deze zeker aanbevelen. Hier alvast het eerste deel: Welkom in Eurabië 1; voor een islamisering van de samenleving. Ik ben heel benieuwd wat er verder gaat komen, dus ik ga het zeker volgen. Het lijkt me buitengewoon relevante materie voor wat hierboven besproken is.

I.M. Dave Brubeck (1921-2012)

Gepost in Muziek door Floris Schreve op 6 december 2012

Hoewel ik een groot muziekliefhebber ben, van klassiek (oud t/m hedendaags), jazz (van de vroegste periode tot de meest recente ontwikkelingen) en verder vooral allerlei andere tradities, zoals Sinti/Roma, Klezhmer en sinds kort ook de klassieke muziek van het Midden Oosten, heb ik mij nog nooit aan een stukje over deze liefhebberij op mijn blog gewaagd. Muziek luister ik vooral en vaak probeer ik het ook voor mezelf te analyseren, maar om het schriftelijk uit te leggen is weer een hele andere tak van sport. Maar er is nu toch een dwingende aanleiding om me hieraan te wagen.

Vandaag (5 december 2012) kwam het nieuws dat de Amerikaanse jazzpianist en componist Dave Brubeck is overleden. Brubeck (geboren in 1921), was een belangrijke pionier in de jazzgeschiedenis. Los van dat ik zelf veel affiniteit met zijn muziek heb (zowel met zijn composities, maar ook met zijn eigenzinnige en hoekige stijl van improviseren, die overigens niet door iedereen werd gewaardeerd), was het ook een musicus die veel verschillende tradities en stijlen bij elkaar bracht, om ze te vertalen in een geheel eigen idioom. Van elementen uit de Turkse klassieke muziek, motieven uit de muziek van de oorspronkelijke bewoners van Amerika, tot en met de twaalftoonsreeksen (dodecafonie) van de  Tweede Weense School (vooral Arnold Schönberg, bij wie hij studeerde), al deze invloeden zijn terug te horen in zijn beoefening van de jazz.

David Warren Brubeck werd in 1921 geboren in Concord ( Californië). Zijn vader had daar een ranch en zijn moeder was piano-lerares. Beide gegevens, die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben, waren voor Brubecks ontwikkeling van groot belang. Vanaf zijn jeugd was hij vertrouwd met klassieke muziek. Zijn klassieke scholing zou altijd doorklinken in zijn jazzcomposities.

Een ander belangrijk kenmerk van Brubecks stijl was zijn gebruik van onconventionele maatsoorten en polyritmiek. Brubeck improviseerde vaak met verschillende maatsoorten door elkaar. Een bekend voorbeeld is Raggy Waltz, waarin de ritmesectie een 3/4 maat speelt (het walselement), terwijl Brubeck op onnavolgbare wijze er in 4/4 maat doorheen improviseert (het ‘rag-element’). Brubeck heeft zelf verklaard dat hij dit al deed toen hij nog een kind was. Op de ranch van zijn vader moest hij soms lange ritten te paard maken. Om de tijd te doen bedacht melodieën die dwars tegen het constante ritme van de beweging van het paard ingingen. Dit kenmerk zou karakteristiek worden voor zijn latere stijl van improviseren.

Aanvankelijk begon Brubeck met een studie diergeneeskunde, maar hij switchte al snel naar het conservatorium. Er was alleen een probleem. Ondanks zijn grote muzikaliteit leed hij aan een sterke slechtziendheid, zodat hij bijna geen noten kon lezen. Met de belofte dat hij nooit piano zou gaan doceren mocht hij uiteindelijk verder studeren. Zijn grote improvisatietalent was overigens zijn redding, waarmee hij deze handicap aanvankelijk kon compenseren.

Na zijn studie trad Brubeck in dienst van het Amerikaanse leger en werd hij gestationeerd in het derde leger van generaal Patton, dat in Europa tegen de Nazi-legers vocht. In het leger formeerde Brubeck zijn eerste band. Een niet onbelangrijk detail was dat zijn gezelschap bestond uit zowel zwarte als blanke musici, toen een unicum. Hoewel de jazz van oorsprong een zwarte muziekstijl was en dat deze stijl ook door blanke musici werd opgepikt, was het tot die tijd ondenkbaar dat zwarten en blanken samen speelden. De grote Big Bands van de jaren dertig waren of exclusief zwart (Duke Ellington, Count Basie), of exclusief blank (Benny Goodman Glenn Miller). Het werd, ook nog na de oorlog, als not done gezien dat zwarten en blanken samen speelden. Het waren pas de Bebop musici (Charlie Parker Dizzy Gillespie Thelonius Monk) van na de oorlog die op dit gebied een doorbraak forceerden, door maling te hebben aan de raciale segregatie, maar het zou nog tot de jaren zestig problematisch blijven, zoals Brubeck ook zou ervaren met zijn gemengde kwartet.

In het leger leerde Brubeck de altsaxofonist Paul Desmond kennen. Het zou het begin zijn van een lange en vruchtbare samenwerking. Het was Desmond die uiteindelijk de monsterhit Take Five componeerde.

Na de oorlog studeerde Brubeck in New York bij de Franse componist Darius Milhaud. De invloed van Milhaud zou groot zijn op Brubecks latere werk. Het was ook Milhaud die hem adviseerde om altijd open te staan voor verschillende muzikale tradities, van waar dan ook ter wereld, wat Milhaud overigens ook toepaste in zijn eigen composities. Deze les van Milhaud was beslissend voor Brubeck. Hoewel zijn stijl duidelijk herkenbaar is, zijn er veel verschillende invloeden te herkennen uit muzikale tradities van over de hele wereld. Een mooi voorbeeld hiervan is misschien zijn album Jazz Impressions of Eurasia (1958), beluister hier Calcutta Blues, maar ook zijn meer ‘klassiek’ polyfone Brandenburg Gate. Ook volgde Brubeck compositielessen bij de grote componist Arnold Schönberg (die voor de Nazi’s naar Amerika was uitgeweken). Schönbergs invloed zou beslissend zijn voor Brubecks bijdrage aan de jazz.

Het einde van de Tweede Wereldoorlog betekende het einde van de jazz zoals die in Amerika gedurende de jaren twintig en dertig bestaan had, maar vormde ook het begin van veel nieuwe ontwikkelingen. Bijna alle grote Bigbands uit het tijdperk van de ‘Swing’ verdwenen van het toneel. Alleen de twee bekendste, die van Duke Ellington en van Count Basie wisten te overleven. Jazz was niet langer meer de entertainmentmuziek; die positie werd ingenomen door de Rock & Roll. Ook kwam er een retro stijl op, de Dixielandjazz. Dit was een wat gladde imitatiestijl van de vroegere New Orleans jazz van de jaren twintig, van de grote pioniers als  Louis Armstrong , King Oliver Jelly Roll Morton en Kid Ory . Hoewel een aantal van deze musici, zoals Sidney Bechet, maar ook de grote Louis Armstrong zich enigszins aan dit nieuwe verschijnsel vergrepen, was het vooral een aangelegenheid van conservatieve blanke Amerikanen, die liever zagen dat hun jeugd dan maar op deze ‘negermuziek’ danste (hoewel de term Dixieland verwijst naar het zuiden van de Verenigde Staten, in de burgeroorlog waren het de ‘Yankees’ tegen de ‘Dixies’, de slavenhouders dus) dan op de Rock & Roll, met het bijbehorende zedeloze geheupwieg. De jazz van voor de oorlog was eigenlijk uitgehold en zou, om tot vernieuwing te kunnen komen, een andere weg inslaan.

Die nieuwe stijl liet niet lang op zich wachten. Al voor de Tweede Wereldoorlog waren verschillende musici, zoals de grote Duke Ellington, al op zoek gegaan naar nieuwe wegen en zeker zijn doorwrochte composities waren allang meer dan exclusieve dansmuziek. Verder dreef de jazz al vanaf Louis Armstrong vooral op het element improvisatie. Juist op dat laatste zou de nieuwe lichting musici voortborduren.

Uit Kenn Burns monumentale serie ‘A History of Jazz’ (PBS 2001)

De nieuwe richting die jazz zou inslaan werd stevig ingezet door de Bebopstijl, met als belangrijkste vertegenwoordigers altsaxofonist Charlie ‘Bird’ Parker, trompettist Dizzy Gillespie, pianist Thelonious Monk en drummer Max Roach. Jazz was niet langer meer een dansmuziek (de tempi van de Bebop zijn daar in regel veel te snel voor) en ook werd het gebruik van dissonanten, of zelfs atonaliteit, steeds gebruikelijker. Jazz was een avantgarde stijl geworden en werd vooral gewaardeerd door intellectuelen. Ook was de bebop een belangrijke uitingsvorm geworden van een nieuwe zelfbewuste en hoog opgeleide zwarte klasse. De jazz had was eerst de volksmuziek en vervolgens de dans en entertainmentmuziek ontstegen en was een volwaardige kunstvorm geworden. In die tijd werd de jazz ook steeds meer in Europa gewaardeerd, vooral in progressieve kring. Bebopjazz werd in Frankrijk sterk verbonden met de existentialisten rond Jean Paul Sartre.

Tegen deze achtergrond ontwikkelde ook Dave Brubeck zijn persoonlijke stijl, eerst met zijn octet (beluister hier zijn Fugue on Bop Themes uit 1950), daarna met zijn kwartet met Paul Desmond. Hoewel er zeker een sterke invloed van de Bebop hoorbaar is (zeker het spel van de vroege Desmond is sterk beïnvloed door Charlie Parker) was Brubecks stijl, ook in die tijd, wat ‘academischer’ (sommigen vonden ook cerebraler) dan de rauwe bebop. Maar de invloed van de bebop (vooral van Parker) is sterk hoorbaar op de plaat Live at Oberlin uit 1953 (zoals in The Way You Look Tonight, hier te beluisteren). Het interessante is dat je hier een mooie synthese hoort van bebop (hoge tempi, sterke chromatiek), in een bijna barokke polyfone structuur (oa het gebruik van fuga’s, beluister voor dat laatste aspect dan ook een vertolking van Leonard Bernsteins Somewhere, oorspronkelijk uit de Westside Story, door Brubeck tot een fuga bewerkt) 

Brubeck zou nooit echt tot de bebop behoren. Zijn muziek vond eigenlijk meer aansluiting met de Cooljazz, die uit de Bebop voortkwam. De jonge trompettist Miles Davis , die hiervoor met de grote bebop musici als Charlie Parker en Dizzy Gillespie had samengewerkt, was hierin de aanvankelijke trendsetter. Onder zijn leiding nam een ensemble van enkele grote namen als altsaxofonist Lee Koonitz, trompettist Art Farmer en bariton saxofonist  Gerry Mulligan (die later veel zou optreden met het Dave Brubeck Quartet, waarin hij voor een tijd ook Paul Desmond zou vervangen) het baanbrekende album ‘Birth of the Cool’ op. ‘Cool’ zou voor een tijd de nieuwe trend in de jazz worden; minimalistisch, ingehouden, maar met behoud van alle verworvenheden van de bebop. Miles Davis voerde met dit gezelschap twee composities van Brubeck uit: In your own Sweet Way, dat in de vertolking van Miles Davis veel bekender is geworden dan Brubecks eigen uitvoering (zie voor een vertolking door Brubeck het eerste filmpje hieronder) en Brubecks revolutionaire compositie The Duke (voluit ‘A tribute to Duke Ellington en Arnold Schönberg’). Het bijzondere aan The Duke is, hoewel de melodie het ogenschijnlijk makkelijk in het gehoor ligt, dat het gecomponeerd naar het schema van een twaalftoonsreeks. Hoewel het nummer bijna ‘makkelijk’ klinkt, zal iedereen die het probeert mee te zingen, meteen ervaren dat het tonaal zo complex is dat het heel moeilijk is om de verschillende intervallen zuiver in te zetten. Dat is het geniale van deze compositie. De melodie klinkt volkomen natuurlijk, maar bij nader inzien is het een Schönbergiaans complex werk. Hier is de bekendste uitvoering van Brubeck te horen en ook de vertolking door Miles Davis. The Duke was ook het eerste jazznummer ooit dat in een twaalftoonsreeks gecomponeerd is. Brubecks latere twaalftonige/dodecafonische werken als The Truth has Fallen, of zijn recente The Salmon Strikes klinken veel meer als complexe twaalftoons composities. Bij The Duke is dat op het eerste gehoor niet het geval, maar iedereen die de melodie probeert te volgen merkt hoe complex dit nummer in elkaar zit.

In 1959 kwam de grote doorbraak. Brubeck schreef met zijn nieuwe kwartet, bestaande uit Paul Desmond (altsax), Eugene Wright (contrabas) en Joe Morello (drums), jazzgeschiedenis. Met het album Time Out werd het Dave Brubeck Quartet in een keer wereldberoemd. Erkenning kwam ook bij het grote publiek en vooral van collega-musici. Veel critici uit die tijd vonden het nieuwe werk te bedacht en te academisch. Maar Time Out was de plaat waarop een paar van Brubecks bekendste nummers ten gehore werden gebracht, die dat ook zouden blijven. Het was ook de plaat waarop Brubeck debuteerde in de voor hem zo typerende stijl van onregelmatige maatsoorten, zoals die daarvoor nog nooit in de jazz waren toegepast. De drie bekendste nummers zijn Three to get Raedy and Four to Go (14/8), Blue Rondo á la Turk (9/8) en Take Five (5/4)

Allereerst Three to Get Ready. In het eerste inleidende chorus speelt Brubeck in een soort 3/8 maat met om de maat een pausa. Bij het tweede chorus wordt deze pausa vervangen door twee 4/8 maten. De uiteindelijke maatsoort waarin het thema en de improvisaties worden uitgevoerd zijn achtereenvolgens 3/8-3/8-4/8-4/8, in totaal dus een 14/8 maat.

Blue Rondo a la Turk kent een thema dat bestaat uit een 9/8 maat, die op verschillende manieren wordt gedifferentieerd. Het schema ziet er als volgt uit: 2/8-2/8-2/8-3/8, 2/8-2/8-2/8-3/8, 2/8-2/8-2/8-3/8, 3/8-3/8-3/8. Het middengedeelte, waarin gesoleerd wordt, staat in groot contrast met het thema, het gaat hier om een ongecompliceerde swingende blues (4/4), die dan later weer wordt vervangen door het 9/8 motief. Brubeck werd geïnspireerd door een Turkse musicus die hij op de Galatabrug in Istanbul had horen spelen (zie oa bovenstaand interview). Later zou hij vertellen dat het een eye-opener voor hem was hoe natuurlijk er in deze maat werd gespeeld en er bovendien in werd geïmproviseerd. Zie hierboven een filmpje nav de studio-versie, daaronder nog een andere sessie voor televiesie en beluister zeker ook de twaalf minuten durende live uitvoering uit het Carnegie Hall concert uit 1963 (een van de mooiste en vooral meest swingende uitvoeringen ooit)

Take Five (overigens een compositie van altsaxofonist Paul Desmond) bestaat uit een constante 5/4 maat, opgesplitst in 3/4-2/4, 3/4-2/4, enz. Take Five werd het bekendste nummer van het kwartet en de single zou zelfs de best verkochte jazzsingle ooit worden. Hierboven een live-versie uit 1966, daaronder de bekende single-versie (studio-opname)

Zie verder deze interessante BBC documentaire 1959 the year that changed the jazz. 1959 was inderdaad een bijzonder jaar in de jazzgeschiedenis. Naast Time Out van Dave Brubeck verscheen ook het beroemde Kind of Blue van Miles DavisJohn Coltrane  ea. Deze plaat werd net zo beroemd als Time Out. Iets minder bekend, maar net zo goed mijlpalen in de jazzgeschiedenis waren  Mingus A-hum van bassist  Charlie Mingus en The Shape of Jazz to come van Ornette Coleman. Deze documentaire vertelt uitgebreid de achtergrondgeschiedenis van deze vier belangrijke platen en laat verschillende musici uitgebreid aan het woord, waaronder Dave Brubeck.

Na Time Out volgde een hele serie platen waarin Brubeck met zijn kwartet experimenteerde met ongebruikelijke maatsoorten. Zijn meest complexe nummers van dit genre zijn wellicht Eleven-Four (hier in de live uitvoering te horen tijdens zijn beroemde concert in Carnegie Hall in 1963) en zijn later met Gerry Mulligan uitgevoerde Indian Song (net als Blue Rondo in 9/8 maar dan opgesplitst in 5/8-4/8). Zijn bekendste nummers uit deze reeks zijn na Take Five en Blue Rondo, vooral het eerder genoemde Raggy Waltz (3/4 en 4/4 door elkaar heen, beluister hier de uitvoering van het Carnegie Hall concert en hier de studio-opname van de lp Time Further Out) en vooral zijn beroemde ‘klapnummer’ Unsquare Dance (7/8, opgedeeld in 2/8-2/8-3/8). Hoewel dat nog wel is mee te klappen is dit een ‘Square dance’ waar je van gaat struikelen, vandaar de titel ‘Unsquare Dance’ (zie hieronder overigens ook nog een aardige ballet uitvoering van het stuk). Veel minder bekend, maar zeker niet minder mooi is Brubecks lyrische Forty Days, net als Take Five in een 5/4 maat geschreven (al kan het ook een 10/8 zijn, maar ik heb de bladmuziek niet en moet op mijn gehoor afgaan). Zie hier een mooie live-uitvoering uit 1966 in Duitsland. In dat zelfde concert laat Brubeck ook zien dat hij zich door muziekstijlen uit alle delen van de wereld liet inspireren. Zie ook het lyrische Koto Song (oorspronkelijk van zijn album Jazz Impressions from Japan), waarin hij zich heeft laten inspireren door een traditionele Japanse melodie. In dit soort nummers komt vooral de lyrische klank van Paul Desmonds altsaxofoon mooi tot zijn recht.

Fenomenaal aan zijn kwartet was overigens de virtuositeit van zijn drummer Joe Morello, wellicht een van de grootste drummers uit de jazzgeschiedenis (zie hier een interessante les van hem waarin hij uitgebreid ingaat op de door hem ingezette technieken). Naast zijn improvisaties op Brubecks onconventionele maatsoorten was hij in staat om een drumstel te laten zingen, te laten fluisteren en soms te laten bulderen. Wie een aantal van zijn solo’s beluistert kan denk ik wel beamen dat er zoiets als ‘melodieus drummen’ bestaat. Morello’s beroemdste solo is overigens het vuurwerk dat hij liet horen in het nummer Castilian Drums gedurende het Carnegie Hall Concert in 1963 (derde van de drie onderstaande filmpjes- alleen audio)

Tot slot, wat betreft het ‘klassieke Dave Brubeck Quartet’ dan, een optreden in de Jazz Casual Show, uit 1961. Aan presentator Ralph J. Glason licht Dave Brubeck een aantal van zijn nummer stoe, van Time Out en van een paar latere platen. Uitvoeringen van Take Five, It’s a Raggy Waltz, Castillian Blues, Waltz Limp en Blue Rondo a la Turk. Na 30 minuten nog een registratie van een concert van Paul Desmond van na zijn tijd bij het Dave Brubeck Quartet. En daarna een nog mij onbekend gezelschap (totaal ongeveer 50 min. ) Gedurende zijn hele loopbaan heeft Brubeck ook ‘klassieke’ werken gecomponeerd, althans werken met een andere bezetting dan een jazzcombo. Luister hier naar zijn compositie Elementals, voor symfonie-orkest en zijn eigen kwartet (deel 1 en deel 2

Eind jaren zestig sloegen de verschillende musici van het kwartet steeds vaker een eigen richting in. Brubeck speelde vanaf die tijd in wisselende samenstellingen. Zijn vaste bassist werd Jack Six en zijn vaste drummer Alan Dawson. Dawson was net zo’n virtuoos als Joe Morello, zoals duidelijk blijkt uit dit optreden met het Dave Brubeck Quintet met zowel Paul Desmond als Gerry Mulligan. Het gaat hier om een 16 minuten lange uitvoering van de Take Five met een drumsolo van Dawson van acht minuten. Dawson is naast zijn optredens met het Dave Brubeck trio/kwartet/kwintet verder nauwelijks bekend geworden als uitvoerend musicus (hier trouwens een mooie solo in een sessie  met de beroemde saxofonist  Sonny Rollins ). Wel was hij docent aan de prestigieuze Juliard School of Music, zo’n beetje het belangrijkste conservatorium van de Verenigde Staten en de leraar van oa een van de grootste drummers uit een latere generatie Jack DeJohnette .

In deze periode vormde Brubeck ook regelmatig een kwartet met Gerry Mulligan. Het mooiste album uit die tijd is ‘Dave Brubeck Trio & Gerry Mulligan live at the Berlin Philharmonie’ (uitgebracht als dubbel cd). Beluister hier de korte en ingetogen, maar wonderschone balad  ‘Lullaby de Mexico’ . Of het lang uitgesponnen ‘The Sermon on the Mount’. In beide uitvoeringen wordt de ritmesectie gevormd door Jack Six op bas en Alan Dawson op drums.

Wie Brubeck echt als een duivelskunstenaar aan het werk wil zien, zie deze vertolking van Some day my Prince will come, oorspronkelijk een walsje uit een Disney-film. Dit nummer, dat overigens ook op een prachtige manier is vertolkt door Miles Davis, zij het op een hele andere manier (hier te beluisteren), wordt door Brubeck stevig onder handen genomen. Maattechnisch volledig vertimmerd is misschien een betere omschrijving. Wat betreft zijn vermogen om tegen de maat in te spelen zien we hier Brubeck op zijn best. Verder met Pauld Desmond op altsax, Jack Six op bas en Alan Dawson op drums. Duidelijk is te zien dat de ritme-sectie hard moet werken om de oorspronkelijke puls vast te houden, waar Brubeck als een soort ijsbreker doorheen gaat.

Paul Desmond overleed in 1977. Daarmee was Brubecks belangrijkste medespeler weggevallen. Maar ook na die tijd wist Brubeck zich in verschillende formaties goed te handhaven. Hij ging ook steeds vaker met zijn zoons optreden, alle vier musicus. Zijn oudste zoon Darius Brubeck is pianist en all round toetsenist (syntheseizer, keyboards), Chris Brubeck speelt electrische bas en trombone, Dan Brubeck is drummer en zijn jongste zoon Matthew (die pas veel later in beeld is gekomen) oorspronkelijk klassiek cellist, maar weet zich ook in de jazz te redden. Zijn zoons hebben verder in de loop der jaren verschillende bands gehad, die regelmatig ook met de inmiddels al grijzende Dave Brubeck hebben opgetreden. Er zijn verschillende interessante registraties van Dave Brubeck met zijn zoons en andere musici, waarin Brubeck zich op het pad van de fusion/jazz rock heeft begeven. Zijn bekendste plaat uit die tijd is de registratie van een kwartet met drie van zijn zoons op het jazzfestival van Montreux uit 1977 (cd grote aanrader).  Luister hier naar de vertolkingen van It’s a Raggy Waltz, Brandenburg Gate en It could happen to you. De geluidskwaliteit is overigens niet optimaal (veel minder dan die van de cd), maar het geeft wel een indruk. Beluister zeker ook een latere opname die Brubeck maakte met zijn zoons Chris (bas) en Dan (drums). Het gaat hier om Jazzanians, een nummer van hun plaat Trio Brubeck uit 1993. Voor deze compositie liet Brubeck zich inspireren door Zuid Afrikaanse ritmes. Met een uitgebreide drumsolo van Dan Brubeck.

Ook trad hij op met de saxofonisten  Jerry Bergonzi, Michael Pedicin (beluister hier een lange live-opname uit 1982 (31 min.), met vertolkingen van Some Day my Prince will come, St. Louis Blues en Take Five) en  Bobby Militello  (de laatste zou overigens vanaf eind jaren negentig de vaste blazer worden in Brubecks laatste kwartet). Maar vanaf begin jaren tachtig formeerde Brubeck een nieuw kwartet dat tot in de jaren negentig zou standhouden en waarmee hij een aantal memorabele concerten gaf. Dit kwartet bestond uit Bill Smith op klarinet (een lid van het vroegere Dave Brubeck octet van begin jaren vijftig en met wie Brubeck in de tussenliggende jaren is blijven optreden, beluister hier ‘Baggin’ the Dragon’ een van de plaat ‘Near Myth’), bassist Jack Six, soms vervangen door Brubecks zoon Chris op electrische bas en de nieuwe vaste drummer Randy Jones, die in alle opzichten een waardige opvolger zou blijken van de twee eigenlijk niet te evenaren grootheden Joe Morello en Alan Dawson. Beluister hier een live- opname met dit kwartet (Montreux, 1982) van het ritmisch zeer complexe ‘Benjamin Christopher David Brubeck’ (de titel verwijst naar de naam van zijn eerste kleinzoon, maar de lettergrepen vormen ook het ritme van dit nummer. De filmpjes hieronder zijn vertolkingen van Brubecks 7/8 nummer ‘Unsquare Dance’ en de klassieker ‘Take the A Train’, een compositie van Duke Ellington/Billy Strayhorn (Jazzfest Wiesen, 1988). Let ook op het spel van klarinettist Bill Smith; in zijn improvisaties experimenteert hij regelmatig met electronische effecten, zoals een echo-microfoon en electronische octavering.

Het mooiste geregistreerde concert met dit kwartet is de plaat Moscow Night. Bij een topontmoeting tussen Michail Gorbatschov en Ronald Reagan (een van hun eerste historische ontwapeningsakkoorden en, zoals kort daarna zou blijken, het begin van de val van de Berlijnse muur en het verdwijnen van het oostblok) werd Dave Brubeck uitgenodigd om met zijn kwartet een concert in het Bolstoj theater in Moskou te geven. Aan dat concert danken we een paar van de mooiste opnames van Three to get ready, Unsquare Dance en een adembenemende Take Five, waarin Brubeck in zijn solo het belangrijkste motief laat horen van de vijfde symfonie van Shostakovich (vooral na 3.50 minuten, vergelijk met het inzettende motief van Brubecks solo). De grote componist Dmitri Shostakovich, die tijdens zijn leven voortdurend een soort kat en muis spel speelde met Stalin en zijn opvolgers (ze konden er maar niet de vinger op leggen of hij nu wel of niet loyaal was aan de revolutie, maar hij was in het buitenland te beroemd om hem echt aan te pakken), werd uiteindelijk in Rusland zwaar verguisd. Het is indrukwekkend om te horen hoe Brubeck deze melodie op een natuurlijke manier integreert in zijn improvisatie op de Take Five. Bekijk overigens hier een sessie die Brubeck toen had met studenten in de aula van het conservatorium van Moskou (met een spontaan optreden samen met een jonge Russische violist.  Update: Met het overlijden van Dave Brubeck is net de registratie het grootste deel van het concert op youtube gezet.  Zie film hieronder. Naast de grote klassiekers Take Five en Blue Rondo en de standard St. Louis Blues (een oude jazzklassieker van W.C .Handy) bevat dit concert ook een mooie vertolking van Koto Song en vooral een spectaculaire uitvoering van het ingenieuze stuk Tritonis, zowel ritmisch als tonaal een buitengewoon complex nummer. Overigens staan er op de cd Moscow Night een paar nummers die hier niet worden vertoond en vice versa.  

“Moscow Night” (1987) 1. St. Louis Blues, 2. Tritonis, 3. Koto Song, 4.Take Five, 5. Blue Rondo a La Turk. Dave Brubeck- piano, Bill Smith – clarinet, Chris Brubeck- bass, Randy Jones- Drums.

Dave Brubeck Quartet. May 15, 1995, Konzerthaus Vienna 1 Variations on Johann Sebastian Bach (Brandenburg Gate), 2 Cinkuje, 3 Take five, 4 These foolish things (no clarinet). Bill Smith (clarinet), Dave Brubeck (piano), Jack Six (bass), Randy Jones (drums), special guest on track 04, Gerry Mulligan (baritone saxophone)

Het is ook dit kwartet dat ik drie keer live heb mogen horen (al speelde in plaats van Chris Brubeck de contrabassist Jack Six mee, zie de filmpjes hierboven van het concert met Gerry Mulligan en Paul Desmond). In 1990 trad het Dave Brubeck Quartet op in het muziekcentrum in Enschede. Ikzelf ben in die regio opgegroeid en heb dit concert in mijn middelbare schooltijd bijgewoond. Een paar jaar later trad het kwartet op in Maastricht op het jazzfestival daar. Ik heb dat concert ook bijgewoond (dat overigens veel beter was dan toen in Enschede). Naast het kwartet speelde ook Brubecks jongste zoon, de cellist Matt Brubeck mee. Een paar jaar later, toen ik inmiddels in Leiden studeerde, heb ik Brubeck nog een keer in Maastricht gehoord. Deze keer was hij er met zijn kwartet en met zoons en bands. Het was een hele avond met verschillende optredens van de familie Brubeck. Hoewel dat concert groots was opgezet vond ik het toen minder. Inmiddels was Dave Brubeck zelf ook al zwaar op leeftijd en je merkte dat hij niet altijd in vorm was. Alhoewel hij een paar jaar later zichzelf nog een herpakte met een nieuw kwartet, zijn laatste. Dit was met Bobby Militello op altsax (en soms op dwarsfluit, zoals in deze vertolking van  Quiet as the Moon uit 1991), Randy Jones op drums. De bassisten wisselden in de loop der jaren. Eerst was het Jack Six (nog uit de tijd met Gerry Mulligan), daarna de jonge Britse bassist Alec Dankworth en tenslotte een generatiegenoot, de Amerikaanse bassist Michael Moore, die tot op het laatst bij het kwartet zou blijven.

Met zijn laatste kwartet heeft Brubeck nog een aantal bijzondere dingen gedaan. Brubeck componeerde zelfs nog een aantal nieuwe nummers, waaruit blijkt dat hij nog heel goed in staat was om zich te vernieuwen. Naar mijn mening is zijn beste compositie uit die tijd The Crossing (al zijn zijn meer atonale nummers London Flat/London Sharp en het in twaalftoonreeks geschreven The Salmon Strikes, ook indrukwekkende stukken). Maar met zijn laatste concert in Nederland (in het Zuiderzeetheater in Hoorn, wat ik helaas niet heb bijgewoond, maar waarvan ik een niet helemaal legale opname heb) maakte hij vooral veel indruk met The Crossing. De anders vrij zure Volkskrant was lyrisch. Lees hier de recensie. En terecht, als je de opnames hoort, met ook prachtige vertolkingen van Broadway Bossa Nova (hieronder overigens een andere live registratie uit dat zelfde jaar) en vooral een uitbundige freejazz versie van Open the Gates, met een lange daverende drumsolo van Randy Jones.

Zie hieronder overigens een vergelijkbare uitvoering van the Crossing uit datzelfde jaar. Ook uit het concert in Burghausen in Duitsland. Deze versie is van hetzelfde niveau als zijn uitvoering in Hoorn. Daaronder twee langere fragmenten van dit concert, waarondern zijn aloude klapnummer Unsquare Dance.

Dave Brubeck is tot op hoge leeftijd blijven optreden en ook blijven componeren. Ook heeft hij altijd open gestaan voor de nieuwste ontwikkelingen in de jazz. Zo trad hij nog op met de grote namen van latere generaties en de generatie van nu, zoals Roy Hargrove en Joshua Redman (zie hier een korte registratie van een optreden met zowel Roy Hargrove als Joshua Redman, met op bas Christian McBride en op drums Dan Brubeck), maar ook  Michael Brecker en Wynton Marsalis (beluister hier). En met de vocalist Al Jarreau (zie hieronder hun vertolking van Take Five, met Jack Six op bas en Randy Jones op drums). Zie daaronder een optreden in de PBS serie ‘Legends of Jazz’, van Ramsey Lewis, met collega-pianist Billy Taylor (vooral bekend geworden als docent, maar ook een begeleider van grootheden als bijv. Gerry Mulligan). Zij worden begeleid door de ritme-sectie van het Dave Brubeck Quartet, Michael Moore op bas en Randy Jones op drums. In 2009 ontving Dave Brubeck van het Kennedy Center een hoge onderscheiding uit handen van president Obama, waarbij verschillende jongere musici, inclusief zijn vier zoons optraden (zie hieronder de registratie).

Ik wil dit stuk afsluiten met een lange en zelfs tweedelige registratie van Blue Rondo a la Turk, op een openluchtconcert in Parijs. Dit is opgenomen door iemand in het publiek met een mobiele telefoon, dus zowel de beeld als de geluidskwaliteit zijn matig. Maar deze uitvoering is zo goed, dat ik hem niet wil laten liggen. En helemaal tenslotte een lange live uitvoering van de Take Five uit 2007, met uitgebreide solo’s.

Dave Brubeck rust in vrede en dank voor je geweldige muziek, je weergaloze spel en je indrukwekkende bijdrage aan de muziekgeschiedenis.

Floris Schreve

Official site:
http://www.davebrubeck.com

lees verder een boeiend interview met Dave Brubeck uit 2010 door Marc Myers, over zijn jeugd, zijn tijd op het conservatorium, zijn lessen van Darius Milhaud, over het octet en het begin van het kwartet, over het componeren van ‘The Duke’ en zijn tournee door Oost Europa en Azië (die hem vooral veel muzikale inspiratie gaf), t/m het ontstaan van Time Out. Hier  in vier delen te raadplegen

Hans Mantel, contra-bassist en jazz-expert/presentator bij de publieke omroep bij het overlijden van Dave Brubeck:  
http://nos.nl/audio/448238-hoe-kun-je-geen-liefhebber-van-brubeck-zijn.html
Zie hier ook de reactie van de Nederlandse saxofonist Benjamin Herman:
http://nos.nl/audio/448383-dave-brubeck-verrijkte-de-jazz.html

‘Bonusmateriaal’

Een volledig concert van het laatste DBQ in Duitsland (Festspielhaus, Baden Baden) uit 2004 (ong. 60 minuten) Dave Brubeck (Piano) Bobby Militello (Sax, flute) Michael Moore (Bass) Randy Jones (Drums) 01. Pennies From Heaven 02. Out Of The Way 03. Theme For June 04. London Flat, London Sharp 05. Elegy 06. Take Five 07. Lullaby

De pompeuze miezerigheid van Leon de Winter

Eigenlijk heb ik weinig toe te voegen aan het ruwe materiaal. Het spreekt al genoeg voor zichzelf.

Een tijdje terug nam schrijver/columnist Leon de Winter het op voor zijn vriend, de in opspraak geraakte en inmiddels geschorste advocaat Bram Moszkowicz. De Winter viel vooral over een zinsnede van de Deken van de Orde van Advocaten. Deze zou gezegd hebben dat Bram Moszkowicz ‘niet intrinsiek slecht’ is. De Winter reageerde in de Volkskrant met het onderstaande artikel:


http://www.volkskrant.nl/vk/nl/3184/opinie/article/detail/3321713/2012/09/25/Leon-de-Winter-De-deken-heeft-Bram-Moszkowicz-retorisch-verkracht.dhtml

Leon de Winter: ‘De deken heeft Bram Moszkowicz retorisch verkracht’

Door: OPINIE – Leon de Winter −25/09/12, 07:06
© anp. Bram Moszkowicz

opinieBram Moszkowicz is niet ‘intrinsiek slecht’, zei de deken van de Orde van Advocaten. Moskowicz senior zei hetzelfde over oorlogsmisdadigers. Leon de Winter vraagt zich af of de deken in de Moszkowicz-zaak de uitzondering op de regel is.

  • Bram is beroemd, rijdt in mooie auto’s, heeft een mooie en slimme vriendin en neemt het er soms van – dus wordt hij benijd en, als het kan, verguisd.

  • Vindt Kemper Bram ook een slecht mens – zoiets als een oorlogsmisdadiger? En wil hij hem toch een beetje als mens zien?

Bram Moszkowicz is een hartelijke en trouwe vriend. Ik kan dus niet objectief zijn, ook al probeer ik dat, en afstandelijk kijken naar wat hem nu overkomt. Ik leef met hem mee – dat doe je met vrienden.

Bram ligt onder vuur van de deken van de Orde van Advocaten, en dus van een groot deel van de media. Veel mensen vinden het leuk wanneer ‘the mighty fall’. Bram is beroemd, rijdt in mooie auto’s, heeft een mooie en slimme vriendin en neemt het er soms van – dus wordt hij benijd en, als het kan, verguisd.

Die dingen die ik over Bram lees, doen me pijn. Ik kan de waarde van de opmerkingen van de deken, Germ Kemper, niet op waarde schatten. Ik weet alleen dat ik de man die ik ken, en die mijn vriend is, daarin niet herken.

Uitzonderlijk talent
Bram is een briljante advocaat. Hij heeft niet alle zaken kunnen winnen die hij heeft gedaan, maar wie hem ooit heeft zien pleiten, weet dat hij een uitzonderlijk talent is.

Kemper beweerde dat Bram niet geschikt was voor het vak van advocaat – dat was lachwekkend. Kemper zei meer gekke dingen. Daaruit proefde je de persoonlijke afkeer die hij van Bram heeft.

Naast de belastende feiten viel met name de toon op waarmee Kemper zich tegenover het Tuchtcollege meende te moeten uiten. Kemper wekte de indruk een heilige opdracht uit te voeren. Hij overdreef, beledigde, ging met zichzelf op de loop. Wat bij mij het langst bleef hangen, was Kempers opmerking dat Bram ‘niet intrinsiek slecht’ was en dat Kemper daarom slechts een half jaar in plaats van een jaar schorsing, of nog erger, eiste.

Daarover geen misverstand: een half jaar schorsing is een soort doodstraf voor een advocaat. Een half jaar of een heel jaar: het maakt de onderneming van Bram kapot. Kempers doet net of hij toch een beetje mededogen heeft, maar dat is bedrog. Hij weet wat hij doet. Brams zaak moet dicht. Bram moet eraan.

Gekke woorden
De eis van doodstraf overdekte Kemper op een gegeven moment met een laagje retorisch mededogen: Bram was ‘niet intrinsiek slecht’, zei hij. Gekke woorden in dit verband. Vreemd.

Dat ‘niet intrinsiek slecht’ bleef hangen. Waar kwamen die woorden vandaan? Waarom moest Kemper die kwijt? Was dat, ondanks de veroordelingen aan het adres van Bram, toch een aardige opmerking? Curieus om die woorden in zo’n aanklacht tegen te komen. Wat doen die woorden daar? Niet alleen bij mij vielen ze op. Ze werden overal geciteerd.

In Brams boek Liever rechtop sterven dan op je knieën leven schrijft Bram over zijn vader: ‘Zo werkte hij hard aan zichzelf, om uiteindelijk de man te worden die ondanks alles de moed en de wijsheid bezat om ons te leren ‘dat intrinsiek slechte mensen niet bestaan’.’

Zwartste zielen
Daar komt die opmerking dus vandaan. Het staat geloof ik nog twee keer in Brams boek. Brams vader gebruikte die woorden om zelfs bij de zwartste zielen nog enig licht te zien, om niet verbitterd te raken en desnoods zichzelf te misleiden door te denken dat ook bij de ergste moordenaar nog iets menselijks te vinden valt – met de moed der wanhoop projecteerde hij iets humaans op beestachtige types.

Kempers opmerking was dus helemaal niet zo aardig. In Brams boek slaat die opmerking op slechterikken die, door iemand die de hel heeft doorstaan (Brams vader), toch tot mens worden bestempeld. Het feit dat Kemper ze uit hun oorlogscontext haalde, is een gotspe. Hij is niet Brams vader, die wel het recht had om zoiets te zeggen. Kempers woorden vielen op omdat ze een karakteroordeel inhielden over iemand wiens daden als advocaat door Kemper ter discussie werden gesteld. Wel of niet ‘intrinsiek slecht’ heeft niets met Kempers aanklacht te maken. Hij is geen psychiater. Maar hij kon het niet laten ze te gebruiken. Waarom niet?

Oorlogsmisdadiger
Ik kan een paar vage verklaringen bedenken voor het feit dat Kemper, de deken van de Orde van Advocaten, Brams vader wilde citeren. Maar helemaal kom ik er niet achter. Vindt Kemper Bram ook een slecht mens – zoiets als een oorlogsmisdadiger? En wil hij hem toch een beetje als mens zien? Maar met zijn eisen wil Kemper Bram monddood en brodeloos maken – zoveel mens wil hij kennelijk niet in Bram zien.

Ik zag in Kemper een cynische man die obsessioneel achter Bram is aangegaan. Dat ‘niet intrinsiek slecht’ ervaar ik als een ontwijding van de heilige woorden van Brams vader. Kemper wist dat alleen Bram die opmerking zou begrijpen; doordat Kemper ze gebruikte, nam hij ze van Brams vader af en besmeurde hij ze door ze tegen diens zoon in te zetten. Het was een retorische verkrachting. ‘Nodeloos grievend’, heet dat in advocatenjargon.

‘Intrinsiek slechte mensen bestaan niet’, citeert Bram zijn vader in zijn boek. Ik vraag me af of Kemper de uitzondering op die regel is.

Leon de Winter is schrijver.

Tot zover de Winter in de Volkskrant. Persoonlijk denk ik dat De Winter spijkers op laag water zoekt. Bovendien heeft vooralsnog de aanklagende partij in deze kwestie gelijk gekregen. Ik wil me verder niet over de affaire Moszkowicz uitspreken en er komt wellicht nog een hoger beroep, dus misschien dat de uiteindelijke afloop een hele andere is.

Het gaat me wel om de overgevoeligheid van de Winter, of zijn schijnbare vermogen om achter de komma ‘Het Kwaad’ te deconstrueren. Maar helaas, Leon de Winter is geen Hannah Arendt, die in zowel haar verslaggeving van het Eichmannproces ( de notie van ‘De banaliteit van het Kwaad’, hoe toepasselijk, juist in deze context), als met haar ‘Het Zionisme bij nader inzien’ zich een van de belangrijkste denkers van de twintigste eeuw heeft getoond. De Winter is  een miezerige sjoemelaar, die grossiert in opportunistische  gelegenheidsargumenten. Zie het onderstaande verslag van de website van Powned:


http://www.powned.tv/nieuws/buitenland/2012/11/leon_de_winter_steriliseer_pal.html

22 november 2012-16:15

Leon de Winter: ‘steriliseer Palestijnse volk’

 

#PillarOfCloud

Grap van De Winter valt goed bij joodse solidariteitsbijeenkomst.

Leon de Winter heeft voorgesteld anticonceptiemiddelen in de watervoorziening van de Gazastrook te kieperen om het ongebreidelde voortplanten aldaar een halt toe te roepen.

De schrijver en Badr-apologeet deed zijn voorstel tot gedwongen eugenica tijdens een solidariteitsbijeenkomst van Nederlandse joden in Amsterdam gisteravond.

De toespraak van De Winter werd vanochtend uitgezonden op Radio 1.

De Winter pareerde in zijn betoog beschuldigingen van genocide aan Israelisch adres met het argument dat de bevolking van de Gazastrook enkel is toegenomen de laatste jaren.

“Misschien moeten we in het geheim een anticonceptiemiddel aan het drinkwater van Gaza toevoegen,” stelde De Winter daarop voor.

De opmerking werd met schaterlachen begroet door het publiek. Onder de bezoekers van de avond bevonden zich de Israëlische ambassadeur in Nederland, Hiam Devon, en de goedlachse SGP-lijsttrekker Kees van der Staaij.

De Winter staat bekend om zijn grote gevoel voor humor en zelfspot. Zo eiste hij in 1992 10.000 gulden schadevergoeding van oudmediaal trolforum Propria Cures, nadat het een fotosoep had gepubliceerd van De Winter in een concentratiekamp.

( Hier is het audio-fragment te beluisteren van de toespraak van De Winter, waarin hij deze uitspraak doet, waarbij opvalt dat de Winter vooral zelf erg moet lachen om zijn ‘geslaagde grap’)

Tot zover dit bericht van de site van Powned. Tja, wat moet je hiervan zeggen? Ik ben niet zo dol op het maken van vergelijkingen met de periode 40-45, maar voor Leon de Winter, die hier zelf absoluut niet vies van is, wil ik best een uitzondering maken. Stel je een bijeenkomst met  SSers voor, waarbij een spreker roept ‘we moeten iets in het drinkwater van het Getto van Warschau doen, zodat de Joden daar zich niet meer kunnen voortplanten’. En de zaal met bruinhemden brult het uit van het lachen. Ik ben persoonlijk niet zo’n fan van de schrijver Leon de Winter, maar ik twijfel er niet aan dat hij verbeeldingskracht genoeg heeft om zich dit tafereel te kunnen voorstellen.

De vergelijking met het Getto van Warschau is overigens al vaker gemaakt, bijvoorbeeld door Amos Oz, Israëls beroemdste schrijver en bovendien wel een schepper van grote literatuur.

Over de kwestie of Leon de Winter een ‘intrinsiek slecht mens ‘ is wil ik me niet uitspreken. Maar hij heeft de schijn wel tegen zich, met zulke dijenkletsers. Veel meer dan de Deken van Advocaten, die tot nu toe het juridische gelijk aan zijn kant heeft.

Floris Schreve

Lees verder het zinvolle commentaar van Abu Pessoptimist (Maarten Jan Hijmans): ‘Leon de Winters racisme en joodse organisaties die zich eens op het hoofd zouden moeten krabben’

Zie ook de gastcolumn van Jaap Hamburger, voorzitter van Een Ander Joods Geluid op Abu Pessoptimist: De Winter: de genialiteit van de eenvoud  

Leon de Winter verdedigt zich op zijn website Het Vrije Westen (niet overtuigend, wat mij betreft). Zie ook deze uitzending van ‘De Kunst van het maken’ (23 november 2012), waarin de Winter zich tegenover Claudia de Brey tracht vrij te pleiten (wederom niet erg overtuigend).

 

Kunst, Satire en de strijd om vrijheid in Syrië

الفن والنضال من أجل الحرية في سوريا

Tentoonstelling en manifestatie Culture in Defiance; continuing traditions of satire, art and the struggle for freedom in Syria

Pins Claus Fonds voor Cultuur en Ontwikkeling. Herengracht 603, www.princeclausfund.org, 4 juni-23 november, 2010

Prince Claus Fund Gallery
4 June to 23 November 2012
10 am – 5 pm, Monday through Friday

Free admission

‘Looking at the drawings you will understand the hopes and fears of the Syrian people under the Ba’ath regime’, according to Syrian cartoonist Ali Ferzat about his work in the exhibition on Syria’s creative dissent at the Prince Claus Fund gallery.

The 2002 Prince Claus Laureate opened ‘Culture in Defiance’ with an emotional speech (look back underneath) about the current situation in his home-country Syria. Which he left in 2011 after he recuperated from being attacked and having his hands broken. His family felt his life was in danger and urged him to flee. Ferzat joined the thousands of other Syrians who could no longer remain in their country due to the violence of the regime.

The exhibition Culture in Defiance: Continuing Traditions of Satire, Art and the Struggle for Freedom in Syria reveals an incredible outburst of creative dissent under this extreme duress. Some like Ferzat, started working during the long years of Hafez Assad; others like Masasit Mati, the group who produces the cyber puppet plays Top Goon: Diaries of a Little Dictator, only last year. The exhibition features a wealth of short films, animations, popular songs, graffiti, art, posters, and wise words from inspirational Syrians.

The exhibition is an initiative of the Prince Claus Fund and curated by Malu Halasa, Aram Tahhan, Leen Zyiad en Donatella Della Ratta.

Culture in defiance
 


http://www.princeclausfund.org/files/docs/2012%20Culture%20in%20Defiance.pdf

Hij is de beroemdste cartoonist in de Arabische wereld: Ali Ferzat. Vroeger was hij bevriend met de Syrische president Assad, die zelfs hard moest lachen om zijn tekeningen. Totdat het regime zijn tanden liet zien: Ferzat werd vorig jaar in elkaar geslagen, zijn vingers werden gebroken.

Het was een ultieme poging van het regime om Ferzat het zwijgen op te leggen. De tekeningen van de cartoonist zijn immers een belangrijk wapen geworden in de strijd tegen de regering van President Assad.

Maar Ferzat herstelt en tekent nog steeds. Op uitnodiging van het Prins Clausfonds is hij in Amsterdam om, Culture in Defiance, een tentoonstelling over Syrische kunst en satire te openen.

Lecture by professor Sadik Al Azm (Syria)

Sadik Al-Azm, one of the Middle East’s most notable contemporary thinkers, will reflect on the effect of the Arab uprisings on civil society.

Sadik Al-Azm is Professor Emeritus of Modern European Philosophy at the University of Damascus and a fellow at the Käte Hamburger Institute at the University of Bonn. His area of specialisation was the philosophy of Immanuel Kant with a more current emphasis upon the Islamic world and its relationship to the west. He has also contributed to the discourse of Orientalism.

One of his most influential books, Al-Naqd al-dati ba’d al-hazimah (Self-Criticism After the Defeat), challenged the shifting blame that followed the defeat of Syria, Jordan and Egypt after the 1967 war and reasoned that Arabs had to embrace democracy, gender equality and science to achieve progress. When it was first published in 1968, the book marked a turning point in Arab discourse about society and politics and spawned other intellectual ventures into Arab self-criticism. However, in 1970, in response to his writings, Al-Azm was tried in Beirut and dismissed from his teaching post at the American University there. Still actively writing, Mr. Al-Azm has already left a legacy of piercing intellectual examination of the social, religious, cultural and political bases of modern Arab society. He has contributed to the Prince Claus Fund as a member of the Awards Committee.

Culture in Defiance
The lecture is part of the exhibition Culture in Defiance: Continuing Traditions of Satire, Art and the Struggle for Freedom in Syria in the Prince Claus Fund Gallery. Free admission, until 23 November.

Sadiq al-Azm (foto Floris Schreve)

Lezing door Sadiq al-Azm (korte samenvatting, gebaseerd op mijn summiere aantekeningen), zie een transcriptie van de lezing hier

The Civil Society debates and the Arab Spring

Prins Claus Fonds voor Cultuur en Ontwikkeling, Herengracht 603, Amsterdam, vrijdag 7 september 2012

De discussie over de noodzaak tot de vorming van een ‘civil society’ in de Arabische wereld begon in de jaren zeventig. Vooral na de dramatische nederlaag van de oktoberoorlog tegen Israël bleek dat het postkoloniale discours van Pan-Arabisme, Arabisch Socialisme en Arabisch Nationalisme gefaald had. De Arabische wereld kende, na de verschillende revoluties, vooral militaristische en nationalistische regimes, die zichzelf met repressie in het zadel hielden.

Al Azm noemt als belangrijke denkers over de noodzaak om tot secularisering en democratisering te komen Hassan Hanafi (Egypte) en Mohammed Abed al-Jabri (Marokko). Zij hanteerden hiervoor het begrip ‘almaniyya (علمانية ), ‘secularisme’, volgens de meeste vertalingen ‘laicism’, oftewel scheiding van religie en bestuur. De seculiere beweging had in de periode van halverwege de jaren zeventig tot eind jaren negentig het tij sterk tegen. De Arabische wereld werd gedomineerd door een patstelling tussen de autoritaire heersende regimes, ideologisch vaak een mix van socialisme, nationalisme en populisme, maar volgens al Azm al in diskrediet geraakt sinds Nasser, en aan de andere kant de enige oppositiekracht die nog een vuist kon maken; de politieke islam.

De jaren tachtig en negentig waren een periode van verdere stagnatie, waarin het Arabische politieke discours werd gegijzeld door de autoritaire regimes aan de ene kant en de steeds gewelddadiger wordende islamisten aan de andere kant.

In 2000-2001 brak er een korte ‘Syrische lente’ uit, na de dood van dictator Hafiz al-Assad. Het was ook de tijd van Charter 99. Al-Azm stelt dat veel ideeën van Charter 99 van grote invloed zijn op de verschillende Arabische democratiseringsbewegingen van nu.

Overigens kent ook de geschiedenis van de islamitische wereld een soort equivalent van de notie ‘Civil Society’. Het gaat hier om het begrip ‘assabiyya (عصبية) van de beroemde klassieke islamitische filosoof Ibn Khaldun (Tunis, 1332 – Caïro, 1406). In het discours van de huidige revolutionaire beweging steekt dit begrip vaak de kop op. Al-Azm ziet niet veel in de herwaardering de notie van ‘assabiyya. Hij wijst erop dat dit begrip al langer in gebruik was bij de islamistische beweging. ‘Assabyya in de traditionele zin houdt vooral groepssolidariteit in, met de familie, de clan en de eigen religieuze gemeenschap. Volgens al Azm is het zelfs gevaarlijk om deze notie uit het verleden de hedendaagse samenleving op te leggen. Natuurlijk, ‘assabiyya in de traditionele zin werkte vaak als een buffer tussen het individu en de staatsmacht, zoals in het Irak en Iran van de twaalfde eeuw. Zo’n buffer is volgens al-Azm ook nu absoluut noodzakelijk, maar hij ziet meer in de Civil Society, zoals die werd bepleit door Emile Durkheim of Antonio Gramsci .

De Arabische lente lijkt voorlopig een einde te maken aan de heersende families en hun naaste getrouwen. Het ultieme moment was, in de woorden van Sadiq al-Azm ‘the Tahrir-Square Experience’, zoals die in verschillende landen plaatsvond. Syrië heeft dat moment helaas niet gekend, althans tot nu toe. Daarvoor is de repressie van het zittende regime te gewelddadig geweest.

Zie bijvoorbeeld de stad Dera’a, die inmiddels al twintig keer weer op een gewelddadige manier door het regime is ingenomen. Dat dit twintig keer moest gebeuren zegt wel iets over de effectiviteit van de opstandelingen. De tactiek is nu om de spoeling van de troepen van het regime zo dun mogelijk te maken. Al zal het regime niet snel opgeven. Syrië wordt nu geregeerd door een kleptocratische klasse, die alles te verliezen heeft wanneer zij de macht verliest.

Ondanks de gewelddadige escalatie staat al-Azm positief tegenover de revolutie. Ook de Syrische opstand begon als een Tahrir Square experience. Al-Azm haalt de notie van de ‘Carnivalesque Spirit’ aan van Roland Barthes. De tentoonstelling in het Prins Claus Fonds is daar overigens een duidelijk voorbeeld van. De kern van de Syrische revolutie ademt volgens al-Azm nog altijd de sfeer van deze ‘Carnivalesque Spirit’ uit. Deze moet de leidraad van de revolutie blijven. De ‘Tahrir-Square Experience’ zou de basis moeten vormen voor een nieuw vrij Syrië en een vrije democratische Arabische wereld.

Floris Schreve

Amsterdam, september, 2012

Sadiq al-Azm met Christa Meindersma, directeur Prins Claus Fonds (foto Floris Schreve)

Sadiq al-Azm met Eduard Nazarski (rechts), directeur van Amnesty International Nederland (foto Floris Schreve)

Ali Ferzat

Ali Ferzat

Ali Ferzat

Ali Ferzat

Ali Ferzat

Khalil Younes, Hamza Bakkour

Khali Younes,About a young man called Kashoosh

tekst: ‘Homs, the Mother of all Heroes. The King of the jungle rides a tank.’ (‘Assad’ betekent ‘leeuw)- foto Pascal Zoghbi 


http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2668/Buitenland/article/detail/3263291/2012/05/31/Later-zal-iemand-dit-werk-zien-en-zeggen-dat-was-de-Syrische-Revolutie.dhtml

‘Later zal iemand dit werk zien en zeggen: dát was de Syrische Revolutie’

Door: Sacha Kester −31/05/12, 07:00
 

Hoe doe je dat – in opstand komen tegen een dictator? Waar haal je het lef vandaan om te blijven demonstreren, ondanks de sluipschutters op de daken en de tanks die je wijk omsingelen?

  • ‘Self defense is a legitimate right’ van Civil Society

‘Eigenlijk was dat de vraag die telkens weer bij me terug kwam’, vertelt Malu Halasa, curator van een tentoonstelling over cultuur tijdens de Syrische opstand. ‘Het antwoord werd heel scherp gegeven door Jameel, een Syrische poppenkunstenaar die alleen maar met een masker optreedt. Mensen kunnen dit, zegt hij, door te lachen, door schoonheid en door menselijke vastberadenheid – want zolang dat bestaat, kun je alle lelijke dingen op deze wereld aan.’

En lachen, dat doen ze. Lachen om het kwaad en dansen op protestmuziek. Het carnaval van de Syrische revolutie heeft spotprenten en theater, literatuur en film, graffiti en poëzie opgeleverd, die op initiatief van het Prins Claus Fonds door de Jordaans-Filipijnse Mala Halasa en drie andere curatoren bijeen zijn gebracht voor een tentoonstelling die vanaf maandag in Amsterdam te zien is.

Een klein wonder
Het was soms zwaar om hier aan mee te werken. ‘Je werkt samen met mensen die letterlijk onder vuur liggen – een paar weken geleden werd een van de beste vrienden van mijn collega neergeschoten in Homs’, vertelt Halasa over de telefoon. ‘Daarnaast is het moeilijk om werk het land uit te krijgen. Je kunt niet even naar Syrië bellen en vragen: ‘Hi, mail ons even wat materiaal in een hoge resolutie.’ Dat het toch gelukt is om alles bij elkaar te krijgen, is een klein wonder.’

Het resultaat is indrukwekkend. ‘Mensen zien alleen de afschuwelijke beelden van de oorlog’, zegt Halasa. ‘Maar het verhaal is nog veel groter. Stel je voor: mensen kunnen daar al vijftig jaar lang niet zeggen wat ze denken – niet uiten wat ze voelen. En nu is het deksel eraf!’

De Syrische revolutie is dan ook nauw verbonden met kunst. Drie maanden voordat de eerste demonstraties begonnen, maakte Ali Ferzat, een van de bekendste cartoonisten uit het Midden-Oosten, spotprenten van president Assad. Het was voor het eerst dat zoiets werd gepubliceerd, en daarmee werd er iets doorbroken.

Halasa: ‘Het inspireerde anderen, en zijn prenten werden tijdens de demonstraties mee gedragen. Er werd gezongen, er ontstond protestmuziek, en mensen dansten op raps als ‘We will fill all the prisons’. In kleine dorpen gingen jongeren ‘s nachts de straat op om hun eigen cartoons op de muren te spuiten en gevestigde kunstenaars verwerkten hun woede, hun verdriet, in hun werken.’

  • ‘Vomit’ van Yasmin Fanari

In de catalogus van de tentoonstelling wordt het fenomeen krachtig neergezet. De schilder Khalil Younes bijvoorbeeld, wiens werk ook in het westen wordt verkocht, vertelt in een interview dat hij de zaak heeft opgepakt om de ontwikkelingen ook voor volgende generaties vast te leggen. ‘Ik had het gevoel dat ik iets moest doen in de stijl van Francisco de Goya. Iemand zal dit werk later zien en zeggen: ‘Dát was de Syrische Revolutie’.’

Tranen
De ondergedoken blogger Razan Zaitouneh, winnaar van de Sakharov Prijs, beschrijft hoe het is om elke dag tientallen video’s van slachtoffers te bekijken voordat ze op het internet worden geplaatst. ‘Het is mijn taak om ervoor te zorgen dat de naam van de martelaar klopt, net als de details van zijn of haar dood. Elke dag, zie ik honderden mensen sterven. Gemiddeld duurt elke video een minuut. Binnen een uur kan ik getuige zijn van zestig lichamen, tenzij het er een video tussen zit van een massamoord – dan vermenigvuldigt dat cijfer zich.’

‘Experts van de Documentatie van de Dood, zoals ik, huilen niet. We kijken alleen maar, met open mond en gefronste wenkbrauwen, en op enkele specifieke momenten, horen we de tranen uit ons eigen binnenste komen.’

Er wordt niet meer gezongen en gedanst in Syrië. Niet in de steegjes, waar de protesten voorzichtig begonnen, en niet op de pleinen, waar de begrafenissen begonnen die tot nog grotere demonstraties leidden. Maar de veerkracht blijft. ‘Het is de piramide van Mazlov op zijn kop’, zegt Halasa. ‘Er is geen veiligheid, en voor sommigen is er niets te eten, maar zelfontplooiing houdt mensen gaande. Na een hele lange tijd hebben de Syriërs hun eigen stem weer teruggevonden.’

Onder de tekst is een kleine selectie van cartoons, foto’s en video te zien.

De tentoonstelling Culture in Defiance: Continuing Traditions of Satire, Art and the Struggle for Freedom in Syria is van 4 juni tot 23 november te zien in de Prins Claus Fonds Galerie, Herengracht 603, in Amsterdam

  • ‘Dungeons’ van Jaber al-Azmeh
  • Het schilderij ‘A young man called Kashoosh’ van Khalil Younes
  • Bullet
  • Cartoon van Ali Ferzat
 

Een impressie van de tentoonstelling (foto’s Floris Schreve)

‘Defiant Culture’: A debate on Syria’s creative dissent

Prince Claus Fund

Thursday, October 18, 2012 at 7:30 PM (CEST)

Amsterdam, Netherlands

Please join us for a special event on Syria’s creative dissent on 18 October in the Hermitage Amsterdam with Jameel, director of the satirical Syrian puppet show Top Goon: Diaries of a Little Dictator, Arab media specialist Donatella Della Ratta, Syrian communication expert D. Midani and Malu Halasa, editor and journalist on the Middle East. The Prince Claus Fund organises this debate as a side-event to the exhibition ‘Culture in Defiance’ which is currently on display at the Prince Claus Fund Gallery. The exhibition is curated a.o. by Malu Halasa and Donatella Della Ratta.

Jameel, in the Netherlands for the first time, is the director of the anonymous Syrian artists’ collective Masasit Mati, set up in 2011 in response to the crisis in Syria. Masasit Mati produces Top Goon: Diaries of a Little Dictator, a satirical finger puppet show that critically comments on the Syrian conflict. Masasit Mati uses finger puppets because they are easy to smuggle through checkpoints. The artists create all aspects of the show, from the puppets themselves to scriptwriting, directing, filming and editing. The Prince Claus Fund supports the production of the second season of Top Goon.

After an introduction by Malu Halasa, Jameel will talk about creating stories, satire, humor and art under pressure. Donatella Della Ratta will speak about the user-generated creative content on the internet in the Syrian conflict, such as cartoons, songs and parodies on political posters. D. Midani presents a unique perspective on Syria as a brand.

Following the presentations Prince Claus Fund director Christa Meindersma will conduct a Q&A with all participants. Afterwards there will be drinks at the Prince Claus Fund Gallery and the opportunity to view the exhibition ‘Culture in Defiance’.

“Everything that is scary can be dealt with through laughter, beauty and human resolve”

(Jameel, director Top Goon: Diaries of a Little Dictator)

‘Word zelf geen monster!’

Regisseur Jameel wil alleen vermomd in beeld» Regisseur Jameel wil alleen vermomd in beeld NOS
Toegevoegd: vrijdag 19 okt 2012, 00:51
Update: vrijdag 19 okt 2012, 01:01

Door buitenlandredacteur Esther Bootsma

“Ik ben niet zoals jij”, roept de geblinddoekte man. Waarop Bashar al-Assad hem afranselt met een zweep.;”Laat de haat naar buiten komen”, roept de Syrische president met een hoog piepstemmetje. “Het monster in je zal uiteindelijk tevoorschijn komen”. Assad geeft nog een zweepslag. De man in zijn bebloede hemd gilt van de pijn.

Het is een van de laatste afleveringen van Top Goon, een satirische poppenserie over Syrië. Een harde, gruwelijke aflevering, die in schril contrast staat met de eerste poppenshows. Daarin zat veel meer humor, zoals een persiflage op Who wants to be a millionaire, waaraan Assad deelneemt, nadat Mubarak en Kadhafi al waren afgevallen. Die hadden niet genoeg mensen gedood om te winnen.

Het was onvermijdelijk, zegt de Syrische regisseur Jameel van Top Goon. De burgeroorlog is de afgelopen anderhalf jaar zo hevig geworden, er vallen zoveel doden, dat ook de humor grimmiger wordt.

Vingerpoppetjes

Jameel is in Amsterdam op bezoek bij het Prins Clausfonds, voor een debat over het creatieve verzet in Syrië. Want er zijn niet alleen demonstranten en rebellen in Syrië, ook kunstenaars komen in opstand tegen het bewind.

Vroeger bestond het niet eens: openlijke kritiek op president Assad. Vandaar dat Jameel ook alleen vermomd gefilmd wil worden. Hij woont zelf weliswaar in de Libanese hoofdstad Beiroet, maar zijn familie woont nog in Syrië. En die zal worden gemarteld als bekend wordt dat hij de regisseur is van Top Goon.

Vandaar ook het idee voor de vingerpoppetjes. Makkelijk te maken, makkelijk te smokkelen en de acteurs zijn onherkenbaar. President Assad met zijn smalle hoofd, priemende oogjes en zijn slissende s. De goon, ofwel de bendeleider, met zijn dikke snor, een van de leden van de shabiha-milities van Assad, die het vuilste werk opknappen in Syrië.

De serie op Youtube wordt door tienduizenden mensen bekeken. In het buitenland heeft hij lovende kritieken.

Steun aan rebellen

Maar Top Goon kwam ook in de problemen. De vier oorspronkelijke makers raakten verdeeld. Aanvankelijk waren ze voor geweldloos verzet, maar twee acteurs kozen de kant van de gewapende opstand door het Vrije Syrische Leger. In eigen filmpjes op internet riepen ze op tot geweld.

Voor regisseur Jameel betekende dat het einde van de samenwerking. “Als je monsters bestrijdt, pas dan op dat je niet zelf een monster wordt”, citeert hij Nieztsche.

Hij maakt zich grote zorgen over de moorden en aanslagen die ook door de rebellen worden gepleegd. In Top Goon spreken de poppen daarom soms ook kritisch over het Vrije Syrische Leger.

Zwarte humor

“Ik ben tegen het gewapende verzet, want wapens en geweld leiden tot meer wapens en geweld. Het is mijn plicht als kunstenaar om de vreedzame manier van denken aan de volgende generaties over te brengen.”

Voor dat doel vond hij nieuwe acteurs, met wie hij nu de tweede serie Top Goon maakt, mede gefinancierd door het Prins Clausfonds. Deze serie is wel zwaarmoediger.

“Zoals u weet is de Syrische revolutie veranderd. Er wordt meer geweld gebruikt. Dat heeft zeker invloed op onze show”, zegt hij. “Het tweede seizoen is somberder geworden, maar er is nog steeds de zwarte humor.”


http://www.aljazeera.com/programmes/witness/2012/08/2012820111648774405.html

Witness
 
Little Dictator
 
As fighting rages, four political satirists find themselves swept up in the debates that divide Syria’s revolutionaries.
Witness Last Modified: 21 Aug 2012 14:47
 
 
In November 2011, as armed conflict raged in Syria, a young acting troupe called Masasit Mati launched a ground-breaking, finger-puppet show: Top Goon: Diaries of a Little Dictator, which mocks the Syrian regime in ways never seen in public before.

JOIN THE DEBATE

Send us your views and join the Witness community

Living in exile, the four actors in Masasit Mati broadcast their show online, attracting a growing audience and positive reviews around the world.

But Top Goon’s success puts the actors themselves in danger and the widening split in Syria between those who favour a peaceful resolution and those prepared to use armed force mirrors that within the troupe itself.

Lead writer Arwa is determined to stick to his message of non-violent resistance. The show’s actors, the Malas Brothers, support the Free Syrian Army and are increasingly vocal in their demands for violent revenge upon the regime.

Jameel, the show’s director, struggles to reconcile these diametrically opposing viewpoints while trying to raise funds to get a second series off the ground.

A remarkable film that explores the conflicts besetting millions of ordinary Syrians as their country edges into bloody civil war.

Filmmaker’s view

By Annasofie Flamand and Hugh Macleod

In the Syria of old, no one joked about the president.

The main bridge over the highway in central Damascus may have been known as ‘President’s Bridge’ but no one ever called it Assad’s. The ruling family name was barely breathed in public, except to chant pledges of blood and soul during regime-orchestrated rallies.

One of the first young revolutionaries we filmed after protests broke out in the country we called home for several years described the rage he felt after his sister was arrested for telling a fellow student at Damascus University that she did not think President Bashar al-Assad was up to the job he inherited.

Any jokes Syrians might have wanted to crack about their gawky dictator were done so at home, and only among trusted friends.

Then an actor behind a home-made stage raised a long, thin finger puppet in the air, its narrow moustache, pointy nose and saucer-shaped ears glinting in the theatre lights. The actor affected an Arabic lisp, the puppet danced and everything was changed in an instant.

“It was forbidden to talk about the president in any way, but now you can say what you want and this is extremely exciting,” said Jameel, the director of Masasit Mati, a group of young Syrian artists who came together as their revolution raged to create the most daring work of political satire in Syria’s history.

Using finger puppets of al-Assad, known as Beeshu, his top security chief and a host of women and men from Syria’s diverse society, the series of short vignettes, called Top Goon: Diaries of a Little Dictator, quickly gained a huge following through YouTube and Facebook.

Delightful irreverence

Audiences were shocked and delighted at the irreverent portrayal of a regime that had dominated every aspect of life in Syria for nearly half a century.

“We tried to make fun of it, to break the glorified image of the dictator,” said Jameel. “There are taboos and red lines you could not cross. We tried to break exactly these red lines and destroy them.”

Watch only the news on Syria and its revolution might appear limited to protests, crackdown, imprisonment and torture, the ever escalating mindless violence that grabs headlines and eventually morphs into its own entity: ‘Violence erupted on the streets of Syria’; ‘A fresh cycle of violence engulfs Syria’; ‘Sectarian violence stalks Syria’ etc, etc. Reporting for nearly a decade from the Middle East, we were all too familiar with the spirit-sapping pattern of conflict journalism.

So when a mutual friend told us a group of Syrian artists were launching a finger puppet show we jumped at the opportunity to re-engage with the hearts and minds of the uprising, the young men and women throwing off decades of stale inheritance, to transform their country, not just politically, but socially and culturally as well.

“They think that once they put pressure on you, you will retreat or stop,” said Mohammed Malas, one half of the vivacious Malas Twins, brothers identical and actors extraordinaire, who once staged a skit while in prison for protesting against al-Assad’s regime.

Rehearsing the first season of Top Goon in the relative safety of the Lebanese capital, Beirut, Mohammed and Ahmad Malas could barely stop belly-laughing as they and Jameel practiced the songs, wisecracks and slapstick that would turn their two-inch finger puppet dictator into an icon of rebellion for a new generation.

“I’m not crazy!” Beeshu’s frantic assertion at the start of every episode fast became a Facebook catchphrase for Syria’s young rebels.

But the violence in Syria was inescapable. As the regime’s attacks on protesters swelled into military assaults on whole cities and into sectarian massacres by al-Assad’s militiamen, the artists found themselves swept up in the great debates which divide Syria’s revolutionaries.

Peace or violence?

In the face of daily death tolls topping 100 people, how could peaceful protests continue? Surely it was time to support the burgeoning armed rebels of the Free Syrian Army? Jameel was adamant: Masasit Mati’s core belief and message was peaceful change. The group would not publicly back the FSA.

“You cannot build a civic state through violence,” said Jameel. “Violence only breeds violence.”

Seething in the chaos of Cairo, their new home, the Malas twins took a very different view: “If Gandhi were alive today he would have carried a gun,” said Ahmed, furious at the latest news on the TV in the living room. “In Gandhi’s day, were there snipers shooting people in the head? Did they rape his mother? Did they kill a whole family? What non-violence?”

With this growing split between Jameel and the twins we knew we had tapped into a story that went to the heart of the Syrian revolution. What had begun with a dream of a better state founded on freedom and achieved through peaceful protests had now morphed into a bloody struggle for survival.

It was in Amman that Top Goon’s main writer, Arwa, succeeded in condensing the essence of this struggle. Forced to uproot from his home in southern Syria and flee across the border into the “ghost city” of Jordan’s capital, Arwa outlined the choice facing Syria’s revolutionaries, if not all revolutionaries: To stay peaceful or to fight back?

On an Amman rooftop at sunset, Arwa reveals the raw emotion behind the intellect, the person behind the words, the sorrow behind the satire. Reading from a fictional letter written to his brother, Arwa describes his feelings at witnessing his best friend shot and killed. He has sold his library to buy a Kalashnikov, he reads.

“So here’s the question,” Arwa tells us in an interview later, “Is revenge now justified?” Not for the artist, he concludes: “I can only defend non-violence because this is not just a revolution for our generation, but for future generations.”

Set to the beautiful song of Emel Mathlouthi, ‘My Word is Free’, and the haunting oud of Rahim al-Haj – to both of whom we are hugely grateful for the music we feature in the film – we knew our Syrian revolutionaries – through their honesty and aspirations – had given the film that most precious part within any body of work: Its soul.

To watch the 15 episodes of Top Goon, click here.

 

A political satire group has scored a runaway success in using a novel way to openly mock the Syrian regime



Witnesscan be seen each week at the following times GMT: Monday: 2230; Tuesday: 0930; Wednesday: 0330; Thursday: 1630.Bringing global issues into focus through courageous and inspiring human stories. Watch more Witness.